• Twee aspirine

    Twee aspirine

    In alle vroegte printte ik het toegangsbiljet uit waarmee ik ’s middag zal worden toegelaten tot het Paleis op de Dam. Waar de Israëlische schrijver David Grossman uit handen van de koning de Erasmusprijs krijgt uitgereikt. Buiten hangt een dikke mist, er is migraine op komst. Op radio 4 hoor ik uitgeefster Eva Cossee over David Grossman vertellen. Hoe belangrijk hij voor het humane is. Het klonk zo mooi, ik wilde gaan. Dus voer ik de ochtend volgens plan uit: kleding uitzoeken (er was een dresscode), douchen, haar in krul laten opdrogen, gezicht bijwerken, foundation, mascara, lipstick, klaar. Slik twee aspirine.

    In 2006 riep Grossman samen met de schrijver Amos Oz de Israelisch regering op om de oorlog in Libanon te beëindigen. Niet lang daarna kwam zijn zoon in die oorlog waar nooit een einde aan komt om het leven. Grossman schreef erover in Een vrouw op de vlucht voor een bericht, een moeder die haar zoon aan het front verliest. In Uit de tijd vallen, schreef hij over het verlies van zijn zoon. In een interview in de Volkskrant uit 2020 zei Grossman, ‘Ik probeer in al mijn boeken het harde, versteende deel van onze geest te masseren.’ Ik wilde in de buurt van zo’n mens verkeren. Het belang los te komen van je eigen verhaal, zonder oordelen over afkomst naar een ander kunnen kijken. Troost vinden in boeken waarin een ongenadig hard leven, armoede en anders zijn, zoals in de boeken van Elizabeth Strout, de mensen voortstuwt. 

    Het uur dat ik de trein naar Amsterdam moet nemen, verstrijkt. Buiten is het nog steeds donker, november. Ik zet thee, slik twee aspirines. Op de bank sluimer ik weg. Ik sta in een boekwinkel, zoek bij de B van Barton, kan haar niet vinden. Ik heb teveel van Elizabeth Strout gelezen, over de schrijfster Lucy Barton. In Strouts verhalenboek Niets is onmogelijk, komt Lucy in bijna alle verhalen voor. Als aanleiding voor een gesprek, in de herinnering van een gepensioneerde schoolconciërge. Er is neef Abel, groeide op in net zo’n armoedig gezin als dat van Lucy, haalde als kind zijn eten uit vuilnisbakken. Tientallen jaren later ziet hij Lucy weer bij een boekpresentatie. De vreugde van het weerzien, dat ze het gered hebben. Lucy als beroemd schrijfster.

    In het verhaal ‘Zus’ komt Lucy na dertig jaar op bezoek bij haar broer Petie. Ook zus Vicky is uitgenodigd. Zus weigert, valt onverwacht toch binnen. Petie en Lucy hebben elkaar dan net met woorden afgetast, een bijkans gemoedelijk sfeer gecreëerd. Vicky verpest dat, is ziedend op Lucy, verwijt haar mooi weer te komen spelen. Lucy is toegevend, nodigt uit te komen zitten. Dan deze zinnen vol ongemak. ‘Vicky zette haar handtas op de grond en ging zo ver mogelijk bij Lucy vandaan op de bank zitten. Maar Vicky was omvangrijk en de bank niet zo groot, dus erg ver kon het niet zijn.’ Zo vinden ze elkaar terug, elk een ander geworden, nooit meer dezelfde, als familie onbereikbaar. Niets is onmogelijk, prachtig boek, pijnlijk ook. Ik slik nog twee aspirine.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over waar literatuur en het leven elkaar raken.

  • Prachtige verhalen over vertalen en vertaalde literatuur

    Prachtige verhalen over vertalen en vertaalde literatuur

    Filter, tijdschrift over vertalen, onderzoekt in deze derde editie van dit jaar de andere kant van de vertaling, die van de ontvanger, de lezer. Een twintigtal vooraanstaande lezers werd uitgenodigd hun boekenkast te onderzoeken op wat hun favoriete vertaling is, of zelfs ‘hun favorietste aller tijden’. De vraag is even interessant als persoonlijk (welke vertaling bleef je bij, veranderde je leven). Vertalen is een ambachtelijk werk waarbij vakkundig aan een tekst gesleuteld wordt, maar een vertaler moet ook creatief en origineel. Een vertaler is voor alles een literatuurvorser, niemand leest een boek zo grondig als de vertaler, vertalers zijn analyserende lezers. Maar wat merkt de lezer van een vertaling?

