• Natte armen wijd open

    Natte armen wijd open

    Sholeh Rezazadeh (1989) kwam in 2015 vanuit Iran naar Nederland. Haar romandebuut De hemel is altijd paars (2021) werd bekroond met de Debutantenprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2022 en met de Bronzen Uil Publieksprijs 2021. Haar tweede roman Ik ken een berg die op me wacht verscheen in 2023. Ze schreef gedichten voor De Gids en De Poëziekrant en schrijft columns voor de Volkskrant. Neem ruim zei de zee (de titel is al een gedicht) is haar poëziedebuut in boekvorm.

    Voor de Boekenweek 2025 schreef ze het Boekenweekgedicht – bijzonder voor een dichter die tien jaar geleden met de Nederlands taal kennismaakte. In een interview in Meander (augustus 2024) zegt Rezazadeh: ‘Voor mij gaat alles tegelijk. Soms denk ik in het Nederlands, soms in het Perzisch, soms in het Turks. Evenzo schrijf ik afwisselend in het Nederlands en in het Perzisch.’ De eerste regels van het gedicht luiden:

    ‘in welke taal zal ik je woorden geven
    zodat we elkaar opnieuw kunnen vinden
    in welke blik, welke stilte
    gaan we elkaar weer verstaan?’

    Verbinding

    Hierin komt ook het thema waarmee ze zich vaak bezighoudt tot uiting: verbinding. Tussen mensen, tussen culturen, en ook tussen de natuur en de mens. In de oosterse lyriek wordt de natuur vaak gebruikt om een metaforische wereld te scheppen. Denk bijvoorbeeld aan de lyriek van de middeleeuwse Perzische dichter Hafiz: ‘Hoe kan ik mijn vleugels uitslaan / op de winden van samenzijn / als de vogel van mijn hart / aan het ruien is in het nest / van jouw afwezigheid?’

    Kijk alleen maar naar de titel van deze bundel. Rezazadeh zet in veel gedichten de zee, het water, de rivier in om die verbinding woorden en vooral gevoel te geven. ‘Iedereen heeft een zee in zich,’ zegt de auteur.

    ‘ik zink, zodra je wegkijkt
    ga ik stilletjes dood’

    Ze personifieert graag beelden uit de natuur die een mystieke sfeer geven aan veel gedichten. Het landschap wordt een persoon die van alles denkt en vindt, van alles ziet en vooral voelt:

    ‘dode liedjes betekenen voor de vogel het sterven
    en die vogel is heimwee
    en je houdt je ogen dicht’

    De dichter kan in het gebruik van al die beelden uit de natuur en vergelijkingen ermee haar sensitiviteit kwijt, veel meer dan in de taal van alledag. Ook andere begrippen dan de zee worden als iets levends gezien of als symbool: ‘de wolken heb ik al gewassen / de maan hangt al aan de muur’. De lezer ziet het direct voor zich, vult in; de natuur spreekt over en voor de mens en diens gevoel.

    Hardop voorlezen

    Bij de eerste kennismaking met Rezazadeh’s ‘oosterse’ poëzie is het wennen aan de bloemrijke taal en de bijzondere beelden die de dichter gebruikt. Vergeleken met het nuchtere, directe Nederlands gaat er een wereld open waar je je weg in zult moeten vinden. Als je je eenmaal hebt overgegeven aan die beelden land je al snel in de amen van de natuur. Dat blijkt vooral bij hardop voorlezen van de gedichten aan een ander. Je gaat vanzelf mee in het ritme ervan. Het wekt dus geen verbazing dat Rezazadeh als voordrachtskunstenaar veel gevraagd wordt.

    Een ander opvallend element, als verlenging van de verbinding die de dichter tot stand wil brengen, is de vergelijking tussen haar ‘moedercultuur’ (de Iraanse/Perzische) en die van haar tweede vaderland. Er is een aantal verwijzingen te vinden naar beide, bijvoorbeeld naar Vincent van Gogh en naar ‘darya-darya darya dar to/zeeën zee in jou’, uit het gedicht naast een rivier.

    Uit veel gedichten spreekt een verlangen naar bescherming:

    ‘je hand is mijn huis
    je palm is mijn slaapkamer…
    de ramen zijn altijd open
    en het huis is altijd warm’

    En uiteraard is er de liefde, altijd de Liefde:

    ‘alle ik hou van jou’s die achter onze tanden blijven rotten
    waar moeten we ze uitspugen
    op jouw gezicht of op het mijne?’

    Fantastisch debuut

    Door het gebruik van de taal uit een andere cultuur (om het maar even zo te noemen) wordt de lezer uitgenodigd om langzaam en aandachtig te lezen: weer zo’n tegenstelling met onze overwegend haastige wereld. Geef je je als lezer daaraan over, dan staat je een boeiende wereld te wachten.

    Neem ruim zei de zee is een romantische bundel waarin heimwee, nostalgie, liefde voor de natuur en voor de medemens tegenover de harde maatschappij worden gesteld en zo troost bieden of, zo je wilt, bescherming. De zintuiglijke taal en de metaforen doen de rest, ze geven je een warm gevoel. Een fantastische debuutbundel.

    Tot slot een fragment uit een favoriet gedicht:

    ‘neem me terug
    zodat ik de gebroken stukken uit mijn verstoorde dromen opruim
    ze op de plank leg
    een voor een
    met vingers druipend van gesmolten moed
    leeg van vrees
    om uit elkaar te vallen
    zonder een plakkerige angst om niet meer in elkaar te passen’

     

     

    Neem ruim zei de zee

    Neem ruim zei de zee

    Sholez Regazadeh

    Gedichten

    Uitgever: Ambo | Anthos (2024)

    ISBN 9789026367861

    72 pagina’s

    Prijs: € 20,99

    Buy with Libris
  • Lichtvoetig verteld drama 

    Lichtvoetig verteld drama 

    Voor haar nieuwe roman Wondermond liet Anne-Gine Goemans zich inspireren door een waargebeurde scheepsramp die in 1883 plaatsvond op zee bij het Friese dorp Moddergat. Daar verging toen door een hevige storm vrijwel de gehele vissersvloot, waarbij drieëntachtig mannen de dood vonden. In de roman is Wondermond een denkbeeldig Fries vissersdorp. Daarheen verhuizen hoofdpersoon en ik-verteller Boye en zijn moeder Reina, wier geboorteplaats het is. Hun vertrek is meer een vlucht omdat hun vader en echtgenoot, de rijke beleggingsadviseur Erik de Koning, wegens beleggingsfraude is gearresteerd. 

    Het eerste hoofdstuk, verteld door een alwetende verteller, begint in 1901 met Nanna, overgrootmoeder van Reina. Ze is de vrouw van visser Siebe de Jong die op zee omkomt als bij een zware storm de Wondermondse vissersvloot vergaat. Aken, blazers en lichamen spoelen de daarop volgende dagen aan, behalve de WM13 van schipper Siebe. Het schip blijft spoorloos. Nanna verliest daarmee haar man en twee zonen. Dit drama plus latere sterfgevallen op zee en de eruit voortvloeiende armoede vormen de onderlaag van het familietrauma dat doorwerkt tot in het heden.

    Genenpakket van vissers en bouwvakkers

    In hoofdstuk twee valt in Bloemendaal op een feest van Erik en Reina de FIOD binnen. Ze nemen Erik mee en leggen beslag op alle bezittingen. Zeventienjarige Boye gaat met een vriend mee waar zijn moeder hem de volgende dag ophaalt. Ze hebben niets meer en hun Poolse werkster rijdt hen in ruil voor een Prada-tas naar Wondermond. Boye heeft nooit anders dan een luxe leventje gekend te midden van vrienden met ouders die even rijk waren als de zijne, hoewel er een verschil was tussen ‘oud en nieuw geld’. ‘Mijn genenpakket bestond uit het DNA van vissers en bouwvakkers.’ Boye en zijn vriendjes zijn arrogante ettertjes, vermaken zich met drank en drugs en halen streken uit zoals koi-karpers alcohol in hun bek gieten en ze in een zwembad van een villa verderop gooien. Boye ‘moest nog leren dat twee-onder-een-kapwoningen niet de standaardnorm zijn’. Reina wordt na de arrestatie onmiddellijk verguisd door haar vriendinnen van wie de echtgenoten door Erik zijn opgelicht. 

