• Tijdloze verhalen over buitenstaanders en angsten

    Tijdloze verhalen over buitenstaanders en angsten

    Andrew Leander belandt na een lange busreis dronken en verward in een stationsrestauratie. Hij weet niet waar hij is en ‘hij had geen nauwkeuriger besef van de tijd dan ergens tussen middernacht en ochtend. Wel wist hij dat hij het zuiden had bereikt, maar dat hij nog vele uren zou moeten reizen voor hij thuis was’. Zijn toestand is nauwelijks beter als de restauratie gaat sluiten: ‘Hij had zin om naar buiten te gaan en zijn stem te verheffen en in de nacht te zoeken naar alles waarnaar hij verlangde’. In de pagina’s tussen het betreden van de eetgelegenheid en de sluiting ervan heeft de auteur van het verhaal, Carson McCullers, ons meegenomen in de mijmeringen van Andrew over zijn twintig levensjaren tot nu toe. Zeventien ervan bracht hij door in een stad in de staat Georgia – het doel van zijn busreis – en drie in New York. Jaren van eenzaamheid en treurig verlangen met maar een paar vrienden aan wie hij zich nauwelijks durft toe te vertrouwen. Maar ook een jeugd met muziek als troost.

    ‘Zonder titel’ staat er boven het verhaal. Het is één van de twee langste uit Alle verhalen van Carson McCullers, negentien in totaal. Net als ‘Zonder titel’ zijn ze geen van alle echt autobiografisch, maar in alle zijn wel episodes en sferen uit het leven van de schrijfster te herkennen.

    Reuma

    McCullers (1917 – 1967) werd geboren in Columbus in Georgia. Ze bleek al vroeg een talentvol pianiste. Haar moeder was ervan overtuigd dat Carson grote roem zou oogsten op de wereldpodia en oefende daarvoor grote druk op haar uit. Haar droom bleek onhaalbaar toen ze reuma kreeg. Een aanvankelijk verkeerde diagnose en dito behandeling bezorgden haar een lang ziekbed, dat ze lezend doorbracht met grote schrijvers als Dostojevski, Proust en Joyce. Ze ging, net als haar geesteskind Andrew hierboven, naar New York, waar ze een cursus creative writing volgde.
    Ook de reuma en de mislukte concertcarrière zijn in haar verhalen terug te vinden. Zoals in ‘Wunderkind’, haar eerste in een tijdschrift gepubliceerde stuk, geschreven onder haar meisjesnaam Smith, toen ze zeventien was. In dat verhaal verschijnt pianiste Frances op haar pianoles met ‘trillende pezen die van haar knokkels naar beneden liepen, de zere vingertop omwikkeld met een vuile pleister die omkrulde’. Haar (van geboorte Duitse) docent blijft maar zeggen dat ze een ‘Wunderkind’ is. Het is een prestatiedruk waaronder Frances uiteindelijk bezwijkt.

    We herkennen McCullers’ huwelijkservaringen – ze trouwde twee keer met James R. McCullers wiens achternaam ze bleef voeren – in ‘Moment van het uur erna’. Het beschrijft een echtpaar dat elkaar met de whiskyfles steeds in de buurt afwisselend liefheeft en haat en de leegte tussen hen bevecht.

    Eenzaamheid

    McCullers schuwde geen enkel onderwerp. Toen ze drieëntwintig was verscheen haar eerste roman die haar blijvende bekendheid zou bezorgen, The Heart is a Lonely Hunter (In Nederland verschenen als Het hart is een eenzame jager) over eenzaamheid, afwijzing en verlating, over seksuele geaardheid, rassendiscriminatie en klassenverschillen. Opnieuw werd ze een wonderkind genoemd. Haar tweede roman, over homoseksualiteit binnen het leger, zorgde voor veel beroering. In totaal schreef ze vijf romans voor ze in 1976 stierf aan een hersenbloeding.
    De vijf romans zijn allemaal vertaald door Molly van Gelder deze bundel verhalen ook van een nawoord voorzag. Ze schrijft onder meer dat McCullers zich verbonden voelde met het eenzame bestaan van mensen die buiten de maatschappij vallen door hun uiterlijk of hun sociale status. Zelf was ze wit, maar ze voerde zwarte personages met evenveel inlevingsvermogen op als witte.

