• Jules Deelder (1944- 2019) – Kleurrijk in stemmig zwart

    ‘Volgens het boekje had ik allang op het houten jassenpark moeten liggen, verklaarde een montere Jules Deelder in een interview ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag op 24 november 2019. Deze mijlpaal werd groots gevierd met een poëtische en muzikale happening in de Rotterdamse Doelen. Drie weken later, in de nacht van 18 op 19 december is de dichter, schrijver, performer, jazzmusicus, Sparta-supporter, stadsicoon én de eerste nachtburgemeester van Rotterdam dood – de stad in shock achterlatend.

    Dat Jules Deelder verschillende keren mijn pad heeft gekruist, kan ik, met enige verbazing, maar naar volle tevredenheid constateren. We schrijven allereerst 1984. In een kleine galerie aan de Vughterstraat in Den Bosch vindt op een druilerige zondagmiddag de opening van een kunsttentoonstelling plaats. Als pauzenummer, tussen de bubbels en oesters door, wordt een donkere, vampierachtige verschijning aangekondigd die het Brabantse geroezemoes al snel doet verstommen. Ene Jules Deelder uit Rotterdam, strak en zwart in het pak met een donkere vlinderbril op zijn neus. Hij neemt direct het woord en vuurt lichtelijk nerveus een mitrailleursalvo af op de stomverbaasde aanwezigen. Volledig uit het hoofd declameert hij het nog maar net uitgegeven gedicht ‘Portret van Olivia de Havilland’. Hij trakteert de toehoorders in razend tempo op zijn bekrompen jeugdherinneringen en de donkere jaren vijftig in het algemeen in ‘een wereld die van kwesties aan mekaar hing’:

    ‘We trapten bussie
    in verlaten straten
    en zochten spoor
    in van geheim door-
    drongen zomeravonden
    en kochten klapkauwgom
    met indianenplaatjes
    en het portret van
    Olivia de Havilland
    in een wereld die
    van kwesties aan me-
    kaar hing …’

    Eén ding wordt meteen duidelijk: kijken en luisteren naar Jules Deelder is een geweldige ervaring, maar maakt het wel moeilijk te volgen wat hij zegt. Net zoals alleen het lezen van Deelders werk ook niet de volledige impact daarvan aan de oppervlakte brengt. De dichter/performer, of zoals hij zelf placht te zeggen: aucteur, leeft als de ultieme vertolker van zijn eigen woordkunst. Het een kan niet bestaan zonder het ander. Het wonderlijke gevolg daarvan is, dat als ik nu een vers van Deelder onder ogen krijg, dat steeds sneller ga lezen en in mijn hoofd de dichter hardop met me meeleest.

    In de jaren ‘90 is Deelder regelmatig te zien in jazzcafé Dizzy aan de Rotterdamse ’s-Gravendijkwal. Dizzy is het enige café met een nachtvergunning waar onvermoeibare stappers zich verzamelen voor een laatste glas. In een hoekje achter de bar staat een draaitafelset met een uitgebreide verzameling grammofoonplaten. Jules draait jazz, onverstoorbaar en met zijn rug naar het cafépubliek gekeerd. Uit een meegebracht plastic tasje pakt hij het ene na het andere album, inspecteert de hoes – bril op het voorhoofd en neus op de tekst – alsof hij de plaat voor het eerst onder ogen krijgt. Zacht mompelend wisselt hij het ene nummer af met het andere. Niemand besteedt aandacht aan hem, zo heeft hij het het liefst.

    Jazzverleden

    ‘De jazz stamt van de negers
    De negers in Amerika

    De negers in Amerika
    stammen van huisuit uit Afrika

    Ze werden door ons Hollanders
    met schepen naar de States gebracht

    En bepaalde niet eerste klas
    maar als beesten vastgeketend in

    stinkende ruimen opeengepakt
    om aan de overkant – zo

    ze nog leefden – als slaven
    te worden verpatst

    Een zwarte smet op ons verleden
    maar hadden we ze niet gebracht

    hadden we nou geen jazz gehad
    en dat zou nog erger geweest wezen’

    Fietsend door de regio Rijnmond ontkom ik niet aan een ontmoeting met Deelder. In de fietsbuis van de Beneluxtunnel, tussen Pernis en Vlaardingen, is het ontroerende gedicht ‘Voor Ari’ (1985) in grote letters op de tegelwand aangebracht. In normaal tempo is het vers woord voor woord te volgen, ga je iets sneller lijkt het alsof de dichter de woorden in zijn welbekende staccato over je uitstrooit. In dit gedicht over zijn toen pasgeboren dochter is Deelder op zijn best, in grote contrasten: nuchter en gevoelig, eenvoudig en diepgaand, schreeuwend en intiem.  

    ‘Lieve Ari
    Wees niet bang

    De wereld is rond
    en dat istie al lang

    De mensen zijn goed
    De mensen zijn slecht

    Maar ze gaan allen
    dezelfde weg

    Hoe langer je leeft
    hoe korter het duurt

    Je komt uit het water
    en gaat door het vuur

    Daarom lieve Ari
    Wees niet bang

    De wereld draait rond
    en dat doettie nog lang’

    In 2015 is Jules Deelder een van de optredende dichters tijdens de 33ste Nacht van de Poëzie in Utrecht. Het publiek, inmiddels opgewarmd door dichters als Pieter Boskma en K. Schippers, krijgt een razende voordracht van de serie ‘Rotterdamse kost’ over de culinaire eigenaardigheden van de doorsnee Rotterdammer voorgeschoteld. Daarna volgt een snoeiharde vertolking van ‘De hardnekkige Samaritaan’, een cynische verhandeling over hoe de dakloze de helpende hand verontwaardigd afwijst. Het gedicht is een vergaarbak van grofheden in Rotterdams dialect, vol met pleurt-op, tiefstralen, ruggetuffer en zak-in-de-stront. Onder een daverend applaus van het opgefriste publiek is Deelder zeven minuten later alweer in de nacht verdwenen.

    De hardnekkige Samaritaan

    ‘Wat mij laats gebeur…
    Leggik erges langs de weg
    erges me roes uit te slape
    worrik wakker gemaakt door
    ’n halleve zool op een paard
    die vraag ovvikket koud hep?
    Ik zeg: vent krijg de dood-
    straf met je koud mafkees
    rot naar je familiegraf
    doet mijn een lol maar die
    gozer verstame verkeerd
    want die scheur in ene ze
    jas doormidde en wil de
    helleft an mij geve…!’

