• Oogst week 23 – 2020

    Terug naar Tarvod

    Boris Dittrich werd vooral bekend als Tweede Kamerlid en fractievoorzitter van D66. Hij was advocaat en rechter en is wereldwijd actief op het gebied van mensenrechten voor LHBT’ers bij Human Rights Watch. Daarnaast is hij schrijver. Inmiddels kennen velen zijn thrillers. Nu is daar Terug naar Tarvod, een roman over het leven in een Israëlische kibboets in de jaren zeventig. Hoofdpersoon Sophie werkt voor een Rijksvastgoedbedrijf en spoort eventuele erfgenamen van eenzaam gestorven personen met een nalatenschap op. Oud-rechter Roman Ronnes is zo iemand, bovendien overleden onder raadselachtige omstandigheden. Sophie vindt zijn memoires waaruit blijkt dat Ronnes in de tijd dat hij in de kibboets woonde verwikkeld was in een onstuimige liefdesgeschiedenis. Hiermee maakt Dittrich van de roman een raamvertelling. Omdat Sophie zelf nog treurt om een verloren liefde raken Ronnes belevenissen haar zo dat ze zich vastbijt in de vraag of hij nog nabestaanden heeft en hoe hij is overleden. In hedendaags Israël doet ze daarover een onverwachte ontdekking.

    Terug naar Tarvod
    Auteur: Boris Dittrich
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    De zwarte klok

    Een onderwijzeres, een politiecommissaris, een kinderpsychiater en een meisje van dertien. In een vredig Oostenrijks dorp aan het begin van de zomer worden deze vier mensen ongerust over een aantal vreemde gebeurtenissen. Er wordt een kind mishandeld. Iemand probeert zelfmoord te plegen. Een man maakt een dodelijke val van een bouwsteiger. Een speeltuin wordt verwoest en de etalage van een speelgoedwinkel wordt vernield. Er is iets gaande, er schijnen problemen te zijn, maar iedereen heeft het te druk met zijn eigen leven om ze te zien. Onafhankelijk van elkaar proberen de vier die het wel zien te begrijpen wat er gebeurt. Er zijn aanwijzingen, maar een duidelijk beeld van een misdaad ontbreekt. Wel blijkt dat mensen blind kunnen zijn voor het idee dat er iets mis is en dat agressie en redeloosheid kunnen opspelen zonder dat iemand de gevolgen ervan doorziet.
    Paulus Hochgatterer (Oostenrijk, 1961) is schrijver en kinderpsychiater in Wenen. Hij schreef tientallen boeken en won vele literatuurprijzen waaronder de EU Prijs voor Literatuur voor Die Süsse des Lebens.

    De zwarte klok
    Auteur: Paulus Hochgatterer
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Knecht, alleen

    In 2016 verscheen in de serie Privédomein Jasper en zijn knecht van Gerbrand Bakker, dagboekaantekeningen over zijn dagelijks leven in de Duitse Eiffel. Jasper is de ‘enigszins gedragsgestoorde, nauwelijks te disciplineren hond’. Maar in het wederom autobiografische Knecht, alleen, het vervolg op dit boek, is Jasper dood en Bakker weer alleen waardoor hij zijn leven als leeg ervaart. Want er is behalve geen hond ook geen mens als levensgezel te bekennen. Via onaantrekkelijke landen als Albanië en Bosnië-Herzegovina maakt hij een roadtrip naar Griekenland en belandt in een depressie. Somber vraagt hij zich af hoe het allemaal zo ver heeft kunnen komen. Ondertussen werkt hij in de tuin, praat hij met vrienden en zijn ouders en probeert hij zijn leven weer in beter vaarwater te krijgen.
    Op zijn website dingetjes enzo schrijft Bakker over Knecht, alleen: ‘Ik heb gevraagd om een omslag in een paarstint. De vorige was oranje, maar dit voelde niet als een oranje boek. Dit is een paars boek.’ En: ‘Ik heb mijn moeder min of meer verboden het te lezen.’ Bakker daagt uit tot lezen.

    Knecht, alleen
    Auteur: Gerbrand Bakker
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Oogst week 10 – 2020

    Onze verslaggever in de leegte

    Hoe terecht of onterecht de verontwaarding rond een boek ook mag zijn, het is in elk geval een trefzekere manier om er de aandacht op te vestigen. Zoals vorige week Onze verslaggever in de leegte van Dimitri Verhulst. De schrijver was zo kwaad over wat hij over zich heen kreeg na een interview in Humo dat hij niets meer moet hebben van een promotietour. Hij wil geen interviews meer. ‘Ik ben naar de kloten gegaan door iets wat ik niet heb gedaan. Door iets waartoe ik niet eens in staat zou zijn om te doen’, schrijft hij in zijn nieuweling, een soort dagboek zonder data, dat teruggaat tot 2015. Daarin gaat het over zijn zelfvernietiging door drank, drugs en seks na een beschuldiging van aanranding door een ex-vriendin, een Zweeds-Bulgaarse. De aanklacht werd geseponeerd. Eén van de motto’s is van Joseph Conrad: ‘Een raar iets is het leven toch. Het beste wat je ervan kunt verwachten is een beetje kennis van jezelf. En die komt toch te laat. Voor de rest is het allemaal zinloos’.

    Onze verslaggever in de leegte
    Auteur: Dimitri Verhulst
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Het eiland

    ‘Voor een kind zijn alle stranden oneindig en bossen mysterieus, is het leven eeuwig en zijn volwassen mensen die weten wat ze doen. Mijn eiland was mijn leven. Geen ontsnappen aan. Ik heb mijn jeugd overleefd, vraag me niet hoe. Het eiland heeft me gevormd en gered.
    En daarover ga ik vertellen’.
    Zo eindigt het eerste hoofdstuk van Het eiland van Koos Terpstra. Het eiland is Texel, waar Terpstra in 1955 werd geboren. In dit boek haalt hij meanderend door de tijd herinneringen op aan zijn jeugd. Terpstra is toneelregisseur, maar ook schrijver van onder andere de fameuze Troje trilogie, een marathonstuk dat gespeeld werd door het toenmalige gezelschap ‘De Appel’ en werd bekroond in 1995. Lezers zouden Terpstra ook kunnen kennen van Brieven aan Koos van filosoof-cabaretier Tim Fransen uit 2018, waarin Terpstra de geadresseerde is.

    Het eiland
    Auteur: Koos Terpstra
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Apeirogon

    De Palestijn Bassam Aramin en de Israeliër Rami Elhanan zijn bestaande mensen die elk een dochter verloren in de conflicten in het Midden-Oosten. De Ierse schrijver Colum MacCann (geboren in 1965 en wonend in New York) ontmoette hen toen hij voor zijn organisatie Narrative 4 het Midden-Oosten bezocht. Narrative 4 probeert mensen die uit tegengestelde werelden komen te bewegen elkaar hun verhaal te vertellen. Daardoor onstaat wederzijds begrip. Het leverde zijn nieuwe roman Apeirogon op: een bonte verzameling fragmenten over waarnemingen en ervaringen, waarin de verhalen van Aramin en Elhanan centraal staan. De titel (een apeirogon is een veelhoek met een onbeperkt aantal zijden) verwijst naar de ontelbare aspecten van de dood van de dochters van Aramin en Elhanan. Die veelheid wordt ook weerspiegeld in het aantal hoofdstukken en -stukjes, 1001, een verwijzing naar de verhalen uit Duizend-en-een-nacht.

    Apeirogon
    Auteur: Colum McCann
    Uitgeverij: De Harmonie
  • Hartbrekende liefde in knipperlichtrelatie

    Hartbrekende liefde in knipperlichtrelatie

    Nauwelijks een jaar na haar debuut Gesprekken met vrienden (2017) verscheen Normale mensen (2018) van de jonge Ierse schrijfster Sally Rooney (1991). Prijzen als de Irish Novel of the Year en de Costa Book Award vielen haar terecht ten deel en de roman haalde ook de longlist van de Booker Prize.  Normale mensen begint in Carricklea, een plaatsje aan de westkust van Ierland. Marianne en Connell, vertellen per hoofdstuk om en om hun verhaal. Ze kennen elkaar van school waar ze beiden in het examenjaar zitten. Connell is knap en populair; Marianne een buitenstaander die geen enkele poging doet om, zoals Connell opmerkt, ‘haar minachting voor de anderen op school te verbergen.’ Op school gaan ze niet met elkaar om, maar bij Marianne thuis, in de keuken van de villa waar ze met haar moeder en broer woont en waar  de moeder van Connell schoonmaakster is, spreken ze wel met elkaar.

