• Bedwelmende poëzie van een jonggestorven dichter

    Bedwelmende poëzie van een jonggestorven dichter

    Wee, gij gouden huiveringen van de dood, / Als de ziel koelere bloesems droomt.

    Voor wie poëzie zoekt met overrijpe herfsttinten, purper & maanverlicht verderf kan zijn hart ophalen bij de Oostenrijkse dichter Georg Trakl (1887-1914). Van  hem verscheen onlangs – onder de titel Gedichten – de royaalste bundeling die ooit in Nederlandse vertaling van hem verschenen is. Trakls werk is vergeven van donkere schreden, gedoofde engelen en stamelende bronnen. Meestal is het herfst, vaak schemerig of al avond. De bedwelmende kerkhofhuivering, het novembergemoed en ‘het liefelijke gezang der herrezenenzijn echter niet slechts accessoires in deze poëzie.

    Trakls obsessieve symboliek van dood en vergankelijkheid volgt haar eigen wetten die niet altijd biografisch of logisch te duiden zijn. Al is de verleiding groot zijn onheilszwangere poëzie biografisch te interpreteren. Wat te denken van een vermeend incestueuze verhouding met zijn muzikaal getalenteerde zus, die hij ook nog eens aan verdovende middelen verslaafd maakt; een kunstminnende, zich afzonderende moeder die haar rol liever laat vervullen door een Franse gouvernante; een vroeg overleden vader met wie de jonge Georg een goede band had. Met de gouvernante wordt het protestante geloof van zijn ouders ingeruild voor een katholieke opvoeding. Met haar verschijnt ook Franse literatuur in huis. Als vroegrijp kind dweept hij reeds vroeg met de ondergangsstemmingen van het fin de siècle. Hij kan zich goed spiegelen aan de hoofdpersonen uit Dostojevski’s, Huysmans’, Strindbergs en Ibsens werk. Ook Nietzsche vindt een weerklank in zijn werk.

    Aankomend dichter

    Wat dichters betreft kan hij zich aanvankelijk vinden in het werk van Maeterlinck, Baudelaire en Verlaine. Op het gymnasium raakt hij in de ban van drugs en verlaat de school voortijdig. Zijn keuze voor een apothekersopleiding lijkt ingegeven door de mogelijkheid zich zo van een toegang tot verdovende middelen te verzekeren. Hij frequenteert bordelen, poseert als poète maudit en koketteert met zelfdoding. Zijn eerste, zwaar aangezette schreden op het dichterspad staan stijf van de symbolistische clichés uit zijn tijd en baren weinig opzien. Er ontstaan depressies, schizofrene stemmingen en een overstelpend schuldgevoel. 

    In 1908 gaat hij in Wenen medicijnen studeren, maar zijn eigen gezondheid laat te wensen over. Wanneer hij zich verdiept in het werk van Rimbaud krijgen zijn gedichten meer richting. Als hij najaar 1912 in het tijdschrift Der Brenner publiceert, begint zijn poëzie het niveau te bereiken waaraan zijn roem te danken is. Ofschoon behept met de kenmerken en bijverschijnselen van een obstinate eenling, bezat Trakl de gave contacten te leggen met invloedrijke figuren als Oskar Kokoschka, Karl Kraus, Laske-Schüler en Adolf Loos om zo, als aankomend dichter, voet aan de grond te krijgen. 

    In 1913 verschijnt zijn eerste bundel Gedichte. Door zijn verslaving zit hij voortdurend krap bij kas. Uit financiële nood besluit hij dienst te nemen in het Oostenrijkse leger. Dan breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Als er een aanzienlijke geldsom van de bankierszoon Ludwig Wittgenstein – die hij overigens niet persoonlijk heeft gekend –  zijn kant opkomt lijkt zijn smeekbede om financiële steun verhoord. Maar het bereikt hem te laat.

    Overdosis cocaïne

    Totale ontreddering overvalt hem als hij in zijn eentje medische verzorging moet verlenen aan kapotgeschoten soldaten aan het front in Polen, najaar 1914. Na een mislukte zelfmoordpoging wordt hij ter observatie in een kliniek in Krakau opgenomen. Daar weet hij zich op 3 november 1914, zevenentwintig jaar oud en met een tweede bundel op de drempel van verschijnen, een fatale dosis cocaïne toe te dienen. Zijn bijna vijf jaar jongere zus zal haar broer slechts drie jaar overleven. Zij maakt in september 1917 met een kogel een eind aan haar leven. Als belangrijkste vrouw uit zijn leven leeft zij in zijn poëzie nog voort.

    Aan mijn zuster

    Waar je gaat komt herfst en avond,
    Blauw ree, dat onder bomen klinkt,
    Eenzame vijver in de avond.

    Zacht de vlucht van de vogels klinkt,
    De droefheid boven je wenkbrauwbogen,
    Je schuchtere glimlach klinkt.

    God heeft je oogleden verbogen.
    Sterren zoeken ’s nachts, Goede Vrijdagskind,
    Je wenkbrauwbogen. 

    In het circa tweehonderd gedichten tellende oeuvre wemelt het van de verwijzingen naar haar. De vele androgyne gestalten in zijn werk zijn wel gelezen als drang zich te verschonen van bloedschennende betrekkingen tot zijn zus. Trakls zinnen ademen een diepe zucht naar  rust en reinheid, maar raken niet zelden verstrikt in het dualisme tussen het ontluikende en het rottende. Bijna devoot tasten zijn woorden naar geborgenheid in taal. Vooral die van Hölderlin en de romantiek van Novalis. Het vele blauw bij Trakl vindt zijn bron in Novalis’ blaue Blume. ‘Want stralender steeds ontwaakt uit zwarte minuten van waanzin / De duldende bij de drempel van verstening / En machtig ontvangt hem het koele blauw en het lichtende sterven van de herfst, // Het stille huis en de sagen van het woud,/ Maat en wet en de maanlichtende paden der afgezonderden.’ 

    Toevluchtoord voor zichzelf

    Het motief van de met doem en zonde bezoedelde beschaving, wordt sterk polariserend uitgewerkt tegenover de onschuld van de natuur en gelocaliseerd in een tijdperk van sagen en mythen. Archetypische gestalten als Kaspar Hauser, Helian en Elis duiken hier en daar als weerloos slachtoffer op. Afschuw van de wereld om hem heen versterkte bij Trakl de noodzaak tot verinnerlijking. Dat had hij gemeen met zijn neo-romantische generatiegenoten als Roland Holst en Bloem. Zijn stijl mag wat gekunsteld zijn en een voorliefde voor archaïsche taal en curieuze exclamaties als ‘O! gij bronzen tijden/ begraven daarginds in het avondrood’ zijn kenmerkend. Toch woonde de schepper ervan niet in een Ivoren Toren. In wezen schiep Trakl met zijn poëzie waarin engelengezang weerklinkt, een toevluchtsoord voor zichzelf.

    Meestal dichtte Trakl rijmloos, zonder vast metrum en met een eigen, muzikaal ritme. Daarnaast schreef hij een aantal prozagedichten. Maar in welke vorm ook, het schizofrene in zijn beelden treft als een bliksemschicht. Gaandeweg monteerde hij die beelden rücksichtlos achter elkaar in een eigenzinnige woordvolgorde met een fragmentarische structuur als resultaat: ‘In wenkbrauwen van de vermoeide nestelen spoedig sterren / Bescheiden inkeer komt in koele kamers.’ De metafoor wordt gestript van zijn vergelijking. De geabstraheerde beeldtaal staat los van verklarende grammaticale verbanden. Een afwezig lyrisch-ik vervaagt de grens tussen subject en object en dompelt de lezer onder in een bedwelmende, verabsoluteerde metaforenroes. Een objectief afbeeldende structuur streven deze zinnen vanzelfsprekend niet meer na, de woorden zélf scheppen. Ze graven daarmee dieper dan het puur biografische. Eerder getuigen ze van de onverzoenlijke kloof tussen psyche en werkelijkheid. 

    Inspirerend voor generaties na hem

    Zijn poëzie werkte inspirerend op generaties ná hem (Marsman en Gilliams), maar hij vond ook weerklank bij experimentele dichters van na de Tweede Wereldoorlog zoals Lucebert, Hugo Claus en zelfs bij post-modernisten als Stefan Hertmans. ‘Wer mag er gewesen sein?’ vroeg Rilke zich af. En Ludwig Wittgenstein moest bekennen: ‘Ich verstehe sie nicht; aber ihr Ton beglückt mich. Es ist der Ton der wahrhaft genialen Menschen!’ 

    De Trakl-Forschung heeft boekenplanken volgeschreven over alleen al de kleursymboliek in zijn oeuvre, laat staan over de invloed van drugs op zijn metaforen. Maar hij is voor de poëzieliefhebber beslist geen dichter die pas te genieten valt na raadpleging van doorwrochte studies. Zijn zinnen trekken de lezer naar zich toe. Daarom is het fijn dat met deze tweetalige en betaalbare editie de eigenzinnige Oostenrijker binnen handbereik is van de liefhebber. De heldere inleiding door C.O. Jellema en het nawoord van de vertaler geven de lezer een goed houvast om het universum van deze dichter te verkennen. Deze poëzie achter elkaar lezen is niet aan te bevelen, maar met mate genoten komt deze dichter goed tot zijn recht en blijft de lezer ontvankelijk voor de schoonheid van zinnen als: ‘Zacht streelt het karige groen de knie van de vreemdeling, / Een milde god zijn zeer vermoeide voorhoofd, / Tasten zijn zilveren schreden terug naar de stilte.’

     

     

  • Een spoor trekkend door de geheimtaal van kreupelhout

    Een spoor trekkend door de geheimtaal van kreupelhout

    In Kreupelhout van de Duitse schrijver, dichter en vertaler Esther Kinsky (1956), reist een naamloze vrouw twee maanden na het overlijden van haar partner M, door Noord-Italië. Het is winter en guur, geen klimaat om toeristen te verwelkomen. De mensen zijn evenmin uitnodigend, want nog maar koud in Italië aangekomen, worden uit haar auto twee koffers gestolen. In een koffer zaten kledingstukken die M. tot kort voor zijn dood gedragen had. Ze waren niet enkel als aandenken meegenomen, maar ook om zelf te dragen. M. ontvalt haar hierdoor voor een tweede maal. De vrouw maakt wandelingen vanuit Olevano Romano, uitstapjes naar plaatsjes in de buurt. Ze neemt het landschap in zich op, verkent de omgeving en de bedrijvigheid van de mensen en doet daarvan in de eerste persoon verslag. Er worden kerkhoven bezocht, waar ze de namen op de graven leest. Ze voelt een speciale verbondenheid met een vrouw die kort voor haar vader werd geboren en in 1979 in een koude winter in Londen stierf; een periode dat ook zijzelf in Londen verbleef.

