• Fotosynthese 22 – Dagen en nummers van betekenis

    Fotosynthese 22 – Dagen en nummers van betekenis

    Als ik een sirene hoor van een ambulance of politieauto denk ik vrijwel altijd aan Georges Perec. Het is nooit bij me op gekomen dat op te schrijven tot ik De jonge helden van de Sovjet-Unie van Alex Halberstadt las. Hij vertelt daarin over zijn grootvader, de jood Semyon,, die de nazi’s overleefde door te vluchten, zonder zijn moeder en broer. Moeder dacht dat ‘het’ wel mee zou vallen en de broer wilde bij zijn moeder blijven. Beiden werden zij vermoord. Toen Semyon na de oorlog terugkeerde voelde hij zich daar schuldig over. Hij had meer moeite moeten doen om ze te overtuigen van het gevaar, vond hij. In zijn dromen zag hij hun huis met het nummer 10-9 in het Litouwse Kaunas terug. Hij besloot om nummer 19 in zijn leven te vermijden omdat het ongeluk en misschien zelfs de dood zou kunnen brengen. Omdat hij geboren was op 9-10(-1915), samen ook weer 19, besloot hij voortaan als geboortedatum een andere aan te houden (het willekeurige 15 november).

    Ik ken in de literatuur geen andere gevallen van het mijden van een datum vanwege een geladen betekenis. Wel van het uitdrukkelijk gebruiken ervan. Een foto als deze is er evenzeer mee verbonden. Hij is genomen in 1942 of 1943 in Drancy, het Franse Westerbork. We zien moeders en, wat meer op de achtergrond, kinderen. De vrouw die op de foto had kúnnen staan, is er niet op te zien; haar zoon ontbreekt zeker. Hij heeft nooit in Drancy gezeten.

    Georges Perec was het kind van Pools-joodse ouders, vader Icek en moeder Cyrla. Beiden waren hun land ontvlucht vanwege het toenemende anti-semitisme (men leze Bloedlanden van Timothy Snyder of – recenter – Liever dier dan mens van Pieter van Os daarover) en in 1934 in Parijs met elkaar getrouwd. Hun enige zoon Georges werd in 1937 geboren. Hij was op zijn zevende al wees. Icek sneuvelde als soldaat vroeg in de oorlog. Georges was in het voorjaar van 1942 uit voorzorg ondergebracht op het platteland vér van Parijs. Hij maakte daarom de beruchte razzia’s van juli 1942 waarbij zijn moeder werd opgepakt niet mee. Via Drancy werd ze naar Auschwitz gedeporteerd. Niet bekend is wanneer ze daar stierf. Pas in 1958 gaf de Franse regering een verklaring uit waarin ze als sterfdatum 11 februari 1943 kreeg, de dag dat haar trein uit Drancy vertrok. Het afgesneden zijn van zijn afkomst en joodse wortels werd een vast thema in Perecs werk; de cijfers van de datum, geschreven als 2-11 of als 11-2, keren daarin herhaaldelijk terug.

    De Franse naam van de verklaring uit 1958 was ‘Acte de disparition’ – verklaring van verdwijning. Ik denk dat zijn speelse geest al heel snel gezien heeft dat ‘la disparition’ bestaat uit een lidwoord van 2 en een substantief van 11 letters. De verklaring werd de titel van een roman over de betekenis van de verdwijning van zijn moeder voor hem persoonlijk en voor zijn daardoor broze eigen identiteit. La Disparition verscheen in 1969 en baarde vooral opzien omdat in de roman de letter E niet voorkomt. Maar hij is veel meer dan een lipogrammatische stunt. Het ontbreken van die klinker is namelijk ook de motor die de meerlagige plot drijft. Het is een metafoor voor de uitsluiting van joden en het ontbreken van zijn eigen verleden.

    Minder opvallend is de verwijzing naar 14 februari in Perecs magnum opus Het leven een gebruiksaanwijzing uit 1978. Dit complexe amalgaam van verhalen, gekoppeld aan de bewoners van 99 ruimten van een appartementengebouw op 23 juni 1975, kort voor acht uur ’s avonds. Het adres ervan is rue Simon-Crubellier 11 in Parijs: twee namen (van vrienden van Perec) en het huisnummer 11. Ofwel 2-11. Dat gebeurt binnen deze roman nog eens als Perec het interieur beschrijft van Grégoire Simpson, één van de bewoners (zijn naam doet meteen denken aan Gregor Samsa uit De gedaanteverwisseling van Kafka). Daaronder is het boek ‘Achttien colleges over de industriële samenleving van Raymond Aron, dat op bladzijde 112 openlag’. Deze Simpson is ook de protagonist in Perecs Een man die slaapt uit 1967. Hetzelfde boek ligt daarin geopend op pagina 112 op zijn schoot. Maar nu met de belangrijke toevoeging dat hij na die bladzijde stopt met lezen: hij stopt waar het leven van Perecs moeder eindigde.

    Er zijn meer voorbeelden, al zal niet iedereen ze opmerken. Als lezer en herlezer kan ik ze zelf nauwelijks meer over het hoofd zien, zelfs niet in het boek van een ander. De jaren van Annie Ernaux deed me regelmatig denken aan Je me souviens van Perec (de Nederlandse vertaling verschijnt waarschijnlijk volgend jaar). Tegen het einde noemt Ernaux de titel van dat boek ineens. Één keer en in de laatste regel van de betreffende bladzijde, net boven paginanummer: 211. Het spijt me soms dat Perec, gestorven in 1982, niet meer de invoering van het alarmnummer 112 heeft meegemaakt. Het was hem vast bevallen.

     

    Fotograaf onbekend.


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan

     

  • ‘We zitten niet in een roman van Dostojewski.’

    ‘We zitten niet in een roman van Dostojewski.’

    De Russische mens stuntelt door het leven vol leugens, bedrog, corruptie en gemarchandeer. Hij aanvaardt uiteindelijk wat er aan ellende op zijn pad komt, want het kan altijd erger. Dat is de toon van de verhalen in het pas verschenen De wereld is niet stuk te krijgen van Maxim Osipov. Het is een bundeling van dertien verhalen (het Voorwoord, dat eigenlijk ook een verhaal is meegerekend) van de in 1963 in Rusland geboren en deels in Amerika opgeleide cardioloog en muziekkenner. Een mooi voorbeeld van die omgang van de Rus met zijn dagelijkse omstandigheden vinden we in het verhaal De zigeunerin. Daarin vertelt een arts die zijn werk best interessant vindt, maar er nauwelijks aan verdient, hoe hij zijn inkomsten aanvult door patiënten naar Amerika te brengen. Daar kunnen ze een betere behandeling krijgen en bovendien levert het hemzelf zeshonderd dollar op.

    Met de zigeunerin uit de titel vliegt hij naar Portland en vertelt in een bijna kolderiek verslag hoe die reis aanvankelijk naar het verkeerde Portland (er ligt een stad van die naam in Oregon en in Maine) voert en gepaard gaat met gehannes op luchthavens en met douanepersoneel, ongemakken in het vliegtuig en karikaturale verschillen tussen Rusland en Amerika. En als klap op de vuurpijl rijdt de arts, weer terug in Rusland, met zijn auto tegen een muur waardoor zijn zeshonderd dollar opgaat aan reparaties. En toch: wachtend tot de auto gemaakt zal zijn en op de koptelefoon luisterend naar Mendelssohn, realiseert hij zich dat hij gelukkig is.

    In bijna alle overige verhalen blijken de personages die weldadige berusting in hun lot te voelen terwijl de macht van de boven hen gestelden zich tegen hen keert en, hoewel iedereen voor de wet gelijk is, sommigen – om met Orwell’s Animal Farm te spreken – méér gelijk zijn dan anderen: ‘Om het even of het nou in Moskou, Petersburg of de provincie is, het leven is angstaanjagend. Laat ik zeggen, óók angstaanjagend. In het leven komen dingen voor waar je onmogelijk over kunt schrijven (…) Maar daarna wordt het dag, en verschijnen de vogels weer. De vogelen des hemels, de tamme en de wilde vogels, vogels van allerlei pluimage. De wereld is niet stuk te krijgen, wat er ook gebeurt. Zo zit hij in elkaar’.

    De wereld is niet stuk te krijgen zit vol zelfspot en ironie over de lotgevallen van de mens. En uiteindelijk concluderen de personages van Osipov dat ze eigenlijk gelukkig zijn.

    Kraaien

    Veel van de vertellingen, vooral de langere, hebben een absurdistische inslag en een springerige cadans: de verhaallijnen volgen zelden een lineair verloop. De lezer krijgt de gebeurtenissen voorgeschoteld vanuit de steeds afwisselende gedachtenwerelden van de personages en niet altijd in chronologische volgorde. Daardoor weet hij soms niet meteen vanuit wiens perspectief iets wordt opgemerkt. Dat perspectief kan zelfs binnen korte alinea’s ineens wisselen. Daar komt bij dat de verhalen vol speelse verwijzingen zitten naar merendeels Russische literatuur en muziek die Nederlandse lezers niet meteen herkennen. Gelukkig geven de vertalers daar verklarende noten bij.

    De perspectiefwisselingen zijn bijvoorbeeld sterk in het verhaal Een renaissanceman over een ‘boss’, een rijke zakenman van het bedrijf Trinity. We horen via een pas aangenomen assistent hoe een muziekleraar en een historicus (de een geeft hem pianoles, de ander Bijbelleer) over hun opdrachtgever denken, afgewisseld met de gedachten van die assistent en de baas zelf. De boss zelf doet maar wat; hij kan nauwelijks piano spelen en steekt van de Bijbel weinig geschiedenisbesef op. Hij houdt zich liever bezig met kraaien uit de lucht schieten en achter de vrouwen aan zitten. Het levert prachtige passages op, bijvoorbeeld over de verwikkelingen nadat hij één van die liefdes, Lora, La voix humaine van Poulenc (gebaseerd op het beroemde stuk van Cocteau) heeft horen zingen. De gedachtenwisselingen tussen Lora en hem verlopen deels in de vorm van citaten uit de tekst van Cocteau/Poulenc. Dat doet meteen denken aan hoe Osipov in een interview in de Los Angeles Review of Books ooit over zijn verhalen zei: ‘Net als een sonate moet een kort fictiewerk veel elementen comprimeren en worden opgebouwd uit veranderingen in ritme, tonaliteit, enz. Dat zijn de aspecten die het verhaal drijven – niet het onderwerp’.

