• Oogst week 7 — 2026

    Vrouwen in duistere tijden — Tien denkers van blijvende betekenis

    In Vrouwen in duistere tijden — Tien denkers van blijvende betekenis bespreekt Alicja Gescinska tien toonaangevende vrouwen in tien biografische portretten. Rosa Luxemburg, Anna Achmatova, Edith Stein, Hannah Arendt, Martha Gellhorn, Simone Weil, Jeanne Hersch, Etty Hillesum, Barbara Skarga en Judith Shklar. Vrouwen die streden tegen onderdrukking, tegen de ontmenselijking en vernietigingsdrang van de twintigste eeuw. Veel van hen werden vervolgd voor hun daden van verzet: ze stierven in kampen of leefden in ballingschap.

    Alicja Gescinska (1981) is een Pools-Belgische filosoof en schrijver. Ze werd geboren in Warschau en vluchtte op zevenjarige leeftijd naar België. Daar groeide ze, na een kort verblijf in een asielcentrum in Brussel, op in het Oost-Vlaamse dorp Lede. Gescinska studeerde Moreelwetenschappen en promoveerde in 2012 tot Doctor in de Wijsbegeerte aan de Universiteit Gent. Sindsdien werkt ze als onderzoeker, docent en schrijver. Ze schrijft zowel fictie als non-fictie en in 2017 won ze de Debuutprijs voor haar roman Een soort van liefde. Vrouwen in duistere tijden is haar meest recente boek. 

    Vrouwen in duistere tijden — Tien denkers van blijvende betekenis
    Auteur: Alicja Gescinska
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Moet dwalen

    Isi Witlamm snakt naar romantische liefde, naar eeuwige zelfs. Een allesbepalend en misschien wat gevaarlijk verlangen. Want wat kun je redelijkerwijs van het leven verwachten? In Moet dwalen laat Charlotte Mutsaers hem, de titel zegt het al, dan ook hopeloos verdwalen. Met zijn visie van eeuwige liefde als baken blijft Isi geloven dat hij de weg weer zal vinden. Wellicht tevergeefs.

    Charlotte Mutsaers (1942) is beeldend kunstenaar en schrijver. Ze studeerde Nederlands, werkte als docent en volgde de avondopleiding tekenen en schilderen aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs (sinds 1968 Gerrit Rietveld Academie). Sinds de jaren tachtig verschenen er veel romans, verhalen, poëzie en essaybundels van haar hand. Haar werk werd genomineerd voor alle grote literaire prijzen, waarvan ze onder andere de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooftprijs ontving.

    Moet dwalen
    Auteur: Charlotte Mutsaers

    Uitgeverij: Prometheus

    Meester van de trommels


    In Meester van de trommels laat José Eduardo Agualusa zijn personage Leila Pinto het liefdesverhaal van haar grootouders vertellen. Dit verhaal, over Jan en Lucrécia, is verweven met de geschiedenis van het Koninkrijk Bailundo en het hedendaagse Angola. Agualusa doet hiermee een alternatieve werkelijkheid uit de doeken: antikoloniaal en bedoeld om te laten zien hoe veelvormig de geschiedenis van een land kan zijn.

    José Eduardo Agualusa (1960) is een Angolese schrijver en columnist van Portugees-Braziliaanse afkomst. Hij studeerde landbouwkunde en bosbouw in Lissabon en woont momenteel op Ilha de Moçambique, waar hij werkt als schrijver en journalist. Zijn eerste boek, een roman, verscheen in 1989. Sindsdien publiceerde hij een groot aantal romans, korte verhalen en novelles. Agualusa won meerdere prijzen waaronder, in 2017, de International Dublin Literary Award. Zijn boeken werden vertaald in vijfentwintig talen.

    Meester van de trommels

    Auteur: José Eduardo Agualusa
    Uitgeverij: Koppernik
  • Het pijnlijke verhaal van het goelaguniversum

    Het pijnlijke verhaal van het goelaguniversum

    Volgens de Russische schrijver en kampoverlevende van het Stalinisme Aleksandr Solzjenitsyn vormden de goelagkampen in psychologische zin een eigen wereld, een land bewoond door de zek, de gevangenen. En alleen wie daar geweest is kent de waarheid over die plek. Barbara Skarga, de Poolse filosoof die tien jaar in de goelag heeft doorgebracht en daarover heeft geschreven in Na de bevrijding, spreekt over het ‘goelaguniversum’. Dat vormt een wereld op zich, met een eigen taal en gebruiken, rituelen en afspraken. In dit ontluisterende verslag lezen we alles over de terreur en repressie van de Sovjetmachine.