    Hoewel haar concertloopbaan mislukt was, bleef muziek één van McCullers’ liefdes. In bijna elk van de negentien verhalen komt die dan ook terug, hetzij in personages die musici zijn, hetzij in op de muziek geïnspireerde beeldspraak of vergelijkingen. Dat betreft dan vooral klassieke muziek en fuga’s van Bach in het bijzonder. Als zijn ex-vrouw Elizabeth in ‘Tijdelijk verblijven’ een prelude en fuga van Bach speelt, zoals ze dat vroeger deed, confronteert deze muziek John Ferris bijvoorbeeld met zijn manier van omgaan met mensen. Ze hebben elkaar acht jaar niet gezien, Elizabeth is hertrouwd en John heeft eveneens een andere, onduidelijke, liefde. Ze zien elkaar een paar uur bij Elizabeth en haar gezin thuis. Met als kantelpunt het stuk van Bach dat zij speelt. John wordt overvallen door het gevoel dat hij bij niemand meer echt hoort.

    Koning

    De verhalen snijden ernstige zaken aan en zetten in enkele bladzijden een krachtige psychologie neer van de betrokkenen, zoals in het geval van genoemde John Ferris ten huize van Elizabeth in deze zin: ‘Zijn eigen leven leek zo eenzaam, een broze zuil die niets meer draagt, tussen de brokstukken van de jaren’. Toch hebben de verhalen een lichtheid van toon die ze soms des te tragischer maakt. Een ontroerend voorbeeld daarvan is ‘Madame Zilensky en de koning van Finland’. Het hoofd van een muziekopleiding, Brook, heeft madame Zilensky als docent binnengehaald. Ze is erg goed in haar werk – ze is tevens componist van symfonieën – maar Brook ontdekt geleidelijk aan dat ze een pathologische leugenaar is als het gaat over haar leven. Zo zou ze zelfs de koning van Finland in een slee hebben zien passeren. Als Brook haar vertelt dat Finland geen koninkrijk is en haar verhaal dus niet waar kan zijn, vlucht ze in nieuwe leugens. Tot Brook zelf een draai maakt door te zeggen: ‘Ja. Uiteraard. De koning van Finland. Aardige man?’

    Iets dergelijks gebeurt in ‘Een boom, een steen, een wolk’. Daarin treft een twaalfjarige krantenbezorger op de vroege morgen in een streetcar café een man die over een bierpul gebogen zit en plotseling een gesprek met de jongen begint over liefde. Hij laat daarbij foto’s zien van de vrouw die jaren geleden bij hem is weggegaan. Liefde is voor hem een theorie geworden. Hij doet zijn verhaal tegen de krantenjongen terwijl de barman de twaalfjarige meewarig probeert te waarschuwen voor deze gek. Nadat hij is vertrokken vraagt de jongen aan de barman of hij dronken was of een mafkees: ‘Of toch niet?’

    Tenslotte is er het tweede lange verhaal, het aangrijpende en diep tragische ‘Wie heeft de wind gezien? Ken Harris, de schrijver van één bejubelde en een daarop gevolgde mislukte roman, verkeert in een writer’s block en raakt steeds verder geïsoleerd in dronkenschap en wanhoop en zelfs waanzin. Zijn vrouw verlaat hem omdat ze zijn gedrag niet meer aan kan. Schokkend is de passage waarin hij op een leeg vel de letters x en r tikt om maar tikgeluiden te horen. En dan typt hij ‘De luie bruine vos sprong over de slimme hond’. In die Nederlandse vertaling gaat helaas de diepe tragiek ervan verloren. De zin, bekend als ‘The quick brown fox jumps over the lazy dog’, is immers het nietszeggende pangram waarmee louter alle letters van het toetsenbord worden uitgeprobeerd. In het origineel van McCullers luidt hij subtiel anders: ‘The lazy brown fox jumped over the cunning dog’, waardoor de vos juist lui is en de hond slim. Harris herhaalt hem een paar keer. Schrijnender kan zijn writer’s block niet worden beklemtoond.

    Bijna alle personages van McCullers zijn buitenstaanders, mensen die over de rand dreigen te vallen, vervreemd raken van wat normaal wordt geacht. Bange mensen. Maar ook mensen van alle tijden. De Leanders, de Ferrissen en Harrissen, ja zelfs de Zilensky’s, leven ook in onze tijd. En ze confronteren ook ons met onze eigen diepste angsten. Dat is de kracht van de verhalen van McCullers.

