Veel mensen zullen de naam Baltasar Gracián y Morales (1601-1659) niet kennen. Toch heeft het denken van deze vrijdenkende, Spaanse jezuïet veel invloed gehad. Hij wordt wel ‘de Machiavelli for the good guys’ genoemd. De manipulatie en misleiding van Machiavelli zijn bij hem vervangen door berekening, al heeft Tinneke Beeckman het beeld van Machiavelli onlangs genuanceerd in haar boek Machiavelli’s lef. Omgekeerd zitten er aan het werk van Gracían misschien minder fraaie kantjes. Of, zoals Annemart Pilon, vertaler en bewerker van zijn ‘spreuken’ in De kunst van de voorzichtigheid in het voorwoord bij deze uitgave schrijft: ‘Gracián predikt deugdzaamheid, al is die misschien vermomd als schijnheiligheid (of is het juist andersom?)’. Is dit een vooroordeel tegenover jezuïeten (jezuïtisch schijnheilig)? Redenen temeer om het toegankelijke boek te lezen en erachter te komen.
‘Spreuken’ in twaalf thema’s
Pilon heeft de driehonderd in 1647 door Gracián gepubliceerde ‘spreuken’ (ze schrijft dit telkens tussen aanhalingstekens), tot de kern teruggebracht of samengevoegd en in twaalf thema’s ondergebracht. Thema’s als Weten en denken, Jezelf en anderen kennen, Karakter en gedrag. Maar dat niet alleen. Deze uitgave is geïllustreerd door de Delftse kunstenaar Dirk van Dien die met gemengde technieken werkt. Sterker nog, de afbeeldingen die hij maakte na het lezen van Graciáns Handorakel en de kunst van de voorzichtigheid in de vertaling van Theo Kars (1940-2015), uitgegeven in 1990 en in 2020 ongeïllustreerd herdrukt, vormde de aanleiding tot deze uitgave. Omdat Annemart Pilon gewijzigde titels gaf aan de ‘spreuken’, maakte Van Dien ook nieuw werk. Achterin het boek is een schets van het leven en werk van Van Dien opgenomen.
Zijn stijl houdt het midden tussen Paul Klee en Picasso met niet-Westerse of islamitische elementen. Soms is het een woord in een ‘spreuk’ (‘Denk vooruit en gebruik je voorzichtigheid’) dat hem op het spoor van in dit geval Rodins beeld De denker zette. Of hij maakte collages met gebruik van postzegels en andere bestaande afbeeldingen. Heel concreet, zoals Graciáns werk dat ook is.
Actualiteit en levenskunst
Graciáns denken blijkt nog steeds actueel. Hij beveelt bijvoorbeeld aan om tegenover bronnen een kritische houding aan te nemen. En iedereen kan in deze tijd van gekleurde, eenzijdige of onware berichtgeving waarop geen dubbele controle heeft plaatsgevonden, talrijke voorbeelden van fake nieuws noemen.
Er zitten tussen de ‘spreuken’ echter ook denkbeelden waar we nu niet meer zo achter kunnen staan, zoals in het hoofdstuk ‘Uitblinken’: ‘Hoogstaande bezigheden [leiden] tot roem’. Meer in de lijn van levenskunst ligt een opvatting die ook Nietzsche in Graciáns voetsporen ontwikkelde: werken aan je persoonlijkheid tot je een afgerond mens bent, een mens zoals we eigenlijk bedoeld zijn. Dat de term Übermensch door toedoen van Hitler een andere invulling kreeg, is niet aan Nietzsche te wijten.
Een andere denker waar de ideeën van Gracián af en toe aan doen denken, is Spinoza. Beiden hebben het over voorzichtigheid (caute bij Spinoza), innerlijke rust (‘een groot geluk op de wereld’ schrijft Gracián) en ‘hevige emoties [die] de rede verjagen’. Spinoza zei het hem na in het derde deel van zijn Ethica.
Er zit iets van een streber in het denken van Gracián, maar we herkennen ook de wijze denker in hem bij de trits translatio (vertalen) – imitatio (navolgen) – aemulatio (overtreffen) wanneer hij schrijft: ‘Kies je grote voorbeelden en probeer hem of haar [dat laatste zal een toevoeging van Pilon zijn neem ik aan, EvS] juist voorbij te streven’ (aemulatio). En stop daarmee op het juiste moment, op je hoogtepunt. Net zoals je ook je kwetsbaarheid moet durven laten zien en dan hopen dat naasten en vrienden er voor je zijn.
Gracián vindt aan de andere kant weer wel dat alle begin onvolmaakt is en dat je dat dan niet moet laten zien, want dan ‘blijven de onvolkomenheden ervan in iemands hoofd zitten’. Daar staat een hedendaagse opvatting over bijvoorbeeld het jeugdwerk van Vincent van Gogh tegenover. Daarin zie je behalve inderdaad nog onvolkomenheden, óók al de kracht van de schilder die zich inspant om er binnen zijn mogelijkheden van dat moment het beste van te maken. Dat mag best worden gezien.