    Terreinroman in drie delen

    Kreupelhout is een door de auteur zelf benoemde ‘terreinroman’, waarin het terrein niet alleen plaats van handeling is, maar ook als handelingsbekwaam opereert. De naamloze vrouw verkent het terrein en tracht zich er persoonlijk toe te verhouden om langzaam de controle over zichzelf te heroveren. Af en toe wordt een klein succesje geboekt: ‘Olevano gooide naar alle kanten lijnen van verbondenheid uit.’ Zeker als de lente doorbreekt: ‘Het landschap veranderde van blauw in groen. Langs de kant van de weg verschenen bloemen, zachtpaarse lipbloemigen en stervormige witte bloemen die ik niet kende.’ 

    Het boek bestaat uit drie delen, die elk weer uit korte hoofdstukken bestaan. Het middenstuk is gewijd  aan haar overleden vader en schetst een serie jeugdherinneringen aan vakanties naar Italië, waarheen de vader het gezin mee op sleeptouw nam. De toon hierin is mild. Alle drie delen kenmerken zich door gedetailleerde en aandachtige beschrijvingen zonder dat het boek een overvolle indruk maakt. Een compliment voor een boek waarin de hoofdrol voor een toch wel onbeduidende omgeving is weggelegd. Kinsky’s schrijfstijl is gedreven door dichterlijke observaties die ruimte biedt aan minder voor de hand liggende details als: ‘Ik werd duizelig van het kijken naar dat uitgebreide gebied, dat zich bloot gaf en tegelijk zo onbegrijpelijk voor me bleef. Een hobbelig terrein dat een ongedurige indruk maakte, doordat het er van elke kant weer anders uitzag.’ Een aangename stijl die elementair blijft. Al wordt van de lezer wel een zekere concentratie gevraagd.

    Geheimtaal van de bomen

    Het verhaal begint met een beschrijving van een kaarsen ritueel in de Roemeense kerk: links branden de kaarsen voor de levenden, de vií, rechts voor de doden, de mortí. In een film zag ze ooit hoe iemand een kaars voor de levende van links, naar de kaarsen voor de doden, rechts verplaatste. Het ritueel ontroerde haar vanwege de ‘eenvoud’. Toen was haar partner nog niet overleden. Nu weet ze : ‘Afwezigheid is ondenkbaar zolang er nog aanwezigheid is.’ De betekenis van het ritueel en daarmee de onwrikbare overzichtelijkheid, contrasteert met de  wereld van alledag. Het motto van Wittgenstein dat Kinsky aan deze terreinroman meegaf, wringt zich hier tussen: ‘Heeft het zin om naar een groepje bomen te wijzen en te vragen: “Begrijp jij wat er met dat groepje wordt bedoeld?” Over het algemeen niet; maar zou je met de manier waarop bomen gegroepeerd zijn geen betekenis kunnen uitdrukken, zou het geen geheimtaal kunnen zijn?’

    De feitelijke wereld lijkt op het eerste gezicht niet aan intrinsieke betekenis te doen. Aan nabestaanden presenteert de wereld zich anders dan aan mensen die geen dierbare verloren hebben. De verteller zoekt haar heil niet in de schijnwereld van het ritueel, maar verkent haar eigen spoor. In het aardse. Alledaagse geluiden, gewone gebeurtenissen die zelden of nooit te boek worden gesteld, maken hier hun opwachting. Geknetter van bromfietsen, houtzagerslawaai, schoten van jagers en andere idylle verstorende geluiden weerklinken in dit proza. 

    Band met overledenen

    In het tweede deel, dat de overleden vader portretteert, wordt duidelijk dat haar toewijding aan kerkhoven en graven, aan sporen en restanten niet van een vreemde komt. Haar eigenzinnige en zwijgzame vader was altijd op zoek naar  sporen van de Etrusken. ‘Boeken over Etruskische vindplaatsen stapelden zich op zijn bureau op en het woord ‘necropoli’ maakte tijdens de vakanties in Italië deel uit van het dagelijks vocabulaire.’ De verteller leert al jong op kerkhoven tussen graven van vreemden te staan en dat je er zelfs een band mee kunt opbouwen. Opmerkelijk is dat de overleden vader  meer aandacht krijgt dan de overleden partner. Die duikt af en toe op in een droom, maar komt er verder bekaaid van af. Haar vader liet zich in zijn nadagen als Italiëgids inhuren. Hij bezat ‘deskundigheid op het gebied van de kleur blauw en zijn daarmee samenhangende liefde voor de schilderingen van Fra Angelico’. De verteller had het voornemen haar vader daar bij gelegenheid  naar te vragen, maar het is er niet meer van gekomen, hij overlijdt. Aan het einde van het boek heeft de verteller een gelegenheid gevonden dit verzuim alsnog te compenseren.

    Vitale gelatenheid

    Op de laatste dag van haar verblijf in Italië maakt ze bij wijze van ‘plichtsbetrachting’ een uitstapje naar Ravenna vanwege een schilderij van Fra Angelico van een rouwtafereel. Ze staat oog in oog  met het interessegebied van haar vader: het blauw van Fra Angelico. Een schamel driehoekje lucht aan de bovenkant, bijna als toegift door de kunstenaar aangebracht. ‘De hulpeloosheid van de nabestaanden tegenover het dode lichaam komt op dit schilderij tot uitdrukking. (…) Het is een beeld van rouw, waarop de blauwe driehoek boven de torens en muren van de kloosterhof niemand op het schilderij opvalt en voor niemand iets betekent, hij hangt als een kleine plichtsbetrachting boven aan de rand, de kostbare lapis lazuliis voor niets met veel moeite gewonnen en fijngestampt, hij strekt de nabestaanden op geen enkele wijze tot troost.’ 

    Daarmee eindigt dit eigenzinnige boek. Gelijk het bewerkelijke blauw van Fra Angelico is ook dit boek van Esther Kinsky, waarin een inferieure streek van Italië met zoveel aanstekelijke aandacht is belicht. Er zit wellicht geen diepere betekenis achter, maar wie er voor openstaat, zal wel degelijk enige betekenis hieruit halen. Mag Kreupelhout dan niet direct tot troost strekken, het maakt allerminst een troosteloze of klagende indruk. Veeleer spreidt het een vitaal soort gelatenheid tentoon. Trek je eigen spoor door de geheimtaal van het kreupelhout en merk dat het ontcijferend werkt en dat zo’n spoor uit zichzelf betekenis krijgt. Het lezen van Kreupelhout zal zeker een spoor bij alle lezers achterlaten.

     

  • Klaarwakkere en illusieloze gedichten

    Klaarwakkere en illusieloze gedichten

    ‘Durf te schijnen’ staat te lezen in Godface, de debuutbundel van Asha Karami, en waarachtig: deze bundel heeft zeker het lef  te schijnen! En wel in een voorname goudgloed waarop de titel prijkt in zeer lange, uiteengerekte zwarte belettering, haast Art Deco. Een chic, oogstrelend visitekaartje dat typografisch ook tot in de puntjes verzorgd is. Maar hoe stralend is de inhoud en wie zit achter GodfaceOver de identiteit van de debutante wordt slechts in de flaptekst een tipje van de sluier opgelicht. De mededeling dat de dichteres drie keer van naam veranderde en dat haar geboortedatum een ‘complex verhaal’ is veeleer een nieuwe sluier. 

    Eigentijdse inhoud

    Asha Karami leerde in haar eerste zeven levensjaren vier talen , maar beschouwt geen daarvan als haar moedertaal. Ze is werkzaam als jeugdarts, yogadocent en ringarts bij vechtsportgala’s. Hier lijkt iemand te zijn opgestaan die het behaagt in het onbestemde haar bestemming te vinden. De bundel telt een vijftigtal gedichten,  gelijkmatig verdeeld over vijf reeksen die vernoemd zijn naar districten van Taipei, de hoofdstad van Taiwan. Het zal de gemiddelde lezer een schijn van houvast geven dat elk van de vijf afdelingen gekoppeld is aan een gemoedsstemming, respectievelijk: agitatie, aversie, delirium, apathie en euforie. 

    Zo klassiek tijdloos als het omslag, zo eigentijds daarentegen is de inhoud. De openingsregels van het eerste gedicht spreken boekdelen: ‘plannen, Eye Yikes / in de spiegel een nee, speelgoed en peuter / rode tint voor een uurrace’. Volgt een spervuur aan mededelingen waaraan nauwelijks een  touw valt vast te knopen. Gelegenheid om weg te dromen krijgt de lezer niet. Deze gedichten zijn klaarwakker, streetwise en illusieloos: ‘er gebeurt nooit iets wat je leven verandert’.
    Meerdere beelden werken op elkaar in, werkelijkheden lopen door elkaar heen. Een gedicht kan de toonzetting hebben van een  enquêtevraag, of een relaas van een gesprek dat nergens heen gaat. Zo fluïde en eigengereid als de identiteit van de maker, zo weinig trekken deze gedichten zich iets van een afbakening aan. Nauwelijks leestekens, en springend naar een volgend detail. Indrukken van buiten, aandoeningen van binnen. Dat een en ander ontregelend werkt mag duidelijk zijn. De binnenflap citeert de zelfverzekerde dichtregel: ‘ik ga niet op zoek naar iets / dat niet op zoek is naar mij’. De lezer zal zich afvragen of deze gedichten wel op zoek zijn naar hem. 

    Wie zoekt zal het vinden

    De lezer kan ook zijn eigen wijsheid inbrengen en menen: wie zoekt zal vinden! De inhoud voert je dan misschien niet naar een bestemde plek, maar het kan  de stem zijn met wie je op reis wilt door deze bundel. Een stem die soms prettig is te volgen, maar vaak moeilijk, waarbij je soms dwalend achterblijft en op de tast moet volgen. In deze gedichten houdt het ongerijmde open huis en heet de lezer van harte welkom. 