     

     

  • Taal moet swingen

    Taal moet swingen

    Jean Rhys schreef buitenstaanders literatuur; haar overwegend vrouwelijke personages zijn outsiders op Dominica, in Engeland, Parijs en Midden-Europa. In swingende stijl worden hun verhalen verteld.
    Rhys kreeg bekendheid door haar roman De wijde Sargassozee (1966). Lang daarvoor schreef ze echter al kortverhalen, waarvan de eersten werden gepubliceerd in 1927. Op dat moment leidde de geboren Dominicaanse een bohemien bestaan in Parijs. Gedurende haar leven trouwde ze driemaal en woonde op verschillende plekken in Europa. Alle verhalen verzamelt het werk uit drie verschillende bundels, aangevuld met enkele losse teksten, en is daarmee de eerste integrale uitgave van Rhys’ kortverhalen in het Nederlands. Naast haar debuut The left bank and other stories (1927) gaat het om Tigers are better-looking (1968) (beide nu vertaald door Lisette Graswinckel) en Sleep it off, lady (Mens, slaap je roes uit) (1976) (al eerder vertaald door W.A. Dorsman-Vos).

    Europese dromen

    De vroegste verhalen tellen doorgaans maar enkele pagina’s en spelen zich voornamelijk af in Parijs, of preciezer; Montmartre en Montparnasse. Het gaat vaak over jonge vrouwen die, op zichzelf aangewezen, het hoofd boven water proberen te houden. Ze dansen voorzichtig op het slappe koord boven een afgrond van financiële onzekerheid maar moeten ook bedacht zijn op het kleinburgerlijke oordeel. Deze precaire balansoefening wordt met veel inzicht op papier gezet. Voor hen die falen is de wereld meedogenloos. Opvallend genoeg wordt de burgermoraal meestal belichaamd door een personage uit Engeland, met vaste wortels en overtuigingen. De protagonisten daartegenover zijn nergens thuis en moeten hun eigen denken en handelen vormgeven.

    Indruk maakt het langste verhaal uit dit deel, getiteld ‘Vienne’, gesitueerd in midden-Europa. Uit de opening blijkt dat het om een terugblik gaat, de beschreven tijd is vervlogen, zelfs bijna uit het geheugen verdwenen. Frances verkeerde met haar geliefde, Pierre, in de betere kringen van Wenen. Het is de tijd dat Japanse officieren als militair attaché de stad bevolken begin 1920, zodat een vrij bonte verzameling karakters de revue passeert. Al vrij snel blijkt dat dit leven op grote voet slechts van tijdelijke aard kan zijn omdat de financiële basis van Pierre niet zo solide is als hij voorwendt. Het paar ziet zich uiteindelijk gedwongen om uit te wijken naar Boedapest. Maar de echte vraag moet nog aan bod komen: kunnen ze met z’n tweeën ook slechte tijden het hoofd bieden? ‘Vienne’ is, met z’n dertig bladzijden, een rijk verhaal dat de lezer betovert en meevoert door een verdwenen Europa. De vloeiende stijl van Rhys komt helemaal tot z’n recht dankzij de gevarieerde setting en het vrije plot.

    Benauwend Engeland

    De tweede verhaalverzameling is geschreven in de vijftiger jaren van de 20e eeuw, toen Rhys teruggetrokken leefde op het Engelse platteland, waar zich ook enkele verhalen situeren. In ‘Al noemen ze ’t jazz’ volgen we Selina, die haar huurhuis wordt uitgezet wanneer ze het voorschot op een dag niet kan betalen. Ze ontmoet een man die haar, naar het lijkt met kwestieuze motieven, een vervallen woning aanbiedt. Hele dagen op zichzelf aangewezen, grijpt ze naar de drank en krijgt al snel ruzie met een stel kleingeestige buren. Dit komt haar uiteindelijk op een gevangenisstraf te staan. Onderweg naar de cel wordt ze begeleid door een vrouwelijke agent: ‘Ik pak haar hand vast want ik ben bang. Maar ze trekt ‘m weg. Koud en glad glipt d’r hand weg en haar gezicht is van porselein, glad als ’n poppengezicht en ik denk: dit is de laatste keer dat ik iets van wie dan ook vraag. Zo waarlijk helpe mij God almachtig.’
    Tijdens het luchtuur in de gevangenis hoort ze een vrouwenstem zingen. Het is een lied van moed en hoop, het Hollowaylied zoals ze later ontdekt, en betekent een ommekeer in haar gemoedsgesteldheid: ‘Ik ijsbeer op en neer en ik denk: ooit hoor ik dat lied met trompetten en dan vallen deze muren om, voorgoed. Ik wil hier zo graag vandaan dat ik wel op de deur kan beuken, want ik weet nou dat niks onmogelijk is en dat ik niks meer wil missen doordat ik hier opgesloten zit’.

