• Oorlog in gecamoufleerde taalexplosie

    Oorlog in gecamoufleerde taalexplosie

    Bij de toekenning van de P.C Hooft-prijs 2024 aan Astrid Lampe schrijft de jury in het juryrapport: ‘Lampe dicht met een diabolische intensiteit over het moderne leven, in zinnelijke en ontembare taal’. Rake woorden die juist van toepassing zijn op de bundel ‘Zachte landing op leeuwenpootjes’: een verzameling verzen die de lezer op indringende wijze laat voelen hoe de wereld van vandaag in elkaar steekt.

    En die wereld blijkt kwetsbaarder dan ooit. Grenzen worden opgetrokken, prioriteiten gesteld en dreigementen geuit. In de overtreffende trap is er zelfs het allesoverheersende gewapende conflict. Is het een wereld ‘die je wist dat zou komen’ of zijn we overvallen in onze argeloosheid? Lampe zet haar gedachten hierover om in beeldende poëzie en probeert zo de dreiging te benoemen en vast te pakken. En daarmee te neutraliseren.

    in een spleet van het bergmassief
    troepen trollen samen
    onze wapensystemen
    praten met elkaar
    het voorjaar
    is door een storm tegen de grond gewerkt
    d
    e rekenkracht die het kost
    je bloei een jaar uit te stellen
    de gedachte aan veiligheid voedsel
    goede voortplanting die gedachte

    af te maken per strekkende meter mijnenveld
    breng ik het noppenfolie
    gecontroleerd tot ontploffing

    ‘Zachte landing op leeuwenpootjes’ is doordesemd van oorlog en strijd. In vrijwel alle gedichten verwijst de dichter naar het militaire domein door begrippen te plaatsen als commandostructuur, scherfvest, troepensamentrekking, schootsveld, enzovoorts. De verweving van dit jargon met de haast achteloze beschrijving van situaties en momenten maakt dat de impact van het geheel extra wordt benadrukt.

    Dat Lampe een specifieke strijd op het oog heeft, laat ze hier en daar ook door de tekst schemeren. Met kleine druppels injecteert ze de actualiteit in de schijnbare alledaagsheid en opeens stuit het oog van de lezer op ‘de Russische ziel’, ‘het datsjadorp’ of ‘de woede uit Moskou’. Net voldoende om een onbehaaglijk gevoel te introduceren: deze poëzie staat met de voeten in de klei van het hier en nu.

    Samenstellingen

    Ook zonder oorlogsdreiging vormen de verzen een ware ontdekkingstocht door het hoofd van de dichter. Lampe is een liefhebber van samenstellingen die een zweem van vervreemding oproepen: een luchtbed met een diepzeevenster/ drijft op het karma van de opblaasadem/ aan de rand van het privézwembad/ recupereert het meesterbrein. Het veelvuldig gebruik van combinatiewoorden bepaalt zowel het ritme als de richting van het gedicht.

    Verhalend over de overweldigende natuur, de kwetsbaarheid van het leven of simpelweg de verbintenis tussen mensen, iedere situatie wordt geschetst in een ‘ontembare’ taal die de lezer meeneemt en vooral de ruimte geeft om tot een eigen interpretatie te komen.

    de geliefde
    gered door de kleine salamanderkachel
    fysiek en nabij nu de markt zo nerveus

    de mok zonder oor over zeven levens heen getild
    een van de knoppen waaraan je kan draaien

    macht

    geprojecteerd op het kasjmier vloerkleed

    stug tegen de vleug in vegen
    wekt de slapende cel

    het bloemmotief
    als kleinste terreureenheid in onze natuur ingeweven
    glanst tot op de draad

    Geen interpunctie

    Lampe weet als geen ander in een salvo van korte zinnetjes zowel een gevoelige als een dreigende ondertoon over te brengen. Zonder beginkapitalen en geheel zonder interpunctie blijven de regels stromen. Het gebruik van enjambement verrast en zet meestal aan tot opnieuw lezen, omdat de verschillende overgangen ook een nieuwe betekenis kunnen opwerpen. Hier en daar een fraaie alliteratie, zowel in vorm als in klank, maken deze bundel tot een verzameling wonderlijke, intense en tegelijk innemende gedichten.

    In het slotgedicht keert de dichter terug in zichzelf, als een ‘zachte landing op leeuwenpootjes’:

    je vouwt me uit als een zeldzame-grondstoffenkaart
    tot de abc-moertjes uit het woord oorlog lostrillen
    in de flat zonder ramen
    staat het graan nu kniehoog

    een geharnast lichaam

    de volle korenaar
    die langs een rug opkruipt
    voorkookt of ik wel of niet geboren ga worden

     

  • De geliefde die wel of niet blijft

    De geliefde die wel of niet blijft

    Wat is een allesverzengende liefde waard in een wereld die ten onder dreigt te gaan aan onverschilligheid ten aanzien van de natuur. Voor Yentl van Stokkum lijkt het een samengaan van twee grootheden, de liefde en onze natuurlijke omgeving. Ze vertaalt deze in dichtvorm zodat de verbinding goed voelbaar is, alsof het een niet zonder het ander kan bestaan. Liefde betekent vooruit voelen, de verwachting aanwakkeren van een toekomst vol passie en romantiek. Natuur staat in de achteruitversnelling, een aankondiging van afbraak die ons te wachten staat als er niets gebeurt om het tij te keren. Van Stokkum weet beiden te verwoorden als een onlosmakelijke twee-eenheid, de tegengestelde richting draagt juist bij aan de boodschap die ze hiermee afgeeft. In het eerste gedicht wordt op luchtige wijze een introductie gegeven:

    ‘alles wat volgt is een leugen
     til niet te zwaar

     (taal is niet gemaakt om te dragen haha)

     maar liefste dit is waar wij zijn begonnen
     midden in de pit van een zonsondergang

     (vermoeide zucht)

     warm en koel tegelijk
     daar gaan we
     terwijl het verdwijnend licht de vingers
     over jouw ruggengraat laat lopen’

    Het is de aankondiging van een naderend einde. De dichter praat onafgebroken tegen en over een geliefde, waarbij ze langzaam lijkt toe te werken naar een onvermijdelijke scheiding. Er worden oorzaken gezocht, verontschuldigingen gemaakt en twijfels geuit, maar het afscheid hangt al vanaf het begin in de lucht. Een afscheid dat verdrietig maakt en tegelijkertijd als een rationele transactie ondergaan lijkt te worden.

    Complex bouwwerk

    En ook de natuur moet eraan geloven. Van Stokkum stapelt het liefdesdrama laag voor laag op, afgewisseld met het natuurlijke verval. Er ontstaat een complex bouwwerk dat gestut door een zoekende toon overeind blijft. De stijgende zeespiegel, afbrokkelende ijskappen, weersextremen, alle vormen van kwetsbaarheid in de natuur worden aangehaald en in verband gebracht met de breuk in een liefdesrelatie.

    ‘maar even hè heb je de bomen zien buigen
     heb je gezien hoe een heel bos kan buigen
     we zijn nog niet in het stormseizoen beland
     voor het gemak vergeet ik wat moet komen
     druk een gebed op jouw schouder
     het weer slaat om

     niet ik die al het morgenrood de hemel in spuwt
     asdeeltjes maken zich los uit mijn longen
     schillen van granaatappelpitjes en de stelen van kersen
     die ik opknoopte met mijn tong
     ik laat alles los’

    De gedichten slingeren zich schijnbaar onafgebroken over de pagina’s. Een relaas op zoek naar een uitlaatklep. Er is geen interpunctie, er zijn geen beginkapitalen en de lange titels houden het midden tussen een aankondiging en een eerste regel. Het is de voortstuwende gedachtegang die de worsteling van het moment goed weergeeft. De dichter gebruikt deze vorm doeltreffend, een onheilsboodschap om het einde in te luiden.

     Tuurlijk had ik hem graag gehouden 

     al was het maar voor de fluorescerende nachten
     waarin hij me vastpinde in bed
     de zon ging maar niet onder
     ik had het amper in de gaten
     ik lette niet op die giftige gloed
     zelfs de vogels waren stil

     hij pelde mijn benen uit elkaar twee sinaasappelpartjes
     en al dat vocht hij likte het op en ik had hem graag gehouden
     ook al kende ik onze houdbaarheidsdatum alleen ik
     hield die in de gaten ik telde
     onze dagen
     het zou kunnen dat ik liever niets aan toeval overlaat

     Natuur en mensheid

    De onstuimige intimiteit valt samen met de benoeming van alles wat er fout gaat in onze natuurlijke omgeving. Van Stokkum weet die grootheden prachtig te combineren en tot één boodschap te vervlechten. Het is indringend door de doorlopende urgentie, het ritme in de taal en de genuanceerde wisselwerking tussen het strikt persoonlijke en de algemene deler, de natuur. 

