• Van bange jongen tot volwassen beschouwer

    Van bange jongen tot volwassen beschouwer

    Op het conto van Adriaan van Dis, een van de belangrijkste Nederlandse schrijvers, staan romans, (reis)verhalen, essays, poëzie, toneelstukken, documentaire televisieseries, literaire non-fictie en zelfs een libretto. Voor zijn gehele oeuvre kreeg hij in 2015 de Constantijn Huygensprijs. Huidskleur is een terugkerend motief bij Van Dis, vooral in zijn boeken en reisreportages over Afrika en in zijn ‘Indische’ boeken. Zijn belangstelling voor Zuid(elijk)-Afrika kwam voort uit bewondering voor de Zuid-Afrikaanse schrijver Breyten Breytenbach. De beschouwende blik op afkomst en sociale ongelijkheid is bij Van Dis nooit ver weg.

    Veel van zijn romans hebben te maken met Indonesië en de Nederlands-Indische achtergrond van zijn ouders. Ze waren beiden Nederlanders; zijn moeder was eerder getrouwd met een Molukse KNIL-militair waardoor de drie halfzussen van Van Dis half-Indisch zijn. Omdat hij zelf wit is en geboren in Nederland voelde hij zich een buitenstaander in het gezin, ook omdat behalve hij alle gezinsleden een Nederlands-Indisch oorlogsverleden hadden. Zijn boek Indische duinen daarover werd een groot succes.

    De oorlog

    Ook in Naar zachtheid en een warm omhelzen ruist oorlog. De negenjarige Adriaan wordt voor langere tijd naar zijn grootvader Huibert gestuurd om in diens ‘hoge huis’ rust te krijgen van zijn vaders oorlogstrauma, van zijn getier, de slaag en de demonen. Hij is een zenuwachtig kind met sproeten. De stugge grootvader praat weinig, weet niet hoe hij met een kind moet omgaan. Bij huishoudster Jans daarentegen, die Adriaan na een tijdje uit zichzelf Ommie gaat noemen, mag hij op schoot zitten, krijgt hij aaien over zijn hoofd en armen om zich heen. De verre herinnering aan haar was voor Van Dis de aanleiding tot dit boek.

    Ommie is in dienst bij Adriaans grootvader. Ze woont in het hoge huis, krijgt niets betaald, is afhankelijk van hem – al is de afhankelijkheid wederzijds. Zij is ook zijn concubine, maar daar wordt in huis niet over gepraat. Ze dient, doet het huishouden, verzorgt grootvader en bedient de vrienden en zakenmannen die op bezoek komen. Het is de tijd van De Koude Oorlog, de komst van de Russen dreigt. Restanten van de Tweede Wereldoorlog zijn nog aanwezig: in ruïnes van dorpsgebouwen, in het op straat tikkende houten been van de dagelijks langslopende Melita, in flarden van gesprekken die Adriaan opvangt. Voor hem is het allemaal spannend. Mondjesmaat krijgt hij over de oorlog iets los van Ommie. Ze praat er liever niet over. Van haar heeft hij een verrekijker gekregen die hij Maresch noemt, naar de naam in de voering van het foedraal. Maresch is de vriend die hem de wereld laat zien
    – zelf durft hij nog niet goed naar buiten. Hij observeert er de straat mee, de langslopende mensen, en in huis de plafonds, kastdeuren, ieder randje of vlekje. ‘Sproet’ is nieuwsgierig, opgewonden en bang voor wat hij ontdekt en niet begrijpt. Ommie stelt hem gerust: ‘Je bent veilig.’ Later hoort hij van haar dat Maresch de achternaam is van de Tsjechische Jan, gevlucht voor de nazi’s en in het verzet, ondergedoken bij Ommie in het hoge huis.

    Intermezzo’s

    Van Dis is inmiddels zevenenzeventig jaar oud en zo presenteert hij zich ook in Naar zachtheid en een warm omhelzen. Over dat heden vertelt hij in een ander lettertype in kleine intermezzo’s tussen de hoofdstukken door. Met een kapotte heup zit hij op een bankje in het park, dagelijks na altijd dezelfde wandeling. Hij ontmoet er onder andere ‘twee vingervlugge kameraden, Hamza en Ricardo, die samen langs de winkels slierden. Al kletsend merkte ik dat ik erg op mijn woorden moest letten. Wat was een roman precies? Wat bedoelde ik met “teruggaan in de tijd”?’ Boeken lezen doen ze niet, nooit. Met deze jongens toont Van Dis zijn beschouwende oog voor andere ontwikkelingen, voor het asociale van een samenleving. In het park peinst hij ook over de tijd in zijn grootvaders huis. ‘Soms kan ik het niet laten even tegen de stam te leunen, zoals Ommie deed na het schoffelen.’

    Melita met het houten been fascineert Adriaan, net als het gevaarlijke woord ‘razzia’ dat hij in verband met haar opvangt. Haar invalide zoon duwt ze in een kar voort. ‘Ze leefde voor hem, dat was ze verplicht aan zijn vader, een verzetsheld.’ Adriaan bekijkt moeder en zoon door het raam nieuwsgierig en medelijdend met zijn verrekijker. Op een ochtend vallen ze, de zoon met zijn hoofd op de stenen. Hij krijgt een spasme en een hersenschudding, moet naar een tehuis, wordt haar afgenomen. ‘Ze begon door de straten te dwalen. (…) Soms schreeuwde ze luid zijn naam. (…) Niet meer het tikken van haar been kondigde haar aan, maar haar stem. Hoog en schor. (…) Adriaan riep Ommie als hij haar hoorde. (…) Hij zou haar nooit meer “manke” noemen.’

    Onder de stijl schuilt het drama

    Gedurende het verhaal blijkt hoe sociaal Ommie is. Ze probeert iets te betekenen voor Melita, heeft onderduikers geholpen en houdt Huiberts familie bij elkaar. Langzaamaan hoort Adriaan meer over de oorlog, al proberen grootvader en Ommie dat te vermijden. Zijn huisleraar – Adriaan krijgt thuis les -laat vallen: ‘“De moffen lieten ons verrekken”. Nou, toen begreep Adriaan het wel. Meneer Van Look (…) dicteerde er nog een hele trits bij: “vechtbereid”, “verhoortechniek”, “vernietigingskamp”. Ook die woorden schreef Adriaan met een bibberpotlood op. Hij kon het echt niet helpen, was zelf niét over de oorlog begonnen. (…) Hij stelde vele vragen. Verboden vragen. Betrad verboden terrein. Maar hij genoot ervan. O, wat verlangde hij naar dapperheid.’