    Op 8 september 1944 wordt Skarga als ze met een andere koerier van het Armia Krajowa, een Poolse verzetsgroep, afspreekt, gearresteerd op grond van het beruchte artikel 58. Dat betekende dat ze als politiek gevangene werd beschouwd. Door de ‘mist van herinnering’ gaat Skarga op de tast van herinnering naar herinnering, hoe pijnlijk ook, om het verhaal te vertellen van die ‘kolossale absurditeit’ die haar en zovelen is aangedaan. De mens leeft bij zijn vermogen om te vergeten, schrijft Varlam Sjalamov in Berichten uit Kolyma. Het herinneren maakt voor Skarga de figuren weer even levend en zo richt zij een monument op voor alle goede mensen die ze in het kamp heeft ontmoet. Kan een mens nog leven, in deze ’tussenruimte van het zijn’, vraagt zij zich af. De woorden doen nauwelijks recht aan deze geschiedenis, de ontmenselijking, het ontnemen van het recht om voor jezelf te denken, en de eindeloze kwellingen van de arbeid en de honger. Het is allemaal even pijnlijk om te lezen.

    Het dogma van de spade

    Skarga richt haar haat tegen het abstracte systeem. Ondanks alles niet tegen de mensen. ‘Een monsterlijk mechanisme dat elk mens brak die niet kon, niet in staat was, of niet bereid was de randen van zijn eigen zijn zo te polijsten dat hij toch maar in het systeem zou passen.’ Het systeem zette aan tot grote onverschilligheid tegenover alles wat niet werd voorgeschreven. Niemand verzette zich omdat ze heel goed wisten wat er gebeurde met werkweigeraars of dissidenten. Skarga omschrijft het sovjetisme als een kanker die het denken van de mens vergiftigt. Het meest afschrikwekkende was dat iemand bereid was alles te doen voor eigen voordeel, want het verblijf in de kampen brak ook langzaam de moraliteit van de gevangenen af, die zich vaak als criminelen of verklikkers ontpopten. Dan treedt langzaam de permissie voor en gewenning aan het kwaad in, wat Skarga een van de ergste gevolgen van het verblijf in het kamp noemt.

    Wat men in de kampen leerde was niet de heropvoeding waar de Sovjetunie zo op hoopte, het was enkel overleven. In het kamp gold enkel de wet van de taiga en van het werk. Die werd opgelegd door het dogma van de spade en het pikhouweel. Je moest je aan de omgeving aanpassen en trachten iets van je waardigheid te bewaren. Want het werk bracht je snel om, zeker met de hongerrantsoenen die vaak net genoeg deden om je in leven te houden. Ontsnappen was een luchtspiegeling volgens Skarga. Waarheen zou je moeten vluchten in het bevroren hart van de taiga? Daarnaast was er de constante confrontatie met de lichamelijkheid van de ander. Daarom koesterde Skarga elk moment van eenzaamheid, wat tot ontroerende passages leidt.

    Kamptaal en liefde

    Skarga beschrijft nog een aspect van het kampleven, de unieke kamptaal. Te beginnen bij de banier die centraal in elk kamp hing: ‘Door eerlijk werken koop je je schuld af.’ Een nog meer cynische variant van het Duitse Arbeit macht Frei. De cultus van het werken werd met een fanatische gretigheid verkondigd. Zodat steeds de papieren wereld van de ideologie tegenover de werkelijkheid werd gesteld. ‘Als een mens toch eens van woorden zou kunnen leven’ schrijft Skarga, ‘zou dit het mooiste land op aarde zijn.’ Wat ook bij de kampeducatie hoorde was het sjoemelen met normen, regels en rapporten om eigen voordeel te behalen. In deze ‘zee van oneerlijkheid’ speelde de gevangene het spel handig mee. Leugenachtigheid was de standaard, maar meer als zelfverdediging dan als eigen overtuiging. Gehoorzamen aan het kampregime garandeerde in geen geval het overleven. In de ‘ketenen van de ideologie’ geklampt zal een mens zichzelf desnoods verloochenen.

    Zelfs in de kampen bloeide er nog iets van liefde op. Er was de opportunistische soort gericht op bevrediging van lusten, en de meer idealistische variant die bekend stond als het kamphuwelijk. Ook prostitutie tierde welig in het kamp en met de vrije burgers daarbuiten.  Skarga beschrijft ook lesbische relaties met veel drama en afhankelijkheid, en zelfs een vrouw die zich als man identificeerde en kleedde. Toch was de kampliefde maar een surrogaat volgens Skarga, een strohalm om zich aan vast te klampen. Het liefhebben was een manier om menselijk te blijven. ‘De liefde is de menselijke opflakkering van de ziel in deze onmenselijke wereld.’

