• Zorg voor een snor

    Zorg voor een snor

    De haren die slechts dertig dagen boven de bovenlip van Arjen van Lith (o.a. publicist en televisiemedewerker) kans kregen tot snor uit te groeien, zijn allesbehalve onopgemerkt gebleven. Hun opmars tot snor werd destijds in een blog gevolgd dat niet lang geleden als logboek in zakformaat in de handel verscheen. De dertig dagen werden vervat in evenzovele korte hoofdstukjes met bij iedere dag een nieuwe foto voor de meest recente update van het groeiproces. De snor doet Van Lith zich mannelijker voelen. ‘Ik kan wel wat mannelijkheid gebruiken,’ bekent hij zelf. Maar veel gelegenheid daarvan blijk te geven is hem niet gegund, want hij lijkt weinig minder dan een dagtaak te hebben aan het verlenen van ‘intensieve kraamzorg’ aan zijn kwetsbare snor. Wordt deze in zijn eerste dagen nog als ‘conceptueel’ gekenschetst, die beginnende snor is al wel meteen zijn werk gaan doen. Het langzaam meeveranderende zelfbeeld van zijn drager is het eigenlijk onderwerp van dit boekje.

    Waar er van iedere vorm van gezichtsbeharing een verhullend werking uitgaat, is de snor van deze auteur voor hem juist aanleiding om zichzelf bloot te geven. De lezer wordt geen cultuurhistorisch exposé over de snor opgediend, maar maakt een frisse duik in het persoonlijke leven van de auteur. Zo houdt Van Lith de lezer niet onkundig omtrent zijn visie ter zake genitale beharing, maar ook over de moeizame verhouding tot zijn eigenzinnige tweelingzus en zijn aan chemokuur onderworpen moeder krijgt men een en ander te lezen.

    Het moet gezegd dat het boekje vlotter leest dan zijn snor wil groeien. Van Lith pakt bij vlagen onderhoudend uit in dit niemendalletje. Met de nodige ironie trakteert hij de lezer op enkele hilarische scènes. Zo wordt niet alleen alles tot en met een wellness-behandeling uit de kast gehaald om zijn snor tot wasdom te laten komen, zelfs zijn bepaald niet kinderachtige garderobe dient te worden aangevuld omwille van zijn nieuw verworven uiterlijk. Binnen luttele dagen wordt een totaal aan snorgerelateerde aankopen van € 1.900 – ‘ik zou willen dat ik een goedkopere smaak had’ – via zijn zakelijke rekening gedaan, omdat zijn snor inmiddels ook werkgerelateerd is geworden. Benieuwd hoe dat bij de fiscus valt. Gaan we in de toekomst meer besnorde schrijvers tellen?

    Onder het motto ‘alle revoluties beginnen klein’ probeert Van Lith zo zelfverzekerd mogelijk zijn plaats als snordrager op te eisen. De weerstand en onbegrip waarop hij in zijn omgeving stuit, worden onderkoeld genoteerd. Zo schrijft Van Lith over een ontmoeting met een vriendin in een supermarkt: ‘bij de groenteafdeling vertelde ze me dat ze niet naar mijn snor kon kijken zonder onvrijwillig urineverlies. Toen wist ik dat ik het maximale uit mijn snor had gehaald.’ Het kleine opblazen tot grote proporties is een bekend komisch procédé dat veel toepassing vindt onder columnisten. Dit boekje is dan ook niet meer dan een verzameling persoonlijk getinte columns over ’s mans snor. Much ado about nothing. Ondanks een uitstapje naar Limburg, een skypesessie met zijn vriend in Texas en een bezoekje aan een allochtone kapperszaak blijft het allemaal dicht bij huis. De snor gaat niet zijn eigen weg zoals bijvoorbeeld de Neus bij Gogol.

    Op het moment dat men zich afvraagt waar de schrijver het nu nog over kan gaan hebben met zijn snor is het einde nabij. Deze snor moet er namelijk – spoiler alert- na 30 dagen aan geloven. Met de veronderstelling dat de snor debet is aan de doorzettende kaalheid op zijn schedel, is het doodvonnis van het haar onder zijn neus getekend. Het einde is daarmee een tikkeltje onbevredigend, als wanneer men op de laatste bladzij leest dat het allemaal maar een droom is geweest.