    De hedendaagse Van Dis gaat op zoek naar informatie over de vrouw die zijn Ommie was. Hij spreekt verre familieleden, vindt documenten. Zijn moeders nalatenschap levert een paar brieven van Ommie op. ‘Geruststellingen over mijn schoolvorderingen en strijd tegen galbulten (…) Bij tweede lezing viel mij een passage op die ineens meer betekenis kreeg: Wat is dat toch met Adje? Hebben jullie er veel met hem over gesproken? Hij tekent al dagen tanks in zijn tekenschrift en schietende soldaten in plassen bloed.’

    In Naar zachtheid en een warm omhelzen neemt de waarnemer Van Dis de lezer in treffende bewoordingen mee naar de ervaringen van de kleine, bangelijke jongen van toen. Het boek leest moeiteloos. Maar onder de heldere, haast lichtvoetige stijl van de auteur schuilt het drama. De verbeelding en empathie van de lezer worden aangesproken dankzij levendige personages, invoelbare dialogen en het perspectief van de kleine Adriaan. Af en toe is er een alwetende verteller aan het woord. De hedendaagse intermezzo’s zijn in de eerste persoon geschreven.

    Rudy Kousbroeklezing

    Vorig jaar kon Adriaan van Dis dan eindelijk de Rudy Kousbroeklezing houden die wegens corona een paar jaar was uitgesteld. In de tussenliggende jaren schreef hij verder aan de lezing. Zijn onderzoek breidde zich uit, de artikelen stapelden zich op, er kwamen steeds meer gegevens bij. Veel te veel voor een lezing. Daarom is er nu wederom een boek; De kolonie mept terug is de neerslag van al dat materiaal. Opnieuw is Van Dis’ beschouwende oog gericht op het koloniale verleden en de gevolgen ervan, op racisme en de witte kijk op de wereldgeschiedenis.

  • Dystopische profetie die niet natrilt

    Dystopische profetie die niet natrilt

    In 2019 schreef Jan-Willem Anker een essay in Trouw over zijn roman Vichy. Daarin had hij, zo viel te lezen, alle cli-ficlichés proberen te vermijden: ‘Dat betekende: geen rampen, geen Noordpool, geen toekomstverhaal over een Nederland dat volledig ondergelopen is, geen heroïsch avontuur’. Climate fiction is in KliFi van Adriaan van Dis het Nederlandse woord klimaatfictie geworden. Daarmee lijkt Nederland er nu pas aan toe te zijn. Er zijn wel voorbeelden, zoals Het tegenovergestelde van een mens van Lieke Marsman uit 2017, Onder het IJs van Ellen de Bruin uit 2018 en het hiervoor genoemde Vichy, maar KliFi staat bepaald niet in een rijke traditie. Tekenend is dat de Engelse Wikipedia een uitvoerig lemma heeft over climate fiction, maar dat een dergelijke Nederlandse pagina niet bestaat (ook geen Duitse trouwens).

    Adriaan van Dis doet in KliFi precies wat Anker wilde vermijden. Hij laat een deel van Nederland volledig onderlopen tijdens een orkaan. De enige plek waar het nog leefbaar is, is het huis van Jákob Hemmelbahn (hij hecht als Hongaar aan zijn accent op de a in zijn voornaam), verzamelaar van waterboeken en aankomend schrijver. Zijn kamers stromen als gevolg van de watersnoodramp dan ook vol met allerlei volk dat droge voeten probeert te houden: de buurman boer Kees, vluchtelingen uit het naburige De Kuil, maar daarna ook ingekwartierde soldaten van de president van het land, die er in plaats van de boel te redden meer werk van lijken te maken de ware gebeurtenissen zo snel mogelijk in de doofpot te stoppen. Jákob, die door alle drukte in huis wordt verdreven naar zijn eigen zoldertje en zich een gevangene voelt in zijn eigen woning, maakt zich al langer druk over het klimaat en wil er een boek over gaan publiceren dat KliFi moet gaan heten (Jákobs boek heeft hetzelfde motto van Jim Morrison als de roman van Van Dis). Terwijl zijn huis overlopen wordt houdt hij ook nog een dagboek bij en verzorgt hij de administratie van de drenkelingen die zich bij hem melden.

    Nexit

    Het Nederland waarin deze ramp zich voltrekt wordt ergens in 2030 gesitueerd. Nederland kent geen koningshuis meer en wordt bestuurd door een president die nogal wat trekjes heeft van de populistische schreeuwers van nu. De man steekt geen helpende hand uit en is alleen in redevoeringen te horen waarin hij alle problemen relativeert. Klimaatschommelingen? Zijn er altijd al geweest. Gewoon laten betijen. Vluchtelingen? Grenzen dicht. Doet Europa er niets aan? Snel wegwezen dan via een nexit.
    Van Dis parafraseert hier en daar met duidelijk plezier wat we uit de mond van onze hedendaagse politici horen. Dat we in 2030 worden weggepest door immigranten (‘De Grote Vervanging’) is een duidelijke verwijzing naar ‘de homeopathische verdunning’ waarover Baudet het heeft. Er zitten zelfs Rutteaanse toespelingen in de roman. In een citaat van de president die ‘ons volk als een prachtige porseleinen schaal’ ziet horen we zonder moeite Rutte die Nederland eens vergeleek met een ‘broos vaasje’.

    Rapper

    Van Dis gooit nogal wat op een hoop in de beknopte omvang van de roman (hij is 200 pagina’s, maar die hebben wel wat weg van een Grote Letter Boek). Het vluchtelingenprobleem (voor Jákob als kind van in 1956 voor de Russische inval gevluchte Hongaren zeer herkenbaar), de klimaatscepsis, het populisme in Nederland, de digitale spionage en zelfs de ontlezing en de taak van de literatuur; het komt allemaal voorbij. Daarenboven heeft Van Dis zich ook nog eens typografisch uitgeleefd met het gebruik van diverse lettertypes, icoontjes en de kleur rood voor teksten van de president. Het geheel wordt opgediend in korte brokjes van hoofdstukken, bizarre fantasiebeelden en karikaturale personages, zoals de rappende, enkel in rijmwoorden sprekende, vluchteling Kano. En dan is er de humor. Je kunt je moeilijk aan de indruk onttrekken dat Van Dis met een satanisch genoegen invallen op zijn beeldscherm tevoorschijn heeft zitten toveren. Er valt dan ook best veel te grinniken. Terwijl we toch juist over de tragiek van de ontkenning van de klimaatverandering lezen en over de overheersing door een dictator die zich van het volk niets meer aantrekt en problemen doodgewoon ontkent. En er is de censuur, zo voelt Jákob, die vanwege de onderdrukking zijn vaderland verliet, maar nu woont ‘in een republiek waar ik wéér op mijn woorden moet passen’.

