• Weinig woorden voor een hele wereld

    Weinig woorden voor een hele wereld

    ‘Geen plot, maar zeer korte verhalen waarin net zoveel kan gebeuren als in een complete roman’. Daarin ligt volgens Arjen Lubach de kern van de zkv’s van A.L. Snijders. Dat klopt. De Amerikaanse vorstin van de short story, Lydia Davis, noemt ze in De schoonheid van weerbarstig proza ‘puntige filosofische vertellingen’. Klopt ook.
    Lubach koos er 206 voor een selectie in de alsmaar groeiende fraaie serie ‘Gedundrukt’ van Uitgeverij Van Oorschot onder de titel Zeer kort. Op het buikbandje de typische Snijders-foto: gefronst voorhoofd, bebaard en besnord, je doordringend aankijkend met de bril op de punt van de neus. Velen kenden zijn sonore stem uit duizenden als hij op zondagmorgen op Radio 4 een verhaal voorlas en heel wat abonnees openden eveneens op zondagmorgen vol verwachting hun mailbox waarin hij zijn zeer korte verhalen dropte.

    A.L. Snijders is de schrijversnaam van Peter Müller. Hij zou hem ooit hebben verzonnen toen hem aan de telefoon werd gevraagd snel een pseudoniem te bedenken. Maar op die oorsprong varieerde hij wel eens als hem er tijdens optredens naar gevraagd werd. Het paste bij Snijders, die jarenlang lesgaf op middelbare scholen en de politieacademie en zijn zkv’s graag de door hem gewenste draai gaf: ‘Het is zeker dat ik verschillende verhalen vertelde over dezelfde gebeurtenis. Een leraar die steeds hetzelfde verhaal vertelt, kwelt zichzelf. Dan wordt het onderwijs masochisme. Ik wil er zelf ook een beetje plezier van hebben’.
    Het is een citaat uit het vermakelijke ‘Facisme’, waarin hij vertelt over de keer dat hij met de verfkwast de leus ‘Weg met het facisme’ op een viaduct te lijf ging om vóór de letter c een s te schilderen. Hij werd opgepakt vanwege het bekladden van overheidseigendom terwijl hij alleen maar een taalfout had willen verbeteren. Daarmee geeft hij zelfs in één zkv twee versies van het gebeurde.

    Sprongen in de tijd

    Over taalfouten gaat het in meer stukken. In ‘Vraag en antwoord’ zegt hij zijn leerlingen op de politieschool dat Hun zijn groter als mij een onberispelijke zin is, maar dat ze in sollicitaties Zij zijn groter dan ik moeten schrijven. In ‘Gemeentegrens’ legt hij een klas uit dat in de zin Jan wordt geslagen door Piet Jan grammaticaal het onderwerp is, maar gevoelsmatig lijdend voorwerp.

    Hoeveel variëteiten een verhaal ook kan hebben, ze vertellen allemaal samen wel degelijk veel over het leven van de schrijver zelf. Vooral Amsterdam en Klein Dochteren, de belangrijkste woonplaatsen van Snijders, en zijn ervaringen en ontmoetingen daar, zijn prominent terug te vinden. Verreweg de meeste verhalen maken sprongen in de tijd. Een ontmoeting, een nieuwtje, het weer: ze zijn goed voor een sprong terug in de tijd van soms enkele decennia, plotseling opduikende herinneringen. Een dichtregel van Lucebert brengt hem bij een ijzeren ei dat hij dertig jaar geleden maakte (in ‘Het ei’). De weersvoorspelling roept een herinnering op aan de kachel van zijn grootvader (in ‘Winter 2’).

    Massey Ferguson

    Een enkele keer komt een herinnering meerdere keren voor. De opvallendste is die over zijn moeder die als kind in 1912 uit het raam viel en dat overleefde door een opstuiterende hor (in ‘Jaartallen’ en opnieuw in ‘Vondelpark’). In ‘Dienstmeisje’ maakt huishoudhulp Greetje in 1949 een dodelijke val uit het raam: ‘Mijn moeder heeft gezien hoe haar levenloze lichaam in de ziekenauto werd getild’ – hier dan juist weer geen vermelding van moeders eigen val in 1912. En dan zijn er nog Snijders’ opa en diens jongste zoon die op hoge leeftijd beiden stierven door een val van de trap (in ‘De geur van het ontbijt’).
    Ook de tractor van Snijders, een Massey Ferguson, doet hem een paar keer het beeld oproepen van de Balkanoorlog toen je die trekker vaak in reportages zag (in ‘Kraantje’ en ‘Winter 2’). Maar in het verhaal dat het merk van de tractor als titel heeft staat die verwijzing dan weer niet.

    Het teruggrijpen in de tijd legt Snijders als volgt uit in ‘De libelleman’: ‘Wat veertig jaar geleden plaatsvond, hoeft niet eerder verteld te worden dan de gebeurtenissen van gisteren’.

    Banaliteit van het kwaad

    Dat doende legt hij verrassende verbanden, zoals in ‘Ansichtkaart’. Daarin stuurt ene F. hem een groet vanaf Texel waarin hij schrijft dat hij Hannah Arendt leest, terwijl een landbouwmachine te zien is van het merk Mengele LW 390: ‘Hoe lang zullen mensen nog schrikken van Hannah Arendt en Mengele samen op een ansichtkaart? De geschiedenis trekt langzaam de gordijnen dicht en bijna niemand zal meer iets weten over de banaliteit van het kwaad’. Na een dergelijke kernachtige omschrijving van hoe we in elke nieuwe generatie weer verhalen kwijtraken kun je niet meteen naar het volgende zkv.

    Snijders had weinig woorden nodig om een wereld te omspannen. In 2010 kreeg hij de Constantijn Huygensprijs: ‘een prijs voor een grote berg takjes, zkv’s’, zegt hij zelf in ‘Aap’.

    Op 7 juni 2021 zat Peter Müller voor het laatst als A.L. Snijders aan zijn laptop, klaar voor een nieuw verhaal, toen hij een hartstilstand kreeg. Misschien draaide er wel muziek op de achtergrond, minimal music, zijn voorkeur. Treffend voor een zkv-schrijver.

     

     

  • Oogst week 48 – 2023

    Oh the world Ah the world

    In 2021 overleed A.L. Snijders op de leeftijd van 83 jaar. Tijdens zijn leven werkte hij als leraar Nederlands en schreef columns in verschillende kranten. Hij bedacht het zkv, het Zeer Korte Verhaal, een ‘nieuw literair genre’. In 2006 verscheen de eerste zkv-bundel Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk. Er volgden nog vele zkv’s, die hij ook op de radio voorlas. Dan klonk zijn donkere, sonore stem, met de wat aarzelende, trage manier van spreken die hij zich had eigen gemaakt en hem net zo bekend maakte als het genre dat hij had bedacht. Wie hem eenmaal had horen praten herkende zijn karakteristieke stemgeluid onmiddellijk.