    Dood en moord

    Die verwantschap met muziek valt ook op in de tempi van sommige verhalen. Zo wisselen in Steen, papier, schaar langzame delen en snelle passages elkaar af. In dit verhaal dat zich afspeelt op Internationale Vrouwendag (een soort Moederdag in Rusland),  lopen diverse verhaallijnen door elkaar. Ze wervelen echter allemaal op één of andere manier rond de omgang tussen mannen en vrouwen. Centraal staat de gescheiden Ksenia. Ze bezit een huis annex restaurant en heeft als buurman een leraar Russische taal- en letterkunde, die Ksenia’s dochter Vera les heeft gegeven. Vera is enkele jaren daarvoor overleden en dat belast zowel de moeder als de leraar met een schuldgevoel. Verder is er Roxana, een vrouw uit Tadzjikistan, die bij Ksenia in dienst is en op zeker moment de burgemeester heeft vermoord toen die haar wilde verkrachten. Ksenia en Roxana groeien naar elkaar toe. Het verhaal voert de lezer langs de Russische rechtspraak (‘De rechtbank is meer voor plezier dan voor zaken’) en tekent een bijzonder intelligente Roxana. Als ze dreigt te worden uitgezet naar haar geboorteland neemt Ksenia het voor haar op. Steen, papier, schaar is (naast De mijnstad Eeuwigheid) het verhaal dat de meeste toespelingen op de Russische literatuur bevat. Niet alleen omdat de buurman het vak doceert, maar ook omdat Roxana veel gelezen blijkt te hebben. Het leidt tot komische taferelen, bijvoorbeeld als Ksenia tijdens een bezoek aan Roxana in de gevangenis voor haar op de knieën valt en van haar als reactie krijgt: ‘We zitten niet in een roman van Dostojewski, sta nou op. Kom overeind, heeft u gedronken of zo?’

    Oidipus

    De mijnstad Eeuwigheid is net als Steen, papier, schaar, een raamvertelling. Hoofdpersonage Alexander Ilvjev is dramaturg. Hij heeft van zijn arts te horen gekregen dat hij nog maar kort te leven heeft. Die arts hoort niets meer van zijn patiënt die wel van de aardbodem verdwenen lijkt, maar hij ontdekt wel een schrift dat deze Alexander waarschijnlijk bewust heeft laten liggen. Daarin heeft hij zijn wederwaardigheden in het stadje Eeuwigheid beschreven. Mocht de lezer zich afvragen of het een verzonnen naam is: ‘plaatsen met de naam Eeuwigheid kun je op de kaart vinden. En niet alleen Eeuwigheid, ook Geluk, Trouw, Moed’.
    Alexander – troetelnaam Sasja – is in het mijnstadje een theater gestart dat allerlei klassieken als Hamlet en Oidipus speelt in de hoop dat de communistische inspecteurs het gezelschap daarvoor niet zullen bestraffen. Er komt een eind aan als het stadje wordt opgeheven. De officiële verklaring is dat de mijnen te weinig opbrengen. Pas veel later hoort Alexander de echte reden. Eeuwigheid wordt gebruikt voor rakettesten. De politiek heeft zich opnieuw weinig aan burgers gelegen laten liggen. ‘Maar de oorlog is toch voorbij’, denkt Alexander. ‘Voor sommigen wel’, hoort hij anderen verzuchten.

    Hulde tenslotte aan de vertalers. Je zou als lezer die geen Russisch kent misschien graag willen weten wat er in het origineel staat bij teksten als ‘lul-de-behanger’, ‘van de pot gerukt’, ‘vooruit met de geit’ en ‘genoeg geouwehoerd’ of in het geval van taalgrapjes als ‘Sasja was sowieso in zijn sas, ja’. Maar het taalgebruik is zo soepel en passend in de context dat je geen moment het gevoel krijgt dat de vertalers van De wereld is niet stuk te krijgen niet trouw zouden zijn gebleven aan Maxim Osipov.

     

     

  • Verwarrende poging om Picasso 150 jaar later terug te vinden in Schoorl

    Verwarrende poging om Picasso 150 jaar later terug te vinden in Schoorl

    In 2016 was in het Stedelijk Museum Alkmaar een expositie te zien van werk dat Pablo Picasso maakte toen hij in 1905 korte tijd in Schoorl verbleef. Hij was er naar toegelokt door de (aankomend) journalist Tom Schilperoort, die in Parijs met enkele Nederlandse schilders in de kringen van Picasso verkeerde. In Schoorl leerde Picasso Nelly Timmer, Schilperoorts vriendin, kennen. Zij zou de jonge vrouw kunnen zijn die hij op La belle Hollandaise afbeeldde. Al twintig jaar voor deze expositie schreef Kees Koomen het boekje Picasso in Holland. Daarin constateerde hij dat er de nodige vragen blijven bestaan over wat er in 1905 precies voorviel en dat onze fantasie het beeld zal moeten completeren. Christiaan Weijts vatte dat op als een uitnodiging. Het resultaat is de roman Furore.

    Op zoek naar een inbedding van die reconstructie zal Weijts op de gedachte zijn gekomen dat het in 2055 precies 150 jaar geleden zal zijn dat Picasso Schoorl bezocht. Hij hangt Furore op aan een project om dat feit in 2055 toeristisch uit te buiten. De voorbereidingen daarvoor beginnen in 2054, het jaar waarin een groot deel van de roman zich afspeelt. Het is een tijd waarin razendsnel met de hyperloop naar Parijs gereisd wordt, een deel van Nederland weer ontpolderd is, het gewoon is om je met een hololens door je werk en het leven te bewegen en de vluchtingenstroom wordt tegengehouden door elektrozones. Twee vrienden, ondernemer Freek en kunsthistoricus Kris, werken in opdracht van Fransen en Chinezen aan een Picasso Xperience, een project waarin je vanuit zelfrijdende auto via Virtual Realitybril Picasso kunt zien lopen op plekken die hij in 1905 aandeed. Menige lezer zal zich bij zo’n uitgangspunt afvragen of het wel zo sterk is: zou een minuscuul detail uit het leven van Picasso in 2055 interessant genoeg zijn om daar 150 jaar na dato een toeristisch circus voor op te tuigen dat een internationale trekpleister moet worden?

    Uitvreter

    Freek is de man achter de technische ontwikkeling, Kris stort zich op het boven water halen van het werkelijke verhaal van Picasso en Schoorl. Zijn interesse geldt oorspronkelijk Picasso maar het is al snel de Nederlander Tom Schilperoort die hem meer boeit. Weijts heeft veel research gedaan en zijn personage Kris in staat gesteld een verhelderende biografie te schrijven. De roman Furore speelt zich daarmee af in twee tijdvakken, in 1905 (meer uitgebreid de tijd van 1882 tot 1930 dat Schilperoort leefde) en in 2054. In de roman zijn ze onderscheiden door de nummering van hoofdstukken en paragrafen, respectievelijk  in Romeinse en Arabische cijfers.

    Schilperoort was de man op wie Nescio, volgens Enno Endt, De uitvreter baseerde. Hij was een bohemien die in Parijs met kunstenaars als Picasso en Nederlanders als Kees van Dongen en Otto van Rees omging. Schilperoort scharrelde in het begin zijn kostje bijeen met gelegenheidsstukjes voor kranten, maar ging later boeken schrijven, vooral over auto’s. Omdat zijn vriendschap met Picasso vrijwel meteen na ‘Schoorl’ bekoelde loopt dit biografische deel van de roman al snel weg van de aanvankelijke onderzoeksopdracht voor het Xperienceproject. Zozeer dat je je soms afvraagt wat deze Schilperoortbiografie nog te maken heeft met het 2054-verhaal. En er is meer dat dit Schilperoortdeel, hoe interessant op zich ook, niet volledig geslaagd maakt. Soms verliest Weijts zich via Kris teveel in details. Dat gebeurt bijvoorbeeld als hij op zoek gaat naar de omstandigheden waarin de foto is gemaakt waarop Picasso, Schilperoort en Nelly Timmer samen staan (hij is voor in de roman opgenomen). De maker ervan zou Schilperoorts broer Gijs geweest kunnen zijn, maar waarom moet daaraan worden toegevoegd ‘die later leraar Frans wordt (…) en in 1938 directeur wordt van de Gemeentelijke Handelsschool in Den Haag, in dat grote, kathedraalachtige schoolgebouw dat nog altijd op de hoek van (…) staat.’?

    Stamcellen

    Complexer is het deel van de roman dat in 2054 is gesitueerd, het jaar waarin Kris al die onderzoeken doet. Daarin tuimelen de verwikkelingen over elkaar. Met hun auto rijden Kris en Freek een jonge vrouw aan, Safa. Ze blijkt lid te zijn van de vlakbij gevestigde soefigemeenschap. Safa kan als gevolg van de aanrijding niet meer goed zien en komt terecht in de kliniek van Evy, de vriendin van Freek. Terwijl Freek en Kris zich in allerlei bochten wringen om de werkelijke toedracht van het ongeval te verhullen, ontdekt Kris ineens dat Evy bezig is met de ontwikkeling van een stamceltherapie met cellen van embryo’s die Safa’s gezichtsverlies misschien zou kunnen genezen. Daartussendoor loopt het Xperienceproject, waarvan de Chinezen uiteindelijk om ethische redenen afzien omdat ze ontdekt hebben dat Freek ook de ontwikkelaar is van Deep Undress, een techniek waarmee je op straat vrouwen virtueel kunt uitkleden. En er zijn politieke verwikkelingen waaraan partijen meedoen als de Liberale Democraten, de Digitale Democraten en Licht, de soefipartij, waarvan de leider wordt neergeschoten.