    Wie bereid is tot zoeken, stuit op enige constanten. Zo komen er onderlinge familierelaties ter sprake. Behalve een moeder, jonger zusje, broer, ‘mijn kind’ en zelfs een hond met epilepsie heerst vooral een afwezige vader.  Er is sprake van een ik die zich naar hartenlust aan zichzelf onttrekt: ‘ergens anders was ik een ander’. Die over meerdere identiteiten beschikt: ‘ik had me voorgenomen dat drie / van mijn vijf gezichten op elkaar zouden lijken’. Die zich kan opdelen: ‘als ik overlijd wil ik erbij zijn / ik wil het niet in mijn slaap ik / wil afscheid nemen en niet zonder mij doodgaan’.
    De ik verwijst niet steeds naar dezelfde persoon: ‘ik ben geboren met twee vagina’s’ versus ‘mijn leven begon heel gewoon behalve die ene keer/ dat de buurman probeerde aan mijn penis te zitten’.
    Toch lijkt er  tenminste bij één van die identiteiten een link met Iran. De ik-persoon, is van vele markten thuis en doet pogingen zich te omschrijven, haar (of soms ‘zijn’) identiteit te bepalen. De ik is bezig zich te positioneren temidden van de wereld en de relaties om haar heen. In die relaties geldt: ‘je moet eerst bij jezelf een masker / opdoen dan pas een ander helpen’. Al blijft vermoedelijk ook zonder masker de ene mens voor de andere een raadsel: ‘wie iemand werkelijk is daar zul je nooit achterkomen / zei iemand laatst tegen me’.

    Verzonnen woorden

    Langzaamaan rijst het beeld van een ik die niet ongeschonden tot haar huidige gedaante(s) is aanbeland: ‘omdat niemand mij / een naam gaf / noemde ik mezelf naar mijn hond / het is mijn zachte stijl’

    Elders staat: ‘ik was zo geïsoleerd dat ik mijn eigen woorden verzon’,  zoals: ‘vlinderskogels’ of ‘regenvalregels’. De ik ziet zichzelf niet de oorlog winnen, zoals ze schrijft, maar heeft vermoedelijk wel het nodige aan geweld en verwoesting ondervonden. In de tussenafdeling Nachtboek waarin aan dromen ontleende teksten zijn verzameld, staat dit filmische, desolate beeld:

    ‘bijna iedereen en alles in het land is dood
    ik moet bloemen halen voor de doden
    loop lange afstanden door verlaten gebieden
    er is nog één plek ver weg waar bloemen zijn
    loop langs een ruïne
    iemand woont daar
    hij vertelt me dat in zijn dorp ook bijna niemand meer leeft
    en waar ik bloemen kan vinden’

    Iets te nadrukkelijk afwijkend

    Dichterlijke zinnen als ‘de zon schijnt met de helderheid van de maan’ wisselen af met nuchtere, : ‘in de auto zingt ze met alle liedjes mee / af en toe een slok uit haar thermos’. Sommige titels lijken net iets te nadrukkelijk afwijkend gekozen, zoals donuts zijn niet halal.  De (onder)zoekende toon van deze gedichten boort zich soms  eigenzinnig door de logica heen, met een navenant verfrissende uitwerking: ‘ze zeggen dat je geluk zelf in de hand hebt / alsof ze weten hoe mijn handen eruitzien’
    of: ‘meer dan 90 procent van de problemen / is opgelost als iedereen in zijn eigen kamer / blijft maar ik wil het nu hebben over / de problemen die ontstaan binnenskamers’

    Hier worden geen gepolijste levenswijsheden uitgebroed, maar stekelige vruchten van eigen oogst gepresenteerd die uitnodigen tot reflectie: ‘zelfs lichtsnelheid is geen constante / de natuur houdt van haar vrijheid / ik betreur mijn toekomstige gedragingen’

    Het wat langere naamloze slotgedicht van de afdeling Yonghe (apathie), springt er uit. Met als motto een citaat uit de beroemde Brief an den Vater van Franz Kafka: ‘Irgendeine Ahnung dessen,  was ich sagen will, hast Du merkwürdigerweise.‘ Het gedicht behelst twaalf, in lengte afnemende pogingen om zich per brief tot een verdwenen vader te richten:  ’34 jaar geleden kwam ik ter wereld en jij was jij.’ Aanvankelijk is de toon nonchalant, een tikje aangeschoten misschien: ‘hoewel dit een zinvolle brief is, denk ik dat het tijd is om contact met mij op te nemen. laat me je een beetje over mezelf vertellen’.  Volgen enkele mededelingen en de wens ‘ik hoop van je te horen wat je belangrijk vindt. liefs, a’. 

    In de tweede variant wijzigt de toon van de zinnen al: ‘ik ben 34 jaar geleden geboren en jij bent een van hen. jaardag op 23 juli en ieder jaar is het tijd om mezelf goed te leren kennen voor mijn verslag aan jou.’ Er worden ook andere beweringen gedaan. In de eerste versie was a. arts in amsterdam. In de tweede dokter in londen. 

    Grammaticaal steeds ontwrichtender

    De derde versie begint met: ‘ik ben geboren op 34-jarige leeftijd en waar ben jij. mijn kind is jarig op 23 juli en jaarlijks herhaalt jouw verhaal en mijn verhaal. hoewel deze boodschap mij nog steeds een raadsel is, blijf ik hem lezen. vertel me iets over mezelf’. Ze is nu ‘een dokter in het bos.’ De versies worden niet alleen geleidelijkaan korter, maar ook waanzinniger en grammaticaal steeds ontwrichtender. ‘mijn geluk is 34, het spijt me. jaar na jaar voor u en mij en onze heer van 23 juli. hoe het ook zij, het is moeilijk’ wordt vervolgens: ‘mijn vreugde 34, gecondoleerd op 23 juli richt ik me van jou tot onze schepper. wat de reden ook is, het is leeg.’
    Er is sprake van een opklimmende graad van defragmentatie, qua inhoud, vorm, qua alles. De laatste, twaalfde versie, toont nog slechts een paar éénlettergrepige woordjes die tussen eigenaardige toetsenbordtekens staan, zoals: ‘+. lief.>.’ Als was alle hoop ten grave gedragen en rest er slechts tragiek. In dit gedicht gebeurt
    iets en als lezer onderga je het! Al kun je er niet precies je vinger achter krijgen. Gegeven het feit dat Franz Kafka het met zijn vader ook niet makkelijk had, voel je als lezer de worsteling tussen a en haar vader.  Begrijpelijk dat zo’n gedicht niet de bundel opent, maar wanneer je dit gedicht eenmaal gelezen hebt, ga je het overige met andere ogen (terug)lezen. 

    ‘durf te schijnen zei Ze
    perfectie bestaat want perfectie is een mentaliteit

    discipline en anarchie
    is alles wat ik nodig heb’

    Inderdaad: durf te schijnen, maar met haar discipline en anarchie laat Asha Karami het ook schrijnen. Of deze poëzie vrijblijvend is? Dacht het niet.

     

  • Typische Bernhardroman waar geen normaal mens in voorkomt

    Typische Bernhardroman waar geen normaal mens in voorkomt

    Dertig jaar na zijn dood krijgt de Oostenrijkse toneel- en prozaschrijver Thomas Bernhard (1931-1989) het nog steeds voor elkaar dat Duitstalige kwaliteitskranten er met liefde het zoveelste herdenkingsartikel aan besteden. En dat voor een auteur die in zijn boeken en interviews een nietsontziende minachting jegens de Oostenrijkse cultuur aan de dag legde. Daarbovenop komt nog een groot wantrouwen jegens de medemens en een grote voorliefde voor het kluizenaarschap. Het cultiveren van deze houding heeft hem echter geen windeieren gelegd. Zijn verzameld oeuvre is inmiddels in tweeëntwintig fraai gebonden delen uitgegeven en wereldwijd wordt hij in vele talen uitgebracht. Hoewel de toneelstukken van Bernhard in de jaren zeventig en tachtig veelvuldig werden opgevoerd in Nederland, werd zijn prozawerk minder vertaald dan dat van bijvoorbeeld Günther Grass en Peter Handke. Gelukkig is daar nu wat aan gedaan; in korte tijd zijn er een aantal vertalingen van hem uitgegeven, waaronder de roman Houthakken. Een afrekening uit 1984.

    Typische Bernhardroman

    Houthakken is een typische Bernhardroman. Niet omdat er geen normaal mens in voorkomt, maar omdat de inhoud niet uitmaakt, al het leesplezier moet uit zijn stijl komen. Het is grotendeels een monoloog van een naamloze ik-verteller, gebaseerd op waarnemingen, herinneringen en losgewoelde ergernissen tijdens een zogeheten ‘kunstzinnige’ avondmaaltijd ten huize van het culturele echtpaar Auersberger in Wenen. Ooit, in een ver verleden, was hij daar kind aan huis. De uitnodiging voor dat etentje heeft hij tegen zijn zin aangenomen op de dag dat hij vernam van de zelfdoding – bij Thomas Bernhard is zelfmoord nooit ver weg – van een gemeenschappelijke vriendin uit het artistieke milieu. Enigszins wrokkig hierover moeten hij en de overige gasten ook nog eens tot na middernacht op het diner wachten, daar de eregast van de avond, een acteur van het Weense Burgtheater, vanwege zijn vertolking van het personage Ekdal in Ibsens De wilde eend pas veel later arriveert.

    Dat juist een acteur in de spotlights staat, wekt geen verbazing, want dit boek gehoorzaamt – zoals veel van Bernhards romans – aan de wetten van het toneel. De personages, waarvan sommigen naamloos blijven, worden geen wezens van vlees en bloed maar worden door overdrijving van de onbetrouwbare ik-verteller, overbelicht. Er heerst eenheid van plaats, handeling en tijd. De ik-verteller zit het grootste deel van het boek in het halfduister in een ‘oorfauteuil’, gescheiden van de andere aanwezigen. In de misschien vier, vijf uren dat dit verhaal kent, ziet de ik-verteller kans 255 pagina’s non-stop claustrofobisch in vaak lange, complexe zinnen bij elkaar te filosoferen, op een wijze die bedwelmend werkt. Dit boek openbaart zich tot een heuse pageturner; niet uit nieuwsgierigheid hoe een en ander afloopt, maar omdat je gekluisterd raakt aan de stijl van deze groteske, rapsodische jeremiade.

    Monoloog zonder begin of einde

    De monoloog in Houthakken kent geen begin of einde en bovenal geen nuancering, maar is zichzelf genoeg. Het verhaal is slechts decorum, een excuus om een keten aan gedachten te laten ontkiemen. Zoals een kettingroker de ene sigaret met de andere aansteekt, zo wordt hier de ene gedachte aan de andere geregen. In een bezwerende stijl die zonder meer maniëristisch is te noemen. De geperfectioneerde stijl is de ware inhoud waaraan alles is opgeofferd. De lezer bevindt zich nergens midden in een verhaal, maar voortdurend in het ritme van Bernhards stijl. Dat rechtvaardigt het feit dat dit boek geen witregel, geen alinea, kortom geen pauzemoment heeft. De monoloog die op het retorische middel van de hyperbool drijft, en waarvan de zinnen onderkoeld en helder gecomponeerd zijn, is geheel ingebed in een navertelde constructie. De daarmee bewerkstelligde eenheid van vertelperspectief, is een constante bij Bernhard. De lezer stuit voortdurend op de veelvuldig herhaalde frase, ‘dacht ik in de oorfauteuil’, waardoor men beseft dat alles door de ik-verteller achteraf is beschreven.

