• Ondraaglijke schoonheid

    Ondraaglijke schoonheid

    De Franstalige Zwitserse schrijver Charles Ferdinand Ramuz (1878-1947) schreef La Beauté sur la terre in 1927Schoonheid op aarde, in 2022 bewonderenswaardig mooi vertaald door Rokus Hofstede, is dus een inmiddels bijna honderdjarige roman. Ook de setting is minstens een eeuw oud: een rustieke dorpsgemeenschap aan het meer van Genève tegen de achtergrond van de prachtige, nog woeste natuur van de Zwitserse Alpen. In deze belegen context kan het niet anders dan dat ook de rollen binnen de gemeenschap vastliggen: vrouwen zijn of femme fatale of onderworpen grijze muis of feeks. Mannen zijn gewoon mannen; verder heb je vissers, boeren, dienstpersoneel, werklui, een kroegbaas, een burgermeester, een gebochelde muzikant, allemaal met eeuwenlang vastliggende taken en plichten. Dan komt helemaal uit Cuba een negentienjarige jonge vrouw in het dorp wonen. Zij is de nicht van cafébaas Milliquet, die met tegenzin heeft  ingestemd de dochter van zijn gestorven broer op te vangen.

    ‘Objet désirable’

    De mannen in het dorp vallen als een blok voor de exotische schoonheid Juliette. Ze willen haar allemaal op de één of andere manier bezitten – veroveren, beheersen, of op z’n minst bevoogden. De lezer ziet Juliette dan ook vrijwel enkel door hun ogen. Ze is immers maar een ‘objet désirable’, een ding dat hebzucht, lust opwekt. ‘Want weten wij wat we met schoonheid aan moeten onder de mensen?’ is een terugkerende vraag in het boek. ‘Hébben wil je, en anders maak je kapot.’, zegt bij wijze van antwoord het meest agressieve personage. Inderdaad lijkt het erop alsof de drang om te hebben, te domineren en te onderwerpen van schoonheid (en wellicht in ruime zin van alles dat waardevol lijkt) zich tegen de mens keert en hem tot eenzaamheid veroordeelt. Ook voor deze Esmeralda is er geen plaats tussen het gepeupel en het is wrang dat het juist een gebochelde is die het als enige, en in zekere zin onbaatzuchtig, voor haar opneemt. Daarom verdwijnt ze tenslotte met haar gebochelde Quasimodo. Schoonheid op aarde is vluchtig en als ze verdwijnt, blijft chaos over. 

    Poëtische bezieling

    Vermoedelijk zal het niet de intrige op zich zijn die de huidige lezer verleidt en boeit. Daarin schuilt niet de kracht van Ramuz’ roman. Heel erg bijzonder daarentegen zijn de beschrijvingen van de natuur, die een echo lijken te zijn voor de stemmingen en gevoelens van de personages. Je zou het een soort animisme kunnen noemen, een convergentie tussen de ziel van de mens en die van de blijkbaar eveneens bezielde dingen, zielen, die allemaal met elkaar communiceren, in elkaar overlopen en elkaar versterken. De storm die aan het einde van de roman losbarst en in zijn groeiende heftigheid van over elkaar buitelende golven de dramatische gebeurtenissen in het dorp weerspiegelt is hier een prachtig voorbeeld van. Daarnaast levert deze vervlechting ook mooie, poëtische beelden op:

    …het zonlicht…op de gloeiende weiden, was…net goudpoeder; boven de bossen warme as. Alles maakte zich mooi, alles maakte zich nog mooier, alsof er een wedijver heerste. Alle dingen die zich mooi, steeds mooier maken, het water, de bergen, de hemel, wat vloeibaar is, wat vast is, wat noch vast noch vloeibaar is, maar alles hangt met elkaar samen; er was zoiets als een verstandhouding, een aanhoudende uitwisseling tussen het ene ding en het andere, en tussen alles wat er is.’

    In zo’n wereld vol dwarsverbanden kunnen medailles hangen ‘zich op het behangpapier te vervelen in hun lijst’, bomen samenwerken ‘om met hun bladeren de hemel boven de wegen aan het oog te onttrekken’, bergen blinken ‘als omgedraaide kopjes van wit aardewerk’ of ‘kleine golfjes voortdurend speels afdalen en opklimmen, als kleine meisjes op een zandberg’ en ook kan geluid vallen ‘op de grond alsof iemand het met een schaar heeft doorgeknipt’.

    Het zijn kleine en prachtige juweeltjes van beeldend taalgebruik vol poëzie. Maar daarnaast kan deze verstrengeling van mens en natuur, deze wederzijdse afhankelijkheid van levende wezens en ogenschijnlijk levenloze dingen ook de moderne, van de natuur los geraakte mens aanspreken. In deze twee aspecten schuilt beslist de waarde van Ramuz’ roman.

    Modern 

    Bij deze bijzondere zienswijze van de wereld waarin alles met elkaar communiceert moet de schrijver ongetwijfeld een passende, vernieuwende manier van schrijven hebben gezocht. Ook zijn schrijfstijl moest grensoverschrijdend zijn en onverwachte verbindingen aangaan. In zijn tijd kreeg hij vanuit literair Frankrijk het verwijt de Franse taal in zekere zin te mishandelen door haar spreektalig, boers te laten klinken. Ook tegenwoordig is Ramuz’ stijl niet voor iedereen weggelegd. De lezer moet in ieder geval welwillend zijn en openstaan voor experimenten. 

    De auteur speelt met werkwoordstijden (tegenwoordige en verleden tijd volgen elkaar onverklaarbaar op), laat flarden zin letterlijk naast elkaar herhaald staan en gebruikt persoonlijke voornaamwoorden waarbij het duister blijft naar wie ze verwijzen: een ‘ik’ of ‘je’ en vooral de ‘we’ kan op heel verschillende personen slaan; soms zit de verteller er duidelijk bij, dan weer waarschijnlijk helemaal niet. Verwarrend is dit in elk geval. Maar wat voor de lezer de oriëntatie en het inschatten van afstanden en tijdsduur echt bemoeilijkt is het steeds en onverwacht verschuivende perspectief. Het personage door wiens ogen we als lezer naar een scène kijken kan vlakbij zitten, maar vaker nog op grote afstand en hoger gelegen plekken. Het overzicht is zo groter, maar ook fragmentarisch. 

    Montagetechniek

    Het is alsof de gebeurtenissen door een camera geregistreerd werden en vervolgens met behulp van een snelle montagetechniek achter elkaar zijn gezet. Ramuz hield van muziek en schilderkunst, misschien ook van film en fotografie. In ieder geval doet zijn stijl schilderachtig en filmisch aan, alsof hij kleurtoetsen op een doek plaatst of de kadrering van een foto bepaalt: ‘Opnieuw had een stoomboot, met zijn naam die je kon lezen (het was de Rhône), een ogenblik lang geen voor- en geen achtersteven tussen de deurposten, terwijl het uiteinde van de schoorsteen net tot de bovendorpel reikte.

    Vanaf de eerste bladzijden hangt er constant een subtiele dreiging boven het verhaal. Het zet aan tot doorlezen, maar heeft ook iets onbevredigends, omdat de lezer er geen vat op krijgt, gedesoriënteerd raakt. Maar is dat niet wat een boek tot literatuur maakt?

     

     

  • Doelloos

    Doelloos

    Rusteloos met als ondertitel Gestrand in het land van Boeddha is de tweede roman van historicus en indoloog Casper Luckerhof. Oorspronkelijk was de schrijver van plan een boek te schrijven waarin Boeddha als charlatan werd ontmaskerd. Het draaide uit op ‘een memoir’ van zijn eigen avonturen in Nepal, een verhaal van een verdwaalde bijna-dertiger, gekweld door een dwingend gevoel dat hij zijn ‘leven op de rit’ hoort te hebben en dus op zoek gaat naar een doel en naar zichzelf.

    Het geheim

    Luckerhofs pelgrimage brengt hem naar een raadselachtig boeddhistisch onderzoeksinstituut in Lumbini, de geboorteplaats van Boeddha. Dit instituut, gefinancierd door een even geheimzinnige Japanse organisatie, blijkt een gigantische bibliotheek van boeddhistische literatuur te beheren waar Casper totaal onverwacht het aanbod van de beide directeuren krijgt bibliothecaris te worden. Gevleid neemt hij dit aanbod aan en denkt hiermee zijn ultieme bestemming gevonden te hebben. In plaats daarvan raakt hij in een bizar spel van aantrekken en afstoten verstrikt, dat hem nog verder uit balans brengt.
    ‘Het is jouw belangrijkste taak om te zorgen dat er niemand in deze bibliotheek komt.’ draagt een van de directeuren hem op. Casper, die bovenal aardig gevonden wil worden, zet zijn gezonde verstand uit en gehoorzaamt, maar vraagt wel heel even wat dan wel hun missie is. Het surrealistische van deze scène wordt compleet als de directeur vaderlijk zegt: ‘Jongen,(….) Je hebt er nog helemaal niets van begrepen. Dit instituut…is ons geheim.’ Aha, denk je als lezer, wat zal daaronder vandaan komen?

    Vind mij lief

    Het blijkt een patroon te zijn in het gedrag van de hoofdfiguur, dat zich door de hele roman heen, met elk personage dat op zijn pad komt -en dat zijn er nogal wat-, steeds maar blijft herhalen: Casper is krampachtig op zoek naar liefde, erkenning, bevestiging. Paradoxaal genoeg verlangt hij naar een mentor, een goeroe, die hij oorspronkelijk juist wilde hekelen. ‘Bang om in [andermans] ogen te falen … gehypnotiseerd door…de kracht en autoriteit die er van [de ander] uit[gaat]’, wil hij dolgraag imponeren, in de gunst komen en spiegelt zich steeds aan anderen, zonder met hen ooit echt contact te maken. Zo blijft hij een speelbal van zijn omgeving, heen en weer geslingerd tussen energieke euforie en onderdanige onzekerheid. 

