• Een echt Renaissance-mens

    Een echt Renaissance-mens

    Meer dan tien jaar heeft Michiel van Kempen gewerkt aan deze biografie van Albert Helman. Het is dan ook een vuistdik boekwerk geworden: 638 bladzijden tekst en 75 bladzijden noten. Dat vraagt om een rechtvaardiging, zeker gezien het oude adagium: ‘In de beperking toont zich de meester’ en ….., wie is eigenlijk die Albert Helman?
    Voor het lezen van deze biografie wist ik niet zo bijster veel van Albert Helman. Mijn boekenkast bevat nog een pocket van zijn hand uit de Salamanderreeks getiteld Zuid-zuid-west. Bij het doorbladeren kwam het verhaal weer in mijn herinnering boven drijven, een serie schetsen over het koloniale leven in Suriname, waar zijn wieg gestaan heeft. Omdat de naam Helman mij wel altijd is bijgebleven als een van de Nederlandse vrijwilligers die zich voor de oorlog aanmeldden bij de Internationale Brigades om te gaan vechten tegen de fascisten van generaal Franco, heb ik een paar jaar geleden zijn opnieuw uitgegeven boek, De sfinx van Spanje, gelezen, een van de weinige ooggetuigenverslagen van de strijd tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Tenslotte stuitte ik onlangs bij een antiquariaat op een andere, aanzienlijk dunnere biografie van Helman uit 1949 geschreven door Max Nord. Helman was toen 46 en zou er nog 47 jaar aan vastknopen.

    Wie is Albert Helman?
    Lou Lichtveld (Albert Helman) is een Surinaamse jongen, die breekt met zijn roots en zich in 1922 in Nederland vestigt. Hij schrijft onder talloze pseudoniemen, maar meestentijds onder de naam Helman. Onder die naam is hij ook het meest bekend geworden. Hij is in zekere zin briljant te noemen. Hij is een snelle en originele denker, energiek, een vlotte en soms zeer goede schrijver, uitstekend muzikant en componist, prachtig dichter, sociaal vaardig, maatschappelijk betrokken, maar ook: zelfingenomen en zelfzuchtig, behept met een minderwaardigheidsgevoel, ongeduldig en vaak onaangenaam, dol op seks tot zelfs in zijn laatste dagen als, aldus Van Kempen, hij schalks in het oor van een van zijn lieftallige gezelschapsdames fluistert: ‘Weet je wat ik nou nog zo dolgraag eens zou willen? Een keer van bil gaan?’

    Wat heeft Albert Helman allemaal gedaan?
    Naast vele romans en korte verhalen heeft hij talloze recensies geschreven, commentaren geleverd, analyses geschreven, ingezonden brieven en heel veel gedichten. Hij heeft vele lezingen gehouden, zelfs op het kleine eiland Saba, wat Van Kempen de verzuchting ontlokt: ‘Hij geeft maar liefst drie lezingen op het piepkleine eilandje; soms vraag je je af of hij ook voor de albatrossen heeft gesproken.’ Hij is diplomaat geweest, minister, hoofd van de rekenkamer, redacteur van tijdschriften, vrijwilliger aan het front in de Spaanse Burgeroorlog, verzetsstrijder in Nederland, heeft in de zuiveringscommissie gezeten, heeft zich bemoeid met de onafhankelijkheid van Suriname, actief gelobbyd tegen Bouterse c.s. Hij heeft niet alleen gesproken en aan tafel gezeten met de culturele en politieke elite van Nederland, maar met de groten der aarde. Kortom Albert Helman is een actief baasje geweest, een man met buitengewone capaciteiten op tal van terreinen: een echt Renaissance-mens zoals hij ook graag wilde zijn, aldus Van Kempen.