    Aan de Rotterdamse Binnenweg, naast het naar dochter Ari vernoemde café, staat sinds 2014 een standbeeld van Jules Deelder. Op het eerste gezicht een wat armzalig aandoend silhouet in donker metaal uitgevoerd. Toch is de ongrijpbaarheid en het onvoorspelbare van de dichter hier goed uitgebeeld, opnieuw als tegenstelling: volop aanwezig maar altijd op de achtergrond. Het beeld correspondeert wonderwel met de iets verderop aan de muur bevestigde Deelder-spreuk in neon: De omgeving van de mens is de medemens. Een prachtige ode aan een dichter die, maar al te vaak weggezet als oppervlakkige woordgoochelaar zijn geheel eigen register bespeelde en ons een indrukwekkend oeuvre heeft nagelaten. Rotterdam komt er wel weer bovenop, maar de poëzie zal zonder deze kleurrijke zwartkijker voor altijd anders klinken.

    Blues on tuesday

    ‘Geen geld.
    Geen vuur.
    Geen speed.

    Geen krant.
    Geen wonder.
    Geen weed.

    Geen brood.
    Geen tijd.
    Geen weet.

    Geen klote.
    Geen donder.
    Geen reet.’

     


    Jules Deelder was auteur bij uitgeverij De Bezige Bij waar hij meer dan vijfentwintig dichtbundels, zo’n vijftig prozawerken, meest verhalenbundels, alsook enkele toneelstukken en twee stripboeken in samenwerking met Rob Peters, publiceerde.

     

  • De lichte toets en de scherpe rand

    De lichte toets en de scherpe rand

    ‘Ik sta in een veld vol klapwoorden die bloeien met de grond gelijk,
    een werpnet onder het gevoel om nu niet,
    nooit alleen te kunnen zijn

    Het antwoord op je vraag:
    hier raken we mij kwijt’

    Bert van Raemdonck staat in zijn debuutbundel Hier raken we mij kwijt, midden in zijn veld vol klapwoorden. Zij vormen de basis en zorgen ervoor dat hij nooit alleen is. Antwoorden zijn niet voorhanden, zo blijkt, de dichter tast in het duister en staat verloren in de hem omringende werkelijkheid. Deze beginregels uit het gedicht ‘letterperk’ laten zien hoe Van Raemdonck zich als dichter probeert te manifesteren. Hij heeft de taal als instrument, probeert de wereld om hem heen te duiden maar blijft in zijn observaties het antwoord schuldig. Op beschouwende wijze onderzoekt hij het omringende landschap, legt hier en daar wat vast in een droge, soms cynische stijl en beweegt weer verder.

    Menselijke maat

    De menselijke onvolkomenheid vormt een bron van nieuwsgierigheid en de daarbij horende verbazing brengt gedichten als ‘com’ voort:

    ‘Kanker die je voor 10 uur bestelt,
    leveren wij morgen aan de deur

    Anderen met uw profiel bekeken hiv en tbc,
    maar liefst van al brengen wij tering
    in een doos tot bij u thuis

    Nergens kunnen wij hier nog parkeren,
    de aders van beton zijn slib en stinken meer en meer
    naar maïs, meel of metaal, of
    stof dat in uw beide longen ligt te rusten
    waar het zijn zwijgend zwarte gangetje maar gaat

    Rond Kerstmis stouwen wij uw lever, gans
    de weg naar uw adres is met gedeukte bumpers afgezet

    De winkel kent geen dagdienst meer en zondag hebben wij verleerd
    maar in de kleine letters staat juridisch nauw beschreven:
    batterijen bij uw spullen
    zijn in de bodemprijs niet inbegrepen

    Wij wreken ons op u, myopen, wanneer de band begint te lopen
    slaan wij de ene high five na de andere met elkaar

    Hoezeer u zich ook meester voelt,
    u blijft een knecht,
    een pruilend, rukkend jongetje nog maar

    Wij rijden rond,
    uw hamsterhol zal bulken
    Een bol is een soort punt is een soort bodemloze kom’

    Krachtig gecomponeerde woorden met een onmiskenbare betekenis, gevat in een bitterheid die zowel verhelderend als choquerend overkomt. Jammer van die afsluitende zin, een totaal overbodige finale die zelfs afbreuk doet aan het voorgaande schouwspel. Op zo’n moment neigt Van Raemdonck naar mooimakerij, een streven naar volledigheid waar hij wel vaker over struikelt en waarmee hij zijn lezers onderschat.

    Aangrijpende cyclus

    Dat euvel zien we niet terug in de aangrijpende cyclus ‘eendracht sint anna’, waarin de dichter op minimalistische wijze een fraai beeld geeft van de Vlaamse dorpsgemeenschap Bottelare. Fragmenten uit een wereld waar de tijd niet vooruit te duwen is: ‘In Bottelare wordt het ‘s avonds al rap laat, / het is er altijd donker op de fiets.’ Terwijl de verteller zich opmaakt voor de training bij de plaatselijke voetbalclub, schetst hij het leven in de gemeenschap in uiterst korte streken. Juist de samensmelting van verschillende indrukken, oppervlakkig en van een duistere geheimzinnigheid, werkt goed voor het totale plaatje in het hoofd van de lezer. ‘Vroeger was er op de kruising met de grote baan / een feestzaal met een achtertuin/ waar minstens vijf bewoners zijn verwekt, / dat is bekend in Bottelare.’ Het meisje Debby is helemaal klaar met Bottelare, ze smacht naar de grote buitenwereld waar het echte leven op haar ligt te wachten:

    ‘Debby zegt
    dat er vanavond iemand komt
    die haar misschien uit Bottelare weg kan halen

    Ze draagt een iets te korte rode sweater
    maar binnenkort kan ze wat ze maar wil
    volledig met haar eigen geld betalen’

    Het is de invoelende nuchterheid waarmee de dichter een op het eerste gezicht droge beschrijving van een biotoop presenteert. Terwijl grote en duistere zaken zich onder de oppervlakte aandienen, wordt bovengronds de atmosfeer in simpele regels gevat: ‘Als je rijdt naar Bottelare/ moet je meestal door die straat/ waarin twee auto’s elkaar niet kunnen passeren’. Een realiteit die het lezen tot een contrasterend spel van emoties maakt.