    Tot zover de achtergrond. Op pagina 43 begint de rest van het verhaal. In Wondermond zijn Boye en Reina ingetrokken bij Reina’s moeder Wiep, waar de tegensteling groot is, ze vallen van het ene uiterste in het andere. Noodgedwongen moeten ze een baantje zoeken. Reina, als altijd de zaken koel onder controle, begint in een callcenter en Boye vindt werk op een visserskotter, hoewel zijn moeder hem vanwege de vele verdronken voorouders verbiedt de zee op te gaan. Boye gaat toch, naar de gebroeders Krab: ‘”Wiep zei dat jullie werk voor me hebben. Op zee”. Ik twijfelde of ik wel voor zulke debielen moest gaan werken, maar geld was de enige manier om hier weg te komen.’ Hij mag mee voor de visverwerking op zee. Over het vastlopen van de kotter, waarbij even gevaar dreigt en Boye alleen in een reddingsvlot afdrijft, vertelt hij thuis niets. Hij heeft nog eenmaal contact met een van zijn Bloemendaalse vrienden, daarna laat ook deze hem vallen. Alleen Olivia, een weinig geliefd meisje bij de vroegere vriendenclub, blijft hem steunen, totdat Boye het verpest.

    Sterke vrouwen

    Goemans trekt de verhaallijn vanuit het verleden door tot in het heden: de geschiedenis van de moeder, oma en overgrootmoeder van Reina. Na de ramp in 1901 moet Nanna het net als veel andere weduwen in het dorp zien te redden zonder echtgenoot. Het geld uit een noodfonds voor de weduwen raakte onverklaarbaar ‘op’, waarna de dominee en andere dorpsnotabelen veel vrouwen ‘hielpen’ met een gulden in ruil voor seksuele gunsten. Nanna probeert haar dochter Famke ervoor te behoeden, wat niet helemaal lukt. Jaren later gaat Famke, nadat ze in Parijs in de Moulin Rouge heeft gedanst en in Amerika woonde waar haar Amerikaanse echtgenoot overleed, terug naar haar geboortedorp waar ze een vriendelijke echtgenoot vindt. Maar de dominee wandelt ook nog rond en Famke besluit om alsnog wraak te nemen. Ze krijgt Wiep en Wiep krijgt Reina die grote bewondering voor haar frivole oma Famke heeft. Reina vertrekt uit het dorp en vindt rijke Erik. Terug in Wondermond begint ze na verschillende mislukte baantjes – want Reina kan haar mond niet houden – en een mislukte schoonheidssalon een parenclub. Net als haar voormoeders laat Reina zich niet klein krijgen. 

    Goemans kent haar materie. Het visserijjargon, de financiële wereld, het jongerengedrag, de gevaren op zee en het leven in een afgelegen klein dorp, het komt allemaal grondig gedetailleerd voorbij. Daarbij schetst ze personages die voor de ogen van de lezer gaan leven, al kunnen ze soms wat karikaturaal aandoen. Zoals de gebroeders Krab met hun bijnamen Hynder, Skeet en Fokse, hun ongeschoren gezichten, slordige kleren en blikken bier. ‘Ik kon niet geloven dat de broers een drieling waren, ze hadden niks gemeen behalve dat ze alle drie uitzonderlijk lelijk waren. In Bloemendaal hadden we ze tentoongesteld op de jaarmarkt.’ Van Boye lezen we zijn gedachten, van de andere personages blijkt de gemoedstoestand vooral uit hun handelingen en opmerkingen, vaak in het Fries dat ook zonder kennis van die taal te begrijpen valt. Boye integreert uitzonderlijk goed in het dorp. Hij krijgt er vrienden, gaat naar café en discotheek, wordt verliefd op een totaal ander type meisje dan zijn vriendinnetje uit Bloemendaal en past zich aan. Met zijn vader heeft hij sporadisch contact, hij is boos op hem.

    Voor Boye aan het einde van het boek vertrekt, vermoedt een maritiem archeoloog dat op de plek waar de kotter van de gebroeders Krab in de problemen kwam de nooit gevonden WM13 ligt. Onder het oog van Omrop Fryslân, waaraan Boye tot zijn spijt naïef eerder al een interview heeft gegeven, wordt er gedoken. De hedendaagse notabelen besluiten tot een museumpje, wat het vrouwentrauma even doet opleven. 

    Meer dan coming-of-age

    Waar coming-of-age verhalen vaak vooral jongere lezers aanspreken, overstijgt Wondermond het genre door het historisch perspectief en het indirecte commentaar op morele hypocrisie, zowel bij de Bloemendalers als bij de Wondermondse notabelen. Goemans’ manier van vertellen is net zo onverstoorbaar als het gedrag en het karakter van de sterke vrouwen in het boek. Het verhaal vloeit, het loopt, er staat geen woord verkeerd of te veel in. Het ritme nodigt uit tot doorlezen en juist de vele kleine gebeurtenissen tussen de grote door maken het verhaal levensecht en boeiend. Het werk op de viskotter en het leven in het dorp beschrijft de auteur zo beeldend alsof ze er zelf bij was. Ze bespeelt alle zintuigen: je ziet Boye met de vissen in zijn handen, je ruikt de vis. Je hoort de personages Fries praten en je voelt de voldoening als Famke de dominee te grazen neemt. Dat en alle details maken de roman ondanks alle misère lichtvoetig en plezierig om te lezen. 

     

     

  • Ingenieuze historische schelmen- en ideeënroman in één

    Ingenieuze historische schelmen- en ideeënroman in één

    In 1782 verscheen in Frankrijk Le Chirurgien Dentiste van de toen 50-jarige tandarts Pierre Fauchard. Het was een belangrijk boek omdat het uitging van medische behandeling van defecten aan gebitten. Tot dan toe moest je met rotte tanden naar de barbier, die zonder veel compassie het kwaad met wortel en tand weghaalde. Of je teisterde zelf je kaken om van de pijn af te komen. Fauchard hield het niet bij trekken maar maakte serieus werk van reparatie en zelfs transplantatie van tanden.

    Een van de motto’s in de jongste roman van Auke Hulst, Tandenjager, komt uit die gebittenbijbel: ‘De tanden in hun natuurlijke staat zijn de meest gepolijste en hardste botten van het menselijk lichaam; tegelijk zijn ze het bevattelijkst voor kwalen die acute pijn veroorzaken en soms zeer gevaarlijk kunnen zijn.’ Dat lijkt bij eerste lezing een nuchtere constatering, maar wie deze sprankelende roman ten volle heeft verteerd en het motto herleest beseft dat er een metafoor in zit voor de samenleving.

    Tanden van jong gesneuvelde soldaten

    Auke Hulst neemt de lezer mee naar het begin van de negentiende eeuw. Fauchard had met zijn behandelingen school gemaakt. Wie het kon betalen (nog altijd een kleine minderheid van rijkeren) kon zijn gebit laten renoveren of implantaten laten plaatsen. Daarmee kon je je tenminste weer vertonen zonder je lippen stijf op elkaar te houden. Maar de praktijkhoudende tandartsen moesten wel aan vervangende tanden zien te komen. Die waren volop voorradig bij jonge gesneuvelde soldaten op slagvelden.

    Daarmee begint Tandenjager. Eerst in een prelude met de doodsstrijd van soldaat Amadeo d’Isenbardt nabij Quatre Bras en daarna met de introductie van een sluwe Nederlander, die zich naargelang hem het beste uitkomt Vos Jacobsz en Jacobi Fox noemt. Zijn echte patroniem gebruikt hij nooit en dat heeft een reden. Hij is de buitenechtelijke zoon van een baron. Zijn moeder die bij de baron in dienst was, is om voor de buitenwereld het geheim te verbloemen getrouwd met een hork van een – streng gelovige – (stief)vader. De moeder is gestorven tijdens de vroeggeboorte van een dood broertje dat Vos uit schuldgevoel over haar dood in de roman kwellend blijft achtervolgen als zijn ‘gebroerte’.
    De moeder heeft Vos gevoed met liefde voor literatuur en ingewijd in het Verlichtingsdenken: hij is atheïst geworden. Het armoedige milieu waaruit hij komt (de baron erkent hem niet als zijn zoon) en zijn slechte gebit bieden hem weinig toekomst.

    Puntgaaf gebit uithakken

    Daar wil hij verandering in brengen. Hij gaat tanden roven van gevallenen op het slagveld en die verkopen aan artsen. Als hij het lijk van Amadeo vindt, ontdekt hij dat die een puntgaaf gebit heeft. Hulst beschrijft heel precies hoe Vos dat eruit hakt (ja, hij weet hoe hij gruwelijke taferelen moet presenteren) om het vervolgens door zijn afnemer, een Londense tandarts, in zijn eigen mond te laten plaatsen.
    Maar hij ontdekt meer op het lijk van Amadeo: bizarre liefdesbrieven van een gravin, Margaux, die in Nederland een landgoed en in Suriname plantages bezit. Hij ziet dé kans om zich voorgoed uit zijn armoede te verheffen door te proberen het aan te leggen met Margaux.