    Dat alles maakt KliFi tot een moeilijk te plaatsen roman. Is het een dystopie? Waarschijnlijk wel. Maar de overvloed aan thema’s, de cynische humor en de soms obligate filosofietjes (zeggen dat het onderbuikvolk een dictator wil uit behoefte aan een ‘sterke man die al het complexe eenvoudig maakt’, is een open deur) hebben ook een verlammend effect. Als KliFi bedoeld is om te schetsen hoe snel Nederland in de afgrond kan storten als we nog langer de ogen sluiten voor wat het klimaat en de democratie bedreigt, valt te vrezen dat die opzet niet erg geslaagd is.
    KliFi is bij vlagen vermakelijk om te lezen. Maar het trilt bepaald niet na.

     

     

  • Ramen open

    Ramen open

    Het liefst houden we vast aan oude gewoonten, ventileren we meningen die net zo vastliggen als een voorgeschreven computerprogramma. Al kent een computerprogramma zijn update’s die het geheel bijwerken naar een nieuw functioneren. Een computer blijkt veranderlijker van aard dan de mens. De mens laat zich moeilijk dwingen. Deze en meer gedachten over de beperkingen van de mens, werden aangezet door de Gutmensch scheurkalender 2021. Een scheurkalender over vluchtelingenbeleid, de opkomst van extreem rechts. Ik wil niets weten van extreem rechts, ik ben zo iemand die denkt dat als je het er steeds over hebt, het werkelijkheid wordt. Struisvogelpolitiek, daar ben ik goed in. Zo’n kalender schudt de boel dan flink door elkaar. De eerste dagen van het jaar op de scheurkalender zijn vrij onschuldig. Adriaan van Dis opent het jaar op vrijdag 1 januari met, ‘Mijn bijbel kent maar één zin: wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’ Zo’n mantra maakt voor hem het leven dragelijk. En wat Van Dis doet als er weer en boreale wind opsteekt? Dat leest u maar als u de scheurkalender in huis heeft.

    Op woensdag 13 januari, de dag dat Emile Zola zijn open brief ‘J’accuse…!’ gepubliceerd zag, tekst en uitleg op de keerzijde van het kalenderblaadje. Op 26 maart een tekst over menselijkheid, van een dochter wier vader tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet zat, desondanks niet wilde dat zijn dochter, toen de verslagen Duitse troepen door de straten liepen, zij ze uitjouwde. En dan ga je door, want deze scheurkalender is toch zoiets als een boek, er zit een lijn in. En die lijn is heftig, over mensenrechten, klimaatbewustwordingen, uitgezet worden. Elke dag iets om over na te denken, dingen binnen te laten komen. Er is een ‘Wereld Emoji Dag’, met ‘emoji’s voor de typische migrantenervaring’ zoals een overlopend toilet, kapotte slipper, pot met eten op kampvuur, doorzakkende tent in de regen, zakje rijst,… En de vermelding dat vluchtelingen eigenlijk geen mobiel behoren te hebben, want: minder sympathie vanWesterse burgers. Jaja, doordenkertjes over hoe we in elkaar steken.

    Voor vrijdag 25 juni een West-Aziatische fabel, over hoop, dat gaat zo,

    ‘Het bos werd steeds kleiner,
    maar de bomen bleven op de
    bijl stemmen. Want de bijl was
    slim. Zijn steel was van hout.
    Met dat argument wist hij de
    bomen ervan te overtuigen dat
    hij een van hun was en aan hun
    kant stond.’

    Zondag 28 november wordt de geboortedag van Stefan Zweig gememoreerd. Ook dat Zweig een wetmatigheid benoemde, dat ‘mensen in hun eigen tijd op aarde niet in staat zijn om het begin van grote, bepalende historische bewegingen te herkennen’. Toch zou je denken dat het onderhand eens tijd wordt dat uit al die vluchtelingen ervaringen een les te leren is. En dat je de dingen die belangrijk zijn, dingen die je nìet mag vergeten dagelijks onder ogen moet krijgen om enige verandering teweeg te kunnen brengen. Daar is een scheurkalender uitermate geschikt voor. Elke dag een gedachte, een argument, feiten en context voor een menswaardig leven. Kom maar op 2021, met deze Gutmensch Scheurkalender zetten we deuren en ramen open, weg met de angstvalligheid. 

     

     

    Gutmensch Scheurkalender 2021 / samenstelling Linda Polman / met medewerking van zo’n honderd auteurs / Illustraties en vormgeving Saskia Kunst en Saskia Pfaeltzer / uitgever Jurgen Maas


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, werkt aan een goed verhaal.

     

     

     

  • Verzamelbundel met aansprekende en originele liefdesgedichten

    Verzamelbundel met aansprekende en originele liefdesgedichten

    Van Breyten Breytenbach (1939) verscheen een kleine verzamelbundel met liefdesgedichten afkomstig uit verschillende periodes van zijn leven. Ze worden op de omslag aanbevolen als ’25 liefdesgedichten die iedereen gelezen moet hebben’. De bundel kreeg de titel Allerliefste mee (waar het gedicht ‘als van veugels’ mee begint) en heeft een eenvoudige en vrolijke lay-out. Een typisch cadeauboekje, gericht op een zo groot mogelijk publiek, en daar is natuurlijk niets mis mee.

    De gedichten zijn van grote kwaliteit en prima vertaald. Een groot pluspunt is dat de originele Afrikaanse versies in het boekje zijn opgenomen, extra verdieping is mogelijk. De gedichten werden gekozen door Annemiek Recourt en de vertalingen zijn – op drie na – van Laurens van Krevelen. De andere zijn van Krijn Peter Hesselink en Adriaan van Dis. Recourt maakt haar keuze is uit de verzamelbundel ‘Rooiborsduif’ die in 2019 in Zuid-Afrika werd uitgebracht ter ere van Breyenbachs tachtigste verjaardag (samengesteld door de Zuid-Afrikaanse auteur Charl-Pierre Naudé).

    Breytenbachs taal

    Meteen valt weer op hoe mooi en rijk Breytenbachs taal is. De gedichten zijn begrijpelijk én origineel, waartoe alleen de grote dichters in staat zijn. Terwijl deze poëzie ook nog eens over liefde gaat. Probeer dan maar eens de clichés te vermijden. Zo is de maan vaak aanwezig, die steeds in een verrassend perspectief wordt geplaatst. In ‘Wintertroost’ uit 1964, het eerste opgenomen gedicht, maakt ze deel uit van het Chinese beeld van de draak:

    ‘en als het weer zomer is
     zullen we gedurende de langbenige avonden
     buiten onder de pergola wandelen
     om naar elkaar te wuiven

     en als het dan donker wordt
     met lantaarns als drakenogen in onze handen
     op de getande daken klauteren om
     naar de grommende maan te kijken’


    In het laatste gedicht, ‘We hebben de maan geplukt’ (2019) wordt het maanlicht letterlijk binnengehaald om de liefde kracht te geven:

    ‘we hebben de maan geplukt
     straaltje voor straaltje
     om het buiten donker te maken
     en de liefde niet te laten verleppen’


    Werk uit verschillende periodes 

    Doordat het gedichten uit verschillende periodes van zijn leven zijn – naar verschijning chronologisch opgenomen – valt extra op wat een authentiek dichter Breytenbach is. Ook dat hij nooit een vernieuwer was: zijn poëzie is klassiek van vorm, vol alliteraties, personificaties, enjambementen, etcetera. De gedichten zijn heel persoonlijk en hebben soms een autobiografisch en anekdotisch karakter. Ze spelen zich bijvoorbeeld een paar keer af in Parijs, waar Breytenbach jaren in ballingschap leefde (1964 – 1975) en waarnaar hij na zijn detentie in Zuid-Afrika in 1982 terugkeerde om Frans staatsburger te worden. 