    Dat samenvloeien zorgt tegelijkertijd voor het allergrootste contrast die deze bundel zo sterk maakt. De grootsheid van de natuurlijke omgeving versus de nietige positie van de mens daarin. Het levert een spanningsveld op waarin de liefde balanceert tussen aantrekking en afstoting, terwijl de dichter woorden probeert te vinden om dit liefdesdrama een plek te geven. Dat die plek in de eeuwigheid van de ons omringende elementen is te vinden is een prachtig gegeven. Liefde is allesomvattend, juist in haar bizarre kronkelingen, en is in deze gedichten op een prachtige wijze verbeeld.

    ‘de vissen die uitsterven maken mij minder verdrietig
     dan de dieren tegen wie ik aan wil kruipen
     en ik houd me meer bezig met mijn geliefde
     die wel of niet blijft (want iedereen weet dat geliefden net zo onvoorspelbaar zijn
     als het weer) dan met het watertekort dat op ons wacht’



  • Verontwaardigde grande dame

    Verontwaardigde grande dame

    Achtentachtig jaar en de pen nog steeds in de aanslag, dat is Judith Herzberg ten voeten uit. Met de bundel Sneller langzaam bewijst ze eens te meer dat inspiratie en gedrevenheid niet hoeven te lijden onder de ouderdom. Zestig jaren zijn er inmiddels verstreken tussen haar debuut Zeepost (1963) en deze nieuwe bundel, een tijdperk boordevol poëzie, maar ook proza, theater- en filmteksten.

    In die zestig jaar is Herzbergs stijl verfijnder en puntiger geworden, terwijl de haast nonchalante bescheidenheid nog steeds aanwezig is. In een recent interview met de Volkskrant (januari 2023) betoogt ze: ‘Niks van wat ik schrijf is echt waar. Je kunt het niet terugbrengen tot de werkelijkheid. Het is allemaal gestolen. Het is toeval, het is toevallig waar je tegenaan loopt.’

    Engagement

    Toeval of niet, het engagement piept overal tussen de regels door. Bijvoorbeeld in het gedicht ‘Gêne’

    ‘Vind dit nog steeds veel te vrijblijvend
    rijm, sta me nog even bij help
    de gêne van de hoge woorden
    te vermijden help te helpen
    doen begrijpen.

    Onvrijheid dreigt concreet.
    Mijn overhaaste hartslag
    blijft mij, dus ons, laksheid
    verwijten. Mij, die in de tijd
    herkent wat was, toen
    aan den lijve.’

    De terughoudendheid in de eerste strofe, met het subtiele binnenrijm van de ij-klank (vrijblijvend, rijm, vermijden, begrijpen) slaat in de tweede strofe om in een haast verontwaardigde toon. Het is de ‘concreet dreigende onvrijheid’ die de dichter doet herkennen ‘wat was, toen aan den lijve’. De verwijzing is duidelijk: in de Tweede Wereldoorlog als kind ontsnapt aan het transport naar de vernietigingskampen zat Judith Herzberg vervolgens jarenlang in de onderduik. Ervaringen die hebben geleid tot dichtwerk dat vaak doordrongen is van zaken als vrijheid, rechtvaardigheid en menselijkheid. Iedere vorm van onrecht wordt veroordeeld, aangepakt in goedlopende verzen waarin de betekenis altijd herkenbaar is. Ook als het gaat over iets bescheidens als de gehakte damesschoen weet Herzberg haar afwijzing genuanceerd over het voetlicht te brengen:

    ‘Dames!

    We geven toe
    aan dwang en leer
    de voet, gehoorzaam
    aan de schoen
    laat zich
    in vreemde
    vormen dwingen
    maar toch niet
    álles
    met zich doen.’

    In de ritmische opbouw met korte zinnen toont Herzberg haar poëtisch vernuft. Het zijn de terloopse, alledaagse onderwerpen die ze een podium geeft en op doortastende wijze in een vorm giet. Er zit een soort vanzelfsprekendheid in deze werkwijze, alsof ze iets aanhaalt wat allang gemeengoed is, maar juist door de vorm weer opnieuw onder de aandacht wordt gebracht. En dat op volstrekt originele wijze. De lezer herkent de beschreven situatie maar wordt telkens weer verrast door de invalshoek die de dichter gebruikt. Hier wordt poëzie tot middel gemaakt: een manier om de wereld om ons heen uit te leggen en de schoonheid van de gewoonheid te benadrukken door een unieke taalbeheersing.

    Dronken

    Een avondje met overmatig drankgebruik staat aan de basis van het gedicht ‘Ladderzat’:

    ‘Dat wat ik voor een oogwenk houd
    waarin mij, nu het nét nog gisteravond is
    iets over vorig jaar vanuit de vreemde kast
    wordt toevertrouwd blijkt
    nu het alweer bijna
    morgenochtend wordt
    het kijken van twee ogengrote
    hars tranende kwasten
    in het verse hout.’

    Wakker worden in een vreemde kamer en de wereld in een ander daglicht zien, dat is voor de dichter een nieuwe ervaring die een eerdere herinnering corrigeert. Net als in de meeste gedichten is hier te zien hoe Herzberg, met een minimum aan interpunctie, het enjambement beheerst. De trefzekere regelafbreking zorgt voor een stuwende werking die het gedicht, regel voor regel, naar het verrassende einde duwt. Een einde dat herkenbaar is in vrijwel alle gedichten van Herzberg, het is een uitkomst die de lezer op het goede of juist op het verkeerde been zet.

    Het al eerder genoemde engagement is een opvallend kenmerk in deze sterke bundel. Een betrokkenheid die zich het meest uit in verontwaardiging over misvattingen die volgens Herzberg rechtgezet dienen te worden. Of het nu gaat om bedreigde dieren, een ingelijst schilderij, een weerbarstige dekbedhoes, de dichter lijkt een missie te hebben om grote en kleine zaken aan de kaak te stellen en er haar visie op los te laten.

    Ook de liefde ontkomt niet aan Herzbergs verontwaardiging. Het alom gevierde liefdesgedicht ‘The more loving one’ van W.H. Auden is een volgend doelwit dat aangepakt moet worden. Dat gebeurt in het prachtige ‘Ging hij daar prat op’:

    ‘”If equal affection cannot be
    let the more loving one be me.”
    Ging hij daar prat op of hoe zat dat
    eerlijk en edel leek het me
    niet eens zo lang geleden
    nu denk ik: waarmee laadt hij
    de ander op, degene die
    zo’n grote voorraad
    nog niet heeft opgeslagen
    en dat krijgt opgeplakt:
    “less loving one” moet heten
    alsof het meetbaar was.’

    Zo wordt een hartstochtelijke liefdesverklaring die aanvankelijk ‘eerlijk en edel’ leek, omgezet in een aanklacht tegen de meetbaarheid ervan. En tegelijkertijd een bedekte aanval op het haantjesgedrag van de dichter. Als Judith Herzberg die scherpte, in combinatie met haar verfijnde taalbeheersing, overeind weet te houden, valt er hopelijk nog jarenlang van deze dichter te genieten.

     

     

  • In memoriam Martin Amis (1949-2023) – Het begin van de literatuur

     

    We schrijven 1984. Mijn lezen ontwaakt en neemt in korte tijd een supersonische vlucht. De eerdere middelbare school-leesverplichting heeft geen post gevat en is te verwaarlozen als tijdverdoen en tegendraads plichtverzuim. Maar bij aanvang van de studie verandert er iets en breken nieuwe tijden aan. Ik begin te lezen en verzamel wild om me heen de klassiekers waarvan ik onbewust weet dat ze van waarde zijn voor de basis van een ontluikende leeshonger. Couperus, Mann, Reve, Salinger, Hermans, Tolstoi, alles lijkt aan bod te kunnen komen en verhuist van de tweedehandsboekwinkel naar mijn langzaam groeiende boekenkast. 

    Een vriend leent mij de pas uitgekomen editie van Money van de jonge Engelse auteur Martin Amis met de niet mis te verstane aanbeveling: ‘Dit móét je lezen’. De ondertitel A Suicide Note stuurt de onwetende lezer al in een bepaalde richting, maar na de eerste tien overrompelende bladzijden is het hek van de dam. Dit is totaal anders dan ik tot nu toe heb gelezen. Dit is dynamisch, het is snel, hard, confronterend, absurdistisch, cynisch, maar vooral uiterst meeslepend. 

    Schrijversnest

    Martin Amis komt uit een schrijversnest waar zijn vader, gelauwerd schrijver Kingsley Amis, een overheersende rol speelde. Geen ideale omstandigheden voor een jonge schrijver die, op zoek naar erkenning, vooral afwijzing op zijn pad vindt. Kingsley oordeelt over Money met de scherpe woorden: ‘Breaking the rules, buggering about with the reader, drawing attention to himself.’ Daar kan je ’t dan mee doen. Toch is Amis op latere leeftijd mild gestemd over zijn vader en ziet hij veel overeenkomsten: ‘We schrijven allebei in de komische, satirische traditie, waarbij je in een verheven stijl schrijft over relatief triviale zaken.’