    Schrijftechnieken en tekstvormen

    De observerende verzen van Van Raemdonck worden aan het eind van deze bundel gevolgd door een serie gedichten over het schrijven zelf. Daar vinden we de dichter terug in een omgeving die hem – als schrijvend criticus over muziek en literatuur – op het lijf geschreven is. Met opvallende scherpzinnigheid brengt hij tekstvormen en schrijftechnieken tot een originele dichtvorm die vooral laten zien hoe de materie zelf tot onderwerp geworden is. In ‘de vrije verzen’ wordt de vrije vorm in de poëzie gepropageerd:

    ‘De vrije verzen
    zitten op een weekenddag te zonnen
    op een heel erg Gents terras, ze kijken naar de mensen
    met hun tassen van een Ierse winkelketen, lemmingen
    met druipend bloed aan hun geklauwde handen,
    zonder vrije verzen heerste hier de slavernij’

    De lichte toets met ernstige ondertoon vormt ook hier een bijzondere combinatie. Die dan wel weer voor een stevige afsluiting zorgt: ‘Rijm bedreigt de vrije verzen,/ ritme is nazisme met een overschot aan tijd’.

    Het is de losse associatiemethode die maakt dat de verzen van Van Raemdonck op een aangename manier binnenkomen. Hij kijkt om zich heen en weet zijn observaties een interne vertaalslag te geven, die zeer leesbaar is en tegelijkertijd van een scherpe rand is voorzien. De ironie, soms uitlopend in cynisme, blijft in een goede dosering aanwezig, waarbij de dichter ook zichzelf de spiegel voorhoudt: ‘Schrijven is ook een manier van tellen, / over wat hier en nu op het papier staat, / heb ik tijdens het kruisverhoor / nog met geen woord gerept’.

     

  • Poëzie vol spontane wendingen en lekkerbekkende woorden

    Poëzie vol spontane wendingen en lekkerbekkende woorden

    De disciplines die dichteres, actrice en beeldend kunstenares Roberta Petzoldt beoefent, leiden haar kunst langs vele wegen. Uiteenlopende invloeden die samenkomen in de stroom van gedichten in de bundel Vruchtwatervuurlinie. Woorden die verrassende beelden vormen, zinnen die een uitgesproken rol lijken te spelen en strofes die als een wonderlijk vuurwerk boven je hoofd blijven hangen. Petzoldt doet de taal sprankelen en brengt met haar veelvormige invalshoeken de lezer het hoofd op hol, zonder dat deze de gelegenheid krijgt af te haken. Niet voor niets dat de debuutbundel van deze avontuurlijke dichteres beloond is met een nominatie voor de C.Buddingh’-prijs 2019. Op 16 juni wordt bekendgemaakt wie van de vier debutanten (Obe Alkema, Gerda Blees, Roelof ten Napel, Roberta Petzoldt) met deze belangrijke trofee naar huis gaat.

    Wees welkom

    In Vruchtwatervuurlinie zijn de eerste regels van het eerste gedicht ‘Aspect ratio’ meteen al een uitnodiging om de wereld van Petzoldt te betreden: ‘Toen ik leerde dat het leven niet gratis was/ ben ik moed gaan verzamelen.’ Na een uiteenzetting van verschillende situaties waarin de dichter zich weerbaar weet te maken (‘Toen verzamelde ik moed om me te verdedigen/ ik trapte het meisje dat mij treiterde onderuit.’) eindigt deze opsomming met de vaststelling ‘ik heb nog niet genoeg moed verzameld om vrij te zijn.’

    Experiment

    Juist de vrijheid, en de moed om daarmee om te gaan, is kenmerkend voor de verzen in Vruchtwatervuurlinie. Met grote gebaren iets aanraken dat tegelijkertijd wordt teruggebracht tot een kleine en persoonlijke observatie. Dat is de krachtige vorm waarmee volop geëxperimenteerd wordt, geheel surrealistisch of op meer klassieke wijze. Zoals in:

    ‘Ik zou willen dichten over de leeuwerik’:

    die ik hoorde voor ik hem zag
    en langs
    zijn toonladder klimt naar het hemeldak.
    Biddend stipje zo hoog in het zwerk
    hoger dan de scherpe kerk
    die als een speld uit de horizon stak.

    Vertellen over hoe ik stopte en de lach|
    die door mij heen brak.|
    Daarna de tranen die stroomden en
    voelden als pijn en geluk tegelijk.

    Geluk dat de natuur nooit haar geloof
    in de schoonheid verloren had.
    Pijn dat ik het deze winter
    toch weer vergeten was.

    Maar hoe dicht ik over een vogel
    die zo vaak is bezongen.
    Wiens lied altijd hoger vliegt
    en me woordeloos heeft doordrongen.

    Knappe prestatie

    De eenvoud van de beleving wordt versterkt door het onverwachte rijm dat hier en daar opduikt als een opgestoken vingertje om de lezer bij de les te houden. Geen structureel rijm, dat zou het losse verband van dit vers in het harnas van de vaste vorm dwingen. Het is de haast Vasaliaanse toon die door Petzoldt wordt gebruikt, die deze gedichten zowel van een zweverige ruimte als een kernachtige nadruk voorzien. Dat is een knappe prestatie, waarbij de dichter zich zonder grenzen moet kunnen laten gaan omdat het anders een geforceerde exercitie dreigt te worden.

    Klankervaring

    De taal van Petzoldt vormt een breed universum aan goed geconstrueerde zinnen, vol spontane wendingen en lekkerbekkende woorden. Verzen die uitnodigen om hardop gelezen te worden om het ritme van bepalende woordgroepen ten volle te ervaren. In ‘Mesdag’ worden de eerste drie strofes in de steigers gezet door een opeenvolging van: ‘badderende rotganzen roddelend over de lente’ en ‘troggelde’ en ‘roffelde’ en ‘binnensmonds getokkel van de lekkere dikke fladderkippen’. Zo wordt poëzie een spel tussen muzikaliteit en mondbeweging, bijna zoals een singer-songwriter kan genieten van het ‘vette loopje’ in zijn tekst dat keer op keer herhaalt dient te worden.

    Na deze klankervaring die nog natrilt in het hoofd volgen een aantal regels die de surreële wereld extra gewicht geven, om uiteindelijk uit te komen bij een eindstrofe waarin de wonderlijke gevoeligheid van Petzoldts gedichten aan de oppervlakte komt:

    (…)
    De scherpe ochtend die door de gordijnen snijdt, mijn
    broze dromen opensplijt.
    Was de nacht uit mijn ogen en leg me terug
    op het witte lakenstrand
    laat het licht over mijn huid glijden
    neem de zon in mijn mond.

    Avontuurlijk dichtspel

    Zo ontroerend schrijven over zoiets eenvoudigs als ontwaken, dat tekent de reikwijdte van de poëzie van Petzold. Een aantal pagina’s verder stuiten we op de meer abstracte vorm, waarmee ze de beeldende kunst in haar verzen laat infiltreren. Het gedicht ‘Failure notice – Herrijzenis’ is verticaal op de pagina’s geplaatst en bestaat uit een doorlopend geheel dat is opgebouwd uit losse flarden tekst. Samen met een veelheid aan typografische interpunctie en andere symbolen vormt dit een beeld dat nog het meest op een uitvoerig en eenzijdig WhatsApp-gesprek lijkt. In kleine stukjes te consumeren, zoals onze hedendaagse mobiele communicatie, vormt dit avontuurlijke dichtspel een goede onderbreking in de bundel.