    Een buiging

    Joyce Roodnat opent deze Filter met een eerbetoon aan de vertaler, getiteld ‘Saluut’. Voor haar zijn vertalers poortwachters en bruggenbouwers. Ze studeerde Italiaans, maar had Umberto Eco ‘nooit kunnen volgen zonder vertaling.’ En zonder vertalers had ze de romans van Margaret Mazzantini niet gekend. Ze vertelt hoe enthousiast ze wordt als ze een schrijver ontdekt, die ze dankzij de vertaler, kan lezen. Zoals Nicola Pugliese, van wie dit jaar uit zijn roman Malacqua een hoofdstuk in tijdschrift Terras stond, vertaald door Annemart Pilon. Roodnat was enthousiast over de schrijver, en over de vertaler, die op voorhand uit gedrevenheid een stuk vertaald had, in de hoop dat een uitgever het zou oppakken. Daarvoor maakt zij een buiging, voor dat enthousiasme, het vertaalwerk, het publiceren. Een buiging, ‘Met mijn neus tot de grond.’

    Dichteres Vicky Francken zocht in haar boekenkast niet naar de beste vertaling, maar naar de vertalingen die haar eigen zijn geworden. Ze schrijft, ‘De vertalingen die me dierbaar zijn, werpen vaak een licht op iets dat onbegrijpelijk is maar instinctief wáár, iets waar ik zelf nog geen taal voor had.’ Het mooiste boek dat ze ooit las is van Amos Oz, Het verhaal van liefde en duisternis, vertaald uit het Hebreeuws door Hilde Pach. 

    Kousbroek als vertaler

    Een vermakelijke stuk, getiteld, ‘Lijn spestien op het zituur’ is van literair vertaler Spaans Lisa Thunnissen. In haar pubertijd ontdekte ze Stijloefeningen van Raymond Queneau, in vertaling van Rudy Kousbroek. Al voorlezend aan haar moeder en zusje werkte het haar op de lachspieren, ‘In lijn spestien op het zitsuur ontmande ik een jongewaard met een nange mek en een hare roed.’ Over het vertalen van zulke taalgrapjes, daar is iets over te zeggen, maar becommentariëren doet ze de vertaling niet, ‘want Kousbroek is niet de minste’.

    Publicist en redacteur van tijdschrift Terras Tommy Van Avermaete vraagt zich af hoe je een vertaling beoordeelt en volgens welke maatstaven. In ‘De boel naar je hand zetten’, onderzoekt hij aan de hand van, Het meisje dat te veel van lucifers hield, van de Canadese schrijver Gaétan Soucy (1958-2013), vertaald door Han Meijer. Hoe een boek, geschreven in een ‘nogal onalledaagse taal’ (waarbij de associatie: onvertaalbaar opkomt) verklaard kan worden. Overigens een titel, die je na lezing van deze bijdrage, onmiddellijk wilt lezen. 

    Zorg en ongemak

    Literair vertaler en vertaalwetenschapper Désirée Schyns, benadrukt in ‘Vertalen is ongemak’ de complexiteit van vertalen. Dat het bij vertalen niet alleen gaat om het behoedzaam omgaan met het werk van een ander. Ze haalt daarbij de vertaalrelletjes aan die zich het afgelopen jaar hebben afgespeeld rond de vertaling van Amanda Gormans gedichten, en het weglaten van een stuk uit Dantes Inferno bij een vertaling voor jonge lezers. Zij benadrukt ook  dat vertalen steeds meer gewaardeerd wordt met begrippen als ‘zorg’ en ‘zorgzaamheid’. Schyns ontdoet het vertalen van de wat muf makende opvatting dat vertalen ‘vreugde schenkt’. Terwijl het niets meer of minder is dan hard werken dat gepaard gaat met ‘ongemak, onzekerheid, mankementen en mislukking’. Daarbij haalt ze onder meer de Britse schrijver Max Porter aan. Porter associeert vertalen ‘met tussendoor glippen, met reizen zonder grenzen, met verplaatsing, soepelheid, behoedzaamheid en liefde, maar ook met gevaar, kwetsbaarheid, misbruik, luiheid, toondoofheid, censuur.’ Een interessant en genuanceerd stuk dat de kijk op vertalen doet bijsturen.