    Projectiescherm

    Zoals hiervoor gezegd: soms vraag je je af wat beide verhaallijnen die zover in tijd uit elkaar liggen met elkaar te maken hebben. Weijts doet pogingen om ze te verbinden door uitspraken als: ‘Misschien is het altijd al zo geweest dat het heden de plek lijkt waar de geschiedenis voltooid is, maar niet eerder werd dit zo versterkt doordat de wereld op zoveel plekken vooral nog het projectiescherm was van eerdere gebeurtenissen’. Of (sprekend over de soefibeweging): ‘Ik dacht opnieuw aan Tom. Ook in zijn tijd was er die drang geweest van allerlei idealisten om het anders te doen, om er uit te stappen, om terug te keren naar de natuur en aan je spirituele groei te werken’.
    Die verbinding tussen 1905 en 2054 legt Weijts ook intertekstueel door het verhaal over 2054 te doordesemen met citaten of parafrases daarvan die ontleend zijn aan Nescio (‘Ik ben goddank helemaal niets’), Kees van Dongen (‘Zien is niet alleen een kwestie van kijken’) en Picasso (‘Als ik een wild paard schilder, zie jij misschien helemaal geen paard. Maar je zult hoe dan ook de wildheid zien’). Ook zijn er een paar parallellen die mogelijk bedoeld zijn om de verhalen te verbinden. Net zoals het de vraag is of Picasso of Schilperoort de vader is van de dochter die Nelly ongeveer negen maanden na Picasso’s bezoek in 1905 krijgt, zo dient zich die kwestie in 2054 aan als Evy zwanger is: is het van Freek of van Kris?

    Ook de titel van de roman, Furore, verbindt de verhalen door de meervoudige betekenis van het woord. In het leven van de Parijse schilders staat het voor succes, furore maken. In beide geschiedenissen staat het begrip ‘furor’ ook nog eens voor woede, als Weijts zijn personages laat filosoferen over de dichtregel van Petrarca ‘Virtu contra furore prendera l’arme’ (deugd/moed zal de wapenen opnemen tegengeweld/woede). En tenslotte is er nog het plaatsje Furore in Italië, waar de soefiste Safa haar ‘bevrijding’ ervoer.

    Kogel van rechts

    Furore speelt zich dus af in geheel verschillende tijdvakken, 1905 en 2054. Maar voor de lezer is er natuurlijk nog een derde: de tijd waarin deze roman verschijnt en hij hem veelal zal lezen, en die zijn referentiekader is voor 1905 en 2054. Weijts maakt daar soms handig gebruik van door grappig aandoende verwijzingen. Zo vermeldt hij dat Kris verwekt werd in de nacht waarin de Notre-Dame in Parijs in brand stond (15 april 2019). En na de moord op de lijsttrekker – en beoogde premier – van de soefipartij, die inderdaad meteen aan de moord op Pim Fortuyn doet denken, heet het al snel dat ‘de kogel van rechts kwam’.

    Met Furore heeft Weijts een intrigerende ‘uitvreter’ ten tonele gevoerd, maar het lijkt er toch op dat hij de uitnodiging die hij zag in het boekje Picasso in Holland wat te ruim heeft opgevat om de lezer steeds vast te houden.

     

     

  • Oogst week 3 -2021

    Vuurtorenberichten

    In 1896 kwam postuum Record of a Family of Engineers van Robert Louis Stevenson uit. Daarin ging hij op zoek naar de verbanden tussen de verhalen van zijn vader, opa en stiefvader, die allemaal ingenieurs en uitvinders waren van vuurtorens. Hij legde zo, zoals hij het zelf omschreef, een reis af door de afgelopen eeuwen. De Mexicaanse Jazmina Barrera (1988), schrijver van essays en verhalen, had als kind eens een droom van een vuurtoren (ze had er nog nooit een gezien) aan de voet waarvan haar ouders woonden.

    Op haar vraag wat in de toren te zien zou zijn, antwoordde haar vader: ‘Enkel het skelet van een vleermuis’. Die droom en de latere kennismaking met het boek van Stevenson waren het startsein voor een reis langs vuurtorens. Het verslag daarvan, Vuurtorenberichten, is tevens een onderzoek naar haar eigen schrijverschap.

    Vuurtorenberichten
    Auteur: Jazmina Barrera
    Uitgeverij: Karaat, Uitgeverij

    De tuinen van Buitenzorg

    Ook Jan Brokken werd op het spoor gezet van een levensverhaal door een kennismaking met een kunstuiting: niet een boek (zoals vorig jaar in zijn Het eiland van Jean Rhys), maar met een muziekstuk. Hij hoorde op de radio De tuinen van Buitenzorg, een pianostuk van de Poolse componist Leopold Godowsky (1870-1936). Dat deed hem denken aan  de brieven die zijn in Nederlands-Indië wonende moeder in de tijd vóór zijn eigen geboorte in 1949 schreef aan haar Nederlandse zus. Zijn moeder was in 1935, toen ze 23 was met haar man naar Java verhuisd en in 1947, getekend door het Jappenkamp, teruggegaan naar Nederland.

    In De tuinen van Buitenzorg combineert Brokken de beschrijving van het verblijf van zijn moeder in Nederlands-Indië (op basis van haar brieven en de herinneringen van zijn oudere broers) met beschouwingen over taal en muziek, zoals die van Godowsky. De beoogde verschijningsdatum is 2 februari.

    De tuinen van Buitenzorg
    Auteur: Jan Brokken
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Knikkerkoning

    Kira Wuck is de dochter van een Finse moeder en een Indische vader, die elkaar leerden kennen in het Vondelpark. ‘Mijn vader schepte veel op. Hij was de beste geweest in knikkeren, in schaken en dammen en noem maar op. Hij had geen fijne jeugd gehad, maar hij vertelde altijd mooie verhalen’, vertelde Wuck onlangs in Het Parool.

    In haar eerste roman Knikkerkoning beschrijft ze haar versie van de jonge jaren van haar ouders. ‘Voor mijn boek vond ik het vooral interessant om een soort tijdgeest te laten zien waarin nog niet alles zo voorgekauwd was. Ik vind het nu soms wel heel bekrompen. Er was in die tijd meer anarchie, meer vrijheid, meer tijd om jezelf te ontplooien. Er was meer ruimte voor mensen die eigenlijk niet in het systeem passen’, zegt ze in hetzelfde gesprek. Het is een verhaal geworden over harde levens en toch een eerbetoon.

    Knikkerkoning
    Auteur: Kira Wuck
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij
  • Dansen en knutselen voor een betere wereld

    Dansen en knutselen voor een betere wereld

    Principes en idealisme zijn mooi. Maar er zijn grenzen. Tristan, één van de hoofdfiguren uit De Saamhorigheidsgroep van Merijn de Boer, verzucht na de afrekening met een ingewikkelde driehoeksverhouding tussen zijn vrouw, diplomaat Bernard Wekman en hemzelf dat het gedachtegoed dat hij altijd had aangehangen niet bruikbaar was als het ging om de pijnlijke, donkere krochten van je ziel.
    De Saamhorigheidsgroep is in de gelijknamige roman van De Boer een club van vrienden die zo eenvoudig mogelijk leeft en allerlei projecten in de derde wereld financieel wil steunen. Ze dragen uitsluitend tweedehands kleren, verplaatsen zich per fiets, dansen naakt in de natuur, de mannen knutselen met elkaar en er wordt tweewekelijks vergaderd over nieuwe projecten en de bewaking van de linkse opvattingen.

    De kans is groot dat degene die deze inleidende zinnen leest een groep geitenwollensokken lieden voor zich ziet, waarmee in deze roman eens flink de draak wordt gestoken. De Boer laat je inderdaad grijnzen bij de cultuur van de groep en het gedrag van haar leden, maar hij vermijdt daarbij knap de ridiculisering en laveert behoedzaam langs de valkuil die meligheid heet. Hij slaagt erin de leden van de groep in al hun naïviteit op te voeren en tegelijk een zekere sympathie te kweken. De onderlaag van de geschiedenissen die hij beschrijft is wel degelijk een serieuze vraag naar hoe we onze oordelen vormen en welke keuzes we maken. Inderdaad: hoe ‘we’ dat doen; we worden als lezer in het verhaal getrokken en blijven geen buitenstaanders die ons louter vermaken om de onhandigheden van een clubje wereldverbeteraars waarom we hartelijk kunnen lachen omdat ze niet tot onze wereld behoren.

    Rode Volvo

    Het middel dat De Boer daarvoor gebruikt is het personage Bernhard Wekman, een ambtenaar die werkzaam is bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken en in de hoogtijdagen van de club op de nominatie staat voor buitenlandse diplomatieke missies. Hij wordt door zijn vroegere studievriend Felix geïntroduceerd. We hoeven ons niet met hem te identificeren om ons toch via hem in de groep onder te dompelen.
    Bernhard voelt zich er eigenlijk helemaal niet thuis, maar blijft toch, zeker als hij zich aangetrokken voelt tot Liza, de vrouw van de hiervoor al genoemde Tristan. Anderzijds komt hij voortdurend in conflict met zichzelf. Hij is de enige die een auto, een rode Volvo, bezit wat hij angstvallig geheim probeert te houden. Hij zoekt naar smoezen om als Rijksambtenaar niet deel te hoeven nemen aan een demonstratie tegen de opslag van kernafval, maar gaat toch omdat hij dan in elk geval Liza kan zien. Hij blijft een deelnemer die zich maar niet kan overgeven. In de vergaderingen dragen de leden projecten aan die steun verdienen, maar hij voelt zich daar als ambtenaar geremd in. Pas als de eigenaar van zijn favoriete stamppotcafé, die is weggepest door een klant, een nieuwe nering is begonnen in de mijnstreek in Wallonië, durft hij steun aan Waalse mijnwerkers voor te stellen.

    Studeren op de wc

    Bernhard vertegenwoordigt een botsing van culturen, die van zijn werkkring en die van de Saamhorigheidsgroep. Bij de geboorte van een kind doet hij een grote beer cadeau terwijl een ander lid van de groep een appel (onbespoten natuurlijk) geeft. Verder roepen, naast de Volvo, het pak van Bernhard en zijn dure hoed afwijzing op. Maar het komt de leden uitstekend uit als ze vier weken willen kamperen in Frankrijk om te onderzoeken of ze een commune kunnen beginnen: ze rijden dan in de Volvo en een geleende auto zuidwaarts en laten Bernhard voor de benzinekosten opdraaien.

    Een amusant voorbeeld van de scherpstelling van principes binnen de groep lezen we als mevrouw Hennis, de moeder van Felix overlijdt. Hij erft een bedrag van zes ton van haar, maar de groep brengt hem in verlegenheid als hij gewezen wordt op het beginsel dat de leden tien procent van hun inkomsten voor projecten aan de groep afstaan. Het leidt tot een discussie over de vraag of een erfenis een inkomen is, maar ook over wat je als eigenbelang mag opvoeren. De kleinbehuisde Felix en zijn vrouw Hester willen juist groter gaan wonen en hij wil een echte studiekamer zodat hij voor zijn proefschrift niet langer op de wc hoeft te werken.