    Vele registers

    Ten slotte is het zaak nog eens te benadrukken hoezeer deze dichter verschillende registers weet te bedienen. Klein en intiem, groots en overheersend, van springerige abstractie tot de nauwkeurige weergave van een authentieke emotie. Het is vooral deze afwisseling die laat zien hoe het Buddingh’ waardige talent van Roberta Petzoldt naar alle kanten uitwaaiert en toch op het juiste moment weer samenkomt. Zoals in het magistrale gedicht:

    ‘Voor je het weet’

    Ik wist voor het eerst dat een jaar een getal bezat
    en schreef 1990 onder elke tekening die ik gemaakt had.

    Mijn broer verbood mijn moeder de manke strijkplank
    op straat te zetten
    ik bewaarde scherven van de eerste koffiepot die ik zag sneuvelen.
    Twee melancholische kinderen die als cipiers over
    het huisraad waakten.

    We huilden met het smelten van Sylvain de sneeuwman
    de vriend die dankzij de gratie van het vriespunt leefde
    en we begrepen dat je nooit iets twee maal maken kunt.

    Onder de douche dacht ik:
    Dit is misschien het hoogtepunt van mijn leven
    staarde naar steeds veranderende waterregen
    verbond de druppels op de badrand met elkaar.

    Ik zag hoe mijn kindertijd eindig was
    had heimwee naar de zelf die dit dacht.

    Gehypnotiseerd door cohesie en zwaartekracht
    liet ik de druppels tijd
    langs mijn lichaam
    door de afvoer glijden.

     

  • Een stromende rivier als trap

    Een stromende rivier als trap

    In haar debuutbundel Trappen duikt Sebastiene Postma met een serie verhalende gedichten de Engelse poëzie en romantiek in. De veertig verzen vormen een doorlopende reeks biografische schetsen van literaire grootheden die met een haast anekdotische pennenstreek worden neergezet. Een poëtische roddelrubriek waarbij elke eerste strofe van een vers een allusie op een van de aangehaalde grootheden weergeeft. De tweede strofe vormt meestal een vrije beschouwing op de eerste en in het derde deel – een tweeregelige afsluiting – wordt getracht een conclusie te omvatten.

     

    Deze trapsgewijze opbouw van de verzen is de eerste zichtbare verwijzing naar de titel van deze bundel. Alle gedichten bevatten een aantal verwijzingen naar het begrip ’trap’, in meerdere betekenissen. Postma heeft het over opgaande en neerdalende traptreden, over de balustrade en de traploper, trapleer en ladder. Ook legt ze verbindingen met een trap als lijkbaar, graf, schop, strop of val. Op veelal raadselachtige wijze verweeft ze deze associaties in het gedicht waarin een auteur de hoofdrol speelt. Het lijkt een wat gekunstelde constructie waardoor de lezer zich vooral niet moet laten afschrikken. Hier geldt het algemene adagium van de poëzie: kleine beetjes tegelijk, niet te veel, niet te snel.

    In gedicht III wordt de tragische teloorgang van John Keats aangehaald met de beginregels:

    Zelfs toen zijn longen volledig waren
    weggerot en hij niet meer kon eten of rechtop staan,
    probeerde hij nog omhoog te kruipen.
    De huid op zijn knieën was allang vergaan.
    Wit bot schuurde over het marmer.

    De doodzieke dichter komt in Rome niet meer op krachten en sterft uiteindelijk aan tuberculose. Voor Postma is de voorstelling eenvoudig te verwerken in de telkens terugkerende trapmetafoor:

    Uiteindelijk lag Keats verslagen
    onder aan de Spaanse Trappen in Rome.
    Hij zag hoe trapbomen langs hem heen
    bogen en verder cirkelden naar boven en beneden.

    Als in een golvende zee wordt Keats door traptreden bedolven en ‘alles werd in de wervel meegesleurd’. Met de tweeregelige afmaker draait Postma het perspectief om, door te benadrukken dat Keats tot op het laatst in zijn eigen wereld leefde: ‘Die mixed metaphor daarbuiten maakte hém/ niet bang’.

    Het zijn vooral die droge vaststellingen waarmee Sebastiene Postma haar gedichten laat vibreren. Alsof ze na veel speurwerk een geheime onthulling doet, die vervolgens omgeeft met vermoedens en associaties om er tenslotte haar eigen visie op los te laten. Die persoonlijke beschouwing wordt in kleine, nuchtere regeltjes geplaatst. Als het cement tussen feiten, aannames en allusies worden die, op hun beurt, weer verpakt in mysterieuze verwijzingen naar alles wat met de trap te maken heeft. Over T. S. Eliot doet ze het volgende boekje open:

    Onbegrijpelijk toch, vind je niet,
    dat Eliot, die altijd een masker droeg, altijd speelde,
    die emotioneel niet te benaderen was
    en die zich bewust was van de gevolgen
    van elke daad die hij verrichte,
    op zijn achtenzestigste
    zich gaat gedragen alsof hij voor het eerst
    verliefd is. Niemand geloofde het.

    Waarna ze vervolgt met een beschrijving van een stromende rivier, vermomd als trap, die door het landschap kronkelt: ‘De trap is een sterke, bruine god’. In de finale wordt opnieuw de vraag gesteld hoe het nu zat met de viriele Eliot: ‘Het is een onveranderlijke, roerloze woestijn./ Niet? Kunnen we niet bloeien én verdorren?’

    Gedicht VIII begint met de simpele vaststelling ‘Sylvia Plath was ongeliefd’ en de kleine anekdote hoe Plath razend werd ’toen ze ontdekte dat een vriendin met potlood in haar boeken had geschreven’ (‘De kanttekeningen randden Plaths boeken aan’). Dan brengt Postma de trapmetafoor in met de regels ‘Sommigen kunnen hun voeten niet/ netjes op de regels van de tekst zetten/ en zo naar de laatste bladzijde klimmen’. Om tenslotte af te sluiten met de ontroerende conclusie:

    Was er maar geen witte rand.
    Was het hele vel maar gevuld.

    ‘Wat nou weer?’ begint gedicht IX, over war poet Wilfred Owen. Met de bezwering dat voor deze dichter de poëzie geen troost is, maar vooral een waarschuwing, tekent Postma het omgeploegde WOI-slagveld van bovenaf:

    Het zigzagpatroon van de trappen
    is alleen vanuit de lucht duidelijk
    waar te nemen. Het ene hoekige
    stelsel ligt achter het andere.