    Tegengestelde levens

    De roman is doorregen met tegenstellingen en het bovenstaande geeft gelijk twee voorbeelden: populair versus verschoppeling, arm versus rijk. Voeg daaraan toe de warme moeder van Connell tegenover de kille, afstandelijke moeder van Marianne en de toon is gezet.
    Na een reeks gesprekken aan de keukentafel raken Marianne en Connell verwikkeld in een tedere, seksuele relatie. Een relatie waarin ze zich veilig en gezien voelen en waarin alleen de lezer doorheeft hoe weinig er wordt uitgesproken. Connell wil kost wat kost de relatie geheim houden. Dat lijkt laf, maar ter verdediging van de sympathieke, gevoelige Connell kan gesteld worden dat hij bang is voor sociale uitsluiting; de gedachte aan wat anderen van de relatie zullen vinden, doet hem huiveren. Geplaagd door een minderwaardigheidsgevoel gaat Marianne mee in deze geheimhouding. ‘Ze had het gevoel dat ze tot alles bereid was om aardig gevonden te worden, om hem hardop te laten zeggen dat hij haar leuk vond.’ Het wordt een relatie die uit- en weer aan gaat.
    Hoezeer Marianne zich alles laat welgevallen en schikt naar de wensen van de ander blijkt uit haar relaties met andere mannen, verderop in de roman. ‘Misschien wil ik wel slecht behandeld worden,’ vertelt ze Connell later, ‘Ik weet niet. Soms denk ik dat ik dat verdien omdat ik een slecht mens ben.’ 

    Gebrekkige communicatie

    Na de middelbare school gaan Marianne en Connell studeren in Dublin waar ze hun knipperlichtrelatie voortzetten. Alleen blijken de rollen omgedraaid: weg van het ouderlijk huis is Marianne populair op school, en Connell, door zijn komaf,  de eenzame buitenstaander. Gaandeweg raakt hij in een neerwaartse spiraal terecht; de depressies en paniekaanvallen waaraan hij lijdt worden zeer treffend beschreven. ‘De eerste keer dat het gebeurde, dacht hij dat hij gek werd, dat het hele cognitieve kader waarin hij de wereld interpreteerde voorgoed uit elkaar was gevallen en dat alles voortaan uit ongedifferentieerde klanken en kleuren zou bestaan. Maar na een paar minuten ging het over en bleef hij badend in het zweet op zijn matras liggen.’

    Ondanks de diepe emotionele verbintenis tussen Marianne en Connell blijven gedachten en aannames onuitgesproken; begrijpen ze elkaar verkeerd en loopt de relatie keer op keer spaak. ‘Marianne pakt haar kopje. Connell weet niet goed wat voor soort relatie ze nu zouden moeten hebben. Spreken ze af dat ze elkaar van nu af aan niet aantrekkelijk meer vinden? Hij vindt geen enkele aanwijzing in Marianne’s gedrag.’ En het haar vragen doet hij niet.

    Hartbrekende liefde

    Het verhaal beslaat zo’n vier jaar en maakt geregeld sprongen in de tijd: soms weken of maanden vooruit, soms vijf minuten. Regelmatig grijpt Rooney terug op eerdere gebeurtenissen, zoals golven terugrollen in zee; op die manier worden leemtes opgevuld en het verhaal completer gemaakt. Zo komen we terloops te weten dat Marianne’s overleden vader gewelddadig was. Of hij haar sloeg is onduidelijk. Wel dat haar broer het stokje heeft overgenomen: er gaat voortdurend een fysieke dreiging van hem uit en de lezer vermoedt dat er tussen die twee iets is gebeurd buiten de bladzijden van het boek om.
    Doordat er veel ongezegd blijft, wordt het een onderzoekende roman naar de complexiteit van een liefdesrelatie. Met haar rake duidingen brengt Rooney rijkere en diepere lagen aan in het verhaal. De lezer raakt emotioneel betrokken bij de liefdesstrijd van deze jonge mensen die geneigd zijn tegen hun gevoel in te handelen of dingen te zeggen waarvan niet duidelijk is wat ze nu werkelijk inhouden.

    ‘Het was niet de eerste keer dat hij aandrang voelde om tegen Marianne te zeggen dat hij van haar hield, of het waar was of niet, maar het was de eerste keer dat hij eraan had toegegeven en het echt had gezegd. Het viel hem op hoelang ze erover deed om antwoord te geven, en dat zat hem dwars, alsof ze het niet terug wilde zeggen, en toen ze het eindelijk zei, voelde hij zich iets beter, maar misschien betekende dat niets. Connell wilde dat hij wist hoe andere mensen hun privéleven leidden, dan had hij een voorbeeld om te volgen.’  Als lezer wil je alleen maar dat het goed met ze komt, liefst samen. Maar zonder het te willen, breken ze keer op keer elkaars hart en blijft de lezer achter met de brokken.

     

  • Laveren tussen strijdvaardigheid en acceptatie

    Laveren tussen strijdvaardigheid en acceptatie

    Zelden is er in de Verenigde Staten een boek over eten geschreven, dat enerzijds moeilijk te verteren is en anderzijds uitermate geschikt is voor het grote publiek. Het klimaat zijn wij – de wereld redden begint bij het ontbijtvan Jonathan Safran Foer biedt een inkijkje in zijn leven. Persoonlijke anekdotes over zijn grootouders en kinderen wisselt hij af met bespiegelingen over de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog. Deze dingen koppelt hij naadloos aan uitweidingen over de aarde die wij als ons enige thuis in bruikleen hebben en de vleesconsumptie die ons verblijf daarop bedreigt. Want onze ecologische voetafdruk, die het kleinst is in de gebieden die cynisch genoeg het zwaarst lijden onder klimaatverandering, dankt zijn omvang goeddeels aan de bio-industrie. Eigenlijk vraagt Foer de welvarendste burgers op hun ecologische tenen te lopen, opdat het leed van volkeren die sinds mensenheugenis worden geteisterd door natuurgeweld, verzacht wordt.

    De waarheid is elitair

    Copernicus ontdekte dat de aarde om de zon heen draait. Darwin kwam er na bestudering van vogels achter dat soorten langzamerhand evolueren; zij werden voor gek versleten. Tot meer wetenschappers hen bijvielen. Wie aanvankelijk werd uitgelachen of verketterd, stelt de wetenschap regelmatig in het gelijk, desnoods postuum. De meerderheid zit er nu eenmaal vaker naast dan haar lief is. Hoe anders is dat bij de theorievorming rond klimaatopwarming sinds de industriële revolutie. Een slordige 97% van alle klimatologen is het erover eens dat de mens een cruciale rol vervult in klimaatverandering. Hoewel deze overtuiging gemeengoed is in het Westen – enkele klimaatsceptici daargelaten – betreurt Jonathan Safran Foer het dat de mensheid onvoldoende offers brengt om het tij te keren. Te vaak hoort hij dat er ‘iets’ moet gebeuren, maar dat een structurele verandering vanuit onszelf uitblijft. In de woorden van onze minister-president: ‘We moeten wel gewoon kunnen blijven barbecueën!’

    Klimaat is niet sexy

    Foer is zich ervan bewust dat het onderwerp klimaat geen goed verhaal is. Is eindelijk het kerkelijke juk van ons afgenomen, staat er een Greenpeace-leger klaar om ons te vertellen hoe we moeten leven. De schrijver onderwerpt zichzelf en de lezer aan een kritische introspectie met even tendentieuze als terechte vragen: ‘Hoe zou u reageren als uw buurman heel zijn leven rookte en dronk, hiermee weigerde te stoppen, maar dat u de kanker moest dragen?’ In zijn optiek zijn maagstoten nodig om mensen te mobiliseren. In het begin van Het klimaat zijn wij verwijst Foer naar The book of Endings, waar beroemdheden als Vergilius en Houdini hun levensmoeheid en defaitisme ventileren. Daarmee laveert hij tussen strijdvaardigheid en acceptatie, hetgeen de eenduidigheid in zijn opvattingen weliswaar geweld aandoet, maar eveneens de tweestrijd illustreert waarin de auteur verkeert; hij wil veranderen en weet ook best hoe dat zou kunnen. Het ontbreekt hem alleen aan motivatie dit vol te houden.

    Indutten in plaats van activeren

    Woorden als ‘uitstervingsgolf’ en ‘methaan-emissie’ klinken zo abstract, dat de urgentie niet voelbaar is. Daar hebben de komende generaties helaas niets aan, wanneer zij door hitte, overstromingen of ander natuurgeweld huis en haard moeten verlaten. Voor de komende generatie zijn mensen die wel geloven in het menselijke aandeel van aardopwarming, net zo kwaadaardig als populistische klimaatontkenners. Beide groepen hebben namelijk niets ondernomen. De ‘believers’ verschansen zich liever achter hun erkenning van de klimaatproblematiek, in tegenstelling tot hun rechtse medemens. En dat voelt zo goed, dat de zelfgenoegzaamheid doet indutten in plaats van activeren. In het hoofdstuk Discussie met de ziel roept Foers geweten geërgerd: ‘Stop nu eens met me te vertellen hoe je je voelt.’ Waar wetenschap eerst geen voet aan de grond kreeg, omdat ze morrelde aan de fundamenten van het geloof, wordt deze nu genegeerd omdat de waarheid niet lekker smaakt. Foer vergelijkt zijn onvermogen om de omvang van het probleem te beseffen met een citaat van Claude Lanzmann, die over het getto van Warschau verzuchtte:

    ‘Wat kan informatie over (…) een letterlijk ongehoorde gruwel betekenen voor de menselijke hersenen, die er niet op ingesteld zijn om zoiets te verwerken, want het gaat om een misdaad die zonder precedent is in de geschiedenis van de mensheid? (…) Ik wist het wel, maar ik geloofde het niet, en omdat ik het niet geloofde, wist ik het niet.’
    Credo quia absurdum (‘Ik geloof het, omdat het onvoorstelbaar is’) gaat blijkbaar alleen op, zolang er een hemelse beloning tegenover staat. Wanneer een ongemakkelijke absurditeit op het punt staat werkelijkheid te worden, kijkt de mens weg.