    Mijn Snor is een aangename lectuur. Zal ook goed in de smaak kunnen vallen bij wie weinig met boeken heeft. Maar het moet gezegd dat het pluspunt ook in zijn beperkte omvang zit. Een snor die een langer leven beschoren is, zou andere koek zijn.

     

    Mijn Snor

    Auteur: Arjen van Lith
    Verschenen bij: Uitgeverij De Harmonie
    Aantal pagina’s: 160
    Prijs: € 15,-

  • Zelfdoorleefde hoop en wanhoop

    Zelfdoorleefde hoop en wanhoop

    In een tijd waarin de status ‘herontdekt’ een boek de beste papieren geeft om een verkoopsucces te worden, verschijnt met Een waanzinnig begin alweer het vijfde boek bij uitgeverij Cossee van de ‘herontdekte’ Duitse schrijver Hans Fallada. Geschreven in de warrige tijd vlak na de Tweede Wereldoorlog, had het niet veel gescheeld of het boek zelf was er niet geweest. De auteur was niet zo met het resultaat in zijn sas. Naast de ‘nederlagen van het dagelijkse leven en de depressies, ziektes en moedeloosheid’ had er ook wat hoopvols tegenover moeten staan. Maar daar is het niet van gekomen, klinkt hij verontschuldigend in zijn voorwoord en daarmee is het boek eigenlijk meer een ‘ziektegeschiedenis’.

    Dat het tóch is gepubliceerd, is vanwege het ‘waarheidsgetrouwe’ karakter. Niet dat het geen roman zou zijn, want niets wat erin beschreven is, is werkelijk zo gebeurd. Maar het had allemaal ‘zo kunnen gebeuren’… En zo laat dit ‘document humain’ goed zien hoe Duitsland zich na de verloren oorlog op het nulpunt bevindt, en hoe het tot wanhoop vervallen volk het opportunisme tot levenskunst verheft. ‘Hoe bijna alle mensen hun geloof kwijtraakten en uiteindelijk toch een klein sprankje moed en hoop terugvonden’. De opflakkeringen van hoop die het hoofdpersonage dr. Doll ten deel vallen zijn vooral aan zijn morfineverslaving te danken. En aan het feit dat diezelfde Doll schrijver is van professie en verrassend veel weg heeft van Fallada zelf, dankt dit boek zijn sterk autobiografische karakter. Maar wat heet autobiografie bij een schrijver wiens leven leest als een roman? De opportunist, alcoholist, flessentrekker en opiumverslaafde die Fallada was, kon in ieder geval ruimschoots uit eigen ervaring putten om zijn hoofdpersoon gestalte te geven.

    Fallada ontziet zijn alter ego allerminst. En op zijn beurt voelt Doll zichzelf –  gelukkig voor de lezer –  slecht genoeg om zich niet boven zijn medemens verheven te voelen. De enigen die een voorbeeldige rol vervullen zijn de Russen. Het Rode Leger wordt hier niet afgeschilderd als een plunderend stelletje groepsverkrachters. Integendeel, ze wijzen je in het donker de weg en zijn niet te beroerd de deur voor je open te houden. Dit smetje, een knieval voor de communistisch gezinde, naoorlogse uitgever van Fallada, ondergraaft natuurlijk enigszins de documentaire waarde van het verhaal. Maar in dit boek komen de bevrijders uit het oosten nauwelijks voor en daarnaast zijn de expliciete verwijzingen naar de politieke crew van Hitler, Churchill of wie dan ook op de vingers van een hand te tellen. De auteur van Kleiner Mann, was nun zweert ook in dit boek weer bij de gewone man. En aangezien Fallada hier zijn eigentijdse wereld beschrijft, blijft de lezer verschoond van obligaat vertoon van research waarmee tegenwoordig menige historische roman wordt ontsierd.