    De gedichten staan bol van de melancholie. Vanwege de afstand tussen de ik en de ‘jij’ die hij steeds aanspreekt en naar wie hij hevig verlangt. Zoals in ‘gekooide vogel’ (1970): ‘ik ben een nachtvogel naar jou onderweg / door scheuten in de tijd / in tuiten van het duister / over steppen en savannes’. Melancholie is er ook over het ouder worden: ‘nazomeravond: de hemel / een ontsteking achter de Eiffeltoren, / sterren beginnen te brommen in de ruimte / zoals de ogen van vliegtuigen, / en ik met mijn gebalsemde lijf op het balkon / van dit oude gebouw’ (‘handpapier’, 1998). 

    De gedichten zijn zeer zintuiglijk en zinderen van de kleuren, geuren en geluiden. In ‘herfstavond’ (1964) loopt de ik in gedachten met zijn vrouw langs de Seine:

    ‘en de lucht krimpt tot een gebolde violette bloem
     de huizen, de winkels worden blauw en over
     de stad valt de bijtende kilte van vroege herfst: zoete  dood
     de vensters gaan een voor een geel open
     hoe lieflijk rins geurt het haar van mijn beminde in de schemer’


    Aansprekende verbeeldingskracht 

    Er is ook regelmatig sprake van erotiek, in latere gedichten worden die vrij expliciet beschreven. Hierdoor levert de poëzie – ook in het origineel – ten opzichte van de eerdere gedichten aan magie in: ‘als mijn pik ooit de magische/voering van je kut zou vergeten/de diepberg en het knopje clitoris/en het kloppende opzwellen door je tong –‘ (‘De eed’, 2007). Dat is toch iets heel anders dan: ‘ik zal uit haar tong drinken, we zullen als hagedissen/op onze kooi klauteren/langs de vensterbank tot de eerste glimmende nok/en dan de maan’ (‘herfstavond’, 1964).

    Maar denk niet dat de bard op zijn oude dag zijn verbeeldingskracht is kwijtgeraakt. Van een breekbare, metafysische schoonheid bijvoorbeeld is het gedicht ‘ce-suur’ (2012): 

    ‘zes uur en het licht ontvouwt
     een vlag van stille geboorte over de stad
     oud vuur gaat tegen de voorgevels
     van grachtenhuizen fonkelen
     grachten die beweging van weerspiegeling krijgen
     afwijzende gezichten van wolken
     als de liefde van afgelopen nacht wordt vergeten
     later een warreling van bladeren
     een bootje dat het vlies van het dromende water
     openbreekt tot een rilling van stilte
     bij het terugdenken aan de liefde van de afgelopen nacht
     een hond misschien een stem
     een zucht die door de straten slaakt:
     een flard gedicht en een verrukkelijk verdriet
     de ontrukking van vertrekken:
     zo is de zomer van het hart.’

    Zoals de flaptekst al vermeldt, is Allerliefste een ‘ideale introductie op Breytenbachs poëzie’. Het is in elk geval een mooie eerste kennismaking met deze belangrijke dichter. Doe dit mooie boekje beslist aan iemand of aan uzelf cadeau. Aanleiding overbodig.

     

     

  • Waar is Parijs gebleven?

    Waar is Parijs gebleven?

    Onder de grond ken ik de stad op mijn duimpje. Ik weet dat Châtelet-Les Halles het eerste station is na Gare du Nord, en dat daarna Saint-Michel – Notre-Dame, Luxembourg, Port-Royal en Denfert-Rochereau volgen. Allemaal bestemmingen die het bezoeken waard zijn, maar ik moet verder. Bovengronds volgen er nog 21 veel minder tot de verbeelding sprekende stations voordat ik in de voorstad waar ik moet zijn uitstap, het station aan de achterkant verlaat, bij de acacia’s linksaf sla en na een kort venijnig klimmetje mijn bestemming bereik.
    De keren dat ik echt in Parijs ben geweest, zijn op de vingers van één hand te tellen. Maar dan reken ik die keer dat ik een houten poppenhuis door het 6e arrondissement zeulde niet mee.

    Ik ken Parijs dus niet goed, wil ik maar zeggen. Dat zou geen bezwaar zijn als ik het Parijs van horen zeggen maar herkende. Dan zou ik er mijn weg wel vinden. Maar dat herkennen, valt niet mee. Hoewel het decor bekend oogt, gaat er achter de gevels inmiddels een andere stad schuil. Ik zoek tevergeefs naar het Parijs dat uit boeken en beelden tot mij kwam. Naar de culturele metropool die als een magneet werkte op bohemiens en jetset, en naar de andere kant. De frivole kant die voor ophef en vertier, en ook voor overlast zorgde. De zelfkant, waar het canaille geur gaf aan de stad.
    Die tweeledige stad lijkt definitief verdwenen. Veel van wat Parijs maakte tot de stad die ze was, is letterlijk, figuurlijk en moedwillig onder het plaveisel verdwenen. Planologie maakte korte metten met het organisch gegroeide stratenplan. Door Hausmanns herinrichtingsideeën werden hele groepen inwoners naar voorsteden verbannen. Waarna een deel van die voorsteden veranderde in beruchte banlieues.

    Gelukkig hebben we de boeken nog. Dat Ernest Hemingway zich in Parijs is een feest niet altijd aan de waarheid hield – zo arm als hij zich voordeed was hij bijvoorbeeld niet, doet aan zijn ontmoetingen met Gertrude Stein, Scott Fitzgerald en Ezra Pound, en aan de roaring twenties niets af. Dat de pleisterplaatsen van de subculturen die in Het andere Parijs door Luc Sante zo liefdevol beschreven worden, tegenwoordig toeristische attracties zijn, weerhoudt mij er niet van ze te bezoeken.