    Poëtische afsluiting van de hoofdstukken

    Foer is romancier en dat is merkbaar. In de degelijke vertaling van Patty Adelaar schemert zijn aforistische stijl door. Zelfs het meest prozaïsche stuk informatie, de wetenschappelijke feiten van klimaatverandering en het menselijke aandeel hierin, doet hij aantrekkelijk en toegankelijk uit de doeken. Tegelijk licht hij de lezer in door middel van een uitvoerig notenapparaat en een heldere bijlage over de industriële veehouderij. Wel benadrukt hij vaker dan noodzakelijk waar hij zit als hij schrijft: meestal naast het bed waar zijn grootmoeder in ligt. Soms lijkt hij te gretig op zoek naar een alomvattende, poëtische afsluiting van de hoofdstukken, waardoor zijn filmische toon als een stijlbreuk aanvoelt: ‘Ik hoop dat we hun (…) hebben geleerd wat het onderscheid is tussen de dood tegemoet rennen, van de dood wegrennen, en het leven tegemoet rennen. (…) Door allemaal met onszelf in discussie te blijven zullen we samen een thuis maken.’
    Of wat te denken van zijn opmerking over de regenboog, die God aan Noach en zijn volk gaf als teken van belofte: ‘Een regenboog is ook een touw: je kunt het naar iemand toegooien die aan het verdrinken is of je kunt er een strop van knopen.’ Met metaforen als deze maakt hij morele afwegingen tastbaar: wat doe jij om een steentje bij te dragen?
    De vertaler is in stilistisch opzicht dicht bij de brontekst gebleven.

    Leefgewoontes dierbaarder dan nakomelingen

    Net als bij Greta Thunberg kan men zich verschuilen achter het feit dat de toon niet bevalt, het doet evenwel niets af aan de mate waarin iemand gelijk heeft. Het is een van de hardnekkigste drogredenen in het recente maatschappelijke debat: je hebt een punt, maar omdat je het zo irritant en hysterisch brengt, weigeren we te luisteren. Het klimaat zijn wij is een verzameling beeldende verhandelingen, die appelleert aan ons schuldgevoel en het alarmisme niet schuwt. Volgens Foer is de mens namelijk niet in beweging te krijgen zonder emotionele vervoering. Hij maakt van aardopwarming geen ver-van-mijn-bedshow, maar een onafwendbaar lijkende crisis. De verleiding te paaien met een happy end, zoals je bij apocalyptische kaskrakers als The Day after tomorrow of The Flood ziet, weerstaat hij. Foer schudt het publiek wakker met bikkelharde feiten en realistische toekomstvoorspellingen. Onheilspellend is zijn profetie dat de mens eens een archeologische vondst zal zijn. Hij kon niet gered worden, omdat zijn eetgewoontes hem dierbaarder waren dan zijn nakomelingen: ‘Hun behoeften waren te groot. Niets doen om hun soort te redden vereiste de deelname van iedereen.’

     

  • Oogst week 41 – 2019

    Het klimaat zijn wij

    In zijn non-fictiebestseller Dieren eten zette Jonathan Safran Foer al de voor- en nadelen van een (grotendeels) vegetarisch eetpatroon op een rij, zij het zonder een direct waardeoordeel te vellen: hij lichtte verschillende perspectieven en argumenten uit. Zelf werd hij na zijn onderzoek vegetariër. In Het klimaat zijn wij reflecteert hij op de urgente milieuproblematiek en zet hij zijn lezerspubliek ertoe aan samen verantwoordelijkheid te nemen voor het voortbestaan van de planeet door ons voedingspatroon te herzien. De ondertitel luidt niet voor niets De wereld redden begint bij het ontbijt. Foer benadrukt het belang van voedsel dat het milieu niet overbelast en stelt voor om alleen ’s avonds bij het diner nog vlees te eten. Hij is vooral gekant tegen de bio-industrie, vanwege de enorme co2-uitstoot die ze veroorzaakt. Dat het besef van klimaatverandering nu eindelijk landt, plaatste Foer in een interview met NRC Handelsblad in treffend perspectief: “In de VS zijn er twee keer zoveel mensen die in Bigfoot geloven als mensen die de klimaatverandering ontkennen.”

    Foer is hiernaast auteur van het autobiografisch geïnspireerde Everything is Illuminated (Alles is verlicht) en van Extremely Loud and Incredibly Close (Extreem luid & ongelooflijk dichtbij). Beide romans werden verfilmd.

    Het klimaat zijn wij
    Auteur: Jonathan Safran Foer
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Waagstukken

    Charlotte Van den Broeck debuteerde met de dichtbundel Kameleon en ontving daarvoor de Herman de Coninck Debuutprijs. Waagstukken is haar romandebuut. ‘Waagstukken’ moet hier worden opgevat als architectonische projecten die zó mislukten dat de verantwoordelijke architecten zelfmoord pleegden of in het ‘beste geval’ diep in het ongeluk werden gestort. Van den Broeck vertelt dertien individuele verhalen. Een bijzondere opzet, die wordt afgewisseld met passages over de positie van de schrijver in het algemeen en Van den Broecks schrijverschap in het bijzonder en het onzekere bestaan dat verbonden is aan het willen verwezenlijken van je artistieke ambities.

    Waagstukken
    Auteur: Charlotte Van den Broeck
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Drie vrouwen

    De Amerikaanse auteur en journaliste Lisa Taddeo publiceerde onder andere in Esquire en New York Magazine en ontving de Pushcart Prize voor haar korte verhalen. Drie vrouwen schreef ze vanuit haar wens het vrouwelijk perspectief op seks en verlangen centraal te stellen en verder uit te diepen. Ze begon aan een journalistiek project van de lange adem: ze volgde acht jaar lang met enorme toewijding Lina, Sloane (pseudoniemen) en Maggie. “Om hun de stem te geven die gewone, onbekende, onopgemerkte vrouwen doorgaans niet hebben,” concludeerde ze in een interview met de Volkskrant. Taddeo laat de vrouwen afwisselend aan het woord en brengt hun wensen, gevoelens en ideeën in kaart, waarmee ze een brug wil slaan tussen het particuliere en het universele.

    Drie vrouwen
    Auteur: Lisa Taddeo
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar
  • Als antwoord op verveling

    Als antwoord op verveling

    Lee is bloedmooi, komt van een rijke familie en haar man verdient meer dan hij kan uitgeven. Ze noemt zichzelf een kosmopoliet, kent iedereen overal en geniet van al het goede dat het leven te bieden heeft. Plastic geluk’ noemt haar vriendin Maya het.

    Lee(g)
    Lee is de hoofdpersoon in het boek. Haar meest opvallende gewoonte is dat ze steeds vertrekt. Dat heeft ze afgekeken van haar vader, die voor zijn baan meer in het buitenland zat dan thuis. Geheel volgens het Elektracomplex kiest Lee voor een man, Oscar, die op haar vader lijkt. Ook Oscars bankrekening is van Olympisch niveau en ook hij reist voor zijn werk de hele wereld over. En Lee reist met hem mee. Dan wonen ze weer een tijd in Brazilië, gevolgd door een paar jaar in Maleisië om uiteindelijk voor een periode in Thailand te blijven.
    Voor de buitenwereld lijkt haar leven perfect, maar Lee voelt zich doelloos. Ze mist iets in de mensen die ze ontmoet en de gesprekken die ze voert. Ze mist iets in haar leven.

    Moeder India
    Het boek is opgedeeld in drie delen. Het eerste deel heet Moeder India,  naar het land waar ze deze keer naar afreizen voor Oscars baan. Over deze bestemming is Lee minder enthousiast. De mensen zijn arm en de straten vies; ze vindt het maar niets. Ze sluit zich op en sluit zich af in haar te luxe landhuis, ver van alle ellende. Ze verveelt zich. Haar dagen voelen lang en leeg.