    Wat is de betekenis geweest van Albert Helman op bovengenoemde vlakken?
    Dat blijft onduidelijk. Van Kempen schrijft in zijn inleiding: ‘Deze biografie geeft op sommige plaatsen niet de detaillering die biografen van auteurs van een klein oeuvre wel kunnen geven’. Hij heeft, zoals hijzelf zegt, rigoureuze keuzes moeten maken. Zo laat hij alle rapporten, memoranda en andere teksten van meestal lokaal belang uit Helmans diplomatentijd achterwege, maar ook structurele en stilistische analyses van zijn werk. Alleen ‘gefilterd sijpelen ze door naar het biografische verhaal, bijvoorbeeld daar waar kritieken aanleiding hebben gegeven tot publieke debatten’. Hoewel het eerste vanzelfsprekend is, is het tweede jammer en ook niet helemaal begrijpelijk. Helman is immers toch het meest bekend als literator en niet als diplomaat. Om hem te kunnen kennen, is inzicht in- en dus analyse van zijn werk toch onontbeerlijk? Zijn rigoureuze keuzes lijken dan ook vooral gebaseerd op de snoeischaar, maar hebben niet geleid tot een principieel andere benadering. Ondanks de veelheid aan bronnenmateriaal, blijft Van Kempen vasthouden aan een chronologische beschrijving van het leven van Albert Helman, eigenlijk zonder enigerlei andere vorm van ordening. Dit is jammer, aangezien er zo wel erg veel van de geïnteresseerde lezer gevraagd wordt. Helman heeft zich immers gedurende een lange reeks van jaren op tal van terreinen wereldwijd actief betoond. Van Kempen had er, gezien de overstelpende hoeveelheid materiaal, beter aan gedaan om, binnen een zeker chronologisch kader, te kiezen voor een meer thematische benadering, bijvoorbeeld, Helman als literator; Helman en Suriname enz.

    Tot en met hoofdstuk 7 blijft het boeien, waarschijnlijk omdat het gebodene zich tot dan toe afspeelt binnen de grenzen van onze eigen cultuurgeschiedenis, namelijk een stukje kolonialisme, verzuiling, opkomst fascisme, de Tweede Wereldoorlog en de bezetting en tenslotte de wederopbouw en de afrekening. Daarna waaiert het verhaal alle kanten uit. Dit heeft vooral te maken met de vele diplomatieke activiteiten van Helman nadien. Als betekenisvolle schrijver lijkt hij, na de oorlog, zijn tijd gehad te hebben. Er beklijven daarvan alleen nog wat anekdotes en die zijn er genoeg. Helman was immers een controversiële figuur en Van Kempen kan daar smakelijk over vertellen. Maar er ontbreekt een betekenisvolle ordening, iets dat wel ten grondslag ligt aan het oude boekje van Max Nord. Helemaal rechtvaardig is deze kritiek natuurlijk niet. Het boekje van Nord is verschenen in de serie ‘Schrijvers van heden’ en pretendeert niet zozeer een biografie te zijn, maar slechts een duiding van de betekenis van het werk van de schrijver Albert Helman tot 1949. Het is geen biografie in de zin die Van Kempen voor ogen staat en bovendien in tijdsbestek veel beknopter. Maar het is wel gebaseerd op een betekenisvolle ordening, namelijk Helman als schrijver. Dus, niks geen relaas over zijn huwelijksperikelen, maar wel over de invloed van Kafka, Freud, Camus en het existentialisme op zijn werk, hoe zijn werk zich verhoudt tot dat van bijvoorbeeld Couperus. Op zo’n manier is zo veel meer omtrent Helman te leren.