    Het verhaal omvat de periode van eind april 1945 tot juli 1946 waarin in filmische stijl de wederwaardigheden van de sterk op elkaar betrokken 52-jarige dr. Doll en zijn 28 jaar jongere vrouw Alma worden uitgetekend. Na een nachtmerrieachtige ouverture, ziet het er in het begin nog even hoopvol uit. Doll en Alma lijken als enigen in hun Duitse provinciestadje hogere verwachtingen te hebben van de Russen dan van de verdreven nazi’s, als gevolg waarvan ze dan ook door hun stadgenoten met de nek worden aangekeken. Het besef echter evenzeer Duitser, en dus evenzeer deel te hebben aan de slechtheid en misdadigheid van zijn volk, wordt Doll bijgebracht door de wijze waarop Russische officieren zijn ingestuurde welkomstgroet ‘Tovaritsj’ negeren en hem daarbij zelfs aankijken als was hij een ‘verachtelijk dier’. Hij mag dan wel geen gemene zaak met de nazi’s hebben gemaakt, hij behoort intussen niet minder tot dit afzichtelijke volk dat zich door zijn nazimisdaden tot in alle uithoeken van de wereld gehaat heeft weten te maken. Als koeherder respectievelijk zakkendraagster zien we het echtpaar de eindjes van hun schamele bestaan aan elkaar knopen. Maar door ‘een reeks van toevalligheden’ – het verhaal verspringt van scène tot scène –  wordt Doll door de plaatselijke Russische commandant tot burgemeester van zijn stadje benoemd. Daarmee zien zijn medeburgers hun meest gehate man tot hun burgervader gemaakt. Maar Dolls aanpak van profiteurs en zwarthandelaren is weinig succesvol, al tekent Fallada enkele meesterlijk ten voeten uit. Zijn medeburgers zitten niet op zijn politieke standpunten te wachten en keren zich massaal tegen hem. Doll ziet dat het Duitse volk zijn verlies niet naar behoren weet te dragen. ‘Ze hadden niets meer dat de moeite waard was om te verbergen, deze mensen uit een volk dat zijn nederlaag zonder enige waardigheid en zonder de geringste fierheid droeg.’

    Maar in Dolls eigen gedrag is de waardigheid soms ook ver te zoeken: na zijn toespraak namens het nieuwe stadsbestuur van de officieren van het Rode leger, is hij te beschonken om naar huis te lopen. Het morele verval van Duitsland wordt niet met opgeheven vingertje verhaald; het wordt door Doll gediagnosticeerd met de machteloosheid het een wending ten goede te geven en het besef zelf niet veel beter te zijn. ‘Hij was zelf een van die Duitsers, hij was een Duitser, een woord dat overal ter wereld een scheldwoord was geworden. Hij was een van hen, er was niets wat hem van de anderen onderscheidde. (..) hij kon ze niet meer haten, alleen al omdat hij een van hen was. Hem resteerde alleen krachteloze verachting – en zichzelf verachtte hij niet minder dan alle anderen.’ Kon hij zichzelf en de mensen om hem heen eerst nog de kracht toewensen hun lot te dragen, gaandeweg maakt apathie zich van hem meester en grijpt de depressie hem bij de kladden. ‘Nee, hij zat daar gewoon, zonder heldere gedachten. Als hij zijn gemoedstoestand had moeten beschrijven, had hij misschien gezegd dat er in zijn binnenste niets dan mist was, grijze, ondoorzichtige mist, waar niets doorheen kon dringen, geen blik, geen geluid. En verder niets meer…’

    Uit pure machteloosheid zakt Doll in een zware depressie weg. Daarmee kan de ziektegeschiedenis eerst echt los gaan en dient de morfineverslaving zich weldra aan. Zowel bij Doll als bij zijn vrouw, als bij zovele ‘mensen die net als hij wanhopig waren over zichzelf en over Duitsland, mensen die onder de last van alle vernederingen en schaamteloosheid waren ingestort en hun toevlucht hadden gezocht in kunstmatige paradijzen. Allemaal zochten ze – net als hij – de ‘Kleine Dood’. (…) Overal dezelfde vlucht uit het heden, de weigering de last op hun schouders te nemen waarmee de smadelijke oorlog alle Duitsers had opgezadeld.’