    De vriendschap
    In het tweede deel van het boek ontmoet Lee Maya en dit betekent een omslag in haar leven. Maya laat haar de spirituele kant van New Delhi zien. Via Maya komt Lee in een sloppenwijk terecht waar ze leert mediteren. Wekenlang staat ze om vier uur ’s ochtends op en mediteert de dag weg. Maya maakt Lee deel van haar ‘project’. Haar project bestaat uit het helpen van vrouwen die slachtoffer zijn geworden van vrouwenhandel. Ze wassen de vrouwen, geven ze schone sari’s en een tweede kans.
    Zo spontaan als Maya in Lee’s leven verschijnt, zo abrupt verdwijnt ze ook weer. Maar Lee zet het werk met de vrouwen voort. Ze brengt ze naar een tempel en besluit daar zelf ook te blijven.
    Het moment dat Maya ten tonele verschijnt, raakt zowel Lee als de lezer de grip op de werkelijkheid kwijt. Wat is er allemaal aan de hand met Lee, en wat en vooral wie is nog echt?

    Het experiment
    Dan het laatste deel van het boek: Het experiment. Na vier jaar in de tempel besluit Lee dat het tijd is om naar huis te gaan. Ze gaat terug naar Amsterdam, maar het duurt niet lang voordat het weer misgaat met haar. Ze kiest de weg naar ultieme verlossing: sallekhana. Langzaam bouwt ze haar eten en drinken af tot ze zal sterven. Een geritualiseerde vorm van zelfmoord volgens de rituelen van het Jaïnisme. Terwijl Lee tussen twee werelden in zweeft, blijkt ze er nog niet klaar voor te zijn om op te geven. Ze wil nog één keer terug naar India. Één laatste zoektocht naar Maya.

    Diepgang is zoek
    De schrijfster, Marte Kaan, woont zelf in New Delhi. Ze geeft mooie en rake omschrijvingen van het land en de mensen die er leven:

    ‘…. Mannen duwden platte karren met daarop groente en fruit, plastic zakken gevuld met noten, vuilnis, balen stof en oud papier… Uitgemergelde koeien en geiten met groteske Bijbelse koppen scharrelden tussen het vuilnis… Kinderen zaten in hun blote billen langs de weg en veegden de slaap uit hun ogen.’  

    Zo uitgebreid als sommige scènes worden beschreven, zo karig wordt het volgende beeld geschetst. Soms worden belangrijke details of interessante passages naar de achtergrond geschoven. Dit zorgt voor veel verwarring tijdens het lezen van het boek. Ook het tijdsverloop is erg vaag. Vaak wordt slechts tussen neus en lippen door genoemd dat het nu zo veel jaar verder is. Dit maakt het verhaal warrig en zorgt voor de nodige herlezing van bepaalde stukken tekst.

    Dat niet elk beestje bij zijn naam wordt genoemd, geeft het verhaal ook iets spannends. Lee: een vrouw die alles heeft, maar niet tevreden is. Ze lijkt te intelligent om zo’n oppervlakkig leven te leiden en daarom wekt zij als personage een lichte irritatie op. Wat is er toch met haar aan de hand? Op bepaalde punten in het boek zorgt de minimale informatie voor een fijn onheilspellend gevoel, maar meestal werkt het niet in het voordeel van het boek. Zo blijven de beweegredenen van Lee vaag. Op deze manier krijg je als lezer het gevoel dat je de hoofdpersoon niet goed leert kennen. Dit is jammer, want zo blijven ook de beweegredenen van de schrijfster, en de boodschap die zij wil overbrengen, onduidelijk. De diepgang waar Lee zo naar op zoek is, is in het boek niet te vinden.

     

     

  • Wat maakt ons tot wie we zijn?

    Wat maakt ons tot wie we zijn?

    Wie ben je eigenlijk? Hoe vormen je wortels je, ook als je daarvan lijkt te zijn los gekomen? Wat bindt je in een relatie? Is het mogelijk volstrekt eerlijk te zijn tegen een ander, maar ook jegens jezelf? Het zijn maar een paar thema’s waarvan de jongste roman van Jonathan Safran Foer, Hier ben ik, is doordrenkt. Ze zijn niet nieuw voor wie zijn eerdere Alles is verlicht uit 2002 en Extreem luid & ongelooflijk dichtbij uit 2005 al las. De zoektocht naar het joodse verleden (vooral in de roman uit 2002), de verwerking van trauma’s en de familiebetrekkingen lopen als een Leitmotiv door het werk van Foer.

    Net als in zijn eerdere romans is in Hier ben ik ook veel autobiografisch materiaal verwerkt, in dit geval vooral de scheiding van Foer van zijn vrouw en collega-schrijfster Nicole Krauss in 2014. Indirect herhaalt hij zelfs de tournure om de auteur van het boek zelf op te voeren. Is dat in Alles is verlicht de auteur onder zijn eigen naam, in de nieuwe roman is protagonist Jacob Bloch (in wie veel trekken van Foer te herkennen vallen) bezig een script voor een TV-serie te schrijven dat de verhaallijn volgt die wij als lezer voorgeschoteld krijgen.

    Geweten
    Jacob Bloch is zestien jaar getrouwd met Julia – ze hebben samen drie zoons, Sam, Max en Benjy – als hun relatie op een scheiding uitdraait. De aanleiding is de vondst door Julia van de telefoon van Jacob met daarop onverbloemd seksuele uitlatingen aan het adres van een andere vrouw. Of er werkelijk sprake is geweest van overspel blijft in het midden. Jacob ontkent het en de lezer is geneigd hem te geloven: hij komt niet over als een durfal. Julia zet de boel bij hem op scherp doordat zij zelf wel overspel pleegt. Ook dat is overigens niet zeker, maar omdat zij een vrouw is die doet wat ze zegt, ben je in haar geval geneigd dat wel aan te nemen.

    De gesprekken tussen Julia (architecte) en Jacob (schrijver) over hun relatie, de regeling van de scheiding en de verantwoordelijkheid jegens de kinderen vormen de grootste component van het boek. Maar daardoorheen loopt de worsteling van Jacob met zijn joodse afkomst. Zijn grootvader Isaac is lang geleden vanuit Polen naar Amerika geëmigreerd en heeft een sterke band met Israël. Hij wil er na zijn dood begraven worden. Jacob voelt zijn joodse oorsprong wel, maar hij en Julia hechten veel minder belang aan de daarmee verbonden rituelen. Als de roman begint staat de dertienjarige Sam voor zijn bar mitswa, de viering van de joodse meerderjarigheid. Zijn ouders willen die toch laten plaatsvinden omdat het opa Isaac onvergeeflijk zou kwetsen als ze dat niet zouden doen.

    De loyaliteit van Jacob aan zijn joodse afkomst wordt diepgaand getest als zijn neef Tamir uit Israël voor de plechtigheid overkomt en er kort na zijn aankomst, nog vóór de bar mitswa, een zware aardbeving plaatsvindt in het Midden-Oosten. Er breekt aansluitend een oorlog uit waarin Israël zich moet verdedigen tegen een nieuw gevormde staat Trans-Arabië, gesteund door de rest van de moslimwereld. De premier van Israël roept alle joden over de hele wereld op om Israël te helpen verdedigen. Zal Jacob dat doen?

    Dit laatste thema voert tot harde discussies binnen de familie, vooral tussen Jacob en zijn vader Irving en zijn neef Tamir, over de politiek van Israël en het trauma van de joden door de verschillende pogingen in de geschiedenis om hen uit te roeien.

    Argus
    Maar daarmee zijn we er niet. In het grootse web dat Foer spant lopen ook de draden van Sams leven. Hij trekt zich terug in de virtuele wereld van Other Life (waarin Jacob op een klunzige manier Sams avatar om zeep helpt); er is het briefje met racistische uitingen dat door de rabbi op zijn tafeltje is gevonden en waarvoor hij excuses zal moeten aanbieden (Sam bestrijdt dat hij het geschreven heeft); er is de verwonding aan de hand van Sam, opgelopen toen hij klein was en die Jacob en Julia nog achtervolgt. En er is de hond Argus. Het dier lijkt van begin tot eind door de roman te lopen als degene die de kinderen en de ouders oproept weer contact te maken. Misschien is dat de belangrijkste reden dat niemand de verantwoordelijkheid neemt om het zieke beest te laten inslapen.

    Foer kan geweldig schrijven. Bijzonder knap uitgewerkt zijn de dialogen tussen Julia en Jacob over hun verwachtingen en teleurstellingen in zestien jaar huwelijk, die de lezer schrijnend duidelijk maken hoe onbereikbaar ze voor elkaar zijn geworden. Soms worden ze komisch als de twee overleggen hoe ze de kinderen op de hoogte zullen stellen.

    Een mooie vondst is ook de alternerende weergave van de speeches van Sam voor zijn bar mitswa, van de premier van Israël tot de joden over de hele wereld en van de ayatolla van Iran tot de moslims, die alle drie leiden naar een climax van de verschillende verhaallijnen.