    Money leest als een wervelwind. Zelfs in de geweldige Nederlandse vertaling van Guido Golüke (Geld, 1986) blijft Amis’ gedreven stijl en bijzondere woordkeus glashelder overeind. En inderdaad, hij laat zijn hoofdpersoon John Self als het zelfdestructieve ik-personage direct praten tegen de lezer (‘Hoe denk je dat ik me voel? O man, soms voel ik me een aangereden kater als ik wakker wordt’…). Het is een gemeenschappelijke reis, waarbij wij soms als voyeur en dan weer als actieve medestander het boek in worden getrokken. John Self is reclameman en vliegt naar New York om een film te maken, gefinancieerd door obscure geldschieters. Self is een opportunist van de eerste orde, geld maken is zijn grootste passie en geld uitgeven aan alcohol en porno zijn favoriete bezigheid. Hij is vrijwel altijd dronken en – zo goed als het gaat – druk bezig om het volgende schip met geld binnen te halen met deze blockbuster speelfilm. In New York wordt hij belaagd door verlopen acteurs en andere duistere types die van alles van hem willen. Hij wacht op de grote doorbraak maar gaat langzaam ten onder in een zelfgecreëerde wereld vol geweld, bedrog, overspel en bedreigingen. 

    Opportunistische hoofdpersonen

    Amis houdt van opportunistische hoofdpersonen in zijn romans. Die kan hij laten doen wat hij wil én wat ze zelf willen. In zijn debuutroman The Rachel Papers (1973) hoopt de aandoenlijke opportunist Charles Highway vóór zijn twintigste verjaardag met het meisje van zijn dromen in bed te belanden. Hij voert zijn verleidingskunsten systematisch uit, compleet met draaiboeken en uitvoerige computercharts. Een frisse eerste roman waarin Amis zijn pen slijpt om tot zijn kenmerkende, sublieme dialogen te komen. 

    Na Money volgen meer romans waarin de hoofdpersonen een buitensporig eigenbelang niet uit de weg gaan. Het is vooral de klungelige en onbehouwen manier waarop dat wordt omgezet in daden. In London Fields (1989) is het kleincrimineel Keith Talent, in The Information (1995) zijn het de getormenteerde schrijvers Gwyn Barry en Richard Tull en in Yellow Dog (2003) de acterende gangsterzoon Xan Meo. Tussen al deze karakteristieke antihelden verschijnt in 1991 de roman Time’s Arrow. Hierin slaat Amis een compleet andere weg in. Hij schrijft het verhaal van nazi-dokter Odilio Unverdorben (Amis is een meester in het bedenken van namen) in vernietigingskamp Auschwitz. Niet in de gebruikelijke chronologische volgorde maar in volledig omgekeerde vorm.

    Het boek begint met de ouderdom en dood van de hoofdpersoon en loopt vervolgens door naar diens geboorte. Alle gebeurtenissen en zelfs de dialogen worden achterstevoren verteld door een fictieve verteller die ook als geweten kan worden gezien. Gevangenschap gaat over in vrijheid, de dood evolueert in nieuw leven, het absolute kwaad leidt tot de onschuld waaruit het is voortgekomen. De verschrikkingen van de concentratiekampen worden nog gruwelijker in deze wonderlijke vorm. Het geheel heeft een huiveringwekkend effect op de lezer.

    Drie pijlers van hedendaagse Britse literatuur

    Naast vijftien romans publiceert Martin Amis ook een reeks essays en non-fictieboeken. Boeiende uitgaven over Amerika, de Holocaust, het Stalin-regime, de 9/11 aanslagen, islam vs. islamisme, enzovoort. Amis heeft altijd een vinger aan de pols gehouden, zowel van de geschiedenis als van de actualiteit. In kranten en andere media is hij regelmatig aanwezig met een uitgesproken mening die vaak tot hevige polemiek leidde.

    Eén van de drie pijlers in de hedendaagse Britse literatuur is omgevallen. De twee overgebleven generatiegenoten Ian McEwan en Julian Barnes zetten hun werk nog even voort. Martin Amis nam afscheid op 73-jarige leeftijd. Hij verruilde het tijdelijke voor het eeuwige als schrijver met ‘een verheven stijl over triviale zaken’ en laat een oeuvre na dat op volstrekt eigenzinnige en onnavolgbare wijze tot stand is gekomen.

     

     

  • Voortrazende realiteit

    Voortrazende realiteit

    In de verontrustende en duistere tijden waarin we leven is de blik van de dichter van grote waarde. Niet door het opgeheven vingertje, maar door een confronterende verbeelding die de actualiteit scheef trekt als de rechte lijn van de werkelijkheid niet meer voldoet. Zo ook in de bundel Het gelijk van honderd tegelijk zingende bossen van Pieter Boskma. De kloeke uitgave bevat 153 pagina’s met een indringende serie verzen over onze ‘condition humaine’. Verzen die in een nauwelijks bij te houden tempo aan ons voorbijtrekken:

    ‘Al lijken de dagen van het bloedvergieten ver,
    achter elke boom wordt een vlindermes geslepen.
    Het zwarte boek van oorlog wordt maar zelden
    dichtgeslagen, altijd steekt wel een vinger

    tussen de pagina’s van een vaderlandse nederlaag
    die gewroken moet. Wellust en wanenstrijd, bepaald
    geen feestje voor de kalmte, waar bleef de reddende engel
    in zijn boerenbont, genderneutraal profeetgewaad?’

    Barokke kwatrijnen

    Boskma is een verhalende dichter die de uitbundigheid en overdrijving niet schuwt. In zijn regels is duidelijk de ziel van de – mede door hem opgerichte – dichtersgroep Maximalen te herkennen. Deze club zette zich eind jaren tachtig af tegen het minimalisme in de dichtkunst; het ‘figuurzagen van fletse stillevens’ werd door hen de grond in geboord door een luidruchtige en overdadige poëzie, waarin de werkelijkheid in vele vormen en associaties de wereld in werd geslingerd.

    Dat is Boskma niet verleerd. In zijn barokke kwatrijnen ligt het absurdisme, vermengd met een bijtende ironie, overal op de loer. De zogenaamde verteller bevindt zich in de vrije natuur en al wandelend door het bos leegt hij zijn hoofd in een onafgebroken gedachtestroom. Alles komt voorbij in de meest uitzinnige samenstellingen: pornotheken, eigennestbevuilers, MeToo’tjes, deepfake, kadaverknagers, mengbloedkroost, broeikasmolochs, voetvolkgejodel. Met zijn ratelende zinnen neemt de dichter de samenleving op de korrel. Zwartgallig en lichtvoetig tegelijk, de voorgehouden spiegel is confronterend, maar de ingebakken humor maakt deze gedichten meer dan draaglijk.

    Cynische oaseberichten

    De kwatrijnenreeksen staan onder de titel ‘Oaseberichten’ door de bundel verspreid. Dat is cynisch bedoeld, helemaal in de stijl van Boskma’s dichtwerk. Deze verzen benoemen als boodschappen uit onze gemeenschappelijke oase, ons collectieve toevluchtsoord waar rust en regelmaat zouden moeten heersen, is een contrast dat de lezer in eerste instantie op een verkeerd been deze bundel in trekt:

    ‘Schaarser de lichtbrengers, dazer de zwartkijkers
    en de azijnpissers over de kinderbloed drinkende,
    elk wezen met een opening verkrachtende elite
    in de kronkelkrochten van de algoritmefuik.

    Ja, lieve kinderen, zo was het ooit in de wereld,
    schrik maar niet te hard want die tijden hebben we gehad.
    Heden lepelen dichtersvorsten dikke ballen uit de soep,
    van vleesvervangers hoor, de carnivoor is uitgestorven –’

    Dode schrijversvrienden

    Het voortrazende tempo waarmee de dichter zijn licht op de realiteit laat schijnen, wordt op een aantal plekken onderbroken door een gedicht onder de verzamelnaam ‘Intermezzo van de dood’. Hier worden de schrijversvrienden van Boskma geëerd die in de afgelopen jaren zijn overleden. De bijzondere in memoriams vormen een subliem rustpunt in de hectische wereld die in de Oaseberichten wordt beschreven. Het is een constructie die de samenstelling van deze bundel tot een hoogtepunt maakt.

    In het vierdelige vers voor Joost Zwagerman is de verontwaardiging over diens zelfmoord voelbaar: ‘Je verdiepte je hardnekkig in de zelfgezochte dood,/ dat houdt niemand vol. Het einde gaat dan wenken/ als een wit verlichte vriend die je de stilte in zal leiden./ Wie te vaak denkt aan eigen hand gaat door eigen hand.’

    Ter nagedachtenis aan de in 2021 overleden dichter Hafid Bouazza volstaat een uitgebreid kroeggesprek waarin vooral het geheugen van de beide dichters het laat afweten. De conversatie is hoorbaar gedrenkt in alcohol en vol wederzijdse misvattingen.

