• Belcampo revisited

    Belcampo revisited

    Etgar Keret is een internationaal veelgeprezen Israëlische verhalenschrijver van wie een aantal titels in het Nederlands is vertaald (bv. Superlijm en Zeven vette jaren).
    Uitgeverij Podium heeft nu een heruitgave uitgebracht van de verhalenbundel Verrassing uit 2011, aangevuld met een aantal nieuwe verhalen, wellicht om deze schrijver weer eens onder de aandacht van de Nederlandse lezer te brengen. Keret is immers wereldberoemd, waarom dan niet in Nederland?

    Keret staat bekend om zijn absurdistische verhalen, waarin hij de werkelijkheid elke keer weer naar zijn hand weet te zetten. Een meisje ontdekt een rits in de mond van haar vriend. Een man verdwaalt letterlijk in zijn leugens. Een man wordt ontvoerd, krijgt zijn kinderkleren aan en wordt bij zijn moeder afgeleverd die hem als een schooljongen behandelt. En zo verder. De verhalen hebben geen duidelijke pointe, ze lijken geschreven te zijn op het effect van onverwachte en absurdistische feiten.
    Wat is de boodschap van deze verhalen? Dat je het leven naar je hand kunt zetten? Dat je de regie van je leven moet pakken en houden? Dat absurd hetzelfde is als humoristisch?

    Deze verhalen doen in een aantal opzichten denken aan die van Belcampo, een bijna vergeten (Nederlandse!) schrijver die in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw talloze verhalen schreef waarin ook zulke absurdistische zaken een rol speelden. Bijvoorbeeld het verhaal De dingen de baas, waarin letterlijk gebeurt wat de titel zegt. Overigens: Belcampo schreef een verhaal dat De surprise heet.
    De verhalen van Belcampo zijn, ondanks het feit dat ze in de jaren vijftig en zestig zijn geschreven, nog heel goed leesbaar.  De verhalen van Keret wringen: namen en plaatsen zijn voor ons als Nederlandse lezers nietszeggend, onderlinge verhoudingen tussen de personages anders dan wij kennen, de couleur locale is afwijkend van die van ons. En dat maakt deze verhalen lastiger leesbaar dan die van Belcampo.

    Maar het is ook zeker zijn gevoel voor humor dat de lezer dwarszit. De verhalen zijn weliswaar absurd, maar ook erg gezocht: de absurditeit is tot doel verheven en is geen middel om een boodschap over te brengen, tenzij de boodschap juist de absurditeit is. Want dat is wat je kunt bedenken: het leven is absurd en niets is merkwaardig. Positief is dat zijn dialogen levendig en boeiend zijn: ad rem, bevlogen.

    Keret staat bekend als een schrijver die in het dagelijks leven geen blad voor de mond neemt over de politiek. In een recent interview laat hij zich ontvallen dat de literatuur een belangrijke rol speelt in het Joods-Palestijnse vraagstuk. Opvallend dus dat hij in deze bundel daar weinig woorden aan besteedt, nergens neemt hij een standpunt in over links of rechts in de politiek, over de keuzes die het land maakt in de omgang met Palestijnen. Nergens zijn deze verhalen maatschappijkritisch. Natuurlijk: het is zijn goed recht om een ander soort verhalen te schrijven en geen maatschappelijk belangrijke onderwerpen te behandelen. Keret is echter wel erg uitgesproken over zijn wereldbeeld op allerlei fronten, waarom dan niet in deze bundel?

    In 2004 publiceerde Keret samen met de Palestijnse schrijver Samir El-Youssef de verhalenbundel Gaza Blues. Dat was ten tijde van de Tweede Intifada een statement dat er niet om loog: in een boek konden een Israëli en een Palestijn vreedzaam samenleven. Merkwaardig dus dat er in deze bundel nauwelijks een standpunt is te destilleren over deze kwestie.

    Verrassing bevat leuke verhalen, maar ook niet meer dan dat. Ze lezen gemakkelijk weg, maar de inhoud beklijft niet.

     

     

  • Je baby als rekruut 

    Je baby als rekruut 

    Het is half maart 2014. Vanuit Israël en de Gazastrook worden over en weer raketaanvallen uitgevoerd. Bij uitgeverij Podium is net de verhalenbundel Zeven vette jaren van de Israëlische schrijver Etgar Keret (1967) verschenen.

