• Een belangrijke nieuwe schakel in De tandeloze tijd

    Een belangrijke nieuwe schakel in De tandeloze tijd

    Eindelijk is ook voor de gewone lezer Kastanje a/d Zee, dat in 2016 in een zeer kleine, bibliofiele oplaag verscheen, beschikbaar. Deze keer met een prachtig klassieke omslag van J. Tapperwijn in de stijl van het begin van de cyclus De tandeloze tijd. Plus een uitgebreider nawoord van de auteur, waarin hij Kastanje a/d Zee kwalificeert als ‘een erotische studie van de jaloezie in al haar facetten en verschijningsvormen.’

    Het grootste deel van deze roman is letterlijk een ‘Kammerspiel’, met als locatie het Nijmeegse zolderkamertje van Marike de Swart. Zij is een belangrijk personage in De tandeloze tijd, soms staat ze centraal, dan weer duikt ze via een korte passage in een nieuw deel op. Maar daarover later. We zoomen met Kastanje a/d Zee letterlijk in op de relatie van Albert en Marike in het Nijmegen van 1975, afgewisseld met passages uit het Geldrop van de jaren zestig. Misschien ook vanwege het aantal pagina’s, (231) maakt het geheel een strakker gecomponeerde indruk dan de lijviger delen van de cyclus.

    In de jaren zestig maken we de kennis met rivaliteit tussen de scholieren Albert Egberts en Hans Krop. De laatste is een knappe atleet, afkomstig uit de lokale goudkust, de wijk Skandia, vol hoogopgeleide ingenieurs die bij Philips in Eindhoven werken. Albert is intelligent en verbaal begaafd, maar woonachtig aan de verkeerde kant van het riviertje de Dommel, met een vader die drinkt en familieleden die in de oorlog aan de verkeerde kant stonden. Krop is ook de leider van een troepje jongens uit Skandia, waarin Albert zowaar wordt toegelaten. Onder de groepsdreiging dwingt Krop hem om zijn huiswerk te maken en ‘steelt’ hij Alberts bijzondere uitspraken om indruk te maken op meisjes als de schoonheid Wilma Allebrandi. Wanneer Albert De deur van Simenon leest, beseft hij wat voor een gecompliceerde wederzijdse rivaliteit er tussen hem en Krop bestaat. En dan blijkt tien jaar later in Nijmegen Alberts vriendin Marike enigszins verliefd op Krop te zijn en laait zijn jaloezie weer op, heviger dan ooit.

    Prachtige zinnen en bijzondere metaforen

    Van der Heijden gebruikt allerlei varianten van het begrip – minnenijd, ijverzucht, afgunst – en vertrouwt zijn rivaal toe dat hij alle passages uit Othello over jaloezie uit zijn hoofd heeft geleerd. Gezien de thematiek wemelt het in Kastanje a/d Zee van de seksscènes die door Albert van bloemrijk, soms grappig commentaar worden voorzien. Met name bij een NVSH-lezing over ‘vrouwelijke ejaculeren’, waarbij een assistente van de wetenschapper dit ook daadwerkelijk demonstreert.
    De roman staat ook weer vol met prachtige zinnen en bijzondere metaforen, waarvoor Van der Heijden nu eenmaal garant staat. Zo blikt de verteller vanuit het Amsterdam van eind jaren negentig terug op dat oude ‘dramma delle gelosia’: ‘Er waren mooiere vrouwen in zijn leven geweest dan Marike de Swart – vrouwen ook aan wie Albert op middelbare leeftijd betere herinneringen bewaarde dan aan haar.

    En toch… ‘als hij heel eerlijk was, vooral tegenover zichzelf, moest Albert toegeven dat geen van die vrouwen, ook zijn gouden Zwanet niet, hem fysiek zo diep geraakt had als de op het oog onaanzienlijke Marike. (…) Alleen met Marike de Swart was het in de kaalgeslagen Tuin der Lusten goed verboden vruchten plukken. Buitengewone uiterlijke schoonheid zou haar alleen maar op afstand geplaatst hebben.’ Albert zou er misschien net zo door verlamd zijn als in de tijd van Corinne, die aan de vooravond van haar carrière als fotomodel ‘zijn impotentie ontmaskerd’ had. De verteller besluit met de mededeling dat de oudere Albert op de drempel van de slaap geregeld Marike seks ziet hebben met een rivaal, waarbij ze hem een schuldbewuste blik toewerpt.

    En dan de kastanjeboom

    Terug naar 1975: De seks in Kastanje a/d Zee is niet altijd lief en aardig, want Albert wil doorgaan tot ‘het hele erge’, het weerzinwekkende. Merkwaardig dat sommige critici Van der Heijden verweten dat hij hierin opereerde als een relict uit de jaren zestig-zeventig. Ten eerste speelt de roman in die tijd en ten tweede verzet de verteller zich expliciet met zoveel woorden tegen de ‘vrijheid-blijheid’ uit die jaren. Ten derde is Alberts voorkeur voor het weerzinwekkende debet aan de enige remedie die hij kan bedenken voor zijn ondraaglijke obsessie met Krop. Namelijk een trio is, waarbij hij zijn rivaal met Marike ziet vrijen. Op Hemelvaartsdag, maar het zou voor Albert een ‘Hellevaartsdag’ worden.

    Dan gaat de boom uit de titel een rol spelen. ‘Ergens aan de Noordzeekust (…) In een van de duingebieden (…) In de voorste regionen. Vlak aan het strand’ bevindt zich een paardenkastanje. Albert werd daar in april 1973 met Marike bedwelmd door de zware geur van kastanjebloesem, vermengd met zilte zeelucht. Spermalucht, denkt Albert. Vooruitziend, want later meent hij te ruiken dat zijn rivaal Krop de geur van ‘Kastanje a/d Zee no 5’ bij Marike heeft veroorzaakt. Op een halfslachtige manier revancheert hij zich tenslotte voor de ‘Hellevaartsdag’, gevolgd door een vechtpartij met Krop op straat die door de politie wordt beslecht.

    Belangrijke rol Marike Swart

    Marike de Swart speelt met name in de delen Vallende ouders en De gevarendriehoek, waarin gebeurtenissen uit Alberts jeugd in Geldrop afwisselen met zijn dagelijks leven in Amsterdam en Nijmegen, een belangrijk rol. Het is in de ‘Keizerstad’ waar hij Marike leert kennen, ze helpt hem van zijn impotentie af en neemt een paar jaar later in Het hof van barmhartigheid en Onder het plaveisel het moeras met haar partner Gidion Schwantje deel aan seksuele groepsspelletjes waarbij ook Albert aanwezig is.
    De verteller van Kastanje a/d Zee, die hierboven terugkijkt vanuit het Amsterdam van eind jaren negentig, ‘verzwijgt’ hier dat Albert in De helleveeg (2013) wederom aan impotentie leed en naar eigen zeggen op bezoek ging bij het meisje dat ‘me vier jaar eerder zo geduldig van dienst was geweest bij het herstel van mijn krachten.’ Maar Marike stuurde hem weg.

    Er is nog meer. Decennia later – volgens de tijdrekening van de cyclus – speelt ze als Marique met haar Gidion een hoofdrol in de novelle Schwantjes’s Fijne Vleeschwaren (2019), waarin sprake is van een moord. In Stemvorken (2021) vertelt Alberts echtgenote Zwanet hoe ze ooit getuige was van het seksuele ongemak van Marike, die zij gefascineerd ‘Het Onaanzienlijke Meisje’ noemt. Tijdens haar liefdesspel met Corinne Suwijn voert ze dit verhaal geregeld op. Pas in Zogkoorts (2023) geeft Zwanet de gedetailleerde beschrijving van Marikes lesbische ontmaagding. Een jaar later, in 1975, ziet zij haar weer, in Nijmegen, bij de bovengenoemde NVSH-lezing. Overigens, voor het eerst ook Albert Egberts.