    Hulst sleept de lezer vervolgens mee in een avontuur dat heel lang raadselachtig blijft totdat uiteindelijk alles op zijn plek valt. Margaux is geen gewoon wezen. Ze is een ‘vleermens’, een vampier. Ze heeft mannen nodig voor haar bestaan, zoals een vampier bloed zuigt. Haar grootste angst is zich aan een man uit te leveren. Het lukt Vos echter om haar in te palmen en dat wordt een probleem als Margaux en hij echt verliefd op elkaar raken. Dat kan zij zichzelf niet toestaan. Copulatie, vooral als die een zwangerschap tot gevolg heeft, is in haar geesteswereld fataal.

    Vooravond Slag bij Waterloo

    Tandenjager is een razend knappe verknoping van een historische, schelmen- en ideeënroman in één. De schelm vertoont zich in de jonge Vos die, in armoede opgegroeid, zich met list en bedrog een weg baant in de wereld. Maar hij komt ook tot inzichten door de confrontatie met conflicterende ideeën: de Verlichting tegenover het godsgeloof en de Bijbel als levenssnoer, de machtswellust van de mens tegenover de natuur en tegenover medemensen, lijden en onsterfelijkheid, liefde en racisme. Tijd en plaats van handeling zijn niet alleen belangrijk door de ontwikkeling van de wetenschap, maar ook door de laatste Napoleontische oorlog en de afschaffing van de handel in slaven. Daarbinnen is wat er tussen Margaux en Vos gebeurt de motor van het verhaal.

    Hulst beschrijft de wereld van toen in levendige en smeuïge bewoordingen. Neem hoe hij zicht biedt op het leven aan de vooravond van de slag bij Waterloo: ‘Dezer dagen puilde de stad uit (…) Vos was te voet gekomen. Hij had overnacht in een mistroostig gat dat wegzonk in het moeras, was met de pont de Donge overgestoken, en had Tilburg bereikt, waar geroddeld werd over de sodomie van de Prins van Oranje. Voorbij Antwerpen waar hij zijn vermomming had bemachtigd, had hij in het open veld in een bivak rondgehangen, handelend in sterke drank en worst, doof voor de toespelingen van de soldaten. Het bataljon was door desertie al enkele opportunisten kwijt geraakt die voor het schamele handgeld in dienst waren getreden; minder verstandige lieden hunkerden naar het veld van eer.’ Op een dergelijke manier reis je in Tandenjager hotsend en botsend mee in reiskoetsen en voel je de insectenbeten en de modder aan je voeten als Vos door het oerwoud trekt.

    Lievelingsboek is Don Quichot

    De roman staat verder bol van de intertekstuele verwijzingen naar literatuur die in het begin van de 19de eeuw veel gelezen werd of actueel was (het is op zich al een groot genoegen zoveel mogelijk schrijvers te ontdekken): Shakespeare, Shelley, Keats, Blake, Dante, Kant, noem maar op. Tandenjager doet ook in dat opzicht nergens geconstrueerd of gezocht aan. De citaten zijn er allerminst met de haren bij gesleept en passen organisch in de wereld van Vos en Margaux. Zo is het lievelingsboek van Vos niet voor niets Don Quichot. Het is zo ongeveer het laatste dat hij kwijtraakt als hij zich een vluchtweg ploetert vanaf een plantage in Suriname. Zijn liefde voor de onbereikbare Margaux is hetzelfde lot beschoren als die van Quichot voor zijn Dulcinea. Wie niet wordt geciteerd is Bram Stoker, maar naar diens roman lijkt Tandenjager vooral in zijn vorm te verwijzen. Net als Dracula is Hulsts roman voor een groot deel opgebouwd uit dagboeken en brieven.

    Tenslotte is er de prachtige compositorische opzet van Tandenjager. Het verhaal springt heen en weer in de tijd, maar wordt bij elkaar gehouden door enkele hoofdstukken over bepalende jaren en plaatsen die als scharnieren fungeren en naast een topografische kaart als titel een muzikale beweging hebben: ‘prelude scherzo ostinato nocturne’. Tandenjager is een intense leeservaring. Je hebt een paar dagen nodig om ervan bij te komen.

     

     

  • Die keer met… taal

    Die keer met… taal

    Marlies Smeenge (1993) is film- en documentairemaker, vooral voor de Nederlandse televisie (over nonnen, butlers, honden) en nu ook schrijver. De Bananenlezers is haar eerste roman. In Antwerpen volgde ze aan het Koninklijk Conservatorium de opleiding Woordkunst, daarna volgde ze Regie Documentaire aan de Nederlandse Filmacademie in Amsterdam en studeerde er af met de tragikomische documentaire Traag naar de Hemel.

    In een interview met De Gelderlander in maart dit jaar zegt Smeenge: ‘Woordkunst is een studie waarin alles draait om storytelling; verhalen vertellen in de breedste zin van het woord. Je acteert, volgt mediavakken, schrijft, maakt radioprogramma’s en staat met theaterteksten op het podium. Daarnaast maak je kennis met wereldliteratuur en krijg je stem- en spraakles. Studenten worden zo breed mogelijk getraind om de allerbeste verhalenvertellers te worden. Ik vond alles interessant, maar het was wel overweldigend. Want je kunt onmogelijk alles bijhouden. Al het nieuws, alle theatershows, interessante tv-programma en alle nieuwste boeken… het is te veel.’

    Koikarper

    Dat verhalen vertellen heeft Smeenge nu in praktijk gebracht met de roman De Bananenlezers. Ik-persoon Loekie begint aan de prestigieuze studie Toonkunst op een Belgische toneelschool. Ze komt te wonen in woongroep Kijkdoos, die is gevestigd in een pand waarin ze telkens verdwaalt, nieuwe mensen in onontdekte kamers vindt en nogal weirde personen ontmoet, zoals Axelle en Stefaan 6. De laatste noemt haar koikarper.

    Loekie moet erg wennen aan het (indirecte) taalgebruik van de Vlamingen en valt van de ene onduidelijke situatie in de andere doordat ze woorden niet kent of er een andere invulling aan geeft. Zelf is ze als Nederlandse heel direct in haar reacties, wat ook weer veel spraakverwarring en daarmee chaos veroorzaakt. Soms denkt ze: ‘Waar staan die verborgen camera’s?’

    Ook op de toneelschool valt ze van de ene verbazing in de andere. Ze moet rollen spelen en oefeningen doen waarbij ze regelmatig geen idee heeft over het waarom, laat staan dat ze weet wat ze aan het leren is. Loekie onderschat hoe het is om in een ander taalgebied terecht te komen. Vlaams is geen Nederlands met een leuk accent. Vlamingen onder elkaar spreken heel anders, En dan zijn er nog de cultuurverschillen. Kortom, haar leven is zowel privé als op school een behoorlijke chaos. Smeenge in bovengenoemd interview: ’Die cultuurverschillen zijn gróót! Vooral wat niet gezegd wordt in België, die stiltes; daar moet je echt mee leren omgaan. Het duurde best lang voordat ik vriendschappen kon sluiten.’

    In het diepe

    Om de chaos te beteugelen is Loeki genoodzaakt om veel vragen te stellen aan zowel haar huisgenoten, met wie ze een steeds betere band krijgt, als op de opleiding. De docenten leren haar stapje voor stapje kennen en zij hen, waardoor haar aan het einde van het eerste studiejaar tenslotte duidelijk wordt wat er eigenlijk van haar gevraagd wordt. Ze moet daarvoor uit haar comfortzone stappen en op zoek gaan naar haar innerlijk: waarom en hoe wil ik de opleiding afronden? Wat is de meerwaarde voor mij?

    Ze praat erover met een Jeanne, een ‘vriendin’ en nogal sneu meisje dat erg aan haar hangt en ook heel eerlijk is. De twee vrouwen leren veel van elkaar. Loekie leert Jeanne directer en assertiever te zijn, Jeanne leert Loekie geduld te hebben. ’”Jeanne, fucking kijk naar jezelf. Nee, niet eens dat, neem gewoon even drie seconden de tijd om te voelen hoe je lichaam nu voelt. Dit kan helemaal niet.” “Ik geloof niet dat ik kan kiezen om het niet te kunnen,” zegt Jeanne.’ Met haar huisgenoten voert Loeki gesprekken over het leven, de zin ervan, het doel van het bestaan, de taal en nog zo meer. Daardoor kan ze zich in het diepe storten en langzamerhand de controle loslaten, waardoor ze meer vat op haar leven in Antwerpen krijgt.

    Ook een oudere man die ergens in de Kijkdoos woont en van alles heeft gespaard en bewaard, houdt haar een spiegel voor en zij hem. Ze krijgt hem zelfs zo ver een openbare verkoop te houden van zijn chaotische verzameling waardoor hij de warboel in zijn leven en in de Kijkdoos de baas wordt.