    Dit tijdschrift is niet alleen voor vertalers en literatuurwetenschappers interessant, maar voor iedereen die graag vertaalde literatuur leest. Literaire vertalingen maken het verschil, zoveel is na lezing wel duidelijk. Vertalers als ‘poortwachters en bruggenbouwers’, volgens Joyce Roodnat, een mooie gedachte. Mooie bijvangst is dat veel van de auteursnamen die in deze Filter zijn gevallen, nieuwsgierig maken naar hun werk.

     

    Overige bijdragen zijn van: Cees Koster  met Ton Naaijkens, Riet Schenkeveld-van der Dussen, Peter Nijssen, Janneke van der Meulen, Maarten Asscher, Lia van Gemert, Ger Groot, Maurits Lesmeister, Barber van de Pol, Dirk Schoenaers, Miek Zwamborn  Derek Crook, Jos Vos, Rob Zweedijk, Erik Bindervoet, Lieke van Deinsen en Beatrijs Vanacker.

    Kijk ook op: Filter, tijdschrift over vertalen.

     

  • Indrukwekkend interview met een groot schrijver

    Indrukwekkend interview met een groot schrijver

    Op de vraag waar zijn verhalen vandaan komen antwoordt de Israëlische schrijver en vredesactivist Amos Oz: 
’Wat is een appel? Waar is hij van gemaakt? Water, aarde, zon, een appelboom en een beetje mest. Maar hij lijkt op niets van dat alles. (…) Zo is het ook met een verhaal. Het is ongetwijfeld gemaakt van een totaal aan ontmoetingen, ervaringen en observaties.’ 
Het is een van de vele uitspraken van Amoz Oz (1939 – 2018) in de gesprekken die hij had met zijn Israëlische redacteur Shira Hadad tijdens en na hun samenwerking bij het uitbrengen van zijn roman Judas (2014). 
Die gesprekken zijn opgenomen, uitgewerkt en geredigeerd en vormen de hoofdstukken van een mooi zelfportret van de Israëlische schrijver.

    De hoofdstukken zijn naar onderwerp gerangschikt en Oz vertelt onbeschroomd over zijn eenzame jeugd, de zelfmoord van zijn moeder, het kibboetsleven, de seksualiteit aldaar, de toename – bij het ouder worden – van humor en relativering in zijn boeken en ten slotte de onvermijdelijk naderende dood. Ook zijn positie als voorstander van de twee-landen-oplossing in het steeds meer verhardende politieke klimaat in Israël komt uitvoerig ter sprake.

    ‘Eigenlijk heb ik altijd proberen te praten tegen Edith, de vrouw van Archie Bunker uit de televisieserie All in the family. Archie was een soort buurt-Donald Trump, die altijd racist zal blijven en alles met geweld zal willen oplossen. Zijn dochter Gloria en schoonzoon Michael zullen altijd gematigd en verlicht zijn en hoefden dus niet te worden toegesproken . Alleen Edith, door velen herinnerd als een belachelijke domme gans – juist zij staat af en toe open om overtuigd te worden, dan weer de ene kant op, dan weer de andere. (…) tot haar wendde ik me in mijn artikelen, tot haar sprak ik toen ik me nog liet interviewen en in discussie ging op tv.’

    Het meest wordt in Wat is een appel gesproken over het schrijven, waar Oz zijn eigen routines bij heeft; elke ochtend vroeg startend en kladje na kladje na kladje schrijvend en weggooiend tot hij iets geschreven heeft dat hem bevalt. Maar ook dat hoeft niet de definitieve versie van die scène te zijn, alles kan eindeloos herschreven worden. En eventueel zelfs na jaren arbeid toch weggegooid. Tevreden is hij eigenlijk nooit, maar je moet er als schrijver op een gegeven moment in berusten dat je niet beter kan dan wat er voor je ligt als eindproduct.

    ‘Weet je Shira, in elk boek zitten ten minste drie boeken: het boek dat jij hebt gelezen, het boek dat ik heb geschreven, dat noodzakelijkerwijs anders is dan het boek dat jij hebt gelezen, maar er is nog een derde boek: dat is het boek dat ik had geschreven als ik genoeg kracht had gehad. Genoeg vleugels. Dat boek, het derde, is het beste van de drie. Maar op de hele wereld is er behalve ik niemand die dat boek kent en behalve ik niemand die erom rouwt.’
    Wat is een appel is een indrukwekkend afscheidsinterview geworden van een groot schrijver die niet alleen dacht met zijn hoofd, maar ook met zijn hart.