    ‘Wat denk je van een spelletje Sandwich Pastrami?’ vraagt de auteur in het laatste verhaal aan zijn 7-jarig zoontje als de jongen bij een luchtalarm niet naast zijn moeder aan de kant van de weg wil gaan liggen conform de veiligheidinstructies. ‘“Mama en ik zijn boterhammen,” leg ik uit, “en jij bent een plak pastrami, en we moeten zo snel we kunnen een sandwich pastrami maken. Vooruit. Eerst ga jij op mama liggen.” En Lev gaat op Sjira’s rug liggen en omhelst haar zo stevig als hij kan. Ik ga boven op hen liggen, en duw hard tegen de vochtige aarde met mijn handen opdat ik ze niet plet’.
    Het ‘spel’ is een succes en Lev doet enthousiast mee.  Als het gevaar geweken lijkt, gaat het gezin de auto weer in: […] ‘“Papa”, zegt Lev als ik hem vastgesp, “beloof me dat als er nog een sirene gaat jij en mama weer Pastrami met me spelen.” “Beloofd”, zeg ik, “en als het gaat vervelen, leer ik je hoe je Gegrilde Kaas speelt.”’ 

    Zeven vette jaren begint bij de geboorte van Kerets zoon Lev, overigens ook tijdens een raketaanval. De verpleegkundigen bespreken ongelukken, terroristische aanslagen en spoedgevallen als vergelijkbare grootheden en Keret fluistert zijn pasgeboren zoontje in dat er niets is om zich zorgen om te maken. ‘Dat tegen de tijd dat hij groot is alles hier in het Midden Oosten is opgelost: er zal vrede heersen, er zullen geen terreuraanslagen meer gepleegd worden en zelfs als er nog een enkele keer een zal plaatsvinden, dan zal er altijd een bijzonder iemand in de buurt zijn, eindelijk iemand met een visie, om het perfect te beschrijven.- Niets menselijks is hem vreemd.

    De verhalen in Zeven vette jaren zijn zo goed als waargebeurde verhalen’ die de eerste zeven levensjaren van zijn zoon bestrijken.
    Het zijn korte persoonlijke verhalen over zijn gezin, zijn vader, zijn moeder, broer en zus die doen beseffen hoezeer de geschiedenis van Israël en het joodse volk, en de huidige situatie in het Midden Oosten van invloed zijn op het dagelijks leven van gewone mensen. In rake bewoordingen schetst hij hoe de diaspora, de holocaust, de Libanonoorlog en het orthodoxe geloof doorklinken in de huidige Israëlische samenleving, en ook in zijn eigen bewustzijn.

    Zwaar wordt het nergens. Keret is realistisch, kan cynisch zijn, maar weet ook te relativeren. Hij is geestig, beschikt over de nodige zelfspot en is ronduit ontroerend als hij over zijn ouders schrijft.
    De tragikomische houding die Keret aanneemt, en die in zijn manier van schrijven doorklinkt, is voor hem misschien de enige manier om om te gaan met het drama van het joodse volk en dat van zijn familie in het bijzonder. Ook waar dat drama in het heden speelt als zijn vrouw een miskraam krijgt en hijzelf bijna verongelukt.

    Aangrijpend is het als hij in het verhaal ‘Geëtter op de speelplaats’ het grote dilemma van Israëlische ouders beschrijft. Keret is een van de weinige vaders die regelmatig met zijn zoontje naar het park kan. De andere vaders gaan elke dag naar hun werk. De ‘babytalk’ met de moeders van andere drie-jarigen noemt hij ‘bijna pervers kalmerend’. Totdat een van de moeders uit het park de roze wolk doorprikt en vraagt: ‘Trouwens, gaat Lev het leger in als hij de leeftijd heeft’?

    ‘Mijn betreurde zuster’ gaat over zijn zusje dat orthodox is geworden. Als zij trouwt en in de meest orthodoxe buurt van Jeruzalem gaat wonen, is Keret bang dat haar leven ‘voorbij’ zal zijn. Hij is aanvankelijk net zo bevooroordeeld als een heleboel Israëli’s die geshockeerd zijn als vrienden of familieleden religieus worden. Keret zelf is niet gelovig: ‘Wat religie betreft – voor mij geen God’. Omdat hij van zijn zus houdt, probeert hij ‘voor die van haar enig respect op te brengen’. Het contact tussen beiden blijft net zo goed als het altijd is geweest.

    Zeven vette jaren is een aanrader, een bundel die je voor je plezier leest, ondanks de tragiek die erin voorkomt.