    Maar tegenover dit schrijftalent staat de neiging tot veel te veel uitwaaieren. Het ‘kill-your-darlings-principe’ lijkt niet aan Foer besteed. Her en der in de roman krijg je het gevoel dat hij uitweidingen, filosofietjes, associaties, woordgrappen (die in het Nederlands treffend zijn vertaald) en andere invallen die hem uit het toetsenbord vloeiden, te leuk vond om te schrappen. Hij heeft bovendien een voorliefde voor opsommingen, of dat nu gedachten zijn of tastbare dingen (we krijgen de complete inventaris van het medicijnkastje opgedist), waarvan de zin vaak niet duidelijk is.

    Sommige dialogen (er wordt wat afgepraat in Hier ben ik) duren eindeloos voort zonder iets wezenlijks bij te dragen. Voor de lezer zijn het rafelende draadjes in het web: we dwalen af van datgene waar het om ging.

    De spanningsboog wordt door al die wijdlopigheid te lang om de lezer geboeid te houden. Zo begint de roman met een openingszin die er mag wezen: ‘Toen de verwoesting van Israël begon, twijfelde Isaac Bloch of hij zelfmoord zou plegen of naar het Joods Tehuis verhuizen.’ Toch verliest die zijn kracht als hij pas op pagina 545 weer ten volle wordt opgeraapt. Verschillende lezers zullen dan  wellicht al eens hebben doorgebladerd naar achteren om te constateren dat deze afwisseling van sterke passages en afleidende episodes pas eindigt op pagina 639.

     

  • Klein en groot 

    Klein en groot 

    De Kust – drie eilanden bij Virginia. De kust – dertien verhalen die kunstig tot een roman zijn samengesmeed. Het ene eiland is klein, het andere wat groter. Het ene hoofdstuk kort (zo’n acht pagina’s), het andere langer (ruim twintig pagina’s).
    Het huis waar de ik-persoon uit het eerste verhaal woont, is ook klein: ‘een kamer beneden en twee kamers boven, allebei met een veranda, en volgens de telefoonmaatschappij en het elektriciteitsbedrijf en de belastingen bestaat het niet.’ Van de winkel waar de dorpsbewoners hun inkopen doen, wordt eveneens vermeld dat deze klein is en de schappen er dicht op elkaar staan.
    Ook wat de andere personages betreft bestaat er een verschil tussen kleine, onschuldige kinderen en bijvoorbeeld een volwassen man met kleurloos haar dat steekt ‘uit de gaten van een John Deere pet en een T-shirt vol zwarte vegen autosmeer’, een man die kleine meisjes verkracht. Of een vader aan de drugs die zijn dochters mishandelt. En als dat eenmaal is gebeurd, zijn kinderen tot alles in staat …

    Kleine kinderen
    In enkele verhalen spelen kleine kinderen dat ze groot zijn. Onbeholpen als ze zijn. Als een oefening voor later. Maar een meisje wacht niet op een jongen totdat hij met haar wil trouwen; ze huwt een ander. En wordt mishandeld, terwijl de speelkameraad van vroeger niets onderneemt. Nog niet.
    De kinderkamer is altijd plezieriger dan de keuken wanneer vader daar vertoeft. Dat was in 1876 zo (het verst terug in de tijd) en dat is in 2143 (het verst vooruit in de roman) nog steeds zo. Of het meisje nu blank is of halfbloed, knap of lelijk, een echte of een bastaarddochter.
    En behalve echte kinderen en stiefkinderen zijn er ook oppaskinderen. En behalve slechte mannen zijn er ook slechte vrouwen die bijvoorbeeld dealen. Allemaal hebben ze hun eigen, totaal verschillende en raak getroffen taalgebruik.

    Sfeer
    De overeenkomst tussen de verhalen die samen de roman vormen, ligt niet alleen in de verschillende eilanden die samen de Kust vormen, en ook niet primair in de familie die wordt gevolgd van 1876 tot 2143 – en waarvan voorin het boek de stamboom wordt weergegeven –, maar vooral in sfeertekeningen. Je ziet als lezer de Victoriaanse huizen voor je, je ruikt ze zelfs. Je ziet de personages op de karakteristieke veranda’s zitten, zoals Medora met een pijp waarvan de tabak zowel haar lichamelijke als geestelijke pijn verdrijft. Je ziet de Kust voor je, waarvan het land zo plat is als een pannenkoek. ‘Er zijn maïsvelden en af en toe een huis, een eindje van de weg af, met een paar bomen eromheen, of een paar grafzerken, verweerd en verbleekt als een oud kunstgebit dat te lang op de vensterbank heeft gelegen.’

    Alles bij elkaar is dit een boek van een onvoorstelbaar hoge kwaliteit. Zeker als je weet dat het om een debuut gaat van een in 1988 in Virginia geboren schrijfster, die momenteel in Groot-Brittannië promotieonderzoek doet. Inmiddels is haar debuut genomineerd voor de Baileys Prize, de Guardian First Book Award en de Young Writer of the Year Award. Het is ook nog eens mooi vertaald, al komt een alinea als deze qua afwijkend woordgebruik wat vreemd over: hij ‘liep schuins de heuvel op (…). Achter een bosje bijzonder dicht kreupelhout bleef ze staan wachten tot hij haar weer had bijgehaald.’ Maar dit doet verder niets aan de kwaliteit van de roman af. Een boek om langzaam te lezen, verhaal voor verhaal.

     

  • Kafka voorbij!

    Kafka voorbij!

    ‘Om schrijver te zijn is een zeker talent voor schrijven niet de enige voorwaarde. Als je niet verbonden bent met je ouders en je grootouders, en via hen met de stam, ben je een scribent en geen schrijver’, verzucht Ernst op een avond tegen zijn huishoudster Irene. Hierin besloten ligt eigenlijk de kern van het magistrale verhaal dat Aharon Appelfeld ons vertelt. Irene leert Ernst leven, dus schrijven, door hem in contact te brengen met zijn roots.

    Ernst
    Ernst is een 70-jarige intellectuele man met een Joodse achtergrond afkomstig uit Gallicië, Oost-Polen. Voor de oorlog heeft hij al vroeg gebroken met de, wat hij noemt, achterlijke sjtetlmentaliteit van de wereld van zijn ouders, die zich voortdurend hullen in zwijgzaamheid en met wie hij maar geen contact kan krijgen. Hij blijkt echter te beschikken over de gave van het woord. Na het publiceren van wat romantische gedichten, sluit hij zich aan bij de communisten voor wie hij de propaganda mag gaan verzorgen, heel bijzonder voor een Joodse jongen.

    Een jaar voor het uitbreken van de oorlog treedt hij in het huwelijk met zijn geliefde Tina. Samen krijgen zij een dochtertje, Helga. Als de Duitsers het land binnenvallen, vertrekt Ernst met het Rode Leger naar het oosten. Zijn ouders, Tina en de kleine Helga worden door Roemeense en Duitse militairen opgejaagd en de rivier de Boeg in gedreven om daar jammerlijk te verdrinken. Na de oorlog belandt Ernst min of meer toevallig in Jeruzalem. In de avonduren schrijft hij. Na een stormachtig huwelijk met zijn tweede vrouw gaat hij met pensioen om zich te wijden aan het schrijven. Zijn zwakke gezondheid dwingt hem huishoudelijke hulp in te roepen.

    De verschijning van Irene
    Irene is vlak na de oorlog geboren in een Amerikaans opvangkamp in de buurt van Frankfurt. Haar ouders, ook Polen, zijn kort na de oorlog naar Israël verhuisd. Zij heeft altijd bij hen gewoond en is ook na hun dood in het ouderlijk huis blijven wonen. Irene beschikt over de gave de geesten van de overledenen te kunnen oproepen en met hen te praten. Op deze wijze blijft zij in contact met haar ouders en zij besluit haar oude leefwijze voort te zetten in precies dezelfde setting als voorheen en met inachtneming van de Joodse tradities.  Om toch een beetje te ontsnappen aan de eenzaamheid, besluit zij een dienstje te nemen bij Ernst Blumenthal. En daar ontwikkelt zich de romance, het thema van het boek.

    Toenadering
    Irene geeft Ernst het leven terug door hem in staat te stellen opnieuw in contact te komen met zijn verleden, met zijn ouders en grootouders. Hij heeft deze band indertijd bewust door gesneden. Tegen zijn ouders had hij een grote wrok opgebouwd vanwege hun lijdzaamheid en eeuwig stilzwijgen. De jonge Ernst keek verlangend uit naar een nieuwe wereld in een nieuwe toekomst met een ‘nieuwe mens’ , los van remmende Joodse tradities. Het communisme leek hem die mogelijkheid te bieden. De oorlog gaf hem een doel, namelijk de bestrijding van het kwaad van het fascisme (kapitalisme). Dat dit af en toe gepaard ging met individuele slachtoffers bij de boeren in de dorpen waar het zegevierende Rode Leger langs kwam, mocht geen bezwaar zijn. De soldateske kameraderie gaf hem de warmte die hij thuis zo miste en de discipline van het leger bood de structuur die nodig was om de toekomst vorm te geven. De confrontatie met de gevolgen van de shoah bij de bevrijding van de slachtoffers in de kampen bracht zijn geordende wereldbeeld aan het wankelen: hij begreep steeds meer dat hij altijd dat joodse jongetje zou blijven. Hij wilde eigenlijk een nieuw leven opbouwen in Australië, maar het toeval bracht hem naar Jeruzalem.