    Belangrijke nieuwe schakel

    Een complicatie voor sommige lezers van Kastanje a/d Zee is dat ze het personage Krop kennen uit deze twee romans, waarin Zwanet haar overrompelende relatie beschrijft met diens echtgenote Corinne. Ze bevatten daarnaast vooral via Krop, enige sporadische verwijzingen naar Kastanje a/d Zee, onder andere de homo-erotische spelletjes in 1965, Hemelvaartsdag 1975 en de vechtpartij op straat. Die verwijzingen vallen pas op bij herlezing. Voor degenen die nog moeten beginnen aan Stemvorken en Zogkoorts is Kastanje a/d Zee niet alleen een belangrijke nieuwe schakel in de De tandeloze tijd-geschiedenis uit de jaren zeventig. Dit boek bereidt hen ook, op een zodanige manier voor op de twee romans, dat die op hun beurt ook sterker verankerd worden in de cyclus. Het negende deel daarvan, De IJzeren Man verschijnt hopelijk nog dit jaar.

    Een voorproefje daarvan verscheen met de novelle Ik zou van de hoge, ik zou in het diepe (2020), over de mooie Geldropse zomer van de jonge Albert met zijn Duits vriendje Stefan. Een schaduw daarover wordt geworpen door een verzetsdaad van Stefans ooms Allebrandi twintig jaar eerder, waarover de waarheid pas weer een halve eeuw later wordt onthuld. De boerderij van de Allebrandi’s kennen we ook uit Stemvorken. In het Geldropse zwembad zien we bovendien een vijandige, jonge Krop, maar ook Alberts allereerste ontmoeting met Corinne Suwijn. En weer een boom – deze keer een grote eik – staat centraal in Ik zou van de hoge, ik zou in het diepe. Hoe Van der Heijden een en ander in de wederom omvangrijke roman De IJzeren Man gaat vormgeven? We zijn benieuwd.

     

     

  • Woede als aanjager

    Woede als aanjager

    Ik las over de dood van een moeder. Terwijl de dochter op een vroege zondagochtend onderweg is naar station Sloterdijk om naar Nijmegen te reizen, wordt ze gebeld door de vriend van haar moeder. Ze wil het wegdrukken, later terugbellen. Iets weerhoudt haar. Het is het vroege tijdstip waardoor ze toch opneemt. Ze hoort dat haar moeder is gevallen. Gevallen en overleden. In de momenten daarna, onderweg naar het huis van haar moeder, groeit er in de dochter een grote woede. ‘Als ik straks aankom zal ik het haar zeggen. “En nu doe je normaal godverdomme. Nu hou je op! Ik heb er schoon genoeg van. Je gaat godverdomme nu gewoon naar een dokter.” Dan zal ze wel begrijpen dat ze deze keer te ver is gegaan.’ Wat er gebeurt als een ouder overlijdt, een familiegeschiedenis zichtbaar wordt, daar is dit boek een verslag van.

    De dochter is kwaad op haar moeder omdat ze nooit een dokter wil consulteren. Ze vertrouwde op alternatieve genezers. Er is een jongste broer, die hersenletsel opliep door een val, tijdens corona in complot theorieën begint te geloven, de moeder daarin betrekt. ‘Als jij het gevoel niet had gehad dat je moest kiezen, dat je altijd, altijd, altijd de deur voor Rein open moest laten, dat je er altijd voor hem moest zijn, dan was de wereld misschien wat minder zwart geworden voor je.’ Dat ze misschien nog had geleefd ‘als ze dit of dat’. De valkuil van het ‘als’, waarmee de dood op pauzestand wordt gezet. Maar dat ongeloof, die woede.

    A.F.Th. van der Heijden werd op 31 mei 1993 gebeld door zijn moeder. Zijn vader lag met longemfyseem in het ziekenhuis. Terwijl hij luistert, wordt hij kwaad. ‘Hoe haalt hij het in zijn hoofd om in het ziekenhuis te gaan liggen, en zo mijn leven te ontregelen?’ Nooit gaf zijn vader gehoor aan zijn raadgevingen te stoppen met roken, met alcohol. Na enkele weken is zijn vader overleden. Van der Heijden schreef er het prachtige boek Asbestemming, Een requiem over.

    Op het moment van sterven van een ouder, ontstaat er iets dat een uitweg moet vinden. Er moet iets afgerond worden dat niet af te ronden is, het moment van sterven als punt van terugkeer.

    Ik denk aan mijn vader, een zachtmoedig man. Toen hij overleed heb ik geen afscheid kunnen nemen. Na een bepaalde verslagenheid was ik opeens driftig van woede. Uit woede tekende ik een portret van mijn vader, (als ik er nu naar kijk, kan ik niet geloven dat ik het maakte) de zachtheid die ik als schuld van zijn dood zag, verdrukte ik met krachtige lijnen. Er ontstond een portret van een onverzetbaar man. Het leek wel wat op Theodor Holman, waaraan ik verder niets verbinden kan.

    Op dag achttien (onderschat niet het belang van de precieze aanduiding van tijd, plaats en dag, alsof het houvast biedt) na het overlijden van haar moeder, denkt de dochter haar moeder de volgende morgen even te bellen. ‘Wat doet mijn brein? Het is alsof het de hele tijd op zoek is naar manieren om het tij te keren, ondanks het feit dat ik zo godvergeten doordrongen ben van het feit dat je dood bent, dood. Dood.’ Die woede, de catharsis die gezocht moet worden. 

    Michael Ignatieff schreef over de dood van zijn vader in Reis naar het ongerijmde. ‘Ieder stervensverhaal dat je vertelt, is bedoeld om de indruk te wekken dat je de dood hebt overwonnen, dat je het sterven hebt aanvaard en je ermee verzoend. Het is een leugen, iets wat je jezelf wijsmaakt om door te kunnen gaan.’ Hij aanvaardt de dood van zijn vader niet.

    ‘Noch heb ik er vrede mee. Ik ben het gewoon beu en dat op zichzelf is de beste reden om het verhaal opnieuw te vertellen. Vertel het verhaal om jezelf terug te vinden, om hem terug te vinden. Vertel het verhaal zodat zijn dood eindelijk plaatsvindt.’ Schrijven over verlies. Om dat definitieve punt te bereiken.

    Het is niet de bedoeling de doden tot leven te wekken, dat nu ook weer niet. De dochter stelt zich voor hoe het dan zou gaan, als haar moeder er weer/nog was. ‘Bovendien realiseer ik me maar al te goed dat jouw dood betekent dat we nooit meer ruzie hoeven te maken. Dat we niet mee hoeven te maken dat je nog meer lichamelijke klachten zou krijgen en dat je niet meer zelfstandig had kunnen wonen. Ik zou tegen je gaan roepen: “als ik er geen dokter bij mag halen, dan zoek je het maar uit!”‘ Dat de dood daar een stokje voor had gestoken.

    Wat me treft is de onversneden boosheid waarin zoveel liefde resoneert. Woede als aanjager om over liefde te schrijven is een combinatie die ten diepste ontroert.

     

     

    Dat zijn wij zelf / Heidi Koren / 175 blz. / Hollands Diep


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Beste boeken van 2023

    Beste boeken van 2023

    Een heel jaar lezen en wat je daar van bijblijft, welke scène komt nog wel eens bovendrijven, welke vertalingen vielen op. Literair Nederland kijkt terug op een jaar vol boeken, wat waren de beste boeken, poëzie, jeugdboeken, fictie en non-fictie die in 2023 verschenen of gelezen zijn.

     

     

     

     

    Verder kijken – Esther Kinsky

    Roman over een poging een leegstaande bioscoop in een Hongaars provinciestadje nieuw leven in te blazen. Citaat: ‘De bioscoop is een ruimte vol verwachtingen die zelden worden beschaamd, zelfs niet door een slechte film, want het parool is altijd: verder kijken, verder dan eerst, een horizon verkennen die er zonder het witte doek niet is.’ Prachtig.