    Komisch en ontroerend

    Deze roman is een echt avonturenverhaal, waarin elke hoofdstuktitel bestaat uit Die keer met, plus het onderwerp of het thema van dat hoofdstuk. Smeenge heeft duidelijk iets met taal: de verschillen tussen Vlaams en Nederlands worden volop benut, ze observeert heel goed en kan die observaties uitstekend vertalen in humoristische situaties en misverstanden. Ze associeert er behoorlijk op los en sommige hoofdstukken vliegen alle kanten op. Op het eerste oog zijn het vrij willekeurige, losse verhalen, maar uiteindelijk blijkt alles een rol te hebben en in elkaar te passen, waarmee Smeenge het verhaal mooi rond maakt.

    De Bananenlezers is een meeslepend boek over aanpassen, deelnemen, observeren, cultuurverschillen en taal. De auteur geeft Loekies huisgenoten en studiegenoten een duidelijk en herkenbaar karakter mee, dat ze goed ontwikkelt. Je leert iedereen echt kennen. Bij tijd en wijlen is het boek komisch en vaak ook ontroerend. Met name Loekies sneue vriendin laat je nogal eens stilstaan bij haar leven. Het taalgebruik is helder en vindingrijk, waardoor de roman vlot leest. Maar dat is de bovenlaag. Daaronder schuurt het regelmatig en zit er heel wat ongemak. ’Ik kijk en luister graag naar mensen,’ zegt Smeenge, ‘hoe hun onderlinge dynamiek is, hoe ze omgaan met sociaal ongemak. Dat probeer ik te begrijpen, mijn fantasie vult dat vervolgens aan. Dat laatste is trouwens vaak leuker dan de realiteit, wat weer tot nieuwe verhalen leidt.’

    Loekie zegt tegen haar huisgenoten die op de bank hangen en niets doen dat ze ‘bananen lezen’. Het betekent zoiets als uitloggen in een situatie. Complete passiviteit. Er wel zijn, maar er niet echt zijn. Niet participeren. De bananenlezers is een regelrechte aanrader en maakt nieuwsgierig naar wat de schrijver voor de toekomst in petto heeft.

     

  • Oogst week 42 – 2024

    Eindspel: 1944 – Hoe Stalin de oorlog won

    De Britse historicus en schrijver Jonathan Dimbleby (1944) is presentator van radio- en televisieprogramma’s over actuele zaken. Hij begon daarmee in 1969 bij de BBC en schreef mee aan televisieseries die hij zelf presenteerde. Boeken van zijn naam zijn onder meer: The Palestinians (1978), Russia: a journey to the heart of a land and its people (2008), Barbarossa – Hoe Hitler de oorlog verloor (2021).

    Dit jaar verscheen Eindspel: 1944 – Hoe Stalin de oorlog won. Dimbleby geeft daarin een nauwgezette analyse van de militaire, politieke en diplomatieke ontwikkelingen in het allesbepalende jaar 1944. Er werd een moordaanslag op Hitler gepleegd, de geallieerden landden op de stranden van Normandië en tegelijkertijd bracht het Rode Leger in Operatie Bagration de Duitse Wehrmacht een verwoestende nederlaag toe, waarbij Wit-Rusland en het oosten van Polen werden heroverd. Nazi-Duitsland werd op de knieën gedwongen. Deze Russische triomf aan het oostfront kenmerkt de geschiedenis van Europa na de oorlog. Churchill en Roosevelt bogen voor Stalin die Oost-Europa binnen zijn invloedssfeer wilde hebben. Dimbleby legt verbanden tussen dit succes en de huidige oorlog van Poetin in Oekraïne.

     

    Eindspel: 1944 – Hoe Stalin de oorlog won
    Auteur: Jonathan Dimbleby
    Uitgeverij: Arbeiderspers

    De A van Asta

    De Deens Tine Høeg (1985) schreef met De A van Asta niet een roman in de gewone zin van het woord. Ze speelt met woorden. De tekst bestaat uit korte zinnen en regels met een of meer witregels ertussen. Soms bestaat een regel uit één woord, en een of twee zinnen of regels op een bladzijde komen ook voor. Interpunctie ontbreekt vrijwel.

    Asta, de hoofdpersoon en ik-verteller is bezig aan een boek over een Poolse cementkunstenaar. Ze wordt gestoord in het werk en gaat terug naar het verleden als ze een uitnodiging ontvangt voor een herdenkingsdienst voor August, een jongen met wie ze in hetzelfde studentenhuis woonde en die tien jaar eerder is overleden. Mai was destijds al haar beste vriendin en is dat nog steeds. Geregeld past Asta op het zoontje van Mai.

    De roman gaat over het studentenleven van toen, de feestjes en verliefdheden, waarin August een relatie had met Mai. Over wie ze dachten te zijn en wie ze nu zijn. Angsten, herinneringen en ambities komen boven. Op trage wijze laat Høeg het verhaal tot leven komen dat Asta nooit aan Mai heeft durven vertellen. Hoe waren de onstuimige dagen voorafgaand aan Augusts dood, wat gebeurde er werkelijk in de nacht dat hij stierf?

    Het boek werd bewerkt tot een toneeltekst en opgevoerd door het Koninklijk Deens Theater.

    De A van Asta
    Auteur: Tine Høeg
    Uitgeverij: Koppernik

    Intermezzo

    De Ierse schrijfster Sally Rooney (1991) staat bekend als iemand die schrijft over de millennials. Door The Guardian werd ze uitgeroepen tot dè millennialstem en Time rekende haar in 2022 tot de meest invloedrijke mensen ter wereld. Rooney noemt zichzelf een feminist en een marxist, sommige critici spreken vooral dat laatste tegen.

    In haar roman Normale mensen zet ze wat als normaal en niet-normaal wordt gezien tegen elkaar af. Deze roman werd genomineerd voor de Booker Prize en won belangrijke andere prijzen. Er werd ook een televisieserie van gemaakt, net als van Gesprekken met vrienden.

    In Intermezzo, Rooney’s vierde roman, rouwen twee zeer verschillende broers om de dood van hun vader. Peter, een dertiger, is een succesvolle advocaat in Dublin. Hij heeft relaties met twee vrouwen en geen idee hoe hij die moet handlen. Hij lijkt onaantastbaar, maar kan niet zonder slaapmedicatie. De tweeëntwintigjarige Ivan, een professioneel schaker en sociaal onhandige loner, krijgt een relatie met de achttien jaar oudere, net gescheiden Margaret. Hij is niet bepaald dol op zijn broer. ‘Opzettelijk zacht, bijna sissend, zegt Ivan: “God man, wat haat ik jou. Mijn hele leven al.” Zonder zich te verroeren, zonder om zich heen te kijken of andere gasten of de serveersters op hen letten, zegt Peter alleen: “Weet ik.”’ Rooney ontleedt de karakters van de twee broers.

     

    Intermezzo
    Auteur: Sally Rooney
    Uitgeverij: Ambo|Anthos
  • Gynaecologisch verzet op de plantage

    Gynaecologisch verzet op de plantage

    In een interview met The Center for Fiction wordt schrijfster Tracey Rose Peyton gevraagd naar de aanleiding voor de thematiek in haar debuut Waar we gaan is nacht, dat genomineerd is voor de Amerikaanse First Novel Prize 2023. Ze vertelt in het interview dat ze geraakt is door een boek van historica Paula Giddings, Where and When I Enter. In dat boek worden verschillende manieren beschreven waarop tot slaaf gemaakte mensen op plantages in de Verenigde Staten indertijd verzet boden, bijvoorbeeld door expres traag te werken, door hun werk te saboteren, maar ook door hun eigenaren op gynaecologisch gebied tegen te werken, met andere woorden: door niet zwanger te worden of door ervoor te zorgen dat zwangerschappen vroegtijdig tot een einde kwamen. Deze laatste vorm van verzet inspireerde Tracey Rose Peyton (pas afgestudeerd aan het Michener Center for Writers aan de universiteit van Texas-Austin) tot het schrijven van haar eerste roman.

    De hoofdpersonages in het boek zijn zes vrouwelijke slaven, die in een niet heel gebruikelijk maar wel effectief wij-perspectief een collectieve stem vormen. Hun eigenaren, Lizzie en Charles Harlow (de zwarte vrouwen noemen hen de Lucy’s, naar Lucifer), hebben hun noodlijdende plantage in Georgia verlaten om hun geluk opnieuw te beproeven in Texas. Junie is de enige slavin die uit Georgia is meegekomen, waarbij ze haar man en kinderen moest achterlaten. Dat laatste neemt ze Lizzie erg kwalijk. Charles heeft in Texas een aantal nieuwe en uitsluitend vrouwelijke slaven gekocht, Patience, Lulu, Alice, Serah en de oudere Nan. Pas achteraf bedenkt hij dat het met het oog op nageslacht handiger zou zijn geweest om ook mannelijke slaven aan te schaffen, maar die waren duurder. De zes vrouwen wonen noodgedwongen bij elkaar en voelen een verbondenheid in hun gezamenlijke vijand, de Lucy’s. ‘We waren met elkaar verbonden door wat vrouwen zoals wij met elkaar verbindt. Dat maakt mensen nog geen familie. Het maakt dat ze zich opgesloten voelen. En dat kan ze haatdragend maken naar elkaar, tenzij die haat wordt omgebogen en ingezet voor iets heel anders.’