    Cadans van de zin

    In het titelverhaal ‘Tijgers zijn aantrekkelijker’ worstelt de hoofdpersoon, een schrijver, met het vinden van de juiste toon voor zijn werk. Want ‘taal moet swingen, zoals iedereen weet’. Jean Rhys zal deze opvatting vast delen met haar personage: er valt praktisch geen stroef lopende zin te vinden in de eerste twee verhaalbundels. Het proza van Rhys kent veel snelheid en een fijne cadans. Nergens is haar formulering formeel, de korte zinnen zijn niet puntig en de lange nooit wollig. De laatste verzameling verhalen (Sleep it off, lady) maakt wat minder indruk qua stijl, wellicht dat dit samenhangt met de oudere vertaling. Een erg aardige tekst hier is ‘Troebel water’, dat zich afspeelt op Dominica. Het beschrijft de geschiedenis van een zekere heer Longa, die beschuldigd wordt van kindermishandeling. De verdedigers van Longa beweren echter dat er sprake is van een complot tegen hem vanwege zijn socialistische sympathieën. Het debat wordt deels uitgevochten in de krantencolommen van de Dominica Herald. Voor de rechter noch voor de lezer valt de waarheid van het gebeurde te achterhalen. Zuivere koffie wordt er door Rhys zo’n vijftig jaar na haar debuut nog steeds niet geschonken.

    De integrale uitgave van Alle verhalen van Jean Rhys is een aanwinst voor ons taalgebied en biedt een laagdrempelige mogelijkheid kennis te maken met deze auteur. De verhalen laten zich goed los lezen omdat ze zeer trefzeker zijn opgeschreven, maar door de thematische samenhang is het geheel ook meer dan de som der delen. Van een outsider wordt Rhys langzamerhand vanzelf literaire canon.

     

  • Oogst week 40 (2018)

    Liefdevolle rivaliteit: de correspondentie

    Er mag rivaliteit geweest zijn tussen de schrijvende broer en zus – Geerten en Doeschka – Meijsing, maar uit Liefdevolle rivaliteit: de correspondentie spreekt vooral verwantschap en vertrouwdheid. Dat zal voor een deel zijn – zoals Geerten Meijsing in Spätlese, het nawoord bij de brieven schrijft, waaruit ook blijkt hoe hard de klap van de plotselinge dood van zijn zus bij hem aangekomen is – omdat zij elkaar op papier ontzagen en vooral complimenteus waren waar het hun werk betrof, maar dat is niet de voornaamste reden.
    Belangrijker is dat zij elkaar als mens verstonden en hun vak op dezelfde manier benaderden:

    ‘het schrijverschap was en is voor ons een allesomvattende levenshouding waaraan alle andere bezigheden en beslommeringen van het dagelijkse leven ondergeschikt zijn, de nevenwerkzaamheden die mijn zuster voorzichtigheidshalve bijna tot op het einde verricht heeft ten spijt.’

    In de brieven, die de periode 1979 tot 2009 beslaan, gaat het over het werk en de litteratuur, maar minstens even prominent aanwezig zijn de beslommeringen – privé en zakelijk – die in de praktijk behoorlijk veel energie en tijd vragen. Doeschka en Geerten Meijsing nemen geen blad voor de mond en sparen elkaar ondanks hun verwantschap niet. Hun jalousie de métier laait op als de één van de ander vindt dat hij/zij zich teveel op het territorium van de ander begeeft.

    De brieven zijn door Nop Maas zo gedetailleerd geannoteerd dat er niet veel aan de verbeelding van de lezer wordt overgelaten, maar zijn werkwijze stimuleert het

     

    Liefdevolle rivaliteit: de correspondentie
    Auteur: Geerten Meijsing & Doeschka Meijsing
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2018)

    Istanbul, Istanbul

    Burhan Sönmez leefde tien jaar in ballingschap in Londen. Inmiddels woont en werkt hij weer in Istanbul, maar bij terugkeer trof hij een andere stad aan dan hij verliet, waardoor hij in zekere zin opnieuw in ballingschap verblijft. Vertelde hij vorige maand in De Balie, waar hij te gast was tijdens PEN Spreekt.
    Istanbul, Istanbul volgt de vorm van de Decamerone van Boccaccio. Tien dagen lang vertellen vier politieke  gevangenen – een dokter, een student, een barbier en ‘oom Küheylan’ – elkaar verhalen om de moed erin te houden. Zij zitten in een ondergrondse cel in Istanbul waar zij op elk willekeurig moment opnieuw verhoord kunnen worden.