    Fietsenmaker

    Het leidt tot komische dialogen. De voorzitter van de vergadering, Bronno Koolmees, wil na het overlijden van zijn ouders eveneens tien procent van zijn erfenis afstaan, dus moet Felix dat ook doen:

    ‘Maar goed, dat was heel weinig. Jouw vader was fietsenmaker’, zei Olga.
    ‘Dat is toch niet van belang? Het gaat om het principe.’
    ‘En als iemand’, vroeg Bernhard, ‘ik zeg maar wat, de loterij wint. Moet die daar dan ook tien procent van betalen?’
    ‘De loterij? Dat doen wij toch niet?’ zei Renate. ‘Hoe kom jij ineens bij de loterij?’ vroeg Ralf. ‘Ken jij mensen die loten kopen?’
    ‘Nee, nee, natuurlijk niet. Sorry’. Een lot kopen mocht blijkbaar ook al niet van de Saamhorigheidsgroep.

    De roman De Saamhorigheidsgroep beslaat voor het grootste deel het reilen en zeilen van de groep in de jaren 1982-1983 in de omgeving van Haarlem vanuit de optiek van de belangrijkste deelnemers, waaronder Bernhard. In 1984 vertrekt deze korte tijd voor een missie naar Jeruzalem. Dat relaas met al zijn amoureuze en dilettantistische verwikkelingen wordt omkaderd door de herinneringen van Bernhard in 2018 als hij permanent vertegenwoordiger voor Nederland is bij de VN in New York, en de verwerking van zijn verleden in 2019 als hij is teruggekeerd naar Nederland en weer leden van de nog altijd bestaande Saamhorigheidsgroep ontmoet. Ook hun leven is veranderd. Relaties zijn verbroken (iemand is lesbisch en een ander homo ‘geworden’) en de kinderen van de leden werken bij de multinationals waartegen hun ouders juist te hoop liepen. Het mooist zijn in dat hoofdstuk de bespiegelingen van Bernhard die nog altijd getuigen van een naïviteit maar je toch nog meer voor hem innemen.

    De beschrijving van de Saamhorigheidsgroep in de jaren 1982 en 1983 is zo treffend dat je als lezer zou kunnen denken dat Merijn de Boer ooit zelf deel van een soortgelijke groep moet hebben uitgemaakt. Hij is echter zelf pas in 1982 geboren. Hij moet dan ook goed hebben geluisterd naar zijn ouders. Die waren wel lid van een werkelijk bestaande Saamhorigheidsgroep. Afgezien van enkele anekdotes die hij van hen hoorde zijn echter alle gebeurtenissen verzonnen, schrijft De Boer in zijn verantwoording.
    Dat heeft hij dan bijzonder knap en realistisch gedaan!

     

     

  • Het land van de schone schijn

    Het land van de schone schijn

    De discussies over de EU-begroting voor 2021 in november 2020 werden niet zozeer getekend door financiële discussies als wel door kritiek van Hongarije en Polen op de opvatting dat landen die de rechtsstaat schenden minder geld uit Brussel moeten krijgen. De Hongaarse premier Orbán sprak van politieke chantage. Hij had het daarbij alleen over de verwijten van andere landen over het migratievraagstuk, maar Hongarije is op meer fronten bezig met de afbraak van de rechtstaat. In de onlangs verschenen bundel essays en verhalen Waar woont de haat? komen louter Hongaarse schrijvers aan het woord. Ze geven van binnenuit commentaar op wat er in hun land gebeurt. En dat is een zeer verhelderende aanvulling op wat via de westerse pers tot ons komt.

    De kont van Poetin

    Orbán wordt in de opgenomen stukken één keer genoemd. Dat is het geval in het bijtende Syrisch fragment van de classicus Gergely Péterfy uit 2015, die als journalist de Hongaarse politiek al jaren kritisch beschouwt. De titel van dit stuk verwijst naar een citaat van de Grieks-Syrische schrijver Lucianus van Samosata (2de eeuw na Chr.) die stelde dat de mensen verzot zijn op leugens; ze luisteren beter naarmate een verhaal van de onwaarheden aan elkaar hangt. Dat is precies wat Péterfy de Hongaren ziet doen. Hoe kon het, vraagt hij zich af, dat de West-Europese landen groeiden naar samenwerking en solidariteit nadat ze de monsters van oorlogen en nazisme hadden verslagen terwijl Hongarije (en andere postcommunistische staten) na de val van de Muur in 1989 ‘met ongekend succes juist die monsters weer nieuw leven inbliezen? (…) Ons land is gek geworden zoals een hond in een flatje op drie hoog, moederziel alleen achtergelaten toen zijn baasjes op vakantie gingen’.

    De grote meerderheid van de Hongaren is niet meer in staat om feiten van meningen te onderscheiden en het woord democratie lijkt niet méér te betekenen dan de vrijheid om allerlei onzin te spuien. De regering is in naam het verdedigingsschild van het Westen, maar haar leden verdedigen alleen ‘hun geld, de waanzin van hun achterban en de kont van Poetin’. Jegens vluchtelingen is er niet zozeer sprake van racisme als wel van jaloezie, gaat Péterfy verder. Waarom hebben zij wel smartphones en Adidas-schoenen en een mooi gebit? De Duitsers nemen de vluchtelingen op omdat het ze helpt bij de verwerking van hun historische schuldgevoel. Zo niet de Hongaren. Die hebben geen benul van schuldgevoel omdat het ontstaan van zo’n gevoel onmiddellijk in de kiem wordt gesmoord.

    In elkaar geflanste krotten

    Een fraai voorbeeld van wat Hongarije onder de rechtstaat verstaat lezen we in Het delict dakloosheid uit 2013 van de dichter Ákos Szilágyi. Orbán en de zijnen verdedigen zich met de bewering dat ze de fundamentele rechtsregel dat niemand strafbaar is zonder voorafgaande wettelijke bepaling wel degelijk toepassen zoals dat in elke rechtsstaat gebeurt. Maar in de praktijk gebeurt dat op een schandalige manier. Hongaren hebben recht op een menswaardig uitzicht op een mooie en schone omgeving, lijkt het uitgangspunt. Wég daarom met daklozen en armoedzaaiers in hun lompen en in elkaar geflanste krotten. Dus wordt een wet ingevoerd waarmee iedereen die zijn armoede tentoonspreidt strafbaar is. Dat is gewoon gelijkheid, redeneert men: we verbieden de arme sloeber net zomin als de rijke miljardair gewoon een huis te kopen of te huren. En zo gaat het voort in ‘het Hongarije van de schone schijn’, fulmineert Szilághyi. Na de armen zijn de vluchtelingen, de werklozen, de verslaafden, de zigeuners en de bejaarden aan de beurt om op die manier te worden aangepakt.

    Cynisme

    De bijdragen van Szilágyi en Péterfy zijn de meest venijnige, maar de bundel Waar woont de haat? is van een grote veelkleurigheid en diversiteit aan stemmen. De samenstellers hebben de verhalen en essays ondergebracht in drie thematische delen, het eerste over de identiteiten van Hongaren, het tweede over de haat en intolerantie jegens vreemdelingen en andersgeaarden en het derde over fysiek en geestelijk geweld tegenover kwetsbare groepen. Vooral in dat laatste deel zitten de venijnige en cynische stukken: de twee hiervoor genoemde, maar bijvoorbeeld ook Geluk van de dichteres Virág Erdös over grove mishandeling van vrouwen.
    Sommige zijn licht van toon en zelfs humoristisch, zoals Er was eens… van de schrijfster van sprookjesachtige boeken Aliz Mosonyi in het eerste deel. Van haar zijn acht grappige maar scherpe sprookjes ter lengte van één alinea opgenomen.

    Het niveau van de bundel is over het geheel genomen hoog. Toch springen er enkele verhalen uit, zoals het prachtige 1945 (Terugkeer) uit 2004 van schrijfster Gábor T. Szántó. Hierin wordt een klein dorp waaruit in de oorlog de joden zijn verdreven in 1945 bezocht door twee van hen die een groot aantal kisten uitladen uit een trein en ermee door het dorp rijden waar ze angstvallig worden begluurd door bewoners die hun bezittingen hebben geconfisqueerd en nu hun geweten voelen knagen. Het verhaal is zo beeldend beschreven en qua thematiek zo boeiend dat het niet helemaal verrassend in 2017 met groot succes door Ferenc Török werd verfilmd onder de titel Homecoming.
    Een tweede verhaal dat vooral raakt om zijn mededogen en zelfreflectie is het essay Arbeidsliederen (1990) van de ook in Nederland succesvolle Péter Nádas. Hij beschrijft daarin zijn persoonlijke ervaringen met een rechtse Hongaarse bouwvakker tijdens het bouwen van zijn huis.

    Waar woont de haat? (de titel van de bundel is gelijk aan één van de opgenomen stukken in het tweede deel) is een boeiende verzameling die veel duidelijk maakt over in Hongarije levende opvattingen, maar ook getuigt van een springlevende en geëngageerde literatuur. Het enige dat we er op zouden kunnen aanmerken is dat opvalt dat alle opgenomen auteurs (bijna) 50 jaar of ouder (György Konrád – 1933-2019 – is de oudste) zijn.
    Je zou na deze bundel zo graag willen weten hoe een nieuwe generatie naar haar land kijkt.

     

     

  • Literaire mijlpaal die het verdient meerdere keren herlezen te worden

    Literaire mijlpaal die het verdient meerdere keren herlezen te worden

    In de delen 3 en 4 van Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. Jahrestage schuiven de persoonlijke geschiedenis van Gesine, zoals ze die aan haar dochter Marie vertelt, en de hedendaagse zoals die wordt verslagen in de New York Times steeds meer naar elkaar toe. Dat is niet alleen het geval omdat Gesine’s verhaal loopt tot het eind van de jaren 50 en daarmee bijna tot ‘het jaar van Gesine’ van augustus 1967 tot augustus 1968, maar ook vanwege twee thema’s die elkaars spiegelbeeld zijn: de vorming van de DDR en de stalinisering van Oost-Europa na de Tweede Wereldoorlog aan de ene kant en de Praagse Lente in 1968 die juist was gericht op het socialisme met een menselijk gezicht, vrij van de knoet van Rusland, aan de andere kant.