    Filosofische blik

    Als het gewone leven dan als een droombeeld eindelijk terugkeert, lijkt het leven in het kamp voor Skarga bijna reëler. Het Polen waar ze naar terugkeerde op 11 december 1955 was niet meer het land dat ze kende. De werkelijkheid en de geest waren beide gekoloniseerd door de Grote Broer. Gedreven door haar plichtsgevoel om te herinneren komt Skarga tot ontnuchterende conclusies. In het Rusland van die tijd volstond de kleinste misstap of onvoorzichtigheid om veroordeeld te worden. Denken zelf was bijna een misdrijf. ‘Welk land ontdoet zich zo van zijn eigen rijkdom?’ vraagt Skarga zich af. Miljoenen mensen werden voor lange tijd uit hun vaderland verplaatst. Sommigen keerden slechts terug als schaduwen van de personen die zij geweest waren, ‘maar,’ zegt Skarga ‘zelfs een schaduw kan de waarheid vertellen.’

    Met een zekere distantie gaat ze langs de ontstellende feiten. Skarga is zeer gedetailleerd in haar beschrijvingen en nauwgezet in haar analyse. Dat is het meest waardevolle van Na de bevrijding, dat het zowel een persoonlijk verslag van de binnenkant van de goelag biedt als een goed doorwrocht onderzoek van wat het systeem ziek maakte. Skarga hanteert geen chronologie, maar diept langzaam beelden op uit de donkerte, beginnend bij het helderste in een prachtige, beeldende taal doorspekt met Russisch en het stigma van de kamptaal. Ze loopt er niet voor weg om alles in het harde licht van de werkelijkheid te bezien en heeft zelfs ruimte voor medelijden met de beulen. Die konden immers niet voor zichzelf denken.

    Vanuit een filosofisch perspectief tracht Skarga nog enig licht te werpen op de beweegredenen en politieke omstandigheden die schuilgaan achter de processen. Ze ontrafelt en ontzenuwt de propaganda, maar zingeving kan ze in het systeem niet ontdekken. Een zekere verbittering maakt zich soms wel van haar meester, al benadrukt ze dat je moet blijven vechten voor de menselijke kracht. Door haar indrukwekkende getuigenis word je eraan herinnerd wat het betekent om mens te zijn onder onmogelijke omstandigheden. Als denker oriënteerde Skarga zich voornamelijk op het probleem van het kwaad. Onder invloed van onder andere Levinas, verkondigde ze vooral de waardigheid van het individu. Daarnaast is haar werk een pleidooi voor de waarde van de kunst en de troost van de literatuur.

    Zelfs achter prikkeldraad kan men de menselijke wil niet volledig breken. Deze onverzettelijke wil is een triomf en een bron van kracht. Skarga bevrijdt zichzelf als het ware door haar werk. Al keert ze terug als een soort banneling en al vergaat de humor haar soms, ze kiest voor de filosofie en wordt hoogleraar. Daarmee biedt ze hoop aan volgende generaties en ‘hoop is de horizon van ons leven’ zo schrijft Alicja Gescinska in het verhelderende voorwoord. Dat zijn bepaald geen lege woorden.

     

     

  • Donkerte met een klein lichtpuntje

    Donkerte met een klein lichtpuntje

    Overrompeld worden door eigen gedachten. Dat is wat Alicja Gescinska (1981) lijkt te overkomen in de bundel Trojaanse gedachten. De Pools-Belgische filosofe en dichteres grijpt de mythologie aan om te laten voelen hoe sterk deze plotselinge stroming kan zijn. Na de overrompeling wordt ze meegevoerd op de inwendige golven van het gemoed – als gevangene in haar eigen hoofd. ‘Gewapend met witte vlaggen en olijftakken / Beginnen de vijandigheden // Het houten paard in mij barst open / Op zelfhaat bedachte woorden breken uit’. Met de metafoor van de uitgekiende aanval op de Trojanen toont Gescinska hoe haar hoofd wordt gevuld met onaangekondigde gedachten die ze vervolgens als gedichten vormgeeft. De sfeer is gespannen, er is sprake van strijd tegen gevoelens die als onzichtbare elementen in de weg staan. De worsteling komt voort uit onzekerheid, wanhoop en het verlangen naar liefde.