    Ik wil Parijs gewoon heel graag beter leren kennen, en vraag me af welke strategie ik de volgende keer dat ik er ben zal volgen. Flaneren zoals Adriaan van Dis dat in de voetsporen van vele voorgangers deed, of à la Georges Perec gewoon ergens gaan zitten, om me heen kijken en in me opnemen wie ik zie en wat er gebeurt.
    Voor beide valt iets te zeggen. Flanerend ben ik min of meer degene die de route en het tempo bepaalt; vastgepind op één plek ben ik in alle opzichten overgeleverd aan het toeval. Welke keuze ik ook maak: het zal mijn kijken naar Parijs beïnvloeden, en daarmee ook het beeld bepalen.
    Voorlopig voel ik het meest voor de methode Perec (al denk ik dat flaneren effectiever is). De vraag is dan wel welk terras of bankje zich het beste leent voor mijn ontdekkingstocht. Suggesties zijn welkom.

     

    Voor de gelegenheid (her)las ik:

    Onder het zink: un abécédaire de Paris – Adriaan van Dis
    Parijs is een feest – Ernest Hemingway (vertaling: Arie Storm)
    Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs – Georges Perec (vertaling: Kiki Coumans)
    Zazie in de metro – Raymond Queneau (vertaling: Jenny Tuin)
    Het andere Parijs
    – Luc Sante (vertaling: Hans E. van Riemsdijk)

     

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Lissabon, Venetië, Oostende, Heraklion, Rotterdam en Brussel.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Culturele toe-eigening, maar dan anders

    Culturele toe-eigening, maar dan anders

    Op 11 april 1947 scheepte mijn moeder in Amsterdam in op het MS Oranje voor haar passage naar Indië. Van die reis deed zij verslag. Ze maakte er een verhaal van in de vorm van een dagboek. Dat verhaal zit keurig uitgetypt in een plakboek, verlucht met onderweg gemaakte foto’s, menukaarten en nog wat parafernalia die helpen bij het koesteren van eerste indrukken.
    Dat verhaal over haar eerste zeereis schreef ze vooral voor zichzelf. Slechts weinigen zullen er weet van gehad hebben. Misschien liet ze het haar collega’s lezen: de andere Marva’s aan boord die net als zij onderweg waren naar Batavia dat twee jaar lang hun standplaats zou zijn. Of het thuisfront ooit kennis nam van haar wederwaardigheden aan boord en tijdens het passagieren…

    Wanneer ik haar verhaal voor het eerst mocht lezen, weet ik niet meer. Ik weet nu wel dat ik toen nog niet oud, wijs en belezen genoeg was om te doorgronden wat er tussen de regels stond. Ik was me er ook nog niet van bewust hoe veel er van mijn moeder in dat verhaal zit. Ik weet alleen nog dat ik af en toe schrok van haar nogal boude uitspraken en ongenuanceerde opvattingen.
    In plaats van mijn moeder vragen te stellen – in eerste instantie kwam dat niet in me op, daarna was het te laat om er nog op terug te komen – las ik me haar verleden in. Probeerde ik via de literatuur vat op mijn moeder te krijgen. Ook op de avontuurlijke moeder die ik nooit gekend heb.
    Ik dacht dat de sleutel in Indië lag. Het Indië van Louis Couperus, Maria Dermoût en Hella Haasse, maar De stille kracht, Oeroeg en De tienduizend dingen brachten mij niet nader tot mijn moeder. Hun band met dat land was inniger. Zij waren er geworteld, mijn moeder was maar een passant.

    Toen mijn moeder op 1 mei 1947 voet aan wal zette in Batavia was van een idyllisch Indië geen sprake meer. Tempo doeloe was voorgoed voorbij. Er braken andere tijden aan. Die geschiedenis werd bij ons thuis niet opgerakeld. Wat mijn moeder – en de man die mijn vader werd: ze ontmoette hem daar en trouwde ter plekke – in Indië moest, is een vraag die ik mezelf met enige regelmaat stel.
    Ik kan het haar niet meer vragen, en troost mezelf met de gedachte dat zij hoe dan ook een ontwijkend antwoord zou hebben gegeven.

    Indië is voor mij altijd het land van anderen gebleven. Ik ben er niet geboren en ook niet gemaakt, maar mijn ouders voelden zich er ooit thuis. Dat rechtvaardigt dat ik me via de literatuur nog altijd een pad naar hun verleden probeer te banen. En dat ik plaatjes kijk in Een passage naar Indië van Rudy Kousbroek in de hoop dat die over de woorden van mijn moeder schuiven.
    Dat ik me tijdens al dat gelees af en toe het kleine zusje waan van Nathan Sid is een milde vorm van culturele toe-eigening die volgens mij geen kwaad kan.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Dat was… Adriaan van Dis

    Dat was… Adriaan van Dis

    Ik had nog nooit van Adriaan van Dis gehoord, dus waarom ik die avond per se naar de eerste uitzending van Hier is… Adriaan van Dis wilde kijken, is me, nu ik daar vijfendertig jaar na dato voor het eerst echt bij stilsta, een raadsel. Welke argumenten ik gebruikte om mijn ouders te overtuigen om naar de omroep te kijken die voor hen altijd vrijzinnig protestants is gebleven, weet ik ook niet meer.
    Wat ik nog wel weet, is dat het bij één keer samen kijken gebleven is. Hoewel ze maar met een schuin oog naar de televisie keken – mijn vader las zijn krant, mijn moeder een boek – hadden zij hun oordeel heel snel klaar. Mijn ouders vonden Van Dis helemaal niks. Als ik daar de volgende keer weer naar wilde kijken, moest ik dat maar op mijn eigen kamer doen. Daar stond een klein draagbaar tv’tje dat ik van mijn zakgeld bij elkaar gespaard had.

    Daar zat ik dan. Verbannen. Alsof ik iets heel onoorbaars aan het doen was. Maar ik hield vol.
    Keek ik de eerste keren nog voornamelijk voor de gasten, daarna ging het mij om de man die de vragen stelde. Ik probeerde er achter te komen hoe hij dat precies deed. Hoe hij een gast voor zich wist te winnen. Wanneer hij het nodig vond de teugels aan te halen en wanneer hij een gast alle ruimte gaf. Welke omwegen hij bewandelde om uiteindelijk toch dáár uit te komen waar hij wezen wilde. Hoe hij zich herstelde als een gast in de aanval ging. Kortom: ik probeerde zijn kunst af te kijken. Want ook al was ik bezig bibliothecaris te worden, dankzij Adriaan van Dis wist ik dat ik dat niet altijd zou blijven.

    Denk niet dat ik niet kritisch was. Ik zat regelmatig met kromme tenen voor mijn ronkende televisie. Het klikte niet altijd even goed tussen de water en wijn schenkende gastheer en de man of vrouw die een reputatie te verliezen had. Van Dis liet echt wel eens een steek vallen (neem het gesprek met voormalig Stasi-spion Andreas Sinakowski) of een kans liggen. Een keer – toen Roberto Benigni het gesprek heel knap kaapte – liet hij het hilarisch uit de hand lopen. Nee, zeker niet elk gesprek dat in Hier is… Adriaan van Dis / Van Dis in de IJsbreker werd gevoerd, was perfect.