     

  • Ik ben een beul – Rajesh Parameswaran

    Ik ben een beul – Rajesh Parameswaran

    ‘Zie het leven als een verhaal. Aan elk verhaal moet een einde komen, wil het vorm en betekenis hebben. Het zijn de lijken aan het eind, die de verhalen leven inblazen.’  [uit: ‘Aan de oevers van de Tafelrivier (Lucina, Andromedanevel, A.D. 2319)]

    Recensie door Huub Bartman

    Onder de intrigerende titel Ik ben een beul verscheen dit jaar bij uitgeverij Signatuur de eerste verhalenbundel van de Amerikaanse schrijver Rajesh Parameswaran in de vertaling van Adriaan Krabbendam. Het gaat om negen verhalen, ogenschijnlijk nogal verschillend van karakter, opbouw en thematiek, maar in werkelijkheid heel samenhangend. In alle verhalen gaat het om een ontmoeting tussen uitersten en juist daarin laat zich de liefde kennen. Een paar voorbeelden. In  ‘De gevreesde Bengaalse Ming’ koestert de tijger zijn oppasser in de dierentuin, maar als hij hem abusievelijk heeft gedood en het bloeden wil stelpen door het op te likken, ontdekt hij pas echt hoeveel hij van de mensen houdt; in ‘De vreemde carrière van dokter Raju Gopalarajan’ laat de ongeneeslijk zieke Manju zich ten einde raad aan haar eierstokken opereren door haar lieve, charlatanachtige echtgenoot, een oplichter die zich uitgeeft voor arts gespecialiseerd in vrouwenproblemen. Beiden gaan hun ondergang tegemoet; in ‘Ik ben een beul’, het titelverhaal, bereiken de geliefden elkaar pas als Margaret heel precies inzicht heeft gekregen in alle details van het werk van haar man, de beul.

    Een telkens terugkerend thema is de vrijheid van het individu tegenover de beknellende banden van een benepen sociale moraal, bijvoorbeeld in de ‘Vier Rajeshes’, een verhaal met een soort graalmotief en, naar het lijkt, sterk autobiografisch; vrijheid van het individu tegenover gevangenschap, bijvoorbeeld in ‘Olifanten in gevangenschap (Deel een)’; vrijheid van het individu tegenover de alom aanwezige ogen van de geheime diensten die ons zeggen te beschermen tegen zogenaamde terroristen in het Orwelliaanse verhaal ‘Verslag van Agent 97-4702’.

    Parameswaran is een echte Amerikaan met een onbegrensd geloof in de uniciteit van individueel talent zoals hij laat zien in het prachtige ‘Bibhutibhushan Malliks laatste storyboard’, waarin vakmanschap te kijk wordt gezet als het zich willen meten met echte genialiteit: prachtig en ontluisterend bovendien. Maar hij is ook een immigrant met oog voor hun accomodatieproblemen zoals blijkt uit het ontroerende ‘Demonen’.

    Parameswaran is ook een schrijver die voortdurend op zoek is naar nieuwe perspectieven van waaruit hij een verhaal kan vertellen. Zo kiest hij soms voor het perspectief van de dieren zoals in ‘De gevreesde Bengaalse Ming’ en ‘Olifanten in gevangenschap’. Vooral dit laatste verhaal is experimenteel, aangezien zich hiervan meer dan de helft afspeelt in de voetnoten.  Maar ook in de ‘Vier Rajeshes’ kiest hij voor een verrassend perspectief, nl. dat van een vergeelde foto van een van zijn voorouders. Daarnaast probeert hij ook door een afwisseling in taalgebruik bepaalde effecten te bereiken. Zo laat hij de beul van het titelverhaal opzettelijk een beetje onbeholpen, kinderlijk praten, terwijl Agent 97-4702 juist weer heel ambtelijk formuleert.

    Het moge duidelijk zijn dat Rajesh Parameswaran een bijzondere schrijver is, die een prachtig boek heeft geschreven. Sommigen vergelijken hem met Bret Easton Ellis vanwege zijn vermeende morbiditeit. Dit is echter verre van terrecht. Parameswaran is absoluut niet morbide in zijn verhalen, wel vaak bizar. Maar middels deze bizarre benadering weet hij vaak een grote ontroering teweeg te brengen. Eigenlijk is hij een romanticus.

     

    Ik ben een beul


    liefdesverhalen

    Auteur: Rajesh Parameswaran
    Vertaald door: Adriaan Krabbendam
    Verschenen bij: Uitgeverij Signatuur
    Aantal pagina’s: 360
    Prijs: € 19,95

  • ‘Het is moeilijk een verhaal te verzinnen met de loop van een geladen pistool op je gericht.’