    Even kenmerkend is zijn handschrift, te zien in Oh the world, ah the world, dat zijn laatste zkv’s en een keuze uit zijn brieven bevat. Vrijwel dagelijks schreef hij een brief, in rode en zwarte inkt. Hij maakte er ook tekeningen bij en kalligrafeerde het motto. Een daarvan was Oh the world Ah the world. Snijders vond brieven schrijven leuker dan stukjes te schrijven, omdat ‘een brief zomaar aan mijn hand ontsnapt’.

    Een van de 54 zkv’s in het boek, grotendeels uit 2021: ‘Ik schrijf een verhandeling over de liefde. Een jonge man vraagt de hand van zijn meisje aan haar vader. De man ziet er niets in. Hij is niet onvriendelijk, het is geen ploert. Hij is integer, hij doet niet alsof. Hij vindt zijn dochter niet passen bij de jongen, hij veinst niet. Hij legt uit dat hij geen toestemming geeft, maar hij voegt er nonchalant aan toe dat hij het jonge paar niets in de weg zal leggen.’
    En de lezer zal nieuwsgierig verder lezen.

     

    Oh the world Ah the world
    Auteur: A.L. Snijders
    Uitgeverij: Afdh Uitgevers

    We moeten praten

    ‘Langzaam draait hij zich om. Hij zet zijn tas naast zich op de vloer. Hij heeft de hele tijd naar de vloer gekeken en nu kijkt hij naar zijn klasgenootjes en kort naar mij, en zegt: “Ik ga echt mijn spreekbeurt houden.” (…) Hij zegt iets! Hij kan wel praten! (…) “Ik ga jullie alles vertellen (…) wat bij mij hoort, wat van mezelf is, en van mijn opa, waar ik woon, de spullen in mijn kamer (…) de muziek waar mijn papa naar luisterde, het verhaal van ons gezin.”‘ De klas en verteller juf luisteren verbijsterd want Koen, zoals de jongen heet, praatte nooit eerder in We moeten praten van Jan van Mersbergen.

    Toen Koen drie jaar was speelde hij eens met de mobiele telefoon van zijn vader en hoort plotseling zijn moeder aan de telefoon die denkt dat haar man aan de lijn is en zegt: ‘We moeten praten’. Het blijkt het einde van het huwelijk, Koen blijft met zijn vader achter. ‘Als dit is wat er van praten komt, denkt Koen, dan houd ik voortaan mijn mond.’ En dat doet hij, totdat hij in klas 7 zijn spreekbeurt moet houden. Op het digitale bord zet hij een afbeelding van het schilderij De Bedreigde Zwaan van Jan Asselijn.

    Jan van Mersbergen schrijft onder meer romans, novellen, korte verhalen en thrillers (onder pseudoniem), Hij schreef over mannenzaken en vaderschap, over zijn vader. Prijzen bekroonden zijn werk dat in negen talen is vertaald. Hij publiceert ook beschouwingen en interviews in diverse dagbladen en geeft workshops.

     

    We moeten praten
    Auteur: Jan van Mersbergen
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Bedenktijd

    Meredith Greer (1988) zegt over haar debuut Bedenktijd in een interview: ‘Ik dacht: ik wil onthouden hoe het was en hoe het op dat moment was om mij te zijn.’ In coronatijd, tijdens de lockdown, onderging Greer een abortus, geheel alleen, zonder steun van een naaste. ‘Niemand kon mijn hand vasthouden in de wachtkamer.’ Daarna vroeg ze zich af wat verlies en verdriet doen met mensen als ze die het liefst willen vergeten en voor anderen verbergen. Maar dergelijke gevoelens laten zich niet verdringen. Greer geeft er schriftelijk aan toe. Zo schrijft ze over een wraakzuchtige fantasie over de man van wie ze zwanger raakte. ‘Het was heel bevredigend om zo’n wraakzuchtig spookverhaal op papier te zetten.’ In Bedenktijd haspelt ze verschillende genres door elkaar: proza, essayachtige stukken, poëzie en dagboekaantekeningen over haar gevoelens van rouw, verdriet en woede.

    Omdat ze geen boek over enkel een vrouwenonderwerp wilde schrijven bespiegelt ze ook andere rouw, bijvoorbeeld als mensen wegens de lockdown of omdat ze in de gevangenis zitten geen afscheid kunnen nemen van geliefden en niet bij de begrafenis kunnen zijn.

    Het boek is vormgegeven in zeer verschillende lettertypes ‘zodat het lezen ook een fysieke ervaring is’, zegt Greer. De schrijfster is een Amerikaans-Nederlandse journalist en schrijver. Ze werkte onder meer als eindredacteur voor de Volkskrant en als redacteur voor BNR-Nieuwsradio, en had een column in HP/De Tijd.

     

    Bedenktijd
    Auteur: Meredith Greer
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij
  • Vuilnismannen

    Vuilnismannen

    Gisteren was facebook verdwenen. Het moederhart kon het niet meer aan, nooit geklaagd, maar het was genoeg, ze was stuk. Ik had juist een foto van geoogste tomaten uit eigen tuin klaarliggen, zweempje middagzon erover, prachtig, wat woorden erbij. Wilde ik plaatsen, hoefde niet meer, opeens waren er momenten met ‘niks’ te over. Dan beseffen dat van de vroege ochtend tot laat in de nacht, met een klik, de fb pagina geopend werd, kijken, wie wat plaatste, waar een like te plaatsen om tot een afgerond getal te komen( 69 likes naar 70, 199 naar 200 te klikken, en door maar weer). Zulke gewoontes ontwikkel je nu eenmaal tijdens fb-turen. Daar is iets aan af te lezen, maar dat doen we nu niet. De dagen zijn de laatste tijd al zo anders geworden, er dingen zijn die niet wennen. De leegte, het doelloos kijken naar dat wat niet meer is.