  • Recensie: De sfinx van Spanje – Albert Helman

    Recensie door: Machiel Jansen

    Na de Tweede Wereldoorlog verdedigden veel Duitsers zich met de niet erg overtuigende woorden: ‘Wir haben es nicht gewu?t.’ Maar halverwege de jaren dertig wisten duizenden in Europa het al wel: het fascisme was een kwaad dat bestreden diende te worden, desnoods met geweld. Rond 1936 hadden drie Europese landen een fascistisch regime: Duitsland, Italië en Hongarije. Daar dreigde een vierde bij te komen, namelijk Spanje. Daar waren de fascisten onder leiding van generaal Franco een opstand begonnen tegen de jonge, republikeinse regering. De opstand werd een burgeroorlog. In de drie jaar die volgden, besloten 35.000 mensen uit meer dan vijftig landen om naar Spanje te gaan en tegen de fascisten te vechten.
    Onder hen was de Britse schrijver George Orwell die in 1938 zijn herinneringen aan de strijd beschreef in het prachtige Homage to Catalonia (door Aad Nuis vertaald onder de titel Saluut aan Catalonië).
    Er waren ook Nederlanders in Spanje. In 1937, dus een jaar voor Orwells Homage to Catalonia, verscheen in Nederland De sfinx van Spanje van Albert Helman. Abert Helman, pseudoniem van Lodewijk (Lou) Lichtveld, was geboren in 1903 in Paramaribo en schreef romans, artikelen voor kranten en tijdschriften en zelfs twee kookboeken. Als jongen had hij kort in Nederland gewoond. In 1922 kwam hij voor een tweede keer naar Nederland en werd er journalist. Hij sloot zich aan bij het progressief katholieke weekblad De Gemeenschap maar uiteindelijk bleek hij meer progressief dan katholiek en keerde zich af van de kerk. In 1932 vertrok hij naar Barcelona en mocht voor de NRC en de Groene Amsterdammer reportages schrijven. Een aantal daarvan vormde later de basis voor De sfinx van Spanje.

    Helman moet het in Spanje goed naar zijn zin gehad hebben. Hij woonde in een huis aan de rand van Barcelona en had regelmatig vrienden en kennissen over de vloer. Schrijvers, kunstenaars, dichters, waaronder Slauerhoff, kwamen hem daar bezoeken. Ondertussen schreef Helman zich een ongeluk.
    In Spanje rommelde het in de jaren dertig. Het was één van de armste landen van Europa. De bevolking bestond voor het overgrote deel uit boeren en het land was in handen van een kleine, rijke elite. De armoede en ongelijkheid hadden schrijnende vormen aangenomen. Het was niet zo vreemd dat de roep om radicale verandering, revolutie en opstand in Spanje gehoor vond.
    De heersende macht, de adel, de grootgrondbezitters, de kerk en de militairen moesten van verandering en revolutie niets weten. Zij vormden in de jaren dertig het monarchistische, fascistische blok dat zei te strijden tegen het communistisch gevaar en voor het Roomse geloof en de traditie.
    In 1931 was Spanje een republiek geworden. De koning was het land uitgevlucht en de spanningen liepen langzaam op. In 1936 breekt de burgeroorlog uit wanneer een aantal conservatieve generaals in opstand komen tegen de republikeinse regering. In Barcelona gebeurt er iets anders. Daar grijpt links de macht en vindt een heuse revolutie plaats. Het zijn voornamelijk de anarchisten die, samen met communisten en socialisten, van Barcelona heel even een schijnbaar klasseloze maatschappij maken.
    Helman zat in 1936 al vijf jaar in Barcelona. Orwell zat nog thuis in Engeland. In De sfinx van Spanje ? nu voor het eerst herdrukt sinds 1937- beschrijft Helman hoe de Catalaanse revolutie zijn leven binnen komt. Vanuit zijn huis, net buiten de stad, probeert hij voorzichtig de stad binnen te gaan. Op een pleintje wordt hij samen met een aantal cafébezoekers even onder schot gehouden, maar echt gevaar loopt hij niet. De situatie is chaotisch. Er wordt geschoten en het is totaal niet duidelijk wat er aan de hand is. Pas als het schieten stopt, komt er meer duidelijkheid en worden de sporen van de gevechten zichtbaar. Kerken en kloosters zijn verwoest, barricaden zijn opgericht en er heerst een stemming van uitgelaten optimisme. De revolutie is een feit.