Karakter en gedrag
Een mooi onderdeel van het boek is ‘Karakter en gedrag’, zowel tekstueel als qua verscheidenheid aan afbeeldingen. Bijvoorbeeld de ‘spreuk’ over integriteit: ‘Je eigen geweten moet zwaarder wegen dan het oordeel van anderen’. Deze gaat vergezeld van een afbeelding met een kern, omringd door allemaal vissen die dezelfde kant op zwemmen. De ‘spreuk’ over halsstarrigheid wordt verbeeld door een man met een lange nek, omzwachteld door een touw. En een over een gezond karakter door een wybertjesvorm met daarin twee portretten uit de oudheid. Raak gekozen, want was Sophocles al niet de filosoof die wist dat je je in korte zinnen moet uitdrukken, zoals Gracián zelf ook doet?
De vraag die nog rest is: hoe reageren hedendaagse jezuïeten zelf op het werk van Baltasar Gracián? De bekende Vlaamse jezuïet en internetpastor Nikolaas Sintobin schreef naar aanleiding van de eerdere vertaling door Theo Kars dat veel aforismen (een beter woord dan ‘spreuken’, al dan niet tussen aanhalingstekens) ‘getuigen van grote mensenkennis en wijsheid. Vele andere kunnen schokken door hun cynisme en opportunisme.’ Na lezing van deze mooie, nieuwe gebonden uitgave met leeslint kun je niet anders dan dit beamen.
Wat Neubach, de debuutroman van Erik Voermans (1958), vooral duidelijk maakt: de klassieke muziek van Nederlandse makelij is van teleurstellende kwaliteit. En hoe dat komt, vertelt hoofdpersoon Vladimir Neubach ons ook: ‘“Soms maakten ze goed klinkende muziek, maar wat was de betekenis? Het leek maar hoogst zelden een zaak van leven of dood.”’ Als tegen het einde van de roman in het Concertgebouw een concert genaamd ‘Spiegel van deze tijd’ wordt gehouden, ontvangt Neubach voor zijn werk een daverend applaus in tegenstelling tot zijn Nederlandse collega’s Govert de Lange, Van Engelen en Brugman. Al worden de Nederlandse collega’s afgeserveerd, het betekent niet dat Neubach een rustig en gelukkig leven leidt. Integendeel. ‘Het was al tijden stil in zijn hoofd.’ Zo opent de roman, het motief dat naar zijn uiteindelijke ondergang zal leiden.
Fictie en werkelijkheid
Erik Voermans is geen onbekende. Al jaren schrijft hij zeer toegankelijk over klassieke muziek voor Het Parool. Met Neubach kiest hij voor een setting die hem vertrouwd is, de muziekwereld. Daarbij zet hij de lezer wel op het verkeerde been! Allereerst is daar het omslag met een prachtige zwart-wit foto van musici. In het midden een knaap met golvend haar en een brilletje – als dat niet de echte Vladimir Neubach is? Neubach, die opgroeit in de Sovjet-Unie, zoon is van een muziekrecensent voor de Pravda, les krijgt van Sjostakovitsj, een van de grootste Russische componisten van de twintigste eeuw, en uiteindelijk via Berlijn vlucht naar Nederland. Het had allemaal waar kunnen zijn, maar het is fictie. Neubach is een verzonnen personage dat zo nu en dan in een decor stapt van historische personages.
Seksuele escapades
Deze Neubach leidt een succesvol leven met reizen langs de concertzalen in de wereld. Stefi Pasteur, zijn assistente, vergezelt hem daarbij. Tot Neubach de uitnodiging krijgt om een Requiem te schrijven. Zijn hoofd blijft leeg, er komt nauwelijks nog muziek uit. Bovendien wordt hem ook ontraden om een requiem te schrijven. Zijn vriend Gutman met wie hij in Bodega-Kayserlingk iets drinkt, bijvoorbeeld:
‘ “Een requiem,” mompelde zijn vriend. “In het Concertgebouw. Hebben die mensen dan geen kennis van de geschiedenis? Zijn ze Oistrach en Kondrashin alweer vergeten? Of Rozjdestvenski, die geen zin had om de derde Rus te zijn die na een concert in het Concertgebouw een hartaanval zou krijgen? Hij heeft hier nooit meer gedirigeerd.”’
Een Russisch noodlot, dat is ook de reden dat zijn vrouw Zjenja het hem ontraadt. Zjenja heeft in deze roman dan ook de rol van wijze echtgenote die haar man doorziet en veel – zijn seksuele escapades bijvoorbeeld – door de vingers ziet, terwijl Neubach, cynisch, koppig en blind zijn ondergang tegemoet wandelt. Toch, al oogt hij als hoofdpersoon weinig sympathiek, heb je als lezer met hem te doen, er broeit iets, er moet een geheim zijn dat hem tot dit voor iedereen moeilijke karakter gevormd heeft.
Demonen
Zette het omslag de lezer op het verkeerde been, het eerste deel van het boek doet dat in zekere zin ook. Op het eerste gezicht lijkt er een kleine, onmogelijke liefdesgeschiedenis verteld te worden. De ontmoeting tussen de jonge Stefi, mislukt op het conservatorium, en de eind vijftiger Neubach, op het toppunt van zijn roem. Zij wordt zijn rechterhand en minnares. Hij is fors geschapen, zij heeft een behaarde schaamstreek. Het verhaal lijkt op dat niveau te blijven, maar blijkt verrassend meer te bieden. Het lijntje Neubach en Stefi is in die zin ook minder interessant. Als Stefi hem heeft betrapt met een andere vrouw, beëindigt ze de relatie. Belá, een goedzakkerige medestudent, wordt met zijn onvoorwaardelijke liefde voor haar, haar veilige haven.