     

     

    His Natural Life – Marcus Clarke

    Australische oerklassieker. Monumentale, 927 pagina’s dikke, oorspronkelijk als feuilleton gepubliceerde avonturenroman over het leven in de strafkolonie, in 1874 (volgend jaar dus 150 jaar geleden) voor het eerst in boekvorm verschenen en nooit integraal in het Nederlands vertaald. Meeslepend. (Hans Heesen)

     

     

     


    Zogkoorts – A.F.Th. van der Heijden

    Ik ontkom niet aan het net verschenen deel 13 van De Tandeloze Tijd, zijn grandioze reeks over leven in de breedte. Het is een vervolg op Stemvorken en met dezelfde hoofdpersonen.

     

     

     

    Alkibiades – Ilja Leonhard Pfeijffer

    Alkibiades moet genoemd worden. Er is al veel over geschreven en ik blijf het een geweldig boek vinden, zeker in de politieke constellatie waarin we ons nu bevinden. (Martenjan Poortinga)

     

     

     


    De donkere kamer van Aly Freije en Anne-Marie van Buuren

    Deze gedichtenbundel is een bijzondere samenwerking tussen dichter en fotograaf. Freije weet met symbolen en beelden een landschap op te roepen dat vol is van dreiging, verlies en rouw. Landschappen en de elementen van lucht en water zijn betekenisdragend in deze gedichten. Een spel van associëren en reageren op elkaars werk, een interactie van beeld en taal.

     

     

    Het boek van de kinderen – A.S. Byatt

    Een prachtig beeld van de decennia voor en na de wisseling van de 19e en de 20e eeuw door het wel en wee van diverse kunstenaarsfamilies te beschrijven, die met elkaar verbonden zijn.. Een groots werk van de onlangs overleden Byatt, niet zo bekend als haar ‘Obsessie’, maar zeker net zo goed. (Hettie Marzak)

     

     


    Nirwana – Tommy Wieringa

    Afgelopen herfst luisterde ik naar Nirwana van Tommy Wieringa, voorgelezen met zijn eigen welluidende stem. Wieringa schreef een rijke familiegeschiedenis met vele verhaallijnen die zo ongeveer een eeuw bestrijken en waarin de pater familias een uiterst dubieuze rol speelt in WOII. Wieringa presenteert zichzelf in het verhaal als een cameo, niet onverdeeld sympathiek, maar wel een boeiende toevoeging.

     

     

    Het hart van de ever – Baltasar Porcel

    Het hart van de ever is de bijzondere familiegeschiedenis van de Catalaanse schrijver Porcel, dat zich deels op Mallorca afspeelt ten tijde van de Spaanse burgeroorlog. Er komen veel bijzondere personages voorbij die allemaal te maken hebben met de oom van de schrijver, een uiterst kleurrijk en controversieel figuur. Het boek werd vertaald en heruitgegeven door uitgeverij Nobelman. (Marjet Maks)

     

     


    Ruitjesblues – Jan Beuving

    Het zijn kleinkunstteksten die weliswaar bedoeld zijn voor het gehoor, maar ook op papier plezieren. Sterker nog, de teksten in Ruitjesblues worden na herlezing alsmaar beter in hun eenvoud. Hij ontroert, vermaakt en verrijkt. Prachtig! (Daan Lameijer)

     

     

     


    Luister – Sacha Bronwasser
    De roman Luister van Sacha Bronwasser speelt tegen de achtergrond van de aanslagen in Parijs. De hoofdpersoon ‘moet luisteren, er is geen andere optie (…) om erger te voorkomen’, maar toch voorvoelt hij een aanslag die nog plaats moet vinden. ‘Het is gezien, het is verteld, en nu bestaat het’. Een prachtig vormgegeven en vertelde roman.

     

     

    Een schitterend wit – Jon Fosse
    Een schitterende kleinood van Nobelprijswinnaar Jon Fosse. Een mooi opstapje om met diens stijl en thematiek kennis te maken, vertaald door Marianne Molenaar. Op het titelblad van dit boek wordt het omschreven als ‘een vertelling’, maar voor hetzelfde geld zou je het een gelijkenis, een parabel met Bijbelse reminiscenties kunnen noemen. Over levenden en doden. (Els van Swol)

     

     


    Das Spinnennetz – Joseph Roth
    Ik las Das Spinnennetz als jubileumuitgave, vorig jaar opnieuw uitgebracht. Roth’s debuut stond in het najaar van 1923 als feuilleton in de Wiener Arbeiter-Zeitung. Nog vóór de Bierkellerputsch en derhalve griezelig profetisch. Toen ik het kocht in januari van dit jaar, kon niemand vermoeden dat het ook nog eens griezelig urgent en actueel zou worden.

     

     

    De wintersoldaat – Daniël Mason

    In De wintersoldaat wordt het verhaal van WOI nu eens niet vanuit ‘ons’ perspectief vertelt, maar gezien door de ogen van een jonge arts uit het Habsburgse Wenen. En wat blijkt: ook aan het oostelijk front nichts Neues. Vastgedraaide bureaucratie, haperende communicatie, incompetente leiding, en mensen die daartussen vermalen worden. Maar wat een verhaal, en wat prachtig geschreven! (Juul M. Williams)

     

     


    Het lied van ooievaar en dromedaris –Anjet Daanje

    Dit boek stijgt toch echt boven alle Nederlandse literatuur uit. Vorig jaar eraan begonnen, begin dit jaar uitgelezen. In de elf novellen weet zij hele werelden en steeds weer verrassende gebeurtenissen op te roepen. Voordat je bedenkt wat Daanjes volgende stap kan zijn heeft zij hem in een paar zinnen al gezet en ben je weer overdonderd door haar enorme verbeeldingskracht en inlevingsvermogen.

     

     

    De eerste romantici en de uitvinding van het ik – Andrea Wulf
    Ademloos las ik dit jaar
    Rebelse genieën.. Grote denkers als Schelling, Fichte, de Schlegels, Goethe, Schiller, de Humboldts, Novalis en Hegel ontmoeten elkaar van 1794 tot 1806 in Jena, een kleine, vrije Duitse universiteitsstad. De leden van deze Jena-kring inspireren elkaar tot de ideeën die het begin van de Romantiek vormen. Wulf voert je mee naar hun gedachten, gedichten, gesprekken, hun grootse filosofieën en kleinzielige roddels. Haar taal laat je deelnemen aan hun leven. (Anky Mulders)

     

     


    Scherven – Bret Easton
    Dit jaar las ik
    Scherven de nieuwste roman van Bret Easton Ellis die met zijn boeken Less than Zero, American Psycho en Glamorama mijn leven in de jaren tachtig en negentig kleur gaf. In Scherven wederom merkkleding, pittige seks, een lekkere soundtrack en natuurlijk een seriemoordenaar; opnieuw kleurrijke, Amerikaanse fictie. 

     

     

    In het huis van de dichter – Jan Brokken
    Bij lezing van dit boek uit 2008 voelde ik me een kenner van klassiek pianospel, gezeten op de eerste rang, precies zoals de schrijver zelf. Brokken herbeleeft zijn vriendschap met de briljante Youri Egorov (1954-1988), een op 22-jarige leeftijd gevluchte homoseksuele Russische concertpianist, geplaagd door schuld, angst en mateloosheid. Een smartelijk boek. (Jan Kloeze)

     

     


    Met deze derde roman zet Douwesz de lezer aan het denken over alle mogelijke actuele en existentiële onderwerpen. De roman is het werk van een rebelse, wijze en evenwichtige geest die de wereld tot in detail wil leren kennen en voor de lezer openbaart in het mooiste proza dat momenteel in Nederland geschreven wordt.  

     

     



    De laatste witte man
    – Mohsin Hamid
    Hamid schreef met De laatste witte man een gedachtenexperiment dat verrast, uitdaagt, verrukt, vertedert en aan het lachen maakt. Hamid bevestigt met deze fantastische en utopische roman dat hij een van de belangrijke schrijvers van deze tijd is. Een tijd waarin toenemende polarisatie verhult dat we als mensen meer gemeen hebben dan we door opvoeding, frustratie, vervreemding en achterstelling willen en kunnen toegeven. (Michiel van Diggelen)

     

     


    Zo worden jaren tijd – Cees Nooteboom
    Als poëzierecensent wil ik allereerst deze
     verzamelde gedichten van Cees Nooteboom noemen. Ze geven een compleet overzicht van zijn merendeels erudiete en veeleisende poëzie die door de jaren heen steeds persoonlijker is geworden. Nooteboom is gaandeweg dichter bij zichzelf gekomen. Zijn veelzijdige poëzie verdient het om meer gelezen te worden. 