    Zoals Ernst in hun dagelijkse ontmoetingen steeds meer onder de indruk komt van de onbevangenheid, aanhankelijkheid en eenvoudige godsvrucht van Irene, zo wordt Irene steeds meer gegrepen door de inwendige strijd van deze intellectuele reus en zijn onvermogen te schrijven en eenvoudig gelukkig te zijn. Irene wist: ‘zijn strijdperk was het schrijven.’ Bijna elke nacht verscheurde hij wat hij overdag geschreven had. Hij had, sedert de breuk met zijn ouders, gestreefd naar het schrijven van het verhaal van ‘de nieuwe mens’, los van etniciteit en bekrompen provincialisme tot Irene hem deed beseffen dat literatuur ‘begint bij de bron waar je je in je kindertijd overheen buigt en de duistere angst die je dan aanstaart vanuit de diepte, bij zijn moeder, zijn vader.’ Irene liet hem terugkijken naar zijn kinderjaren bij zijn opa en oma in de Karpaten, naar zijn ouders, zijn altijd maar zwijgende ouders, en tenslotte naar Tina en Helga, die allemaal ‘leefden in de schoot van de Boeg’.  Ernst gaat steeds beter begrijpen dat het zwijgen van zijn ouders juist zo veelzeggend was. Op zijn vraag waarom haar ouders haar niet veel verteld hadden over de oorlog, vertelt Irene hem dat zij ‘van haar ouders geleerd had dat je over lijden zonder betekenis (zonder zin) beter kon zwijgen’. Ook voor zijn eigen ouders begrijpt Ernst de diepe betekenis van deze gedachte en: ‘Als hij hun stilte hoorde, kromp hij ineen en rilde’.

    Plotseling, liefde
    Ernst gaat steeds eenvoudiger schrijven en Irene gaat hem steeds beter begrijpen. Hij schreef oorspronkelijk in het Duits, maar mengt er steeds meer Hebreeuwse zinnen door. Dat legt zij uit als een goed teken. Aanvankelijk droomden zij beiden hun eigen dromen over hun jeugd in de Karpaten, maar tenslotte dromen zij elkaars dromen.

    Kafka
    Wat een prachtig boek is dit! Aharon Appelfeld zou je een meester op de vierkante millimeter kunnen noemen. In tweehonderdvijftig pagina’s weet hij in kraakheldere bewoordingen twee door de geschiedenis getekende levenslijnen ineen te vlechten tot één sterk koord. De psychologische diepgang van het boek is dan ook groot. Ernst en Irene zijn beiden slachtoffer en gevangene van hun verleden, maar hun redding is ook gelegen in de geschiedenis, hun eigen roots. Als Ernst dat beseft, durft hij weer vrijuit te schrijven. Appelfeld zegt het zo: ‘Vroeger had Kafka’s werk over Ernst geheerst en was zijn eigen stemgeluid verstikt. Godzijdank was hij onder de vleugels van de grote schrijver vandaan gekomen.’

    Appelfeld schrijft omdat hij wat te zeggen heeft en dat is klasse!!

  • Oogst week 17

     

     

     

    Morgenvroeg in New York

    Bij uitgeverij Cossee is onlangs Morgenvroeg in New York verschenen, het debuut van de Franse Adrien Bosc (1986).

    Morgenvroeg in New York gaat terug naar oktober 1949 als van de Parijse luchthaven Orly een vliegtuig, de Constellation, vertrekt met bestemming New York. Aan boord tal van bijzondere mensen waaronder de geliefde van Edith Piaf, de bokskampioen Marcel Cerdan, de geniale dertigjarige violiste Ginette Neveu, de man achter het wereldwijde succes van de Walt Disney-merchandising, een wereldberoemde mode-illustrator, maar ook een groepje Baskische herders die hun geluk in Amerika gaan beproeven.

    Bosc raakte gefascineerd door wat krantenknipsels en is vervolgens gaan speuren naar de levens van de mensen aan boord en heeft er dit boek over geschreven.

    Morgenvroeg in New York was een groot succes in Frankrijk. Het is bekroond met de Grand Prix du roman de l’Académie française 2014, de Prix littéraire de la Vocation 2014 en de Prix Gironde Nouvelles Écritures 2014. De roman wordt wereldwijd vertaald, onder andere in het Engels, het Italiaans en het Duits. In Nederland is het vertaald door Carlijn Brouwer, een van de vaste recensenten van Literair Nederland.

     

     

    Morgenvroeg in New York
    Auteur: Adrien Bosc
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Het is stil waar het niet waait

    In de boeken van de Belgische schrijfster Elisabeth Marain (1943) zitten vaak autobiografische elementen. Zo ook weer in haar nieuwste roman Het is stil waar het niet waait waarin ze het leven beschrijft van een zeeman en dat van zijn gezin aan wal. Marains eigen vader was zeekapitein en dus soms lang van huis.

    Ook Gustave is veel van huis. Hij en Julia worden in de Eerste Wereldoorlog verliefd en trouwen met elkaar. Hij is veel weg, zij krijgt zijn kinderen en voedt die voor het grootste gedeelte alleen op. Tijdens de Tweede Wereldoorlog voelt Gustave zich gedwongen om voor de Duitsers te werken wat hem na de oorlog blijft achtervolgen.

    Het is stil waar het niet waait
    Auteur: Elisabeth Marain 
    Uitgeverij: Uitgeverij Vrijdag

    Plotseling, liefde

    Ruben Verhasselt is vertaler van Jiddische en Hebreeuwse literatuur. Hij vertaalde boeken van o.a. Meir Shalev, David Grossman, Sayed Kashua, Judith Katzir, Dorit Rabinyan, Etgar Keret, S. Yizhar. Ook vertaalde hij het onlangs bij Ambo|Anthos verschenen boek Plotseling, liefde van de grote Israëlische schrijver Aharon Appelfeld.

    Plotseling, liefde  gaat over de groeiende liefde tussen een oudere schrijver die met zijn dramatische oorlogsverleden worstelt en zijn jonge ongetrouwde hulp. De Israëlische Ernst, in de zeventig, woont alleen. Zijn eerste vrouw en dochter zijn door de nazi’s vermoord, van zijn tweede is hij gescheiden. Hij wordt verzorgd door Irena, dochter van Holocaust-overlevenden. Langzaamaan geven ze zich bloot en ze beseffen dat ze meer voor elkaar betekenen dan ze dachten wanneer Ernst in een depressie belandt.

     

    Plotseling, liefde
    Auteur: Aharon Appelfeld
    Uitgeverij: Ambo | Anthos
  • Zelfdoding in de antieke wereld nader beschouwd

    Zelfdoding in de antieke wereld nader beschouwd

    Anton van Hooff schreef in 1990 een boek over Zelfdoding in de antieke wereld, Van auto-thanasia tot suicide (SUN, Nijmegen 1990). In de jaren daarna publiceerde hij meerdere artikelen over hetzelfde onderwerp. En hij bracht boeken uit over onder andere de Romeinse keizers Vespasianus, Nero en Marcus Aurelius. Het thema van de dood in de klassieke oudheid pakt hij weer op in zijn nieuwste boek, Sterven in stijl. Leven met de dood in de klassieke oudheid.

    Overgeleverde grafschriften
    Van Hooff schrijft in de inleiding van Sterven in stijl dat de mensheid al heel vroeg weigerde om de dood als het definitieve einde van het leven te zien. In vijf hoofdstukken vertelt hij hoe de mens door de eeuwen heen omging met de dood. Hij put ondermeer uit de geschiedschrijving van Vergilius en Homeros.

    Over de betekenis van de begrafenisrituelen uit de prehistorie kunnen we slechts speculeren, omdat er uit de tijd slechts archeologisch materiaal beschikbaar is. Meer kunnen we leren van de ‘ouderbeschaving’, die van de Grieken en de Romeinen.  ‘Naast het archeologisch materiaal […] geven de overgeleverde grafschriften inzichten in de zeer diverse manieren waarop men met de dood omging.’ In het antieke Rome was wettelijk vastgelegd dat begraven of cremeren binnen de stad verboden was. De begraafplaatsen lagen buiten de stad, langs de uitvalswegen. Hoe dichter men bij de hoofdwegen werd begraven, hoe prominenter men in de herinnering voortleefde. Voorbijgangers lazen de grafteksten meestal hardop, zodat de doden als het ware even tot leven werden gewekt. Bezoeker, blijf staan en als het je niet te lastig is, lees dan dit. Vanaf het moment dat de graven gingen spreken door inscripties verwijzen ze naar de klassieke onderwereld met het geloof in het schimmenrijk van de Hades. De antieke mens stelt zich voor dat de ziel van de overledene daar als schim voortleeft.