    Bestreken de delen 1 en 2 globaal een periode van vijftien jaar tot begin 1945, in deel 3 blijven we in 1945 en 1946. Dat is niet verwonderlijk. In Jerichow, het dorp waar Gesine als kind woont, bereikt de oorlog, en vooral zijn nasleep, de inwoners nu pas echt. Tot dan toe hebben we nauwelijks gehoord wat de oorlog in Europa teweeg bracht. Het geweld speelde zich ver van Jerichow af. In 1945 valt die wereldgeschiedenis ineens de Mecklenburgse stad zelf binnen. Eerst komen de Engelsen, die als gevolg van internationale afspraken al snel vervangen worden door de Russen. Dan komt de dood in haar gruwelijke gedaante de huizen van Jerichow binnen. Er verdwijnen mensen, er zijn zelfmoorden, er zijn verkrachtingen van vrouwen door de Russen, en slachtoffers onder de door hen opgejaagde bewoners uit het oosten van het Derde Rijk, zoals Polen.

    Nazistront

    Heinrich Cresspahl, Gesine’s vader, heeft gecollaboreerd met de Engelsen en is door hen benoemd tot burgemeester van Jerichow. Hij laat de kans schieten om met ze mee te gaan als zij weer vertrekken en de macht overdoen aan de Russen; hij wil omwille van zijn dochter, die dan aan tyfus lijdt, en de Poolse vluchtelingen thuis blijven. Als de Russen Heinrich in zijn functie handhaven bezorgt hem dat onder de andere inwoners al snel de benaming ‘Russenknecht en volksverrader’. Maar het burgemeesterschap duurt kort; hij wordt al snel door de Russen juist als ‘oud stuk nazistront’ gearresteerd. Iedereen merkt aan den lijve ‘dat de oorlog ook hierlangs was gekomen, en er zijn intrek had genomen’. De vriend van de ene dag is de volgende dag je vijand. Helden worden ineens slachtoffers en lafaards worden op het schild geheven. Gesine – haar moeder Lisbeth heeft kort voor de oorlog zelfmoord gepleegd – wordt opgevoed door Marie Abs en haar zoon Jakob die in de laatste oorlogswinter als vluchtelingen bij hen in huis zijn gekomen.

    Hand op haar schouder

    De veranderingen betekenen dat Gesine, dan twaalf jaar oud, meer dan ooit de grote geschiedenis ervaart. De beschrijvingen daarvan door Johnson zijn van een wrede schoonheid. Als ze een kapel binnenloopt die als mortuarium is ingericht ziet ze de doden: ‘Ze zaten in het kleine mortuarium alsof ze leefden, met hun rug tegen de muur geleund, de meesten met open ogen. De jurken, broeken en jasjes hadden ze aangelaten, uit vrees voor besmetting, of men had ze weer aangekleed; de kleren zaten alleen wat scheef aan het lichaam, te hoog in de nek, te hoog boven de knieën. Sommigen raakten elkaar aan, hielden een buur overeind die anders zou omvallen (…) een jonge man, een jaar of tweeëntwintig schatte Gesine hem, met zwarte haren en lange bakkebaarden, in een net zwart pak met overhemd en stropdas, een stadsmens die zijn schoenen was kwijtgeraakt. Zijn hoofd was naar opzij gekeerd alsof hij naar de andere muur keek. Bij hem lag een meisje half opzijgezakt, een blondine met hoog opgestoken haren, onder de zomersproeten, zij was half bij de jongeling op schoot gegleden, en hoe sereen haar houding ook was, zijn hand op haar schouder leek een beetje verlegen, niet helemaal vrijwillig’.

    In de delen 3 en 4 verplaatst het toneel zich naar het, net als Jerichow, fictieve stadje Gneez, 19 km verder, waar Gesine haar middelbare schooltijd doorbrengt. De lessen en het schoolleven raken steeds meer doordrenkt van de proletarische heilsstaat waarvan Stalin als onschendbare leider moet worden vereerd. Wee degene die zich daaraan onttrekt: ‘Op de school van Hitler werden we gewaarschuwd voor de afgesneden schaduw van een man met een plutocratenhoed [de afbeelding op een sticker in WO II in Duitsland]: de vijand luistert mee. Op de Nieuwe School leerden we elkaar te waarschuwen: Jeugdvriend [een communistische scholierenorganisatie] luistert mee’. (Terzijde: Zoals in de eerste bespreking van Jahrestage al vermeld weet Johnson niet alleen personen maar ook steden en gebouwen zo te beschrijven dat ze bezield worden. Het schitterendste voorbeeld  is de rondwandeling door Gneez van 27 juni 1968. Die is zo levendig en beeldend geschreven dat de lezer er zonder veel moeite het stadsgezicht naar zou kunnen tekenen).

    Gesine wordt een paar keer beschuldigd van contra-revolutionaire opmerkingen. Ze krijgt het er benauwd van en wil naar het Westen. Jakob, die werkzaam is bij de spoorwegen, zorgt voor een retourkaartje; hij hoopt dat ze terugkomt, maar Gesine blijft weg omdat de geruchten steeds sterker worden dat het Oostblok de grenzen naar het Westen zal dichtgooien.

    Spiegeleffect

    Zoals gezegd schuift dit verhalende gedeelte over Gesine’s jeugd als een spiegeleffect steeds dichter naar het heden (1968) toe. In het nieuws dat Gesine in 1968 in New York tot zich neemt is er groeiende aandacht voor de ontwikkelingen in Tsjecho-Slowakije waar onder Alexander Dubček de Praagse Lente ontluikt. We volgen de hoop op meer zelfstandigheid en de zenuwachtige reacties van het Warschaupact van dag tot dag, in het ritme waarin Gesine de berichten erover in de New York Times leest. De New Yorkse bank waar zij werkt ziet kansen om banden aan te gaan met Tsjecho-Slowakije nu dat land lijkt open te staan voor het kapitalisme in het Westen. Vanwege haar kennis over Oost-Europa is Gesine gevraagd om er een vertegenwoordiging te vestigen. Ze wil het graag omdat ze in haar hart socialistisch is gebleven.

    Het komt in deel 4 inderdaad tot een vertrek naar Praag. Maar dan eindigt de roman plotseling op 20 augustus 1968. In de daarop volgende nacht slaan de Warschaupactlanden met een inval in Praag alle hoop de bodem in. Voor Johnson was het een dramatische keuze om Jahrestage daar te laten eindigen. Ook voor hem was de inval een vernietigende aanslag op zijn geloof dat Marxisme met een menselijk gezicht mogelijk zou zijn. Extra tragisch was dat hij kort daarna ontdekte dat zijn vrouw Elisabeth (die voor Gesine model stond) een geheime relatie had met een Praagse studievriend die voor de geheime dienst werkte. Dit deel ontrolt zich naar het plotselinge einde in tal van omineuze toespelingen. Er zijn de sterfgevallen van Gesines schoolvriend Julius; van Jakob, die in 1957 vader is geworden van Marie; van haar (Duitse) partner in Amerika, Dietrich Erichson. Alle drie komen ze om bij een ongeluk. En Gesine leest steeds vaker in de New York Times over vliegtuigcrashes, waarbij ze denkt: ‘Binnenkort vliegen wij’.

    Ze was het niet

    Bijzonder in Jahrestage is hoe Gesine omgaat met namen. Haar New Yorkse vriend Dietrich Erichson wordt bijna uitsluitend vermeld met zijn initialen D.E. Dat is liefkozend bedoeld, omdat Marie, die erg goed met hem kan opschieten, ze graag wil zien als afkorting van Dear Erichson. Mensen over wie Gesine met liefde spreekt worden altijd bij hun voornaam genoemd: Jakob, Marie. Tot anderen bewaart zij een afstand door over hen te praten als Mr Cresspahl (haar vader) en Mrs Cresspahl (haar moeder), die ook vaak als us Lisbeth voorkomt omdat ze door anderen zo werd aangeduid. Soms keurt ze historische personen geen naam waardig: Hitler is dan ‘De Oostenrijker’ en DDR-president Ulbricht ‘De Zetbaas’.

    Maar het meest opvallend is hoe vaak Gesine over zichzelf praat in de derde persoon in een bepaalde hoedanigheid, soms in één zin afgewisseld met ‘ik’:  ‘studente Cresspahl’, ‘het kind Cresspahl’, ‘het kind dat ik was’. Of zelfs: ‘Dat was Gesine niet. Dat was werkneemster Cresspahl’. Het is alsof ze afstand wil nemen van haar verleden.: ‘Het kind dat ik was, Gesine Cresspahl, halfwees (…) moet op een dag hebben besloten de volwassenen hun deel te geven, zichzelf daarbij weg te smokkelen om een leven te bereiken waarin ze kon zijn zoals ze zou willen’. De complexiteit van Gesine als verteller wordt daarbij nog eens vergroot door het feit dat ze stemmen hoort in haar hoofd die het verhaal soms overnemen.

    Hete hond

    Bijzonder aan de Nederlandse uitgave van Jahrestage is ook dat het het debuut is van vertaler Marc Hoogma. Hij begon zonder enige staat van dienst op dat gebied aan de titanenklus, louter uit bewondering. Een ongelooflijke prestatie die hij volbracht met steun van redacteur Theo Veenhof. Het titanische werd niet alleen gevormd door de omvang, maar evenzeer door de veelheid van stijlen en stemmen, het hermetische van bepaalde tekstgedeelten, het gebruik van meerdere talen (waaronder platduits) en de door Johnson veronderstelde voorkennis. Gelukkig kon Hoogma een beroep doen op het meticuleuze commentaar dat ook voor ons als lezers digitaal beschikbaar is bij de universiteit van Rostock (de link is in de roman opgenomen). En er is het – niet door de vertaler genoemde – uitvoerige (540 pagina’s) lexicon Kleines Adressbuch für Jerichow und New York, een register met duiding over onder andere personen, plaatsen en geschiedenis dat eveneens digitaal raadpleegbaar is.

    Hoogma is er in geslaagd Jahrestage in soepel Nederlands om te zetten. Als er al wat op (aan) te merken is, dan betreft dat een paar opvallende ‘vernederlandsingen’, zoals ondermens (waar het Duitse Untermensch, dat overigens één keer in het Duits wordt gebruikt, een aansprekender term is) en de bijna komisch aandoende ‘stijve bovenlip’ en ‘hete hond’ voor stiff upper lip en hot dog. Toch laat raadpleging van het Duitse origineel zien dat we met dergelijke kritiek voorzichtig moeten zijn. Johnson zelf gebruikt in de betreffende passages ‘steife Oberlippe’ en (op meerdere plaatsen) ‘heisse Hund’, terwijl zijn tekst toch doorspekt is met Engelse woorden en een Duitser die een broodje worst wil eten in het algemeen toch echt zal vragen om een hot dog. Waarschijnlijk getuigen deze keuzes dus van trouw aan het origineel.