    Zoals zondagen, die sinds A.L. Snijders uit dit leven vertrok, nooit meer goed komen. Nog steeds vind ik mezelf, na een jeukend gevoel van gemis, (er is iets, er was iets, waar is het?) met lege handen terug achter mijn laptop, turend naar de gras-lijst, een nieuw zkv, dat niet meer komt. Dan open ik het mapje van eerder ontvangen zkv’s, kies er een uit, lees, open een ander, lees, kom in de wereld van Snijders, waar alles gebeurt op Snijderiaanse voorwaarden. Ik lees het zkv waarin Snijders bezoek krijgt van  een onbekende man die de gewoonte heeft bij schrijvers aan te kloppen. In veel zkv’s heeft Snijders te maken met onaangekondigd, onbekend bezoek, vaak het beste bezoek. Deze man was voorbereid, had een fles sterke drank, ‘De Sjirurch’ bij zich. Het vermoeden dat Snijders dingen verzint (wat nooit zo is), bij ‘De Sjirurch’ denk ik dat ook. Ik google de naam, kom terecht bij een weduwe in Sneek die na de dood van haar man in 1864 een stokerij begon. Zij mengde jenever met een kruidenmengsel van ene Hendrik Beerenburg uit Amsterdam. Er volgden vele soorten mengsels van deze Beerenburg, met ieder hun eigen doelgroep. Het etiket op ‘De Sjirurch’, vermeldt, ‘Foar strontskippers, trûbadoers en oar rosmos’. Duidelijke taal, al weet ik niets van ‘oar rosmos’ te maken. 

    Snijders laat de onbekende man, van beroep vuilnisman, binnen. Op anderhalve meter praten ze over toneel en literatuur. Het is waar, vuilnismannen staan bekend om hun poëtische inslag. Op tafel tussen hen in ligt een bundel van de Roemeense dichter Matei Vişniec, die de liefde over poëzie ondervond, ‘Als een geslagen hond heb ik van haar gehouden, zoals een zwerver houdt van de vrijheid, zoals een paardendief houdt van het gestolen paard.’ Een tekst die ik ook aan Snijders toevertrouw. Na afloop draagt Snijders het gedicht ‘Over de roman waarin ik werk’ voor aan de man. Daarin loopt de dichter door de stad, komt spullen van zichzelf tegen: een kamerjas, familiefoto’s, de roman waaraan hij al dertig jaar werkt, restant van een hemd in een vuilnisbak. Er steekt veel poëzie in vuilnisbakken, geen mooier beroep dan vuilnisman, op vrije dagen bij schrijvers aankloppen.
    Facebook is inmiddels terug online, Snijders blijf ik in mijn mailbox nog wel even zoeken.

     

     

    Zkv uit: Tat tvam asi / A.L. Snijders / AFdH Uitgevers


    Inge Meijer is een pseudoniem, valt voor een goed verhaal, een stijl, een woord (keukentafel, zolderkamer), een mening.

  • In memoriam A.L. Snijders 1937 – 2021

    A.L. Snijders, pseudoniem van Peter Cornelis Müller, werd in 1937 geboren in Amsterdam. In 1971 trok hij met zijn vrouw Yvonne Sweering, waarmee hij 52 jaar samen was, en vijf jonge kinderen naar een boerderij in Klein Dochteren waar hij het boerenleven omarmde. Eenmaal daar begon hij brieven te schrijven naar vrienden en familie in het land. Vanaf de jaren tachtig schreef hij columns voor verschillende kranten, waaronder het Parool, Deventer Dagblad, Dagblad van het Noorden en later de VPRO Gids. Vanaf 2000 begon Snijders korte stukjes te schrijven, de zogeheten zkv’s. Deze verzond hij in eerste instantie per mail naar zijn kinderen en vrienden, aan uitgeven dacht hij niet. Hij ging er ook wel prat op dat hij lange tijd de enige schrijver was die niet werd uitgegeven. Toen ik Peter Müller in 2019 interviewde, vertelde hij een anekdote ‘die waar is’, zo hij zei.

    ‘Ik heb in mijn leven nooit iets opgestuurd naar een uitgever of tijdschrift om mezelf aan te bieden. Alles wat er gebeurde ging via via, het breidde zich vanzelf uit.’ 

    De columns uit kranten en de begeleidende brieven die Snijders aan de redacteur van de krant schreef, werden in de jaren negentig gebundeld door Thomas Rap en uitgegeven in vier boeken. 

    Snijders is altijd een deadlineschrijver geweest, op verzoek van Ineke Swanenveld, sinds 2019 zijn vrouw, kwam daar verandering in. Zo lukte het Snijders om niet op zaterdagavond pas een punt achter zijn radiocolumn voor de zondagochtend te zetten, maar het stukje vaak op vrijdagmiddag al te schrijven. Of deze verandering in werkwijze in de toon en aard van zijn zkv’s te onderscheiden is, zou een onderzoek waard zijn. Ooit was zijn beeld van een ideale zkv, een verzonnen verhaal zo te schrijven, ‘dat niemand er bij stilstaat of het werkelijkheid is of niet’.

     Mijn eerste herinnering aan het bestaan van columnist A.L. Snijders gaat terug naar begin jaren tachtig, tijdens een literaire middag in de schouwburg van Apeldoorn, Orpheus. Ik was er met een oudere vriendin die daar zou voorlezen. Snijders naam klonk in de wandelgangen, daar was iets mee, eigenzinnige onbegrijpelijkheid klonk er. Ik herinner me vooral de lange benen, de uitbundige gezichtsbeharing en toegeknepen ogen, alsof er een vlieg uit geweerd moest worden. We waren te laat om hem te horen voorlezen, er was iets ongekends aan mij voorbij gegaan.
    Er is geen schrijver die zo onbegrijpelijk kon schrijven als A.L. Snijders, maar ook zo aanwezig was in elk zkv dat hij schreef dat hij op den duur een open boek was voor wie er oog voor had. Onbegrijpelijk schrijven was een uitdaging voor Snijders. In een interview vertelde hij dat hij nog verder probeerde te gaan met het zkv, het nog onbegrijpelijker wilde schrijven. Al was het niet de bedoeling helemaal onbegrijpelijk te schrijven: ‘Als er in een stukje maar één dingetje raar is, dan is het een zkv, die afkorting die een eigen leven is gaan leiden.’

    Snijders schreef een kleine drieduizend zkv’s waarvan er in 2006 door AFdH uitgevers de eerste 336 werden gebundeld met de titel, Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk. Er zouden er nog elf volgen, waarvan de laatste, Tat Tvam Asi in april van dit jaar verscheen.

    Al had Snijders de frequentie van zijn zkv’s de laatste tijd wat geminderd om meer tijd met zijn vrouw door te kunnen brengen, was stoppen met schrijven geen optie. Zelfs als hij niet meer zou worden uitgegeven zou hij blijven schrijven. En dat deed hij, tot vorige week maandag, 7 juni, toen werd hij door een hartstilstand getroffen. Hij werd gevonden in zijn werkkamer waar hij aan een nieuw zkv werkte, voorover liggend op zijn toetsenbord. Toen het bericht van zijn dood wereldkundig werd gemaakt, ging er een schok door de liefhebbers van zijn zkv’s en de vele abonnees van de zogenaamde Graslijst die elke zondagochtend, na het voorlezen van een nieuw zkv, om 8.45 uur op radio 4, diezelfde zkv in hun mailbox vonden. 