Met Stefi’s vertrek krijgen de demonen van vroeger steeds meer grip op Neubach. Wat of wie die demonen zijn wordt stukje voor stukje ontrafeld, waardoor Neubach niet alleen een roman is over de schaduwkant van succes en hoe seks een uitlaatklep is voor getormenteerde mannen. In Neubachschuilt, als een duveltje uit een doosje, een onvervalst vader-zoon verhaal.
Leven of dood
Neubach is soepel en met vaart geschreven. De compositie had strakker gemogen, zeker in de dialogen. Soms hebben babbel-dialogen echt een functie in een boek, die ontbreekt hier. De roman is het sterkst wanneer het verhaal zich afspeelt in communistisch Rusland. De corrumperende macht, het verraad, de moeite om een rechte rug te houden als je bedreigd wordt. Voermans vertelt met historische precisie en is dan op zijn best. Zoals in de scène dat Neubachs vader van hogerhand een negatieve recensie moet schrijven over Sjostakovitsj en daarin wordt overvleugeld door Zaslavski, een mede-redacteur. Maar ook de hoofdstukken waarin het niet om Neubach gaat maar om al die Russische componisten die ten tijde van Stalin muziek maakten zijn sterk. De dictatuur komt tot leven op het congres van de Bond van Sovjet-componisten waar Sjostakovitsj, Prokofjev en andere Russische musici door de communistische partij terug in het gelid worden geduwd. Er is geen plek voor muziek ‘waarin ongewenste volksvijandige en formalistische elementen zijn aan te treffen’. Dan wordt muziek componeren inderdaad een kwestie van durf of lafheid, van leven of dood. Met de aansluitende vlucht van Neubach naar het westen zijn dit de hoofdstukken die van Neubach een bijzondere leeservaring maken.
In de Spaanse burgeroorlog (1936-1939) vochten vrijwilligers uit vele landen mee tegen generaal Franco. Een van hen was de 22-jarige Nederlandse metselaar Evert Ruivenkamp, die samen met ongeveer 650 andere Nederlanders naar Spanje vertrok om Franco’s fascisme te bestrijden. Wellicht als enige hield Ruivenkamp een dagboek bij. Uitgeverij Jurgen Maas heeft dit nu uitgegeven met als titel Een Hollandse jongen aan de Ebro.
Evert, nooit eerder in het buiteland geweest, laaft zich aan het onbekende en heeft oog voor de leuke Spaanse meisjes. Hij voelt zich als op avontuur, zoals in zijn verslagen te lezen is. Die zijn aanvankelijk vrolijk, maar zijn toon verandert als hij de oorlog aan den lijve gaat ondervinden. Hij wordt ingezet aan het front, maakt kennis met de heersende ellende en ziet zijn kameraden sneuvelen. Voor zijn moed en plichtsbesef wordt hij in 1938 toegelaten als lid van de Spaanse Communistische Partij. Uiteindelijk keert hij terug naar Nederland waar hij bij het verzet gaat als Duitsland Nederland binnenvalt. In 1943 wordt hij opgepakt en gefusilleerd.
Zijn dagboek doorstond de oorlogen op een of andere manier. Een paar jaar geleden werd het teruggevonden in het nachtkastje van zijn dan net overleden oudste zus.
Yvonne Scholten, eindredacteur van de website Spanjestrijders.nl, schreef een inleiding en nawoord bij Een Hollandse jongen aan de Ebro. De website bevat namen en biografieën van de spanjestrijders en over twee van hen publiceerde Scholten een boek.
Auteur: Evert Ruivenkamp
Uitgeverij: Jurgen Maas 2022
Aarde eten
De Argentijnse schrijfster Dolores Reyes (1978) studeerde literatuurwetenschappen en is leraar en feministisch activist, of activistisch feminist. Ze heeft zeven kinderen.
Aarde eten uit 2019 is haar eerste roman, iets wat recensenten en lezers nauwelijks kunnen geloven omdat het als zo’n volmaakt en beheerst boek wordt gezien. ‘Voor de slachtoffers van femicide, voor hun nabestaanden’ staat er voor in het boek. In Argentinië vinden jaarlijks zo’n driehonderd moorden op vrouwen plaats, om het simpele feit dat ze vrouw zijn.
De jonge dochter van de vrouw die op de eerste pagina’s van het boek begraven wordt, ontdekt dat ze door het eten van aarde visioenen krijgt van vermoorde en vermiste mensen.
‘Ze laten je hier achter, mama, ook al wil ik het niet. Ook al laten mijn handen niet los, jij blijft hier. Ik geloof dat ik weinig kan doen, behalve aarde eten van deze plek, zodat ze niet meer vijandig is, de onbekende aarde van dit kerkhof waar we nooit hebben gelopen, mama of ik. […] Ik doe mijn ogen dicht om met mijn handen op de aarde te steunen die jou nu toedekt, mama, en het wordt nacht in mijn hoofd. Ik knijp mijn vuisten dicht, schep haar op en breng haar naar mijn mond. De kracht van de aarde die jou verzwelgt is duister en smaakt naar boomstronk. Het voelt goed, ze onthult dingen, laat me zien.’