    Ritmische compositie

    Dit schept niet alleen een zakelijke afstand tot het subjectieve en compromisloze van het verslag, maar verleent ook aan de tekst een gelijkmatig patroon. Er ontwikkelt zich zodoende een ritmische compositie. Daarbij reflecteert de ik-verteller ook vaak van het particuliere naar het algemene, waardoor het een filosofische vorm krijgt.
    In een boek met een grote eenheid van stijl mag nagenoeg iedere zin typerend heten: ‘We weten al tientallen jaren dat iemand die ons nastaat een lachwekkend iemand is, maar pas na tientallen jaren zien we het ineens, dacht ik in de oorfauteuil’.
    De tekst met al zijn rijkdom aan herhaling van woorden en zinsflarden kent een grote muzikaliteit. Het zal geen toeval zijn dat in deze vertelling Ravels Bolero op de draaitafel wordt gelegd, een compositie die zich eveneens kenmerkt door een bezwerende herhaling van het ritme. Al flakkert aan het eind wel iets van een verhelderend inzicht, vertolkt door de ‘Burgacteur’ die zich inmiddels aan de nodige glazen wijn te goed heeft gedaan. Hij stelt de kunstmatigheid van de cultuur tegenover het ideaal van de natuur: ‘De natuur in gaan en in die natuur niets dan echt en voor altijd thuis te zijn, dat zou hij als het hoogste geluk ervaren. Het bos ingaan, diep het bos in, zei de Burgacteur je helemaal aan het bos overgeven, dat is het altijd geweest, de gedachte niets anders dan zelf natuur te zijn. Bos, bomen, houthakken, dat is het altijd geweest’.

    Komische vertelling in groteske stijl

    Dit moment van inzicht bezegelt ook de afloop van het kunstzinnige avondmaal, want weldra vertrekken de gasten. Eenmaal in de buitenlucht vat de ik-verteller het plan op om over de kunstzinnige avondmaaltijd te schrijven en wel ‘meteen en direct en meteen en meteen, voor het te laat is.’ Of je intussen het teruggaan tot de natuur als een boodschap mag zien, valt te betwijfelen. De verteltrant van de onbetrouwbare, welbespraakte verteller is namelijk zonder meer ironiserend. Hij past een frequent gebruik van cursief gedrukte woorden toe, bij wijze van het citeren van iemand die de ik-verteller op de hak neemt. Houthakken is in weerwil van zijn stroom aan pessimisme en negativiteit een door en door komische vertelling in een groteske stijl, met hier en daar passages die aan slapstick raken. Het staat vol zinnen waarvan je popelt ze aan anderen voor te lezen. Bernhard geeft de indruk enkel voor jou en nog een handjevol outsiders te schrijven.

    Ofschoon de polemisch ingestelde ik-verteller onmiskenbaar nietsontziend met anderen afrekent, haalt hij ook zichzelf bij tijd en wijle naar beneden: ‘We verwijten al deze lieden alles wat maar onuitstaanbaar en weerzinwekkend is en zijn misschien nog wel veel onuitstaanbaarder en weerzinwekkender dan zij’. Hij pendelt tussen eerlijkheid en onbetrouwbaarheid, maar stuit overal op pijnlijke conclusies, waarin wat hij eens bewonderde het hevig moet ontgelden. Maar werkelijk fnuikend is de vaststelling dat eraan ontsnappen een illusie is. Het bezetene van zijn redenering schiet door naar het absurde. In zijn overdrijving fabriceert de ik-verteller haast als vanzelf nieuwe opeengestapelde woorden: ‘Wenen is een vreselijke genieënvernietigingsmachine (…) een ontstellende talentenvermorzelingsinstelling’.

    Gelezen als sleutelroman

    Uit de nihilistische werkelijkheid ensceneert Bernhard zonder meer een komedie, of beter, een tragi-komedie. Hierin is hij verwant aan Samuel Beckett. Niet voor niets draagt een boek over Thomas Bernhard een citaat van hemzelf als titel ‘Es ist alles lächerlich, wenn man an den Tod denkt’. In de grootste misantropen verschuilen zich niet zelden de grootste moralisten. Bernhard staat wat dat betreft ook in het voetspoor van de Oostenrijkse dichter en pamflettist Karl Kraus.
    Ofschoon men omtrent de ik-verteller weinig te weten komt, rijst uit zijn herinneringen wel het beeld op van een in de jaren vijftig moeizaam gedebuteerde dichter. Deze werkte zich op in artistieke kringen, zoog zichzelf zo vol tot hij genoeg had om zichzelf overeind te houden en elders zijn schrijversloopbaan gestalte kon geven. Parallellen met Bernhards beginnende schreden op het schrijverspad liggen voor het oprapen. Evenals de toespelingen op bestaande figuren in dit boek, dat bij verschijning als een sleutelroman werd gelezen en een schandaal ontketende. De componist Gerhard Lampersberg zag zich naar zijn smaak al te duidelijk geportretteerd in de snobistische en voortdurend dronken Auersberger. Hij spande een rechtszaak aan tegen publicatie van het boek. Met het gevolg dat Holzffällen – Eine Erregung één van Bernhards best verkopende titels werd.

    Om Bernhard in een Nederlandse context te plaatsen, is hij te vergelijken met W.F. Hermans, voor wie rancune ook de motor van een productief schrijverschap was. Vanwege het allesbepalende van zijn geperfectioneerde stijl gold Bernhard, net als Gerard Reve – waarmee hij zeker ook te vergelijken valt -, als schier onvertaalbaar. Maar deze, als een voortdenderende trein lezende vertaling, ontkracht deze mythe volledig. Dat kunnen beide vertalers op hun conto schrijven. Dan te bedenken dat uit dezelfde jaren tachtig nog twee boeken dateren die zich qua stijl en niveau met Houthakken kunnen meten, te weten Der Untergeher en Auslöschung. Eveneens boeken die de potentie hebben vanwege hun overdonderende stijl je compleet van de sokken te blazen. In een ideale wereld zouden ook deze twee boeken in het Nederlands worden overgezet. Want in deze tijd is er behoefte aan troost. Al was het maar door te menen dat het leven pas echt ondragelijk zou zijn als Thomas Bernhard ons geen reden gaf erom te lachen.

  • Wijnberg maakt op overtuigende wijze het winnende doelpunt

    Wijnberg maakt op overtuigende wijze het winnende doelpunt

    Weinig dichters verraden zich  na een paar regels. Al heb je voor het raden van dichters als Armando, Kouwenaar of Faverey  niet veel nodig. Sinds de bundel Nog een grap uit 2014 heeft Nachoem Wijnberg (1961) zich ook in dit groepje geschaard, met de voor hem zo karakteristiek geworden vragende vorm. Niet dat hij er voorspelbaar op geworden is. Integendeel, juist in zijn latere bundels verkent Wijnberg iedere keer een nieuw onderwerp dat hij vragenderwijs analyseert. In zijn negentiende en nieuwste bundel Afscheidswedstrijd waagt de dichter zich op en rond het voetbalveld. Een aantal gedichten van deze P.C. Hooftprijslaureaat beleefde een voorpublicatie in het literaire voetbaltijdschrift Hard Gras. Het leverde hem een blurb op van niemand minder dan Henk Spaan.

    Meer afscheid dan wedstrijd

    In Afscheidswedstrijd worden geen hijgerige odes geserveerd aan vedettes die met hun wonderschone en legendarische doelpunten een staat van onsterfelijkheid verwierven. Er worden geen sport-filosofische inzichten ontvouwd. Wat dat aangaat is het meer ‘afscheid’ dan ‘wedstrijd’. Een greep uit de motieven die wél worden aangesneden: wachten, oefenen, verliezen, of beter gezegd: niet willen winnen, verguisd worden, laatste worden, niet kunnen kiezen, niet gekozen worden. Wijnberg hanteert vaak de comparatief en superlatief en speelt zo tegenstellingen tegen elkaar uit: ‘Enkel in de donkerste nacht zag je makkelijk / zo weinig als alle anderen samen’. Er wordt veel in extremen gedacht, met bijpassende woorden als: eerste, laatste, niemand, geen, niet, meer, minder. Het wemelt daarbij van bijwoordelijke bijzinnen en uitweidende vergelijkingen.

    De zinnen springen van het ene onderwerp naar het andere. Wijnberg is een denkende dichter, die voortdurend schakelt tussen de probleemstellingen om vat op de materie te krijgen. En dat in een consequent volgehouden parlandostijl maakt dat dit alles leest alsof je iemand hardop hoort denken. ‘Je wilde / dat je pas over je hoort dat je een minder goede verliezer bent dan iemand dacht / wanneer je niets meer te verliezen hebt.’
    Alles in de je-vorm, alsof er geen ontkomen aan is. Maar wel met de dichterlijke pen in de aanslag, om de zin een wending te geven die de schoonheid van het denken dient: ‘jullie kregen net zoveel kansen als jullie tegenstanders / van die dag om te doen waardoor de wereld dichterbij gebracht was waarin jullie / één kans meer gehad hadden.’

    Melancholische ondertoon

    Er zijn veel variaties op het thema ‘voetballen voor verliezers’ want een sukkel is de je-persoon in kwestie zeker. In de meeste gedichten schuilt een schlemielige vorm van humor met een melancholische ondertoon, die niet zelden ontroert: ‘En als jullie zeggen, / wijs maar een van ons aan / laat ik dat liever doen door een geblinddoekt kind (ik zou eerst om een vrouw vragen, / dan om een blinde, dan om een kind van wie de ouders toestemming gaven dat het geblinddoekt werd)’. In een gedicht waarin zowaar sprake is van winst, wordt champagne geserveerd: ‘Champagne in een koeler / midden in de kleedkamer. Eén glas voor iedereen? De wisselspelers die niet dachten // dat ze nog in het veld zouden komen zijn al weg en de anderen douchen liever thuis. Willen ze niet meer / naakt gezien worden? Word je daar bedroefd over / om het ergens anders / niet over te zijn?’ Dat elders ook weer champagne opduikt schept een zekere samenhang tussen de gedichten, die verder niet gegroepeerd en zonder inhoudsopgave in deze bundel zijn ondergebracht.