    Tijdens het bouwen van een drijvende brug over een kanaal wordt Owen, evenals de meeste van zijn kameraden, gedood bij een vijandelijke aanval. ‘Sommigen blijven in de modder/ nog nakronkelen als wormen.’

    Postma weet met deze petit histoires op een ontwapenende manier haar onderwerpen met een vleug persoonlijk drama te omringen. Als de presentator van een entertainmentshow komt ze doorlopend met feiten en weetjes die in één beweging haar hoofdpersoon neerzet. Ze rept onder meer over Mary Lamb die per ongeluk haar moeder vermoordt, Walt Withman die als prophet-poet ogen in zijn achterhoofd lijkt te hebben, Leigh Hunt die in de gevangenis belandt vanwege kritiek op de overheid, de overspelige vrouw van William Morris en de hoogvlieger Byron. Telkens worden deze revelaties gevolgd door een verwonderlijke samensmelting met de trap. Het stijgen tot grote hoogte en afdalen in diepe ellende. Of het nu gaat om de verbinding tussen de verdiepingen of de ondersteuning van de balustrade, de metafoor is tot het uiterste op te rekken en Postma weet daar op een verbluffende wijze poëzie van te maken.

     

     

     

     

  • Het ritme van weemoed en verlangen

    Het ritme van weemoed en verlangen

    Wanneer Myrte Leffring haar gedichten voordraagt (te zien op NPO Cultura) spreekt ze met haar hele lichaam. De woorden komen aarzelend, worden nauwkeurig gevormd en vervolgens zorgvuldig geplaatst in een regel die het enjambement op de meest perfecte wijze weergeeft. Lichte bewegingen van hand en hoofd ondersteunen het ritme. Bij de laatste regels neemt het stemvolume voorzichtig af, de slotwoorden komen er haast fluisterend uit.

    Het is een performance in bescheidenheid die goed past bij de verzen uit de debuutbundel Om je schouders hang ik de nachten. De voornamelijk melancholische strekking van de gedichten wordt in korte regels en in trefzekere klanken tot leven gebracht. Het is de kracht van Leffring om in weinig woorden een situatie te schetsen die gaandeweg herkenbaar wordt en naar het einde toe in een kleine apotheose openbreekt.

    Ik wil een huis
    met stenen die heten

    een tuin met bloemen
    die spreken

    fluisterende schaduw
    langs mijn dak

    geluid van zomervliegtuig
    geen tekst aan staart
    warme bromvlieg
    hemelronk
    alles komt goed

    In dit gedicht is de eenvoud zo glashelder dat de twijfel rijst het gedicht niet goed gelezen te hebben. Maar er is niets meer dan dat. Een kinderlijk zomergevoel, een uitgebeende tekst die als een weemoedige dagboekaantekening direct beklijft: huis, tuin, bloemen, vliegtuig, bromvlieg, goed. Het mooie woord ‘hemelronk’ vormt het hoogtepunt van de verbeelding, daarna volgt de sentimentele afsluiting. Het mag simpel lijken, het is vooral scherpzinnig. En uiterst sensitief.

    Weemoed en verlangen vormen de basis van Leffrings werk. Geliefden die elkaar verlaten (vijf dagen geleden/ deed zij/ de deur dicht) en geliefden die naar elkaar verlangen (ik zie nog zó/ hoe jij naar mij/ keek toen ik deed/ wat ik deed langzaam). Er is ouderdom, ziekte en dood (ik zit bij je/ ik kom elke dag/ om je te vertellen/ wie ik ben) en er is vooral veel terugkijken naar vroeger. De kindertijd als oorsprong van eeuwige beloften en veiligheid. Drijven is zo’n gedicht, op het pathetische af:

    Mijn moeder is een eiland
    in de tijd
    ik zag de ouders van mijn vrienden
    ouder worden
    ze kregen kwalen, rimpels, ze klaagden
    als bejaarden of lagen in
    een ziekenhuis

    mijn moeder niet, zij is een eiland
    waar ik naartoe drijf als de stroming
    het mij toestaat

    Maar na de liefdesbezwering, de verlatingsangst en het afscheid aan de rand van het graf komt de dichter met een keiharde uitsmijter:

    we lachen harder
    dan eigenlijk kan

    En meteen is het warme gevoel verdwenen. Het is een heerlijk, sardonisch einde, waarbij de vraag opgeworpen wordt wie de ‘we’ zijn die zo onbedaarlijk moeten lachen. Dochter en moeder, dochter en broers of zussen, dochter en medestanders? Gelukkig past Myrte Leffring deze extreme contrasten toe, het zijn de gerichte kogels waarmee ze haar vermeende ‘gevoelsversjes’ rigoureus aan flarden schiet.

    Er wordt ook flink geleden in deze bundel: het laatste deel is gewijd aan lijden en sterven. In het gedicht Lunch kruipt Leffring in het hoofd van een dementerende bejaarde man. Hij verwart heden met verleden en probeert zijn herinneringen te matchen met de situatie waar hij in verkeert:

    Het ruist achter zijn voorhoofd
    hij ziet zijn armen fladderen
    zou wel iets te drinken lusten
    maar misschien komen dan
    die vogels weer
    zijn mond voelt zacht en nat zo
    was zij ook, ooit, in een
    veld vol golvend graan

    Op indringende wijze confronteert Leffring de lezer met de hulpeloosheid van iemand die nog steeds bestaat maar er eigenlijk niet meer is. Haar taal is bijzonder geschikt om de krachteloze hersenschimmen te verbeelden en kenmerkt zich door de lieflijkheid waarmee ze te werk gaat. Regels vol erbarmen en zacht gevoel, zonder in de valkuil van het larmoyante sentiment te belanden. Daar zijn haar woorden te raak voor, de beelden worden niet omfloerst door enig effectbejag.

    Nog directer is het gedicht Tabee. Een aangrijpend relaas over de genoegdoening van een mishandelde vrouw die haar man en belager de deur wijst. En weer op die nuchtere toon, een haast emotieloze opsomming van feiten die door de voortdenderende kadans nog meer impact krijgt:

    Je neukte me kreupel
    nam me voor lief
    schond mijn schande
    verdraaide mijn armen
    mijn woorden mijn zinnen
    pakte mijn handen
    jij huilde, ik niet

    Na paginalang meegevoerd te zijn op de ritmische golven van het wel en wee uit Leffrings pen volgt opeens de bewustwording: er is geen interpunctie. Nergens een punt of komma te bekennen, behalve hier en daar om twee zinsdelen uit elkaar te houden. De gedichten beginnen allemaal met een hoofdletter, als om een officieel startpunt te markeren, en storten zich vervolgens als een waterval de diepte in. Dat werkt goed, het houdt de vaart erin en geeft de weemoedige sfeer tegelijkertijd een zekere urgentie: het tempo dat de lezer automatisch aanneemt wordt niet gehinderd door obstakels. Alleen de goedgeplaatste witregels zorgen voor een aangenaam oponthoud.