    Het is moeilijk een verhaal te verzinnen met de loop van een geladen pistool op je gericht. Maar de kerel staat erop. “In dit land,” verklaart hij, “moet je, als je iets wilt hebben, dwang gebruiken.”’

    (…)

    ‘“Er zitten twee mensen in een kamer,” begin ik. “Ineens wordt er aan de deur geklopt.”’

    Bij dit eerste verhaal in de bundel van Etgar Keret denk ik onmiddellijk aan het wereldberoemde toneelstuk La cantatrice chauve (De kale zangeres). Het is inderdaad maar een hele kleine stap terug naar het Théâtre de l’Absurde van Eugène Ionesco (1909-1994) en naar dit eerste absurdistische toneelstuk dat in 1950 voor de eerste keer opgevoerd werd en dat nu nog steeds speelt in Théâtre de la Huchette in Parijs! Hierin komt een brandweerman aanbellen om te informeren of er echt niet een klein brandje is om te blussen. Zijn opdracht is alle branden te doven in de stad (…). En de zaken gaan slecht, er zijn geen serieuze branden meer. Dus is de premie ook laag. De anderen in de kamer voeren sinds het begin van het stuk een dialogue de sourds, kort gezegd, het is alsof zij redelijke dingen zeggen, maar zij lijken elkaar niet te horen, hun antwoorden raken kant noch wal en het loopt uit in complete wartaal. De absurditeit ten top! Maar wel heel komisch! De spiegel die ons op deze manier wordt voorgehouden geeft in wezen een heel tragisch beeld van de mensheid!  Voldoende stof om over na te denken.
    Zo ook bij Keret.

    Keret beschrijft in 39 korte verhalen een ons vertrouwde, bekende, hele gewone wereld. Het is alsof wij de mensen over wie hij schrijft al kennen. Het zou de buurman kunnen zijn. Of je directeur, je leraar, misschien wel je vader of je zoontje. Al spoedig echter, neemt het verhaal een onverwachte wending en eindigt het nog verrassender. De lezer heeft even met de personen mogen meelopen. Maar mag het zelf verder uitzoeken.
    Kerets eerst zo realistische beschrijving van de beginsituatie gaat ongemerkt over in een gefantaseerde, gedroomde, leugenachtige en soms zelfs surrealistische werkelijkheid. Zijn humor hierbij is ongeëvenaard! Keret vindt het heerlijk om de wereld om hem heen te bespotten. In eenvoudige woorden, in weinig zinnen, weet hij door zijn gekke, absurde beschrijvingen meedogenloos de zwakke punten in de samenleving aan te wijzen.

    Hoewel er geen onderling verband is tussen de verhalen of de personen, is er wel degelijk een duidelijke leidraad te ontdekken. Al zijn personen proberen zich te onttrekken aan de realiteit die hen benauwt, angstig maakt, die ze kost wat kost willen ontvluchten. Ze belanden ook vaak ‘naast het verhaal’ door bijvoorbeeld hun reïncarnatie. Maar, ze weten steeds een oplossing te vinden voor hun ongelukkige situatie. Ze gaan over tot actie, bewust of onbewust, want ze geloven nog in het leven en dat is positief!
    Misschien zou je daarom zelfs kunnen zeggen dat deze 39 verhalen eigenlijk 39 ‘therapeutische’ oefeningen zijn om te ontsnappen aan de ons omringende negatieve wereld, om anders te leren leven, om beter om te kunnen gaan met de dood, met een scheiding, een ongelukkige liefde, met eenzaamheid, met zinloos geweld. 39 Levenslessen dus.

    Zoals hiervoor reeds opgemerkt, zijn de verhalen van Keret doortrokken van veel sarcastische humor, soms zelfs morbide humor die overigens op geen enkel moment tranen trekkend is. In sommige verhalen vindt men ook de zo specifieke joodse humor terug. Heerlijk! ‘En Osjri zei gedag met een knipoog, want als je rechterarm is verlamd zit handen schudden er niet in (…).’

    Vanaf het eerste tot en met het laatste verhaal is het duidelijk dat de achtergrond Israël, het Midden-Oosten is. In elk verhaal is ofwel de schaduw, de dreiging of de gevolgen van terrorisme merkbaar. De aanwezigheid van engelen en diverse positieve reïncarnaties zorgen daarbij voor een tegenstrijdig beeld die de werkelijkheid verzachten.
    Keret schrijft over Israëlische mannen, vrouwen en kinderen.
    Niet verwonderlijk, als je weet dat Etgar Keret in Tel-Aviv in 1967 geboren werd, en dat zijn hele leven vanaf het begin een politiek oormerk draagt. Overigens schuwt Keret karikaturale beschrijvingen van zijn geboorteland zeker niet. Lees bijvoorbeeld het begincitaat en het eerste verhaal.