    Rusteloos

    Wat verbaast is dat Casper zijn eigen pleaser-gedrag niet duidt, hij beschrijft het slechts, en steeds opnieuw, alsof het een onschuldige tekortkoming is, waar hij weliswaar last van heeft, maar meer ook niet. Het hele boek door daalt er geen zelfinzicht in en blijft elke karakterontwikkeling uit.
    De lezer kan die herhaling irritant vinden en naar een verklaring voor het ‘vind-me-lief-gedrag’ gaan gissen. Zou het een gevolg zijn van de perfecte training in aanpassing die Casper als kind van zijn ouders kreeg, toen ze hem vanzelfsprekend in hun eigen enthousiasme voor oosterse spiritualiteit inlijfden? Hoe kan ‘niet gezien worden’ uitpakken? Het kan een interessant thema zijn.
    Casper voelt zich op alle fronten falen: ‘Alles is tot nu toe mislukt. Mijn boek. Mijn baan. De liefde. Alles.’ Dit falen wordt aan rusteloosheid toegeschreven. Immers, het hoofd van het Instituut ontslaat Casper met als argument dat hij hem ‘rusteloos’ vindt. Lastige karakterisering. Is de rusteloosheid niet veeleer een gevolg van het missen van een focus, van een doel, van een onderwerp?

    Kabbelen

    Het boek is vlot geschreven. De verhalen volgen elkaar soepel op, zo ook de vele personages die de hoofdpersoon op zijn rondzwervingen ontmoet en weer spoorloos ziet verdwijnen. Het is niet altijd duidelijk wat sommigen eigenlijk toevoegen. Dat geldt ook voor de anekdotes die van alles willen suggereren, maar weinig opgepakt of uitgewerkt worden en dus betekenisloos blijven.
    Herhaaldelijk wordt een climax gesuggereerd door zinsneden als ‘op dat moment gebeurde er iets’. Maar er gebeurt niets en het verhaal kabbelt verder. Het resultaat is een soms incoherent, vaak teleurstellend verhaal, dat elke ontwikkeling ontbeert en als geheel onvoldragen aandoet. Als ‘memoir’ opgevat wordt als een verzameling vrij nietszeggende herinneringen, dan lost dit boek die belofte in.
    Salman Rushdie vertelde ooit in een interview met Adriaan van Dis het interessanter te vinden om te schrijven ‘over het pad dat je afwijst dan over het pad dat je inslaat’: ‘Over mezelf schrijven is saai’ stelde hij. Wijze les.

     

     

  • De toekomst woont niet meer op dit adres

    De toekomst woont niet meer op dit adres

    De laatste roman van de gelauwerde schrijver van essays en romans en lid van de Académie Française, Amin Maalouf, heet Nos frères inattendus, vertaald als Een onverwachte broederschap.
    Het is een filosofische parabel waarin Maalouf thema’s van zijn eerdere essays, zoals de een jaar eerder verschenen Schipbreuk der beschavingen, op een romaneske manier behandelt.
    Overleven in een ineenstortende wereld is voor de mensheid prioriteit nummer één. Dat dit onder rampzalige omstandigheden onmogelijk voor iedereen haalbaar kan zijn, spreekt voor zich. Toch ziet Maalouf het als zijn taak als schrijver om deze imperfecte wereld niet alleen te analyseren en te begrijpen (wat hij in de eerste plaats in zijn essays nastreeft), maar ook om wanhoop te bestrijden en een uitweg te wijzen: ‘Le désespoir ne mène à rien, surtout pour un écrivain’ (Wanhoop leidt tot niets, al helemaal bij een schrijver). Hierop concentreert hij zich in zijn romans, en zeker in Een onverwachte broederschap.
    Misschien is dat hoopgevende aspect nu juist de verklaring voor de over het algemeen zeer positieve waardering van Maaloufs romans; lezers houden nu eenmaal van verhalen met een happy end.

    It was a dark and stormy night

    Het verhaal begint uiteraard stormachtig. Op een piepklein eiland aan de Atlantische kust woont Alec Zander, tekenaar van politieke cartoons voor een aantal internationale kranten. Het is tegen achten ’s avonds, ‘buiten woedt de voorspelde storm’, Alec heeft zojuist een tekening afgerond, als plotseling de stroom uitvalt. Als hij doorkrijgt dat ook alle communicatiemiddelen op onverklaarbare wijze uitgeschakeld zijn vermoedt hij dat er iets ernstigs aan de hand is, namelijk ‘…een gruwelijke catastrofe van menselijke makelij…die een eind maakt aan een paar duizend jaar geschiedenis die we hebben geschreven’.
    Immers, de dreiging van een nucleair conflict en grootschalig terrorisme hing al in de lucht en Alec vreest dat de ‘stomme klootzakken’ nu hebben doorgezet. Hij besluit deze gebeurtenis te gaan vastleggen in een schriftje, in eerste instantie bij wijze van laatste getuigenis.

    Er volgen nog drie schriftjes, samen een dagboek van precies één maand, die deze roman vormen.
    Alec blijft als schrijver van dit dagboek het vaak naïeve doorgeefluik van informatie die hem uit verschillende hoeken bereikt. Zo is er de raadselachtige veerman Agamemnon op het naastgelegen hoofdeiland met duidelijk een hogere missie. Hij is ‘in de verte van Griekse komaf’, ‘zit vol kennis en bruist van intelligentie’ en dus is er ‘een hechte band tussen ons beiden gegroeid’, stelt Alec.
    De belangrijkste bron van informatie is echter Moro, een oude schoolvriend, jurist, ‘doorgestoten tot de hoogste regionen van de macht’, topadviseur van de president van de VS. Deze man doet herhaaldelijk zeer uitgebreid en nauwkeurig per telefoon verslag aan Alec van wat je zou vermoeden de meest geheime informatie is rondom militaire en politieke besluiten op het allerhoogste politieke niveau. Dit is beslist curieus te noemen, maar de lezer krijgt zo wel compacte en betrouwbare informatie, moet Maalouf gedacht hebben bij het schrijven.

    A en E in de tuin van Eden

    Eva is de enige andere bewoner van het minuscule eiland Antiochië en ook zij vult het verhaal voor Alec aan. Zij is schrijfster, weliswaar van slechts één, doch fabelachtige roman De toekomst woont niet meer op dit adres. Zij heeft zich uit walging van de mensheid op deze plek teruggetrokken en leidt een naar binnen gekeerd, solitair leven. Alec constateert teleurgesteld tijdens hun eerste kennismaking dat ‘.. de bitterheid en de drank haar schoonheid vroegtijdig [hebben] doen verleppen’. Dit verandert gaandeweg hun met tegenzin aangegane toenadering om de mysterieuze gebeurtenissen in de wereld te ontrafelen. Eva bloeit op en beiden beginnen ‘als herboren’ en in volmaakte harmonie uiteindelijk aan een nieuw avontuur, wat je als metafoor kan zien voor Maaloufs geloof in ‘de wereld opnieuw uitvinden’. Of je deze korte bocht ook als lezer serieus wil nemen is niet vanzelfsprekend.

    Vrienden van Empedocles

    Je neemt die bocht makkelijker als je van fantasy houdt. Er verschijnt namelijk uit het niets ineens een volk met een superieure beschaving, dat onze op drift geraakte wereld zegt te komen redden. Deze onverwachte broeders, die zich erop beroepen de erfenis van een bloeiperiode van het Oude Griekenland voort te zetten en die zich ooit van de rest van de mensheid hebben afgescheiden om het vuur van de klassieke oudheid door te geven en ‘onwetendheid terug te dringen’, hebben inmiddels hun eigen samenleving tot grote perfectie gebracht. Ze hebben een reusachtige voorsprong op de gewone stervelingen op zowel technologisch als intellectueel en moreel gebied. Desondanks hebben deze ‘onverwachte redders’ niet voorzien dat hun reddingsacties als vernederende machtsovernames en aantastingen van soevereiniteit zouden kunnen worden gezien en dat dit alles zich ook tegen hen kan keren. Toch blijkt de door de vrienden in het verschiet gelegde genezing van alle ziektes het paaimiddel waarmee de prioriteiten opnieuw gerangschikt worden en de mens zich wellicht toch laat civiliseren.

    De wereld opnieuw uitvinden

    Maalouf wordt in Frankrijk geprezen om zijn rijke, poëtische taalgebruik. De Nederlandse vertaling van Hans E. van Riemsdijk doet wat stijfjes, hoogdravend, ouderwets aan. Moeilijk te zeggen waarom voor dit register gekozen is; ook de beslissing om de naam Ève als Eva te ‘vernederlandsen’ – een niet alleen in de vertaalbranche ongebruikelijke maar voor de doorsnee lezer vast ook overbodige ingreep – blijft onduidelijk.
    De stijl is vaak plechtig, de woordkeus en zinswendingen nogal archaïsch. Sommige melodramatische passages raken aan triviale literatuur: ‘Een paar avonden terug had ik haar weerstaan,…Vanavond was van toespelingen geen sprake meer; een dwingende eis was het. En de manspersoon was op hoffelijke wijze gezwicht…Ik heb me aan het naakte lichaam van mijn medeplichtige vastgeklampt zoals iemand zich vastklampt aan het leven. En dapper raakte ik buiten adem.’ (p.161-162)

    Maar ook het verhaal zelf slaagt er niet in een serieuze boodschap en een wijze les aan de lezer mee te geven. Het profileert zich als een filosofische vertelling met diepzinnige overpeinzingen die onze wereld willen bevragen en kritiek leveren op onze ontspoorde maatschappij, maar dan wel in een kader dat rammelt van incoherenties en onlogica ’s. De maatschappijvisie van ‘de broederschap’ heeft veel losse einden. Leidt ze niet tot een soort robotisering van de mens wanneer zijn morele kompas zo feilloos is? Is het overwinnen van de dood, het (bijna) bereiken van onsterflijkheid inderdaad het hoogst wenselijke voor de mens? Wat voor wereld krijg je dan? Eentje waarin je alles al wel honderd keer voorbij hebt zien komen? Een hemel waarin je je dood verveelt? Moet de mens niet per definitie twijfelen, keuzes maken, schipperen tussen onvermijdelijke ellende en streven er het beste van te maken? Maalouf verzint een verhaal vol klassiek-hellenistische mythologische verwijzingen, maar schrijft daarmee nog geen klassieke literatuur.