    Als hoogleraar economie van beroep kent Nachoem Wijnberg de waarde van uitstel van behoeftebevrediging als geen ander. Als dichter keert hij het begrip binnenste buiten. ‘Het is er een die zegt, laat mij, / voor de verandering, één keer krijgen wat ik nog niet kan zeggen dat ik wil hebben.’
    Met een motief als schaarste kan hij ook goed uit de voeten, zoals bijvoorbeeld in Om te lezen:

    ‘De volgende keer geef ik je een boek mee en je kan het uitlezen
    voordat je het doorgeeft of zou je dan bang worden
    dat er op een dag geen boeken meer zijn die je nog kan lezen? Zoals
    wanneer je in een bibliotheek loopt

    en alle boeken die je ziet heb je al gelezen
    en je vraagt of er niet nóg een deel
    van de bibliotheek is
    voor wie ouder dan jij is.’

    Bedwelmende gedichten

    Een fijn netwerk van vragen spreidt zich uit over deze gedichten , die daarmee iets bedwelmends krijgen. Zeker wanneer men bedenkt dat de meeste gedichten paginavullend zijn en in vaste formaties van vier strofen, 105 pagina’s lang over het papier waaieren. De gedichten lijken ‘aus einem Guss’ opgeschreven, al verkondigde Wijnberg ooit dat zijn poëzie vele kladstadia kent. Het leest in ieder geval alsof het allemaal  makkelijk is geschreven. Hierin lijkt zijn poëzie op het echte voetbal, waarin wat eenvoudig oogt, het moeilijkst te spelen is. Het associatieve in deze gedichten zie je als het ware onder je ogen plaatsvinden, als in De opstelling:

    ‘Of je nog opgesteld wordt of niet
    (of je ongesteld wordt of niet, omdat je het oneerlijk vond dat alleen meisjes dat mochten zeggen,
    wat de gymleraar bozer maakte dan wat je verder zei om niet mee te hoeven doen)
    en als de trainer je zegt buiten het veld te gaan zitten

    is dat ook een deel van de opstelling, want zoals op de lagere school tegen je gezegd werd
    wanneer de rest van de klas ging zingen,
    het enige wat samen gedaan werd, een of twee keer per jaar, er moet ook iemand luisteren
    en jij bent vandaag de luisteraar (…)’

    Overdaad schaadt niet

    Wijnbergs stijl behoeft een zekere overdaad om tot bloei te komen. Deze gedichten hebben verhalende aanzetjes nodig om het ontregelende, het vervreemdende te kunnen schragen. Je kunt als lezer gegrepen worden door zinnen als ‘maar je speelt toch tegen de hemel aan de kant van de aarde?’ Of wrevelig vaststellen dat het nergens naartoe gaat. Maar in deze poëzie gaat het vooral om waar gedachten, als in een schijnbeweging, haast terloops in gedichten overgaan. Vragenderwijs denken als sparring partner van poëzie. Dwingt Wijnbergs manier van dichten zulke ontregelende vragen af? Of woelen deze vragen poëtische lagen bloot?
    Dat Wijnbergs poëzie voor moeilijk wordt versleten is eigenlijk een groter raadsel dan zijn poëzie zelf. Het is niet het soort dat lezers op het verkeerde been zet. In wezen vraagt ze de bereidheid om op een vraag niet met een antwoord, maar met een andere vraag genoegen te nemen.

    Zinnen die willen schitteren

    Dat deze gedichten niet langer dan een pagina zijn, is een beperking die zijn poëzie ten goede komt. In zijn zeer uitgedijde bundel Van groot belang uit 2015 overspeelde de wetenschapper Wijnberg hier en daar zijn dichterlijke hand met al te wijdlopige gedachtestromen, waaraan het belang van de poëzie ondergeschikt leek. Iets ouderwets Wijnbergiaans zit nog in enkele langere titels van gedichten als Het mooiste verlies waarover je weet of Als er iemand anders geweest was had je zijn beide benen kunnen breken. Verreweg de meeste gedichten hebben beduidend kortere titels en een meerderheid daarvan heet gewoon Afscheidswedstrijd. Heel treffend voor een bundel waarin ieder gedicht voor typerend door kan gaan.

    In ieder gedicht schuilen zinnen die willen schitteren. Sommige lukt dat beter dan andere. ‘Hoe maak je een afscheid / zo groot als een juweel dat je probeert in te slikken als het al te laat is om / weg te lopen?’ levert niet echt een schitterend beeld op. Maar daar staat een waarlijk juweeltje van een wandtegelwijsheid tegenover: ‘Wie zegt, je hebt maar één leven, // moet lang hebben zitten tellen.’ En daarmee maakt deze dichter op overtuigende wijze het winnende doelpunt!

     

  • Poëzie binnen de grenzen van het gewone

    Poëzie binnen de grenzen van het gewone

    Wie z’n klassiekers kent, valt het moeilijk niet aan Cruijff te denken bij de titel Gewoon logisch. Toch komt er in dit dichtersdebuut van Janine Jongsma (1965) geen hard-boiled Cruijffiaanse logica voor. In geen van de vijftig gedichten zelfs ook maar de geringste verwijzing naar de voetbalsport. Al kan het geen toeval zijn dat de afdeling Gewoon logisch 14 gedichten telt. En mocht het wèl toeval zijn, kan men er evengoed een knipoog in zien naar onze nationale voetbalheld: oreerde hij immers niet dat toeval logisch is? Bij een zekere schare poëzievolgers zou de naam Janine Jongsma een belletje kunnen doen rinkelen, want blijkens de verantwoording achterin zijn diverse van haar gedichten opgenomen in literaire tijdschriften en bloemlezingen. Enkele daarvan vielen zelfs in de prijzen.

    Het mag ietsje meer zijn

    Een aantal anekdotische gedichten waarin onder andere sprake is van ‘ons huis’, ‘mijn vader’, ‘mijn moeder’ enzovoort, wekken de indruk geworteld te zijn in de eigen ervaring en eigenaardigheden van het gezin waarin Jongsma opgroeide. Het gezinsleven was blijkbaar doortrokken van een geheel eigen logica, enkel bestemd voor eigen in-crowd. De gedichten zijn van een van-je-familie-moet-je-het-hebben kaliber. De in strofevorm gegoten anekdotes zijn een tikkeltje weird, maar wel tragikomisch. In tegenstelling tot wat er in die gedichten beschreven wordt, zijn de aangewende poëtische middelen heel gewoon, minimaal. Het poëtisch soortelijke gewicht is vrij laag. De gedichten drijven geheel op het verhaaltje. Zonder rijm, alliteratie of assonantie, is het enkel de strofevorm die ze tot een gedicht maakt. De woorden gaan in hun onderlinge schikking geen onverwachte betekenissen aan binnen het gedicht, dat niet zelden uitmondt in een nogal onschuldige, bevrijdende pointe.  Aardig om te lezen, maar niet meer dan dat. Juist in poëzie hoopt men op ietsje meer.

    Snakken naar dubbele bodem

    Een gedicht als Onbeschreven blad bedrijft wel poëzie en wel met de metafoor. Maar met een strofe als ‘Jij, die weet dat ik geen onbeschreven blad ben / maar getekend door woorden / mij kunt lezen nu ik naakt voor je lig / en ik mijn ziel in je lichaam schrijf’ leunt het wel zwaar op het geijkte cliché van het blad dat ook de huid van de dichter is. En met het slot, ‘Jij, die weet hoe je onderhuids kruipt / onder mijn vel beweegt / mij van mijn zinnen berooft / ze teder uit hun verband haalt en omwikkelt met liefde’ komt men wel erg op het randje van de kitsch, of er zelfs overheen. Als lezer begin je gewoonweg naar iets verontrustends te snakken, iets met weerhaakjes, een zuur dat bijt. Maar daar is niets van te bekennen. Geen enkele dubbele bodem om wie dan ook op het verkeerde been te zetten. ‘Maar het allermeeste mis ik jou / als jij ooit niet meer bij mij bent onderweg’. Zonder blikken of blozen staat er: ‘En toen jij mijn blik ving / voelde ik dat mijn wangen niet gloeiden van de zon’.  Elektrisch hardvuur op stand candlelight: ‘Kan iemand (…) zo zwijgend van jou houden als ik?’ Van een dichter mag men toch wel iets venijnigs verwachten? Of is dit soms ‘wat vrouwen doen’, zoals een ander gedicht suggereert?

    Dan toch een uitsmijter

    Het gevaar bestaat dat de lezer het na een aantal van zulke gedichten voor gezien houdt. Dat je na ietwat geforceerd poëtische zinnen als ‘Door je ogen dicht / de jaren terug te strelen / in de nerven van mijn huid’ geen oog meer hebt voor iets als: ‘Mijn vader is Oost-Indisch doof / aan zijn twee linkerhanden’, wat zonder meer een geweldige zin is! Een gedicht dat inzet met: ‘Op de dag dat ik mijn verloren dagen / weg ging gooien, scheen de zon belachelijk hard’ krijgt ook groen licht. ‘Wij, enkel nog een doorsnede van de herfst’ kan er eveneens mee door. In zulke regels waait niet alleen een andere wind, maar waait-ie ook uit een andere hoek. Is het toeval dat in dit soort beter geslaagde gedichten de herfst, de dood, het verval van zich doen spreken? Een gedicht over een vrouw die zich stoer en daadkrachtig verzet tegen de slopende ziekte in haar lijf krijgt een roerend slot met een regelrechte uitsmijter: ‘In de nacht wacht de kanker in haar bed / ze is nu te moe om hem een knal te verkopen / morgen is hij als eerste aan de beurt’. Hier klinkt een speels rebelse en ongeforceerde toon, die af en toe een rake hoek uitdeelt. Het ontstijgt de feelgood poëzie. Het mooiste gedicht draagt als veelbelovende titel:

    De dood heeft het koud

    De dood heeft het koud onder je ruime huid
    hij slaat je vel begerig om zich heen
    verstijfd zie ik hoe ze jou weghalen

    Alleen je afdruk blijft achter in je bed
    het kussen nog warm, de dekens lauw
    wacht ik wanhopig in je geur

    Op het nachtkastje je mok nog halfvol
    het washandje waarmee ik je mond
    voor het laatst voorzichtig afveegde

    Waarom gebeurt er niets?
    de zon schijnt vrolijk in de kamer
    beneden hangt je jas aan de kapstok

    Paddenstoelen zouden uit het washandje
    moeten schieten, je mok zou moeten splijten
    er zouden motten uit je jas moeten vliegen

    Buiten het voorspelbare

    Ook wie deze ervaring nog niet aan den lijve heeft ondervonden zal het gevoel meteen herkennen. De eeuwige discrepantie tussen de persoonlijke smart en het onverschillige voortrazen van de wereld om ons heen. Kleine woorden voor een groot verdriet. En zo hoort het. Hier wordt langzaam van het geruststellende afgedreven, buiten het bereik van het vertrouwde en het voorspelbare.