    De handeling heeft zich naar Berlijn verplaatst waar Doll en zijn vrouw een woning bezitten. De stad is ondergedompeld in een lugubere sfeer. Hebben ze zich eerst nog verkneukeld bij het vooruitzicht tot rust te komen in hun vertrouwde huis, gaande hun tocht door het nachtelijke Berlijn, tussen kraters en puinhopen, zien ze hun kansen hierop steeds verder slinken. Uiteindelijk treffen ze hun huis weliswaar in redelijke staat aan, maar de verrotting toont zich in zijn nieuwe bewoners aan wie de woning door de Dienst Volkshuisvesting is toegewezen. Deze laten zich niet zomaar uit de woning redeneren en tonen zich gretig slachtoffer van van alles en nog wat en allesbehalve schuldig voor het jammerlijk verdwenen huisraad. De oorlog heeft het echtpaar Doll veel ontnomen, maar van hun beider verslaving komen ze maar niet af. Niet bij machte de misère het hoofd te bieden, laten zij zich verleiden door de morfine en de geborgenheid van een gehospitaliseerd leventje: ‘Nu gaan we in behandeling – we zijn opgebrand -, dus nu gaan we gewoon lekker luieren.’ Zelfmoord wordt nog overwogen: ‘hij verzamelde informatie over cyaankali, morfine, scopolamine, over de doses die gegarandeerd een dodelijke werking hadden (…) hij wilde er klaar voor zijn als hij te eniger tijd genoeg kracht zou bezitten om ‘het’ te doen, om de enige uitweg te benutten die een Duitser vandaag de dag nog overbleef.’

    Maar wonderwel kleurt het verhaal nergens inktzwart. Dat is te danken aan de Fallada’s stijl, die pendelt tussen hoop en wanhoop. Na een klein ontbijtje kan alles er meteen ‘hoopvoller’ uitzien, maar even verder leest men: ‘Het zal allemaal duidelijk worden, al zat het meestal niet mee.’ De Dolls ondervinden steun aan elkaar, al slepen ze elkaar ook mee in hun verslaving. ‘We staan aan de rand van de afgrond’, stelt hij dan ook vast. Beschrijvingen van een wonderlijke stoet morfineverslaafde doktoren en een met zelfdoding flirtende arts, geven het boek hier en daar groteske allure. Maar de toon slaat niet door naar cynisch effectbejag, en aan de andere kant krijgt onverhuld moralisme ook geen kans. In Een waanzinnig begin ironiseert de verteller Dolls doen en laten te zeer om het een eenduidige kant op te sturen. ‘Als hij serieus nog eens aan het werk wilde gaan en iets wilde betekenen, dan kwam het alleen op hemzelf aan: hij moest zelf zijn apathie overwinnen, opstaan, het vuil van zich afkloppen en aan het werk gaan. Maar zover was Doll op dat moment nog lang niet. Toen het eindelijk vrede was, dacht hij nog lang dat iedereen erop zat te wachten om hem weer op de been te helpen.’ Maar zijn herstel gaat met vallen en opstaan. Uiteindelijk wordt hem de helpende hand gereikt door literator Granzow, die al maanden naar Doll zou hebben gezocht en die hem als een verloren zoon verwelkomt. Deze Granzow, gemodelleerd naar de dichter en politicus van de latere DDR, Johannes Becher, houdt Doll voor dat juist híj, schrijver van Wat nu, kleine man? in staat is de ontreddering van de oorlog voor de gewone man te beschrijven. ‘Je zult zien: op een dag schrijf je toch nog dat ene boek waar iedereen op zit te wachten!’ Dat is in dit boek nog toekomstmuziek, want alle goede voornemens ten spijt geeft de hardnekkige verslaving zich niet zomaar gewonnen. Aan het slot zien we hoopvolle tekenen, wanneer Doll en zijn vrouw een nieuwe woning betrekken. In werkelijkheid zou hij inderdaad dat ene boek nog schrijven. Maar die ultieme oorlogsroman, Alleen in Berlijn, zou zijn zwanenzang blijken. Het schrijven had de door verslavingen en ongezonde levenswandel verzwakte auteur zozeer uitgeput dat hij vóór de roman verscheen, in een ziekenhuis was overleden.

    Met Een waanzinnig begin is weer zo’n typisch Falladaboek vertaald, waarin in een soepele en stijlvaste toon de onrust voelbaar is en waarin de lezer het verhaal wordt ingezogen vanwege de tragiek, echter zonder dat de hoop op beter het loodje legt. Naast de kunstmatige paradijzen biedt ook de liefde soelaas. De sterke band tussen Doll en Alma wordt door Fallada goed getroffen. Twee die elkaar blindelings vinden en in hun verslavingen elkaar even blindelings volgen. Deze auteur verstaat de kunst een verhaal met meesterhand te schetsen en zijn personages te bezielen met zelfdoorleefde hoop en wanhoop.