    Het sluitstuk van de bundel is een in memoriam voor Remco Campert onder de noemer ‘Epiloog van de dood’. Boskma vermengt een aantal bijzondere kenmerken van de overleden dichter met frasen uit diens poëzie. Het resultaat is een wonderschoon en intiem naschrift dat recht doet aan Campert en tegelijkertijd deze bundel op een monumentale manier afsluit:

    ‘Dichter

    Een sprietje gras dat door een stoeprand breekt,
    ongezien vertrapt door velen, maar de enkeling
    leunt op zijn wandelstok voorover,

    ziet de wilde manen van verschoten kameraden
    recht uit de oorlog langs de Seine wapperen,
    een volmaakt bevrijde dinsdagmiddag in april,

    en voelt de tijger in hem altijd nog de klauwen uitslaan
    naar een lyriek waarin een opgewonden standbeeld
    vliegen kan, en man en muis de profetie beamen:

    “Dichter? Dichter gaat niet dood.”

    Misschien omdat hij al die jaren nauwelijks verouderd is
    en het doek blijft weigeren over zijn stem te vallen,
    misschien omdat toch ooit één profetie uitkomen moet,

    opdat altijd weer langs het lange smalle water,
    altijd weer in ontketend lentemiddaglicht,
    altijd weer zijn rimpelloze zang weerklinken zal,

    en dat die altijd maar, oh
    dat die voor altijd… En hij richt zich
    langzaam op en loopt vlug weer door.’

     

     

  • Fotosynthese 28 – Een kopje thee van mevrouw Sonneveld

    Fotosynthese 28 – Een kopje thee van mevrouw Sonneveld

     

    Klik op de foto zie de achtergrondfoto in zijn geheel


    Donkere wolken boven het centrum van Rotterdam. Het is 14 mei 1940, twee uur in de middag. Een half uur eerder is het allesvernietigende bombardement begonnen, waardoor de oude binnenstad grotendeels is weggevaagd. Wonderlijk dat zoveel destructie in zo’n korte tijd, niet meer dan veertien minuten, plaats heeft kunnen vinden. Het Duitse bommentapijt zorgt vooral voor grote branden en een verstikkende rookontwikkeling. Als de bommenwerpers zijn verdwenen, zal het nog dagen duren voor deze vuurzee kan worden bedwongen.

    Mensen die de brandende hel overleven en weten te ontvluchten, al dan niet met in de haast bijeengeraapte bezittingen, verzamelen zich op de open vlakte aan de westzijde van het centrum. Het is de dichtstbijzijnde plek om de overweldigende hitte te ontlopen, op slechts tweehondervijftig meter van de brandgrens. Met een blik op de enorme rookwolken wacht men in onzekerheid af op wat komen gaat. Gezinnen zitten bij elkaar, buren zijn opgelucht elkaar te zien – het zou zomaar een aangename bijeenkomst kunnen zijn, ware het niet dat onder de inktzwarte wolken de stad met de grond gelijk is gemaakt.

    Die open vlakte wordt een veilige plek voor honderden getroffenen. Het zogenaamde Land van Hoboken ligt midden in Rotterdam. Ongeveer achtenvijftig hectare weiland tussen de Nieuwe Binnenweg en de Westzeedijk. Het landgoed is sinds het begin van de negentiende eeuw eigendom van de familie Hoboken, een geslacht van rijke scheepvaartondernemers. Aan de kant van de Westzeedijk staat Villa Dijkzigt, het woonhuis van de familie – het huidige Natuurhistorisch Museum. De stad Rotterdam heeft zich door de jaren heen om het Land van Hoboken heen gekruld, omdat de familie lange tijd weigerde het landgoed aan de gemeente te verkopen. Een stuk polderland omringd door stedelijke bebouwing, de steeds meer uitdijende stad die pas op de plaats moet maken voor een groene plattelandsoase. In de lente ziet men vanuit de huizen aan de Westersingel de lammetjes door het gras huppelen, in de zomer hoe de pachtboer zijn hooi binnenhaalt.

    Pas in 1924 bereiken de gemeente en de familie Hoboken toch overeenstemming over de verkoop en wordt begonnen aan een stedenbouwkundig plan om het gebied met de omringende stad samen te laten vloeien. Allereerst is er de bouw van Museum Boymans van Beuningen aan de grens van het gebied. Het plan voor de rest van het openliggende terrein kost veel tijd, wordt lang onderbroken door de oorlogsjaren en wordt pas echt in gang gezet vanaf 1955.

    Aan de rand van dit wondelijke stadslandschap wordt in 1932 Huis Sonneveld gebouwd (op de foto de lichte villa, centraal in het beeld). Als mededirecteur van de Van Nelle fabriek heeft Albertus Sonneveld zijn oog laten vallen op deze plek om zijn woonhuis te laten verrijzen. Onder de indruk van de nieuwe, modernistische architectuur van zijn fabriek laat hij architecten Brinkman en Van der Vlugt ook een ontwerp maken voor zijn privéwoning. Het hagelwitte bouwwerk is een state-of-the-art villa die geheel in de stijl van het Nieuwe Bouwen wordt gerealiseerd. Voorzien van de modernste snufjes, door Albertus opgedaan tijdens zijn zakenreizen door Amerika, zoals ingebouwde geluidsapparatuur in alle kamers, een luxe badkamer met massagedouche en alle meubels speciaal vervaardigd door de firma Gispen. De achterliggende tuin is op maat gemaakt zodat de glanzende Cadillac ’s morgens door de chauffeur gemakkelijk uit de garage gereden kan worden.

    Als mevrouw Sonneveld op die bewuste dinsdagmiddag in 1940 uit het raam kijkt, ziet ze de eerste vluchtelingen in het weiland neerstrijken. Achter het huis brandt de verwoeste stad en ze weet inmiddels dat het bombardement is gestopt en de villa Sonneveld mogelijk gespaard zal blijven. Ze roept het dienstmeisje en geeft opdracht ‘die arme mensen’ voor het huis een kopje thee te schenken. ‘Maar niet in het dure servies’. Er is natuurlijk geen beginnen aan. De toestroom van mensen is té groot. 

    Enkele tienduizenden Rotterdammers zijn na het bombardement op slag dakloos en dit aantal loopt binnen een paar dagen op tot vijfenzeventigduizend. Het grootste deel vindt nog dezelfde dag onderdak in de omringende wijken en dorpen, bij familie, bij kennissen of bij vreemden. Hier en daar moeten gezinnen één nacht in de open lucht doorbrengen om daarna al snel ergens terecht te kunnen. De gemeente Rotterdam hoeft slechts op enkele plaatsen noodopvang te realiseren. 

    Ter Apel 2022 – opnieuw hebben honderden mensen zich verzameld op een randje gras. Ditmaal niet voor een villa, maar voor het COA aanmeldcentrum. Hier zal de nacht weer doorgebracht moeten worden door vluchtelingen die zich door het overvolle centrum nog niet hebben kunnen aanmelden als asielzoeker. Het overgrote deel komt uit gebieden waar ze geen zekerheid hebben over hun eigen veiligheid of de veiligheid van hun dierbaren. De wereld van deze mensen is gekrompen tot de vierkante meter waar ze nu op verblijven. Overgeleverd aan de wispelturigheid van de politieke besluitvorming. Ook hier zal een kopje thee geen wonderen doen. Wat medemenselijkheid wel.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • Donkerte met een klein lichtpuntje

    Donkerte met een klein lichtpuntje

    Overrompeld worden door eigen gedachten. Dat is wat Alicja Gescinska (1981) lijkt te overkomen in de bundel Trojaanse gedachten. De Pools-Belgische filosofe en dichteres grijpt de mythologie aan om te laten voelen hoe sterk deze plotselinge stroming kan zijn. Na de overrompeling wordt ze meegevoerd op de inwendige golven van het gemoed – als gevangene in haar eigen hoofd. ‘Gewapend met witte vlaggen en olijftakken / Beginnen de vijandigheden // Het houten paard in mij barst open / Op zelfhaat bedachte woorden breken uit’. Met de metafoor van de uitgekiende aanval op de Trojanen toont Gescinska hoe haar hoofd wordt gevuld met onaangekondigde gedachten die ze vervolgens als gedichten vormgeeft. De sfeer is gespannen, er is sprake van strijd tegen gevoelens die als onzichtbare elementen in de weg staan. De worsteling komt voort uit onzekerheid, wanhoop en het verlangen naar liefde.

    Overlevingsdrang

    De zes delen die samen deze bundel vormen zijn opgebouwd rondom thema’s als: de zoektocht naar identiteit, het verlies van dierbaren, liefdesperikelen en de vergankelijkheid van het leven. Stuk voor stuk gemeenplaatsen waar iedere lezer zich in kan herkennen – voor de dichter een uitdaging om in woorden om te zetten.

    ‘Na een lange stilte

     Ik ben het dichten verleerd,
     Vervreemd van de taal die ik ben,
     Een banneling van mijn gedachten.

     Ik zet me aan de woorden
     Om mezelf weer op te eisen,
     Overlevingsdrang die haar wonden likt.

     Ik schrijf niet, maar boetseer
     Mezelf weer tot een vorm
     Waarin ik me herkennen kan.’