Door het aarde eten krijgt ze visioenen. Dat wil ze niet bekend laten worden, maar mensen krijgen er toch lucht van en komen haar hulp vragen over verdwenen dierbaren, meestal vrouwen. Ze willen weten wat er met hen is gebeurd. In de sloppenwijk waarin de dochter woont is geweld aan de orde van de dag. Als zij ouder is voelt ze de verantwoordelijkheid tegenover de wanhopige zoekers toenemen. ‘Ik begon te zien dat degenen die naar iemand op zoek zijn iets hebben, een teken bij de ogen, de mond, het vleesgeworden mengsel van pijn, woede, kracht, wachten. Iets gebrokens, waarin degene die niet terugkeert leeft.’ laat Reyes haar aarde-eter vertellen. Als ze in een visioen de moord op haar broer voorziet, wil ze deze proberen te voorkomen, al weet ze niet hoe.
El Paìs noemt Aarde eten ‘Een van de beste, krachtigste en meest complexe romans van de afgelopen tijd.’
Auteur: Dolores Reyes
Uitgeverij: Wereldbibliotheek 2022
Boekenmendel, De onzichtbare verzameling
Uitgeverij AFdH geeft in één band twee verhalen van Stefan Zweig uit: Boekenmendel en De onzichtbare verzameling, vertaald door Ton Naaijkens. Met foto’s van Maria Austria.
De Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig (1881-1942) werd geboren in Wenen in een welgesteld joods zakenmilieu en was in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw een van de meest populaire Duitstalige auteurs, zowel in eigen land als daarbuiten. Hij studeerde filosofie en literatuur en schreef biografieën, poëzie, drama, verhalen en essays met het perspectief veelal op het verleden gericht. Zweig was Europees georiënteerd, bracht mensen en idealen samen. In de Eerste Wereldoorlog meldde hij zich vrijwillig als verslaggever, waarna hij grote weerzin tegen oorlog ontwikkelde. Na de opkomst van het nationaalsocialisme zwierf hij jarenlang door Europa. Daarna week hij uit naar Brazilië, waar hij in 1942 zelfmoord pleegde, samen met zijn vrouw. ‘Ik pas niet meer in deze tijd. Deze tijd bevalt mij niet meer,’ schrijft hij in zijn afscheidsbrief. Zijn grote psychologische inzicht – mede opgedaan in zijn vriendschap met Freud – komt terug in zijn verhalen.
In Boekenmendel drijft de illegaal in Wenen verblijvende Oekraïense Jood Jacob Mendel, een geniale antiquaar, zijn boekhandel in het koffiehuis Gluck. De ik-verteller noemt hem een ‘voorwereldse boekensauriër van een uitstervend ras’. Mendel kent alle titels en alle prijzen van alle boeken en via de verteller wordt zijn tragische geschiedenis tegen het decor van de Eerste Wereldoorlog duidelijk.
Ook het tweede verhaal, De onzichtbare verzameling, handelt over een gepassioneerde bibliofiel en verzamelaar, die te maken krijgt met de inflatie van na de Eerste Wereldoorlog. Zijn vrouw verkoopt goedbedoeld zijn kostbare grafiekcollectie tegen dumpprijzen.
In beide verhalen zijn Zweigs grote thema’s te herkennen: Europa, dat Zweig zag als een samenhangend cultuurgebied, fanatisme en humanisme, plus zijn melancholie over de wereld van gisteren.
Deze maand verscheen een nieuwe bundel zkv’s van A.L. Snijders. Doelloos kijken bevat een keuze uit de zkv’s die in 2017 en 2018 zijn verschenen in De Standaard, de VPRO Gids en de gesproken zkv’s op zondagochtend bij Radio 4. De bundel is bezorgd door uitgeverij AFdH die sinds 2006 bijna jaarlijks een bundel zkv’s uitgeeft.
A.L. Snijders (1937) is schrijver, voormalig docent Nederlands, bedenker van het zkv en pseudoniem van Peter Müller. Zijn schrijversnaam koos hij in de jaren tachtig toen hij columns ging schrijven voor Het Parool. De naamskeuze was een willekeurige, zoals veel zonder voorbedachte rade lijkt te gebeuren in het leven van Snijders. Een schrijver die zich erover verwondert dat hij bij optredens nog steeds wordt aangekondigd als de schrijver die een prestigieuze prijs (met nadruk op dat prestigieuze) heeft gewonnen, jaren geleden alweer. Nooit wordt, om als interviewer maar eens wat te noemen, aangehaald dat Snijders bijvoorbeeld in 1992 al in het spraakmakende programma ‘Een uur Ischa’ door Ischa Meijer in café Eik & Linde werd geïnterviewd. Ziehier de verhouding van belangrijkheid en vergankelijkheid binnen de literatuur.
Als ik het erf van de blauw/grijs geverfde woonstee op fiets, staat A.L. Snijders opzij van het huis te overleggen met zijn jongste dochter en, zoals Snijders haar voorstelt, zijn verloofde. Er is iets gaande, er zijn sleutels zoek, er moet een apparaat gevonden worden, zijn jongste zoon, die sinds enkele maanden in het nabijgelegen Zutphen woont, komt langs en dan moet er ook nog een interview plaatsvinden.