     

     

     

    Balts – Luuk Gruwez
    In deze bundel brengt Gruwez indringend in beeld van wat we ons bewust zijn, niet bewust kunnen zijn, en bewust zouden willen zijn van onszelf en/of van de ander. Hij lijkt zich daarin te verliezen, maar gelukkig is er dan zijn poëzie die ons de gelegenheid biedt aan de benauwenis van het vergankelijke te ontkomen. (Johan Reijmerink)

     


    ArkadiaSipko Melissen
    Een boek waarin het leven goed is. Ko, een dertienjarige jongen uit een warm nest vertelt over een onvergetelijke zomer uit zijn jeugdjaren, de jaren vijftig. Hij ontdekt zijn homoseksuele geaardheid, is daar iets van in de war, maar niet noemenswaardig. Grote zorgen heeft de jongen niet. Beetje braaf? Misschien, maar dat is ook weleens lekker! En daarbij,
     Arkadia is prachtig geschreven!

     

     


    Drengr
    – Aron Dijkstra
    Een echte Viking is
    drengr, stoer, onverschrokken en dapper. De ouderloze Sigi is niet drengr, en hij denkt dat hij het nooit zal worden. Toch moet hij bewijzen dat hij het wel is, en hij krijgt een spannende opdracht. Drengr, is prachtig geschreven en geïllustreerd door Aron Dijkstra. Het is een spannende vertelling die elke lezer gekluisterd houdt. (Carolien Lohmeijer)

     


    Jij zegt het – Connie Palmen
    Ik had het boek al jaren in huis, maar las het pas deze zomer. Palmen is volledig opgegaan in het leven van Ted Hughes, ex-man van Sylvia Plath waarvan gezegd werd dat hij, door haar te verlaten, haar aanzette tot zelfmoord. Palmen laat een kant van een huwelijk tussen twee gepassioneerde mensen zien die de creativiteit in beide schrijvers vernietigde. Dit boek deed me nadenken over de negatieve kracht van het huwelijk. Toen ik het uit had, dacht ik: ‘Dit had ik veel eerder gelezen willen hebben.’

     


    Goudjakhals
    – Julien Ignacio

    Zeer indrukwekkend boek. Een roman in verhalen over de strijd van de mens op zoek naar een menswaardig bestaan. Een reis langs verschillende levens, spelend in verschillende tijden. Scherp en goed geschreven. Berichten uit de werkelijkheid vormen de aanleiding. Indrukwekkend is het verhaal, ‘Nader tot jou’. Een door woede gedreven brief aan Gerard Reve als antwoord op zijn Nader tot u uit 1966. Ik moet er nog geregeld aan denken. (Ingrid van der Graaf)

     

     


    Marente de Moor – De schoft 

    Over weinig onderwerpen wordt meer zwart-wit gedacht dan migratie. Ideaal materiaal dus voor een romanschrijver. De jonge, voornamelijk vrouwelijke bemanning van een vluchtelingenschip ontdekt dat de meevarende journalist – een oude, witte man – zich vroeger kritisch over migratie heeft uitgelaten. Is hij daarom meteen een schoft? Prachtig verweven met oude legendes over heilige vrouwen die zich in hetzelfde Middellandse Zeegebied afspelen. 

     

    Tomas Lieske – Niets dat hier hemelt 

    Tomas Lieske kan als geen ander sfeer oproepen. Ditmaal van een zompig moerasdorp in de jaren dertig dat wordt opgeschud door de komst van een welvarende familie. Vijf broers uit dit kinderrijke gezin vinden in het veen een ruiter op een paard. Rond dit sterke beeld bouwt Tomas Lieske in poëtische zinnen een magisch verhaal over macht en verdringing. (Mathijs van den Berg)

     

     


    Niet geschikt voor publicatie – Gabrielle la Rose

    Een prachtig indrukwekkende debuutroman van de Amsterdamse schrijfster Gebrielle la Rose. Het boek beschrijft een rauw en heftig milieu, toch heb je als lezer vanaf het begin sympathie voor de hoofdpersoon-beroepscrimineel en wordt bovendien op een indrukwekkende manier tot zelfreflectie gedwongen.

     

     


    Rugzwemmen – Marc ter Horst

    Dit jeugdboek is een pas verschenen pareltje. Het is een actueel, rebels, humoristisch en prachtig geschreven boek over klimaat en corona, dood en depressiviteit en vooral volwassen worden, zelfstandig willen zijn, vriendschap en de wereld van een tienermeisje thuis en op school. Het betere jeugdboek dat ook voor volwassenen zeer lezenswaardig is. (Joke Aartsen)

     

     


    Een kleine weldaad – Raymond Carver

    Mijn twee beste boeken van 2023 zijn in zekere zin een ode aan twee vertalers. Sjaak Commandeur vertaalde alle tot dusver verschenen verhalen van Raymond Carver, maar voegde aan dat al indrukwekkende geheel nog zo’n 200 pagina’s toe. Zijn vertaling is zo scherp dat deze meesterlijke verhalen echt net zo goed zijn in het Nederlands als in het Amerikaans. Een boek om van te houden. Ik ben een liefhebber, en geheel bevooroordeeld want ik werk bij de uitgeverij waar dit boek uitkwam.

     

    De minnaar – Marguerite Duras

    Het tweede is vertaald door Kiki Coumans. Wanneer je je wel eens afvraagt wat de kracht van een roman nog kan zijn, dan moet je dit maar eens lezen. Een ongelofelijk sterk verhaal dat je volledig meesleurt. Maar ook hier is het opvallendst de vertaalprestatie. Ik denk niet dat ik eerder een roman las waar elke zin zo goed is, ritmisch, semantisch, syntactisch: de vertaling volledig in dienst van een zo waardig mogelijk in onze taal overbrengen van dit tijdloze meesterwerk. (Menno Hartman)

     

     

     

  • Affaire tussen twee vrouwen spraakmakend vervolg op ‘De tandeloze tijd’

    Affaire tussen twee vrouwen spraakmakend vervolg op ‘De tandeloze tijd’

    De omvangrijke romancyclus De Tandeloze Tijd van A.F.Th. van der Heijden heeft een spraakmakend vervolg gekregen. Reeds een maand voor publicatie van Stemvorken slingerde het podcast- en schrijversduo van Damn Honey een Instagram-post de wereld in die er niet om loog. Wederom eigent een witte heteroman zich het verhaal toe van een groep waartoe hij niet behoort: dat van verliefde lesbiennes. Waren er geen vrouwelijke queers die deze vorm van liefde beter konden verdichten? Hier lijnrecht tegenover staat het cliché van de auteur als geniale ‘homo universalis’, die na wat denk- en speurwerk over alles zou mogen schrijven. Van dit adagium bedient Van der Heijden zich. In de proloog schrijft hij over de figurerende personages dat ze zich van hem hebben losgemaakt ‘om zich op papier te verzelfstandigen.’ 

    Autonome figuren dus, die geenszins gecorrumpeerd zijn door een witte, hetero, mannelijke blik: de male gaze. Aan ondergetekende recensent, met blinde vlekken, de dankbare taak Stemvorken te beoordelen. Het boek is monumentaal te noemen, alleen al vanwege de 888 pagina’s woordkunst waarop Van der Heijden zijn lezers trakteert. Waar het de verwoording van gevoelens betreft, kent het Nederlandse taalgebied geen gelijke aan de geboren Brabander. Toch is de geleverde kritiek terecht. Dit is geen verhaal van twee vrouwen die van elkaar houden: hoe overtuigend Zwanet Egberts ook vanuit de ik-vorm reflecteert op de affaire tussen haar en Corinne Suwijn, steeds voelt het alsof er een man aan het woord is. En wat voor een…

    Talige verleiding – de erotiek van zinnen

    In een roman die zo veel bladzijden bestrijkt, móét het meesterschap van Van der Heijden wel schitteren. Dat gebeurt ook. De plot heeft weliswaar letterlijk en figuurlijk weinig om het lijf – Zwanet en Corinne verliezen zich in een noodlottige romance, wat de directe omgeving nauwelijks kan verkroppen – het is niet de seksualiteit waarmee de schrijver ons bedwelmt. Waar normaliter de volwassen erotiek zinnenprikkelend wordt genoemd, zijn juist de passages buiten de seks om het verleidelijkst. ‘Zinnenprikkelend’ krijgt zodoende een nieuwe betekenis: spreuken betoveren de lezer. 