    Zondagmorgen, 13 juni verzond AFdH uitgevers dit zkv in wording naar de abonnees van de Graslijst. Een stukje tekst waarvan zomaar gezegd kan worden dat het een puntgaaf zkv is. Want, zoals Snijders zei, als er maar één dingetje raar in zit, is het een zkv.

    Rotspunt
    ‘In de boekenweek ben ik op bezoek geweest in Zutphen t/m Nijmegen.

    Ik las voor in een boekhandel. Na afloop kwam er een oude man op me af die verklaarde dat ik niet bestond. Ik vroeg hem wie ik dan was. Dat kon hij me niet vertellen, dat was zijn zaak niet. Ik vroeg hem wat zijn zaak dan was, maar daar had hij geen antwoord op. Ik vertelde hem dat er in de Middellandse Zee (de zee van Homerus) een rotspunt naar mij vernoemd is, Cape Snijders.’ 

     

     

    Bron: Meer dan een bibliografie, A.L. Snijders / Marius Zeven
    Foto: Paul van Puffelen (2021)

     

  • Uitgestelde dood

    Uitgestelde dood

    Maandag was ik met mijn jongere broer onderweg. We bevonden ons midden in een op handen zijnd overlijden van mijn broer net boven mij. Die van de stille wateren, diepe gronden, waar altijd wat mee te lachen viel, binnenpretjes, breeduit lachend, glimlachend. ’s Avonds gingen we langs bij de zoon van mijn jongste broer aan de Nieuwe Binnenweg in Rotterdam. Er werd koffie en water op tafel gezet toen mijn mobiel oplichtte,‘A.L. Snijders is overleden’. Bericht van mijn jongste dochter, die weet wat mijn leven kleur geeft. Ik drukte het weg, ruimte creërend voor het toekomstige sterven van de een, de dood van de ander uitstellend. Schrijver A.L. Snijders is altijd in de buurt, terwijl ik dit schrijf, lees ik zoals hij schrijft. Ik delete het voegwoord ‘en’ zo gauw het opduikt. Dat is in korte stukjes volledig overbodig, vond hij, die leest de lezer er vanzelf wel bij. Na Rotterdam brachten we mijn jongste zoon naar Utrecht, onderweg meed ik social media, hield de waarheid op afstand. Tussentijds schemerde de dood door mijn gedachten. Veel mensen zijn gestorven, niemand heb ik zien sterven.

    Thuis pakte ik de nieuwe bundel zkv’s van Snijders, waarin een nieuw begin door de schrijver werd vastgelegd. Op 28 mei 2019 schrijft hij in het zkv Kleine hamers. “Mijn vriendin kent me niet, want het is acht dagen geleden dat we elkaar voor het eerst ontmoetten. We staan te wachten op het station van Deventer, ze neemt de trein die regelrecht naar haar woonplaats Amsterdam rijdt, ze hoeft niet over te stappen. Het wachten heeft een betekenis die los van alles is en zonder meer doet denken aan een warm bed.’ Kort daarna, op tweede Pinksterdag, bezocht ik hem op zijn boerderij in Klein Dochteren voor een interview. We mailden al gedurende een klein jaar met elkaar, het was de tijd na het overlijden van zijn vrouw, Yvonne. Kleine berichtjes over de somberheid die hem overviel, voorgeschreven slaappillen, de wodka’s die gedronken moesten worden. Op die Pinksterdag vertelde hij hoe grijs en traag zijn leven was geworden. Dat de kwalen die hij kreeg volgens de huisarts te maken hadden met het verlies van zijn vrouw. Wat hij een wonderlijke samenvoeging van gebeurtenissen vond. ‘Maar toen leerde ik deze dame kennen’, zei hij , terwijl hij naar buiten keek waar de vrouw zat die hij zijn verloofde noemde, ‘nu is het leven lichter.’

    Er was een kiertje opengegaan met zicht op een ander soort leven. Van minder schrijver, meer leven. Over de houdbaarheid van literatuur en schrijvers zei hij. ‘Wat mij opvalt is dat schrijvers zo gauw ze dood zijn helemaal weg zijn. Vestdijk wordt niet meer gelezen, terwijl dat een fantastisch schrijver is. Dat lijkt ook alleen maar in Nederland te gebeuren, het onderwijs helpt daar natuurlijk ook niet aan mee. In Frankrijk kun je jong en oud nog een boek van Flaubert in de metro zien lezen.’ Ja, de schrijver is dood, maar weet dat ik altijd een een bundel van deze schrijver zal openslaan in trein en metro, in hotelkamers en langs de oever van een rivier. A.L. Snijders blijft.

     

    Citaat uit: Tat Tvan Asi / A.L. Snijders / 645 blz./ AFdh Uitgevers (2021)
    Citaat uit: Rimbaud het dit prachtig gevonden / Interview met A.L. Snijders


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, op zoek naar een goed verhaal.

  • Oogst week 20 – 2021

    Tat tvam asi

    De nieuwe bundel – de twaalfde alweer – zeer korte verhalen van A.L. Snijders draagt de titel Tat Tvam Asi, dat in het Sanskriets betekent, ‘dat ben jij’. Een zegswijze uit de ‘Upanishads’, (gelukkig geeft de uitgever een verklaring over dit begrip op de achterflap van het boek). Het zijn esoterische, filosofische verhandelingen die binnen het hindoeïsme als heilig beschouwd worden, teksten waaraan elke vorm van sektarisme ontbreekt. Net als in de teksten van Snijders, waarin met de beste wil van de wereld geen enkel teken van sektarisme is te vinden. Wel vatten zijn zkv’s het leven geconcentreerd samen, denk daarbij vooral aan het leven van de schrijver zelf.

    Een zkv kan een korte inleiding van de schrijver op een brief van een lezer zijn, zoals in ‘Achter de wolken’. Snijders schrijft: ‘Mijn uitgever stuurde een bericht rond dat A.L. Snijders zou voorlezen op een festival in Twente. Publiciteit, we kunnen niet meer zonder publiciteit. Een lezer uit Thailand reageerde hij schreef:’ Waarna de brief van de lezer uit Thailand volgt, een zkv op zich, geheel in stijl van A.L. Snijders zelf. De lezer schrijft dat het lastig zal zijn het festival te bezoeken, woont al 27 jaar in Thailand, op een uur vliegen van Kunming in China, waarna de lezer een interessant verhaal over het oude China en over Kunming gaat vertellen, komt erop neer: lezer kan niet naar het festival kan komen.