Een standbeeld als vriend
Binnen wijst Snijders naar de lange keukentafel die voor de helft volgepakt ligt met papierwerk, stapels boeken, kranten, pillendoosjes, enveloppen en nog meer boeken, om plaats te nemen. Er wordt koffie gemaakt. Langs de lange muren van de voorheen varkensstal staan meters boekenkasten, jaloersmakend goed gevuld. We besluiten elkaar te tutoyeren. Op de vraag naar het manshoge houten beeld dat met uitgestoken rechterhand bij de entree staat, vertelt Snijders dat het een eerste kunstproject van zijn jongste zoon is, ‘Uw nieuwe vriend’ getiteld. ‘De bedoeling is’, Snijders gaat voor het beeld staan, ‘dat als je hier binnenkomt het beeld een hand geeft. Nou is mijn ervaring dat handarbeiders, timmerlui enzo die hier komen, die geven het beeld een hand. Maar mensen die aan de universiteit gestudeerd hebben, die doen dat niet.’ Hij gaat zitten. ‘Dit is natuurlijk een zeer persoonlijke constatering die ook best niet waar kan zijn. Begrijp je?’
Voor we goed en wel zijn begonnen, komt de dochter binnen. ‘Hij zit er niet in Peter.’ Ze zet een bak met sleutels op tafel. ‘Dat meen je niet’, roept Snijders. ‘Verdomme, wacht even.’ Hij staat op en helpt zoeken, ook de verloofde komt erbij. Snijders zegt: ‘Dit is geen manier om een interview te doen.’ Er wordt naarstig gezocht in doosjes en trommeltjes. Tot onder ah- en oh-geroep, de sleutel gevonden is. Dochter en verloofde gaan weer naar buiten. Snijders kijkt hen na.
‘Sinds een maand ben ik weer verloofd, jij bent nu getuige van mijn nieuwe leven. Drie jaar geleden is haar man overleden, en een paar maanden geleden hebben wij elkaar gevonden.’
Het leven van A.L. Snijders speelt zich af rond de landelijk gelegen plek bij Lochem waar hij in 1971 met vrouw en vijf kinderen is neergestreken. De kinderen zijn allang volwassen en zijn vrouw overleed in de lente van 2018. Het is een plek waar het leven onvoorbereid lijkt en alles zich tot een zkv vormt, inclusief de onbegrijpelijke elementen die daarin voorkomen.
Ik sprak met de schrijver over wat een zkv is, over eenzaamheid, bekend zijn en onbegrijpelijk te willen schrijven. Het gesprek wordt omlijst door bijgeluiden als het verplaatsen van spullen, gerommel in de keuken, piepend opengaande deuren, heen en weer lopende vrouwen en het blinde hondje, Besje. Soms vallen er hiaten in het gesprek, omdat namen zich niet aandienen of wordt de lijn van het te vertellen verhaal zo ver uitgesponnen dat de draad even losraakt. Om dan uit te komen bij de vraag: ‘wat is de betekenis van de zkv’s van A.L. Snijders in de Nederlandse literatuur?’ Niet dat we dat van tevoren bedacht hadden.
Niet al je stukjes zijn een zkv las ik eens, welke zijn het wel?
‘Laatst heb ik er een geschreven over een bezoek aan Deventer, waar het oudste huis van Nederland staat met een 375 jaar oude beuk. Ik zat in tijdnood en dan krijg ik iets onverschilligs, kan het me niet meer schelen of het te begrijpen is of niet. Ik deed er nog een gedicht van een Chinese dichter bij uit een bundel die ik net had ontvangen van een man waar ik al veertig jaar mee correspondeer. Dat bundeltje ligt nu boven want daar lees ik ‘s avonds uit voor aan mijn verloofde. Maar dat stukje is voor mij een echt zkv, omdat ik in het eerste gedeelte een kunstenares noem, maar niet zeg wie het is, wat ze doet. Ik leg niet uit dat zij een Nederlandse kunstenares is die erg onbegrijpelijke beelden maakt. In een langer stuk zou ik uitleggen dat ze de vrouw van de zoon van een broer van mijn overleden echtgenote is. En dat gedicht is uit de elfde eeuw, maar dat zeg ik er ook niet bij. Wat begrijpelijkheid betreft is dat zkv op het nippertje. Het intrigeert mij bovenmate dat in de elfde eeuw Japanners en Chinezen de meest fantastische poëzie schreven, poëzie die wij nu pas maken. Het is mijn grote ideaal om er dingen in te zetten waarvan je denkt ”wat heeft dat te betekenen?” .’
‘Je kijkt nooit naar het aantal woorden?’
‘Nee, daar heeft het niks mee te maken. Als er op zijn minst maar één dingetje raar is, dan reken ik het tot een zkv. Dus niet als een zeer kort verhaal, maar die afkorting die een eigen leven is gaan leiden.’
Overbodige voegwoorden
Er is sprake van een ontstaansgeschiedenis van het zkv. In de jaren vijftig, toen Snijders op het Spinozalyceum in Amsterdam zat lag hij altijd overhoop met zijn leraar Nederlands. Deze wilde hem leren dat in een samengestelde zin de verschillende delen aan elkaar gekleefd moeten worden met een voegwoord. Dat vond Snijders ‘volkomen nonsens’, al wist hij nog niet waarom.
Snijders: ‘Die leraar gaf als voorbeeld: “Ik pak mijn paraplu, omdat het regent.” Dat ‘omdat’ of ‘want’ moest er per se bij. Dat gaf aan dat het een bij het ander hoorde. Ik vond dat onzin.’ Die leraar werd overigens zijn opmerkingen zat en verbood hem op een gegeven moment nog iets in te brengen tijdens de les. Daar begon iets, werd een kiem gelegd.