    Orwell komt in Barcelona aan als de stemming van optimisme nog in de lucht hangt maar toch ook al over zijn hoogtepunt heen is. De revolutie leeft nog. Elke standsverschil is weggevallen; de arbeiders, het gewone volk is hier echt aan de macht. Mensen lopen niet in dure kleren en rijden niet in luxe auto’s. Iedereen is een arbeider, jijt en jouwt elkaar, groet met saluut en noemt elkaar kameraad. Bedienden, obers, chauffeurs zijn hun onderdanigheid kwijt. Iedereen is gelijk. Helman beschrijft hoe ook geld onbelangrijk is geworden. Hij wordt door de kapper gratis geknipt.
    Het is het anarchistisch ideaal, de droom dat iedereen gelijk is, die heel even werkelijkheid lijkt te worden. Het is schijn. Orwell realiseert zich later pas dat veel mensen doen alsof, uit angst voor represailles.
    Orwell sluit zich aan bij een kleine militie die zich P.O.U.M. noemt. De P.O.U.M. was één van de linkse, communistische partijen die tegen de fascisten streden, en de revolutie wilde voortzetten. Slecht bewapend en nauwelijks getraind gaat de militie naar het front. De fascistische tegenstander blijkt, ondanks steun van Duitsland en Italië al even incompetent. Orwell bekijkt het met zijn Britse ogen vol verbazing. Hij beschrijft hoofdschuddend de afwezigheid van uniformen, de weinige, nauwelijks bruikbare wapens en de enorme hoeveelheden uitwerpselen rond elke plaats waar milities langer blijven. Overal is er sprake van goed bedoeld amateurisme. Van vechten komt niet veel, op een enkele uitzondering na. Orwell wordt na enkele maanden door een sluipschutter in zijn keel geschoten. Hij overleeft het, maar het vechten is voor hem voorbij.
    Helman was al eerder aan het front geweest. Niet om te vechten, maar om als journalist verslag te kunnen doen van de oorlog. Maar zijn idealisme kruipt waar het niet gaan kan en ook hij neemt een geweer in handen om heel even mee te vechten. Al gauw komt hij tot de conclusie dat hij geen soldaat is. Hij kiest voor de pen als zijn wapen.
    De anarchistische militie waar Helman mee optrekt doet wat professioneler aan dan die van Orwell. Hij bevestigt het goedbedoelde amateurisme van de milities en de afwezigheid van een strenge hiërarchie. In de milities bestonden nog wel rangen maar zo heel veel stelden die niet meer voor. Na de revolutie was iedereen immers gelijk. Bevelen werden dan ook regelmatig bediscussieerd voordat ze uitgevoerd werden.
    Orwell komt terug van het front. Barcelona is een veranderde stad. De rijken zijn terug. De sfeer van optimisme en gelijkheid is verdwenen. De communisten hebben hun macht versterkt en de P.O.U.M. wordt zwart gemaakt, beschuldigd van heulen met de fascisten. Er breekt een kleine oorlog uit in de straten van Barcelona tussen de communisten en de anarchisten. Uiteindelijk winnen de door Stalin gesteunde communisten. Op bevel van de Sovjets, in ruil voor wapens, wordt de P.O.U.M. verboden. De leden worden vervolgd en Orwell vlucht het land uit.