    Vorige week is Adriaan van Dis voor de derde keer gestopt met zijn praatprogramma. Na zes keer onder de vlag van De wereld draait door aan het begin van de Boekenweek een Hier is… Adriaan van Dis gemaakt te hebben, vond hij het welletjes.
    De eerste keer dat hij dat gevoel had, was al na drie seizoenen. Hij had toen – in 1986 – net de Zilveren Nipkow-schijf gewonnen. Hem werd een glanzende televisiecarrière voorspeld, maar hij wilde veel liever schrijver zijn. Twee keer liet hij zich vervolgens nog overhalen, maar drie keer is scheepsrecht. Dat geldt ook voor stoppen. Dus dit keer zal het doek van Hier is… Adriaan van Dis wel definitief gevallen zijn.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Boekwinkelen

    Boekwinkelen

    Jammer genoeg was er niemand bij toen ik na jaren zoeken een exemplaar van A Little Original Sin: the Life and Work of Jane Bowles van Millicent Dillon op de kop tikte. Ook toen ik de eerste druk van Nathan Sid van Adriaan van Dis verwierf, waren daar geen getuigen bij. Jammer, want het waren memorabele momenten. De blijdschap en de voldoening moeten in beide gevallen van mijn gezicht af te lezen zijn geweest. Van opluchting was geen sprake: ik wist in beide gevallen zeker dat ik ooit zou vinden. Dat rotsvaste vertrouwen in het toeval van de markt maakt dat ik, terwijl anderen steeds meer gebruikmaken van webwinkeltjes, de voorkeur blijf geven aan struinen met een zekere kans van slagen. De vraag is hoe lang ik dat nog vol kan houden.

    Twee weken geleden zocht ik voor het eerst heel bewust mijn toevlucht tot de digitale boekenhandel. Ik had mijn zinnen gezet op James Ensor: een biografie van Eric Min. Toen de zoveelste boekhandelaar nee verkocht en een ervaren antiquaar bekende het boek nog nooit in handen te hebben gehad, vreesde ik echter het ergste.
    Een eerste online verkenning maakte duidelijk dat het wel eens heel lang zou kunnen duren voordat ik deze Ensor ergens spontaan tegen het lijf zou lopen. Wilde ik het boek binnen afzienbare tijd in mijn bezit krijgen, dan moest ik het toeval een handje helpen. Er zat niets anders op dan mijn principes opzij te zetten en boekwinkeltjes.nl te raadplegen.

    Wat ik me op dat moment realiseerde, was dat het uitblijven van zoekresultaten definitiever zou zijn dan het niet aantreffen van een boek in een winkel of een kraam. Een beetje antiquariaat zet zijn aanbod immers op een verzamelsite. Digitaal nul op het rekest krijgen, zou betekenen dat ik de biografie beter uit mijn hoofd kon zetten. Ik stak mijn kop in het zand en keek elke dag een keer of tien.
    Tot mijn verbazing heb ik al na vier dagen beet. Waar de dagen ervoor nog ‘geen resultaten voor deze zoekopdracht’ verscheen, popt een exemplaar van James Ensor: een biografie op. De verkopende partij blijkt zelfs een oude bekende. Ik maak mijn belangstelling voor het boek kenbaar en schrijf dat hij zich de moeite van het opsturen kan besparen: ‘Ik kom het wel halen als ik volgende week in de stad ben.’

    Vijf dagen later word ik hartelijk ontvangen in zijn gloednieuwe winkel in de Zwolse Papenstraat. We drinken koffie en halen herinneringen op aan de keren dat ik een krakende trap beklom en eenmaal boven oog in oog stond met deze boekverkoper.
    Terwijl James Ensor inmiddels klaarligt bij de kassa snuffel ik. Trek hier en daar een boek uit een kast, maar zet ze bijna allemaal weer terug. Alleen James Joyce van Italo Svevo en Wir sind Utopia / El Greco malt den Großinquisitor  van Stefan Andres (vanwege de tweede novelle) mogen met Ensor mee naar huis.
    Vinden zonder op zoek te zijn: dat kan alleen in een boekwinkel van steen en bloed.

  • Twee taartjes

    Twee taartjes

    ‘Je koopt bij de slager twee biefstukjes – twee, omdat je je schaamt alleen te zijn.’ Zo opent Adriaan van Dis zijn nieuwste boek, In het buitengebied. Ik vroeg me af of ik mezelf ook voor de gek zou houden als Mijn lief me verlaten had en ik alleen bleef.
    Bij de slager kom ik nooit en vegaburgers koop ik zonder tussenkomst van een winkelbediende in de supermarkt. Misschien bij de bakker, een taartje voor mezelf  en dat ik er dan toch – in een impuls – twee van maak omdat het zo zuinig lijkt. Ja, dan denkt de bakker vast dat ik dat taartje doormidden snijd om te delen met degene die ik liefheb. Niemand die weet dat je de taartjes thuis allebei gaat opeten. Maar goed, ik koop nooit taartjes. Ik ben van het zelfbak type, en van grote verlangens en aan niemand verantwoording te hoeven afleggen. Elke dag snak ik ernaar, de hele dag door, mijn hele leven en elke dag opnieuw. Soms breng ik dagen (in bed) op mijn zolderkamertje door en benijd ik de zonderlingen onder ons maar weet dat dit net zo naïef is als geloven dat het gras bij de buren groener is.

    Binnenkort verschijnt er een boek over de zeer bewonderde interviewster, Bibeb (1914-2010). Ze interviewde (ik wilde schrijven ‘sprak’ maar dat is niet waar: ze liet de ander spreken) Martin Luther King, Jerzy Kosinski, Pablo Picasso en vele, vele bekende Nederlanders. Het leek me zo dat Bibeb een zolderkamertje bewoonde waar niemand kwam: voor altijd niet storen en dan al die interviews uit schrijven. Met de hand vermoed ik en daar moet je wel een zolderkamertje voor betrekken.
    Laatst vond ik bij een kringloopwinkel het boek Bibeb Interviews 73/77. Achttien interviews, waaronder met Wim Hora Adema (1914-1998). Waarvan ik dacht dat het een man was. Maar haar volledige naam is: Wilhelmina (Wim) Remelia Hora Adema. In 1972 richtte ze met Hedy ‘d Ancona het tijdschrift Opzij op.

    Bij de interviews van Bibeb val je midden in het verhaal van de geïnterviewde. Daar houd ik van. Het interview met Hora Adema begint zo: ‘Ik denk niet dat het kan (..),’ en je zit erin. Hora Adema promootte het alleen zijn:

    t Klinkt gek maar ik ben een alléner. Ik ben het gelukkigst als ik alleen ben. (…) Zalig. Het walgelijk gedram dat je van jongsaf moet aanhoren, dat alleen zijn zo vreselijk is… Als je niet uitkijkt krijg je er een complex van. In ’t begin dacht ik ook wel es jezus… (…) ik zou nooit met talentvolle vrouwen die ik ken willen oversteken. Omdat geen van die vrouwen echt alleen is. Ze hebben allemaal wel een man of een vriend, of een kind, ze hebben allemaal wel wat.’