    Op Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. Jahrestage zijn alle etiketten van toepassing die voor de mijlpalen uit de literatuur zijn bedacht. Het is een roman die het verdient meerdere keren te worden herlezen. Gesine is een personage dat niet alleen de Duitse geschiedenis in het midden van de twintigste eeuw representeert, maar ook iemand aan wie je gehecht raakt. Als je het boek sluit nadat je 366 intensieve dagen met haar hebt verkeerd, is het alsof je een beetje weduwnaar bent geworden.

     


    Dit is de derde van een driedelige bespreking van Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. Jahrestage van Uwe Johnson, dat in Duitsland tussen 1970 en 1983 in vier delen is verschenen, en in 2020 in Nederland. De eerste bespreking voor Literair Nederland staat hier, de tweede hier.

     

     

  • Fotosynthese 18 – Een schim van tweehonderd jaar geleden

    Fotosynthese 18 – Een schim van tweehonderd jaar geleden

    klik op de foto om de achtergrond te zien


    Als Stendhal op 22 januari 1817 de Santa Croce in Florence zou zijn binnengelopen – ik verbeeld het me even – om te schuilen voor een plotselinge regenbui die hem overviel terwijl hij op zoek was naar een dokter die hem kon helpen aan een ontstoken kies, zouden we dan van het naar hem genoemde syndroom hebben gehoord? Het is mogelijk, maar minder waarschijnlijk. Althans niet op die vrijdag, denk ik.

    De dag voor zijn 34ste verjaardag, sprak Stendhal in Florence een monnik aan die hem de kapel in de Santa Croce binnenliet waar hij de fresco’s van Baldassare Franceschini (‘Il Volterrano’) wilde zien. Eenmaal binnen raakte hij in extase bij het plotselinge besef dat hij hier stond tussen de graven van Michelangelo, Galilei, Macchiavelli, Rossini en zoveel andere kunstenaars en met zoveel schoonheid om zich heen. Hij werd overdonderd door sensations célestes, hemelse sensaties. Hij kreeg hartkloppingen – ‘wat ze in Berlijn de zenuwen noemen’, legt hij uit – en stond te trillen op zijn benen.

    Het kan in fictie een stuk erger. In De gevangene, het vijfde deel van de cyclus Op zoek naar de verleden tijd, laat Proust zijn Bergotte zelfs overlijden aan duizelingen als hij naar het stukje gele muur met een puntdak op Gezicht op Delft van Vermeer staat te kijken.

    Trillende benen

    Er staat me een onuitwisbaar moment voor ogen waarop ik zelf op zijn minst duidelijke symptomen van het syndroom ervoer. Dat was bij het schilderij Black, Red over Black on Red van Mark Rothko in het Centre Pompidou. Ik heb elders werk van hem gezien. In het Gemeentemuseum (tegenwoordig Kunstmuseum) in Den Haag zag ik in 2014 zijn overzichtstentoonstelling. Ik maakte ‘Rothko en ik’ mee in het Stedelijk Museum in Schiedam. Beide verliet ik teleurgesteld. Ik weet waarom. In Den Haag moest ik laveren tussen schuifelende lijven waaruit hinderlijke commentaren opstegen. Stilte was er daarentegen voldoende in de kamer waarin ik in Schiedam tien minuten alleen mocht zijn met Grey, Orange on Maroon, No. 8. Mensen verlieten soms huilend de ruimte, had ik vooraf gelezen. Ik bleef zelf betrekkelijk onberoerd. Te hoge verwachtingen barricadeerden bij voorbaat elke spontane emotie.

    Dat in het Centre Pompidou een Rothko hing wist ik niet. Het was vooral die argeloosheid van me die de schok veroorzaakte toen ik een hoek omging en overspoeld werd door het volle licht van het schilderij. In de ruimte was geen ander publiek. Ik voelde mijn adem stokken, stond te trillen op mijn benen. Iets vergelijkbaars is de ‘historische sensatie’ van Johan Huizinga. In een befaamd artikel in De Gids in 1920 schreef hij:

    ‘Het kan zijn, dat zulk een historisch détail, in een prent, maar het zou evengoed kunnen zijn in een notarisacte, terwijl het mij toch als zodanig onverschillig is, mij opeens het gevoel geeft van een onmiddellijk contact met het verleden, een sensatie even diep als het zuiverste kunstgenot, een bijna ekstatische gewaarwording van niet meer mij zelf te wezen, van over te vloeien in de wereld buiten mij, de aanraking met het wezen der dingen, het beleven der Waarheid door de historie’.

    Zonder verwachtingen

    Lang geleden maakte ik een rondreis door Griekenland met een vaag verlangen naar een sensatie zoals Edward Gibbon die op de verweerde stenen van het Capitool in Rome ervoer. De enige plek waarop ik in Griekenland een bescheiden glimp van verbondenheid met het verleden ervoer was het oude stadion in Olympia. Er waren nauwelijks mensen. Er ruiste een zachte wind. Ik was er niet op bedacht. Ik heb het blijkbaar nodig leeg te zijn, zonder verwachtingen. Net als Stephen Greenblatt in zijn essay Resonance and Wonder, ‘Looking may be called enchanted when the act of attention draws a circle around itself from which everything but the object is excluded, when intensity of regard blocks out all circumambient images, stills all murmuring voices’.

    Er zijn schrijvers die mij als lezer zowel de symptomen van het syndroom van Stendhal, alsook de ontroering van een historische sensatie kunnen bezorgen. Dat zijn de groten, zoals de Brit Richard Holmes. Hij is het meest bekend van zijn biografieën over schrijvers als Samuel Taylor Coleridge en Percy Bysshe Shelley. In 1986 las ik van hem Voetsporen. Daarin beschrijft hij hoe hij te werk gaat. Dat doet hij in zo’n grootste stijl en met zo’n sterke verbeeldingskracht dat ik het boek af en toe aangedaan moest wegleggen. Toen ik het een paar jaar later niet meer in mijn boekenkast terugvond (te enthousiast uitgeleend en nooit teruggekregen?), sloeg dat een pijnlijk gat. Ik schafte het onmiddellijk opnieuw aan. 

    Volledig ingepalmd

    Holmes slaagde erin mij totaal in te palmen en mee te nemen naar de mensen over wie hij schreef en de tijd en omstandigheden waarin zij leefden. Het was alsof ik met hen meewandelde, met hen at, met hen ademde. Holmes bereikte dat door zelf volkomen op te gaan in de schrijvers over wie hij vertelt. Een veelzeggende zin van hem: ‘Voor mij begint mijn leven als biograaf op de dag dat mijn bank een cheque weigerde omdat die per ongeluk 1772 was gedateerd’. De wegen van Shelly nawandelend maakte hij een foto van de achtertuin van Casa Bertini in Bagni di Lucca. In 1818 woonde Shelly, 26 jaar, daar met zijn eenentwintig jarige tweede vrouw Mary, baby Clara en vierjarige zoon William. Dood en ellende achtervolgden hem. Baby Clara stierf dat jaar, William een jaar later, Mary kreeg een zenuwinzinking. ‘De schim van de kleine William Shelly komt te voorschijn achter de plataan rechts’, noteerde Holmes bij de door hem zelf gemaakte foto.
    Ik zag het ook.

     

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

     

  • ‘Ik heb je nooit de waarheid beloofd’

    ‘Ik heb je nooit de waarheid beloofd’

    De vierdelige roman Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. Jahrestage kent twee hoofdlijnen – onder vele andere. De ene wordt gevormd door de gebeurtenissen van 21 augustus 1967 tot en met 20 augustus 1968, zoals Gesine die dagelijks leest in de New York Times; de andere door het leven van haar en haar familie in Duitsland onder de nazi’s en na de oorlog in de DDR, zoals Gesine dat aan haar dochter Marie vertelt. In deel 2 wordt uit de gesprekken tussen Gesine en Marie steeds duidelijker hoe de wereld van moeder en dochter uiteenloopt. Marie is veel meer bezig Amerikaanse te worden dan haar moeder. In hun nieuwe thuisland verschillen ze van mening over racisme en de Vietnamoorlog. Waar Marie de Amerikaanse politiek wil begrijpen is Gesine daar afkerig van.

    Verraad

    Dat komt voort uit het feit dat ze geen gedeeld verleden hebben. De verklaring van Gesine is dat Marie zich geen voelbaar beeld kan vormen van oorlog. ‘Ze kan de oorlog in Vietnam niet zien. Al te precies heeft ze van mij gehoord hoe een oorlog aan de buitenkant eruitziet (…) Ze kent de ruïnes tussen de Avenues Amsterdam en Columbus, maar die werden niet door de bommen van de vijand ginds veroorzaakt maar door de sloopkogels van de grondspeculanten hier. De kleine winkeltjes op Broadway geven niet de geest doordat erfgenamen in de oorlog sneuvelen, maar door de dollars van de huur en de maffia [enz enz]’. Dat verschil tussen Marie als buitenstaander ten opzichte van Vietnam en Gesine met traumatische herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog leidt soms tot verwijten. Als Gesine Marie toevoegt dat ze niet in de gaten heeft hoe de Amerikaanse politiek van leugens aan elkaar hangt, antwoordt haar dochter: ‘Jij hebt jouw oorlog niet tegengehouden, en nu moet ik het voor jou doen!’

    Andersom voelt Gesine hoezeer zij zelf buitenstaander is. Na de moord op Martin Luther King in april 1968 betuigt ze een zwarte medebewoner van haar appartement haar medeleven, maar krijgt als reactie: ‘Het spijt u niet Mrs. Cresspahl (…) Martin Luther King was een zwarte man zoals ik. U hoort bij de blanken’. Onder de indruk van die opmerking neemt ze Marie kwalijk dat zij als blanke een telegram aan Coretta King heeft gestuurd en maakt de weduwe daarvoor per brief zelfs excuses.