    Fokslaaf

    De plantage in Texas is evenmin een succes voor Charles en Lizzie. Ze hebben grote schulden en proberen manieren te bedenken om toch aan geld te komen. Lizzie krijgt het ene na het andere kind en heeft steeds opnieuw grote moeite om een geschikte min te vinden. Op een dag heeft Charles een ‘fokslaaf’ gehuurd, waarmee hij ervoor wil zorgen dat er baby’s geboren gaan worden bij de zwarte vrouwen. Deze toekomstige kinderen zouden op de plantage kunnen gaan werken of zelfs verkocht kunnen worden. Het probleem van de min zou ook opgelost zijn. Uiteraard voelen de vrouwen er collectief niets voor dat er op deze manier misbruik van hen gemaakt wordt. Ze doen hun best om zo onaantrekkelijk mogelijk te zijn voor de fokslaaf. De oudste van de zes vrouwen, Nan, is de vruchtbare leeftijd al gepasseerd. Zij is vroedvrouw en weet veel van planten en kruiden. Met haar middeltjes weet ze de fokslaaf ziek te maken. Om te voorkomen dat ze zwanger worden, kauwen de vrouwen op wortels van de katoenplant. Charles krijgt argwaan wanneer niemand van de jonge vrouwen zwanger blijkt te zijn maar heeft nog een plan B achter de hand.

    Er breekt voor iedereen een andere fase aan wanneer er buren komen die ook een plantage met slaven hebben. Charles ziet vooral concurrentie, maar de vrouwen genieten van de geheime bijeenkomsten die ze ’s avonds en ’s nachts in het bos hebben met de andere slaven. Wanneer Serah betrapt wordt, moet ze een tijdlang een soort harnas met een bel erin dragen, zodat hoorbaar is waar ze zich bevindt. De sfeer in Texas en op de plantage wordt dreigender en grimmiger doordat er op een gegeven moment verhalen rondgaan over slaven die zich  tegen hun meesters keren. Er zijn bijvoorbeeld geruchten over slaven die moorden plegen of waterputten vergiftigen. Charles neemt steeds strengere maatregelen om zijn gezin te beschermen tegen die toenemende dreiging.

    Vragen

    De verhaallijn van de vrouwen die maar niet zwanger worden is interessant en de angst van de vrouwen dat hun plan en de maatregelen die ze treffen om zwangerschappen te voorkomen aan het licht komen is voelbaar. Het wij-perspectief, op zich echt een vondst in deze context, wordt helaas niet consequent gehanteerd en dat maakt het boek toch wat rommelig. Via een alwetende verteller wordt bijvoorbeeld duidelijk dat ook Lizzie haar leven niet altijd gemakkelijk vindt. De roman zou krachtiger geweest zijn wanneer die verhaallijn van Lizzie achterwege was gelaten of toch ook alleen via het wij-perspectief was gedeeld. Nergens voel je als lezer namelijk enige sympathie voor haar (of voor haar man). Daarnaast zijn er aan het eind van het boek wat brieven aan Serah te lezen van een mannelijke slaaf van een buurplantage. Deze brieven vormen niet alleen opnieuw een onderbreking van het perspectief, maar roepen vooral vragen op. Hoe is het mogelijk dat Serah kon lezen en dat haar gevluchte geliefde zulke volzinnen kon schrijven in een tijd dat het vooral als gevaarlijk werd beschouwd om slaven te leren lezen en schrijven? Ten slotte zorgen grote tijdsprongen aan het eind van het boek ervoor dat er veel vragen overblijven.

    Schrijnend

    Het is belangrijk dat het verhaal van het slavernijverleden van de Verenigde Staten verteld blijft worden. Tracey Rose Peyton heeft daar een nieuwe dimensie aan toegevoegd met de invalshoek van het gynaecologisch verzet. In dat opzicht is het een bijzonder debuut, waarin het lijden van tot slaaf gemaakte mensen schrijnend en invoelbaar aanwezig is, al kun je je afvragen wat het boek verder toevoegt aan de al bestaande literatuur. Waar we gaan is nacht is een donker en somber boek, zonder enige hoop en er zijn wat rafelrandjes waar het gaat om het perspectief, de geloofwaardigheid en wat losse eindjes die onvoldoende afgehecht worden. Maar desalniettemin is het een opvallend en vlot leesbaar verhaal.

     

     

  • Oogst week 25 – 2024

    Deze vreemde bewogen geschiedenis

    In de Aantekeningen achter in Deze vreemde bewogen geschiedenis schrijft Claire Messud (1966) dat haar boek fictie is: ‘Maar de wederwaardigheden van de familie Cassar sluiten nauw aan op die van mijn eigen familie. De ouders van mijn vader waren geboren en getogen in Algerije’.
    Deze vreemde bewogen geschiedenis begint op 14 juni 1940 in Salonika (Thessoloniki) waar Fransman Gaston Cassar marineattaché is op de ambassade van zijn land. De Duitsers hebben op die dag Parijs bezet en daarmee veranderen leven en werk van Cassar. Hij gaat niet in op de oproep van De Gaulle vanuit Londen aan alle nog vrije Fransen om zich bij hem aan te sluiten, maar besluit zijn eigen weg te gaan. Zijn vrouw Lucienne en de kinderen naar haar geboorteland Algerije. Daar worden ze bepaald niet meer welkom geheten omdat ze getrouwd is met een vertegenwoordiger van de koloniale heerser. Zo is zij, die al vreemdeling was in Salonika, nu ook in hun land van oorsprong niet thuis.
    Vanaf dat moment volgen we de familie Cassar gedurende drie generaties, om in 2010 te eindigen in Connecticut. Het verhaal van deze familie ontrolt zich in wisselende perspectieven en verspringend door de jaren.
    Van Claire Messud (1966) verschenen in Nederland eerder Het vorige leven, Meisje in brand en De kinderen van de keizer.

    Deze vreemde bewogen geschiedenis
    Auteur: Claire Messud
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Nooit moet je me vragen

    Eind vorig jaar verscheen in de privé-domeinreeks een heruitgave van de beroemde verzameling herinneringen, Familielexicon, van Natalia Ginzburg in de vertaling van Jan van der Haar. Nu, amper een half jaar later, is er de bundel essays en verhalen van de schrijfster, die in 1916 werd geboren als Natalia Levi en stierf in 1991 (Ginzburg was de naam van haar in de oorlog vermoorde man). De bundel die oorspronkelijk verscheen in 1970 is eveneens door Jan van der Haar vertaald. Eén van de verhalen is ‘De ouderdom’, geschreven in december 1968, toen ze dus 57 jaar oud was. Het begint als volgt: ‘Nu worden wij wat we nooit wilden worden: oud. Ouderdom hebben we nooit gewild of verwacht; en toen we ons die trachtten voor te stellen was dat altijd oppervlakkig, grofweg en vaag. Ze heeft ons nooit zo nieuwsgierig of belangstellend gemaakt. (In het verhaal van Roodkapje was degene die me het minst nieuwsgierig maakte haar grootmoeder, en het kon ons geen bal schelen dat ze veilig en wel uit de buik van de wolf kwam.) Het merkwaardige is dat we, nu ook wijzelf oud worden, geen belangstelling voelen voor de ouderdom (…) Onze blik zal altijd nog op de jeugd en kindertijd gericht zijn’.
    In het boek zijn tal van commentaren op het werk van Ginzburg opgenomen.

    Nooit moet je me vragen
    Auteur: Natalia Ginzburg
    Uitgeverij: Nijgh en Van Ditmar

    Jericho

    Jericho is de vierde roman van schrijver en dichter Lammert Voos. Een roman over het behouden van waardigheid en menselijkheid in oorlogstijd. De journalist Adam bevindt zich als correspondent in de denkbeeldige stad Jericho. Het boek begint met een proloog waarin Adam worstelt met zijn herinneringen aan zijn oorlogcorrespondentschap in Jericho. ‘Niets had hem voorbereid op de stank en de chaos, de beelden die ’s nachts terugkwamen.’ Voos werkte als vluchtelingenwerker tijdens de burgeroorlog in voormalig Joegoslavië. Deze roman is gebaseerd op zijn ervaringen. In het boek raken enkele mensen ingesloten in een belegerde stad waar vervolgend de anarchie uitbreekt.

    ‘De pantserwagen ploegde voort en bereikte het oude stadscentrum, reed langs de neoklassieke gebouwen, de eens zo mooie parken die nu allemaal kerkhoven waren, langs het station, in de richting van Hotel International. Achter het hotel lag de vn-compound en in het hotel huisden de fixers, de journalisten, hulpverleners, hoeren, pooiers en de gangsters die de stad in werkelijkheid controleerden. Mogadishu, Kabul, Goma, Bagdad; al die steden hadden zo’n hotel. Binnen heerste wapenstilstand, één stap buiten en je was vogelvrij.’