    Ja, we hebben allemaal wel wat. Gedoe om kinderen, om afspraken, om ouders, om liefde en de vuilnisbak. Gedoe ook omdat je nooit meer alleen bent om twee taartjes op te mogen eten.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en wil dat wel zo houden. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

  • Een knappe jongen

    Een knappe jongen

    Ik was in de ban van het verhaal over de oude en koppige moeder en de ongeduldige schrijver in Ik kom terug van Adriaan van Dis en las elk moment dat ik even niets te doen had. Ik stond op het perron in Brummen en sloeg voor de drie minuten die mij restte tot de trein zou arriveren, het boek open en zat direct weer midden in die ongemakkelijke verwikkelingen tussen moeder en zoon. Vaag achter me hoorde ik een vrouwenstem zeggen: ‘Hee…, hallo? Hoe is het?’ Het was een vlotte herfstochtend, helder zonlicht streek over het perron terwijl de trein kwam binnenrijden. ‘Kees’, zei de man die iets verder op het perron stond en er niet oud maar ook niet jong uitzag. De vrouw was van het type vijftig is het nieuwe veertig dat ze met heel haar wezen had omarmd. ‘Jaja, natuurlijk. Kees, haha. Ik was het even kwijt, maar nee, natuurlijk Kees. Hoe is het?’ Hoewel Kees en de vrouw en ik door verschillende ingangen de trein binnen gingen, kwamen we in dezelfde coupe te zitten.

    Zo gauw ik had plaats genomen nam ik mijn boek weer ter hand. Ik was bij de scène dat Van Dis neerknielde in het toilet waar zijn moeder op de pot zat en er ogenschijnlijk niet meer zonder hulp vanaf kon komen. Niemand mocht haar helpen, iedere aanraking tussen haar en de personen die haar na stonden, was een onmogelijkheid. Door de cynische opmerkingen en botte genegenheid tussen moeder en zoon, zou je het boek bijna dichtslaan maar dan komt dus die scène die zo schrijnend stuntelig is en tegelijk zo vertederend. Hij knielt voor haar neer en, hij die nooit fysiek contact met haar zocht, raakt in een moment van overgave met zijn hand haar ontblote knie aan en vraagt of hij haar zal helpen. Zijn moeder schrikt en zegt zoiets als: ‘Ben je gek. Ik heb van niemand hulp nodig.’ En de schrijver weet weer waar zijn plaats is: ‘Hup jongen, in je mand.’

    Ondertussen spraken Kees en de vrouw op een toon met elkaar waarin de verrassing om het weerzien en de verbazing over wie ze geworden waren de boventoon voerden. Je kon er gewoon uit horen dat ze elkaar sinds de middelbare school niet meer gesproken hadden. Hun gebabbel kabbelde om me heen als ritselende bladeren die zacht door de wind beroerd werden. Mijn oren spitsten zich toen ik Kees hoorde zeggen, ‘En dan hebben we Ap nog.’ Ze waren duidelijk hun referentiekader aan het aftasten vanwaaruit ze ooit de wereld tegemoet gingen. ‘Ja,’ zei de vrouw van vijftig is het nieuwe veertig, ‘die was laatst nog op tv. Heb ik op internet nog terug gekeken. Leuk hoor. Vond het vroeger zo’n knappe jongen. Ik herkende hem niet meer.’

    ‘Ach ja,’ zei Kees die deed of hij dat van die knappe jongen niet gehoord had en verder ging met: ‘En hij werd geïnterviewd door die jongen uit Oeken.’
    ‘Wim Brands’, zei de vrouw van het nieuwe veertig. ‘Ja die,’ zei Kees. ‘Hij leek me wel gelukkig’ zei de vrouw weer en ik begreep dat ze het over Ap had. ‘Haha,’ lachte ze opeens, ‘hij is er in ieder geval wel mee bezig.’ Toen wist ik dat het Ap Dijksterhuis was die onlangs geïnterviewd werd in Brands met boeken over zijn nieuwe boek, Op naar geluk. De trein reed het station van Arnhem binnen en ik moest overstappen. Terwijl ik over het perron liep dacht ik aan jongens zoals Ap, Wim en Adriaan die, hoe ver ze het ook brengen in hun leven, voor altijd ‘die jongens’ blijven.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en wil dat wel zo houden. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • In memoriam Frans Pointl 1933 – 2015

    De man die op droogkomische wijze over hospita’s, verblijf in een  kindertehuis en de Volksgaarkeuken kon vertellen

    Door Ingrid van der Graaf

    Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar liet weten dat op donderdag 2 oktober, de 82-jarige schrijver Frans Pointl in Amsterdam is overleden. Een schrijver van een klein oeuvre die een groot relativeringsvermogen bezat dat aan het cynische grensde.

    Velen zullen zich Pointl’s verhalenbundel De kip die over de soep vloog (1989), over een jongen die opgroeit met een getraumatiseerde joodse moeder, herinneren. Zijn verschijning daarna in het tv-programma  Hier is … Adriaan van Dis, waar hij op droogkomische wijze over hospita’s, het kindertehuis en de Volksgaarkeuken vertelde, was onvergetelijk. Hoewel Pointl in 1959 al debuteerde met de dichtbundel Afscheid van laatste lente, genoot hij pas werkelijke bekendheid na dit optreden. Die prachtige bundel maakte hem beroemd en er werden ruim 100 duizend exemplaren van verkocht. De jaren daarna volgden nog diverse bundels met autobiografische verhalen.

    Frans Pointl was het enige kind van de joodse pianiste Rebecca van Dam (1889-1953) en de Oostenrijkse kunstschilder, cineast en muzikant Christian Pointl (1889-1966). Hij kwam in 1933, het jaar dat Hitler aan de macht kwam, ter wereld. Dat noemde hij pech hebben.

    In 1938 werd hij, als gevolg van de scheiding van zijn ouders,  ondergebracht in een kindertehuis. In 1942, toen hij inmiddels weer bij zijn moeder woonde in Heemstede, werden ze door de Duitse bezetter gedwongen naar Amsterdam te verhuizen. Ze overleefden de oorlog door onder te duiken. Na de oorlog woonden ze samen op een kamer aan de Stalinlaan, de huidige Vrijheidslaan in Amsterdam. Zijn moeder was door de oorlog zwaar getraumatiseerd geraakt en de nog zeer jonge Pointl moest voor haar zorgen. In 1953 stierf zijn moeder waarna hij talrijke kantoorbaantjes had en tenslotte stopte met werken.