     

     

  • Vrijheid, gelijkheid, broederschap

    Vrijheid, gelijkheid, broederschap

    Pramoedya Ananta Toer (1925 – 2006) is een bewonderde Indonesische schrijver, en was ook zeer productief. Hij maakte een paar keer kans op de Nobelprijs voor de Literatuur en met name zijn tetralogie -waarvan Kind van alle volken (oorspronkelijk verschenen in 1981) het tweede deel vormt- heeft hem beroemd gemaakt en zijn naam als verdediger van een onafhankelijk en vrij Indonesië gevestigd. Het is dus logisch dat Pramoedya al zijn boeken in het Indonesisch heeft geschreven en niet in zijn moedertaal Javaans, wat slechts een deel van zijn doelgroep zou aanspreken, of in het Nederlands, dat juist de taal van de onderdrukker was. Zo wordt de meedogenloze uitbuiting door het koloniale systeem, dat de mens -onderdrukker of onderdrukte- van zijn waardigheid berooft, een thema dat verder strekt dan één enkel land, volk of tijdperk en dat voor Pramoedya steeds opnieuw aan de kaak gesteld moet worden. Zijn hele oeuvre is een aanklacht hiertegen en -in navolging van de Franse Revolutie, die hij veelvuldig aanvoert- een aansporing tot desnoods gewelddadig verzet om bevrijding van de onderdrukkers te bereiken.

    Pamflet

    Kind van alle volken is het verhaal van Minke, een Javaanse jongeman van adellijke komaf, die langzaamaan loskomt van zijn traditionele, feodale omgeving en steeds bewuster wordt van de funeste impact van het koloniale regime en van de noodzaak om zich daartegen te verzetten.

    Hij beschrijft het lot van zijn familie en -in het verlengde daarvan- dat van zijn land in het verre en nabije verleden en krijgt daardoor geleidelijk meer vat op de geschiedenis van zijn land. Hij wil zijn land begrijpen, reden om als journalist bij de plaatselijke krant te gaan werken, maar ook om in zijn naasten leermeesters te zien die  hem de weg kunnen wijzen. Hij bevraagt ze onvermoeibaar en zij beleren hem graag. Deze passages doen dan ook vaak pamflet-achtig aan. Voor Pramoedya zijn deze lange voordrachten foefjes om Minke, maar vooral ook de lezer, veel uit te leggen. Gaandeweg dringen de inzichten bij Minke door en gaat hij inzien dat schrijven in het Maleis inderdaad de manier is om de onderdrukten te bereiken en dat de traditionele Indische klassenmaatschappij overheersing en dus kolonialisme vergemakkelijkt: ‘als je zelf geen schoenen aan had, dan ging je geen gesprek aan met iemand die ze wel droeg’. Hij krijgt ook in de gaten op welke slinkse wijze de Javaanse boer uitgebuit wordt en dat idealen die hij in zijn artikelen wil doorgeven niet alleen strijdbaar moeten zijn maar ook hoop moeten geven. Hij neemt als een spons alle kennis over landen en culturen in zich op, waarmee hij vervolgens als ‘ kind van alle volken’, al schrijvend ‘het leven inhoud [kan] geven’.

    Wajangverhalen

    Als lezer volg je het tastende proces van de hoofdpersoon naar meer begrip en kennis. Pramoedya slaat daarvoor nogal wat zijpaden in. Een illustratief voorbeeld van zo’n curieus dwaalspoor is het verhaal over de vélocipède: bereden door vrouwen leidt dit verschijnsel bij de mannen ‘tot zondige gedachten en ongelukken!’ Vervolgens komt er een bespiegeling over de moderne tijd:

    ‘Ach de moderne tijd! Waar bleven haar zegeningen? De erfenis van het verleden was nog niet uitgesleten; de inlander was inferieur  ten opzichte van de Europeaan en werd als zodanig onderdrukt. De Europeanen waren onderling verdeeld: de ene liberaal bevocht de andere, de liberaal bestreed de niet-liberaal en nu was er de emancipatie: vrouw versus man. Was dát de moderne tijd, de heerschappij van het kapitaal? Machines en uitvindingen brachten geen soelaas. De mens blijft dezelfde; een gecompliceerd wezen, speelbal van zijn eeuwige aspiraties, net als in oeroude wajangverhalen.’

    Het effect is dat door de compilatie van ongelijksoortige vertellingen de grote lijn verloren gaat.  Niet eens zo zeer de naïviteit van de hoofdpersoon gaat storen – het is tenslotte een jongeman die zijn uiterste best doet de wereld om zich heen te begrijpen – maar Pramoedya ’s extreem uitvoerige en daardoor incoherente manier van vertellen maakt dat het verhaal vaart en samenhang mist.
    Er wordt bij voorbeeld een zes bladzijden lang epistel geciteerd, dat ingeleid wordt met de woorden ‘de brief ging ongeveer als volgt’. Onwaarschijnlijk gedetailleerde dagboekaantekeningen en brieven wisselen elkaar af met nauwkeurige beschrijvingen à la geschiedenisboeken of redevoeringen van personages die wijze lessen geven.

    Voorbij het universele

    Hoewel de schrijver meer dan 350 bladzijden aan het woord is en decors, gebeurtenissen, gesprekken en gedachtes zeer precies beschrijft, komt die informatie erg moeizaam aan bij de lezer en blijft in ieder geval niet hangen. Voor een deel zal dat liggen aan Pramoedya’s breedsprakige en plechtstatige manier van verwoorden. Maar misschien komt het ook doordat het boek veel voorkennis van en affiniteit met de beschreven vervlogen tijden en plaatsen veronderstelt, kennis die wellicht bij de huidige lezer niet (meer) vanzelfsprekend aanwezig is. Pramoedya schrijft vanuit het perspectief van de ingewijde, die, zo zou je kunnen vrezen, aan het uitsterven is. De idealen die Pramoedya verdedigt -vrijheid, gelijkheid, broederschap – zijn universeel. Daarin schuilt de waarde van zijn werk. De manier waarop hij deze thematiek echter verwoordt is inmiddels hopeloos achterhaald.

     

  • Absurde filmscènes

    Absurde filmscènes

    Sea, seks & witlof bevat een twintigtal korte verhalen van debutante Michelle van der Kind, docente Nederlands, geboeid door het schrijverschap. Ze heeft meegedaan aan enkele schrijfwedstrijden die tot eerdere publicatie van een paar verhalen hebben geleid en een deelname aan de Schrijversacademie hebben opgeleverd.

    Een verpletterende wereld

    Achter de op het eerste gezicht vrolijke titel gaan diep trieste verhalen schuil over eenzaamheid, verdriet, machteloosheid, het overgeleverd zijn aan een verpletterende wereld. In het ene verhaal is het de dagelijkse sleur die iemand sloopt (zoals de jonge moeder in ‘Vieze ruiten’ die alle uitzicht op betere tijden kwijt is). In andere verhalen drukt het verdriet om het aanstaande afscheid van een stervende vader de hoofdpersoon naar beneden (‘Oelewapper’, ‘Margatsni Hotel’, ‘Et Cetera’). Het onvermogen met anderen contact te maken en het bittere verlangen ernaar spreekt echter uit alle verhalen. Verhalen die stuk voor stuk gaan over doodgewone mensen (een zelfscancaissière, een postbode, een leraar…) in banale situaties die gaandeweg absurde proporties krijgen.

    De personages worden door hun omgeving over het hoofd gezien en komen op een moment, dat ze trouwens zelf niet zien aankomen, in opstand, in een wanhopige poging eindelijk opgemerkt te worden. In het verhaal ‘Chloor’ is het een vader die in verzet komt tegen zijn eigen onzichtbaarheid en die van zijn afzwemmende dochter met kennelijk eveneens ‘een neutraal uiterlijk’, aangezien ze door de zwemleraar genegeerd wordt. In ‘Kapot’ is het een onvervulde en tegelijkertijd angstaanjagende kinderwens die een jonge vrouw van haar partner doet vervreemden.

    Dolende mensen

    De hoofdfiguren zijn dolende mensen. Soms dwalen ze letterlijk door een gebouw (zoals in ‘Margatsi Hotel’ waaruit geen deur naar buiten lijkt te bestaan, of in ‘Touw’, waar een grachtenpand van binnenuit als een berg beklommen wordt), door een streek (‘Track-and-trace’) of op zee (‘Blauwe Engel’). Maar het is vooral figuurlijk dat ze de weg kwijt zijn. Behalve doodgewoon zijn ze ook doodongelukkig, weten zich geen raad.

    Het vreemde is dat je je als lezer moeilijk of zelfs helemaal niet met de personages en hun eenzaamheid kan identificeren. Of de verteller nu een ‘ik’ of een dwingende ‘jij’ of alwetend is, Van der Kind weet door middel van achteloos geschetste alledaagse scènes een beklemmende sfeer op te roepen. Toch klopt er ergens iets niet, maar leg daar maar eens de vinger op. Is de absurditeit te ver doorgevoerd, waardoor elk raakvlak met de werkelijkheid verloren gaat? Ligt het onheil, de kneuterigheid, het sneue er te dik bovenop? De meeste verhalen lijken scènes uit een absurde film; het openingsverhaal, dat ook de naam aan de hele verhalenbundel geeft, illustreert dit perfect. Bizarre seksorgie in een supermarkt. Wat moet je ermee?

    Zin in/of waanzin

    ‘Het is alsof ze het expres doet: de hele dag zegt ze nauwelijks iets, maar als ik thee ga zetten en bij de razende waterkoker moet wachten, begint ze opeens te praten.’