    Zwanet is ongelukkig in haar huwelijk met toneelschrijver Albert, een onuitstaanbare allesweter: ‘Hij kan geen kreupele vinden zonder over voeten te beginnen.’ In hun rijke buurt vlakbij de Zuidas maakt verveling plaats voor vervoering, waar echtelijke ruzies de sporadische hoogtepunten vormen: ‘een schervengericht van versplinterend vaatwerk.’ Na een ontmoeting met Alberts jeugdliefde Corinne en flink wat gin tonics in hun weelderig bloeiende tuin, volgt de eerste stiekeme zoen in de vestibule. Het zou niet de laatste zijn: ‘hou ik nog wel van hem? (…) Het vraagteken diende uitsluitend nog om de al te harde waarheid een reddingshaak toe te steken.’ De vrijpartijen worden steevast bezegeld met een nonchalant in de rechterhand vastgehouden, nasmeulende sigaret: ‘Rokers die kringels de lucht in blazen, beelden hun eigen strop uit.’ Hoe omineus dit ook klinkt, de liefde tussen de twee dames is inderdaad allesverzengend, dient niets anders dan zichzelf en verteert beide minnaressen van binnenuit: ‘Cupido’s boog bestond uit de schakels van een wervelkolom.’ 

    Even ziet het ernaar uit dat Van der Heijden via de vrouwenliefde genadeloos afrekent met het patriarchaat. Albert wordt uit de echtelijke sponde verdreven, mag de vrijages van zijn vrouw en haar Corinne slechts via het sleutelgat beloeren en hij wordt samen met Corinnes man Hans voortdurend belachelijk gemaakt. Over hun sukkelige orgasmes schampert Corinne: ‘‘De pols met de holle vuist nog even als jaknikker, en meneer mag zich weer voor even Giant wanen. Grote jongen… hij is braaf.’ Soms deed ze me denken aan die knettergekke tante van Albert, Tientje Poets, die ook zo kon doordraven, veel erger nog, als het over de mannen in haar leven ging.’ Maar het register van Tientje Poets, alias De Helleveeg, weigert Van der Heijden open te trekken. 

    Twee vrouwen die zoenen is geil

    De titel Stemvorken verwijst in eerste instantie naar de twee stemvorken die Corinne in haar Louis Vuitton-tas bewaart voor haar gitaar. Al snel wordt echter duidelijk dat de naam een knipoog is naar de seksuele positie waarin lesbische vrouwen het liefst vrijen, als we het boek mogen geloven: scharend, als twee kruislings verklonken objecten. Omdat de titel ontegenzeggelijk de nadruk legt op intimiteit tussen twee vrouwen, verdienen de sekspassages een grondige analyse. 

    Albert loert door het sleutelgat naar de bezigheden van de tortelduifjes en dan zegt Corinne: ‘De male gaze. Als een man, zoals ze zeggen, zijn blik is… en dat geldt zeker voor een voyeur als Albert… dan kunnen we hem er in zijn geheel in gevangenzetten.’ Hier lijkt Van der Heijden zich bewust te zijn van het gladde ijs waarop hij zich begeeft, maar begaat een schwalbe: door het seksistische fenomeen te benoemen, is het nog niet omzeild. Even later merkt Corinne namelijk op: ‘Mannen, heb ik altijd geleerd, zijn van nature voyeurs. De exhibitionisten, dat zijn wij… de sletten die hun benen openen en met een glibberige spleet hele reeksen mannelijke oogballen opslorpen, alsof het oesters zijn.’ Met andere woorden, het is logisch dat mannen naar vrouwen blikken, want vrouwen hebben zoveel prachtigs dat ze laten zien. 

    De opmerking in de proloog dat de personages zich verzelfstandigd zouden hebben van Van der Heijden, verloochent de auteur in talloze fragmenten. Hij overschreeuwt bij vlagen zijn opgevoerde verteller: niet Zwanet, maar Van der Heijden spreekt. Als Zwanet en Corinne elkaar in het Amsterdamse Bos willen kussen, bemerken ze dat ze een droge mond hebben. Alleen speeksel opwekken helpt: ‘Vrouwen weten verdomd goed waar het spog te halen is wanneer ze het nodig hebben.’ Wanneer Corinne nostalgisch mijmert over haar dochter Rita, die ze vanwege een modellencarrière amper heeft opgevoed, brengt ze uit: ‘‘Je kunt bij haar precies zien wat voor heerlijk harde tietjes ze straks krijgt.’’ Op zeker moment wil Corinne geen orale seks van Zwanet, waarna Zwanet haar weigering negeert en over Corinnes geslacht zegt: ‘De achilleshiel van de vrouw, waarin haar hele weerloosheid zich blootgaf, ten gunste van de wonderschone aanblik.’ Corinne laat zich overrompelen en geeft de #Metoo-beweging nog even een ironische sneer, ‘Boor maar wat dieper… verkracht me met die vinger…dan doe ik straks wel aangifte op het bureau.’ 

    Besluit

    Zowel inhoudelijk, als stilistisch sijpelt de ware vertelinstantie door in Stemvorken. Zwanet, geboren en getogen Amsterdamse, blikt als volgt terug op de zoveelste extatische intimiteit: ‘Zonder erg, misschien als postcoïtale tic, stond ik met het luciferdoosje te rammelen.’ Een echte Amsterdamse zegt hier natuurlijk ‘Zonder er erg in te hebben’. ‘Zonder erg’ is een typisch Brabantse zinsnede, die gebezigd wordt, om maar iets te zeggen, door een in Geldrop geboren Nederlandse auteur. Stemvorken overtuigt als onderdeel van De Tandeloze Tijd, maar doorstaat het ook, zoals de erotische poëzie van Sappho uit Lesbos, de tand des tijds?

     

     

  • Fotosynthese 9 – Het dak op

    Fotosynthese 9 – Het dak op

    Het is geen sneeuw, maar folie om het dak te beschermen tegen lekkages, denk ik. De vrouw staat vaak op het dak in de wijk Manhattan, meestal in de ochtend. Ze oefent een tekst, die ze in haar hand heeft. Het papier verdwijnt bijna in de witte achtergrond. Na een kwartier verandert ze van houding. Ze recht haar rug, aan de beweging van haar armen is te zien dat ze zingt.
    Haar buurman had er genoeg van, vermoed ik.  Al die oefeningen met aaa’s, oe’s en eee’s in een appartement met bordkartonnen muren. Je kan het dak op, zal hij gedacht hebben. Ik verblijf ook ik zo’n gebouw. Een kamer van vijf bij vijf met kitchenette, die van de buren grenst aan het hoofdeinde van mijn bed. Elke ochtend om 6.30 uur hoor ik boter sissen in een koekenpan, in het appartement naast mij begint de dag met ham and eggs.

    Bijzonder die armgebaren bij het spreken en het zingen. Lichaamsbewegingen en gebaren waren er eerder dan de spraak. Een angstige uitdrukking op het gezicht en met gestrekte arm wijzen naar de rand van het bos was voldoende. Pas later kwam daar de taal bij: pas op, daar is een beer.
    ‘Waarom zingt mijn vrouw in een koor?’ vraagt Steven Mithen in The singing Neanderthals (2005) zich af. Is zingen en muziek iets van de moderne mens of oeroud? En wat voor geluid maakten de Neanderthalers? Ze zaten toch niet alleen maar te zwijgen of te grommen en te brommen. In zijn onderzoek ontdekte hij dat klanken niet alleen een functionele bedoeling hadden, geef mij dat stuk vlees eens door, maar ook bedoeld zijn om emoties op te wekken en daarmee groepsgenoten aan je te binden. En met die klanken ontstond zingen en muziek om met de goden te communiceren.
    Heel veel later, rond de 17e eeuw, meende de Rooms Katholieke kerk dat gesprekken met  God een mannenzaak was. Vrouwen – immers een verleidelijk object – mochten niet meer op het theaterpodium staan, laat staan bij het altaar in de kerk.