     

  • De werkelijkheid van Amos Oz (1939-2018)

    De werkelijkheid van Amos Oz (1939-2018)

    Op oudejaarsavond verwachtte ik niemand toen er werd aangebeld. Er stond een jongeman voor de deur. Hij zei, ‘Je zult wel niet meer aan me gedacht hebben.’ En ik, die dacht onverwachte gebeurtenissen ten alle tijde te zullen omarmen, vroeg, ‘Hoezo?’ De jongeman zei dat hij de ongenode en onverwachte gast was waar ik mijn hele leven al op wachtte. Ik schrok, want het is waar. Ergens in een gebied dat uit boeken komt, wacht ik op iets, een heilbrenger die de werkelijkheid een switch geeft zoals in verhalen wel gebeurt.

    Drie dagen daarvoor was Amos Oz overleden. Met A.B. Yehoshua en David Grosmann vormde hij ‘de grote drie van de Israëlische literatuur’, schreef Anet Bleich in een postuum voor de Volkskrant. Toen ik van zijn overlijden hoorde, zocht ik direct naar zijn meest omvangrijke werk. Een verhaal van liefde en duisternis is een liefdevol boek over zijn ouders en voorouders. Maar ook een boek over teleurstelling en verbittering. Op welke plek je het boek ook openslaat, je wordt direct gevangen door zijn woorden. Amos Oz ontdekte al jong dat de werkelijkheid niet kon tippen aan het leven dat in boeken wordt opgeroepen:
    ‘Wat mij omgaf telde niet, alles wat telde was van woorden gemaakt. (…) De hele werkelijkheid was niets dan een vergeefse poging, een oppervlakkige, mislukte poging om de verschijnselen uit de woordenwereld te imiteren.’
    Net toen ik me begon af te vragen wat zijn leidende thema was in zijn boeken, viel er een losbladig, dubbelgevouwen blad papier uit het boek. Het was een door de uitgever toegevoegde getypte brief gericht aan de lezer, aan mij.

    ‘Beste lezer, 
Als u mij zou dwingen in één woord te zeggen welk verhaal ik vertel in alle boeken die ik heb geschreven, dan zou ik zeggen: gezinnen. Als u mij twee woorden toestaat, zeg ik: ongelukkige gezinnen.’
    Dat fascinerende mij – de grote problemen die hij aanroerde, teruggebracht tot het gezin. Nu begreep ik ook de titel, meegegeven aan twee essays over de verhoudingen tussen Israël en Palestina, Help us to divorce. Dat gaat over twee volkeren die een uiterst slechte relatie met elkaar onderhouden, geschetst als een slecht functionerend gezin, waarvan beide partijen maar niet kunnen besluiten uit elkaar te gaan.

    In een van die essays beschrijft Oz hoe een passagier tijdens een lange taxirit naar de joodse chauffeur moet luisteren terwijl deze afgeeft op de Arabieren. De passagier vraagt hoe dit opgelost kan worden. Nou, zegt de taxichauffeur, gewoon elke Israëliër een wijk in de stad toekennen en van deur tot deur gaan met de vraag of hier Arabieren wonen. Zo ja, neerschieten. Dan zegt de passagier, die schrijver is, ‘Maar wat als er aan het einde van de dag, als het werk erop zit, de handen gewassen zijn, uit een van die huizen het huilen van een baby klinkt.’ Of hij dan terug gaat om zijn werk af te maken. Na een moment van stilte antwoordt de chauffeur: ‘U bent een wrede, heel wrede man.’

    De jongeman die onaangekondigd voor mijn deur stond wenste ik een goed uiteinde. Dat was nogal laf. In een goed verhaal had ik hem binnengelaten, een stoel voor hem aangeschoven, een kom soep aangeboden, een kom geurende soep. Ook ik heb een probleem met de werkelijkheid.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Amoz Oz geïnterviewd tijdens Nexus Conference 2015

    Amoz Oz (1939) over het kwaad en hoe daar mee om te gaan aan de hand van zijn boek Judas (2014). Over ’twee manieren om naar hetzelfde landschap te kijken’.
    Oz groeide op in een kibboets, die hij omschrijft als een vreedzame periode in tegenstelling met de jaren waarin hij zijn dienstplicht vervulde. Hij nam actief deel aan schermutselingen aan de grens. Sindsdien neemt hij herhaaldelijk stelling voor de militaire zelfverdediging van Israël maar tegen militaire expansie. De twee zijden van geweld, waar ook zijn laatste essay Beste fanatici over gaat.