    Overlevingsdrang

    De zes delen die samen deze bundel vormen zijn opgebouwd rondom thema’s als: de zoektocht naar identiteit, het verlies van dierbaren, liefdesperikelen en de vergankelijkheid van het leven. Stuk voor stuk gemeenplaatsen waar iedere lezer zich in kan herkennen – voor de dichter een uitdaging om in woorden om te zetten.

    ‘Na een lange stilte

     Ik ben het dichten verleerd,
     Vervreemd van de taal die ik ben,
     Een banneling van mijn gedachten.

     Ik zet me aan de woorden
     Om mezelf weer op te eisen,
     Overlevingsdrang die haar wonden likt.

     Ik schrijf niet, maar boetseer
     Mezelf weer tot een vorm
     Waarin ik me herkennen kan.’

    Met ‘de taal die ik ben’ doelt Gescinska ongetwijfeld op haar Poolse afkomst. Het uitdrukken in een nieuwe taal betekent niet dat de oorspronkelijke woorden verdwijnen. In het diepe gat tussen die twee werelden verwordt ze tot een ‘banneling van mijn gedachten’. Er is zelfs sprake van overlevingsdrang maar de taalscheiding blijft van grote invloed op de dichteres. Ze eindigt dit vers met ‘en ben ik van mezelf verstoten thuis’.

    Strijd en geweld

    Opvallend zijn de vele verwijzingen naar strijd en geweld. Met woorden als lijkenlucht, flankaanval, veldslag, kogelbaan, kustartillerie, schutkring en bolwerk probeert Gescinska haar onmacht in de beschreven onderwerpen in een tragische, haast brute vorm te dwingen. Die onmacht komt terug in ieder thema, van het verlies van een liefde, de verwarring over identiteit tot de dood van een familielid. Het is wat veel donkerte in Trojaanse gedachten, het maakt zeker niet tot een opbeurende bundel.

    ‘Danse macabre

    Wanneer ik klaar zal zijn met dansen
    Zullen ze me de benen ontnemen,
    Met niets dan misprijzen voor wie ik was.

    Een nekschot voor mijn soepele heupen,
    De strop om mijn sierlijke handen,
    Een fusillade en face als grande finale.

    Ter plaatse blijf ik op bevel bewegen,
    Al hoor ik geen muziek in hun hoongelach
    En ben ik nauwelijks nog mens.

    Onverschillig glimmen ze van trots en schande
    In hun superieure matte uniformen,
    In een kring voor mij bestemde kogels.

    Zodra ik mijn handen laat zakken,
    Worden de geweren aangelegd
    En verdwijn ik met de laatste kracht uit mij.’

    Gescinska schrijft haar gedichten in een eenvormige stijl. Door iedere versregel consequent met een beginkapitaal te beginnen, lijkt het alsof er telkens een nieuwe start gemaakt wordt. Met een minimum aan interpunctie en slechts hier en daar gebruikmakend van enjambement is er geen soepele doorloop in de verzen. De regels vormen zo een opeenstapeling van indrukken die de leesbaarheid niet ten goede komt.

    Hoopvol scenario

    Maar er sijpelt naast alle somberheid ook wat liefde en zachtheid door deze bundel. Kleine lichtpuntjes die de sfeer niet meteen luchtig maken, maar de lezer toch optimistisch stemt. In het gedicht ‘Zeestraat’, aan het einde van de bundel, wordt een bestendige relatie beschreven. Gevat in een prachtige metafoor weet Gescinska tussen alle twijfel toch een hoopvol scenario te schetsen. Gelukkig maar.

    ‘Uit mijn derde oog ontsnapt een traan,
     Van geluk en verdriet en het zijn.

     Ik kijk naar de landkaart van ons bestaan
     En zie ons samen liggen in gedeelde jaren,
     Omgeven door een zee van vroeger
     En sombere golven van wat komen zal.

     Toen ik ooit een eiland was,
     En mijn gebroken gedachten een archipel,
     Vormden je armen een zeestraat
     Tussen wie ik was en wat ik wilde zijn.

     Je zei dat schoonheid geen grenzen kent.
     Ik zwom in jou naar ons toe.

     In de deining van je oksels
     Lagen mijn woorden, ingehouden
     Woest rollend tot het vasteland
     Waar vrede in wijsheid woont.

     Daar stond je in mijn horizon.
     Je handen diepe schelpen
     Waarin het zoute water minzaam zei:
     Jullie zijn een continent in wording.