    De gebeurtenissen zijn schrijnend en beklemmend, ieder moet zichzelf redden (je maakt je een levendige voorstelling van Gaza als je dit boek leest). Ook denk je aan dat bijbelverhaal, ‘Val van Jericho’. En ja, zie dan je menselijkheid en waardigheid maar eens te behouden. Het boek is opgebouwd in kleine hoofdstukken, onderscheiden door steeds een witte bladzijde. Zo kan dit belangrijke verhaal in afgepaste stukje gelezen worden.

     

     

    Jericho
    Auteur: Lammert Voos
    Uitgeverij: Thomas Rap
  • Oogst week 21 – 2024

    Kafka voor beginners

    Dit jaar is het honderd jaar geleden dat Franz Kafka stierf. Hij werd niet ouder dan 40 jaar en publiceerde tijdens zijn leven weinig. Toch worden begrippen als ‘kafkaësk’ en ‘kafkaiaans’ voor situaties waarin een individu wordt vermalen in bureaucratie en instituties, wijd en zijd gebruikt. Dat is vooral te danken aan zijn vriend Max Brod die tegen de wens van de schrijver na zijn dood al zijn geschriften, waaronder zijn drie romans, toch uitgaf. In Nederland is onder andere schrijver-dichter Willem van Toorn een groot ambassadeur voor Kafka. Hij vertaalde al zijn werk. Ter gelegenheid van de herdenking van de sterfdag van de auteur verzorgde hij nu ook twee uitgaven die prachtige inleidingen vormen op het oeuvre en de gedachtewereld van de ‘tovenaar uit Praag’. In Kafka voor beginners geeft hij een beknopt overzicht van zijn leven van zijn vroegste inspiratie tot zijn latere romans, zijn rake beschrijvingen, zijn ziekte en zijn vriendschappen en zijn humor.

    Hoewel velen bij Kafka vooral denken aan de romans ‘Het proces’, ‘Het slot’ en ‘Amerika’ of aan zijn korte verhalen als ‘De gedaanteverwisseling’ en ‘Een hongerkunstenaar’ zijn daarnaast zijn vele brieven indrukwekkend. Ook uit die brieven maakte Van Toorn een selectie in Ik moet u zo ontzettend veel schrijven. De brieven zijn uit de jaren  1900 tot 1920 en door Van Toorn voorzien van een toelichting.

    Kafka voor beginners
    Auteur: Willem van Toorn
    Uitgeverij: Athenaeum

    Walvistij

    Walvistij is de debuutroman van de Engelse  Elizabeth O’Connor (geb. 1992), die daarvoor bekend was van haar korte verhalen. De roman speelt zich af in de laatste vier maanden van 1938, kort voor de oorlog dus, op een afgelegen eiland voor de kust van Wales. Er wonen maar twaalf gezinnen, waaronder dat van de 18-jarige Manod, haar zus en haar vader (hoe het zit met de moeder wordt later in de roman duidelijk). Ze is geboren op 20 januari 1920, maar haar geboorteakte vermeldt 30 januari ‘omdat mijn vader niet eerder bij het bevolkingsregister op het vasteland kon zijn’.
    De komst van twee antropologen, Edward en Joan, die de bevolking en de geschiedenis van het eiland willen bestuderen, maakt dat Manod nieuwsgierig wordt naar het vasteland en ze ziet er een kans in om aan de bekrompenheid van haar omgeving te ontsnappen.
    Het verhaal krijgt een onheilspellende wending als een walvis aanspoelt waarvan de bewoners zich niet lijken te kunnen ontdoen:  ‘De walvis strandde ’s nachts op een van de platen voor het eiland. Hij dook op uit het water als een kat die onder een deur door kruipt. Hij werd door niemand opgemerkt, niet door de lichtcirkel van de vuurtoren op het water, niet door de vissers die ’s nachts op hun wijting en tong visten, niet door de boeren die bij zonsopgang hun vee over de heuvel leidden (…) Volgens enkele ouderen was het een teken, hoewel ze het er niet over eens waren of het een goed of slecht teken was. Meneer Jones, de dominee, las bijna elke week de Engelse kranten, maar volgens hem was er niets dat de komst van het dier kon verklaren’.

    Walvistij
    Auteur: Elizabeth O'Connor
    Uitgeverij: Ambo/Anthos

    Het Dalkey-archief

    De boeken van de Ier Flann O’Brien (1911-1966) worden bevolkt door bizarre figuren en de setting is meestal absurdistisch. In het in 2010 in het Nederlands verschenen Op twee-Vogel-Wad voerde O’Brien bijvoorbeeld een schrijver op die personages schept die tegen hem in opstand komen en in De derde politieman, dat in 1972 in het Nederlands verscheen pleegt een schrijver een roofmoord omdat hij een wetenschappelijk commentaar wil uitgeven op de natuurkundige theorieën van een waanzinnig geleerde, De Selby. Deze zelfde De Selby duikt op in Het Dalkey-archief, O’Briens roman uit 1964 (Dalkey is een slaperig kuststadje op 20 km van Dublin). De geleerde probeert deze keer de wereld te vernietigen door alle zuurstof uit de lucht te halen en whisky te laten rijpen door toepassing van de relativiteitstheorie: de drank kan dan in een paar uur decennia ouder worden. In de roman figureren verder Sint Augustinus, in gesprek met De Selby, en James Joyce die zijn overlijdensbericht vervalst heeft. En voor wie de verwikkelingen nog niet absurd genoeg zijn is er het klankrijke taalgebruik: ‘In deze landstreken, merkte De Selby op, wemelt het wonderbaarlijk van klaplopers, kwistenbiebels en kusmekloten’. Laat dat soort vertalingen maar over aan Robbert-Jan Henkes. Hij verzorgde ook een nawoord bij de roman.

    Het Dalkey-archief
    Auteur: Flann O'Brien
    Uitgeverij: Koppernik
  • Oogst week 41 – 2022

    Wat zou Simone de Beauvoir doen? – Gids voor een authentiek leven

    Skye Cleary, filosoof, schrijver en spreker, heeft haar leven gewijd aan het populariseren van het werk van Simone de Beauvoir, een van de belangrijkste filosofen uit de twintigste eeuw en nog steeds populair. Uitgeverij Ten Have heeft nu Cleary’s eerste in het Nederlands vertaalde boek uitgegeven: Wat zou Simone de Beauvoir doen? – Gids voor een authentiek leven.

    Cleary roept op om in de geest van De Beauvoir authentiek te leven en schrijft: ‘De Franse existentiefilosoof Simone de Beauvoir zag authenticiteit als een fundamenteel aspect van de zin van het leven. Maar ze bedoelde er iets heel anders mee dan de bekende parade van gemeenplaatsen over trouw zijn aan een zuivere vorm van jezelf. (…) Voor De Beauvoir gaat “existentie vooraf aan essentie”, wat betekent dat ons bestaan (onze existentie) er eerst is en dat we de rest van ons leven bezig zijn met het vormgeven van wie we zijn (onze essentie). (…) In haar hele oeuvre (…) schetst ze de mogelijkheid van een authentiek leven waarin herkend wordt dat we altijd in relatie staan tot anderen.’

    De Beauvoir had ook moeite met het vinden van zichzelf en haar weg, net als veel mensen heden ten dage. Cleary maakt authenticiteit inzichtelijk met thema’s als romantiek, liefde en vriendschap, huwelijk en kinderen en de dood, en laat zien dat de lessen van De Beauvoir nog steeds geldig zijn.

    Wat zou Simone de Beauvoir doen? - Gids voor een authentiek leven
    Auteur: Skye C. Cleary
    Uitgeverij: Ten Have

    Flessenhart

    Flessenhart wordt door schrijver Robert Schuit van het boek als korteverhalenroman (kvr.) betiteld. Hij noemt het een nieuw literair genre dat hij uitvond toen hij onder de naam Joubert Pignon drie eerdere boeken schreef.

    In Flessenhart heet zijn grote liefde rosé, zonder hoofdletter, en zij wordt vergezeld door defaitisme en sigaret. De schrijver wil graag een beter mens worden en boven zijn verlangens en angsten uit komen. Uiteindelijk lijkt dat te lukken – hij beleeft een verrassend happy end – maar voor het zover is gaat Schuit gebukt onder verlangen naar liefde en vrouwen en verdriet om verloren liefdes. Bovendien beheerst de angst dat zijn zieke vader zal overlijden hem.