    Aan de godenschimmen gewijd. Voor Iulianus 60 jaar oud heeft het collegium van wat over was van het begrafenisgeld een crypte van 12 voet (laten maken); hij is hier gelegen;  moge de aarde u licht zijn.’
    De laatste uitdrukking komt vaak voor op Latijnse grafschriften, sit tibi terra levis (vaak afgekort tot STTL).

    De grafschriften laten zien dat het geloof in de onderwereld hardnekkig was: ‘Homeros’ Hades was de basis waarop andere opvattingen zich als lagen in de loop van de tijd zouden afzetten.’

    Herinneringscultuur
    De zorg om de reputatie van de overledene beheerste in de oudheid alles. Daarom werden vooral de kwaliteiten van de overledene in grafinscripties vereeuwigd. Onvermijdelijk zijn er clichés, zoals incomparabilis (onvergelijkelijk) en pia (toegewijd). Soms wordt de doodsoorzaak vermeld, bijvoorbeeld a latronibus interfectus (door rovers gedood) of gestorven aan de pest. De grafschriften veranderden in de loop van de tijd. Ze benadrukten vanaf de vierde eeuw voor Christus de scheiding tussen het lichaam dat achterblijft en de ziel die blijft voortbestaan.

    De aarde houdt het lichaam
    de steen de naam
    de hemel de ziel.’

    Sterven in stijl
    In 2006 wijdt Van Hooff een uitbreid artikel aan Timothy Hills studie uit 2004: Ambitiosa Mors. Suicide and Self in Roman Thought and Literature. (Van Hooff, ‘De stijlvolle dood. Zelfmoord als klassiek ideaal’ in: De Academische Boekengids 58, september 2006, pp. 17-19). Hills boek zorgde ervoor dat er op een andere manier naar ‘eigendoding in de oudheid’ werd gekeken: ‘Met klem van argumenten betoogt Hill dat zelfdoding voor de Romeinen geen aparte sterfcategorie is. […] Zelfdoding kon de vorm aannemen van een eerzuchtige of opzienbarende dood, een ambitiosa mors […]’ Hill definieert de ambitiosa mors als een gloriezoekende, stijlvolle dood. Van Hooff: ‘In Hills perspectief gaat het vooral om sterven in stijl.’  Voilà, de titel van Van Hooffs boek: Sterven in stijl.

    Het voorbeeld van iemand die ‘sterft in stijl’ is Seneca (4 voor Christus – 65 na Christus), de Romeinse schrijver/filosoof en raadsman van keizer Nero. De geschiedschrijver Tacitus heeft de zelfdoding van Seneca uitvoerig beschreven. Seneca troostte zijn vrienden en hij deelde zijn laatste wijsheden. Hij liet zich de aderen en polsen doorsnijden en toen dat niet voldoende bleek liet hij zich gif aanreiken. Twee keer ‘liet’ in de tekst: hulp van een arts bij zelfdoding was bij de Romeinen een vanzelfsprekendheid .

    Seneca wilde niet dat zijn vrouw Paulina getuige was van zijn lijden. Hij vroeg haar de sterfkamer te verlaten. Veel schilders hebben dit emotionele afscheid op doek vastgelegd. Op de omslag van Sterven in stijl staat ‘The Death of Seneca’ van de achttiende eeuwse schilder Noël Hallé.

    Augustinus en Lucretia
    Het groeiende geloof in het dualisme ziel-lichaam leidde tot een toenemende afwijzing van de ‘vrijwillige dood’ (mors voluntaria). Het recht zelf de ziel los te maken van het lichaam was niet meer vanzelfsprekend. De opvatting groeide dat zelfdoding gelijk stond aan ‘ziel stelen’: de mens mag de scheiding tussen ziel en lichaam niet forceren. Kerkvader Augustinus (354-430) zorgde ervoor dat zelfdoding een christelijk taboe werd. Het gebod ‘Gij zult niet doden’ betekende volgens hem ‘een ander noch jezelf’. ‘Wie zichzelf doodt is een moordenaar (Qui se ipsum occidit homicida est)’. Augustinus’ visie werd kerkleer. Zelfmoordenaars mochten niet in gewijde grond worden begraven; zij kregen een ‘hondenbegrafenis’.

    De veranderde houding ten aanzien van zelfdoding illustreert Van Hooff met het drama van de getrouwde Lucretia. Zij stak zich met een mes in het hart nadat een koningszoon haar onder bedreiging onteerde. In de Romeinse oudheid was Lucretia het toonbeeld van vrouwelijk eerbesef. Haar reputatie was geschonden. Uit schaamte koos ze voor zelfdoding. Augustinus interpreteert haar daad heel anders: ‘Wat als ze ook door haar eigen lust verlokt toegaf aan de man, ook al belaagde hij haar met geweld?’ In zijn optiek is zij een zondares. Niet uit schaamte, maar uit schuldgevoel beging ze de doodzonde van de zelfmoord.

    Van Hooff beschrijft gedetailleerd hoe diverse studies, o.a. van Montesquieu (1689-1755) en van David Hume (1711-1776), dit beeld nuanceren. Zelfdoding is niet onder alle omstandigheden een doodzonde. Is zelfdoding niet een fundamenteel recht van de mens? Montesquieu’s opvatting: ‘Het leven is mij als een gunst gegeven. Dus mag ik het teruggeven als het niet langer een gunst is. Als ik suïcide bega, gebruik ik mijn onvervreemdbare recht.’

    Complimenten
    In 1990 schreef Van Hooff  Zelfdoding in de antieke wereld. Hij bracht de motieven voor zelfdoding in kaart. Hij baseerde zich op 960 geregistreerde gevallen van zelfdoding bij de Grieken en de Romeinen, voor zijn nieuwe boek op 1374. In Sterven in stijl zijn nieuwe inzichten en opvattingen over omgaan met de dood in de antieke wereld opgenomen. Met de belangrijke notie dat zelfdoding geen aparte categorie is in de antieke leefwereld is de ondertitel van zijn boek Leven met de dood in de klassieke oudheid logisch en consequent.

    Van Hooff heeft met Sterven in stijl een zeer leesbaar en toegankelijk boek geschreven. Zijn genuanceerde observaties plaatsen de verschillende opvattingen over de – zelfgekozen – dood in een breed historisch perspectief. Alle lof voor de consciëntieuze manier waarop hij zijn boek heeft samengesteld.

    Een jaar later
    Van Hooffs boek uit 2015 blijkt zeer actueel. In de antieke wereld was hulp van een arts bij zelfdoding vanzelfsprekend. Volgens de Nederlandse wetgeving, stammend uit 1886, is hulp bij zelfdoding strafbaar. Op 4 februari 2016 verscheen Voltooid leven. Over hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten. Belangrijkste conclusie: Zelfdoding is niet strafbaar; hulp bij zelfdoding wel. Alleen artsen kunnen die hulp geven. ‘De commissie is van mening dat het niet wenselijk is om de huidige juridische mogelijkheden inzake hulp bij zelfdoding te verruimen.’

     

     

    Anton J.L. van Hooff (1943) promoveerde in 1971 met zijn dissertatie: Pax romana: een studie van het Romeinse imperialisme. Tot 2008 was hij hoofddocent klassieke geschiedenis aan de Universiteit Nijmegen. Boeken van Anton van Hooff zijn onder andere Keizers van het Colosseum. Vespasianus, Titus en Domitianus (2014), Nero & Seneca. De despoot en de denker (2010) en Marcus Aurelius. De Keizer-filosoof (2012).

  • De Holocaust als geschiedenis en waarschuwing 

    De Holocaust als geschiedenis en waarschuwing 

    Timothy Snyder beschreef in zijn vorige boek Bloedlanden. Europa tussen Hitler en Stalin (2011) de geschiedenis van Oost-Europa tussen 1933 en 1945. Stalin en Hitler zijn verantwoordelijk voor de dood van veertien miljoen mensen in de ‘bloedlanden’, Polen, Oekraïne, de Balkan, Wit-Rusland en de Baltische staten.

    Uit het voorwoord van Snyders nieuwe boek Zwarte aarde. Geschiedenis van de Holocaust (2015): ‘Terecht associëren we de Holocaust met de ideologie van de nazi’s, maar we vergeten dat veel van de moordenaars geen nazi’s en zelfs geen Duitsers waren.’ De geschiedenis van de Holocaust is niet voorbij, betoogt Snyder: ‘Het precedent ervan is eeuwig en de lessen ervan zijn nog niet geleerd.’ De exacte combinatie van ideologie en omstandigheden uit 1941 zal zich niet opnieuw voordoen, maar iets wat er op lijkt mogelijk wel: ‘De moeite die nodig is om onszelf te begrijpen is […] een deel van de poging om het verleden te begrijpen.’