    Lees Om je schouders hang ik de nachten in kleine stukjes tegelijk, de overdaad aan zwaarmoedigheid kan wat veel zijn. Leffring houdt haar poëzie dicht bij zichzelf, een vanzelfsprekende debutanteneigenschap, maar haar talent doet sterk verlangen naar een meer weidsere blik, die hopelijk in de volgende bundel tevoorschijn komt.


    Om je schouders hang ik de nachten

    Myrte Leffring
    Prijs: € 14,95
    Uitgegeven bij Van Gennep

  • De fluistering van tijd tegen ruimte

    De fluistering van tijd tegen ruimte

    Wie de biografie van Conrad Aiken (Georgia, 1889-1973) kent, leest Preludes voor Memnon met meer helderheid. Aikens levensloop is vanaf het prille begin verweven met zijn poëzie. De doorlopende queeste van de dichter, verwoord in 63 verzen, wordt gevormd door onzekerheid en angst en een constante vraagstelling die ontegenzeglijk iets te maken heeft met zijn verleden. In een wervelstorm van poëtische uitingen laat Aiken zijn worsteling met de werkelijkheid zien.

    Op twaalfjarige leeftijd was Aiken getuige van een gruwelijk voorval. In het ogenschijnlijk stabiele gezin werd zijn moeder op een vroege ochtend door zijn vader vermoord waarna deze zichzelf doodschoot. De aanleiding of oorzaak van dit drama is nooit aan het licht gekomen maar de impact is groot op het leven van de jonge schrijver. Zijn verdere loopbaan werd gekenmerkt door een obsessieve vorm van introspectie en een onderduiken in bewustwording; met af en toe zeer destructieve neigingen.

    De preludes zijn stuk voor stuk wonderlijke bouwsels van visionaire gedachten als een  poëzieverhaal te lezen of in losse verzen te consumeren. Er is sprake van een duistere herinnering en een zwaarmoedige verwachting, van chaos, dood en verderf. In het filosofische onderbewustzijn lijkt de dichter op zoek naar een uitkomst die slechts in drama is te verwoorden.

    Morsdood is dus de dood en in haat veranderde de liefde,
    De varen in marmer en het uur in sneeuw;
    Muziek in het gerucht van wormen en deze
    Sterrendans in een zinloze dodendans van atomen;
    Kom, we zullen zonder spijt ons hart breken
    En een triest begin met ons einde maken.

    Toch wist Aiken in alle onzekerheid en ellende die hij over ons uitstort ook een ander geluid te laten horen. De dichter spreekt als ik-figuur in een doorlopende monoloog maar is ook op zoek naar een jij-figuur, een liefde, een vrouw. Hij spreekt haar aan en probeert hoopvol te klinken: ‘Lief, laat ons andermaal de regen roemen./ Laat ons zoeken naar een nieuw ABC’, om even later weer te vervallen in de vergeefsheid van dit verlangen:

    Dit alles stelt niets voor: alles wat we noemden is niets:
    Je ogen en je haar zijn niets, je verdriet en je tranen,
    Evenmin jouw lach, die de kamer vulde met geschater,
    En je haastige tred, die even haastig kwam als ging;
    Niets en nog eens niets, zoals het wonderkruid.
    Mettertijd verdord.

    Een andere bijzonderheid is dat Aiken in zijn verzen gewag maakt van een regelmatig terugkerende god. Dat is geen religieuze entiteit en wordt niet opgevoerd als allesoverheersende macht (‘Geen god heeft ons verlaten, want wij zijn goden./ We dorsten nergens naar’). Aikens god is een visionaire kracht die op ieder moment en om verschillende redenen aangehaald wordt. Een te beklagen, te verwijten, te bewonderen of lief te hebben mysterie dat juist de motor van deze gedichten op stuwende wijze aanjaagt.

    O glurende god, welk geheim hou je verborgen?
    Hier in de kantlijn van de lente zingt de narcis,
    Zulk een baarlijke nonsens als geen god voorzag.
    Pluk hem, determineer en analyseer de wortel:
    Het is jouw hart. Lach dan, met het plezier van een maniak.
    Die hemelse waanzin deed deze wereld helder schijnen.

    Dat Aiken een romanticus was, moge duidelijk zijn. In zijn voortdurende gevecht met emoties, telkens neigend naar een vernietigende afloop, doorspekt hij zijn ritmische taal met een vorm van realisme die een Whitmansiaans karakter heeft. Tussen alle doem en wanhoop duikt zo nu en dan een prachtige natuurbeschrijving op: een roodgekleurde horizon, de observatie van een boomblad met een glijdende regendruppel, het ‘karmozijnen zaad der zaden’. Ergens in dat diepe ravijn van heftige gevoelens wist de dichter houvast te vinden, voor korte tijd, maar in een hoopvolle overtuiging.

    Wat voor koele en groene varens van gedachten zijn dat,
    Die, druipend van het vocht, deze muren versieren?

    Rust. Een zalige stilte verdrijft de spoken die op vleugels
    Van geluid en schaduw kwamen. Jij bent al datgene.

    In Preludes voor Memnon wordt alles benoemd en alles bevraagd. Toch is het geen zoektocht naar waarheden, geen worsteling van een mens die smacht naar antwoorden. Conrad Aiken wilde met zijn lyrische zinnen greep krijgen op zijn eigen bewustzijn door in één groot gebaar zijn onzekerheden en angsten eruit te gooien. In feite keerde hij zich af van de wereld en probeerde hij zijn eigen scheppingsverhaal te schrijven, zijn eigen waarheid, een innerlijke noodzaak om te overleven.

    Het hart trekt samen met zijn leed van lasten,
    Tot het ontspannen zich van leed ontdoet.

    Die noodzaak dreef hem niet tot een solitaire toestand. Hij bleef in contact met diverse realiteiten: de natuur, de liefde, de levenskracht, de dood. Zijn vermogen om deze diepgaande speurtocht naar het eigen zijn om te zetten in beeldende woorden is van een ongekende schoonheid.