    Natuurlijk zitten bij uitgeverij Voetnoot veel dichters die het goed doen op een podium, dichters met een sterke performance. En ongetwijfeld zullen Jongsma’s meeste gedichten in zo’n setting beter voor het voetlicht worden gebracht dan vanaf met bedrukte pagina’s. Nu maar hopen dat er in een volgende poëziebundel de lezer die ook graag wat wanhoop en desillusies oppikt van papier, niet vergeten zal worden.

     

  • Poezië van een sterk stilistische eenheid

    Poezië van een sterk stilistische eenheid

    Het is zijn weerspannige, evocatieve stijl die het hem doet. De Franse dichter René Char (1907-1988) is een van de belangrijkste dichters uit de twintigste eeuw van wie uitgeverij IJzer een tweetalige bloemlezing in vertaling van Anno Lampo negenendertig gedichten liet verschijnen. Een keuze van negenendertig gedichten die grotendeels is gebaseerd op de selectie die Char zelf in 1987, een jaar voor zijn dood, samenstelde. Het laat zien dat zijn hele dichtwerk een stilistische eenheid vertoont. Al vroeg zit het fragmentarische erin, het schoksgewijze in plaats van het vloeiende. De ongekende associaties, een reiken naar het ongerijmde van een droomwereld. ‘Comfort is misdaad’ luidde zijn eigen oordeel veelzeggend.

    ‘Ik was in een van die bossen waar de zon geen toegang heeft, maar waar ’s nachts de sterren binnendringen voor onverzoenlijke vijandigheden.’ ‘Ik was gelijkwaardige aan dingen waarvan het geheim verborgen lag onder de spanwijdte van een vleugel.’ Hier klinkt de soevereine stem van een ziener. Een stem die zich uitspreekt in elementaire, concrete woorden als vuur, nacht, bloed, aarde, rivier, steen of engel. Bondig en hoekig, stekelig en splijtend. Niet lonkend naar gepolijste vergezichten – eerder luidt de vraag: ‘wanneer wordt de afgrond geoogst?’- maar one-liners als bliksemschichten: ‘Ongerepte ogen in de bossen / Zoeken huilend het bewoonbare hoofd’.

    Ingezet als geëngageerd dichter

    Zijn vroege poëzie trok de aandacht van de surréalisten, die hem graag in hun beweging hadden ingelijfd. Maar voor Char was het surréalisme slechts een tussenstation. Hij distantieerde zich van hun methode van l’écriture automatique, waarin de woorden niet door verstand of intuïtie maar door zuivere willekeur worden geselecteerd. Char zag poëzie als ‘handwerk’, een ambacht, dat tijd vergde om het goed te kunnen beoefenen. De voorafschaduwing van de Tweede Wereldoorlog vroeg om engagement. Eenmaal zover kon hij dat praktiseren in een verzetsgroep in de Elzas waaraan hij leiding gaf. Onderwijl werkte hij aan notities die later verschenen onder de titel Bladen van Hypnos en die tot het hoogtepunt van zijn dichterschap worden gerekend.

    Zijn naam als dichter werd daarmee  definitief gevestigd. Na de oorlog zag Char geen reden zijn engagement te verlaten. Tot zijn teleurstelling bleef in Frankrijk– net als elders in West-Europa – maatschappelijk-politieke vernieuwing uit. Er werd zo snel mogelijk teruggeschakeld op de verstarrende orde van voorheen. De om zich heen grijpende vernietiging van de aarde uit economisch gewin vanaf de jaren ’50, hield de verzetsman in de dichter levend. Hij verdedigde de bedreigde natuur met wie hij zich levenslang innig verbonden voelde en die hem tot het einde toe bleef inspireren. Ondanks alle duisternis spoorde hij aan op zoek te gaan naar de dageraad, als metafoor van een levensbevestigende toekomst.

    Op zoek naar het licht

    ‘De mens is een vreemdeling voor de dageraad. Maar in de jacht op het leven dat men zich nog niet kan voorstellen, zijn er verlangens die huiveren, fluisteringen die elkaar trotseren en kinderen die gezond en wel ontdekken’. Zijn werk is een pleidooi om met inzet van verbeelding een nieuwe dageraad te ontdekken.

    Maar Char rustte nooit in het eenmaal bereikte, in het voltooide. Dat zou enkel tot verstarring leiden. Door de Griekse filosoof Herakleitos wist hij van de cyclische patronen in het leven; de voortdurende maalstroom van tegenstellingen die van tijd tot tijd genadeloos op elkaar botsen en daarbij nieuwe energie genereren; de eeuwig stromende rivier die geen tweede keer gelijk is aan zichzelf. Tegenstellingen die zich in Chars gedichten aan elkaar ophangen in een conflictueuze schikking, met de dichter erboven staand als bemiddelaar of eenwordend met het gedicht. Voor de dichter is er geen andere verblijfplaats dan zijn gedichten. Er is geen dichter, er is slechts poëzie. Zijn woorden zijn tekens, meer nog dan beschrijving of onthulling. Iedere keer schikt Char de tekens weer anders tot elkaar.

    Altijd is de vitaliteit van het scheppende ‘nu’ in zijn gedichten aanwezig. Zijn zinnen zijn geen simpele impressies, geen terugkaatsingen van gewaarwordingen. Het zijn doorleefde en door instinct gescherpte beelden die in evocatieve taal gegoten zelf gaan stromen, tot leven komen. In zijn werk zit het irrationele, een ontzag voor het animale van de natuur, meer dan een poging het te begrijpen. Het gedicht De eerste ogenblikken verwoordt de overweldigende ervaring bij het plotseling tussen rotswanden tevoorschijn treden van een machtig kolkende rivier. Het wordt als een openbaring beleefd en wie het aanschouwt, voelt zich opgenomen in de rivier, voelt zich één met de eeuwig tomeloze stroming van het leven.

    Lezen in het verlengde van schrijven

    ‘Wij zagen vóór ons het aanzwellende water stromen. Het
    wiste in één klap het gebergte uit en joeg zichzelf weg van
    zijn moederlijke hellingen. Het was geen bergstroom die zich
    aan zijn lot overgaf maar een onbeschrijflijk beest waarvan
    wij de stem en substantie werden. Het hield ons in verliefd-
    heid gevangen op de almachtige boog van zijn verbeelding.
    Wie of wat had ons kunnen tegenhouden? De dagelijkse
    onbenulligheid was gevlucht, het vergoten bloed aan zijn
    warmte teruggegeven. Door de openheid opgenomen, tot
    onzichtbaarheid gladgeschuurd, waren wij een overwinning
    die nooit zou eindigen.’

    In zijn streven zo dicht mogelijk bij zijn authentieke beleving van het natuurtafereel te blijven, beoogt hij wel degelijk communicatie met de lezer. Hij blindeert zijn gedichten niet van binnenuit, noch sluit hij de buitenwereld uit. Ten onrechte heet zijn poëzie ontoegankelijk. Zijn werk is compact en in hoge mate lyrisch met een krachtenveld van expressieve metaforen, waarin het concrete en abstracte door elkaar lopen. Het is rijk aan klankrijm en alliteratie. ‘Ooit was het gras goed voor dwazen en vijandig voor de beul. Het huwde de drempel van alledag. De spelen die het verzon hadden vleugels aan hun lachen (zondevrije spelen en even vluchtig). Het was niet hard voor dwalenden die verlangden voorgoed te verdwalen. / Ooit had het gras bepaald dat de nacht minder waard is dan zijn macht.’ Omdat het bereik van poëzie onbegrensd is, balanceert Char op de grens van het begrijpelijke en gebruikt hij woorden met meerduidige betekenis om zijn werk open te houden voor de lezer. Gelezen worden lag voor Char in het verlengde van het schrijven.

    ‘Af en toe komt hij zijn lezer zelfs behoorlijk tegemoet, zoals in het korte Slaapliedje voor iedere dag tot de laatste
    Talloze keren, telkens weer,
    Val je in slaap tot je lichaam ontwaakt;
    Dan een keer, en maar één keer,
    Val je in slaap en je lichaam verzaakt.’

    Ook weet hij gepassioneerd het geluk en zinnelijke genot van de liefde te bezingen in een stijl die niet voor Hugo Claus onderdoet: ‘De vleugel van je zuchten bedekt de bladeren met dons. Mijn gulzige liefde sluit jouw vrucht, drinkt haar. // Ik leef bij de gratie van jouw gelaat dat mijn duisternissen met vreugde bedekken. // Hoe mooi is je schreeuw die mij jouw zwijgen schenkt!’

    Onmogelijke vertaling geslaagd

    Het is mooi en gedurfd dat Anno Lampe in korte tijd drie dichtbundels van René Char voor de Nederlandse lezer ontsloten heeft. Dat deze schier onvertaalbare dichter nu in onze taal is overgezet. Zonder de klankrijkdom die het Franse origineel bezit, pakt een vertaalde Char ietwat fletser uit. Zo blijft deze dichter enigszins een vreemdeling in vertaling. Daarom is het goed dat het Franse origineel naast de vertaling staat. De lezer kan pendelend tussen beide teksten lezen. Het origineel als finishing touch van de vertaling. In de aantekeningen bij ieder gedicht toont Anno Lampe zich belezen in Chars werk en de commentaren daarop, wetende dat in geen enkele interpretatie van Char het laatste woord ooit gezegd zal zijn. Geheel passend bij de poëzie van Char, die immers niet met een zwijgen eindigt. ‘Niets krijgt nog een naam behalve de huivering’.

     

  • Fraaie vertakkingen die ontstaan vanuit een wat troebele hoofdstroom

    Fraaie vertakkingen die ontstaan vanuit een wat troebele hoofdstroom

    De van huis uit filosofe Désanne van Brederode (1970) is bekend door haar romans, essays en columns waarin ze vaak levensbeschouwelijke thema’s aansnijdt. In haar werk is ze maatschappelijk betrokken; haar gedachten zijn op de menselijke maat gesneden en soms met een scheutje religieuze waarden vermengd. Verzonnen grond is haar eerste poëziebundel waarin ze met vierenvijftig gedichten stevig aftrapt, maar zich ook overwegend lijdzaam en aftastend opstelt.
    Die aftastende houding doen de gedichten behoorlijk uitdijen. Te midden van de alledaagse dingen en in een eenvoudige schrijfstijl stelt een door liefdesleed beproefde vrouw zich vragen. Zij spiegelt zich aan haar omgeving en meet zich met het verlies van een vallend blad in het najaar of stelt zich op de proef ten overstaan van het frisse lentegroen. De ‘ik’ in deze gedichten zoekt naar een nieuw evenwicht.