     

    Snyder begint zijn studie met een schets van de politieke situatie van de jaren dertig en het wereldbeeld van Hitler. Na de Eerste Wereldoorlog was er een groot gebrek aan voedsel in het verslagen Duitsland. Hitler vond dat het Duitse volk meer ruimte (‘Lebensraum’) nodig had om de ecologische crisis op te lossen. Dit thema verbond hij aan zijn antisemitische opvattingen. Snyder: ‘Hitlers wereldvisie bewerkstelligde de Holocaust niet helemaal in zijn eentje, maar de verborgen samenhang ervan genereerde nieuwe typen destructief beleid en nieuwe kennis omtrent het menselijk vermogen tot massamoord.’

    Oost-Europa
    Polen, Letland en Litouwen verloren door de gezamenlijk Duits-Sovjetinvasie (1939/1940) hun soevereiniteit. Over de pogroms in Polen is na de Tweede Wereldoorlog veel geschreven. Maar over de gebeurtenissen in Letland, Estland en Litouwen is minder bekend. De reden volgens Snyder: ‘Geen enkele belangrijke historicus die over de Holocaust publiceerde, leerde na 1989 een Oost-Europese taal, al kwam er een schat aan bronnen en secundaire literatuur vrij.’ Mede op basis van deze nieuwe bronnen beschrijft Snyder hoe de ‘staatvernietigers’ in Letland en Litouwen te werk gingen. De geheime politie van de Sovjets (NKVD) zorgde ervoor dat de politieke elite in die landen werd afgezet, vermoord of naar de goelag gestuurd. De Sovjets onteigenden de bezittingen van de veelal Joodse zakenlieden. Toen de Duitsers deze landen binnenvielen, waren de Sovjets druk met deportaties naar de goelag. In juni 1941 viel het staatsvernietingsproject van de Sovjets samen met dat van de Duitsers. De Duitsers ‘leerden […] de ervaring van de Sovjetbezetting uit [te] buiten om de meest extreme doelen van henzelf na te jagen, en wat ze uitvonden was de politiek van het grotere kwaad.’ In de chaos van de dubbele bezetting ontstond een nieuw beleid: Joden deporteren en vermoorden. Snyder omschrijft dit beleid als een ‘spontane creatie van Duitsers en de lokale bevolking’. Overal waar de staat vernietigd was, al dan niet door dubbele bezetting, werden vrijwel alle Joden vermoord: ‘In de zone van dubbele duisternis, waar nazicreativiteit en Sovjetprecisie samenkwamen, werd het zwarte gat ontdekt.’ Zo begon de Holocaust in het tweemaal achter elkaar bezette Litouwen en Letland. Hier escaleerden de ‘schijnbaar chaotische moordpartijen in een systematische Endlösung.’ De Duitsers ontwikkelden nieuwe technieken voor hun moordpraktijken. Eerst met kogels en kuilen, massagraven, later met uitlaatgassen en verbrandingsovens. Eind 1941 waren bijna alle Litouwse en Letlandse Joden vermoord. Snyder: ‘Het merendeel van de nog overgebleven Joden in Europa moest naar een plaats met de naam Auschwitz.’ Auschwitz is synoniem geworden voor de Holocaust als geheel, maar de meeste Joden zijn in het oosten vermoord – aan de rand van kuilen die waren gegraven in de zwarte aarde van de Oekraïne – nog voordat dit kamp een vernietigingskamp werd.

    West-Europa
    Na Oost-Europa richt Snyder zijn blik op de landen in West-Europa die niet ‘vernietigd’ waren, maar wel onder de Duitse overheersing vielen. Hij onderscheidt drie soorten landen. Marionetstaten, landen die gecreëerd waren na de vernietiging van andere staten (Slowakije, Kroatië);  bondgenoten van nazi-Duitsland (Roemenië, Bulgarije, Hongarije, Italië) en veroverde en bezette landen (Frankrijk, Griekenland en Nederland). De staatsinstituties van deze landen waren in verschillende mate aangetast ‘zonder volledig vernietigd te zijn.’ Voor ieder land beschrijft hij wat er met hun Joden gebeurde. Snyder: ‘De geschiedenis van hun Joden bevestigt het verband tussen soevereiniteit en overleving.’ Politiek filosofe Hannah Arendt schreef al tijdens de oorlog: ‘Alleen met staatloze mensen kon je doen wat je wilde’ en ‘De eerste essentiële stap op weg naar totale overheersing is de rechtspersoon in de mens vermoorden.’

    Redders en geredden
    Tegenover de geschiedenis van de vermoorden zet Snyder de verhalen van de overlevers. Joden die de oorlog overleefden hadden veelal hulp gekregen van niet-Joden, schrijft Snyder in het hoofdstuk ‘Redders in het grijze gebied’. Het afbreken van de staat betekende het afbreken van de bescherming door de staat. Identiteitspapieren waren cruciaal, want die stonden gelijk aan erkenning door de staat. Snyder beschrijft hoe de Zweedse diplomaat Raoul Wallenberg erin slaagde het leven van veel Hongaarse Joden te redden door het uitreiken van ‘beschermpaspoorten’.

    Het boek bevat diverse getuigenissen van Joden en hun redders. De een helpt uit naastenliefde, een ander handelt uit een gevoel voor rechtvaardigheid, de wil om het goede te doen. Maar alle hulp ten spijt, velen verloren hun leven in het vernietigingskamp dat het symbool werd voor de Holocaust. Auschwitz was vanaf maart 1942 tot januari 1945, tot de bevrijding door het Rode Leger, een vernietigingskamp. Naar schatting zijn in Auschwitz 1,3 miljoen mensen vermoord.

    Een gewaarschuwd mens
    Volgens Timothy Snyder is de Holocaust niet alleen een geschiedenis, maar ook een waarschuwing. De oorspronkelijke ondertitel van het boek luidt: The Holocaust as History and Warning. In het slothoofdstuk schrijft hij: ‘We leven op dezelfde planeet als Hitler en hebben deels dezelfde zorgen; we zijn minder veranderd dan we denken.’ Het gevaar van het uiteenvallen van staatsstructuren koppelt hij aan het gevaar van een ecologische crisis, een voedsel- en of drinkwaterschaarste die bijvoorbeeld kan ontstaan door de opwarming van de aarde. Tijdens een oorlog in het Midden-Oosten om de middelen van bestaan is het bijvoorbeeld goed mogelijk dat partijen elkaar ‘de schuld gaan geven zowel van plaatselijke problemen als van de algehele ecologische crisis; dat was ook hoe Hitler het aanpakte.’

    Snyder wijst ook op mogelijk ecologische crises in andere landen. China heeft de nodige hongersnoden gekend en ziet Afrika als een bron voor voedsel. Rusland annexeerde de Krim en de Oekraïne: ‘De vruchtbare grond van het vaste land van Oekraïne, zijn zwarte aarde, maakt het tot een heel belangrijke exporteur van voedsel, iets wat Rusland niet is.’ Poetins invasie ‘baant de weg voor vernietiging van staten.’ Ook in Afrika kunnen lokale problemen wereldomvattend worden. Voorbeelden: de hongersnood in Somalië, de ecologische crisis en de massamoorden in Rwanda. Snyders  waarschuwing is duidelijk: ‘Klimaatverandering als een lokaal probleem kan tot lokale conflicten leiden; klimaatverandering als een mondiale crisis kan tot de roep om mondiale slachtoffers leiden.’ Een nieuwe Holocaust is niet uit te sluiten.

    Op basis van recente Oost-Europese bronnen biedt Snyder een nieuw perspectief op wat zich er in de Baltische Staten heeft afgespeeld. Hij toont overduidelijk aan dat de ‘dubbele staatvernietiging’ in zeer korte tijd leidde tot ‘nieuwe typen destructief beleid.’

    ‘Het kwaad dat de Joden is aangedaan kan niet ongedaan gemaakt worden’, schrijft hij tot slot, maar ‘inzicht krijgen in de Holocaust is onze kans […] om de mensheid te redden. […] We móéten er ook inzicht in krijgen, zodat we een herhaling in de toekomst kunnen voorkomen. Dat moet genoeg zijn voor ons en voor degenen die – laten we het hopen –  na ons komen.’

    Timothy Snyder heeft met Zwarte Aarde een zeer aangrijpend boek geschreven.

     

    Timothy Snyder (1969) is hoogleraar geschiedenis aan Yale University. Voor Bloedlanden. Europa tussen Hitler en Stalin kreeg hij in ondermeer de Hannah-Arendt-Preis für politisches Denken (2013), de Leipziger Buchpreis zur Europäischen Verständigung (2012) en de Ralph Waldo Emerson Award in the Humanities (2011).