  • Niet langer alleen op de wereld

    Niet langer alleen op de wereld

    In Beste fanatici heeft de Israëlische publicist Amos Oz (1939) drie essays samengebracht over haat en verdeeldheid en over liefde en verstandhouding. Wie zit niet te wachten op een boek over vrede!
    Toch is dit een boek dat moet worden tegengesproken, of zoals Oz het formuleert in zijn voorwoord, een boek dat gehoord moet worden ‘door mensen die een andere mening hebben dan ik’. Stel u open voor de boodschap in Beste fanatici waarde lezer, zegt Oz. Voorzie haar van uw correcties. Is er een mooier begin van een dialoog tussen opponenten, een fantastischer begin van verstandhouding wellicht?

    Er zijn thans in de wereld vele fronten waarvan de controverse tussen IS en het Westen het dagelijks nieuws vaak beheerst. Over dit hot item heeft Oz het niet specifiek. Met het titelessay ‘Beste fanatici’, aanhef van een (uitnodigende) brief, richt hij zich evengoed tot bij voorbeeld Ku Klux Klan of tot zijn radicale landgenoten.

    Behandelt Oz in het titelessay het fanatisme in algemene zin, in de twee volgende stukken betrekt hij het op zijn geboorteland en land van inwoning Israël. Hij groeide op in het Jeruzalem van vóór en tijdens de jonge staat Israël en werd van meet af aan, zoals we tegenwoordig zouden zeggen ‘geradicaliseerd’. Kneedbaar was hij destijds zoals ieder kind en al vroeg rijp om de mens te worden die hij in Beste fanatici toespreekt. Zelf noemt Oz zich terugkijkend op die tijd, ‘een kleine, fanatieke nationalistische zionist, het gelijk aan mijn kant, vurig en gehersenspoeld.’

    Dat in ieder van ons fanatisme schuilt, klinkt op elke bladzijde in het titelessay door. Fanatisme begint thuis en kan buitenskamers eindigen in dood en verderf. Maar wie op tijd ontdekt dat er ook andere meningen in de wereld zijn en dat voor een afwijkende visie iets te zeggen valt raakt op de goede weg. Oz heeft, zoals hij in zijn roman Panter in de kelder neerlegde, deze ontwikkelingsgang doorgemaakt.

    Daarmee is deze roman een persoonlijk manifest van volwassenwording en een toonbeeld. Evenals Beste fanatici heeft die niets zelf ingenomens en belerends. Integendeel, in zijn essays betwist Oz eigen bevindingen en geeft hij ze voor betere. Voor oplossingen die niet zwemen naar inperking van menselijke vrijheid of monddood maken. De verleiding om een ander te overheersen is groot maar ook begrijpelijk. Fanatisme is een besmettelijke ziekte. Wie zich ervan bewust is dat ieder mens een fanaticus kan worden stelt zich de vraag hoe kortzichtigheid en agressie uit de wereld kunnen worden geholpen. Onmiskenbaar is de mens ‘slecht’ en is zijn ‘zwarte kant’ niet te elimineren. Maar evengoed schuilt in hem de drang ‘iets van het leven te maken’. Het is niet alleen deze instelling die Oz optimistisch stemt.

    Om zich heen kijkend in zijn eigen familie, eigen land en daarbuiten ziet hij veel dat voldoening geeft. Zo realiseert hij zich terugblikkend op zijn diensttijd tijdens oorlogen in zijn vaderland hoe abominabel Israël ervoor stond. Als toen iemand gezegd had dat hij op een dag een visum zou krijgen voor Egypte en Jordanië, dan zou hij ‘de duif, de voorvechter van vrede, gezegd hebben: overdrijf niet zo. Misschien mijn kinderen of kleinkinderen, maar ik niet.’