    Een zekere ironie, helaas nauwelijks in deze bundel aanwezig, kan niet meer dan een flauwe gniffel uitlokken. Voor de rest lijken de verhalen eerder probeersels, doen ze onvoldragen aan. Van der Kind besteedt veel aandacht aan de opbouw, (te) weinig aan de afronding, waardoor een verhaal tenslotte als een plumpudding in elkaar zakt. Daardoor verliest het aan zeggingskracht, pakt het minder, stelt zelfs teleur of irriteert door de ééndimensionale absurditeit: het zoeken van zin in waanzin heeft iets gekunstelds

    Soms is het vrijblijvende van een verhaal wel functioneel. In het verhaal ‘La Drôme’ hangen ouders voor hun tent op een Franse camping; ze slurpen prosecco en zitten slap te ouwehoeren met de buren, terwijl ze de gedachte aan hun zoontjes wegduwen, die op dat moment op opblaasbeesten de wilde rivier op gaan. Hier strookt de lamlendigheid van de personages volledig met Van der Kinds kabbelende manier van vertellen zonder climax. Zo ook in het verhaal ‘Blauwe Engel’, waarin een oude eenzame dame bevangen door dierbare herinneringen met een boot het meer opgaat terwijl een storm zich aankondigt. Het suggereren volstaat en het levert een goed verhaal op. Alle reden om toch uit te kijken naar de volgende verhalenbundel van Michelle van der Kind.

     

     

  • Therapiesessie in het hoofd van de hoofdpersoon

    Therapiesessie in het hoofd van de hoofdpersoon

    Sloop, de nieuwe roman van Anna Enquist, heeft een intrigerend kaft: een op de rug gezien, robotachtig uitgevallen meisje houdt op een wat verkrampte manier iets vast wat een springtouw moet zijn, temeer er onder haar rug haar schoenzolen te zien zijn en daar weer onder een paar donkere benen. Het is een suggestie van een springende beweging en het beeld blijkt ook inderdaad een touwtje springend meisje voor te stellen. Een door Co Westerik in 1976 gemaakte muurschildering voor het politiebureau Haagseveer in Rotterdam, een achttien meter hoog kunstwerk dat samen met het politiebureau in 1988 werd gesloopt. Hoewel van begin af aan als tijdelijk bedoeld, ‘om rotplekken in Rotterdam op te fleuren’,  zoals Westerik in een interview zei, vond hij  het ‘toen het er eenmaal af moest… wel verdomd jammer’, maar was ook weer niet bereid om het elders nogmaals te maken, al werd het hem gevraagd.

    Zelfbehoud door te componeren

    Enquist’ roman opent met de scène van de vernietiging van deze muurschildering. Het eerste hoofdstuk blijkt met terugwerkende kracht ook in een notendop de thematiek van de hele roman te bevatten: een vrouw vecht voor zelfbehoud door te scheppen, te componeren in dit geval, doet iets waar ze goed in is en goed voor haar is, maar ze blijkt keer op keer weerloos tegenover een groot trauma dat ze meezeult. De tegenstellingen hoofd-lichaam, denken-voelen, inspiratie die vleugels geeft en verdriet dat naar beneden trekt vormen de stellage waarop het verhaal rust. Het klinkt heel sluitend. Misschien zelfs té sluitend. Deze waargebeurde sloop krijgt bij Enquist een dramatische lading die voor zo veel betekenissen staat, dat het geconstrueerd aandoet. 

    De hoofdpersoon, Alice Augustus, is aan de ene kant een hoogbegaafde musicus die van jongs af aan volledig in haar werk kan verdwijnen en fantastische, door musici en publiek bewonderde composities maakt. Aan de andere kant is ze een doodeenzame vrouw, als kind zwaar beschadigd door haar veeleisende, kille  moeder, wier vernietigende rol ze als volwassene inmiddels geïnternaliseerd heeft en onophoudelijk op zichzelf loslaat. Begrippen als berusting, mildheid voor jezelf, zelfwaardering kent ze in theorie, maar ze kan er niets mee. Haydn, haar favoriete componist en voorbeeld, waardeert ze behalve om zijn muziek ook juist om zijn gave zich aan de werkelijkheid aan te passen en waardering uit zichzelf te halen, ondanks zijn eenzaamheid en tegenslag. Zij daarentegen, succesvol, geliefd, gerespecteerd, zoekt erkenning in haar omgeving en vooral in dingen die buiten haar invloedssfeer liggen.

    Verlangen naar een kind

    Het is dan ook niet verrassend dat ze geobsedeerd raakt door een kinderwens, die vanzelfsprekend niet op afroep vervuld wordt wat zij volgens innerlijke voorprogrammering als eigen falen en straf voor haar slechte inborst opvat.
    De roman lijkt één lange therapiesessie die plaatsvindt in het hoofd van de hoofdpersoon. Ze blijft maar rondjes draaien, schiet er niets mee op. De lezer heeft ondertussen, zonder al te veel inspanning, het probleem wel  in de gaten. Er wordt ook niet veel ruimte voor twijfel, dubbele bodems en doordenkers gelaten, en uiteindelijk blijven er gemakkelijk te slikken brokken over. Misschien wel daardoor krijgen de op zich aangrijpende gebeurtenissen een wat pathetische lading. Waar komt ‘haar onbegrijpelijk verlangen naar een kind’ vandaan ‘als je zelf zo’n ongelukkig kind geweest bent’?, vraagt Alice zich af. De vraag stellen, is hem beantwoorden. Even verder wordt dit ook klip en klaar bevestigd: ‘Opnieuw geboren worden, in mijn dochter… Een enorme, concrete herkansing.’

    Het kan gek lopen

    Alleen bij het componeren is Alice eigenzinnig, zelfverzekerd, vaart ze op eigen intuïtie. Ze wordt van verschillende kanten gewaarschuwd dat met de komst van een kind de ruimte in je hoofd voor kunstzinnig scheppen verdwijnt, maar schuift deze, zichzelf straffend en boos als ze is, aan de kant. Zo blijft ze een tweedimensionaal personage zonder schakeringen terwijl de anderen om haar heen of kleurloos en onbestemd zijn, of maar één dimensie kennen. Zoals haar vriendin Svea, het prototype van de liefdevolle moeder (met uiteraard ‘een vriendelijk gezicht’) te midden van een volmaakt, vijfkoppig gezinnetje.

    Soms raakt het verhaal een triviale snaar: het lukt Alice niet zwanger te raken in haar  vaste relatie, noch via een langdurig voortplantingstraject, maar een toevallige onenightstand leidt tot bevruchting. Het leven kan inderdaad gek lopen. En toch, geheel volgens verwachting komt Alice in het slot, tijdens de grootse première van haar laatste werk – een symfonie genaamd ‘Sloop’, geïnspireerd op de muurschildering van het touwspringende meisje uit het eerste hoofdstuk – erachter dat ze inderdaad (en alweer) een fout heeft gemaakt. En zo is de cirkel rond, maar ook plat. Waren er wat meer vragen onbeantwoord gebleven, dan was het boek wellicht wat interessanter geworden.

     

  • Een aaneenschakeling van mensonterende gebeurtenissen

    Een aaneenschakeling van mensonterende gebeurtenissen

    De oorspronkelijke titel van De verschroeiden van de Mexicaanse schrijver en journalist Antonio Ortuño is La fila india, wat vertaald zou kunnen worden als De Indiaanse karavaan. De gekozen Nederlandse titel is eenduidiger – de associatie met vernietiging door brand popt immers direct op – en vreemd genoeg strookt hij – juist in zijn eenduidigheid – naadloos met het boek. Verschroeid is een soort overtreffende trap van verbrand. De verschroeiden is één lange overtreffende trap van gruwelen.

    Ortuño buigt zich over het lot van vluchtelingen uit Midden-Amerika die door Mexico trekken om de Verenigde Staten te bereiken. Een verslaggever in het boek omschrijft deze tocht als een reis ‘door de zeven kringen van de Mexicaanse hel, waarbij de vluchtelingen – pure koopwaar voor mensensmokkelaars en gangsters zonder scrupules – de meest verschrikkelijke terreur, van uithongeren, van marteling tot verkrachting en moord, moeten zien te overleven. ‘Als je het haalt, proficiat. Haal diep adem: van nu af aan komen de gruwelen voor de rekening van de gringo ’s (Amerikanen)’, vat de verslaggever het lot van de migranten samen.

    Dubbelspel zonder grenzen

    De hoofdverteller in de roman is Irma, ook wel als La Negra aangeduid. Ze is maatschappelijke werkster en uitgezonden door het COM (Centraal Orgaan Migratie), naar het Zuid-Mexicaanse stadje Santa Rita. Daar heeft een slachting onder migranten plaatsgevonden in een in brand gestoken opvangcentrum. Zij moet zich over de slachtoffers, de enkele overlevenden en de eventuele nabestaanden ontfermen. Al snel begrijpt ze dat haar taak voor haar en haar meegereisde dochtertje levensgevaarlijk zal zijn en dat ze  haar gevoel voor rechtvaardigheid en haar naïeve hunkering naar genegenheid ondergeschikt zal moeten maken aan de door hebzucht en egoïsme ingegeven wetten die hier heersen. Waar alles en iedereen geëxploiteerd, gemanipuleerd en bedrogen mag worden is iedereen corrupt, verdacht en medeplichtig en zijn alle grenzen vloeibaar. Regeringsambtenaren, politie en onderwereld werken keurig samen en ook Irma moet in dit dubbelspel meegaan.

    Al snel dient de volgende ramp zich aan op een andere plek in Mexico – er worden massagraven gevonden met honderden verminkte lijken van migranten – wat er voor zorgt dat een chef van de plaatselijke COM in Santa Rita verheugd kan verzuchten  ‘Het haalt ons van de voorpagina’. Dit cynisme is natuurlijk schokkend, dat kan niet missen. De autoriteiten hebben baat bij het hollen van de pers van incident naar incident, zodat oorzaken niet aangepakt hoeven te worden. ‘Wie had er ook behoefte aan context?’ vraagt Irma zich af. Niemand natuurlijk.