    Hij verlaat zijn lege huis, zwerft langs kringloopwinkels, door lege stations en door Brussel. Voor hij zijn nieuwe leven vindt, wordt hij zowel geholpen als tegengewerkt door oude vrienden, vrouwen, een dominee en zijn vader. Schuit beschrijft het allemaal absurdistisch en realistisch tegelijk.
    Robert Schuit is behalve schrijver ook tekenaar van cartoons.

    Flessenhart
    Auteur: Robert Schuit
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    De omwenteling – of de eeuw van de vrouw

    Suzanna Jansen werd vooral bekend met haar bestseller Het pauperparadijs, handelend over haar familiegeschiedenis in Veenhuizen, waar eind negentiende eeuw een kolonie voor de opvang en heropvoeding van wezen, armen en landlopers gevestigd was en die later een penitentiaire inrichting werd. In De omwentelingof de eeuw van de vrouw vertelt Jansen verder over Betsy, haar moeder, geboren in 1922, het jaar waarin vrouwen bij wet nog steeds als handelingsonbekwaam werden beschouwd.

    Jansen vertelt via het perspectief van haar moeder, haar oudere zus en van zichzelf over de maatschappelijke ontwikkeling en de vrouwenemancipatie. Ook in de voorbije eeuw werden vrouwen nog geacht ondergeschikt en dienstbaar te zijn en genoegen te nemen met minder loon dan mannen ontvingen, al of niet voor hetzelfde werk. Blijven werken na het huwelijk werd voor vrouwen veelal onmogelijk en als ongewenst beschouwd.

    Het kostte vrouwen veel strijd en tijd zich daaraan te ontworstelen. Toch was ‘de omwenteling’ niet te stuiten. Honderd jaar na Betsy’s geboortejaar hebben vrouwen meer rechten en is hun wereld niet meer beperkt tot keuken en huiskamer. Jansen toont aan dat de omwenteling traag tot stand is gekomen en dat de huidige genderverhoudingen in de emancipatie hun wortels hebben.

     

    De omwenteling - of de eeuw van de vrouw
    Auteur: Suzanna Jansen
    Uitgeverij: Ambo|Anthos
  • Doelloos

    Doelloos

    Rusteloos met als ondertitel Gestrand in het land van Boeddha is de tweede roman van historicus en indoloog Casper Luckerhof. Oorspronkelijk was de schrijver van plan een boek te schrijven waarin Boeddha als charlatan werd ontmaskerd. Het draaide uit op ‘een memoir’ van zijn eigen avonturen in Nepal, een verhaal van een verdwaalde bijna-dertiger, gekweld door een dwingend gevoel dat hij zijn ‘leven op de rit’ hoort te hebben en dus op zoek gaat naar een doel en naar zichzelf.

    Het geheim

    Luckerhofs pelgrimage brengt hem naar een raadselachtig boeddhistisch onderzoeksinstituut in Lumbini, de geboorteplaats van Boeddha. Dit instituut, gefinancierd door een even geheimzinnige Japanse organisatie, blijkt een gigantische bibliotheek van boeddhistische literatuur te beheren waar Casper totaal onverwacht het aanbod van de beide directeuren krijgt bibliothecaris te worden. Gevleid neemt hij dit aanbod aan en denkt hiermee zijn ultieme bestemming gevonden te hebben. In plaats daarvan raakt hij in een bizar spel van aantrekken en afstoten verstrikt, dat hem nog verder uit balans brengt.
    ‘Het is jouw belangrijkste taak om te zorgen dat er niemand in deze bibliotheek komt.’ draagt een van de directeuren hem op. Casper, die bovenal aardig gevonden wil worden, zet zijn gezonde verstand uit en gehoorzaamt, maar vraagt wel heel even wat dan wel hun missie is. Het surrealistische van deze scène wordt compleet als de directeur vaderlijk zegt: ‘Jongen,(….) Je hebt er nog helemaal niets van begrepen. Dit instituut…is ons geheim.’ Aha, denk je als lezer, wat zal daaronder vandaan komen?

    Vind mij lief

    Het blijkt een patroon te zijn in het gedrag van de hoofdfiguur, dat zich door de hele roman heen, met elk personage dat op zijn pad komt -en dat zijn er nogal wat-, steeds maar blijft herhalen: Casper is krampachtig op zoek naar liefde, erkenning, bevestiging. Paradoxaal genoeg verlangt hij naar een mentor, een goeroe, die hij oorspronkelijk juist wilde hekelen. ‘Bang om in [andermans] ogen te falen … gehypnotiseerd door…de kracht en autoriteit die er van [de ander] uit[gaat]’, wil hij dolgraag imponeren, in de gunst komen en spiegelt zich steeds aan anderen, zonder met hen ooit echt contact te maken. Zo blijft hij een speelbal van zijn omgeving, heen en weer geslingerd tussen energieke euforie en onderdanige onzekerheid. 

    Rusteloos

    Wat verbaast is dat Casper zijn eigen pleaser-gedrag niet duidt, hij beschrijft het slechts, en steeds opnieuw, alsof het een onschuldige tekortkoming is, waar hij weliswaar last van heeft, maar meer ook niet. Het hele boek door daalt er geen zelfinzicht in en blijft elke karakterontwikkeling uit.
    De lezer kan die herhaling irritant vinden en naar een verklaring voor het ‘vind-me-lief-gedrag’ gaan gissen. Zou het een gevolg zijn van de perfecte training in aanpassing die Casper als kind van zijn ouders kreeg, toen ze hem vanzelfsprekend in hun eigen enthousiasme voor oosterse spiritualiteit inlijfden? Hoe kan ‘niet gezien worden’ uitpakken? Het kan een interessant thema zijn.
    Casper voelt zich op alle fronten falen: ‘Alles is tot nu toe mislukt. Mijn boek. Mijn baan. De liefde. Alles.’ Dit falen wordt aan rusteloosheid toegeschreven. Immers, het hoofd van het Instituut ontslaat Casper met als argument dat hij hem ‘rusteloos’ vindt. Lastige karakterisering. Is de rusteloosheid niet veeleer een gevolg van het missen van een focus, van een doel, van een onderwerp?

    Kabbelen

    Het boek is vlot geschreven. De verhalen volgen elkaar soepel op, zo ook de vele personages die de hoofdpersoon op zijn rondzwervingen ontmoet en weer spoorloos ziet verdwijnen. Het is niet altijd duidelijk wat sommigen eigenlijk toevoegen. Dat geldt ook voor de anekdotes die van alles willen suggereren, maar weinig opgepakt of uitgewerkt worden en dus betekenisloos blijven.
    Herhaaldelijk wordt een climax gesuggereerd door zinsneden als ‘op dat moment gebeurde er iets’. Maar er gebeurt niets en het verhaal kabbelt verder. Het resultaat is een soms incoherent, vaak teleurstellend verhaal, dat elke ontwikkeling ontbeert en als geheel onvoldragen aandoet. Als ‘memoir’ opgevat wordt als een verzameling vrij nietszeggende herinneringen, dan lost dit boek die belofte in.
    Salman Rushdie vertelde ooit in een interview met Adriaan van Dis het interessanter te vinden om te schrijven ‘over het pad dat je afwijst dan over het pad dat je inslaat’: ‘Over mezelf schrijven is saai’ stelde hij. Wijze les.

     

     

  • Oogst week 27 – 2022

    Alles echt gebeurd

    ‘Echt gebeurd is geen excuus’, beweerde Gerard Reve ooit. Het is ook de Nederlandse titel van een verzameling anekdotes van Heinrich von Kleist die onlangs verscheen. Er wringt iets tussen fictie en waarheid: blijkbaar is er behoefte aangetoond te zien dat het onwaarschijnlijke tóch waar is (vergelijk ook de titel van het laatste boek van Frank Westerman, Te waar om mooi te zijn). Omgekeerd zijn we vaak nieuwsgierig naar verbanden tussen de roman van een schrijver met zijn eigen leven. Jeroen Brouwers moest niets hebben van dat neuzen naar autobiografische verwijzingen in zijn romans. Amper een maand na zijn dood is nu toch Alles echt gebeurd verschenen. Het is een verzameling teksten waarin Brouwers het heeft over zijn eigen leven, verhelderende teksten die ‘niettemin alle gelogen zijn’:
    ‘Ik ben steeds een buitenbeen geweest, mijns ondanks een outsider, steeds ‘anders’ dan mijn omgeving. Waar ik was, sprak men een andere taal dan de taal die ik sprak, in letterlijke en in figuurlijke zin. Hoe gangbaar mijn lichaam, mijn geest en mijn karakter ook zijn, ik pas op een of andere manier niet in het bestaan dat voorbestemd was het mijne te worden. Waar ik kom, wek ik agressie op omdat ik er niet bij hoor. Ben ik hier, hoor ik eigenlijk daar. Ben ik daar, heb ik heimwee naar hier. Steeds heimwee, maar ik weet niet meer waarnaar. Steeds zwerven, al kom ik al jaren nog nauwelijks mijn tuintje uit. Hoewel in volle vrijheid, voel ik mij gevangen. Hoewel in het genot van alles wat het hartje begeert, toch met zo goed als niks tevreden of blij. Wil ik deelnemen aan ‘de revolutie’, ‘de revolutie’ is net voorbij. Zo is mijn leven’