    Gesine probeert voorzichtig de verschillende werelden van haar en haar dochter te overbruggen door parallellen te trekken tussen de VS van dat moment en het Duitsland van de jaren 30 en 40. Als Gesine vertelt dat haar vader voor de Engelsen werkte wekt dat bij Marie verbazing. Ze ziet het als verraad aan het vaderland. ‘Maar had zijn land niet ongelijk?’ vraagt Gesine waarop Marie reageert: ‘Gesine, heeft dit land [Amerika] niet [voor jou] ook ongelijk? (…) Kom jij daarom in actie om het te verraden? (…) Iedereen van jouw familie heeft de nazi’s in de kaart gespeeld, en Cresspahl al helemaal. Nu wil je tenminste van één de eer redden, en het liefst van jouw vader.’

    Legpuzzel

    Johnson spant in Jahrestage een ingenieus en weids samenstel van draden, maar het is aan de lezer om van al die losse draden het tapijt te weven. Al lezend word je meegesleept in steeds nieuwe verhalen waarvan niet meteen duidelijk is wat ze met elkaar te maken hebben. Tot ze elkaar ineens blijken te raken en verknoopt raken. Maar dat kauwt Johnson niet voor. Daardoor wordt de roman een fascinerende legpuzzel die een actieve lezer vraagt.
    Je moet de fragmentarische informatie uit de vele verhaallijnen zelf integreren. Zo was er in deel 1 een passage over een zekere weduwe, Mrs Trowbridge. Er meldde zich een onbekende man op haar adres waar hij te horen kreeg dat ze is verhuisd vanwege geklaag van de buren over haar huilende baby. Waar ze naar toe is gegaan weet niemand. Het is een passage vol mysterieuze vragen. Wie was die man? Wie is Trowbridge? Haar man is blijkbaar gestorven. Was hij de vader van de baby? Maar vooral: wat heeft dit met Gesine te maken? Dat wordt pas in deel 2 geleidelijk duidelijk.

    Een ander voorbeeld is de val van Gesine als kind in een regenton. Op pagina 54 van deel 1 wordt de gebeurtenis een paar keer tussen neus en lippen door vermeld, maar pas op pagina 469 van deel 2, vertelt Gesine het aarzelend aan Marie. Ook dit voorval blijkt in dienst te staan van het grote verhaal over haar ouders, vooral dat van haar moeder Lisbeth, en van een trauma van Gesine zelf: waarom greep haar moeder niet in? Het dwingt je bijna eerdere stukken te herlezen (zoals de aandachtige lezer misschien na lezing van het laatste deel de koffers zou willen pakken naar een onbewoond eiland om de hele roman in opperste concentratie nogmaals tot zich te nemen).
    De regenton wordt een soort code tussen Gesine en Marie, als het verhaal van haar herinneringen stokt. Dat gebeurt bijvoorbeeld als Gesine vertelt over de Kristallnacht in 1938 waarin haar moeder de NSB-burgemeester een klap in zijn gezicht gaf. Ze breekt het verhaal af. ‘Is het een regentonverhaal?’ vraagt Marie dan.

    Waarheid

    Er schuilt bij Johnson dan ook altijd een groter verhaal achter elke petite histoire. Johnson schrijft heel precies, zowel wanneer het gaat over New York en Amerika in 1967 en 1968, als wanneer Gesine vertelt over de jaren 30 in Duitsland. De verteller in de roman is exact in adressen en data en wat Gesine leest in haar New York Times wordt al even nauwkeurig verteld. Er zijn letterlijke citaten uit de krant en het wemelt van details over bijvoorbeeld de oorlog in Vietnam. Maar die precisie is er ook in waarnemingen zoals in de bijna ontroerende beschrijving van de scène waarin Marie een kakkerlak ziet baren.
    Dergelijke details worden ook gegeven in de herinneringen van Gesine aan haar kinderjaren. Van een overlijdensbericht uit 1938 wordt niet alleen de exacte datum vermeld, maar ook de naam van de bezorger van de krant waarin het stond compleet met nummer van de jaargang en de abonnementskosten. Het zijn pogingen om de waarheid zo dicht mogelijk te benaderen. Maar wat zeggen die preciese feiten? Wat is die waarheid? Het is een punt dat eveneens opduikt in de gesprekken tussen Gesine en Marie over de herinneringen aan Duitsland:

    ‘Ik heb je nooit de waarheid beloofd’.
    ‘Zeker niet. Alleen jóúw waarheid’.
    ‘Zoals ik denk dat het was’.
    ‘Gesine, er zijn toch dingen die jij wél weet’.
    ‘(Gesine verwijst naar wat  ze verteld heeft over de manier waarop een NSDAP-burgemeester met een spreidstand de afstand van één meter mat) Maar ik weet niet waarom mijn geheugen dat heeft bewaard. Waarom niet een ander beeld, een zinniger gesprek?’

    Ondanks die precisie – en die is er ook in de nauwgezette beschrijving van karakters, houdingen en zelfs mimiek van personages – zijn die herinneringen juist sferisch. Later in deel 3 zegt ze zelfs dat ze de betekenis van gebeurtenissen niet ervoer ‘door wat hij [haar vader] zei, maar meer nog door de informatie die wordt overgebracht door stemmingen, manieren van kijken, gelaatsuitdrukkingen’. Het geeft precies weer wat Johnson doet. Hij laat je kijken, maar verklaart niets. Johnson vertelt de lezer niet hoe verschrikkelijk het was maar maakt hem tot een toeschouwer die zelf moet oordelen.
    Het is dan ook geen wonder dat Margathe von Trotta zich in 2000 toch aan een verfilming van het onverfilmbaar geachte Jahrestage waagde. Ze vond daarvoor juist steun in die werkwijze van Johnson om lezers een situatie in te slepen.
    In de trailer van deze (eveneens) vierdelige film zijn bijvoorbeeld het regentonincident en de klap in het gezicht van de burgemeester te zien.

     

    Zie hier de trailer: youtube.com/watch


    Dit is de tweede van drie besprekingen van de roman van Uwe Johnson. De eerste aflevering leest u hier.

     

     

  • Detective over verlies en ouder worden

    Detective over verlies en ouder worden

    Wat weten partners eigenlijk van elkaar, zelfs als ze meer dan een halve eeuw in een gelukkig huwelijk bijeen zijn geweest? Die vraag stelt Hans Vervoort uitdrukkelijk in zijn jongste roman Zo tedere schade… Protagonist Hans Heijmenberg verliest zijn vrouw Melissa aan longkanker. Ze heeft nooit gerookt, maar hij wel. Ondanks het feit dat hij al jaren geleden is gestopt en dat Melissa niets van een schuldigheid wil horen, verwijt hij zichzelf haar dood. Kort voor ze overlijdt verschijnt een bericht in de krant dat het geraamte van een vrouw is gevonden vlakbij de legerplaats Walaardt-Sacré bij Huis ter Heide, waar Hans in 1959 en 1960 zijn diensttijd uitzat. De vrouw moet ongeveer vijftig jaar geleden zijn gestorven; ze heeft een schotwond in haar schedel. ‘Misschien is ze wel vermoord. Waarom ga jij dat nou niet eens uitzoeken?’, vraagt Melissa hem.

    Dit gegeven is het startpunt van de roman. Heijmenberg gaat inderdaad op zoek naar de identiteit van de gevonden vrouw. Dat gebeurt in een spannend verhaal dat uiteindelijk leidt tot de (mogelijke) verklaring van wat er gebeurd is. Maar dit verhaal is in feite de locomotief die de tekst voorttrekt waarover Zo tedere schade… in werkelijkheid gaat: de verwerking van de dood van je grote liefde, eenzaamheid en ouderdom, schuldgevoelens in je leven zonder haar, maar ook over de misleidingen van de herinnering.

    Onbereikbaar

    Aanvankelijk maakt Heijmenberg nauwelijks werk van het onderzoek. Hij verdrinkt zijn verdriet en gaat slecht eten (soms bestaat zijn ontbijt al uit wodka). Zijn zoon komt hem uit bezorgheid af en toe maaltijden brengen. Een mooi moment is er in de roman als hij na maanden in de vrieskist maaltijden aantreft die Melissa vlak voor haar dood heeft bereid. Ze voorvoelde al dat Heijmenberg niet in staat zou zijn zonder wat duwwerk te overleven. In dat kader ziet de lezer geleidelijk ook haar advies aan hem om op zoek te gaan naar de mogelijke moordzaak van vijftig jaar eerder.

    En dat helpt. Zijn rechercheerwerk komt pas echt op gang op als hij beseft dat ‘het de beste manier [was] om Melissa bij me te houden’. Wat wist hij eigenlijk van haar? Hij kon voorspellen hoe ze op TV-series zou reageren of op het eten dat hij voor haar maakte. ‘Maar binnendringen in iemands gedachten, dat lukt nooit bij een ander (…) Dat maakte het gemis eigenlijk nog groter: de wetenschap dat je iemand verloor die met zich meenam wat altijd onbereikbaar was gebleven, haar diepste wezen’. Op zijn Facebookpagina had hij na haar dood ‘het mooiste doodsgedicht dat ik kende’ gezet, het gedicht van Werumeus Buning waarvan de beginregels de titel van deze roman vormen.

    Butagas

    Zo tedere schade… is niet alleen meeslepend door zijn detective-achtige opzet, maar ook door het hoge gehalte aan verifieerbare gegevens dat Vervoort erin stopt. Hij geeft op tal van plaatsen exacte data en veel is te herleiden tot zijn persoonlijke leven. De naam Hans Heijmenberg is een samenvoeging van de voornaam van de auteur en de achternaam van Gerrit Heymenberg, die we ook al kunnen kennen als Vervoorts co-auteur van Het klein Nederlands soldatenboek uit 1970. Er zijn verder diverse verwijzingen naar eerdere boeken van Vervoort waaruit bovendien fragmenten zijn overgenomen. Tenslotte herkennen we de autobiografische elementen, zoals de diensttijd van de auteur, zijn latere carrière en de Indische achtergrond van zowel hem als zijn vrouw.

    De thema’s in Zo tedere schade… zouden gemakkelijk kunnen leiden tot sentimaliteit of geweeklaag. Maar Vervoort slaat de van hem bekende lichte toon aan. Er is de milde ironie zoals in de herinnering aan de tijd dat hij een kamer probeerde te verwarmen met een butagasfles waarvan de inhoud bevroren bleek, zodat hij die eerst een uur lang met zijn lichaamswarmte moest zien te ontdooien: ‘Het was zonder meer de treurigste dag uit mijn bestaan tot dan toe’. En er is de humor in subtiele woordspelingen als ‘Na alle geruchten over vechtpartijen en orgieën viel de Spit bar tegen’ (de Spitfire was een kroeg bij de legerbasis waar vooral Amerikanen kwamen) of in de avontuurijke tocht met een Solex.