    In een onlangs uitgezonden interview met Ilja Leonard Pfeijffer, waarin Pfeijffer sprak over zijn onlangs verschenen bundel Idyllen (ook een lange reeks verhalende verzen), komt het motto uit Nijhoffs prozagedicht Awater (1934) ter sprake: ‘ik zoek een reisgenoot’. Dat is precies waar Conrad Aiken naar op zoek leek te zijn: geen reisgenoot als menselijk gezelschap, maar een reisgenoot in taal, in ‘de fluistering van tijd tegen ruimte’ om samen mee op te trekken door dit weerbarstige en onvolkomen leven.


    Preludes voor Memnon

    Conrad Aiken
    Vertaling Hans Dekkers & René Huigen
    134 blz.
    € 18,95
    Uitgeverij Karaat

     

    Aantal pagina’s: 134

  • ‘Sombere poëzie van menselijke kadavers’

    ‘Sombere poëzie van menselijke kadavers’

    ‘Sombere poëzie van menselijke kadavers’

    Langs verschillende wegen kwamen de uitgeverijen Lebowski en Cossee in 2013 erachter dat ze bezig waren hetzelfde boek vertaald en uitgegeven te krijgen. In plaats van elkaar in de haren te vliegen over de eerst verworven rechten van Het fantoom van Alexander Wolf werden de handen ineengeslagen en hebben we nu al de tweede roman van Gajto Gazdanov te pakken die deze samenwerking bekroont. In de golf van herontdekte juweeltjes uit de wereldliteratuur vormt Nachtwegen (1952) een verrassende ontdekking.

    Gazdanov beschrijft in deze wat zwaarmoedige roman zijn leven als Russische vluchteling in Parijs. Als hij in 1920, na de revolutie en de daaropvolgende burgeroorlog, zijn vaderland ontvlucht en via Turkije in Frankrijk terechtkomt, is hij de eerste jaren werkzaam als fabrieksarbeider in de autoindustrie. Later begint hij een studie aan de Sorbonne en verdient de kost als taxichauffeur in Parijs. De nacht is zijn exclusieve domein en maakt hem tot observator van het leven in de kleine uurtjes.

    Dat leven wordt vooral bevolkt door mede-ontheemden uit Rusland en andere nachtvlinders in het Parijse uitgaansleven. De schrijver rijdt zijn taxi met de meest uiteenlopende klanten en verblijft in de rustige uren in een van de vele nachtcafés waar hij onderduikt in de verhalen en de problemen van anderen. We komen weinig te weten over hemzelf, hij is de waarnemer en toehoorder die alles in de gaten houdt en leidt ‘het leven aan de zijlijn, alsof ik zelf geen deel had aan de gebeurtenissen’.

    Als taxichauffeur krijgt hij te maken met wonderlijke ontmoetingen, op straat en op de achterbank van zijn wagen. Maar hij neemt gek genoeg amper deel aan deze bewegingen – ontworteld als hij is – het is een ‘ongewone wereld’ voor hem. Hij lijkt bewust te willen benadrukken dat hij slechts tijdelijk in deze situatie is beland.

    Bij dit werk kon geen enkele indruk, geen enkele betovering langdurig zijn – en pas achteraf probeerde ik me te herinneren wat ik op zo’n nachtrit had gezien, en dat te duiden, vanuit de details van deze ongewone wereld, die kenmerkend zijn voor nachtelijk Parijs.

    De beklemming die zijn houding bij de lezer veroorzaakt is voelbaar tot in de uithoeken van deze bijzondere roman. Het is moeilijk sympathie op te brengen voor een vertellende hoofdpersoon die zelf onzichtbaar blijft: hij strijkt met een lichtbundel over de verschillende acteurs maar speelt zelf niet mee in dit theaterstuk. De afstand die hij hierdoor creëert, en ook zijn vaak cynische commentaar, maakt tegelijkertijd zijn intense eenzaamheid zichtbaar.

    Van de ontmoetingen die hij heeft is die met Jeanne Raldi het meest indrukwekkend. De ook in Rusland beroemde courtisane is volledig aan lager wal geraakt en kan op het einde van haar professionele loopbaan nog slechts wat geld verdienen langs de straten van nachtelijk Parijs. De schrijver ontfermt zich als het ware over de oude dame en hoort haar verhaal aan. Wat later, als ze vergeefs probeert haar sterfelijkheid op te rekken, is hij getuige van haar poging een beeldschone prostituee – als jonge protegé – in te wijden in het vak. Het meisje maakt gebruik van haar ervaring maar gaat verder hooghartig haar eigen weg en Jeanne Raldi kwijnt weg op haar armoedige zolderkamer en sterft uiteindelijk alleen.

    Vrijwel iedere nacht brengt de schrijver/chauffeur een aantal uren door in het nachtcafé waar de meeste Russische exiles zich verzamelen. Hij wisselt wat woorden met Plato, de selfmade-filosoof die na zijn eerste vijf glazen witte wijn niet meer te volgen is. Ook hier is hij de afstandelijke beschouwer: hij drinkt zijn glas melk en laat de oren hangen naar iedereen die hem kan afleiden van de dagelijkse realiteit. De Russen – alsof hij daar zelf niet bijhoort – verkeren volgens hem in ‘een vormeloze en chaotische wereld die ze dagelijks moeten scheppen en inrichten.’ Hij verwondert zich over ‘de zuiver Slavische bereidheid elke dag, elk uur van het bestaan alle schepen achter je te verbranden en van voren af aan te beginnen.’

    Op dezelfde wijze doet hij verslag van de toestand van zijn kennis Fedortsjenko die, eenmaal getrouwd met de struise Suzanne – prostituee in ruste – langzaam wegzakt in een lethargische cocktail van heimwee gemixt met een flinke dosis neerslachtigheid. In een Russisch restaurant in Montparnasse zit Fedortsjenko nachtenlang te zwijmelen bij een zangeres die liedjes uit zijn kindertijd kweelt, om later op een ochtend te worden gevonden, in de deuropening hangend aan zijn broekriem.

    Gajto Gazdanov schetst een dieptreurig beeld van zijn landgenoten in den vreemde, waarbij hij tegelijkertijd, zelfs in de grote afstandelijkheid die hij verkiest, een onbewust portret van zichzelf tekent. Zijn verzet tegen zijn eigen omstandigheid verschuift naar een afkeuring van alles wat naar het verleden riekt. Hij heeft weinig compassie met zijn mede-emigranten en hun in alcohol gedrenkte toekomstvisioenen, hun losbandigheid en hun vaak ‘dierlijke domheid’. Wat hij zelf voor ogen heeft is onduidelijk – Gazdanov komt overigens zelf later goed terecht in München – maar zijn wereld wordt op dat moment gekenmerkt door in lange, prachtig rondzwervende zinnen vastgelegde vertwijfeling.