    Veelal spelen de zkv’s rondom het huis van de schrijver, (schaapskudde voor de deur), ontmoetingen in het bos waar dagelijks gewandeld wordt, observaties in de trein, de supermarkt of tijdens boekpresentaties waarvoor de schrijver wordt uitgenodigd.

    De 337 zkv’s, geschreven in 2019 en 2020, zijn eerder gepubliceerd in onder meer de Vlaamse krant ‘De Standaard’, de VPRO-gids en de wekelijks voorgelezen zkv’s op zondagmorgen bij radio 4, die ook verstuurd werden naar de abonnees via de zogeheten ‘Graslijst’.
    Beelden kunstenaar Chantal Rens maakte de omslagillustratie en de prachtige fotocollages in het boek.

     

    Tat tvam asi
    Auteur: A.L. Snijders
    Uitgeverij: AFdH uitgevers

    Plint

    Wie denkt  bij het horen van de naam Plint niet aan poëzie? Gedichten als raamposters, op kussenslopen, (zodat al slapende de poëzie in je dromen verschijnt), dichtregels op servies en speciale dichtbundels, dat alles om kunst en poëzie onder de aandacht te brengen. Dit jaar bestaat Plint 40 jaar. In die jaren las de redactie van Plint ‘duizenden en duizenden gedichten’, waaruit ze de mooiste gedichten samenbrachten met het werk van beeldend kunstenaars of illustratoren.

    Voor het eerst zijn de mooiste combinaties uit 40 jaar Plint verzameld en op onderwerp gezet in 14 hoofdstukken. Gedichten van grote namen als Rutger Kopland, met illustraties van Co Westerik, en minder grote namen. Klassiekers en splinternieuw werk. Het boek is prachtig uitgevoerd, met vier leeslinten om niet tot een keuze beperkt te zijn. Ook een robuust boek, van minstens een halve kilo, met op het voorplat de dichtregel: ‘een pond veren vliegt niet als er geen vogel in zit’, van Bert Schierbeek.

    Het begin van Plint is overigens een uit de hand gelopen initiatief van een groep bevriende leraren uit Eindhoven. Die wilden in 1979 theatervoorstellingen maken en zochten naar middelen dit te financieren. Ze maakten posters voor scholen, dat werd zo’n succes dat er van die theatervoorstelling niets terecht kwam, maar Plint nu dus al zo’n 40 jaar bestaat.

    Leuk weetje is dat in de theaterwereld Plint een ander woord is voor ‘opstapje naar het podium’. En dat is wat Plint is, een opstapje, een eerste kennismaking met het werk van een dichter.

    In het boek zijn registers op dichter, kunstenaar en op titel.

     

     

    Plint
    Auteur: Samenstelling Mia Goes
    Uitgeverij: Uitgeverij Plint

    De tweede plaats

    In de nieuwe roman van Rachel Cusk  De tweede plaats, nodigen de naamloze schrijfster M en haar excentrieke echtgenoot, de beroemde schilder L uit om naar een afgelegen streek aan de kust te komen. De kunstenaar neemt het aanbod aan, maar brengt onaangekondigd een mooie jonge vriendin mee. L neemt met zijn vriendin de intrek in een buitenhuisje, de Tweede Plaats, naast het huis van M en haar gezin. M hoopt met hem te kunnen discussiëren over zijn werk en de kunst, maar de aanwezigheid van de mooie jonge vriendin blijkt een ontwrichtende invloed op de omgeving te hebben. Het wordt een logeerpartij die het hele gezin ontregelt.

    Het boek is een vertelling, M vertelt, als een achteraf navertelde gebeurtenis, het verhaal aan ene Jeffers, die de rol van toehoorder heeft. ‘Ik heb je weleens verteld, Jeffers, dat ik uit Parijs vertrok en in de trein de duivel ontmoette, en dat na die ontmoeting het kwaad dat gewoonlijk rustig onder de oppervlakte ligt, opwelde en zich uitstortte over alle aspecten van het leven. Het deed denken aan een besmetting, Jeffers: alles raakte ervan doortrokken en werd erdoor bedorven.’

    Voor wie bekend is met de boeken van Rachel Cusk, is dit een echt Cuskiaanse vertelling, scherp observerend brengt ze de positie van de vrouw ten opzichte van de man in beeld. Daarbij altijd nieuwe inzichten vrijgevend.

    De tweede plaats
    Auteur: Rachel Cusk
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Struikelen

    Struikelen

    Ik maakte me zorgen over de roep om sensitivityreaders, meelezers die schrijvers moeten behoeden voor een ‘faux pas’ in het vormen van hun beeld van anderen die zij, gezien hun identiteit eigenlijk niet zouden mogen vertegenwoordigen. Of er niet op teveel slakken zout werd gelegd, vroeg ik me af. De weekendeditie van de Volkskrant wijdde er een stuk aan waarin verschillende schrijvers gevraagd werd of het goed voor de literatuur zou zijn, zulke meelezers. Ik dacht, een goed schrijver weet waarmee hij bezig is, zijn boek is de spiegel waarin hij zichzelf recht in de ogen moet kunnen kijken. De Amerikaanse schrijfster Lionel Shriver liet al eens weten (in Amerika heeft men al langer met dit verschijnsel te maken) dat op het moment haar werk naar een sensitivityreader gaat, zij met schrijven stopt.

    In haar laatste boek, De weg van de meeste weerstand, schrijft Shriver over alles waar een sensitivityreader over zou kunnen struikelen, neemt het op de hak. Er is een onduidelijke gebruiksaanwijzing, geschreven in China. Een van haar karakters zegt, ‘geschreven door mensen die duidelijk geen idee hebben hoe we dat in Amerika doen. Niet dat er iets mis is met Chinese mensen, dat bedoel ik niet. Moet je ze zo noemen? “Chinese mensen?” dat klinkt een soort van beledigend.’ 