     

    Een waanzinnig begin

    Auteur: Hans Fallada
    Vertaald door: Anne Folkertsma
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s: 272
    Prijs: € 22,90

  •  Vrolijke gruwelsprookjes voor de volwassen lezer

     Vrolijke gruwelsprookjes voor de volwassen lezer

    Zou het bescheidenheid zijn dat de debutant Martijn den Ouden (1983), die naar eigen zeggen nog nauwelijks poëzie had gelezen voor hij aan het schrijven van zijn debuut begon, koos voor de titel Melktanden? Melktanden zijn geen blijvertjes en minder sterk dan de tanden van een blijvend gebit. De brutaliteit en het lef die van de pagina’s spatten, onderschrijven zo’n hypothese van bescheidenheid allerminst. Iets anders dan: bij jonge dieren is het melkgebit scherper en jonge dieren zijn zich bij lange na nog niet bewust van de kracht van hun beet. Die daardoor vaak harder is. Uit speelsheid wel te verstaan. Dat zou al meer bij deze bundel passen.

    Het stadium van het melkgebit is ook dat van de onschuld, van het vrijblijvend vertoeven aan gene zijde van Goed en Kwaad. En als één ding na lezing van deze bundel wel duidelijk is, is dat de in deze gedichten verhaalde anekdotes zich niet gedragen naar de gangbare opvatting van goed en kwaad. Maar het stadium van onwetendheid lijkt al ruimschoots gepasseerd in deze gedichten. Er ligt dikwijls een nauwelijks verholen verlustiging in een wreed spektakel aan ten grondslag. De touwtjes lijken in handen van iemand die een sadistisch en kwaadaardig genoegen in de fatale afloop schept, in gruwelsprookjes.

    De bundel telt maar liefst 55 gedichten die ongelijk van lengte en over 4 afdelingen verdeeld zijn. Op twee wat liedjesachtige gedichten na, valt de afwezigheid van formele strofen en rijmschema’s op. Titels, hoofdletters en interpunctie zijn nagenoeg buiten de deur gehouden. Maar het poëtische middel van de herhaling op letter-, woord- en regelniveau wordt allerminst geschuwd. Opvallend is verder de hoeveelheid neologismen die dit debuut rijk is: er kan zomaar sprake zijn van ‘bloedgroeten’ ‘ketskoeien’ ‘zwiebeldijen’ of van ‘een bastbrekend bos’ dan wel van ‘een poepsterk wedstrijdpaard’. Een buitenbeentje in de bundel is het langste gedicht (twee en een half pagina) dat slechts uit 1 regel bestaat die maar liefst 85 maal herhaald wordt: ‘ik mag geen schoten lossen op een gezond gezin’. Als een portie strafwerk van de bovenmeester. Ook jongetjes met melktanden moeten weten hoe het hoort.

    Er is bijna geen gedicht waarover niet de dreiging van geweld hangt, als een suspense. Er wordt al dan niet heimelijk gesmacht naar wreedheid, dan wel beschrijven de gedichten op quasi neutrale toon een macaber tafereel waarin, zoveel is zeker, geweld niet lang tevoren heeft plaatsgehad. Weerloze dieren of fabuleuze creaturen hebben het onderspit gedolven, door menselijk toedoen of door veronachtzaming. Soms ook is het slachtoffer een meisje of een kind. De huiveringwekkende, soms grotesk of absurdistisch aandoende verhalen worden op een montere, nonchalante toon opgedist, waardoor er niet alleen kwaadaardige onschuld doorheen sijpelt, maar ook de lach een kans krijgt.

    ‘het diertje is in de brandnetels gevonden

    is het een hoefdier?
    nee,
    hij pist over z’n schoentjes
    zwartgelakte balletschoentjes

    bij Harm deed ie een dansje
    verloor zijn hoed

    doe het hokje maar weer dicht
    straks is ie weg’

    Dit zou je enkel nog in Herenleed van Armando hebben kunnen vernemen.

    Elders is men toeschouwer van een niet nader geduid schouwspel waarbij overduidelijk lijdende voorwerpen betrokken zijn en leest men in het betreffende gedicht bij herhaling de zinnen: ‘wij lachen/ja wij lachen/wij hebben hier veel geld voor neergeteld’.