‘Later met die zkv’s wilde ik het korter maken en ik zag dat je veel van die voegwoorden gewoon weg kunt laten omdat je hersens een volkomen eigen manier van denken hebben. Die maken de verbinding ook zonder dat voegwoord wel. Zo nam ik dus wraak op die leraar Nederlands. In het begin van het zkv werd ik soms kwaad als mensen daaraan vasthielden. Als ik schreef: ‘Ik neem mijn paraplu mee, het regent.’ Dan kon dat niet. Voor sommige mensen schrijf ik nu eenmaal onbegrijpelijk.’
Lees je de kritieken op wat je schrijft?
‘Het is allemaal toeval als ik dat hoor, ik ga er niet naar op zoek. Ik zal je een voorbeeld geven. Ik ken een man uit Zutphen, Hans Heesen, die veel organiseert op literair gebied. Hij is negen jaar geleden begonnen met het lezen van Mei van Gorter in Utrecht, en doet dat nu in Zutphen.’
Gekrabbel aan de buitendeur. Snijders staat op, hond Besje dribbelt schijnbaar doelbewust naar binnen.
‘…Heesen heeft verschillende jaren Mei-lezingen georganiseerd en op één keer na deed ik altijd mee. De laatste keer bij Mei lezen, een paar weken geleden, vertelde Heesen dat er twee mensen zijn die het langst meedoen, dat zijn Wim Noordhoek en ik. Wim was afwezig, want hij is erg ziek. Er waren deze keer honderdnegenentwintig dichters en schrijvers die meededen. Ik werd daar met alle egards behandeld. Na afloop kwam er ook nog een meisje naar me toe dat zei: “U was de beste.” Later sprak ik een jongeman die ook had meegedaan, die vertelde dat er mensen waren die hadden gezegd: “Die Snijders, die kan er echt niets van. Zoals hij het heeft voorgelezen, zo staat het er helemaal niet.” Kijk, en dat vind ik nou interessant. De een zegt, je was de beste en de ander vond hetzelfde helemaal niks.’
In de supermarkt
Snijders is een landelijke bekendheid, zelf lijkt hij dit maar amper te beseffen. Zijn verbazing is oprecht wanneer hij vertelt met ‘alle egards’ behandeld te zijn. In 2011 werd er werk van hem vertaald door kortverhaal schrijfster Lydia Davis voor Asymptote, een internationaal online tijdschrift voor vertaalde literatuur.
‘Weet je wat nu curieus is? In Lochem zijn vier supermarkten, maar er is er maar één waar ik aangesproken wordt als schrijver, en dat is bij Albert Heijn. Daar komen, denk ik, mensen die Radio 4 luisteren en boeken kopen. Bij die andere supermarkten ben ik nog nooit aangesproken.’
Is het lezen van zkv’s dan toch een elitaire aangelegenheid?
Lacht, ‘Ja, elitair als de pest. Ik gebruik teveel moeilijke woorden. Wat heeft dat nou te betekenen wat ik schrijf vragen mensen zich af, ze ergeren zich er wel aan. Ik probeer nu verder te gaan met het zkv, het nog onbegrijpelijker te schrijven. Al wil ik niet volkomen onbegrijpelijk schrijven.’
Veert op en kijkt me enthousiast aan. ‘Weet je, dat is nu het aller, aller interessantst, de schrijver die door de hele moderne literaire wereld als een van de allergrootsten wordt beschouwd, die deed dat wel. Die schreef absoluut onbegrijpelijke dingen. Arthur Rimbaud wordt beschouwd, en terecht, als de grote vernieuwer van de poëzie. Hij heeft een boekje geschreven, Les illuminations, in moeilijk Frans en er is geen touw aan die stukjes vast te knopen. Ik lees ze bijna elke avond die stukjes waar ik niets van begrijp. Ik vind dat werkelijk fascinerend. Toen Rimbaud vijfentwintig was heeft hij gezegd dat het allemaal flauwekul was wat hij geschreven heeft. Hij vertrok naar Afrika om in wapens te gaan handelen, wilde niets meer met literatuur te maken hebben. Zijn moeder en zuster waren erg bezorgd, bang dat hij ziek zou worden. En dat werd hij ook, hij stierf voor zijn dertigste. Dat leven van die man, onbegrijpelijk.’
De verloofde komt binnen, vraagt waar ze moeten zoeken naar het apparaat, een Kärcher, dat de dochter mee naar Amsterdam wil nemen. Dochter komt erbij, ‘Op de deel moet je kijken’, zegt Snijders. ‘De hele deel moet je bekijken.’ De vrouwen lopen samen naar achteren. ‘En daartussen ook, en de vaaltstal’, roept hij ze nog na. Dan: ‘Rimbaud had dit prachtig gevonden.’
Plaats in de literatuur
Als we het hebben over de betekenis van het zkv in de literatuur, komt de verwachte zoon binnen, enthousiast en even praatgraag als zijn vader. Hij zet koffie voor ons terwijl Snijders een anekdote vertelt, hoe hij een paar dagen terug met zijn verloofde op een bankje voor het huis zat.