    In de Volkskrant werd schrijver Vamba Sherif gevraagd wat hij van het nut van zulke meelezers vindt. Hij denkt dat het wel nodig is, ‘Literatuur heeft altijd geworsteld met het beeld van de ander. (…) de soms schrijnende onwetendheid over die ander.’ Hij noemt de Nigeriaanse schrijver Chinua Achebe, die in 1958 de roman Een wereld valt uiteen schreef. Een boek dat hij waarschijnlijk niet had geschreven als hij niet Mister Johnson (1938) van de Ierse schrijver Joyce Cane had gelezen. Over een Nigeriaanse man met een kinderlijk naïef karakter. Achebe kon zich in het geheel niet met hem identificeren. Hij wilde iets rechtzetten en schreef Een wereld valt uiteen. Het werd een moderne klassieker, vertaald in vijftig talen. Wat een geweldig verhaal is natuurlijk. Ik dacht: Wat als Joyce Cane een sensitivityreader had gehad, die het imperfecte beeld van een Nigeriaanse man had voorkomen? Dan had Achebe niet de noodzaak gevoeld dat boek waar hij wereldwijd mee doorbrak te moeten schrijven. 

    A.L. Snijders zei eens ‘Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk’. Dan raakt de bron vertroebeld. Shriver creëert werelden die (soms) ook de schrijver vreemd zijn, zoals in, We moeten het even over Kevin hebben, over een jongen die een aanslag pleegt op zijn middelbare school. De weg van de meeste weerstand opent met een citaat uit Een wereld valt uiteen van Chinua Achebe. Hoe meer ik erop let hoe meer verwijzingen er naar exit sensitivityreader in zitten. Serenata, een stemactrice mag geen zwarte personages meer doen, om de culturele toe-eigening. Remington, haar man, wordt op een zijspoor gezet door zijn nieuwe cheffin, een 27-jarige Nigeriaanse, die streeft naar genderneutrale toiletten. Shriver lijkt te willen zeggen, we kunnen niet alle hoeken van de tafel afzagen om te voorkomen dat we ons er aan stoten.

     

     

    De weg van de meeste weerstand / Lionel Shriver / Atlas Contact 2020
    Volkskrant 20 maart / ‘Het ligt allemaal gevoelig’  door Hans Bouman.


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt geregeld verliefd op een verhaal, is een gevoelig lezer.

  • Romantiek

    Romantiek

    Verhuizen is wel een ding. Achttien keer trok ik van het ene naar het andere adres, bewoonde kamers, appartementen, huizen. Soms voor de duur van een jaar, een half jaar, vaker zeven of drie jaar. Tegenwoordig zegen ik mezelf in stilte, we wonen al acht jaar (acht jaar!) in hetzelfde huis. Hardop zeg ik, ‘Nee hoor, wij zitten hier goed, wij blijven hier tot het einde der dagen’. Als was ik het verhuizen moe. Toen hoorde ik over een koetshuis aan de rand van het dorp, dat te huur staat. Ik ging er wandelen, liep achterlangs, keek over de heg, liep voorlangs, keek de oprit langs. En zag mogelijkheden. Ik ken het huis, alle dagen dat ik naar de stad fiets kom ik er voorbij. Met ruimte voor aanleg van een moestuin, het houden van kippen, stond in de annonce. Het huis met koetshuis deed zich anders voor nu ik mezelf er zag rondlopen, door openslaande tuindeuren het terras betredend. De verhuur is op basis van gunning, hoofdbewoners en huurders moeten elkaar liggen. Daarvoor dient een aanbevelingsbrief geschreven, er zijn anderen die er ook willen wonen. Nu zin ik op een brief waarbij ik eventuele nadelen (niet vermogend, maar genoeg tijd voor onderhoud van erf en tuin; drie katten, goede muizenbestrijders), als voordelen wil inzetten.

    Ondertussen blader ik gretig door een lijvig boek, zwaar als een motoronderdeel, met veel foto’s, tekeningen. Zo’n boek waar ik anderen mee lastig val. Kijk, luister, wist je, zal ik je iets voorlezen? Er staan prachtige verhalen in, reisverhalen, interviews. Jan Cremer, Anna Blaman en Jan Arends worden genoemd. Een motor die het gevoel van vrijheid vertegenwoordigt in een verhaal van Sanneke van Hassel. De rode Honda van haar vriend die al jaren ongebruikt op de stoep staat. ‘Hij staat daar opdat mijn man kan wegrijden.’ Carel Helder over een man die een Moto Guzzi kocht, ermee naar de Guzzi fabriek in Italië rijdt, in zijn garage vloerverwarming laat aanleggen. Daar op lange winteravonden naar zijn motor zit te kijken.

    Ik denk aan de grote schuur belendend aan het koetshuis. Lees verder over motorclubs, reizen en de dood. Een motorrijdende vrouw verliest haar lief in het Himalayagebergte, hij schoot met zijn motor 300 meter de diepte in, dood. God, wat een leven. Ze blijft nog maanden in Tibet, besluit dan, ‘Ik zal rijden tot ik heb gevonden’. Het verhaal gaat dat samensteller Paul Abels op bezoek bij A.L. Snijders, deze zijn motor, een Moto Guzzi aanbood om er een ritje op te maken. Dat leek Snijders niet verstandig. Na de koffie wordt Abels uitgezwaaid door Snijders. Op de snelweg met een vaart van 120 km loopt de motor vast. Hij kwam er goed vanaf, het zette aan tot dit boek, Motorrrraria, waarin levens liefdes en ongelukken gebeuren.
    Klinkt nu op mooie dagen het allesdoordringende geronk van motoren die over de dijk het dorp naderen, hoor ik opeens de romantiek daarachter, heb weet van een Moto Guzzi.

     

    Motorrrraria /samenstelling Paul Abels / AFdH uitgevers (2011)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met mondkapje en schrijft over bewegingen aan de randen van de literatuur

  • Fijne boekenweek

    Fijne boekenweek

    De avond van het boekenbal zat ik op de bank met De verhalen van Andrej Platonov. De ochtend na het Boekenbal douchte ik de resten van een kleurspoeling uit mijn haar. Dacht aan de rode loper die ik op foto’s voorbij had zien komen, de toespraken, het dansen. Welke schrijvers er waren, en of Jeroen Brouwers daar eigenlijk wel eens komt, en A.L. Snijders, Vonne van der Meer, H.C. ten Berghe. Of raakt het boekenbal eens passé onder  schrijvers? Toen stelde ik me voor dat ik erbij was geweest. Het had gekund, elk jaar ontvangt Literair Nederland van de CPNB een persuitnodiging. Waarop steevast een week voor het bal begint een afwijzing volgt, vanwege teveel aanmeldingen. Gek genoeg nodigt de CPNB zijn persrelaties uit en geeft vervolgens een ‘non-accreditatie’. Maar dit jaar was anders. De uitnodiging was persoonlijker, (we zouden het fijn vinden), dat streelde de veren, deed denken aan nieuwe schoenen, een goede pen. Toch kwam daarna de mail: ‘Helaas moet ik je een teleurstellende mail sturen’, met een vonkje hoop, ‘Omdat we je er eigenlijk wel bij willen hebben sta je nog wel op de reservelijst…’