    Journalistiek met literaire trekjes

    Zo raast de schrijver door en zorgt dat de aaneenschakeling van mensonterende gebeurtenissen met gruwelijk expliciete details en de niet aflatende dreiging een vrij ééndimensionaal horrorverhaal oplevert, dat murw maakt en noch tot nadenken of begrip, laat staan tot empathie uitnodigt. 

    Er zitten een paar literaire stijlfiguren in, interessante vondsten die het cynisme extra doen uitkomen, de hopeloosheid en rottigheid raak weergeven.  Dat doet het zestal door het boek heen verspreide persberichten, uitgevaardigd na ieder incident door het COM. Het zijn identieke officiële verklaringen van medeleven en goede voornemens van de autoriteiten waarin slechts het aantal slachtoffers, datum en plaats delict variëren. Het is immers maar camouflage of, zoals de grootste COM-baas concludeert: ‘Het idee van een persbericht was niet dat het geloofwaardig was, maar dat het geen problemen veroorzaakte.’ Ergens is deze manier van schrijven ook contraproductief: de boodschap wordt plat, mist elke nuance en wordt gaandeweg betekenisloos.

    Alles is corrupt

    Het achttal ‘Fatsoen’-hoofdstukken, waarin de ex van Irma aan het woord is, hebben hetzelfde effect. Die ex is allesbehalve een fatsoenlijke man – de ironie ligt er wel erg dik bovenop – maar moet kennelijk meer reliëf aan het personage van Irma geven: niet alleen op de werkvloer is alles corrupt, maar ook in de privésfeer is eigenlijk iedereen bedorven. In eerste instantie lijken die hoofdstukken een vondst om treffend de afgronden van de menselijke ziel te schetsen. Maar ze zijn zo cru en beschrijven een dermate verknipte moraal dat  het resultaat een karikatuur is. In dit hyperrealistisch drama wordt eerder een surrealistisch monster gecreëerd waar je alleen maar van kan griezelen.

    Antonio Ortuño lijkt in de voetsporen van de ‘new journalist’ te willen treden: hij doet (ogenschijnlijk) verslag van realistische feiten, maar kiest voor een zeer subjectief, emotioneel perspectief, waardoor hij zijn proza krachtiger en waarheidsgetrouwer denkt te maken. Deze literaire non-fictie klinkt geëngageerd en spreekt tot de verbeelding, wellicht meer dan droge feiten, maar wanneer de nadruk keer op keer valt op een zo indringend mogelijk beschrijven van een situatie, gaat het ten koste van de gelaagdheid van het verhaal en van de karakters. En een door het horrorverhaal verpletterde lezer blijft in wanhoop achter.

     

  • Een coldcase met terugwerkende kracht uit het jaar 1625

    Een coldcase met terugwerkende kracht uit het jaar 1625

    Een cold case is een onopgelost ernstig misdrijf. In de roman Het proces van Sören Qvist, van Janet Lewis uit 1947, wordt een moord gepleegd die weliswaar op het moment zelf ontraadseld lijkt, maar waarvan de oplossing achteraf op foutieve conclusies blijkt te berusten. Al tijdens het proces werd er sterk getwijfeld aan de juistheid van de veroordeling, maar indirect bewijs gaf de doorslag. Het betreft hier een cold case met terugwerkende kracht dus. En een waargebeurd verhaal, ingrediënten die lezers kennelijk blijven boeien, gezien het feit dat dit boek alsnog in het Nederlands is uitgegeven. 

    De in veler ogen ten onrechte (en niet alleen in Nederland) onbekende Amerikaanse schrijfster Janet Lewis heeft op twee jaar na de hele twintigste eeuw meegemaakt. Ze schreef naast poëzie en korte verhalen ook novellen. Op aanraden van haar eveneens schrijvende echtgenoot zocht ze voor haar schrijverschap inspiratie in een negentiende-eeuws wetboek genaamd Famous Cases of Circumstantial Evidence van Samuel M. Phillips. Op basis van enkele waargebeurde ‘cases’ uit dat boek  schreef ze drie novellen, waarin ze vooral het falen van gerechtigheid door overmatig vertrouwen op indirect of vermoedelijk bewijs (presumptive proof) aan de kaak stelde. Het proces van Sören Qvist, volgend op  De vrouw van Martin Guerre zijn inmiddels in een mooie vertaling van Paul van der Lecq verschenen. De derde novelle, The Ghost of Monsieur Scarron, zal ongetwijfeld volgen.

    Openbare zitting van de rechtbank

    De setting is de eerste helft van de zeventiende eeuw, Jutland, Denemarken. De middeleeuwen lijken nog niet voorbij, een verlichtere vorm van geloof heeft heidense gebruiken niet helemaal verdrongen: heksen bestaan misschien nog en zijn in samenspraak met de duivel ‘gek op het kwaad dat ze aanrichten’, ze kunnen buiten de deur gehouden worden door rozemarijn of wijnruit en onheil kan verjaagd worden door een lijsterbes geplukt op de avond voor Hemelvaartsdag. 

    Lewis heeft veel aandacht voor sfeertekeningen; kleding, natuur en eten worden in kleuren en geuren, vaak poëtisch weergegeven: ‘(…) wel verschenen er witte sterren aan de zachtblauwe hemel. Toen het blauw zich verdiepte tot paars en het paars begon te vervagen, maar lichtgevend werd en transparant, vormden die sterren clusters en zwermen die tintelden als rijp. Uit de vijver verrees een nevel en op de bladeren en het gras verzamelde zich de dauw.’ Haar gedetailleerde beschrijvingen maken dat je als lezer weliswaar scherp mee kan kijken, maar tegelijkertijd toeschouwer blijft. Ze lijkt geen beroep te willen doen op ons inlevingsvermogen. Op geen enkel moment heb je de neiging je te identificeren met één van de hoofdpersonages. Je bent getuige van een zaak en ziet hoe het net zich geleidelijk en onvermijdelijk om de aangeklaagde sluit.

    Innerlijk duel tussen God en de duivel

    In een vredige Jutlandse parochie in 1625 ontspint zich een vreemde strijd tussen twee mannen die elkaars tegenpolen blijken te zijn. De alom gewaardeerde, rechtschapen, wijze dominee Sören Qvist botst met een ‘onbenul’, de kwaadaardige, luie en brutale knecht Niels. In theorie is een duel tussen deze twee onbestaanbaar. Toch slaat de vlam in de pan omdat de dominee één zwakke plek heeft: hij heeft last van woede-uitbarstingen met fysiek geweld die weliswaar niet zonder aanleiding ontstaan, maar die hij niet kan beheersen. Zijn aversie tegenover Niels interpreteert hij als een beproeving van God, waardoor hij zijn razernij moet leren meesteren.

    Evenals de naasten van de dominee ziet ook de lezer dat de taak die Sören Qvist zichzelf opgelegd heeft niet haalbaar is. Hij zit als bij een spannende film op het puntje van z’n  stoel, hoopt dat de dominee zijn dwaling inziet en een letterlijk verstandige beslissing neemt, dat wil zeggen de knecht ontslaat. Maar al ziet de dominee in dat zijn knecht Niels ‘de zuivere belichaming…van al het kwaad op aarde’ is, hij blijft vol schuldgevoel van zichzelf eisen dat hij deze duivelse verzoeking aan moet kunnen om Gods genade waardig te zijn. 

    Loyaliteitsconflict en morele dilemma’s

    Alle indirecte bewijzen wie de kwelgeest Niels vermoord blijkt te hebben, wijst in de richting van Sören Qvist. De dominee, aanvankelijk overtuigd van zijn onschuld, geeft zich tenslotte over. Niet zo zeer de erkenning van zijn schuld voor de moord doet hem bekennen, maar veeleer de erkenning van zijn morele tekortkomingen om zichzelf te beheersen: ‘Men noeme hem ook wel de tegenspeler. Hij is op mijn pad gekomen, heeft een valstrik gespannen en prompt ben ik daarin verstrikt geraakt.’ Het besef van machteloosheid om het eigen lot te controleren brengt de predikant tot acceptatie van zijn veroordeling en dus tot berusting. Dat lukt zijn naasten, die blijven leven, minder goed. Zijn dochter Anna en haar verloofde, tevens rechter in de zaak Sören Qvist, zijn slachtoffers van een hopeloos loyaliteitsconflict en worden in de val meegetrokken.  

    Wanneer twintig jaar later direct bewijs van de valstrik waarin de dominee gelokt is opduikt, is dit de ultieme, wrange illustratie van het bestaan van morele dilemma’s zonder verlossing. Wat op het eerste gezicht een niet al te ingewikkeld, spannend verhaal in een historische context met wat magische ingrediënten lijkt te zijn, ontpopt zich als een hersenkraker waarmee je als lezer kunt blijven stoeien. Of de schrijfster dat bewust nagestreefd heeft of niet, vragen als ‘wat is rechtvaardigheid?’, ‘welke rol speelt het lot  in een mensenleven?’, ‘wat is goed en wat kwaad?’ zijn onontkoombaar gesteld.

     

  • Praten tegen de doden

    Praten tegen de doden

    Begin oktober van dit jaar zal in het Musée Nissim de Camondo in Parijs de tentoonstelling van de Engelse keramist en schrijver Edmund de Waal van start gaan. Het is voor het eerst dat een hedendaagse kunstenaar op deze –  in meerdere betekenissen van het woord –  gedenkwaardige plek mag exposeren. De tentoonstelling is nauw verweven met zijn laatste boek Brieven aan Camondo en daarmee opgezet als een dialoog tussen De Waals porseleinen objecten en installaties en het historische meubilair en andere kunstvoorwerpen die al bijna een eeuw in dit pand gehuisvest zijn. Het herenhuis liet graaf Moïse de Camondo, vader van Nissim, in 1911 in de rue de Monceau in Parijs bouwen als een soort juwelendoosje voor zijn collectie Franse toegepaste kunst uit de 18e eeuw. In 1935 heeft hij het geheel ter nagedachtenis aan zijn zoon Nissim, voor Frankrijk gesneuveld in de Eerste Wereldoorlog, geschonken aan de Franse staat. En zo ontstond dit museum, dat valt onder Le Musée des Arts Décoratifs. 