    Het rampjaar

    Haar woordkeuze is weloverwogen, en zoomt in op soms behoorlijk tegenstrijdige gevoelens. Hier en daar laat dat een aardig neologisme opbloeien als ‘nijgdrang’ of ‘het ei-groenste e-mineur’. Maar iets in de candlelight-trant van: ‘wat te mooi, te waar is voor onze ogen / te behouden voor de liefde zelf’ sluipt er ook in.  ‘Een kus, te zeer van valse hoop op happy end vervuld’ wordt evenmin geschuwd. En Happinez lijkt met ‘een samenzijn waaraan je eindelijk / mocht worden wie je was’ niet ver. Van de weeromstuit kan het ook een andere kant opgaan, zoals in het openingsgedicht Lente: ‘Welkom bij deze nieuwste versie van uzelf.’ In de cynische ontvouwing die daarop volgt blijkt dat die nieuwste versie een aardige veer heeft moeten laten en het niet zal halen bij het voorbije geluk.

    Het geluk van anderen, daarentegen ‘wordt automatisch jubelend vertaald / en opgeslagen. In codes die u zelf niet kraken mag.’ Maar niet overal lijken de kansen verkeken. Elders lezen we namelijk: ‘Er ligt een gloednieuw leven voor je klaar (…) Alles kan anders. Half november ja, maar / waarom zou het niet al zomer kunnen zijn?’ Met de mogelijkheid in een nieuw leven te vluchten rijst ook de twijfel en de ‘vrees dat er een breuk met het vertrouwde / wordt gevraagd.’ Teveel gehecht aan haar littekens. En tja: ‘Wat moet je met een gloednieuw leven?’ De ik is te ‘trots’ op haar ‘vastberaden weigering’ de ‘tekens’ van een nieuw leven in haar voordeel te duiden en teveel ‘realist’ om zichzelf voor het lapje te houden en de dingen mooier voor te spiegelen dan ze zijn.

    Tussen hoop en wanhoop

    Het ‘rampjaar’ lijkt voorbij, maar het besef ‘Alleen wat niet aan jou herinnert / kan ik aan’ voorspelt nog weinig goeds. Aan de andere kant wordt de heimelijke hoop gekoesterd samen te vallen met de afwezige, gewezen geliefde: ‘dat je mag stilstaan in de trilling van zijn stem’. Het kan dus beide kanten op. Zoals dat ook kan met het oordeel dat men over deze  gedichten kan vellen. Neem een gedicht als:

    Maandagmiddagmeditatie

    ‘De kamer laten vollopen met licht
    zoals je een ligbad met handwarm water vult,
    al was het maar in gedachten. Je ziet jezelf,
    op het naïeve af naakt, over de rand stappen,
    tot aan je enkels in de dampende geur
    van zilverspar stilstaan – dan hurken, knielen,
    zitten, achteroverleunen, alles
    met wonderbaarlijke lenigheid
    en vooral: zonder rillingen of kippenvel.
    Langzaam ballet dat doorgaat tot buiten je huid
    een eenwording met alle rivieren en zeeën
    die je ooit zag, met alle regenplassen waarin je
    zon, schaduw en wolken tegenkwam op bijna
    menselijke wijze – niet alleen aanraakbaar
    maar ook: even breken, zonder pijn te doen.

    Hoe vaak heb ik mijn voeten laten wassen
    door een helwitte hemel die door een eerder
    nog onopgemerkt gat in een schoonzool
    binnenlekte, zacht, een herinnering met de natheid
    van een pas geschilderd doek waarop de glans
    de kleur nog overheerst?

    Aldoor meer buiten komt hier binnen:
    ik zie het gebeuren waar ik bij zit, de nog steeds
    groene esdoorn voor mijn raam mengt donkergoud
    door mijn vloeibare uren, aan baden doe ik niet,
    ook doop ik nog geen pink of teen
    in deze late oktobergloed die liever wordt.
    Een nieuwe dans die bestaat uit het uit boeken en stromingen
    losweken van te vaak gebruikte ideeën –
    tot er een bleke ster uit opspringt, voor het eerst.
    De druppel die steun zocht aan de kraan
    schenkt door zijn val een nieuwe druppel, opwaarts,
    en wat mij doorwaadt kan weinig anders zijn
    dan een verlangen zonder meer.’

    Verbindingen

    Het nemen van een bad wordt afgezet tegen het het laten onderdompelen in de binnendringende buitenwereld. Het eerste is een koud kunstje, het tweede lukt maar moeizaam. Geen onaardig idee maar het wordt wat ontsierd door overbodige zinnetjes als ‘al was het maar in gedachten’ en ‘Ik zie het gebeuren waar ik bij zit’. Van Brederode verliest zich daarbij in een breedvoerige uitwerking van de haar gekozen beelden. De ingezette verhaallijn stokt, waardoor de lezer de hem voorgehouden parallellie tussen baden in water en baden in het binnendringende buitenlicht, maar moeilijk kan volgen.
    Naast diverse vormen van water, is er ‘een herinnering met de natheid van een pas geschilderd doek’ en ‘mijn vloeibare uren’. Het verband is hier ver zoek. En tussen  ‘Langzaam ballet’ en ‘een nieuwe dans’? Het slot, als de kraan van het bad weer opduikt, trakteert gelukkig op een fraai beeld van ‘De druppel die steun zocht aan de kraan / schenkt door zijn val een nieuwe druppel, opwaarts’. Opbloei uit verlies. De twee laatste regels sluiten het gedicht ietwat kitscherig af. Tussen een paar mooie beelden lijkt dit gedicht iets te willen zeggen wat niet goed uit de verf komt. Op zich is er niets tegen poëzie waarin de opgeroepen beelden zich loszingen en op zichzelf gaan staan, maar dat lijkt niet inzet van deze gedichten. Hier wordt een gedachtestroom uitgezet en des te onbevredigender als de lezer die gaande het gedicht steeds troebeler ziet worden.

    Scherpgetande beelden

    Mooie regels als: ‘Soms valt een oud hart uit een borstzak’ krijgen geregeld een vervolg dat er niet echt toe doet. In het borstzakje wordt bijvoorbeeld vermeld dat het ‘klam, vervilt, te ruim voor de gekrompen stof’ was geworden. Alle begrip dat zo’n borstzakje makkelijk dingen wil verliezen. Maar we hoeven het borstzakje niet te begrijpen. We zouden begrip moeten opbrengen voor de regels van deze gedichten. Sterke, scherpgetande beelden verliezen aan kracht wanneer ze uitgeserveerd worden in een verhalende, verklarende bedding. De bredere uitleg doet het pregnante beeld tekort. Van Brederode schijnt dat ook te beseffen als ze schrijft:  ‘Zoals je soms een regel openlaat. / Opdat wat niet te maken is bestaat.’ Dat lijkt me de juiste richtlijn!

    Verzonnen grond is niet geheel geslaagd, al proef je hier en daar de toon van een dichter die een goed poëtisch beeld kan plaatsen. In de betere passages is het tegendraadse niet te herleiden tot het voor de hand liggende en worden er rake formuleringen geplaatst als: ‘Nooit hoop ik het terloopse te beheersen’.  De toon is overwegend luchtig met ruimte voor speelse vondsten. Zo wordt gehoopt dat de planten in de tuin zich ‘zwenk- en wuifbereid’ zullen gedragen.

    Wat van deze bundel bij blijft zijn de prettige aftakkingen, de fraaie zijriviertjes die ontstaan uit de niet altijd heldere hoofdstroom. Zoals uit het gedicht Bij de regen: ‘Van de wens alleen / de sprong omhoog, / de val: de ster nog niet. / De vele, talloze routes. / En die weer uitgewist.’ Waarmee hier niet iets overgaar wordt opgediend, maar al dente.

     

  • Soepel en licht vallende poëzie

    Soepel en licht vallende poëzie

    Bij de confrontatie met poëzie van een schrijver die vooral van zijn romans en verhalen gekend is, moet men weerstand kunnen bieden aan de neiging de doorgewinterde prozaschrijver te willen ontmaskeren in de gelegenheidsdichter. Onder die laatste noemer mag Abdelkader Benali zich misschien wel scharen, want iets minder dan de helft van de 57 gedichten uit zijn bundel Wax Hollandais blijkt in opdracht geschreven. Maar wat is er op tegen, een prozaïst die wat bijklust in de poëzie?

    Illusie van de poëzie
    Benali komt in zijn derde uitstapje naar de poëzie in 21 jaar prozaschrijverschap in ieder geval met een magistrale openingszet in prozavorm! In de treffende anekdote De ontdekking van de poëzie verschijnt opeens een deurwaarder om huisraad in te vorderen wegens een fiscale schuld. De piepjonge Benali die enkel in termen van speelgoed denkt ziet anders dan zijn vader weinig gevaar. Uit een huis waarin zich immers nagenoeg geen speelgoed bevindt valt toch weinig te halen? Dat is echter buiten deze gewiekste deurwaarder gerekend. Als een heuse magiër toont hij hoe eenvoudig je ‘met kleine aanpassingen’ van allerlei spulletjes speelgoed kan maken. Het opent de ogen van het ventje. Het huis is opeens rijk aan speelgoed! Maar die rijkdom is maar een vluchtige illusie, want de deurwaarder komt de boel meteen inpikken. Die het wonder toont, laat het maar even duren. Moraal: alles kan in ons leven ‘met kleine aanpassingen’ meeliften op de illusie van de poëzie.

    Omwille van de aanpassingen
    Welnu, soms is het met die ‘kleine aanpassingen’ in Wax Hollandais heel aardig gelukt, als in de eerste drie regels van Leeuwarden, waar de woorden zich direct thuis lijken te voelen in het gedicht:

    Vrouwen twee keer zo groot als de mannen,
    Mannen twee keer zo groot als dit gedicht.
    In het binnenland ontdekt men een buitenland’

    Wanneer echter omwille van de ‘kleine aanpassingen’ uit een ander vaatje wordt getapt is het resultaat minder geslaagd, zoals in de eerste drie regels uit Bleekgezicht:

    Wanneer in uitgeklede gedachten verzonken
    ik de garderobekast van mijn vergeetachtige
    gehemelte leeghaal (…)’

    In dienst van de leesbaarheid
    Door overdaad overwoekerd houdt de poëtische illusie het hier verder voor gezien. Maar dit betreft gelukkig een atypisch citaat voor de dichter Benali. Hij bedrijft namelijk niet het soort poëzie waarbij de lezer gauw de draad kwijt raakt. Hij breekt de taal niet open noch stelt hij de gangbare grammatica op de proef. Hij is er de man niet naar om in zijn poëtische overspel al te pretentieus te werk te gaan. Leesbaarheid voorop. In Dieter, Rams een gedicht over de Duitse architect en industrieel ontwerper, lijkt Benali ook voor zichzelf te spreken als hij schrijft: ‘goede vormgeving is zo min mogelijk vormgeving / de schil om de mango die meegroeit met wat binnen is / dat is goede vormgeving.