    De stijl is zelfverzekerd en trefzeker, ook in wat verzwegen wordt. Dat verhoogt de suggestieve lading. Maar deze poëzie is hiermee nog niet afdoende gekenschetst. Tussen droge, vaak niet mis te verstane, beschrijvende regels, kan opeens een onvervalste poëtische regel opduiken als: ‘de zee laat overdag haar honden los in mijn hoofd’ of regels als: ‘in de spiegelogen van het buitenzinnig vee/ schicht kanonvuur naar een traag tranende hemel // later in de lente / tranen zustersogen van netels in heldenhanden’. Het raadselachtig poëtische gedeelte kan soms ook bijkans het gehele gedicht behelzen. Laat ik hiervoor eens een misschien wat minder geslaagd gedicht citeren:

    ‘zonnegoud geschilderde handen
    begraven je tanden
    in braakliggende grond

    het stil gebaar van
    het heeft iets te betekenen
    melktandendokter

    wuift graanrijk over onze lieve aardemoeder

    op jouw leeftijd Laura
    – en je hebt je laten facefucken ?
    is het blijk en bloot dat je met bruidsnagels niet naar tanden graaft
    dertig centimeter kan diep zijn’

    De ongehoorde combinatie van hermetische dichtregels en platte rauwheid werkt verrassend goed. Ze overrompelt de lezer, pakt hem in. Ze maken de anekdote er misschien niet onschuldiger mee, maar benadrukken wel dat de angel van het gedicht in de taal en niet in het verhaal zit. Dat het eigenlijk niet meer is dan een spel met de woorden. Dat het plezier aan de taal het met gemak wint van de verhaalde gruwelijkheden, zegt veel over de poëtische kracht van deze gedichten. Martijn den Ouden draaft er niet mee over de gebaande wegen, maar zet op eigen kracht een zeer gewaagd spoor uit. En hij blijft daarbij verrassend genoeg overeind.

    Een typerend gedicht (maar ieder gedicht uit deze bundel lijkt wel een typerend gedicht, hoewel zeker niet ieder gedicht even sterk is in zijn geheel) is het gedicht op pagina 12.

    ‘bok hok bok
    met bekken dik mos keilgeiten melken
    ketskoeien
    buidelkatten

    bok hok bok
    vijf keer per dag
    gluren in ’t kippenlicht

    wit buigt de brug over het klein knikkerbad
    bok hok bok
    springt het van grafkuilen naar lentebloemen
    bekt in het zalig zuigen van de dingen

    een kom vol vissen draait mee in de pels
    radslag your ass
    sluierdier
    van grafkuil naar lentelicht’

    Wat hierin als regel misschien niet meteen te duiden valt, komt het verstaan van de wrange, suggestieve ondertoon als geheel haast ten goede. Terwijl je het gedicht leest, klopt het. Bij de versregel ‘radslag your ass’ was het me opeens volkomen duidelijk waarom juist Astrid Lampe op de achterflap deze bundel aanprijst.

    Van een lang elegisch getoonzet gedicht uit de laatste afdeling Straten die we overslaan (de afdeling waarin de minste slachtoffers vallen) citeer ik tot slot graag de eerste helft:

    ‘als de wind zo kalm als ze nu is, blijft liggen
    als ze niet meer, dan zo af en toe,
    heel zachtjes kucht, en de bloemen buigen.

    als alle dieren slapen of sluipen.
    als het water een spiegel is.
    als het vuur niets meer dan
    koude handen nog verwarmt.

    als de zon een wit laken is
    aan een boom in een weiland.

    als dit de waarheid is
    en de kinderen met hoofdtooien
    in het lange gras met vossen spelen
    tot het witte laken aan de boom verbleekt
    en het nacht is.

    als het zilver van de nacht
    in het slapend land
    naar de honden roept
    en de honden zich de wonden likken.
    en de regen langs de hemel glijdt,

    juist dan,
    breekt de rand van het dak van het huis waar ik ben grootgebracht.

    beneden veegt een man de stukken bij elkaar.
    met gesloten ogen en gevouwen handen
    prevelt hij voor zich uit:
    men zou het moeten bezweren en als stof zijn zij
    als stof zijn zij in de adem van het beest met de vuren ogen.
    (…)’

    Als het de jury van de C.Buddingh’-prijs, die jaarlijks aan een poëziedebuut wordt toegekend, er om te doen is de eer te gunnen aan de bundel die getuigt van de meeste lef, de sprankelendste en eigenzinnigste stijl, de minste navolging dan kan Martijn den Ouden alvast aan een dankwoord knutselen. Dit is een debuut waarvan je kunt gaan houden en waarvan het verleidelijk is er veel uit te citeren.