    Net als in eerdere boeken, waaronder de korte verhaaltjes als in Olie is niet dom en Kleine stukjes om te lezen zijn er weer de vluchtige reminiscenties aan verdwenen voorwerpen of reclameleuzen, die oudere lezers een geamuseerd ‘O ja!’ ontlokken. En niet alleen ouderen: de zoenbutton van psycholoog Dolph Kohnstamm met de tekst ‘Ik zoen je 2 keer en ik begin rechts’ is pas van achttien jaar geleden.

    Zo tedere schade… is een detective over verlies en ouder worden en Vervoort weet hoe hij de lezer mee moet krijgen. Hij is een heerlijke verteller.

     

     

  • Als de pasteitjes opraken wordt de val van Troje zichtbaar

    Als de pasteitjes opraken wordt de val van Troje zichtbaar

    Hendrik VIII is in de overlevering een vorst die er zijn hand niet voor omdraaide om mensen in zijn omgeving, waaronder twee van zijn vrouwen, het schavot op te sturen. Hij trok zich van de executies weinig aan en ontspande zich liever elders op het moment dat er weer een kop rolde. In de trilogie van Hilary Mantel over Thomas Cromwell is dat niet anders. In het slot ervan valt deze belangrijkste adviseur en vriend van de koning zelfs onder de hakbijl. Tijdens de verhoren en de voltrekking van het vonnis is Henry (de vertalers gebruiken de Engelse naam) opnieuw de grote afwezige. Compassie zijnerzijds lijkt te ontbreken. Daarom krijgt een klein zinnetje in het Nawoord van Mantel bij het derde deel van haar drieluik, De spiegel & het licht, toch ineens een diepere dimensie: ‘Toen Henry eenmaal de tijd had gehad om spijt te krijgen van Cromwells dood…’. Hij moet in zijn absentie toch in gedachten bij Cromwell zijn geweest.

    Thomas Cromwell is de van smidszoon tot vice-regent van Engeland opgeklommen politicus om wie Hillary Mantel in de drie delen Wolf Hall, Het boek Henry en De spiegel & het licht een groots monument heeft opgetrokken. Dat doet ze knap. En ter geruststelling voor degenen die er als een berg tegen opzien om de totale omvang van dik 2100 pagina’s te lijf te gaan, dit derde deel van 1241 pagina’s laat zich goed zelfstandig lezen. Dat is te danken aan de vele reflecties van Cromwell op zijn eigen verleden en afkomst die in deze roman zijn opgenomen.

    Maagdelijk

    De spiegel & het licht begint met de executie van Anna Boleyn, Henry’s tweede vrouw, en eindigt met de ontbinding van het huwelijk met zijn vierde, Anna van Kleef. Tussen hen in heeft Jane Seymour haar opwachting gemaakt; ze stierf twee weken nadat ze Henry zijn vurig gewenste zoon (Edward) had geschonken. Hoe belangrijk is uiteindelijk de komst van Anna van Kleef geweest voor de val van Cromwell? Henry had voor haar als zijn nieuwe gemalin gekozen op Cromwells advies maar ze bleek qua aantrekkelijkheid bitter tegen te vallen (Anna op haar beurt vond Henry trouwens evenmin een begeerlijke partij). Mantel laat min of meer in het midden of Henry en zij hun huwelijk zelfs wel consumeerden (hoogstwaarschijnlijk niet). In elk geval stuurde hij haar snel weer de laan uit, Cromwell af en toe verwijtend dat hij haar zonder nauwkeurig onderzoek had aanbevolen. Want het was niet alleen haar lelijkheid. Was ze nu maagd of niet? Lutheraans of niet? Had Cromwell achter ’s konings rug een politiek spel gespeeld? Was hij er op uit zelf de hoogste macht te grijpen?

    Peter Pispot

    Cromwell, geheimzegelbewaarder en vice-regent en pas nog begiftigd met het graafschap Essex, is volkomen verrast als hij ineens wordt gearresteerd. Alle hiervoor genoemde verdachtmakingen komen voorbij, maar veel meer: zijn aandeel in de executie van Anna Boleyn bijvoorbeeld en zijn rol in de keuzes van Mary, de dochter uit Henry’s eerste huwelijk met Catharina van Aragon. Een bij elkaar geraapte reeks beschuldigingen die Cromwell door zijn vijanden in zijn gezicht worden geslingerd zonder duidelijk bewijs en met niet de minste belangstelling voor zijn weerwoord. Cromwell beseft al langer dat niemand blijvend zeker is van de sympathie van zo’n grillige vorst als Henry, ook al lijkt die een rotsvast vertrouwen in hem te hebben. ‘Wie zal mij nog raad verschaffen als Lord Cromwell de laan wordt uitgestuurd? Dat zootje oproerkraaiers soms? Harry Hork en Peter Pispot? Opa Oen en zijn geit (…) Ik heb de eerste minister gemaakt tot wat hij is en bij God, ik laat hem niet vallen’, zo valt Henry uit als hem berichten worden overgebracht over rellen in het noorden, aangewakkerd door edelen en papisten.

    Cromwell was van lage komaf (zoon van de brute smid Walter, zoals we hem in Wolf Hall hebben leren kennen) en dat zette gedurende zijn hele carrière in delen van het rijk maar ook aan het hof kwaad bloed bij wie een lange adellijke lijn in het blazoen had staan. Maar voor de Schotten is hij bovendien de kwade genius achter de bestrijding van hun rechten en voor de bisschoppen en monniken de rover van hun kloosters en abdijen. Daarmee heb je voldoende vijanden die toe willen slaan als je positie verzwakt.

    Laatste snufjes

    Cromwell leefde van 1485 tot 1540. De spiegel & het licht bestrijkt zijn laatste jaren in dienst van Henry VIII vanaf 1536. Onder de handen van Hillary Mantel worden die beschreven in een taal die overloopt van speelsheid, spot, woede, achterdocht en cynisme. Ze slaagt er (opnieuw) in alle dramatis personae vlees en bloed te geven en een eigen stem. ‘Het gewone Engelse volk gedijt op liederen, verhalen en bierhuisgrappen’, laat ze Henry zeggen. En elders hoor je Cromwell denken hoe de kronieken van het koningschap pas echt zullen worden geschreven door ‘onze kleinkinderen of door schrijvers in een ander land’. Mantel voldoet aan beide: ze is een verhalenverteller in optima forma en is – al komt ze dan niet uit een ander land – de beste kroniekschrijver die Cromwell zich kon wensen. Het vertelplezier spat van de pagina’s. Dat is vooral te merken bij de talrijke humoristische beschrijvingen van gesprekken, gedachten (de roman bestaat grotendeels uit dialogen en monologues intérieurs van Cromwell), incidenten en het dagelijkse hofleven.

    Zoals in de weergave van een gesprek vol spot over de bemoeienis van de geestelijkheid met seksualiteit: ‘Incest plegen is zondig, daar zijn we het allemaal over eens, maar ja, dat is elk standje dat niet door priesters is goedgekeurd ook. Net als gemeenschap hebben op vrijdag (…) of op zondag, zaterdag en woensdag (…) Zodoende ligt er op meer dan de helft van het jaar een banvloek. In feite is het een wonder dat er nog mensen worden geboren’. Of zoals in: ‘De Howards zijn natuurlijk ook van de oude stempel. Die zouden niet willen sterven door middel van de laatste snufjes’. Bijna hilarisch zijn scènes als die waarin het koninklijke bed wordt opgemaakt (er komen vier slaapkamerlakeien en vier linnenkamerlakeien aan te pas die eerst de stromatras moeten beprikken en er vervolgens zelf over heen moeten rollen om de laatste scherpe stukjes plat te walsen).

    Onvoorspelbaar

    Mantel schept prachtige beelden. Zo laat ze het hofpersoneel na de dood van Anna Boleyn alle zalen, kleden, meubels enzovoort ontdoen van de symbolen met de letters H-A (Henry Rex – Anna Regina) als zij is onthoofd, om die later weer opnieuw te laten aanbrengen als Anna van Kleef – weer een A immers – de koninklijke sponde bezet. Prachtig is ook het beeld van de ontmoeting waarin Thomas Cromwell de kritiek op hem bespreekt met zijn zoon Gregory terwijl beiden zich te goed doen aan pasteitjes. Als ze bijna op zijn blijkt op de schaal waarop ze lagen een afbeelding van de val van Troje zichtbaar te worden – enkele weken later zal het vonnis worden geveld.

    Thomas Cromwell weet hoe lastig hij zelf in de omgang is. ‘Ik ben vol ontzag voor mezelf’ vertrouwt hij zijn Antwerpse dochter Jenneke (een door Mantel ingevoegde fictieve figuur) toe: ‘Ik vind mezelf volkomen onvoorspelbaar’. Het maakt hem blind en doof voor de signalen van zijn onontkoombare val. Of is het hoogmoed? Al in het begin van de roman – we zijn dan amper dertig pagina’s onderweg – is het Cromwell zelf die denkt: ‘Laat je niet in de luren leggen. Oompje Norfolk is niet onze kameraad, onze bondgenoot of onze vriend. Hij klopt ons enkel op de schouder om te zien hoe stevig we in elkaar zitten’. Het is dezelfde hertog van Norfolk (Thomas Howard) die in de verhoren één van zijn grootste kwelgeesten is.

    Toneelspeler

    Ooit heeft Cromwell in een brief de oordeelkundigheid en het strategisch inzicht van Henry geroemd, ‘de spiegel en het licht van alle koningen en andere vorsten der christenheid’, waarbij hij denkt dat, als Henry de spiegel is, hij, Cromwell, ‘de bleke toneelspeler [is] die zelf geen luister verspreidt, maar rondgaat in weerspiegeld licht. Zodra het licht zich verplaatst is hij verdwenen’. Dat werd sneller bewaarheid dan hij durfde vermoeden.

    Tegen gevangenbewaarder Martin in de Tower heeft Cromwell zelf al eens over Thomas Wyatt (één van zijn vrienden, maar ook één van de mannen die werden verdacht van overspel met Anna Boleyn) gezegd: ‘Als Wyatt je iets vertelt is het net of je er zelf bij bent geweest’. Hetzelfde geldt voor Hillary Mantel. Als je De spiegel & het licht dichtslaat heb je niet alleen de geschiedenis van Cromwell gelezen; je bent er zelf bij geweest.