    Parijs kwijnde voor mijn ogen weg; het leek alsof ik geleidelijk aan blind begon te worden en de hoeveelheid dingen die ik zag van lieverlee kleiner werd – tot het moment waarop de totale duisternis zou invallen.

     

    Nachtwegen

    Auteur: Gajto Gazdanov
    Vertaald door: Arie van der Ent
    Verschenen bij: Uitgeverij: Lebowski/Cossee
    Aantal pagina’s: 286
    Prijs: € 19,95

  • De atoomkolonist van Prypjat

    De atoomkolonist van Prypjat

    De in 1986 ontplofte kernreactor in het Oekraïense Tsjernobyl wordt anno 2015 nog steeds verbouwd – met Europees geld – tot een betonnen sarcofaag die de eeuwigheid moet kunnen trotseren. De straling in de ruïne en omgeving is dermate hoog dat het gebied tot niemandsland is verworden, een zich vele kilometers uitstrekkende nucleaire Todesstreifen. De stad Prypjat ligt daar middenin, een spookstad die als symbool van de ramp bekendheid heeft gekregen door de beelden van een verlaten en overwoekerd kermisterrein. Toch leven er mensen in de afgesloten provinciestad, er is sprake van een geheime samenleving van overlevenden die nergens geaccepteerd worden en ervoor hebben gekozen op hun eigen grondgebied te leven en te sterven.

    Javier Sebastián duikt met De fietser van Tsjernobyl in de bizarre wereld van fictie en non-fictie rond de kernramp. Hij verweeft de feiten – voorzover die bekend zijn – met een indringend verhaal over de kernfysicus Vasili Nesterenko die op de vlucht is voor de Russische autoriteiten. Het geheel wordt bezien vanuit het perspectief van een Spaanse wetenschapper die, in Parijs voor een conferentie, als bij toeval Nesterenko tegen het lijf loopt.

    De verwarde Rus wordt in een Parijs’ zelfbedieningsrestaurant opgemerkt door de verteller die zich druk maakt om de omstandigheden waarin de man verkeert. Als later de politie en de sociale dienst in de veronderstelling zijn dat ze met vader en zoon te maken hebben, worden ze min of meer gedwongen dat maar zo te laten en onthult de schrijver langzaam het verloop van de omzwervingen van Nesterenko.

    Sebastián doorspekt zijn boek met veel informatie over de toedracht en de gevolgen van de ramp in Tsjernobyl. Er passeren verschillende versies van verslagen die vooral aangeven hoe groot de chaos was na de fatale ontploffing. Vasili (Vasja) Nesterenko is als deskundige betrokken bij de paniekerige actie om erger te voorkomen, de brand te blussen en de reactor te koelen. De weigering van de autoriteiten om de bevolking in te lichten over de gevolgen voor de gezondheid heeft geleid tot vele honderden slachtoffers in die eerste dagen na de ramp.

    Op een zondag verschenen er patrouilles soldaten met geigertellers. Toen waren er de evacuatiebussen, allemaal in een rij, met draaiende motoren. Door de luidsprekers werd omgeroepen: kleding en toiletartikelen meenemen, de Ongunstige Radiologische Situatie zal spoedig worden opgelost.

    Nesterenko ontdekt dat de overheid structureel verkeerde informatie verstrekt, het getolereerde stralingsniveau telkens verhoogt en de oorzaak van de ramp in de media probeert te verdoezelen. Hij roept een organisatie in het leven die op zoek gaat naar de ware oorzaak en die de werkelijke gevolgen in de openbaarheid wil brengen. Vanaf dat moment wordt hij gevolgd en moet hij uiteindelijk onderduiken.

    In De fietser van Tsjernobyl brengt Sebastián de omzwervingen van Nesterenko afwisselend in beeld met de bizarre gebeurtenissen rond de kerncentrale. Hij strooit met harde gegevens en dramatische anekdotes en vertelt in tussenliggende delen hoe Vasja onderduikt in de verlaten stad Prypjat, later naar Parijs vlucht en via Spanje weer terugkeert naar Prypjat. De manier waarop Sebastiàn fictie en de realiteit van de geschiedenis met elkaar verweeft is indrukwekkend.

    Nog fraaier maakt de schrijver het door de verteller te laten optreden als Spaanse afgevaardigde bij de Internationale Conferentie voor Gewichten en Maten in Parijs. Zijn ontmoeting en verdere verwikkelingen met Nesterenko worden regelmatig onderbroken door zijn bezigheden op de conferentie waar hij met andere afgevaardigden de exacte vaststelling van het kilogewicht bestudeert. Het is deze – nogal ironische – gedetailleerde ernst die een mooi contrast vormt met de enorme puinhoop die de nasleep van Tsjernobyl vormt. Hij reist terug naar Spanje in het bezit van een exacte kilo (‘een uitdrukkelijke en eerlijke kilo’) als ultieme standaard voor handel en wetenschap. Dat heeft Sebastián goed bedacht, die zuivere wereld der gewichten, terwijl hij verder uitweidt over hoe de Russische overheid de dosis becquerels aan geaccepteerde radioactieve straling met een oekaze weer bijstelt naar boven.

    Het meest aangrijpend zijn de fragmenten die zich afspelen in Prypjat, de besmette stad die voor het oog der wereld geëvacueerd is, maar een groep paria’s een verborgen thuis biedt. Als Vasja Nesterenko vanwege zijn publicaties op de vlucht is geslagen, besluit hij naar Prypjat te rijden in de wetenschap dat men hem niet zal zoeken in radioactief gebied. Hij vestigt zich in een verlaten theatergebouw, legt contact met de kleine groep illegale bewoners en raakt gehecht aan deze biotoop waar het leven gevierd wordt en de dood op ieder moment haar gezicht kan laten zien. Er is een onbevangenheid in de menselijke omgang die door Javier Sebastián op indringende wijze wordt geschetst. De expressionistische wijze waarop hij dialogen met gedachten vermengt is een uitstekende manier om de fictie in deze dramatische omgeving toe te laten.

    Ondanks de overkill aan nucleaire data en verslagen van gemankeerde scenario’s weet Sebastián in De fietser van Tsjernobyl een wonderlijke kern te verbeelden. Het is leven om te overleven, terwijl de radioactieve ‘bescherming’ onvoorwaardelijk de dood zal betekenen. Die tegenstelling brengt een soort heilige intimiteit onder de verschoppelingen van Prypjat en maakt dat Vasja Nesterenko uiteindelijk op geen andere plek wil zijn.

     

    De fietser van Tsjernobyl

    Auteur: Javier Sebastián
    Vertaling: Peter Gelauff
    Uitgever: Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 208
    Prijs: € 19,95