    Met ‘de taal die ik ben’ doelt Gescinska ongetwijfeld op haar Poolse afkomst. Het uitdrukken in een nieuwe taal betekent niet dat de oorspronkelijke woorden verdwijnen. In het diepe gat tussen die twee werelden verwordt ze tot een ‘banneling van mijn gedachten’. Er is zelfs sprake van overlevingsdrang maar de taalscheiding blijft van grote invloed op de dichteres. Ze eindigt dit vers met ‘en ben ik van mezelf verstoten thuis’.

    Strijd en geweld

    Opvallend zijn de vele verwijzingen naar strijd en geweld. Met woorden als lijkenlucht, flankaanval, veldslag, kogelbaan, kustartillerie, schutkring en bolwerk probeert Gescinska haar onmacht in de beschreven onderwerpen in een tragische, haast brute vorm te dwingen. Die onmacht komt terug in ieder thema, van het verlies van een liefde, de verwarring over identiteit tot de dood van een familielid. Het is wat veel donkerte in Trojaanse gedachten, het maakt zeker niet tot een opbeurende bundel.

    ‘Danse macabre

    Wanneer ik klaar zal zijn met dansen
    Zullen ze me de benen ontnemen,
    Met niets dan misprijzen voor wie ik was.

    Een nekschot voor mijn soepele heupen,
    De strop om mijn sierlijke handen,
    Een fusillade en face als grande finale.

    Ter plaatse blijf ik op bevel bewegen,
    Al hoor ik geen muziek in hun hoongelach
    En ben ik nauwelijks nog mens.

    Onverschillig glimmen ze van trots en schande
    In hun superieure matte uniformen,
    In een kring voor mij bestemde kogels.

    Zodra ik mijn handen laat zakken,
    Worden de geweren aangelegd
    En verdwijn ik met de laatste kracht uit mij.’

    Gescinska schrijft haar gedichten in een eenvormige stijl. Door iedere versregel consequent met een beginkapitaal te beginnen, lijkt het alsof er telkens een nieuwe start gemaakt wordt. Met een minimum aan interpunctie en slechts hier en daar gebruikmakend van enjambement is er geen soepele doorloop in de verzen. De regels vormen zo een opeenstapeling van indrukken die de leesbaarheid niet ten goede komt.

    Hoopvol scenario

    Maar er sijpelt naast alle somberheid ook wat liefde en zachtheid door deze bundel. Kleine lichtpuntjes die de sfeer niet meteen luchtig maken, maar de lezer toch optimistisch stemt. In het gedicht ‘Zeestraat’, aan het einde van de bundel, wordt een bestendige relatie beschreven. Gevat in een prachtige metafoor weet Gescinska tussen alle twijfel toch een hoopvol scenario te schetsen. Gelukkig maar.

    ‘Uit mijn derde oog ontsnapt een traan,
     Van geluk en verdriet en het zijn.

     Ik kijk naar de landkaart van ons bestaan
     En zie ons samen liggen in gedeelde jaren,
     Omgeven door een zee van vroeger
     En sombere golven van wat komen zal.

     Toen ik ooit een eiland was,
     En mijn gebroken gedachten een archipel,
     Vormden je armen een zeestraat
     Tussen wie ik was en wat ik wilde zijn.

     Je zei dat schoonheid geen grenzen kent.
     Ik zwom in jou naar ons toe.

     In de deining van je oksels
     Lagen mijn woorden, ingehouden
     Woest rollend tot het vasteland
     Waar vrede in wijsheid woont.

     Daar stond je in mijn horizon.
     Je handen diepe schelpen
     Waarin het zoute water minzaam zei:
     Jullie zijn een continent in wording.

     

  • In memoriam Remco Campert 1929 – 2022


    Terwijl de kranten openen met paginalange artikelen over het leven en werk van Remco Campert – stukken die al jaren klaarliggen – bekijk ik opnieuw de documentaire Verloop van jaren uit 2016. De dan 86-jarige dichter vertoont zich in alle openbaarheid, de broosheid van zijn gestel is aandoenlijk en soms haast dramatisch om te zien. Het meest opvallend is de vanzelfsprekendheid waarmee hij, ook in deze hoedanigheid, zijn levenslust uitdraagt en daarmee ook de overtuiging van zijn schrijverschap. De film begint met beelden van een ochtendritueel en de wat aarzelende stem van de dichter daaroverheen.
    ‘Ik kan in bed blijven liggen en denken ik sta nóóit meer op. Maar dat heeft natuurlijk geen zin dus stap ik er moedig uit. Sleep me met enorme tegenzin naar de schrijfmachine en typ een paar woorden. En dan ben ik overeind.’

    Campert was een kunstenaar die zich verstopte in zijn werk. Die eigenlijk niets te melden had. ‘Hij zegt heel weinig, hij heeft nooit een verhaal’, zegt zijn levenspartner Deborah in de film, ‘alles zit in zijn schrijven’. Tegen zijn puberende dochter schijnt hij ooit gezegd te hebben: ‘Als je me wil leren kennen, lees je mijn gedichten maar’. Een man gevangen in woorden, maar dan vooral in zijn eigen geschreven woorden. Erover praten vond hij lastig, interviews deed hij het liefst niet. Hij noemde zichzelf ‘egocentrisch’, volledig gefocust op het schrijfwerk. De onstuitbare drang om letters op papier te krijgen is zowel zijn levensadem als ‘gewoon’ zijn dagelijks werk.

    ‘Wie bouwt aan zijn kunst
     vernietigt zijn huis
     vindt geen slaapplaats meer
     geen veiligheid geen wekker
     geen lamp om bij te lezen.’

    De Vijftigers

    Als 20-jarige wist Remco Wouter Campert aansluiting te vinden bij de dichters van het moment. Met Vijftigers als Bert Schierbeek, Gerrit Kouwenaar en Lucebert voelde hij zich verwant en hij stortte zich in het bruisende culturele leven rondom het Leidseplein in Amsterdam. Als jongste lid was hij de minst experimentele van de groep, hij keek op tegen de grote mannen, maar in zijn poëzie is hij helderder en meer uitgesproken dan de anderen van de groep. Begin jaren zestig publiceerde Campert zijn eerste romans, zoals Het leven is vurrukkulluk en verhalenbundels als Alle dagen feest. Het zijn deze pennevruchten waarmee hij een groot publiek bereikte, net zoals met zijn latere columns, maar de dichter in hem heeft altijd de bovenhand gevoerd.

    Net zoals bij zijn schrijvende tijdgenoten is de jazzmuziek van grote invloed op Camperts dichterschap geweest. Hij zwolg in de opzwepende klanken van Charlie Parker en de fluisterzoete stem van Chet Baker. Het is onmogelijk om zijn poëzie los te zien van die invloeden. De impulsieve ritmes, de onnavolgbare melodieën, alles staat in het teken van een unieke uitdrukkingskracht.

    ‘Deze vreemde ontroering
     die poëzie is
     wantrouw ik niet meer
     dat hebben mij geleerd
     de jazzmusici
     de wereld swingt als de pest
     de rest
     is gemompel van bedelaars.’

    En dan is er de vader-kwestie. Dichter en journalist Jan Campert verlaat zijn vrouw en kind als Remco drie jaar is. In 1943 verdwijnt hij voor de tweede keer, voorgoed. Hij sterft in concentratiekamp Neuengamme, zijn zoon heeft hem amper gekend. Die schaduw lijkt de dichter zijn hele leven te achtervolgen, het vormt zijn persoonlijkheid en vooral zijn schrijverschap. Weggaan, afscheid nemen, op zoek zijn, de overgebleven eenling die geen andere mogelijkheid ziet dan zijn leven in woorden te vatten.

    ‘Altijd verdween ik
     dat stak ik van mijn vader op
     volgde harteloos mijn hart
     verliet vrouw kinderen huizen steden
     onbesuisd op zoek naar een onbegaand pad’

    Vergankelijkheid en eindigheid

    Bijna als vanzelf is ook de dood een terugkerende verschijning in zijn gedichten. Vergankelijkheid en de eindigheid van het leven zijn onderwerpen die telkens opduiken in of tussen de regels. Nergens dramatisch, meestal ironisch en een enkele keer met een vlijmscherp cynisme. 

    ‘ha die dood
     die me mijn hele leven vergezelde
     trouwe vriend
     van wie ik nu afscheid neem’

    Terug naar de documentaire Verloop van jaren. De oude dichter scharrelt rond in zijn werkkamer, grijpt naar beschreven vellen papier en drukt onvast met een enkele vinger op de toetsen van zijn schrijfmachine. Sigaret in de mondhoek. Weer een dag. Eerst een uurtje schrijven en vanmiddag aan de scrabble met Deborah. Met een glaasje rood. Tegen de camera verzucht hij: ’Schrijven is leven, als ik daarmee ophou ben ik er niet meer.’