    Mild en hoopvol is Oz in het titelessay, maar sprekend over zijn eigen land kan hij soms bijtend uit de hoek komen. In het volgende stuk ‘Lichtend, niet een licht’ neemt hij het aloude halachisch Jodendom bij de kop dat verankerd is in de Thora en uit de vierde eeuw voor Christus stamt. Een cultuur (veel ouder dan de Westerse beschavingen) waarop Oz zeer trots is. Hij haat echter de zienswijze van dit Jodendom dat de traditie heilig zou zijn. Daar stelt hij tegenover: ‘Er valt niets te vernieuwen als er niets oud is en het bestaan kent geen vooruitgang zonder vernieuwing.’

    Beste fanatici is een boek dat de lezer behalve tot tegenspreken aanzet tot het overschrijven van uitspraken om die vervolgens in te lijsten. Zeker geldt dit voor het derde, geserreerd en scherpzinnig essay ‘Dromen die Israël maar beter snel op kan geven’. Hierin verplaatst Oz zich in het standpunt van de Israël omringende landen en in het bijzonder in dat van Palestina.

    Zo raakt hij heel dichtbij het vredesidee dat in het eerste essay is bepleit. ‘Mijn zionistische uitgangspunt,’ en misschien is deze passage wel de meest aanstekelijke in Beste fanatici: ‘(…) al decennialang heel simpel: we wonen niet alleen in dit land. We wonen alleen in Jeruzalem. Tegen mijn Palestijnse vrienden zeg ik precies hetzelfde. Jullie wonen niet alleen in dit land. Je ontkomt er niet aan dit kleine huis onder te verdelen in twee nog kleinere appartementen. In een tweegezinswoning.’

     

     

  • Je verraadt alleen van wie je houdt 

    Je verraadt alleen van wie je houdt 

    Panter in de kelder van de Israëlische schrijver Amos Oz (1939) verscheen in Nederland voor het eerst in 1998 en is nu opnieuw uitgebracht. De boeken van de fabelachtig schrijvende Oz kunnen niet vaak genoeg opnieuw in roulatie worden gebracht, maar nu levert het een bijzondere leeservaring op. Althans voor wie Oz’ jongste roman, Judas, heeft gelezen. Die roman, vorig jaar verschenen, heeft verraad als thema. Verraad, maar dan beschouwd door de ogen van een twaalfjarige jongen, is ook het onderwerp van Panter in de kelder. 

    Apostel
    In Judas laat Oz een student in het Jeruzalem van de jaren zestig het vergrootglas leggen op de historische figuur Judas Iskariot. De apostel van wie wordt gezegd dat hij Jezus heeft verraden in de tuin der olijven, Getsemane. Een joodse student die Judas probeert te doorgronden, dat levert een intrigerend verhaal op; één waarin ons een Judas wordt gepresenteerd die waarachtiger lijkt te zijn dan alle andere apostelen. Die, als we de student of de schrijver mogen geloven, de enige discipel van Jezus was die van meet af aan onvoorwaardelijk geloofde dat Jezus de zoon van Christus was. Een apostel die er vast van overtuigd was dat Jezus tijdens de kruisiging zijn ware gezicht zou laten zien. Dat aan het kruis een wonder zou geschieden en dat zijn verraad even onvermijdelijk was als de kruisiging zelf.

    Panter in de kelder speelt zich ook in Jeruzalem af, maar dan in de zomer van 1947. De staat Israël is nog niet gesticht en het gebied is bezet door de Britten. Overdag heersen de Engelse soldaten in de straten, ’s nachts probeert de joodse ondergrondse door middel van sabotages en militaire acties een eigen staat af te dwingen. Een twaalfjarige jongen die de bijnaam Profi draagt, omdat het een boekenwurm is, zo slim is als een professor, ziet zichzelf als een groot vrijheidsstrijder. Samen met twee vriendjes speelt hij in de huiskamer militaire acties na en het drietal verbeeldt zich ook een tak van de echte ondergrondse te zijn. Op een ochtend staat er ineens een leus op zijn huis gekalkt. Profi wordt beschuldigd van verraad. Een beschuldiging die overduidelijk van zijn twee ‘medestrijders’ afkomstig is, door wie hij ook ter verantwoording wordt geroepen. Wat heeft Profi fout gedaan? Hij spreekt wekelijks een Britse soldaat. In een achterkamertje van een café leert hij hem Hebreeuws, in ruil voor Engelse les.