    In deze bundel valt het dan ook nauwelijks op dat men hier gedichten leest. Qua vorm zie je hier en daar een sonnet en de bladspiegel verraadt meestal wel dat het om gedichten gaat, maar Benali laat de taal soepel en licht vallen om zijn verhaallijn. En hij laat het verhaal daarbij ook het meeste werk doen. Hoewel hij schrijft dat de mensen zich hem herinneren ‘als de man die leefde / uit zijn wond’, lijkt deze poëzie vooral te leven uit de beelden en verhalen die de dichter in de loop van zijn leven heeft verzameld. Benali, je tikt er tegen en hij verhaalt.

    Autobiografisch
    De illusie die Benali’s poëzie veelal wekt is dat de inhoud ervan enigermate autobiografisch is. In enkele gedichten (o.a. het mooie, lange gedicht De luit van mijn oom) doemt Marokko het geboorteland van Abdelkader Benali (1975) op. Al komt Benali zelf met een pesterijtje:

    ‘Een poging tot een autobiografie’
    In het dorp waar ik geboren ben
    staat een huis, in dat huis ben ik
    geboren, in dat huis waar ik
    geboren ben, is een kamer waar ik
    geboren ben, waar vóór mij nog niemand
    geboren was, totdat ik er
    geboren ben, en sinds die geboorte zijn er nog meer
    geboren maar nu staat het leeg
    wat wil je er nog meer over weten?

    Vaderschap
    In de afdeling Op vaderlijke toon lezen we hoe de schrijver zich in zijn gezinnetje van zijn vaderrol kwijt. Terwijl de atletiekliefhebber Benali om de hoek komt kijken in de reeks Studio Sport. Hij snijdt begrippen als ‘migrant’ en ‘inburgering’ aan met de lichte tred van de lange afstandsloper. Ondanks dat deze dichter het hier en daar laat regenen en men op regels stuit als ‘Ik smeekte de huisarts om pillen die de vreugde weer terug zouden brengen’, overheerst in deze bundel een vitale, luchtige, zonnige, speelse maar ook beheerste toon. Het wordt nergens echt gevaarlijk of dreigend, al worden hier en daar aardige oneliners geserveerd als ‘omdat de tijd verveling minus hobby’s is’.

    Het is wat het is
    Echt lastige vragen worden niet hardop gesteld en God blijft gewoon met een hoofdletter geschreven. Een zin als ‘ergens in het midden dobbert de hoop als een eendje’ wordt dan ook niet geschuwd. De gedichten worden al met al niet veel groter dan de gevoelens, de gedachten die eraan ten grondslag liggen. 1+1 wordt hier zogezegd geen 3.
    In het gedicht Dordrecht uit de stedenreeks Urbi et orbi, komt ook de humor nog even om de hoek kijken. Hierin deelt Benali in de beginregel mee het Dordtse stadsschoon in eerste instantie te hebben opgesnoven van een ingezonden foto van een gracht aldaar uit een Wibrafolder. Om aan het eind te bekennen: ‘Wanneer ik er voor het eerst kom / zie ik alleen geen gracht, wel een Wibra.’

    Al met al een bundel waarin de waarde van het leesgenot enige graden hoger ligt dan de poëtische waarde. Eerlijk is eerlijk: de meeste gedichten lezen gewoon lekker weg. Poëzie die men dus gerust cadeau kan doen aan wie niets met poëzie heeft. Te aardig om er iets onaardigs over te zeggen.

     

     

  • Op de tast naar liefde

    Op de tast naar liefde

    ‘Op een dag stond een man van gemiddelde lengte op een perron met een heel zware tas in zijn hand. Die man was ik, maar het was niet mijn tas. Die was van een vrouw. En de tas was zwaar omdat er boeken in zaten.’ Zo ontwapenend simpel zet In de trein van de Franse schrijver Christian Oster (1949) in. De twee staan op het perron van Saint Lazare in Parijs te wachten op een trein. Zij met haar zware boekentas op weg naar haar zus, hij naar een verzonnen kennis die als alibi moet dienen. Hij had besloten ‘zich een beetje voor haar te interesseren (…) Bovendien zag ze er leuk uit, in ieder geval best leuk, voor mij dan, ik wil niet beweren dat iedere man iets in haar zou zien, die ambitie heb ik niet. Maar voor mij, ja voor mij kon dit meisje eventueel geschikt zijn.’ Bij het uitstappen besluit hij haar dan ook te volgen en boekt een kamer in het hotel dat hij haar ziet binnengaan. Daarna verliest hij haar even uit het oog, maar vindt haar terug door systematisch alle kamerdeuren uit te proberen. Eenmaal weer in haar gezelschap, moet hij lijdzaam toezien hoe zij zich lijkt te willen geven aan een literaire schrijver. Maar als dat voor haar teleurstellend afloopt, keren zijn kansen. De vertelling is schriel, maar omdat het zich allemaal niet zo vlot ontvouwt kan het uitgroeien tot het formaat van een kleine roman. De namen van de twee, Frank en Anne, krijgen we haast indirect mee, want er wordt bepaald niet scheutig gedaan met stoffering en aankleding van dit verhaal. Het laat meer ruimte aan overwegingen dan aan situatiebeschrijvingen. Maar ondanks of dankzij dat ontspint zich een duidelijk verhaal dat zich traag voortsleept en naar de afloop waarvan je als lezer toch nieuwsgierig bent: blijken ze nu wel of niet voor elkaar bestemd?

    Het boek kenmerkt zich door een perfecte eenheid van stijl en wie zich daardoor laat meeslepen beleeft een even groot leesavontuur als bij een super spannend boek. De stijl is aftastend en schraagt het verhaal. De zinnen zijn wisselend van lengte, maar eenvoudig te volgen en komen voor rekening van de ik-figuur, die zich een even scherpzinnig als subtiel observator betoont. Hij overweegt wat is gezegd en wat onuitgesproken blijft; wikt en weegt zijn handelingen en berekent daarvan de consequenties door. Hier en daar leidt dat tot loepzuivere logica: ’Maar al gauw merkte ik dat het helemaal niet zo makkelijk is je in een kamer te installeren als je geen bagage bij je hebt.’ Of: ‘Een stilte met z’n drieën is zwaarder dan een stilte met z’n tweeën, dat is een kwestie van wiskunde, tenzij je in een wachtkamer zit.’ De zinnen hebben het ritme van iemand die in zichzelf praat. Dichter op de huid van een personage kun je niet raken. Het is geen boek van een man die een vrouw wil scoren. Daarvoor is de hoofdpersoon te zeer een anti-held. De uitkomst van zijn veroveringstocht – als je zijn strategieloze onhandigheid zo mag noemen – blijft lang ongewis en de lezer krijgt met hem te doen. ‘Ik wilde je iets vragen, zei ze. Het enige waar ik bang voor was, was dat ze zou vragen om elkaar niet meer te zien. Al het andere kon ik aan. Ze mocht losbranden.’ Wanneer ze halverwege even uit zicht raakt en weer opduikt, taxeert de ik-figuur de situatie: ‘Ik vroeg me af of we vooruitgang hadden geboekt. Ik dacht van wel. Want tot ziens zeggen betekent nog niet dat je elkaar gaat terugzien, dat niet. Maar je went eraan. Aan het wachten op elkaar, in zekere zin. Aan het elkaar niet geheel verlaten. Zo, dacht ik. We beginnen elkaar al niet helemaal te verlaten, wij twee.’ Of die twee elkaar nu wel of niet gaan krijgen, daar gaat het niet echt om. Althans, dit boek straalt uit dat het daar niet om draait. Dat je het als lezer desalniettemin graag wilt weten, valt het boek in positieve zin aan te rekenen. Wanneer ze inderdaad samen de nacht dreigen door te brengen, staat er: ‘Het is geen slecht begin, bij iemand willen slapen. Het is misschien een begin. Of een einde. Misschien begint ze met mij bij het einde. Is dat bemoedigend voor het vervolg, vroeg ik mij af.’ Oster heeft zijn vinger weten te leggen op de gevoelige materie van de schuchtere toenaderingspoging, het verkennen van de ander als liefdespartner.

    Christian Oster is als auteur in Frankrijk geen onbekende en zijn onderkoelde, niet van droge humor gespeende stijl kan rekenen op een vaste schare bewonderaars. De meeste boeken van Oster zijn uitgegeven bij uitgeverij Minuit, oorspronkelijk een verzetsuitgeverij die naderhand de auteurs van de Nouveau Roman ging uitgeven: Duras, Robbe-Grillet, Sarraute en Butor. Het experimentelere werk dus, waarin de klassieke verhaalstructuur overboord werd gezet, de vertrouwde gedragspatronen gesaboteerd. Niet de verteller legde zijn wereldbeeld op aan het boek, maar de literaire vorm zelf werd onderzoeksinstrument voor de relatie tussen personage en zijn omgeving. De tastende stijl was de weerslag van diens zoektocht naar enig houvast. Hoewel de Nouveau Romanciers onderling in stijl verschilden, kenmerkten hun boeken zich door de consequentheid waarmee een eenmaal gekozen uitgangspunt werd uitgewerkt. In dat opzicht is het niet vreemd dat In de trein in 2002 bij Minuit verscheen. De speelsheid ervan doet ook denken aan het vroege werk van de eveneens bij Minuit ondergebrachte Jean-Philippe Toussaint. Zo subtiel kan experimenteel dus zijn in Franse handen, kan men al lezend denken. Deze stijl nodigt dan ook zeer uit om mee te leven met de ik-figuur. Want deze hoofdpersoon krijgt dermate weinig eigenschappen toegedicht dat iedereen zich ermee kan identificeren. Niettemin is het een verhaal dat volstrekt niet te verfilmen is dankzij zijn stijl. Is dat niet het beste compliment dat je een boek kunt geven?

     

    In de trein

    Auteur: Christian Oster
    Vertaald door: Kiki Coumans
    Verschenen bij: Studio 3005
    Aantal pagina’s: 112
    Prijs: €20,-