    Alle 39 verhalen zijn zeer de moeite waard! Deze stuk voor stuk bespreken is dan ook niet aan de orde, maar toch, om de nieuwsgierigheid te prikkelen…:

    In ‘De Teef’ ziet een weduwnaar in een hondje het gezicht van zijn overleden vrouw Chalina. En zij praat met hem!
    ‘“Ben je nu blij?” vroegen de ogen van de poedel. “Het gaat” Hij keek terug. “Het is moeilijk alleen te zijn. En jij?” “Niet slecht”. De poedel opende zijn bek in wat bijna een glimlach leek. “Mijn bazin zorgt goed voor me, ze is een goede vrouw. Hoe gaat ’t met onze dochter?”’

    Hoofdpersoon Osjri in ‘Slecht Karma’ probeert in zijn nachtelijke dromen de coma opnieuw te beleven waarin hij zes wekenlang heeft gelegen na een ongeluk. ‘Hij herinnerde zich de kleuren en de smaak en de frisse lucht die zijn gezicht verkoelde. Hij herinnerde zich de afwezigheid van herinnering. (…) Hij wist niets, alleen dat hij leefde. En alleen die wetenschap vervulde hem van een enorm geluk.’ (…) ‘Je behoort geen geluk te beleven aan je coma terwijl de vrouw en dochter zich aan je bed de ogen uit hun kop huilen. Dus toen zij vroegen of hij zich er iets van herinnerde, zei hij van niet.’

    In ‘Pudding’ droomt Avisjai dat hij weer kind is en bij zijn moeder woont die heerlijk eten voor hem klaar maakt… Hij stelt het moment van wakker worden uit om dit gelukzalige gevoel te laten voortduren.

    In ‘Goudvis’ maken we kennis met een goudvis die de drie wensen van Sergei laat uitkomen. Maar wat wordt nu zijn derde wens?

    In ‘Guave’ verscheen 40 seconden vóór Sjkedi aan zijn eind kwam, een engel, helemaal in het wit, die hem meedeelde dat hij een laatste wens kreeg. Wat wenst Sjkedi? ‘Vrede op aarde!’.
    En hoe gaat het verhaal dan verder?

    Zou de lezer dezelfde beslissing hebben genomen als de patholoog-anatoom in  ‘Verrassingsei’ toen hij bij autopsie van een slachtoffer van een zelfmoordterrorist bemerkte dat deze jonge vrouw van 32 jaar binnen zeer korte tijd een onvermijdelijke dood zou zijn gestorven? De echtgenoot het wel vertellen of niet? De filosofische gedachten van deze arts zijn zeer de moeite van het lezen waard. Misschien is dit wel het mooiste verhaal van de bunde! Het enige verhaal overigens dat een opdracht heeft ‘Voor Danny’ en al eerder verschenen is in Gaza Blues (2006).

    Verrassing van Etgar Keret verscheen oorspronkelijk bij Kinneret Zmora-Bitan Dvir als PitomDfika Ba-Delret. Deze verhalen werden uit de Amerikaans-Engelse vertaling (Suddenly, a Knock on the Door) vertaald door Adriaan Krabbendam onder supervisie van Ruben Verhasselt, die de tekst vergeleek met de Hebreeuwse brontekst. De Nederlandse vertaling is erg eigentijds. Korte, simpele zinnen. Veel spreektaal. Als korte scenario’s voor een film.

    Nog een laatste citaat, uit ‘Verrassingsei’. Veel van de genoemde pluspunten zijn hierin verenigd.

    ‘Slachtoffers van aanslagen worden voor autopsie overgebracht naar het Instituut voor Forensische Geneeskunde (…). Veel mensen met sleutelposities in de Israëlische samenleving zetten vraagtekens bij deze procedure (…)  “Een lijk is geen verrassingsei dat je openmaakt zonder te weten of je er een zeilscheepje, een raceautootje of een koalabeertje in zult aantreffen. Want als ze sectie verrichten, vinden ze altijd dezelfde dingen: kogeltjes, spijkers of metaalscherven. Kortom, heel weinig verrassingen. Maar in dit geval. (…)’

    Van Etgar Keret verscheen onder meer de bundel Pizzeria Kamikaze. Zijn boeken verschijnen in meer dan 30 landen en hij publiceert onder andere in The New York Times en Le Monde. Naast schrijver en universitair docent is Keret filmmaker.