     

     

  • Verplichte kost voor viruswappies

    Verplichte kost voor viruswappies

    De tijd waarin lockdowns en versoepelingen elkaar afwisselen lijkt voorbij, terwijl het coronavirus een ellendige gast blijkt te zijn die niet van plan is te vertrekken. In een samenleving die zich steeds meer verzet tegen de opgelegde regelgeving is het nauwkeurig balanceren tussen het gewenste en het noodzakelijke. Er ontstaat weerstand, wantrouwen en onverschilligheid als het gaat om ‘met z’n allen tegen corona’. De urgentie is verdwenen en zelfs nieuwe, onvoorspelbare virusmutaties worden met schouderophalen begroet. Het wordt steeds duidelijker dat het allemaal draait om de zorgsector: te weinig plek, te weinig ic-bedden, te weinig personeel. Een cruciale bottleneck in onze welvaartsmaatschappij. 

    Leo Hermens werkt aan het front van deze crisis. Hij is fysiotherapeut op de IC-afdeling van een ziekenhuis in het midden van het land. Daarnaast is hij schrijver en dichter met inmiddels drie dichtbundels op zijn naam. In het eerste coronajaar schrijft Hermens regelmatig op facebook over de toestand in het ziekenhuis en zijn ervaringen op de ic. Stukjes die de aandacht trekken door de openhartige toon en de bevlogen empathie. Teksten die voor veel lezers een onbekende wereld openen.

    Dat eerste coronajaar

    De reacties waren overweldigend. Er kwamen veel verzoeken om deze bijzondere woorden in een blijvende vorm te laten voortbestaan. Dat vond ook de kersverse uitgeverij Kwakman & Smet die er een kloeke, 176 pagina’s dikke bundel van maakte. In een flinke lettergrootte zijn Hermens teksten per maand geordend en krijgen we dat eerste, bizarre coronajaar in volle hevigheid weer voor onze kiezen. Het is de bijzondere pen en nuchtere blik van Leo Hermens die ons, met terugwerkende kracht, met de neus op de verwarrende en bedreigende feiten drukt. De eerste coronamaanden van 2020 beginnen met afstand houden en het aanleren van een nieuwe begroeting.

    ‘Hoe ingebakken is een handdruk. Symbool van goede bedoelingen en de afwezigheid van wapens. En hoe taboe. Mijn hand schiet al naar voren in een geconditioneerde reflex voordat ik hem terugtrek. Een hand met een eigen wil (…) 

    Ik ga een nieuwe gewoonte aanleren. Ik ga mij trainen in het namasté-gebaar. Altijd al mooi gevonden. Ik ga het niet zeggen, wel ga ik de handpalmen ter hoogte van mijn hart tegen elkaar houden met de vingers naar boven en dan een kleine buiging maken. Zonder oogcontact te verliezen.’

    Nieuwe looproutes, nieuwe instructies

    Vervolgens gaat Hermens dieper in op zijn dagelijkse werk in het ziekenhuis. Dat doet hij door telkens korte impressies te geven van de situaties waarin hij belandt op de verschillende afdelingen. Het ziekenhuis moet zich telkens aanpassen aan de omstandigheden: looproutes, nieuwe ingangen, waar mogelijk extra IC-bedden, een aparte corona-afdeling en doorlopend nieuwe instructies voor het personeel. Hij schrijft over zijn collega’s die, hoewel altijd professioneel, in een haast moedeloze depressie belanden die zo nu en dan in zuivere paniek uitmondt.

    ‘In de gang van de schone IC kom ik Ingrid tegen, verpleegkundige. Normaal is het hee
     en hoi en een grote glimlach. Nu staat haar gezicht strak.
     – Was je vanochtend beneden? vraag ik.
     Ze knikt.
     – En?
     – Ze gaan allemaal dood.
     Ik ga haar blik nooit vergeten.’

    De episodes over het ziekenhuis worden afgewisseld – soms ook vermengd – met stukjes uit de privésituatie van de schrijver. Het is een dramatische tweedeling, de wereld van de intensieve zorg tegenover die van het gezin, de supermarkt of gewoon op straat. Hermens laat zijn frustratie doorschemeren als de optimistische of argeloze buurman zijn caravan klaarmaakt voor de komende vakantie. Als hij op tv mensen hoort praten over het virus ‘dat niet meer dan een griepje is’ valt hij uit tegen het toestel.

    ‘Dat dringt nog niet door bij sommige mensen die op tv glunderend vertellen dat ze een goede gezondheid hebben en niet bang     zijn om ziek te worden. Dus ze zullen zich niet veel van de maatregelen aantrekken.
    Het gaat niet om jou, spreek ik hardop tegen. Jouw roekeloosheid heeft invloed op anderen, zoals ook jouw omzichtigheid.
    – Tegen wie heb je het? vraagt mijn dochter die de kamer binnenkomt.
    – Ach, zo een vent op tv.
    – Trouwens, als er een totale lockdown komt, ga ik bij mijn vriendje wonen, zegt ze.’

    Indrukwekkende registratie

    Het is de naadloze overgang tussen emotie en relativering, tussen opwinding en nuchterheid die de teksten van Hermens zo krachtig maakt. Dat is knap gedaan, omdat daarmee de ernst van het virus en de omstandigheden in de zorg op indringende manier duidelijk worden gemaakt. Zijn taal is helder en volledig ontdaan van overbodige franje. Zoals hij schrijft over de ‘draaiteams’, de verpleegkundigen die op zorgvuldige wijze de coronapatiënten-in-coma regelmatig moeten draaien, van buik op rug en omgekeerd.

    ‘Het is een groot, slap, verhit, bloot lichaam in al zijn weerloosheid. Bloter kan het niet, zo overgeleverd en onmachtig. Een organisme in buiklig dat stofwisselt. Chemie aan het werk, geholpen door de moleculen die er via slangen in gestopt en uit gehaald worden.’

    Maar de dood is het meest indrukwekkend in deze registratie van een periode vol onzekerheid, angst en tragiek. Het snelle overlijden van patiënten, van het ene op het andere uur, vaak zonder de nabijheid van familie, met alleen hardwerkende verpleegkundigen aan de bedrand. Dat maakt Vleermuis in het ziekenhuis tot een aangrijpend document dat, om het maar eufemistisch te zeggen, in zeer brede kring gelezen zou moeten worden. 

    ‘Familie is gebeld. Ze moeten snel komen want vader gaat overlijden. De intensivist en een verpleegkundige staan in hun beschermingspakken naast het bed van de man en doen het medisch noodzakelijke. Dat is niet veel meer. Ze waken vooral. Ze houden zijn hand vast en houden zijn rust in de gaten. De man overlijdt voordat de twee gezinsleden die mogen komen er zijn. De intensivist en verpleegkundige huilen achter hun duikbrillen. Nooit wordt er in het bijzijn van familie gehuild. Het is professioneel om controle te houden op de kamer. Tranen zijn voor thuis. Het is alsof de intensivist en verpleegkundige nu verdriet en rouw van de afwezige familie overnemen. Even zijn zij plaatsvervangers. Even verwanten. De verpleegkundige loopt de kamer uit en botst tegen de deurpost aan, struikelt en valt op de grond.

    Machteloze tranen, zei iemand.
    Ik geef de voorkeur aan machtige tranen. Machtig van medeleven.’

     

    Koop hier het boek.

  • Zoektocht naar liefde

    Zoektocht naar liefde

    Dichter, classicus en essayist Piet Gerbrandy trekt de deur achter zich dicht en neemt ons mee op een reis met onbekende bestemming. Zijn hoofdpersoon – de ik – in de bundel Ontbinding beschouwt zijn leven en zijn positie daarin, zijn lichaam en zijn liefdes om vervolgens op pad te gaan en de reis zelf de uiteindelijke aankomst te laten bepalen. In het eerste hoofdstuk Nu wordt gekeken naar de huidige stand van zaken. Klaar met het leven en de wereld om hem heen beschouwt hij eerst zichzelf.

    ‘nu dus dit lijf van mij –
     maar wie is de bron van dit zien in een vochtige avond?
     wat geeft mijn strot recht van spreken?
     is verval geen herschikking van krachten?
     blaft daar geen vos daar ja onder de oeroudste varens?’

    Verontwaardiging over huidig beleid

    In een van de volgende verzen wordt een cynische uiteenzetting over de maatschappelijke status van de ik gepresenteerd. De wat narrige toon is die van een man op leeftijd die zich steeds meer laat leiden door verontwaardiging over het gevoerde beleid.

    ‘U betaalt uw belasting integer.
     Aanvullend bent u verzekerd.
     U beft uw slavinnen met smaak.
     Uw vestigingsklimaat is mild en overwegend heilzaam.
     Uw saldi en activa ogen gezond.
     Meestal slaapt u zonder middel vredig.
     Uw bezoldiging is binnen geldende normen wel gepast.

     U ik jij men en hij: het wordt hier druk.
     Dat past in de ruimhartigheid van het vestigingsklimaat.
     Komt het echter op uitkeren aan
     dan geeft meneer niet thuis.’