‘We hadden het over de betekenis van de zkv’s van Snijders in de literatuur. Er kwamen een man en vrouw op de fiets voorbij, ze stopten en ik vroeg: “Wat vindt u nou van A.L. Snijders, hoe schat je Snijders in binnen de literatuur? Toen zei die man: “De beste schrijver ter wereld is Toergenjev, de tweede plaats is ook voor Toergenjev, de derde is ook voor Toergenjev, de vierde is voor Karel van het Reve en de vijfde is voor A.L. Snijders.” Zomaar, een onbekende man die met zijn vrouw op de fiets voorbij komt. Dat kun je niet bedenken. Nou ja, en je weet’, gaat hij nog even verder, ‘wie van Toergenjev houdt, die houdt niet van Dostojevski, dat weet ik weer van Karel van het Reve die daarover heeft geschreven.’
De vrouwen komen weer terug, ze hebben het apparaat gevonden. Snijders vraagt of alle onderdelen erbij zitten. ‘Er hoort wel een heleboel bij hoor.’ ‘Oh, zegt dochter, dit is toch goed met zo’n spuitding. Dat is het toch?’ ‘Jaha’ zegt Snijders, ‘maar je moet toch nog eens kijken of er nog een andere is. Zou best kunnen dat er meer zijn. Nog zo’n heel ding.’ ‘Oh, zegt dochter, ‘dat dit ‘m niet eens is. Dat er een met een andere kleur is.’ Beide vrouwen verdwijnen weer naar achteren. Snijders roept tegen de dichtvallende deur, ‘Of je moet even proberen of deze het doet.’
Zelf gelooft Snijders niet dat het zkv van enige literaire betekenis is.
‘Wat mij opvalt is dat schrijvers, en dit is natuurlijk een open deur, zo gauw ze dood zijn helemaal weg zijn. Vestdijk wordt niet meer gelezen, terwijl dat een fantastisch schrijver is. Dat lijkt ook alleen maar in Nederland te gebeuren, het onderwijs helpt daar natuurlijk ook niet aan mee. In Frankrijk kun je jong en oud nog een boek van Flaubert in de metro zien lezen.’
In een interview zei je eens het liefst zonder publiek te willen zijn, is dit een pose of zit hier een kern van waarheid in.
‘Dat moet je niet te letterlijk nemen maar ik herken dat nog wel ja, dat ik het liefst een schrijver zonder publiek ben. Als ik word geconfronteerd met dingen die ik eerder heb gezegd, dan ben ik het er bijna altijd nog steeds mee eens. Het heeft ook wel te maken met toen mijn echtgenote gestorven was. Veel mensen zeiden, “Nu ga je hier zeker wel weg, want je wilt hier toch niet in je eentje zitten.” Qua Nederlandse begrippen woon ik erg eenzaam, zeker als de buren op vakantie zijn. Dan komt er helemaal niemand op dit paadje voorbij. Maar de eenzaamheid staat me absoluut niet tegen. In dat kader moet je volgens mij de opmerking dat ik geen publiek wil, begrijpen. Ik ben niet tegen publiek, maar ik doe er niets voor. Tot voor kort woonden al mijn kinderen in Amsterdam, dat is de weg die ik het meeste rijd. Wat cultuur betreft gebeurt het meeste daar. In mijn eentje hier blijven wonen heeft een verband met de opmerking geen publiek te willen. Dan is er ook de variant, “zou ik ook schrijven als ik niet werd uitgegeven?”, dat denk ik eigenlijk wel, ja. Ik denk dat ik zou blijven schrijven.’
Heb je er wel eens over gedacht geen letter meer op papier te zetten?
‘Dat zou ik wel eens gedacht kunnen hebben om een reden. Als ik nu zonder druk stukjes zou moeten schrijven, zou ik wel minder schrijven. Omdat ik ook wel behoorlijk lui ben, dat komt er ook nog bij. En mijn dochter, vlak voordat jij kwam, zei me nog dat ik moest ophouden met dat schrijven. Want ik had gezegd dat er nog iemand kwam voor een interview. Toen zei ze: ‘Hou daar toch eens mee op, ga nou eens een makkelijk leven leiden.’
De gedachte om te stoppen is er dus niet?
‘Die is er net zo min als als de gedachte dat ik hier weg zou gaan. En dat wist ik dus niet dat dat echt zo zou zijn, tot mijn vrouw werkelijk dood ging, begrijp je? Al twintig jaar leed ze aan de gevolgen van longkanker, aan de gevolgen van de medicatie is ze overleden. Dat wisten we, dat dat zou gebeuren. Maar het hoorde ook heel erg bij haar en bij mij dat we het negeerden. Dus toen het gebeurde, bleek dat we ons er mentaal op hadden voorbereid, maar niet door middel van gesprekken met elkaar. Dat moest op een andere manier worden opgelost, namelijk door de praktijk van het leven. Toen ik dus hier in mijn eentje kwam te zitten, merkte ik wat ik op dit punt waard was.’
‘Je bedoelt los van je levenspartner?”
‘Ja, dat, en in je eentje wonen in een veel te groot huis dat veel aandacht behoeft. Toen is mijn leven wel grijs en traag geworden. Ik kreeg allerlei kwalen die ik daarvoor nooit had gehad en waarvan de dokter zei dat dat te maken had met het verlies. Dan dacht ik, ja, hoe weet je dat nou? Maar toen leerde ik deze dame kennen’, kijkt naar buiten waar ze met zijn zoon voor het huis zit, ‘en nu is het leven lichter.’