    Gluren
    In wat volgt, lezen we hoe de jongen worstelt met het vraagstuk van verraad. Terwijl voor de twee vriendjes het leven doorgaat en het voorval snel vergeten wordt, blijft voor Profi de vraag onbeantwoord: wat is het wezen van verraad eigenlijk? Zelfs bij relatief onschuldige acties, zoals die keer dat hij vanaf het dakterras ziet dat een buurmeisje zich omkleedt en hij zijn hoofd niet wegdraait, beschouwt hij dat gluren al als verraad aan het meisje en het vergroot zijn schuldgevoelens. Pas jaren later, als het jongetje een oude man is geworden die de gebeurtenissen van die zomer nog eens aan zich voorbij laat gaan, realiseert hij zich dat degene die verraad pleegt, iemand is die werkelijk houdt van degene die hij verraadt. Het is degene in het centrum: die de meeste gelijkenis toont, het meest betrokken is en het meest bij de zaak hoort. Dat is gecompliceerd, zo zegt de ik-verteller ook. Maar het is wel een conclusie die Amos Oz in zijn latere roman Judas verdiept en daarmee is de verbinding tussen beide romans een feit.

    Zoals we van Oz gewend zijn, tekent hij ook in Panter in de kelder een wereld die, hoe ver ook van ons vandaan, op elke bladzijde tot leven komt. Of het nou de hitte in de benauwde straatjes van Jeruzalem is of het eten dat in de keuken wordt bereid, je voelt de vochtige warmte en ruikt de kip die aan het garen is: ‘Het hele huis stond versteld van de bataljons van doordringende geuren die zich vanuit de keuken verspreidden en als massa’s vurige oproerkraaiers alle hoeken van de woning overspoelden, die sinds de dag dat ze gebouwd was zulke geuren nog niet gekend had.’

    Dat maakt Panter in de kelder behalve een even speelse als intrigerende beschouwing over het thema verraad, ook een plezier voor alle zintuigen.

     

  • Leestips voor de decembermaand – Hella Kuipers

    Kom hier dat ik u kus van Griet op de Beeck
    Het heerlijkste Nederlandstalige boek dat ik dit jaar las. Een schrijfster met een geweldig inlevingsvermogen en een verrukkelijk taalgebruik.

     

     

     

     

     

     

    Het boek der gelijkenissenHet Boek der Gelijkenissen– Per Olov Enquist
    Een boek dat die belangrijkste aller spieren: de verbeeldingskracht, aan het werk laat zien. ‘Tijdens het lezen stijgt de bewondering, het is een boek dat herlezing verlangt.’

     

    De wand van Marlen HaushoferWand
    Een wonder hoe iemand met zulke kale woorden een aangrijpend verslag kan schrijven van die grootste aller angsten: alleen op aarde achter te blijven.

     

    Het hart is een eenzame jagerHet hart is een eenzame jager van Carson McCullers
    Wat een mededogen, wat een observatievermogen. Hoe zo’n jonge schrijfster zo de menselijke conditie kan doorgronden is een wonder. Helaas moeilijk verkrijgbaar.

     

    WWat me lief wasat me lief was van Siri Hustvedt
    Een diepgravend en meanderend boek over de geschiedenis van twee bevriende gezinnen, hun werk, kunstenaarschap, relaties, kinderen. Kunst, liefde, dood, opvoeding, psyche – en mensen die je aan het hart gaan.

     

    TijdmetersTijdmeters van David Mitchell
    Een kaleidoscopische achtbaan van een boek waarin de strijd tussen goed en kwaad beslist over het lot van de hele mensheid. En dat van een paar geweldige personages. Verschijnt in december 2014 bij Uitgeverij Nieuw Amsterdam

    Een verhaal van liefde en duisternisEen verhaal van liefde en duisternis van Amos Oz
    Wonderbaarlijk mooi boek over het leven van Amos Oz ten tijde van de stichting van de staat Israel, en over zijn wording als schrijver.

     

     

    En dan nog een aantal niet vertaalde boeken:

    The lieThe Lie van Helen Dunmore
    Het poten-in-de-modder verhaal van Daniel, een slachtoffer van de Grote Oorlog. Die van gedichten hield.

     

     

    Zen in the art of writing

    Zen in the Art of Writing van Ray Bradbury
    Een van de allerbeste boeken over creatief schrijven. Bizar dat het niet vertaald is!