    Zo Frans als maar kan

    De Waals Joodse voorvaderen (over wie hij in zijn vorige boek De haas met ogen van barnsteen schreef) delen met de De Camondo’s een vergelijkbare familiegeschiedenis. Beide families kwamen in de jaren 70 van de 19e eeuw naar Parijs, de eerste uit Wenen, de andere uit Constantinopel. De in het bankwezen rijk geworden, kunstminnende Joodse elite, assimileert volkomen in de hoge kringen van die tijd, niet in de laatste plaats door haar gulheid en loyaliteit tegenover het nieuwe vaderland: ‘Hier hadden ze de kans hun familie naar het seculiere, republikeinse, tolerante, beschaafde Parijs over te hevelen en iets met zelfvertrouwen op te bouwen’, schrijft De Waal over deze welgestelde nieuwkomers. Een zekere zweem van vijandelijkheid en antisemitische geluiden die Joden een gebrek aan authenticiteit verweten en ze als hebberige parvenu’s neerzetten, waren er al eind 19e eeuw (Dreyfus affaire). Maar met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog keert het lot zich onafwendbaar tegen hen en worden ook deze families gedecimeerd of zelfs totaal uitgeroeid. 

    Zoeken naar de perfecte compositie

    Op basis van deze ‘verwantschap’ wil De Waal de grotendeels parallelle familiegeschiedenis onderzoeken en besluit dit te doen door brieven te gaan schrijven aan graaf Moïse de Camondo. Hij begint aan een langdurig, minutieus speurwerk in archieven, inventarissen, correspondentie, notities, allerlei instructies en foto’s en ontdekt gaandeweg meer overeenkomsten tussen hen beiden, zoals hun bijna obsessieve precisie en hang naar volledigheid. Moïse de Camondo was een man van de wereld en werd een echte Parijzenaar, gepassioneerd door snelheid – van auto’s, zeiljachten, paarden – door de jacht, gastronomie, reizen, maar bovenal door het verzamelen van Franse kunstnijverheid uit de 18e eeuw. De Waal beschrijft met bewondering en herkenning De Camondo’s aandacht voor voorwerpen en het plezier om ze tot hun recht te laten komen in evenwichtige composities, waarin onderdelen het beste in elkaar naar boven halen en er samenklanken ontstaan. Het nieuwe neoclassicistische ‘hôtel particulier’ dat hij tegen het Parc Monceau aan laat bouwen is een functioneel, comfortabel en van alle gemakken voorzien, modern huis en moet het juiste kader zijn voor zijn collectie, die Moïse de Camondo tot aan zijn dood in 1935 zal blijven perfectioneren en completeren, strevend naar volmaakte harmonie.  

    Zonder aanhalingstekens

    Terwijl de briefvorm in zekere zin afstand schept, probeert De Waal, vaak beginnend met ‘Beste vriend’ of ‘Cher Monsieur’, dichter bij Moïse de Camondo te komen. Hij filosofeert met hem over het tijdloze en het vergankelijke. De Camondo vecht tegen ‘verstrooiing’, het verloren gaan van herinneringen en voor het ‘fixeren’, verstillen van wat is. Zo stijgt een voorwerp, een huis, een mens boven de tijd uit en wordt van alle tijden en dus aan vergetelheid onttrokken. Het Musée Nissim de Camondo is een museum, maar ook nog steeds een herenhuis, een ‘citaat zonder aanhalingstekens’. Verleden en heden vormen één doorlopende lijn. Dat is geschiedenis, af- en aanwezigheid tegelijkertijd. De Waal volgt hem hierin, al voelt hij een meningsverschil als het gaat om ‘stof’ dat door de tijd heen voorwerpen bedekt. Voor hem is het een ‘indicatie van tijd’ , terwijl  Moïse de Camondo dat stof lijkt te willen weren om spoorloos het tijdloze te bereiken. Het zijn deze melancholische mijmeringen die dit boek zo bijzonder maken. De Waal komt met onverwachte associaties, laat technische uitleg – bijvoorbeeld die van ‘de kunst van het fineren’ –  als een gedicht klinken, stelt vragen aan De Camondo en gist naar mogelijke antwoorden. 

    Visite théâtralisée

    Enkele laatste brieven, die trouwens veel minder brieven zijn, maar vaak eerder staccato opsommingen van tragische gebeurtenissen die Joodse families troffen – zo ook de familie De Camondo en die van de schrijver – beschrijven de planmatige vernietiging en benadrukken de verwantschap tussen beide families. In zekere zin is dit overbodig. Het stille drama van de poëtische overpeinzingen over vergankelijkheid en geheugen is prachtig en raakt diep. Het nauwkeurig gedocumenteerde, dramatische feitenrelaas voegt daar niet veel aan toe. Maar misschien spreekt pracht en praal die door onrecht en bruut geweld verwoest wordt, directer tot de verbeelding van lezers en beklijft daardoor beter. Net als foto’s.

    Het Musée Nissim de Camondo biedt zijn bezoekers tegenwoordig een rondleiding aan door Pierre Godefin, maître d’hôtel van graaf Moïse de Camondo. De acteur die de butler Godefin speelt, leidt de bezoekers rond door het huis inclusief de dienstvertrekken aan de rue de Monceau tijdens een receptie die plaatsvond op 3 juni 1930. Dit verrassend anachronisme is een mooie illustratie van het thema van de tijdloosheid die in dit boek gevierd wordt en geeft een soort droste-effect aan het boek van De Waal en het leven van de De Camondo’s.

     

  • Bewegen om de wereld te kunnen begrijpen 

    Bewegen om de wereld te kunnen begrijpen 

    Er gaat een zekere dreiging uit van de titel van de roman Tot het water stijgt (En attendant la montée des eaux) van Maryse Condé uit 2010, dat dit jaar in Nederlandse vertaling verscheen. De vertaling van Martine Woudt is prachtig, het boek meeslepend. Er is veel rampspoed maar – tot het water stijgt en de Caraïbische eilanden verslonden worden – ook een sprankje hoop. Maryse Condé is één van de grote stemmen van de huidige Franstalige literatuur. Haar oeuvre is zeer omvangrijk, verscheiden en volstrekt eigen: zij schrijft, zoals ze het zelf in een interview onder woorden bracht, in het ‘Maryse Condees’.

    Daarmee schaart ze zich bewust niet bij de andere grote figuren van de Francophonie en claimt niet een politiek geëngageerde schrijver te zijn. Toch behandelt ze nogal splijtende onderwerpen zoals slavernijgeschiedenis, racisme, vluchtelingenproblematiek en heeft daar een geprononceerde mening over. Haar zienswijze wil ze echter niet op dogma’s baseren, maar veeleer op haar overtuiging dat de mens door zijn ontmoetingen en uitwisselingen met de ander gevormd wordt. Ook begrippen als ‘afkomst’ of ‘huidskleur’ kennen geen eenduidige definitie, maar fluctueren in tijd en plaats, permanent onderworpen aan wisselende invloeden en tegenstrijdigheden, waardoor niet voor eeuwig alles vaststaat. Reizen maakt deze blootstelling mogelijk en is dan ook voor Condé – maar ook voor haar personages –  van fundamenteel belang: je moet bewegen om de wereld te kunnen begrijpen. En dat is precies wat ook zij gedaan heeft.

    Slachtoffers en onderdrukkers in beide kampen

    Geboren in Pointe-à-Pitre op het kleine eiland Guadeloupe in een welgesteld ‘zo wit mogelijk’ zwart gezin, als laatste in een rij van acht kinderen groeit Maryse Condé op in ‘gecontroleerde vrijheid’, overladen met klassieke Franse literatuur. Er werd niet gemengd, maar kleur speelde geen rol, zegt ze over die tijd. Dat kleur er kennelijk wel toe deed, ontdekte ze pas veel later, wanneer ze in Frankrijk aan een prestigieuze school studeert. Voor de één is zwart zijn een identiteit die trots verdedigd en verheerlijkt moet worden (zoals voor de Martinikaanse dichter Aimé Césaire), anderen verzetten zich tegen het idee van een gemeenschappelijke zwarte identiteit: de Martinikaanse psychiater en denker Frantz Fanon stelde dat gekoloniseerde zwarte mensen een Europese, witte uitvinding zijn, een vloek waarvan zij zich met geweld moeten bevrijden.

    Condé realiseert zich dat in haar opvoeding nou net de gemeenschappelijke factor van alle gekoloniseerde volkeren weggelaten werd, namelijk Afrika. Ze vertrekt er naartoe en verblijft er twaalf jaar. In die jaren vormt ze zich een genuanceerd beeld van de derde wereld, dat ze in haar boeken steeds opnieuw bespreekt. Koloniale mogendheden mogen dan wel vertrokken zijn, hun schadelijke invloed is gebleven. Maar hebzucht, collaboratie, expansiedrang beperkt zich niet tot één kamp en is mens eigen. Intellectuele en morele misère bij de Afrikaanse leiders leidde tot militaire staatsgrepen, waaruit dictatoriale regimes voortkwamen die de gewone man zeiden te bevrijden terwijl ze juist hem in grote ellende stortten. De migranten die vandaag de dag Europa blijven bestormen zijn er het bewijs van dat deze situatie nog steeds voortduurt, zegt Condé. 