    De castraatzanger kwam op in die tijd. De man met de borstkas en de longen van een man, maar door de afwezigheid van het hormoon testeron met het strottenhoofd van een vrouw. Gasparo Conti was er zo een. ‘Als hij zingt, houdt iedereen op met ademhalen. Tijdens een optreden in Covent Garden in Londen stopt zelfs het orkest met spelen, zo zeer zijn de musici onder de indruk van zijn kunsten. Een altviolist loopt tenslotte snikkend het podium op om de zanger langdurig te omhelzen. ‘Toen zweeg als laatste het klavecimbel’, lezen we in De virtuoos (1993) van Margriet de Moor, “Het orkest huilde. En het hele publiek huilde ook.”‘

    Zijn er veel zangers onder de romanschrijvers? 

    Ik vermoed dat de hersenen van een klassieke zanger geheel anders functioneren in vergelijking met die van een romanschrijver zoals bijvoorbeeld A.F.Th. van der Heijden. Die overigens qua uiterlijk wel op een operapodium zou passen. Hersenen die muzikaal getraind zijn kunnen beter luisteren, dat is wel aangetoond. Maar of (roman)schrijvers goede luisteraars zijn – ik zag onlangs een interview met Peter Buwalda – betwijfel ik.

    Het komt wél eens voor dat een zanger ruzie met een schrijver krijgt. Zoals in 2013 zanger Peter Koelewijn een rectificatie eiste in de nog onverkochte exemplaren van de roman De helleveeg, een deel van A.F.Th. van der Heijdens romancyclus De Tandeloze Tijd. Zijn familie werd in dat verhaal als een stelletje losers neergezet en zijn moeder beticht van ‘aborteuse praktijken’.

    Koelewijn trok aan het kortste eind. Het zou kunnen dat de rechter hem gewezen heeft op het verschil tussen literatuur en werkelijkheid. Ik zie de rechter voor me, hoe hij over zijn leesbril heen in de richting van Koelewijn kijkt en zegt: ‘Meneer Koelewijn, een vraag, toen u schreef aan de tekst ‘Kom van dat dak af’, stond er toen werkelijk iemand op het dak?’

    Foto: Hans Muiderman


    Dit was een bijdrage over de achtergrondfoto van de site. In deze rubriek die naar Rudy Kousbroeks mooie genre-idee ‘Fotosynthese’ heet, wordt informatie gegeven over de afbeelding die dienst doet (deed) als achtergrond bij deze website.
    Fotosynthese dus: een rubriek waarin beeld en tekst een verbinding aangaan. Heeft u ook een idee? Lever een achtergrond, met context, of lever context bij een achtergrond. Suggesties: redactie@literairnederland.nl

     

  • Een kanjer

    Een kanjer

    ‘Wat een kanjer!’ Deze verzuchting slaakte ik bij het ter hand nemen van Kwaadschiks. Sinds Oorlog en Vrede van Tolstoj niet meer zo’n dik boek gelezen; 1280 bladzijden en dan te beseffen dat dit boek slechts een onderdeel is van de romancyclus De tandeloze tijd die inmiddels bestaat uit zeven boeken. Maar het is ook een verzuchting als teken van bewondering voor een groot schrijver. ‘Hoed af’ voor deze roman en voor Van der Heijden. Aanvankelijk terugdeinzend voor het volume, heb ik het boek uiteindelijk in één adem uitgelezen.

    Pieter Baan Centrum
    Opgezet als een raamvertelling behandelt het verhaal slechts één dag uit het leven van Nico Dorlas, een briljante reclameman die met zijn bijtend sarcasme in staat blijkt iedereen angst aan te jagen. Volgens het Pieter Baan Centrum, dat een rapport over hem heeft opgemaakt n.a.v. een poging tot moord op een prostituée, is Dorlas een ‘theatrale persoonlijkheid met narcistische trekken’, gewelddadig en behept met een ziekelijke verlatingsangst als gevolg van een traumatische jeugd. Hij lijdt aan een levensbedreigende slaapapneu, waarvoor hij beschikt over een speciaal beademingsapparaat. Voorts gaat hij gebukt onder een pijnlijke hernia in zijn rug en is hij verslaafd aan de drank (wodka) en de coke.

    Binnen, Buiten en Binnenstebuiten
    Het verhaal draait om Dorlas’ pogingen zijn geliefde, Désy, die voor hem is weggevlucht op te sporen en terug te krijgen. Hij deinst daarbij voor niets terug, zelfs niet voor grof geweld. In hoofdstuk XVII maakt Nico Dorlas in een gesprek met Staf, de baas van zijn stamkroeg en laatste steun en toeverlaat, buiten, staande in de regen onder een paraplu met een bierglas in de hand, de balans op van zijn pogingen. Hij concludeert dat hij tot dan toe vruchteloos gebruik gemaakt heeft van de ‘beproefde middelen. Drinken, snuiven, dreigen, liegen, bedriegen…. en tenslotte de twee rinkelende kogelhulzen op het tuinpad van zijn schoonouders b.d.’ Niets heeft hem geholpen Desy terug te halen. Nu gaat dat veranderen. Als het niet goedschiks gaat, moet het maar kwaadschiks. Psychologisch gezien ruilt Nico Dorlas nu de wereld van het veilige ‘Binnen’ in voor de wereld van het onveilige ‘Buiten’, begrippen die terugkomen in de hoofdstukindeling: Binnen, Buiten en Binnenstebuiten. Hij besluit voortaan ‘hoog spel te spelen met geheel nieuwe middelen’. Het wordt nu alles of niks. De persoonlijkheid van Nico Dorlas lijkt zo representatief voor een eigenschap die, volgens psychologen, veel meer voorkomt bij mannen dan bij vrouwen, nl. de gerichtheid op destructie en zelfdestructie.

    Tristan en Isolde
    Dorlas wil de voortdurende onrust en het lawaai in zijn hoofd bezweren door Désy mee te voeren naar zijn gedroomde wereld van rust en stilte door haar een, wat hij noemt, Onherstelbaar Verbeterd Leven (OVL) aan te bieden, een leven zonder geschreeuw, herrie, dreigementen, handtastelijkheden, eerst in de bestaande wereld, en als dat niet mogelijk blijkt, in de liefdesdood. Hij besluit Désy de keus te geven: samen leven, of samen sterven zoals in de beroemde opera Tristan en Isolde, een thema dat hem van kindsbeen af weliswaar al fascineerde, maar tegelijkertijd, mede door de te Duitse muziek, als 24-jarige jongeman nog veel te ver ging. Nu niet meer. In een dolle dronkenmansrit door de straten van Amstelveen gaat Dorlas op weg naar de grote kladderadatsch. Met de fles wodka als vaste partner in de bijrijderstoel en het apneutoestel voor zijn gezicht laat hij Staf en zijn café voor wat ze zijn en scheurt in zijn BMW naar de Van Zomerenlaan om Désirée zijn OVL over te brengen, achtervolgd door maar liefst drie zwarte Suzuki’s. Daarna volgen de ontwikkelingen elkaar, in een razend tempo op, als in een roadmovie: een schot, een dode, Désy???, een gijzeling, onderhandelingen met de politie, inrichting van een crisiscentrum en uiteindelijk de apotheose: zijn arrestatie.