    Homage to Catalonia is het verhaal van de linkse idealist die wil vechten tegen het fascisme, terecht komt in een onderlinge strijd van de linkse partijen en ten slotte moet vluchten voor de communistische geheime politie. Het is een verhaal van idealisme, desillusie en onbegrip. Een verslag van innerlijke betrokkenheid die stuk loopt op de harde politieke realiteit.
    Helman beschrijft het zwart maken en het verbieden van de P.O.U.M. ook. Maar in tegenstelling tot Orwell had Helman geen persoonlijke band met dit kleine linkse partijtje. Zijn beschrijving vormt maar een klein onderdeel in een groot overzicht van de chaotische politieke verwikkelingen tijdens de burgeroorlog. Waar Orwell zich doelbewust concentreert op zijn eigen persoonlijke ervaringen, wil Helman de gebeurtenissen in een groter verband plaatsen. Dat maakt het er niet makkelijker op.
    De sfinx van Spanje begint dan ook vrij taai, met een geschiedenis van Spanje die begint in de oertijd en na tien pagina’s eindigt in de vorige eeuw. In gedragen zinnen, die af en toe wat aan Ter Braak doen denken, wil Helman ons duidelijk maken dat ook de burgeroorlog een voorzetting van de geschiedenis is. Het doel is te ambitieus voor een verzameling reportages. Helmans behoefte om de oorzaken van de burgeroorlog te plaatsen in eeuwen oude verhoudingen, ontwikkelingen en gewoonten, is wat ouderwets en vooral saai.
    Orwell begint zijn Homage beter. Bij hem geen inleiding of geschiedenis. Hij begint met zijn herinneringen en legt de context van de gebeurtenissen pas uit als het echt niet anders kan. Hij doet dat in aparte hoofdstukken waar hij de lezer voor waarschuwt. ‘Sla maar over als het je niet interesseert’, zegt hij er bij. Overslaan doe je niet, zo goed heeft hij je ondertussen al weten te boeien.
    Helman geeft die tip tot overslaan niet en zijn tweede hoofdstuk probeert vol goede moed de uiterst onoverzichtelijke politieke situatie overzichtelijk te maken. Het regent afkortingen van alle vakbonden, syndicaten en partijen – Orwell heeft het over een Spaanse plaag van initialen ? en wie helemaal niet bekend is met de achtergronden van de burgeroorlog, voelt zich hier wat verloren.
    Maar daarna komt Helman toch beter op gang. Het mooiste uit De sfinx van Spanje zijn de delen die aan Orwell doen denken; Helmans persoonlijke ervaringen. De Ter Braak zinnen verdwijnen en even beleef je zijn reis naar het front, de chaos en het optimisme. De beschouwende hoofdstukken die nog volgen zijn interessant maar in plaats van een analyse wil je liever lezen hoe het er nu ‘echt’ aan toeging. Hij was erbij en we willen van hem horen hoe het was. Orwell heeft zich dat beter gerealiseerd dan Helman, die de gebeurtenissen liever wil duiden dan ze vanuit persoonlijk perspectief beschrijven.

    De twee kenden elkaar, zo blijkt uit het nawoord van De sfinx. Beiden waren idealistisch, links en verre van objectief. Die positie maken ze allebei ook heel goed duidelijk. Orwell en Helman hebben beiden partij gekozen maar zijn niet blind voor fouten, mislukkingen en onrecht aan eigen kant. Beiden zijn erg kritisch op de communisten en hameren op de leugens die in de Europese pers de ronde doen. Net als Orwell wordt Helman uiteindelijk gedwongen Spanje te verlaten. En net als de Engelsman doet hij dat met pijn in zijn hart. Wie Orwells Homage leest moet Helmans Sfinx er ook meteen maar achteraan lezen.

    Ten slotte, een opmerking over de heruitgave van De sfinx van Spanje. Er is tegenwoordig bijna moed voor nodig om een boek dat zijn enige druk in 1937 kende, opnieuw uit te geven. De tekst van Helmans werk is zelfs op internet te vinden (auteursrechten bij de erven Helman). Wie een dergelijk boek uitgeeft moet dat bijna wel uit idealisme doen. En inderdaad, deze uitgave, voorzien van een nawoord en annotaties, maakt deel uit van de nieuwe reeks Kritische Klassieken van uitgeverij Schokland. De idealisten Orwell en Helman zouden het een mooi initiatief gevonden hebben.

    De sfinx van Spanje

    Beschouwingen van een ooggetuige
    Auteur: Albert Helman
    Verschenen bij uitgeverij: Uitgeverij Schokland
    Met een nawoord van: Prof. dr. Michiel van Kempen
    Prijs: €22,95