    Alles echt gebeurd
    Auteur: Jeroen Brouwers
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Je krijgt van mij een wit paard cadeau

    Amalia de Tena werd geboren in Mérida, studeerde Spaanse taal en letterkunde in Barcelona, maar woont al lang in Nederland. Op haar 64ste komt ze met haar debuutroman:  Je krijgt van mij een wit paard cadeau voert de lezer naar haar geboorteland onder Franco.
    Ze kwam tot schrijven omdat ze maandenlang niet kon praten ten tijde van een behandeling wegens stembandkanker. Ze keerde op papier terug naar het meisje van acht dat ze eens was. In de roman is dat Ana, het zusje van María del Mar. Hun vader is bezeten van geld. Eens zal hij volgens hem de hoofdprijs winnen in de loterij: ‘Papa, María del Mar en ik zijn er dus zeker van dat wij dit jaar de hoofdprijs gaan winnen.
    Nadat hij de borden had weggeruimd, vroeg papa mij fluisterend wat ik als cadeau wilde krijgen. Dat had ik al lang geleden bedacht.
    ‘Ik wil een wit paard’, zei ik.
    ‘María del Mar heeft ook een wit paard gevraagd’, zei hij.
    We spraken af dat papa haar zou overhalen om een zwart paard te kiezen, zoals Furia van televisie. Dat van mij zou Terry heten, net als het paard dat in de bioscoop reclame maakte voor cognac’.
    Later, wanneer Ana volwassen is en haar familie financieel ten gronde is gegaan, zal ze de geschiedenis van haar vader moeten herschrijven.

    Je krijgt van mij een wit paard cadeau
    Auteur: Amalia de Tena
    Uitgeverij: Ambo/Anthos

    De kwestie van de grilligheid van de verloren tijd

    Ook in De kwestie van de grilligheid van de verloren tijd van Rune Christiansen wordt de lezer meegenomen in de beschouwingen van een jonge vrouw, Norma, dertig jaar, over haar eigen leven en dat van haar (gescheiden) ouders. En ook hier een paard dat haar gedachtestroom op gang brengt. Terwijl Norma op haar vader staat te wachten ziet ze in de verte een wazige verschijning van een ruiter op een paard. Wie is die ruiter? Wat is de betekenis van dit beeld? Vragen die Norma zich stelt, gevoelig als zij is voor tekenen die wijzen op geheimen.
    Opvallend is dat het de derde roman is van deze Noorse schrijver, een man, waarin hij zich verplaatst in het hoofd van een vrouw. In De eenzaamheid in het leven van Lydia Erneman was dat een vrouwelijke dierenarts en in Fanny en het mysterie in het treurende bos een dromerige pubervrouw.

    De kwestie van de grilligheid van de verloren tijd
    Auteur: Rune Christiansen
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
  • Oogst week 26 – 2022

    De blauwe schuit

    ‘De literatuur van een land wordt gemaakt door schrijvers, de wereldliteratuur door vertalers. Zonder vertalers zijn wij schrijvers nergens, zitten we vast in onze eigen taal.’

    Deze woorden van de Portugese schrijver José Saramago, uit het Portugees vertaald door Harrie Lemmens, zijn waar, maar gaan nog verder dan dat. Vul voor ‘schrijvers’ maar eens ‘lezers’ in!

    Dat geldt helemaal als het ‘verre’ talen betreft. Jacques Westerhoven is vertaler van zo’n ‘verre’ taal, hij heeft veel Japanse literatuur voor de Nederlandse lezer toegankelijk gemaakt, bijvoorbeeld van de schrijvers Haruki Murakami, Mishima, Oë, Tanizaki en Junpei Gomikawa. Hij kreeg er in 2020 de Martinus Nijhoff Vertaalprijs, de belangrijkste Nederlandse onderscheiding voor vertalers voor. (Lees hier het juryrapport en het wordt duidelijk wat een prestatie het is om goed uit het Japans te vertalen.)

    Jacques Westerhoven is ook de vertaler van De blauwe schuit van Shūgorō Yamamoto dat onlangs bij Van Oorschot verscheen.
    In De blauwe schuit huurt een onbekende jonge schrijver in 1928 een huisje in een vissersstadje dat qua afstand niet ver van Tokyo ligt, maar waar hij zich bijna op een andere planeet waant. Daar koopt hij een wrakkig bootje waarmee hij de omgeving verkent, en tegelijkertijd leert hij de bevolking van het stadje kennen. Zo komt hij meer aan de weet over ‘emmergekken’, filosofische vissers, ondernemende schooljongens, eenden, krabben en strandkastanjes.

    In Japan is Shūgorō Yamamoto (1903–1967) misschien wel de bekendste schrijver van historische fictie, maar in het buitenland is zijn naam nagenoeg onbekend. Toch zijn meer dan dertig van zijn werken verfilmd. Tijd om kennis te maken dus!

    De blauwe schuit
    Auteur: Shūgorō Yamamoto
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Rusteloos

    In het VPRO-programma ‘Nooit meer slapen’ had Pieter van der Wielen op 8 juni jl. een gesprek met Casper Luckerhof, indoloog en historicus, journalist en boekverkoper.

    ‘Nooit meer slapen’ wordt midden in de nacht uitgezonden, grote kans dus dat u het gemist heeft, maar je kan het terugluisteren. Het duurt even, maar gaandeweg word je steeds nieuwsgieriger naar Rusteloos, en de totstandkoming daarvan. 

    Luckerhof had een bijzondere jeugd. Hij groeide op in een huis dat vol stond met Boeddhabeeldjes, een huis dat ook dienstdeed als een soort van tempel voor Tibetaanse monniken. Pas op de universiteit werd Luckerhof geconfronteerd met de wereldse kant van het boeddhisme en onstond het rebelse idee om ‘voor eens en voor altijd af te rekenen met Boeddha’. Hij zou een biografie gaan schrijven en reisde af naar het geboortedorp van Boeddha in Nepal.

    Die biografie is er nooit gekomen, maar hij heeft wel een bijzonder jaar gehad. Hij kreeg een baan in de grootste Boeddhistische bibliotheek van de wereld. Daar gebeurde eigenlijk niets. Zijn werk bestond er uit het afstoffen en rechtzetten van de boeken en het afwimpelen van bezoekers.
    Er werkten nog twee anderen mannen, een Duitser en een Italiaan en er ontstond een raar soort biotoop. De onderlinge verhoudingen komen uiteindelijk onder spanning te staan, en Luckerhof wordt ontslagen.

    In plaats van de biografie over Boeddha heeft Luckerhof Rusteloos geschreven, een boek dat hij graag een memoir noemt: hij heeft het verhaal over zijn tijd in Nepal verteld zoals hij denkt dat het gegaan is.

    Rusteloos
    Auteur: Casper Luckerhof
    Uitgeverij: Ambo/Anthos

    Boeken die geschiedenis schreven

    ­Onder de titel Books that made History (Boeken die geschiedenis schreven) is op 20 juni jl. in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een tentoonstelling geopend over 25 buitengewone boeken en hun auteurs. Boeken die niet alleen een sterke band hebben met de universiteit, vanaf de oprichting in 1575 tot op heden, maar die ook grote invloed hebben gehad op de stad Leiden en daarbuiten. Boeken van auteurs als Galileo Galilei, Albert Einstein, Anna Maria van Schurman en Anton de Kom, die tot op de dag van vandaag invloed hebben op hoe wij denken

    Gelijktijdig met de tentoonstelling verschijnt bij uitgeverij Athenaeum een Nederlandstalige publicatie met essays over de 25 werken, die nog meer context en achtergronden bieden. Het boek staat onder redactie van Kasper van Ommen en Garrelt Verhoeven.
    Hedendaagse experts en (on)bekende ‘ambassadeurs’ blazen de boeken nieuw leven in met hun kennis, anekdotes en persoonlijke bespiegelingen. Boeken die geschiedenis schreven bekijkt de werken vanuit de tijd waarin ze zijn geschreven. Aan bod komt, onder meer, de opkomst van universiteiten en bibliotheken, de rol van drukkerijen, en de plaats van vrouwen en mensen van kleur.

    De selectiecommissie is zich ervan bewust dat een keuze altijd subjectief is. Bezoekers van de tentoonstelling kunnen stemmen op hun favoriete boek, maar ook een suggestie doen voor andere titels, die in deze lijst zouden thuishoren.
    De tentoonstelling is t/m 4 september 2022 te bezoeken.

    Boeken die geschiedenis schreven
    Auteur: Kasper van Ommen en Garrelt Verhoeven
    Uitgeverij: Athenaeum