     

     

    149182Growing Pains: The Autobiography of Emily Carr
    Levensbeschrijving van de Canadese schilderes Emily Carr, haar kracht en enthousiasme spatten van iedere bladzij, wat een strijd heeft die vrouw geleverd en wat is ze trouw gebleven aan haar kunst.

     

  • Een conflict tussen twee gelijken

    Een conflict tussen twee gelijken

    Recensie door Anne-Marie van der Poel

    ‘Twee kinderen die dezelfde wrede ouder hebben, houden niet noodzakelijkerwijs van elkaar. Heel vaak zien ze in elkaar het evenbeeld van de wrede ouder. En dat is precies wat hier aan de hand is, niet alleen tussen Israëli en Palestijn, maar ook tussen jood en Arabier’.

    Het Israelisch-Palestijnse conflict is iets waar iedereen een mening over heeft, over wil hebben of het gevoel heeft te moeten hebben. Zeker in het Westen, waar maar al te gemakkelijk met een beschuldigende vinger wordt gewezen en waar genuanceerde oordelen nog al eens ontbreken. Onlangs verscheen er onder de titel Hoe genees je een fanaticus de Nederlandse vertaling van Help us to divorce. Israel and Palestine: Between Right and Right, twee korte beschouwingen waarin de Israëlische schrijver Amos Oz een nuchtere en heldere kijk op het Israëlisch-Palestijnse conflict uiteenzet en ingaat op de aard van fanatisme. De stem van Amos Oz, en ik citeer Nadine Gordimer uit de inleiding, is ‘de stem van de redelijkheid die opklinkt uit de verwarring, de leugens en het hysterische geleuter zoals die wereldwijd over de huidige conflicten te beluisteren zijn’.

    In het essay Tussen gelijk en gelijk betoogt Oz dat het Israelisch-Palestijnse conflict een conflict is tussen Gelijk en Gelijk, er zijn geen goeden en geen kwaden aan te wijzen: ‘De Palestijnen zijn in Palestina omdat Palestina het thuisland, het enige thuisland, is van het Palestijnse volk (…) De Israëlische joden zijn in Israël omdat er geen ander land ter wereld is dat de joden als volk, als natie, ooit hun thuisland zouden kunnen noemen’.
    Alleen een compromis zou oplossing kunnen bieden uit de impasse: een gedeelde staat, twee naast elkaar bestaande staten dus. Een scheiding is altijd pijnlijk en deze scheiding zal des te pijnlijker zijn, daar ‘de betrokken partijen in hetzelfde huis blijven wonen. Niemand verhuist. En omdat het huis erg klein is, moet worden afgesproken wie slaapkamer A krijgt en wie slaapkamer B, en wat er met de woonkamer moet gebeuren; omdat het huis klein is moeten er speciale afspraken worden gemaakt over de badkamer en de keuken.’ Het veelvuldig gebruik van beeldspraak en anekdotes maakt een moeilijk en beladen thema als dit  toegankelijk voor een breed publiek en nergens doet het afbreuk aan de intensiteit van de woorden van Oz..

    Hoe genees je een fanaticus? In zijn tweede beschouwing probeert Oz een antwoord te vinden op deze vraag. Uiteraard vind hij dat niet. Wel is er wellicht een soort van tegengif: als we erkennen dat ieder mens een schiereiland is, dat voor de helft vastzit aan familie, traditie en dergelijke en dat voor de andere helft geldt dat deze los, vrij wil zijn en met rust wil worden gelaten, als we erkennen dat je een ander niet kunt veranderen  (wat in wezen fanatisme is), door het schiereiland te dwingen de andere kant op te kijken, dan zijn we wellicht enigszins beschermd tegen dat fanatisme:  ‘Gevoel voor humor,  je in de ander kunnen inleven, het vermogen om het schiereilandaspect van ieder van ons te erkennen; deze dingen bieden wellicht althans gedeeltelijk bescherming tegen het fanatisme-gen dat we allemaal bezitten’.

    De beeldspraak, net als de ironische humor van Oz en het ontbreken van enige belerende toon, maken het geheel zeer toegankelijk om te lezen, net als de persoonlijke herinneringen en anekdotes– die lezers van zijn memoires Een verhaal van liefde en duisternis bekend zullen voorkomen. Amos Oz kent de kracht van woorden en weet ze op een wonderschone, genuanceerde en redelijke manier te gebruiken.