    Gerbrandy is een meester in het vervlechten van poëzie en proza. De verzen in dit gedeelte van de bundel worden voorafgegaan door een paar regels in de hij-vorm die een herinnering, een gevoel of een vooruitzicht beschrijven. Om daarna gevolgd te worden door een vers dat dieper ingaat op het onderwerp en het gemoed van de ik verbeeld. De gedichten stromen over van anekdotes en metaforen die vooral de bekende aardse taal van Gerbrandy laten zien: ‘zwaluwen scheren geringd over stoffige plassen’ en even verderop ‘in slijk versterven bonte amfibieën’. Zintuiglijke zinnen die de leesbaarheid verrijken.

    Toekomstig weerzien

    Het hoofdstuk Wind is de laatste halte voordat de grote reis wordt aangevangen. Hier komt de classicus in Gerbrandy naar boven. De verteller verhaalt over de poëzie van een elfde-eeuwse kloosterling, het schrijven van klassieke sonnetten, colleges over middeleeuwse handschriften en studenten die zich fragmenten van oude zangen toe-eigenen. De aansluitende gedichten laten steeds meer los over het verlangen op pad te gaan en het toekomstige weerzien met een geliefde: ‘…er zijn er/ die goud en koel werk het mooiste vinden/ maar ik jou.’

    ‘Reis’ is het meest omvangrijke deel waarin prozastukken de overhand nemen en de grote reis begint. ‘Langzaam maar zeker naderde het moment waarop hem dringend verzocht zou worden zijn werkkamer op te ruimen en plaats te maken voor jongeren wie later een zelfde lot beschoren was. 

    Hij pakte zijn rugzak zijn stok en zijn kruik
       drie boeken voor slapeloze nachten
    hij trok door het land zonder bergen op zoek
       naar vuur voor zijn tanende krachten.’

    Het is vooral de sfeer – die de verteller oproept – die deze reis laat zien als eigenzinnige Odyssee. De hoofdpersoon, met stevige stok en ransel, heeft het vermoeden dat iets of iemand hem begeleidt. Een dier een schim of een engel. Hij loopt langs norse en ongeletterde landslieden, slaapt op een strozak in een schuur en ziet langs een bosrand twee wolven staan. Met hier en daar een verwijzing naar de actualiteit of zelfs een blik in de toekomst: ‘Toen de zomer naderde korf ik met een ontsmet stanleymes een jaap in mijn linkeronderarm om de chip los te snijden.’

    Herinneringen en een hunkeren naar liefde

    Steeds meer verandert deze omzwerving in een haast tastbare herinnering aan een geliefde. De schimmen die hem volgen lijken te transformeren in de gedaante van de vrouw. De laatste prozateksten, als verslag van de reis, worden een hartstochtelijke liefdesverklaring vol verlangen naar een lichamelijke hereniging.

    ‘Zij troonde hem mee naar haar vuren hut
       naast een beek vol kiezels en vissen
    dan troont zij hem mee naar haar nauwe alkoof
       om zijn oude leven te wissen.’

    Piet Gerbrandy lijkt zijn hoofdpersoon-op-leeftijd naar een definitief einde te sturen. Het sluitstuk van zijn leven met een grondige soul search als drijfveer. Maar het verloop van deze bundel laat nog wat anders zien: een sterke hunkering naar liefde die in de flarden ingevlochten poëzie de lust naar boven haalt.

    ‘In liefdesverklaringen was hij altijd vrij goed geweest maar ook dat ging de laatste tijd moeizamer.
     Je billen en wangen zijn blijvend
     dat is wel gebleken
     maar hoe het met mij zit en gaan moet
     daarover is minder bekend.

     Waar laatste syllaben hun -end voltrekken
     wijdt zich een witte stilte’

    Toch is in alles de klassieke aftocht te vinden. Het verdwijnen van de wereld na een oprisping vol passie en bevlogenheid. Gerbrandy dicht in grootse gebaren en minuscule details zonder zich te verliezen in te gemakkelijke metaforen. Uiteindelijk laat hij zijn protagonist achter bij het veronderstelde einddoel van diens reis:

    ‘Dit werk is onbegonnen
     zoals het ook onafgelopen is.

     Trek ik mij daarom terug uit alle rollen.
     Blijft wie stilaan verdwijnt onopgemerkt.’

     

     

  • Spaarzaam met woorden – In memoriam Hans Sleutelaar 1935-2020

    Spaarzaam met woorden – In memoriam Hans Sleutelaar 1935-2020

    ‘De weinige gedichten die ik heb geschreven, zijn zonder uitzondering bij ingeving ontstaan. Blijft de inspiratie weg, dan doe ik er het zwijgen toe.’

    De spaarzame woorden die dichter, schrijver, journalist en redacteur Hans Sleutelaar aan zijn dichtkunst heeft gewijd staan in gelijke verhouding tot de omvang van zijn oeuvre. Het is een bescheiden handvol van zo’n vijftig gedichten uitgesmeerd over drie bundeltjes die de nalatenschap van de toch vooral als dichter bekendstaande Rotterdammer vormen. De poëzie die niet is geschreven nam hij mee in het graf: ‘Talloos zijn de dichters zonder oeuvre – altijd en overal weten mensen de omstandigheden het hoofd te bieden door zich er in stilte, woordeloos, boven te plaatsen.’


    Katalysator van andermans werk

    Hans Sleutelaar heeft zich in zijn 84-jarige leven vooral ingezet als katalysator van andermans werk. Meer nog dan zelf de pen ter hand te nemen, wist hij anderen te inspireren en tot grote hoogte te doen stijgen. Zonder Sleutelaar geen C.B. Vaandrager, zo luidt de algemene veronderstelling als het gaat over de kwaliteiten van die andere Rotterdamse literator. In de Bende van Vier – de zogenoemde ‘Zestigers’ bestaande uit Armando, Hans Verhagen, C.B. Vaandrager en Hans Sleutelaar – was Vaan een potentieel schrijftalent dat aanvankelijk stevig begeleid diende te worden. Sleutelaar zorgde voor kritisch commentaar en voldoende zelfvertrouwen om Vaandrager uit te laten groeien tot het ongeleide poëzieprojectiel dat hij geworden is.

    Het ontluikende schrijftalent van Jan Cremer is mede door Sleutelaars inzet als ‘aanjager en polemist’ tot grote bloei gekomen. Op foto’s zien we ze samen, wereldveroveraars in New York: de jeugdige Cremer met een dan al zelfverzekerde blik, half erachter een wat schuchtere Sleutelaar. Hij oogt als een gedistingeerde reisleider die zorgt dat alles tot in de puntjes is verzorgd. Ook het bijzondere prozawerk van podiumdichter Johnny ‘The Selfkicker’ van Doorn is aan het licht gekomen door de redactionele en ‘doordouwende’ kwaliteiten van Sleutelaar.


    De totale poëzie

    Maar er wordt zelf ook gedicht. In de geest van zijn reguliere werk als copywriter bij een reclamebureau komt Sleutelaar in 1966 met mischien wel het bekendste gedicht uit zijn schrijvende leven. Het inmiddels tot De Nieuwe Stijl omgedoopte lijfblad van de Zestigers opent met de legendarische regel:

    ‘Wollt ihr die totale Poesie?’

    Twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog, na Joseph Goebbels’ toespraak waarin hij de menigte opzweepte met: ‘Wolt ihr den totalen Krieg?’, schrijft de dichter geschiedenis met slechts vijf woorden. De bravoure die eruit spreekt roept de meeste verontwaardiging op. Wat is die ‘totale Poesie’ voor Sleutelaar? Hij geeft hiermee een visitekaartje af: de totale poëzie is het leven, de wereld om ons heen. Als je de totale poëzie wil ondergaan, moet je de werkelijkheid leren zien en niet op zoek gaan in dichtbundels. Het lijkt tegelijkertijd een verklaring voor zijn eigen spaarzame poëzieproductie.

    In zijn tweede bundel, Vermiste stad (2004), heeft Sleutelaar een verzameling Rotterdamse kwatrijnen gecomponeerd die precies de ‘hoekige eenvoud’ van zijn poëzie weergeven. Ritmisch, uitgekleed, geen woord te veel:

    Herinnering

    ‘Rotterdam is een godverlaten kade
     Onder koud lamplicht, zwavelgeel,
     En een zwarte, maandoorvlaagde wade
     Omspant het onuitsprekelijk geheel.’

    Rotterdam revisited

    ‘Wolken drijven boven palingkleurig water
     Het licht blinkt net als toen, maar later
     De Hef waakt stil over dit verbeten leven
     Ik keer me, duizelend, om. En huiver even.’


    Journalistieke werk

    In de jaren zestig wordt Sleutelaar redacteur bij het toenmalige weekblad Haagse Post en weet hij zijn schrijfervaring uit de reclamewereld naadloos toe te passen in de journalistiek. Vooral het diepteinterview met aansprekende personages is voor hem een speeltuin waarin hij zijn vragen zoveel mogelijk wegstopt om de geïnterviewde vrijuit aan het woord te laten. En naderhand al het overbodige uit de tekst te schrappen. 