    Pointl bleef alleen in Amsterdam wonen in het gezelschap van twee zwerfkatten. In augustus 2008 publiceerde hij bij zijn 75e verjaardag Poelie de verschrikkelijke, een bundel met kattenverhalen en -gedichten. Op zijn tachtigste verjaardag in 2013 verscheen zijn allerlaatste boek, De laatste kamer. Geplaagd door een zenuwaandoening woonde hij inmiddels in het Dr. Sarphatihuis en gaf te kennen geen zin meer in het leven te hebben.

    ‘Op donkere momenten bloeit er wel eens een giftige bloem op in mijn hoofd: de bloem van suïcide. Maar ja, zelfmoord is makkelijker gedacht dan gedaan. Dat gaat niet met een paracetamolletje. Mij rest niets anders dan te wachten. Uitstel van executie, meer is het niet.’

    Dit zei de schijnbaar immer levensmoede schrijver Frans Pointl in een van zijn interviews die hij gaf rond het verschijnen van zijn laatste boek.

    Nijgh & Van Ditmar herdenken Frans Pointl als een auteur ‘van een klein maar bijzonder oeuvre’.
    Deze ‘kleine’ schrijver liet zo’n zestien levenswerkjes na.


    Afscheid van een laatste lent
    e (1959)
    God in de porseleinkast (1975)
    Vandaag op de vlooienmarkt (1981)
    Ik raak je aan (1983)
    De kip die over de soep vloog (1989)
    De aanraking (1990)
    Het Albanese wonderkind (1991)
    Ik droomde dat ik Jan Arends was (1991)
    Uit een gescheurd dagboek (1991)
    Rijke mensen hebben moeilijke maten (1993)
    Ongeluk is ook een soort geluk (1995)
    De hospita’s (1996)
    Vijf laatste verhalen (1999)
    De heer slaapt met watjes in zijn oren (2004)
    Ga nu maar slapen … (2004)
    Poelie de verschrikkelijke (2008)
    Jarig ben je d’r mee! (2009)
    De laatste kamer (2013)

     

     

  • Een leven mooi verwoord

    Een leven mooi verwoord

    De moeder van Adriaan van Dis, Marie, loopt tegen de honderd en woont in een rusthuis. Ze loopt steeds moeilijker en heeft een vleesboom in haar maag, die ze altijd bedekt met een kussen. Haar aftakeling gaat gepaard met het verval van haar woning. Een oude vrouw in een oude woning. Ze wil niet meer. Doorleven klinkt haar als een doodvonnis in de oren. Toch houdt ze vol. Ze wil haar verhalen nog kwijt: ‘Een dode moet licht reizen’. Ze is er nu klaar voor om na jaren zwijgen haar lange geschiedenis te vertellen: over Indië, de oorlogen die ze heeft meegemaakt en de grote verliezen die ze heeft geleden. Maar dit alles op haar manier en in haar eigen tempo.

    Adriaan van Dis, die tot dan toe weinig contact met zijn moeder had, komt vanuit Parijs terug naar Nederland. Hij begint haar te bezoeken. Eerst één keer per week,  maar al gauw nemen de bezoekjes in aantal toe. Ook zijn telefoon gaat regelmatig over: zijn moeder die zich weer wat herinnert, een boodschappenlijstje voor hem heeft, of die hem opnieuw vraagt of hij geen pil voor haar kan regelen waardoor het allemaal gauw afgelopen kan zijn. Wanneer zijn moeder verder achteruit gaat, besluit Van Dis in te trekken in een gastenkamer van het rusthuis. In die tijd ziet hij haar elke dag. Samen aan het ontbijt, samen de krant lezen. En alles wat ze vertelt wordt door hem nauwkeurig opgeschreven.

    Ik kom terug is een autobiografisch getinte roman. De grote lijnen komen overeen met de gebeurtenissen in het leven van Adriaans moeder en zijn familie, maar hoeveel precies waar is van wat Marie vertelt, weet je niet. Adriaan zelf weet ook niet hoeveel hij moet geloven van de verhalen van zijn moeder. Dat is ook niet belangrijk. In het boek gaat het om hun verhouding. Uit het verhaal komt een pijnlijke zoektocht naar boven van een zoon die, nog steeds, op zoek is naar de waardering en liefde van zijn moeder. Haar ervaringen en belevenissen hebben haar hard gemaakt. Ze schrikt terug voor een aanraking en wil het niet over persoonlijke gebeurtenissen hebben. Al helemaal niet over haar tijd in het Jappenkamp. Maar nu haar einde voelbaar dichterbij komt, begint ze te praten. Duidelijk wordt dat ze geen warme moeder voor Adriaan is geweest.

    Toch komen er ook verhalen boven waaruit duidelijk wordt dat ze wel een leuke vrouw kon zijn. Met behulp van zijn psychologe (her)ontdekt Adriaan van Dis de leuke kanten van zijn moeder en de grappige verhalen die ermee gepaard gaan. Ondanks het zware onderwerp, is Ik kom terug vanaf het begin humoristisch. Adriaan van Dis schrijft alles op: telefoongesprekken, brieven en de monologen die zijn moeder houdt. Losse herinneringen. Fragmenten uit een bewogen leven. De voorgeschiedenis van de verhalen die ze vertelt is nog onbekend, maar wordt duidelijker naarmate het boek vordert.

    Adriaan van Dis debuteerde in 1983 met Nathan Sid, waarvoor hij in 1984 het Gouden Ezelsoor ontving. In dit boek komen zijn familie en zijn Indische jeugd ook aan bod. Het is duidelijk dat zijn hele familie getekend is door de oorlog. Zijn vader, getraumatiseerd door de oorlog, slaat Adriaan regelmatig. Zijn moeder kijkt op deze momenten de andere kant op. In zijn andere boeken krijgt zijn vader vaak een grote rol toebedeeld, maar in dit boek is de hoofdrol weggelegd voor Marie.

    Ook al vormt de familiegeschiedenis vaak de basis voor zijn boeken, toch vraagt Adriaan van Dis zich in het boek meerdere malen af of hij er goed aan doet om alles op te schrijven. ‘Waarom gunde ik haar niet haar geheimen?’ Hij wil doorvragen, gevoelige onderwerpen aansnijden, maar hij wil haar ook niet kwetsen. Samen stellen ze een contract op: hij zijn verhaal en zij een pil.

    Het is een heel mooi boek geworden. Bij vlagen ontroerend, humoristisch, soms zelfs een beetje plat en dan weer hoogdravend. Terwijl je door het leven van de moeder bladert, begin je de hardheid en afstandelijkheid steeds beter te begrijpen doordat duidelijk wordt waar ze vandaan komt en wat ze heeft doorgemaakt. Het ene moment voel je sympathie voor deze vrouw en het andere moment snap je compleet de frustratie van haar zoon.