    Op de dag van het Boekenbal mailde ik nog of er misschien iemand van de perslijst was afgevallen. Maar ‘helaas’, geen afmeldingen, afgesloten met: ‘Heb een mooie boekenweek!’ Daar lichtte ik van op. Nooit wenste iemand mij een fijne boekenweek, alsof kerstmis aanstaande was. Ik mailde per omgaande, ‘Dank! Jullie ook!’
    Enigszins verlicht keerde ik terug tot de realiteit van de dag, ging verder met het lezen van Andrej Platonov. In een van de langere verhalen, ‘De verborgen mens’ heeft Foma Jegorytsj Poechov net zijn vrouw Glasja begraven. Poechov is een man zonder conventies, geen dweper. Alles geschiedt volgens hem volgens de wetten van de natuur, het is zo fijn beschreven: ‘Hij sneed op de grafkist van zijn vrouw een gekookte worst in stukjes, daar hij wegens afwezigheid van de vrouw des huizes uitgehongerd was.’ Als hij de volgende dag ontwaakt roept hij: ‘Glasja!’ Maar niemand reageert, zegt, ‘Wat is er, Fomoesjka?’

    ‘Daar had je ze dan, de wetten van de natuur’, dacht Poechov berouwvol: ‘Ik had groot onderhoud aan mijn oudje moeten plegen, dan had ze nog geleefd, maar er zijn geen middelen en de kost is niet best!’ Poechov werkt op een sneeuwschuiver die de rails op de Steppe van Rusland moet vrijhouden van sneeuw. Het is de tijd van de Russische revolutie en het is onmenselijk werk, er is honger, wodka, ongelukken. Aan de stationsmuren hangt de propagandatekst: ‘Wij arbeiders nemen boeken ter hand, / Leer, proletariër, vergroot je verstand!’. Nogal onbeholpen geschreven volgens Poechov, die er een vrolijke eigen mening op na houdt. ‘Je moet zo schrijven dat alle sukkels van de weeromstuit verstandig worden!’ Ja, dat was me nog eens een tijd.

    Oja, nog onder de douche kreeg ik na de ‘stel je voor’ gedachte een schok van realiteitszin. Hoe had ik het in mijn hoofd gehaald, ik, naar het Boekenbal! Met die uitgroei in mijn haar, geen geschikt tasje of jasje, en hoe had ik in godsnaam weer thuis moeten komen?

     

     

    Verhalen / Andrej Platonov / vertaling en nawoord door Aai Prins / Uitgeverij Van Oorschot, 2019


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV en ging niet naar het Boekenbal. 

  • Ruzie kan altijd nog

    Ruzie kan altijd nog

    De wind buldert rond het huis en ik luister naar radiointerviews van Ischa Meijer. Dat hij vijfentwintig jaar geleden overleed wordt groots herdacht. Ik haal zijn boeken uit de kast. Lees De handzame, zijn interviews, blader door De Dikke Man columns. Luister naar degenen die hem gekend hebben. Ieder denkt te weten waarom Ischa was, zoals hij was. In de jaren negentig kwam ik wel eens in café Eik & Linde, waar ‘Een dik uur Ischa’ werd opgenomen. Tussen de gesprekken door, als de band speelde, zat hij doodgemoedereerd achter een tafeltje (flink) in zijn neus te peuteren. Ischa is een verslaving. Hoe meer ik over hem lees en naar hem luister, hoe dichter ik kom bij iets dat mijzelf raakt. Het heeft te maken met een steeds veranderen van richting, niets mag ooit gewoon worden. De gedrevenheid waarmee hij alles deed, Het is om gek van te worden.

    Ik moet er even uit en neem de bus naar Winterswijk met De zoete inval van L.H. Wiener op zak. 

    L.H. Wiener woont in een appartementencomplex aan het Spaarne, met vloerverwarming, een groot bad waar hij niet uit kan komen als hij erin zou gaan, en met ‘zo’n gluiperig kijkglaasje’ in zijn drie meter hoge voordeur, schrijft hij aan A.L. Snijders in een brief die in de bundel is opgenomen. Net als de (poste restante) brief die hij aan F. Starik schreef. De ene dag bezocht hij met F. Starik een kroeg, de dag daarop schreef hij hem een brief: met ‘een goed gevoel’ terugkijkend op hun cafébezoek. Rekent Starik tot een ‘bevriende mogendheid’. ‘Ruzie krijgen kan altijd nog wel, maar voorlopig zie ik geen aanleiding.’ De brief eindigt met, ‘Blijf gezond, dat is gewoon het beste.’ Ruzie zouden ze nooit krijgen, Starik overleed de avond dat Wiener de brief verzond. ‘Onze vriendschap was de kortste uit mijn leven.’ 

    Wiener: ‘Er valt in mijn werk geen mus van het dak zonder dat ik er een verhaal aan wijd. / Fantasie speelt geen rol. Verzinnen kan men alles wel. / Vormgeven is de kunst.’
    Ik denk te weten hoe de vork in de steel zit, zijn verhalen zeer eenvoudig zijn, maar kom bedrogen uit.
    Lees dit verhaal, waarin de schrijver een buizerd voor dood op straat vindt. In een vogelhospitaal herstelt de vogel, wordt vrijgelaten in de duinen. Wiener gaat er kijken, in de hoop een glimp van de buizerd op te vangen. Dan wordt het verhaal van een vrij droge vertelling, vederlicht. Er komt een buizerd  op hem af, landt op zijn schouders, richt over  zijn hoofd heen de snavel naar zijn gelaat. Ze kijken elkaar aan. Dan verdwijnt de buizerd. ‘Zo staat het nu geschreven. / En zo is het dus gebeurd. / Voor altijd.’
    Kijk, dit is prachtig, en ik geloof het maar al te graag.

    Ik lees graag verhalen van schrijvers waarvan je amper iets verneemt buiten hun verhalen om. Dat is wel zo rustig. Hoewel ik hier moet oppassen dat de verhalen van Wiener, zoals Snijders met zijn zkv’s, niet verslavend gaan werken. Een beetje ruimte is geboden.