    Grande dame van de Caraïbische literatuur

    Condé is een productieve schrijfster – misschien wel te productief, zei ze met zelfspot– die meer erkenning had willen krijgen. Grote literaire prijzen, zoals de Prix Goncourt zijn aan haar voorbij gegaan, van haar eigen geboorteland Guadeloupe kreeg ze naar eigen zeggen geen waardering. Toch heeft ze in 2010 voor Tot het water stijgt, haar op dat moment twintigste roman, de Grand prix du roman métis gekregen. Deze in dat jaar ingestelde prijs beloont  sindsdien jaarlijks de Franstalige roman die waarden als  rassenvermenging, humanisme en diversiteit bespreekt.

    Maar de hoogste literaire onderscheiding kreeg ze met de alternatieve Nobelprijs in 2018, toen de reguliere uitreiking wegens interne problemen niet plaatsvond. Ergens zit ook hier iets wrangs in. Condé ziet het als haar taak van zwarte schrijver om respect en liefde voor het anders zijn over te brengen op haar lezers en om naar verbindingen te zoeken. Ze is een begenadigd verteller, die mooie frases, clichés en geromantiseerde beelden uit de weg gaat, maar de brute realiteit nuanceert door poëtische beschrijvingen, empathie voor de ‘loser’, ironie en een vleugje magisch realistisme. Deze ingrediënten maken haar verhaal toegankelijk en acceptabel voor de lezer die geboeid raakt en aan het denken wordt gezet. 

    Variaties op de thema’s geweld en verplaatsing

    De hoofdpersoon van Tot het water stijgt is verloskundig arts Babakar, van oorsprong Malinees, die het door burgeroorlogen en stamconflicten geteisterde Afrikaanse continent achter zich heeft gelaten en na veel rondzwervingen op Guadeloupe is gestrand. De roman begint op het moment dat hij tijdens een stormachtige nacht bij een bevalling geroepen wordt. De moeder blijkt zojuist overleden te zijn en Babakar besluit ter plekke zich de baby toe te eigenen. In Anaïs, zoals hij de pasgeborene zal noemen, ziet hij in een flits de kans om zijn leven, tot dan alleen getekend door verlies van dierbaren en buitensluiting, betekenis te geven. De enige constante in zijn leven tot dan is zijn overleden moeder Thecla, die hem in zijn dromen komt toespreken. Door haar blauwe ogen werd ze voor heks aangezien, een macht die ze ook na haar dood over Babakar behoudt. Hij is een milde, nuchtere man: ‘…ik was geen man met idealen. In mijn ogen bestond er geen overtuiging, geloof of ideologie die het waard was om voor te sterven.’ Door deze houding wordt hij echter een buitenstaander, een status die enerzijds afstand en wijsheid kan bieden, anderzijds een soort naïeve Candide van hem maakt, op zoek naar de beste van alle mogelijke werelden.  

    Samen met de Haïtiaan Movar, en de Palestijn Fouad (die een Libanees restaurant runt) gaan deze drie ‘ontroostbare weduwnaars’, zoals Thecla ze spottend bestempelt, op zoek naar een plek waar ze horen, ‘Wat sommige sterke geesten ook zeggen, je hebt het nodig om een land te hebben.’ De drie ontwortelden vinden elkaar op Haïti, het eiland waar de doden naast de levenden blijven leven, al zijn ze slechts voor een zieneres-medium waarneembaar. Maar naast allerlei natuurgeweld– aardbevingen, overstromingen, wervelstormen… –  heeft corruptie, haat voor buitenlanders, blind geweld en verlies van elk moreel houvast ook hier alles ontwricht. In zijn onstilbare honger naar macht heeft de mens door zijn beestachtige misdaden die hij op zijn soortgenoten begaat ‘geweld’ en ‘vluchten’ tot eeuwige thema’s gemaakt.

    Moins c’est plus/ Less is more

    Maryse Condé laat Babakar onbevangen en meelevend naar de wereld (om hem heen) kijken en wijze observaties maken, ‘Onderdrukten worden onderdrukkers, zodra ze dat kunnen, en die laatsten worden vaak slachtoffers.’ Dan weer vraagt hij zich af, ‘Gaan paradijzen niet altijd verloren door de fout van mensen?’ Babakar verwoordt Condé’s verzoenend, ruimhartig perspectief, al was het alleen al door zijn beroep van verloskundig arts, personificatie van hoop en nieuw begin.

    Toch worden deze waardevolle lessen vertroebeld door de grote drukte die in de roman heerst. Veel, te veel  personages – hoofdpersonen en talloze bijrollen – worden gedetailleerd opgevoerd met allemaal een eigen, tumultueus parcours. De aandacht versplintert, het overzicht raakt kwijt. De verhalen tuimelen over elkaar heen, raken verstrengeld en ergens ontbreekt een bindmiddel dat het epos tot een betekenisvol geheel zou maken, waardoor de wijsheid ook bij de lezer zou kunnen nagloeien.

     

  • Ook sciencefiction kent regels waaraan het moet gehoorzamen

    Ook sciencefiction kent regels waaraan het moet gehoorzamen

    Stel je voor dat er dingen uit je omgeving en vervolgens uit je herinnering verdwijnen. Onherroepelijk, pijnloos, vanzelfsprekend. Dit is wat er gebeurt in de dystopische thriller  De Geheugenpolitie van de Japanse schrijfster Yoko Ogawa. Het boek dateert uit 1994, maar werd pas in 2019 in het Engels vertaald (The Memory Police). In 2020 dong het boek mee – als concurrent van De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld – naar de International Booker Prize, in datzelfde jaar won het The American Book Award.

    De Geheugenpolitie is gesitueerd op een eiland zonder naam waar ‘uitwissingen’ plaatsvinden. Onaangekondigd en geluidloos verdwijnen er willekeurige voorwerpen uit het leven van de eilandbewoners zoals, hoeden, kidneybonen, boten, parfum, foto’s, rozenblaadjes en vogels. De eilandbewoners werken schijnbaar zonder pijn in hun hart mee aan deze vernietigingen. Ze zetten vogelkooitjes open, trekken bloemen uit hun perken of gooien boeken in het vuur. Achter  deze schijnbare gelatenheid zit een dwingende instantie, de alomtegenwoordige Geheugenpolitie. Haar ideologie is dat uitgewiste dingen overbodig geworden herinneringen nalaten die je als een afgestorven teen ‘onmiddellijk moet laten afzetten’. 

    Groeiende leegte

    Deze preventieve hygiëne, die strikt en op gevaar van eigen leven nageleefd dient te worden, zorgt ervoor dat herinneringen van de eilanders vrijwel gelijktijdig met de dingen die ze oproepen vergaan. Waarmee ook de connotaties en associaties die het verdwenen voorwerp ooit opriep, verdwijnen. Met de kalenders verdwijnt het tijdsbesef, met de speeldoos de muziek, zonder vogels verdwijnt het verschijnsel vliegen of zingen en raken woorden als vrijheid en schoonheid een deel van hun betekenis kwijt. Het lukt de eilanders niet meer zich het uitgewiste verschijnsel voor de geest te halen en zij leren hierin te berusten. Ook de groeiende leegte van hun wereld leren ze te accepteren, onderwijl zichzelf wijsmakend dat uiteindelijk ‘alles op z’n plaats valt’. De aanhoudende sneeuwval op het eiland die alles dempt en neutraliseert, onderstreept deze ‘inkapseling’.         

    Maar zoals de klassieke wetmatigheid het wil, is er op dit eiland een kleine minderheid die moedig weerstand biedt. Dat zijn de mensen die hun geheugen niet verliezen, hun verloren gegane herinneringen, soms de uitgewiste voorwerpen zelf, in het geheim blijven koesteren. Op deze weerbarstige, vaak ondergedoken individuen wordt door de goed geoliede machinerie van de Geheugenpolitie gejaagd. Efficiënt uitgevoerde razzia’s, deportaties, decodering van genetisch materiaal ter identificatie en vernietiging staat deze onwenselijke elementen te wachten. 

    Boek in een boek

    In een sciencefiction setting, ontspint zich een dystopisch verhaal, dat origineel in de oren klinkt. De verteller is schrijfster van romans over verlies. Ze werkt aan haar vierde boek over een typiste wier stem haar ontfutseld wordt door haar minnaar annex typleraar, waardoor ze in zijn macht raakt en geleidelijk versmelt met de ruimte waarin hij haar opsluit. Dit verhaal blijft door het hoofdverhaal heen meanderen. In beide verhaallijnen gaat het om verlies van jezelf.

    Naast de hoofdpersoon is er een oude man, steun en toeverlaat van de schrijfster. Hij helpt  haar een onderduikkamertje te maken in haar huis, voor R., haar redacteur, die een intact geheugen blijkt te hebben. Zijn niet ‘aftakelende geest’ stelt hem in staat niets te vergeten en rotsvast te blijven geloven in de rijkdom van herinneringen en het bewaren ervan door middel van woorden. De ik-figuur en R. worden verliefd, maar haar groeiende kilte en leegte drijft hen gaandeweg uit elkaar en maakt het schrijven aan haar roman onmogelijk. Dan gebeurt er iets geks: ondanks de uitwissing van romans die inmiddels heeft plaatsgevonden, slaagt de schrijfster er toch in haar roman te voltooien. Hier wordt iets opgevoerd wat dus eigenlijk onmogelijk zou zijn.

    Gaandeweg stuit de lezer op meer ongerijmdheden, al was het alleen al door de wat al te hapklare griezelige clichés (een luik kraakt, een lamp aan ’t plafond schommelt). Er wordt ook hier en daar nogal wonderlijk verwoord: ‘dat… iemand de nagels van de jongen zal knippen en dat de handschoenen daarbij altijd een oogje in het zeil zullen houden’, of: ’Har-mo-ni-ca. Ik spreek de lettergrepen een voor een uit, alsof ik slokjes water uit zijn mond drink. Dat klinkt romantisch. Als de naam van een slim, sneeuwwit katje met langharige poten.’ Voor een deel zou het te wijten kunnen zijn aan de (Nederlandse) vertaling, maar misschien moet het gewoon het Japanse ‘kawaii’, schattig oproepen.