    Van der Heijden
    Van der Heijden speelt met de tijd. Alles speelt zich af binnen een etmaal, maar door voortdurend uitgebreide flashbacks in te bouwen over bijvoorbeeld de relatie van Nico Dorlas met zijn vader, die op sterven ligt in het VU Medisch Centrum, en met zijn gehate stiefmoeder Hetty verhoogt Van der Heijden de spanning en intensiteit van het gebeuren. Deze verdikking van de tijd bevordert de psychologische diepgang van het verhaal. Het maakt de stress waaronder Nico Dorlas voortdurend gebukt gaat bijna voelbaar, maar draagt ook bij aan het ontstaan van een thrillerachtige spanning, zeker in het tweede deel als de gebeurtenissen over elkaar heen buitelen. Het wachten bij het sterfbed op de komst van zoon Nico vertraagt de tijd juist weer en vormt zo als het ware een soort contrapunt in het tempo waarin het verhaal zich afspeelt. Prachtig! Het doet sterk denken aan een compositie van Bach.

    Van der Heijden lijkt geen hoge pet op te hebben van het politiecorps. In het boek wordt de knulligheid van de politie breed uitgemeten en associaties met het politieapparaat van Rommeldam liggen voor de hand. Zo blijkt Dorlas in staat zowel zijn geconfisqueerde rijbewijs onder de ogen van de dienstdoende agent te stelen als er met zijn in beslag genomen auto vandoor te gaan. Het naleven van protocollen lijkt als hoogste goed te gelden bij het oplossen van noodsituaties, bijvoorbeeld als er een compleet 24-uurs crisiscentrum wordt ingericht onder leiding van de burgemeester om leiding te geven aan de goede afhandeling van de vermeende gijzeling, terwijl de meest eenvoudige initiatieven als goed navraag doen naar mogelijk betrokken personen achterwege worden gelaten. Het wordt zelfs lachwekkend als Dorlas na zijn arrestatie niet eens behoorlijk is gefouilleerd op een mogelijk verborgen wapen.

    Hoewel Kwaadschiks een onderdeel uitmaakt van de cyclus De tandeloze tijd, is het als roman een geheel onafhankelijk werk. Dat betekent dat er weliswaar sprake is van terugkerende figuren zoals de advocaat Ernst Quispel, een Bram Moszkowicz-achtige ijdeltuit en diens assistent, tevens schrijver van toneelstukken, Albert Egberts, maar het is geen bezwaar deze niet uit vorige delen te kennen.

    Van der Heijden neemt zonder twijfel een unieke plaats in de Nederlandse letteren in en dit boek is daarvan een schitterend voorbeeld. In alle opzichten is dit dan ook een kanjer van een boek geschreven door een kanjer van een schrijver.

     

     

     

  • Vertelling over siamese paus

    Vertelling over siamese paus

    Liefhebbers van het werk van veelschrijver A.F.Th. van der Heijden waren het afgelopen jaar in hun nopjes. Groepsportret (een overzicht van personages uit het oeuvre van de schrijver) werd herdrukt en het aangrijpende Tonio verfilmd ( en zeer goed ontvangen). De oude publicatievorm van het feuilleton werd afgestoft en President Tsaar op Obama Beach verscheen in zestig delen in NRC Handelsblad. En alsof dat nog niet genoeg was, verscheen deel 6 van romancyclus De tandeloze tijd, Kwaadschiks, gevolgd door deel 7: Kastanje a/d zee. Laatstgenoemde is vooralsnog alleen in kleine oplage en in bibliofiele editie verschenen. Daarover zei de auteur in een interview plagend: ‘Als dat tot boosheid bij mijn lezers leidt, heb ik niet voor niets geleefd.’

    Alsof dat nog niet genoeg was, wordt dan nu vlak voor de jaarwisseling nog Gedichten Gods of De vergrijpstuiver gepubliceerd, een gedrukte versie van de in 2014 uitgesproken 21e Kellendonklezing, vernoemd naar schrijver en vertaler Frans Kellendonk (1951 – 1990). Geschikt om te lezen of te schenken tijdens de kerstdagen, aangezien Van der Heijden een vurige tirade tegen de Rooms-katholieke kerk afsteekt. Behalve dat zet de auteur zijn poëtica uiteen en haalt hij herinneringen op aan de een kwarteeuw geleden overleden Kellendonk, vooral bekend van de roman Mystiek lichaam (1986).

    Een drieledige missie dus, die in het korte boekje goed en gestructureerd uitpakt. Van der Heijden begint met zijn eerste ontmoeting met Kellendonk, die direct tot een komische en ongemakkelijke anekdote leidt. Trillend als een rietje belt de jonge schrijver aan bij de woning van Kellendonk om zijn eerste manuscript door te nemen. Daarbij laat hij per ongeluk een televisiecontroleur binnen, die Kellendonks toestel controleert en gelijk een fikse boete voor ‘zwartkijken’ uitschrijft.

    Behalve een leuke anekdote komen hier en elders de karakters van zowel Kellendonk als Van der Heijden mooi naar voren. Beide heren zijn zo verlegen en stil, dat dit de laatstgenoemde ertoe beweegt zich onnatuurlijk extravert op te stellen – wat uiteraard tot ongemakkelijke situaties leidt. Ook openbaart Van der Heijden dat de naam van zijn bekende romancyclus De tandeloze tijd geïnspireerd werd door de beginzin van Kellendonks eerste verhalenbundel, Bouwval (1977). Interessant is tot slot hoe de auteur de bijzondere wijze omschrijft waarop Kellendonk met zijn katholieke geloofsachtergrond omging.

    Dat laatste is een interessante smaakmaker voor het door Van der Heijdens beschreven toneelstuk, waarin hij zijn poëtica demonstreert aan de hand van een kritische vertelling over het aftreden van paus Benedictus, de “theologische muggenzifter”, en zijn opvolging door de meer charismatische en empathische Franciscus. Dit is het interessantste stuk van het boekje, waarin een vermoeide Benedictus pogingen doet om te verdwijnen en afgezet te worden, maar zich geconfronteerd ziet met een complot van de curie om hem in het zadel te houden.

    Als er dan toch een opvolger komt in de persoon van Franciscus en de twee pausen elkaar de biecht afnemen, creeërt de auteur een komisch tafereel waarin ook veel interessante gedachtenexperimenten de revue passeren. Zoals bijvoorbeeld een pleidooi voor de oprichting van een Metafysisch Strafhof, ’ter berechting van een God – desnoods bij verstek te veroordelen’. Sterker nog, Van der Heijdens scherpe en harde analyse van de omgang van de Rooms-katholieke kerk met het omvangrijke schandaal van kindermisbruik, laten bij de lezer met een sterk rechtvaardigheidsgevoel het bloed koken – zó sterk worden het lijden en onrecht beschreven.

    Van der Heijdens poëtica combineert naar eigen zeggen de eigenschappen van klassiek, antiek en modern theater – en giet die in een romanvorm. Hij zet zich af tegen een strijd van Goed versus Kwaad, maar presenteert een gelijkwaardige protagonist en antagonist. Daarbij wordt de hoofdpersoon verscheurd door een dilemma – en dat bepaalt het plot. Deze vertelstructuur kan ontwaard worden in tal van zijn romans en ook in het geschetste pausentoneelstuk.

    Door de focus op de poëtica en Kellendonk is het boekje in de eerste plaats interessant voor doorgewinterde Van der Heijden-fanatici en liefhebbers / kenners van Kellendonk. Voor mensen die nog nooit een boek van de auteur lazen, is de vertelling over de ‘siamese paus’ zeker de moeite waard – hoewel enige affiniteit met met de schrijver wel tot aanbeveling strekt. Het mooiste zou zijn geweest als dit  prikkelende toneelstuk – dat ook de katholieke kerk als ’toneelstukje’ neerzet – verder was uitgewerkt en opgevoerd. Wellicht dat dit met wat actuele aanpassingen alsnog kan worden gerealiseerd.

     

     

     

  • Leesclub

    Leesclub

    Wellicht omdat ik ben opgegroeid in een soort van groepsgebeuren heb ik een hekel aan clubjes. Nooit een kamer voor mezelf gehad. Als jongste ondergesneeuwd door de expansiedrift van oudere broers en zussen. En wat dat allemaal teweeg bracht. Daar word je beschouwend van. We waren met zeven kinderen en een inwonende grootvader. En dan nog mijn ouders. Genoeg om nooit meer lid van een club te willen worden. Toch beklom ik op een doordeweekse ochtend de trap naar de bovenverdieping van een vrij jonge boekhandel in Arnhem. Tussen de ruim opgezette boekentafels en lange wanden vol boeken zaten zeven vrouwen rond een tafel. Er was een staande kapstok, een bijzettafeltje en thermoskannen met koffie en thee. Nee, geen koekjes.