    Die werkwijze wordt door Sleutelaar ook ingezet voor De SS’ers (1967). Samen met Armando worden acht Nederlandse SS’ers bevraagd over hun drijfveren, hun ervaringen en hun herinneringen aan de tijd in Duitse dienst. Een ontluisterend boek is het resultaat: de volop meewerkende ex-soldaten laten in doorlopende fragmenten het achterste van de tong zien. Er is een bescheiden schuldbewustzijn, maar vooral een vaste overtuiging dat het allemaal gerechtvaardigd was. Nationaalsocialisme, antiseminisme, alle gruwelijkheden komen aan bod en worden uitvoerig onder woorden gebracht. Bij verschijning werd De SS’ers aangemerkt als ‘een gevaar voor de geestelijke volksgezondheid’. Sleutelaar en Armando schreven in het voorwoord dat ook ex-SS’ers moesten worden gezien als historische getuigen, evenals de vele verzetsmensen die in publicaties aan het woord werden gelaten.

    Hans Sleutelaar – man van vele literaire kwaliteiten en opvallend weinig woorden – zal de geschiedenis ingaan als schrijvende aanjager. Een echte verbinder die de verdeeldheid tussen mensen te lijf ging met een scherpe pen en een bescheiden levenshouding. Zijn devies: eenvoud, bondigheid en algemene geldigheid: 

    ‘Eén ding heb ik tenminste in de gaten gekregen: dat je door een daad van dichterlijke willekeur kunt ontsnappen aan de alledaagse bekrompenheid van het leven.’ 

     

    (Met dank aan: Sleutelaar worden – herinneringen van en aan een zwijgende dichter. Studio Kers, Rotterdam, 2016)

    Foto: Achterflap Sleutelaar worden

     

  • Ongrijpbare paradijsvogel – In memoriam Hans Verhagen (1939-2020)

    Op mijn netvlies staat die beroemde foto uit 1965 van de vierkoppige redactie van het avant-garde tijdschrift Gard Sivik/De Nieuwe Stijl. Recht in de camera kijkend: Armando, Hans Verhagen, C.B. Vaandrager en Hans Sleutelaar. Met uitdagende blik spieden de kersverse grondleggers van het poëtisch neorealisme in de lens. Armando als de getergde bokser, Sleutelaar als de gewiekste reclamemaker, Vaandrager als ongeleid projectiel, en er ietwat verbaasd tussenin de jonge Hans Verhagen. De heren hebben zojuist hun nieuwe stroming gepresenteerd waarmee ze de poëzie op haar grondvesten zullen doen laten schudden. Alles gericht tegen die vermaledijde Vijftigers die de poëzie met hun lyrische experimenteerkunst voorgoed hebben besmet. De ‘Zestigers’ propageerden een Nieuw Realisme dat voornamelijk moest bestaan uit het ‘intensiveren van de werkelijkheid’ en de ‘authenticiteit van de informatie’.


    Hans Verhagen is het minst
    overtuigende lid van deze club geweest. Vooral geïmponeerd door de reputatie van Armando en zijn Rotterdamse kompanen bleek na enige tijd dat hij niet helemaal in de wereld van de reclameteksten en readymades thuishoorde. Zijn in 1963 gepubliceerde debuutbundel
    Rozen & Motoren toont aanvankelijk nog het tegendeel. Uit de cyclus Genocide bijvoorbeeld dit:

    ‘Geboren 30-7-’61 10 u. 55, zoon van
     Hans Verhagen & Conny Tavenier’

    Een readymade in topvorm. Toch is in deze eerste bundel de wispelturigheid van Verhagen al aanwezig. De lyriek ligt op de loer en uit zich op haast onbewuste wijze in een groot aantal verzen. Alleen al het korte, titelverklarende gedicht is een duidelijke weerklank van de verteller, een persoonlijke uiting die de wenkbrauwen van de overige Zestigers zeker zal hebben doen fronsen:

    ‘Het is niet vrij van rozen
     en ook het gebruik van motoren
     is aan mijn lichaam niet vreemd.’

    De verwoording van de alledaagsheid in snoeiharde oneliners, wervende teksten uit het straatbeeld, het was allemaal razend interessant voor de dichterlijke veelvraat die Verhagen was. Maar het was niet voldoende. Daarbij voelde de aansluiting bij een stroming voor hem als een keurslijf dat er juist om vroeg op gezette tijden doorbroken te worden. 


    Hans Sleutelaar noemde Verhagen in
    die tijd ‘een romanticus tegen wil en dank, die de pathetiek niet schuwt.’ Dat werd in vele gedichten aangetoond, waarin Verhagens romantische lyriek een grote vlucht neemt. Uit de cyclus
    Sterren boven Bombay:

    ‘Je zei dat je zou komen,
     ik heb op je gewacht.
     Je zei dat je bij mij zou blijven,
     ik ben alleen gebleven.
     Ik hoopte dat je me alleen zou laten
     maar je hebt me met een menigte gevuld
     en ik weet niet wat ik doen moet –’

    Ook de uiterlijke vorm speelt al vroeg een rol in Verhagens werk. De bundels Cocon (1967) en Sterren cirkels bellen (1968) vallen op door hun uitbundige vormgeving. Kleurige pagina’s, geometrische vormen, typografische experimenten, de traditie om poëzie op gepaste wijze in zwart-wit aan het papier toe te vertrouwen is aan deze dichter niet besteed. Een directe link met zijn beeldende werk als schilder – in de jaren tachtig heeft hij zijn eerste solo-expostie – wordt goed zichtbaar in deze bundels. 


    Verhagen doet zijn ongrijpbaarheid eer
    aan en verdwijnt met enige regelmaat van de radar als dichter. Hij legt zich toe op de beeldende kunst en steekt veel tijd in zijn werk als televisie- en filmmaker. Als producent van de spraakmakende VPRO-programma’s
    Hoepla en Het Gat van Nederland weet hij de in die tijd geldende grenzen flink op te rekken. In 1983 verschijnt er dan weer een nieuwe dichtbundel, Kouwe voeten. Een diepzwarte bundel met veel regels die verwijzen naar Verhagens ex-vrouw Conny die, sinds hun scheiding, meerdere zelfmoordpogingen heeft gedaan. De verzen zijn sterk emotioneel, overladen met sentiment en handelen over de doorlopende levenscyclus en de betekenis van eeuwigheid:

    ‘In 1 keel meeschreeuwend met al wat niet kan zingen
     jaag ik tevergeefs door het stenen tafereel
     waarin ze plotseling oploste
     toen ik even niet keek.

     O de holte van d’r romp op zolder gevonden,
     met een gat waar d’r hart was en waar
     je doorheenkeek in een wirwar van stegen
     waarin ze verdween, m’n geweten.’


    Na opnieuw een lange pauze,
    en twee door critici slecht ontvangen bundels in de jaren
    negentig, is er vanaf 2000 weer een opleving in de poëzie. Verhagen laat zich in die jaren kennen als flamboyante, maar vooral onvoorspelbare gast op literaire avonden en festivals. Toch heeft de door drank en drugs overeindgehouden paradijsvogel met zijn bundel Triomfantelijke wandelingen weer een groot deel van de recensenten voor zich gewonnen. Met een sterk engagement en een reflecterend oog kijkt de dichter vooral naar zichzelf en zijn eigen beweging:

    ‘zonder punt van aankomst kom je niet tot stilstand,
     schiet je door je punt van nooit meer terugkeer heen –
     aankomen en wegwezen hebben geen betekenis meer
     tot je je zó in het bewegen hebt geïnfiltreerd dat je
     – niet gezegd op een plek waar jij het meest aan hecht –
     opnieuw lijkt stil te zullen staan; je begint weer om je heen
     te kijken en herkent van alles, alsof er in je leven
     niets veranderd is, wat opvallend is,
     omdat je juist is opgevallen
     dat alles anders is.’

     

    Dan volgen nog een aantal succesvolle bundels én een verzamelbundel en wordt in 2009  aan Verhagen de PC Hooftprijs voor Letterkunde toegekend. De jury spreekt van ‘verbluffend goede poëzie, vanwege zijn humor, zijn engagement, zijn poëtische durf en eigenzinnigheid’. De dichter reageert koeltjes op de prijs en vindt het allemaal ‘wel leuk – ik heb dat werk gemaakt, dat is ook wel wat waard’. Met het geldbedrag is hij erg blij. ‘Kan ik allicht een middag van roken. O ja, moet ik er iets nuttigs mee doen? Iets literairs? Een peuk van Kloos kopen of zo?’

    Hans Verhagen, de Zestiger die zich verzette tegen de Vijftigers, terwijl zijn grote liefde voor Lucebert altijd is gebleven. Over hoe hij zelf schrijft heeft hij nooit veel meer kunnen zeggen dan: ‘associatief, de woorden komen gewoon tot me’. De eeuwigheidswaarde van zijn omvangrijke oeuvre? Wil hij niets over horen. De ongrijpbare dichter, altijd in het hier en nu, schrijft de onmacht van zich af in Implosie (2009):

    ‘Met al mijn lyrische geneeskracht
     heb ik nog geen enkel wezen
     van het sterfbed teruggebracht’