    In die verhalen is Istanbul alom tegenwoordig. De bovengrondse stad, de stad die in herinneringen voortleeft en het mythische Istanbul. De vier die behalve hun gevangenschap weinig met elkaar gemeen hebben, bieden via hun verbeelding weerstand tegen de martelingen die zijn ondergaan.
    Istanbul, Istanbul verscheen in 2015, voordat de situatie in Turkije door de mislukte coup dramatisch verslechterde, maar de roman kan gelezen worden als een aanklacht tegen de meedogenloze manier waarop tegenstanders van het regime sindsdien onschadelijk gemaakt worden.

    Maar Istanbul, Istanbul laat zich los van een specifieke historische context ook lezen als een pleidooi voor het vertellen van verhalen. Burhan Sünmez geeft zijn personages de nodige overwegingen mee die ontleend zijn aan de (wereld)literatuur.

    Istanbul, Istanbul
    Auteur: Burhan Sönmez
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando (2018)

    Alle verhalen

    Haar schilderijen tonen verwantschap met het werk van Jheronimus / Jeroen Bosch. Ze worden bevolkt door wezens die eerder aan de fantasie ontsproten lijken te zijn dan dat zij hun oorsprong in de werkelijke wereld hebben. Leonora Carrington (1917-2011) schilderde niet alleen, ze schreef ook, zij het niet heel veel en vooral korte verhalen. Die verhalen – vorig jaar ter gelegenheid van haar honderdste geboortedag gebundeld en nu onder de titel Alle verhalen verschenen in het Nederlands – zijn net zo surrealistisch als haar schilderijen. Macabere sprookjes lijken het, waarin de grens tussen leven en dood vloeibaar is. Zwarte verhalen, waarin de natuur en de vergankelijkheid zich opdringen. Maar tegelijk getuigen ze van een scherpe kijk op de conventies waarmee het leven gepaard gaat. Veel van haar vrouwelijke personages onttrekken zich aan hun voorbestemde leven, zonder dat Leonora Carrington nadrukkelijk een feministisch statement maakt.

    Haar vroegste verhalen dateren uit de jaren 1937/’38. Naarmate de tijd verstrijkt, sluipt er meer herkenbare werkelijkheid en idem dito maatschappijkritiek in de verhalen die Leonora Carrington in het Engels, Frans en Spaans schreef.

    Eerder dit jaar verscheen al het autobiografische Beneden, waarin Leonora Carrington verslag doet van de waanzin die haar trof na de arrestatie van kunstenaar Max Ernst en haar gedwongen opname in een inrichting.

     

    Alle verhalen
    Auteur: Leonora Carrington
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando (2018)

    Kellendonk

    ‘Een schrijversbiografie heeft pas iets in te brengen wanneer de schrijver zich niet volledig heeft kunnen waarmaken, wanneer toevallige omstandigheden hun bulten en blauwe plekken op het oeuvre hebben achtergelaten en de schepper interessanter is dan het werk, dat in zoverre dus mislukt mag heten.’

    Tot zover Frans Kellendonk. Zijn oeuvre – verre van mislukt – is relatief klein gebleven, want toen Frans Kellendonk in 1990 stierf, was hij pas 39. In zekere zin geldt voor hem dus dat hij zich als schrijver niet volledig heeft kunnen waarmaken en is het gerechtvaardigd dat er een biografie verschijnt van een schrijver die al wel veel beloftes inloste, maar nog niet uitgedacht en uitgeschreven was.
    Jaap Goedegebuure was niet de eerst aangewezen biograaf, maar uiteindelijk wel degene die de opdracht tot een (goed) einde bracht. Afgaande op zijn inleiding en het eerste hoofdstuk gaat Jaap Goedegebuure op zoek naar ‘continuïteit’ in het werk van de auteur in wiens leven juist (culturele) breuklijnen bepalend waren. Kellendonk trad niet in de voetsporen van zijn vader – zoals veel zonen van zijn generatie dat niet meer deden – en gaf gehoor aan de roep van het dichterschap én hij nam afstand van de traditionele wijze van het belijden van het rooms-katholieke geloof zonder de rituelen vaarwel te zeggen. Wat Jaap Goedegebuure voor ogen stond, was het traceren van de ‘spiegeling van de familiegeschiedenis in de grote geschiedenis.’ Hij zocht naar de invloed van Kellendonks afkomst op zijn maatschappijvisie en wereldbeschouwing, zoals die in zijn werk – romans, verhalen en essays – vorm kreeg. Volgens degenen die Kellendonk: een biografie al uit hebben met wisselend succes.

    Kellendonk
    Auteur: Jaap Goedegebuure
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2018)