     

    De zoete inval (verhalen) / L.H. Wiener / Uitgeverij Pluim


     

    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV en schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Tuinfeest

    Tuinfeest

    De Hongaarse schrijver György Konrád is vorige week op 86 jarige leeftijd overleden. In 1989 hoorde ik voor het eerst van deze schrijver door de vierdelige interviewserie Nauwgezet en Wanhopig. Wim Kayzer interviewde langdurig vier grote schrijvers uit de wereldliteratuur, waaronder György Konrád en Gabriel Garcia Marquez, met als doel de menselijke geschiedenis van de twintigste eeuw in beeld te brengen. Marquez zegde op zeker punt zijn medewerking op. Hij beleefde het dagenlange interviewen als een marteling, hij had al meer losgelaten dan in alle interviews die hij ooit gegeven had. Het was genoeg. Als je terugkijkt valt op hoe herinneringen het tot een bijzondere literaire vertelling maken. Van Konrád ging ik daarna de roman Tuinfeest lezen en de De bezoeker. Van de eerste herinner ik me een man in een lommerrijke tuin in een stoel, een lange tafel vol glazen op een grasveld, schalen met eten en personen die aan de man in die stoel voorbijtrekken. Dat van die tuin en die stoel zal waarschijnlijk niet kloppen, het is wat me bijbleef.

    Zondagochtend ontving ik het zkv ‘Lage landen’ van A.L. Snijders in mijn mailbox. Ik las dingen die ik niet helemaal begreep, toch ontsnapte me een, ‘fantastisch’ toen ik het uit had. Over een hoogopgeleide man die in een huis met drie daken woont en last heeft van ratten. Dan klopt er een onbekende aan, de hoogopgeleide man biedt hem onderdak. Ze spreken elkaars taal niet, ze communiceren in gebarentaal. De onbekende is goed in ratten doden. Na een half jaar zijn de ratten verdwenen. Hier neemt Snijders een sprong naar voren, ‘Nu sla ik dertig jaar over.’ De hoogopgeleide man is allang dood, in het huis met de drie daken zit een yogacentrum. Dan gaat Snijders weer terug naar het moment dat de laatste rat verslagen is, de onbekende vertrekt. ‘De rattendoder is teruggelopen naar Ulaanbaatar, waar hij een bedrijf is begonnen voor toeristen (…). In het halve jaar dat hij in ons land heeft gewoond (…), heeft hij geen woord Nederlands geleerd. [Wel] ontwikkelde hij een verfijnde gebarentaal die hem het recht verleende bij de Kamer van Koophandel in Ulaanbaatar geregistreerd te staan als kenner van de Lage Landen.’ Einde van het zkv.

    ‘Literatuur is pas literatuur als de auteur de tekst ook niet helemaal begrijpt.’, zei György Konrád eens. Ik weet niet of Snijders zelf begreep waarom die sprong in de tijd gemaakt moest worden, hij sprong gewoon. En ik vroeg me af: waar ligt Ulaanbaatar, bestaat die stad eigenlijk wel? En wat moet dat yogacentrum erin (waar staat het, ik wil het huis met de drie daken zien). En als Ulaanbaatar bestaat, heeft het dan een Kamer van Koophandel? Mijn hoofd en de geschiedenis ligt door zo’n stukje van voor naar achter overhoop. Iets niet begrijpen, is een zegen. En weet je, Ulaanbaatar is gewoon de hoofdstad van Mongolië, en Tuinfeest van Konrád ga ik opnieuw lezen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting en leest elke dag.

     

     

     

  • Suikerfabrieksterrein

    Suikerfabrieksterrein

    In mijn gedachten is alles mogelijk en slapen in een tot jeugdhostel verbouwde container leek me een mogelijkheid. Het is de werkelijkheid waarover ik meestal struikel. Ik boekte twee overnachtingen voor Mijn lief en mij. Het hostel lag op tien minuten fietsen van het centrum van Groningen en de prijs was zeer billijk. Groningen kent een Puddingfabriek en een Suikerfabriek, de een produceerde pudding, de ander suiker. Zo eenvoudig kan het zijn. Nu bieden ze plaats aan festivals en is er een hostel op het Suikerfabrieksterrein. De openingsavond van het poëziefestival Dichters in de Prinsentuin vond plaats in de Puddingfabriek, het dagprogramma in de Prinsentuin. Waar door loofgangen werd gegaan en door een gat in de heg naar gedreven, timide en volleerde dichters geluisterd, die dingen zeiden als: ‘Met mij is niet te doen’.

    In de container sliepen we met zijn tienen in vijf stapelbedden. Tijdens de nachtelijke uren was er veel in- en uitloop. Een groep Duitse jongeren bleef op tot alle drankflessen die ze hadden meegezeuld leeg waren, strompelden toen hun stapelbedden in. Er werden hoofden gestoten, voeten glipten van bedranden bij de klim naar het bovenbed, er klonk veelvuldig een hartstochtelijk ‘Scheiße’. Waarna het ruften begon, het snurken in alle toonaarden en de lucht zich verdichtte tot een alcoholwalm. Verscholen onder het dekbed in een benedenbed vroeg ik me oprecht af hoe ik in godsnaam hierin verzeild was geraakt. Soms ontbreekt mij het verstand. Ik had iets nodig – geen drank of andere verdovende middelen – om uit deze werkelijkheid te verdwijnen. Er was een nachtlampje en ik had het ultieme boek voor op reis bij me, Het oog van de naald van A.L. Snijders.

    In ‘Wal mijner tanden’, haalt Snijders een stukje aan van J.H. Donner, schaker, schrijver en vriend van Mulisch. Tijdens een zondagmiddagwandeling vraagt zijn dochtertje, Marian: ‘Hoe heten die poppen ook alweer aan touwtjes, die we laatst gezien hebben, papa?’ Voor Donner kon antwoorden, doet het meisje een gok: ‘Majoretten?’ Daar raakte de geest van in verwarring, het correcte antwoord floepte weg. Donner: ‘Haar eenvoudiger woord had het mijne met één klap weggevaagd.’

    Niet wetende dat J.H. Donner een dochter had, kwam ik haar die dag twee keer tegen. ’s Ochtend in de trein naar Groningen las ik in de krant ‘Tien geboden’ van Arjan Visser met schrijfster Marian Donner (1974). Haar ontnuchterende meningen: ‘Verlangen naar zuiverheid is funest, domweg omdat het niet haalbaar is’, bracht een heerlijke verschuiving in de geest teweeg. Evenals: ‘Weet je wat ik doe met herinneringen waarover ik me mogelijk zou kunnen schamen? Daar maak ik gewoon ándere verhalen van. Nee joh, ik heb helemaal niet over iemand heen gekotst die keer, ik was net op tijd bij de wc!’
    ’s Nacht was ze het kind in het zkv van Snijders dat met haar vader wandelde en voor woordverwarring zorgde. Of ik slecht geslapen heb die nacht? Welnee, ik heb me kostelijk vermaakt in Groningen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag, heeft een NS-kortingskaart en schrijft.