    We hadden elkaar hiervoor één keer ontmoet. Om de boeken te kiezen en de data te plannen. Toen we uit elkaar gingen waren we een leesclub. Zo gaat dat. Dat was zes weken geleden. Mijn neiging af te zeggen (boek niet uit, geen tijd ) onderdrukte ik. Want ik was contactpersoon. Hoe dat zo gekomen was weet ik niet meer. De helleveeg van A.F.Th. van der Heijden lag in meervoud op tafel. Ik pakte mijn exemplaar erbij. Tussen de bladzijden die ik tijdens het lezen van belang achtte, had ik gekleurde strookjes papier gestoken. Belangrijke dingen vervliegen snel tot onbeduidende dingen zo gauw je ze kenbaar wilt maken. Zo ging het ook deze ochtend.

    We schreven onze namen op dubbelgevouwen A-viertjes en zetten die voor ons neer. Zo wisten we wie we waren. Toen zei iemand, ik keek op het dubbelgevouwen papiertje en zag dat ze Lieke heette. ‘Wat een afschuwelijk boek was het’. Ze kneep daarbij haar ogen dicht en schudde haar bovenlijf alsof ze het koud had. ‘Ik vond het taalgebruik zo grof’, voegde de vrouw die Annet op haar briefje geschreven had, eraan toe. ‘Zo ga je toch niet met elkaar om.’ ‘Vergeet niet dat het in de jaren vijftig/zestig speelde’, zei iemand waarvan ik de naam niet kon lezen. ‘Ja, maar dan hoef je toch niet zo’n grove taal te gebruiken’, zei Lieke weer. Zo ging het een tijdje door. Er was geen enkele compassie met de hoofdpersoon, tante Tiny. Altijd met haar poetsdoek in de weer. Altijd haar gelijk halend bij haar familie die ze de schuld gaf van haar mislukte leven.

    Het was eigenlijk een nogal hilarisch boek. Er sprak veel droefheid der dingen uit. Over gangen van zaken die geen keer nemen. Toen vertelde iemand dat toen ze op achtjarige leeftijd haar drie jaar jongere broertje verloor aan hersenvliesontsteking, haar moeder haar op het hart drukte vooral niets op school te zeggen. ‘Wat afschuwelijk’,  klonk het weer. Het was in dezelfde tijd waarin Tiny uit het boek opgroeide. Ook in Tiny’s leven was een geheim. Iets met misbruik door een huisvriend. Haar ouders hadden haar verboden hier iets over te zeggen. Zwijgen. Dat deden ze in die jaren. En vooral geen vuile was buiten hangen. Altijd bang voor de buren. Ja, toen wisten we het weer. Dat afschuwelijke boek viel toen eigenlijk wel mee. Het was gewoon zoals het was geweest.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en een onophoudelijk lezer.

  • Recensie 'Kruis en kraai' – A.F.Th. van der Heijden

    Door Jessica Brouwer

    Het oeuvre van elke romanschrijver verraadt diens opvattingen over de romankunst. In Kruis en kraai. De romankunst na James Joyce (2008) maakt A.F.Th. van der Heijden zijn poëtica expliciet. In briefvorm geeft hij vervolg aan vervlogen gesprekken met zijn vroegere redacteur, wijlen Anthony Mertens, door hem andermaal deelgenoot te maken van zijn gedachten over de roman, zoals eerder een decennium lang in Café de Zwart aan het Spui.

    Eerst maar eens het kaf van het koren scheiden. Zijn poging tot definiëring van de roman lijkt een ‘one-size-fits-all’ omschrijving op te leveren, maar Van der Heijden haast zich om ‘het meest vrije literaire genre’ te ontdoen van pretendenten die onterecht aanspraak maken op de troon van de romankunst. Ook auteurs die zich in hun verklaring van het waarom van de romanschrijverij schuldig maken aan pedante pocherij en valse bescheidenheid krijgen er ongezouten van langs.

    Van polemiek pur sang tot poëtica met polemische uithalen. Hij aarzelt: “Kan onverhoedse inspiratie, zonder bijkomende motivering vooraf, voldoende beweegreden vormen om een roman te gaan schrijven?” Van der Heijden onderscheidt tien verschijningsvormen van inspiratie die niet zozeer drijfveren zijn maar veeleer expressie geven aan het fundament van zijn schrijverschap. Dat is persoonlijker, een manier om zich staande te houden in een wereld waarin verarming troef is, mensen maskers dragen en waarachtig contact onmogelijk is. Herinneringen, gebeurtenissen, associaties en visioenen vormen het voedsel voor de verbeelding. Door de beelden los te maken van de eenmalige werkelijkheid en te herscheppen in de literaire werkelijkheid creëert Van der Heijden universa waarin eenduidigheid en etikettering geen opgang doen, gedachten ontrafeld en mensen gekend kunnen worden.

    Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Niet alleen is de roman een machtsmiddel tot de zelfverkozen, betekenisvolle werkelijkheid, ook wil Van der Heijden voortborduren op grote Europese voorgangers. Finnegans Wake van James Joyce beschouwt hij als het beste en experimenteel verst reikende werk in de romankunst van de twintigste eeuw. Een roman die het uiterste voorbij is zelfs, ‘het literaire Einde van de Wereld’. Zoals Cees Nooteboom op zijn schreden terugkeert bij het aanschouwen van een raaf die ‘met onnavolgbaar effectbejag’ op een kruis is neergestreken, zo moet ook Van der Heijden zich vol ontzag maar ontmoedigd omdraaien bij het onmogelijk te evenaren Finnegans Wake, zijn hoogstpersoonlijke kruis met kraai.

    Hoewel de onbetreden paden onbegaanbaar zijn geworden en Van der Heijden zich genoodzaakt ziet zijn hielen te lichten, wil hij in geen geval de gebaande paden van de traditie klakkeloos volgen. Hij gaat de uitdaging van het experiment aan, maar dan wel binnen de menselijke mogelijkheden: “Aan de hand van mijn eigen ervaringen wil ik een algemener proces zichtbaar maken dat loopt van het onhaalbare via het haalbare naar, opnieuw, het onhaalbare […]”. Ooit gekweld door zijn onmogelijk te publiceren Oerboek, hoopt hij nu langs het kruis met de kraai te geraken door zijn onmogelijk te schrijven Eindboek, alias Het Onmogelijke Boek, in fragmenten te construeren. Althans, een suggestie of afspiegeling daarvan. Elke roman uit de reeks die Van der Heijden wil componeren, grijpt terug naar de klassieke en teleologische roman zoals Willem Frederik Hermans die voor ogen had, maar exploreert tegelijkertijd de opengewerkte romankarakters naar voorbeeld van James Joyce en Virginia Wolf.

    Het lijkt erop dat Van der Heijden de last van Het Onmogelijke Boek zijn literaire leven lang met zich mee zal torsen, en in Kruis en kraai. De romankunst na James Joyce weer even moed moest verzamelen om opnieuw in vorm te komen voor het vervolg van het grote werk, ‘losdribbelen voor de marathon’ zoals hij dat zelf placht te noemen. Hoe individueel het afleggen van een marathon ook moge zijn, in aanloop tot de nog af te leggen afstand had het commentaar van Mertens, die slechts als passief klankbord wordt gebruikt, wellicht nog onverwachte sprints en verrassende prestaties opgeleverd. Want als persoonlijk relaas over Van der Heijdens oeuvre is het boekje niet oninteressant maar wel erg voorspelbaar. Zijn tot nu gepubliceerde romans hadden zijn sowieso al niet al te impliciete poëticale opvattingen reeds lang verraden…

    A.F.Th. van der Heijden, Kruis en kraai. De romankunst na James Joyce (2008), Athenaeum ? Polak & Van Gennep, 104 p.