Duizenden zkv’s schreef Snijders
Eerst werden ze alleen verstuurd naar zijn kinderen en vrienden, later werden ze gepubliceerd, werd hij gevraagd om te schrijven. Hierover een anekdote die waar is zegt Snijders:
‘Ik heb in mijn leven nooit iets opgestuurd naar een uitgever of tijdschrift om mezelf aan te bieden. Nooit, niks. Alles wat er gebeurde ging via via, het breidde zich vanzelf uit. Ik doe wat bij me past. Nog altijd word ik aangekondigd als de schrijver die de Constantijn Huygensprijs heeft gewonnen, maar zelf had ik er geen idee van dat iemand mij een prijs zou geven. Dus toen ik opgebeld werd, nou ja daar heb ik wel over geschreven, toen was ik alleen thuis en ik dacht dat het iemand was die me een telefoon wilde verkopen of zoiets. Toen werd er gezegd dat ik een prijs had gewonnen. Ik kon dat bijna niet geloven. Want iedereen denkt dat bij een literaire prijs er eerst een aantal genomineerd worden en dan een shortlist van drie bekend wordt gemaakt. Bij dit soort prijzen, zoals de Constantijn Huygensprijs weet je helemaal niet dat je genomineerd bent. Dat is een volkomen andere prijs. Dat vind ik dan weer erg leuk, het hoort veel meer bij mij dan die andere, meer commerciële prijzen.
Had je er wel eens over gedacht hoe het zou zijn om een literaire prijs te winnen?
‘Niet echt nee. Maar ik kende wel de uitspraak van, kom, hoe heet ie, de grootste katter van literair Nederland, Gerrit Komrij. Die heeft die uitspraak gedaan dat als je in Nederland schrijft en nog nooit een prijs hebt gewonnen, je volstrekt talentloos bent. Een fantastische uitspraak. En dat gold dus voor mij, want ik had nooit een prijs gewonnen. Toen ik dan die prijs kreeg, heb ik in een stukje daarover geschreven dat die uitdrukking van Komrij altijd als een aap op mijn schouder had gezeten en mij liet voelen dat ik niks waard was. Tot iemand mij belde en zei dat ik een behoorlijk prestigieuze, dat zegt iedereen erbij dat het een prestigieuze prijs is, gewonnen had. En dat toen die aap door mij losgelaten kon worden. Ik zag hem uit het huis verdwijnen, ik geloof zelfs dat het die dag nog sneeuwde ook. Die aap vertrok en daardoor was ik bevrijd van Komrij’s uitspraak. Volgens zijn norm hoorde ik er nu behoorlijk bij. Eigenlijk werkt het zo nog steeds, bij iedereen.’
‘Wat die prijs betreft heb ik me ook ongelofelijk vergist. Ik was er echt trots op en ik kreeg ook nog tienduizend euro. Ik dacht, dat ebt weer weg. Maar dat is niet zo, want bij elke voordracht die ik doe, kijken de mensen van de bibliotheek onder mijn naam en dan zien ze ‘Oh! prestigieuze prijs!’ En die wordt elke keer genoemd. Zo werkt dat dus. Het gaat helemaal niet voorbij, ik ben gewoon een naam daarin. Begrijp je?’
Er zijn mensen die nog nooit van de schrijver A.L. Snijders hebben gehoord. Dat ligt aan die mensen. Jarenlang had hij een column in Het Parool en later in regionale dagbladen. Die columns werden uitgegeven door Thomas Rap en zijn de afgelopen jaren nog herdrukt in twee dikke verzamelbundels.
Maar belangrijker is de publicatie geweest van Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk bij de kleine, maar zeer goede uitgever uit Enschede: AFdH. De bundel is een verzameling ZKV’s, zeer korte verhalen. Verhalen die Snijders per mail rondstuurt aan mensen die uitverkoren zijn. De verhalen kunnen net zo lang als een column zijn, maar ze kunnen ook veel korter uitvallen, zoals deze uit zijn nieuwste bundeling Bordeaux met ijs:
‘Telefoon
Op dinsdag zit ik om 12 uur bij de telefoon. Er gaat iemand bellen om 10 over 12.’
Wie de columns en ZKV’s van Snijders volgt, krijgt langzamerhand een beeld van de hele mens: zijn ideeën, zijn literaire voorkeuren, zijn stijl, zijn vrouw, zijn vrienden, zijn huis, zijn jeugd, zijn omgeving, zijn vakanties, zijn woede, zijn humor. Hij wordt een beetje familie.
Een recensie over ZKV’s moet niet langer zijn dan de gemiddelde ZKV. Je hebt de neiging om citaat na citaat te noemen. Een van de mooiste, maar ook gruwelijkste verhalen heet ‘Maaimachine’. De biologische boer die naast Snijders woont, laat zijn veld maaien met vijf cyclomaaiers. ‘Erger dan de metalen overheersing is het lawaai. De ree vlucht, maar haar jong is nog te klein, het heeft een andere bescherming, het drukt zich plat tegen de aarde. De machine maakt er in een seconde tartaar van.’ De moeder komt dagenlang terug. ‘Ze verjaagt kraaien en buizerds, ze drukt haar neus in de aarde, van haar jong is niets over dan herinnering en geur.’
Alleen al om deze zin zou iedereen het boek moeten kopen. En dan eindigt Snijders Reviaans (‘Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?’) : ‘Hebben dieren verdriet? Dat zou ik willen weten. Niet zomaar van een voorbijganger of een journalist, maar van iemand die gestudeerd heeft.’ Zo’n verhaal zit meteen in je geheugen gegrift.