    Doodlopende zijpaden

    Ook inhoudelijk worden er doodlopende zijpaden ingeslagen, die de eventuele behoefte aan coherentie bij de lezer zwaar op de proef stellen. Met name als eenmaal ook de uitwissingen van lichaamsdelen beginnen, wordt het ingewikkeld logica te ontwaren. Eerst moeten de inwoners een linkerbeen missen. Het been wordt een vreemd aanhangsel waarmee ze zich eerst geen raad weten, maar al snel erin slagen om het volkomen te negeren. Het fijne is dat men deze keer geen actieve bijdrage aan deze uitwissing hoeft te leveren. Al snel komt daar de rechterarm bij en – in een opgevoerd tempo op de laatste bladzijden – ook de rest: ‘De mensen hebben hun stoffelijk bestaan volledig verloren. Alleen onze stemmen zweven doelloos rond.’

    Nog verwarrender wordt het wanneer zelfs de hond, Don dit proces doormaakt. Wanneer hij ‘naar oude gewoonte zijn hoofd op zijn achterpoten wil laten rusten en merkt dat daar niets is, legt hij zich daar meteen bij neer en trekt dan de deken naar zich toe om als kussen te gebruiken.’ Wat is hier aan de hand?, vraag je je af. Kan ‘de totale uitwissing van het lichaam’, die immers door middel van een ‘getransformeerde geest’ bewerkstelligd wordt, ook voor een hond opgaan? Hebben honden ook een bewustzijn met herinneringen die verloren kunnen gaan? Geen oninteressante gedachte, maar het gegeven wordt niet verder uitgewerkt.

    Als tenslotte blijkt dat zelfs R. zijn lichamelijk uitgewiste geliefde, de schrijfster, niet meer kan lokaliseren, snap je er niets meer van: ‘Hij omsluit met zijn handen de lucht waar hij vermoedt dat mijn stem hangt.’ Maar…, hij had tot dan toch geen last van amnesie? denkt de verwarde lezer. Kennelijk toch, maar ook niet helemaal.
    De geliefden roepen een pathetisch overkomend,‘Vaarwel’ naar elkaar, zij lost op en hij gaat met zijn atletisch lichaam, na zo’n jaar op vijf vierkante meter ondergedoken te hebben gezeten, de wijde wereld in.

    Incoherente vertelling

    En zo zakt ook het verhaal als een plumpudding in elkaar en blijft de lezer achter met een heleboel vragen.Waarom moest de totale bevolking van het eiland uitgeroeid worden, welke ideologie zit daarachter? Zijn er politieke of maatschappelijk implicaties van het op het eiland heersende totalitarisme? Behalve dat de Geheugenpolitie werkloos raakt en er geen onderdanen meer zijn die in het gareel gehouden moeten worden, kun je geen consequenties bedenken. Is dit een gratuit gedachte experiment over een wereld die aan vergetelheid ten onder gaat?

    Misschien is het gewoon een incoherente vertelling waar een groot verlangen naar originaliteit uit spreekt, maar helaas evenveel onvermogen om een congruent verhaal op te schrijven. Ook een literair genre als sciencefiction kent regels waar het aan moet gehoorzamen – het verhaal moet plausibel zijn, logisch in elkaar zitten. Wie daar geen belang aan hecht en gewoon (gezien de internationale erkenning) vermaakt wil worden, kan hiermee zijn hart ophalen.

     

  • Het voortdurend verlangen geaccepteerd te worden

    Het voortdurend verlangen geaccepteerd te worden

    In de verhalen van Treinen en Kamers van Annelies Verbeke duikt steeds dezelfde constatering op: Of de personages nu onderweg zijn of aangekomen, zich in treinen of kamers bevinden, ze zijn allemaal hartstochtelijk op zoek naar liefde en begrip en stuiten keer op keer op een vijandige wereld. Ieder mens is in wezen eenzaam, al doen we nog zo aandoenlijk ons best, volledig geaccepteerd door onze soortgenoten worden we nooit. ‘Het stemt radeloos’, verzucht de auteur in het eerste verhaal, ‘ten volle te beseffen hoe weinig mensen voor elkaar kunnen betekenen’. Verbeke beschrijft de tragische zoektocht van de mens met humor, wat de boodschap nog wranger maakt. 

    Het verlangen naar eenwording – de orewoet van Hadewijch in één van de verhalen – , deze hunkering naar wederzijdsheid en verzoening mag een diepgewortelde behoefte van de mens zijn, het gebrek aan empathie en de daaruit voorvloeiende confrontatie en competitie staan deze harmonie in de weg. De personages in de verhalen reageren hier verschillend op. De één geeft het op en laat zich vernietigen door het wapen dat hem door de vijand geboden wordt (‘Mantel der liefde’) en een ander verliest het geloof in de mensheid en verandert in een dier (‘Ezel’). Weer anderen blijven zich verzetten, maar zijn gedoemd eenzaam en buitengesloten te blijven, zoals het meisje in ‘Wétiko’. Na een krachtmeting met haar geschiedenisleraar begrijpt ze dat ze zich aan de heersende norm zal moeten aanpassen om niet vermalen te worden. En de ontspoorde jongen in het verhaal ‘Matroesjka’s’ die door het goede te ontmoeten zich bekeert, eindigt als De Vreemdeling van Camus, onbegrepen en onterecht veroordeeld in de gevangenis. Allemaal vreemdelingen met een onstilbaar verlangen om geaccepteerd te worden zoals ze zijn. 

    Vernuftig spel met perspectief

    Ook Verbeke zelf voert dit gevecht. Je werk, dat ‘bekletst en bezoedeld’ kan worden, maakt je kwetsbaar. De wereld kan je afwijzen, vernederen en breken. Maar ook jijzelf kunt jouw schrijverschap aardig ondergraven: Stanislav Poepmans uit het verhaal ‘Deserteren’ is de verpersoonlijking van een vijandschap die in ieder mens zit. Je angst voor falen, voor een writer’s block, kan je doen opgeven, zeker als je het gevoel hebt dat niet alleen jij, maar ook de wereld aan de vooravond van een apocalyps staat.

    ‘Deserteren’ is een knap geconstrueerd, complex verhaal. De auteur, zelf hoofdpersoon, wordt bijgestaan door haar schaduwzijden, de zachte, de zorgzame en de strenge, de eisende en door vijf  tijdreizigers, fictieve en bestaande figuren uit de literatuur. Dan is er nog een in hoogsensitiviteit gespecialiseerde psychologe als gespreksleider. In deze komische Spiegel im Spiegel-setting wordt het schrijverschap, en daarmee het leven, onder de loep genomen.

    Verbeke speelt vernuftig met het perspectief van de personages en van het verhaal. Alles fluctueert en loopt in elkaar over en is afhankelijk van de invalshoek. Zoals de tijdreiziger Goethe: Is hij nu ‘de echte [Goethe] of die van Mann’, vraagt de auteur. Over die vraag is Goethe ‘zelf ietwat … in de war’: Lotte in Weimar (geschreven door Thomas Mann in 1939) ‘is zo’n doorwrochte biografische schets geworden dat [hij] zelf niet meer weet wat klopt en wat niet, en “welke Goethe [hij is]” ‘. 

    Literatuur in de hoofdrol

    Annelies Verbeke zet al schrijvend alles in beweging. Ze verstrengelt fictie met werkelijkheid, beschrijft puntig en met humor een diepe pijn, laat weg wat de lezer zelf kan invullen. Dat betekent wel dat de lezer moeite voor dit boek moet doen. Verbeke plaatst literatuur in de hoofdrol door te putten uit verschillende genres en verhaaltechnieken. Theater of een voorleesverhaal voor kinderen, het poëtisch metrum van Homeros, allegorie, stream of consciousness van een tastende ik-figuur of een tot inleving dwingende ‘jij’, de schrijfster beheerst ze allemaal. Hier en daar schemert onze hedendaagse wereld door de wereldliteratuur heen: de tragedies van vandaag, of het nu de vluchtelingencrisis is, of de actuele pandemie, ze zijn van alle tijden.  

    Een hoofdpersoon in het ene verhaal kan een figurant zijn in een ander verhaal. In ‘Force Majeure’ is de vrouw die in een treincoupé ‘bezig is haar immer aandampende brillenglazen schoon te wrijven’ de hoofdfiguur in ‘Mantel der Liefde’. Deze vrouw blijkt, juist omdat ze inlevend en van goede wil is, ter dood veroordeeld. De mantel keert zich tegen haar.  In ‘Lijst’ leest treinbegeleidster Natasja bij wijze van informatief vermaak haar lijst van opbeurende dingen voor aan de passagiers. Dat is komisch en verdrietig tegelijkertijd. In het verontrustende verhaal ‘Limbo’ is dezelfde Natasja een reddende engel die een zondaar uit het voorgeborchte leidt. Allemaal gekleurde scherfjes in een caleidoscoop die bij elke kleine draaibeweging een nieuwe constellatie vormen. Het plaatje is elke keer weer aangrijpend. 

    Verbeeldingskracht en schoonheid

    Alles is een kwestie van perceptie. Het subject wordt door middel van schrijven een object en krijgt de touwtjes in handen. De eigen angst wordt dan hanteerbaar en Stanislav Poepmans kan weggeblazen worden. Maar bovenal komt zo de weg vrij voor iets dat ‘fundamenteel mooi’ is. Verbeeldingskracht helpt om de geestdodende ‘normaliteit’ te ontstijgen en dichter bij schoonheid te komen. Dat zou als een redding geïnterpreteerd kunnen worden, die literatuur – en kunst in het algemeen –  vermag te brengen. De witte walvis uit het slotverhaal ‘Mer à boire’ illustreert dit beeld. Alle reden dus om jezelf een hart onder de riem te steken:  ‘ce n’est pas la mer à boire’ is de Franse uitdrukking die zoveel betekent als ‘het valt allemaal wel mee’. Met dit geweldige boek, dat de ziel streelt, soms lachwekkend is en ten diepste ontroert, is de redding inderdaad nabij.