In de lijst van Nederlandse vertalingen van werk van Italo Svevo (1861-1928) valt onmiddellijk op dat die op één na (de toneeltekst Eeuwige jeugd) allemaal uit de jaren tachtig van de vorige eeuw zijn. Het zijn er tien. Daarvan zijn er anno 2021 nog maar twee te vinden in de boekhandel: zijn beroemdste roman Bekentenissen van Zeno en het Privé-domeindeel 147 Autobiografisch profiel. Dat laatste kwam na de verschijning in 1988 nooit verder dan de eerste druk. Dat geldt ook voor alle andere van die tien uit de jaren tachtig. Alleen Bekentenissen van Zeno haalde er meer, liefst zeventien. Deze roman, waarin een zakenman uit Triëst probeert van zijn rookverslaving af te komen, geldt dan ook als zijn magnum opus.
Luckerhof is altijd volledig in de ban geweest van Svevo; hij heeft alles van hem gelezen. Maar als hij in 2017 in de boekwinkel van het James Joyce Museum in Dublin James Joyce and Italo Svevo van de Ier Stanley Price uit de kast trekt is dat een schok: hij had er tot dan toe geen idee van dat de twee met elkaar bevriend zijn geweest. Hij gaat alles herlezen, nu ook aangevuld met literatuuronderzoek en een bezoek aan Triëst, de stad waar Svevo werd geboren en leefde. De wereld van Italo Svevo is het verslag van zijn bevindingen.
Engels
De ervaring van Luckerhof is dat alle werken van Svevo autobiografisch zijn. Je bent als lezer van zijn speurtocht geneigd dat te bevestigen. Al moet daarbij worden opgemerkt dat Nederlandse lezers weinig materiaal zullen kennen om dat te toetsen: Svevo’s werk werd hier te lande al nauwelijks gelezen, laat staan dat de weinige biografische literatuur die over hem bestaat gemeengoed is. Dat in aanmerking nemende slaagt Luckerhof erin op zijn minst nieuwe interesse te wekken voor de romans van Svevo maar ook voor diens relatie met Joyce.
De wereld van Italo Svevo bestrijkt voor een groot deel het contact tussen die twee. Ze ontmoetten elkaar in 1907 en bleven elkaar treffen en schrijven tot aan Svevo’s dood, al was dat in de laatste jaren minder intensief. Het is verreweg het interessantste deel van Luckerhofs boek.
Italo Svevo, pseudoniem van Aron Ettore Schmitz – hij had Duitse voorouders -, stond op een dood punt in zijn schrijverschap. Zijn eerste romans, Een leven en Een man wordt ouder dateerden al van vóór 1900 en ze hadden hoegenaamd geen aandacht getrokken. Hoewel hij voor zichzelf nog wel bleef schrijven publiceerde hij niets meer. Hij vond zijn literaire bestemming pas terug toen Joyce onder de indruk bleek van zijn vergeten romans. De Ier was in 1904 het voor hem kansarme Dublin ontvlucht om in Triëst de kost te verdienen als leraar Engels. Op dat moment was Svevo, die als schrijver immers niets verdiende, zakenman. Hij werkte voor het bedrijf van zijn schoonouders dat scheepsverven produceerde. Zijn functie was een soort agentschap voor het filiaal in Engeland. Geen wonder dat hij in Triëst gebruik maakte van de diensten van die nieuwe docent Engels om zijn taalkennis bij te spijkeren.
Jaloezie
Hun gesprekken gingen al snel over literatuur. Aanvankelijk hielp Svevo, die goed verdiende als zakenman, Joyce aan geld; later zou Joyce zijn vriend helpen aan uitgevers voor zijn werk. In die tijd in Triëst liggen de startpunten van Ulysses van Joyce en Bekentenissen van Zeno van Svevo. De twee lazen elkaars werk en namen elkaars kritiek serieus zonder hun eigen ideeën op te geven. Zo bleef Joyce vasthouden aan zijn experimentele taalconstructies waar Svevo weinig in zag en volhardde deze laatste omgekeerd in de psychoanalyses van zijn protagonist Zeno Cosini die voor Joyce niet meer dan gebeuzel waren.
Opvallend is dat Joyce en Svevo beiden getrouwd waren met vrouwen, respectievelijk Nora Barnacle en Livia Veneziani, die nauwelijks in literatuur, en dus ook niet in het werk van hun man, geïnteresseerd waren. Ze hadden bovendien een bijna ziekelijke jaloezie gemeen als hun vrouwen het goed konden vinden met een andere man. Toch speelden zij een rol in hun oeuvre. Zo is het wel zeker dat Livia de inspiratiebron was voor Anna Livia Plurabelle in Finnigans Wake van Joyce.
Paling
Luckerhof beschrijft zijn bevindingen in korte thematische hoofdstukken. Mede daardoor is het vlotte lectuur, al zou iemand zich kunnen storen aan herhalingen, onderstrepingen als benadrukking van een woord, of hier en daar een krakkemikkige zin als ‘Het serum heeft hij onttrokken uit het orgaan van een lang levend diersoort’.
In het laatste hoofdstuk bezoekt Luckerhof de geboortestad van Svevo; hij wandelt er door de straten, bezoekt woonadressen van de schrijvers en spreekt een enkele kenner. Hij ontdekt daarbij dat het maar magertjes gesteld is met de herinneringen aan vooral Svevo: hij wordt ‘enigszins miskend door zijn eigen stad’. Er wordt meer gepronkt met Joyce.
De eerste zin van dat hoofdstuk luidt: ‘Wie Svevo beter wil leren begrijpen kan niet om Triëst heen’. Je kunt je goed voorstellen dat dat geldt voor Luckerhof en tegelijk wordt die bewering voor een gemiddelde lezer niet echt waargemaakt. Daar staan dan wel weer grappige weetjes tegenover zoals het feit dat Sigmund Freud in 1876 als student medicijnen in Triëst een paar weken onderzoek deed naar het voortplantingsgedrag van de paling. Een niemendalletje, maar toch aardig als vermelding omdat Bekentenissen van Zeno de naam heeft ‘een freudiaanse roman’ te zijn.
De verdienste van De wereld van Italo Svevo lijkt vooral dat de auteur nieuwsgierig maakt naar de man die hem zo obsessief interesseert. Wie Bekentenissen van Zeno al ooit las wordt door Luckerhofs monografie verleid tot herlezen.
‘Zonder woord geen verhaal en zonder verhaal geen samenhang en zonder samenhang geen gemeenschap’. Deze zin vat het besef samen dat Andries de Jonge treft nadat hij een gesprek heeft gehad met de Groningse professor in de godsdienstwetenschap, Gerardus van der Leeuw. ‘Hij leerde nu dat het absolute begin van alles het Woord was’. Het gesprek met de Groningse hoogleraar heeft hem doen besluiten toch predikant en dominee te worden. Tóch. Want er is een hevige strijd aan vooraf gegaan. Het ‘Kom verder!’, waarmee Andries in de kamer van Van der Leeuw was genodigd, heeft hem over de drempel geholpen.
Andries de Jonge is de vader van cabaretier Freek de Jonge. Deze beschrijft de scène in zijn onlangs onder de titel Kom verder! verschenen eerste deel van zijn memoires. Deel 2 daarvan, getiteld Reikhalzend verlangen was er al veel eerder (in 2017, en zelfs al gedeeltelijk in 1987 omdat het toen gepubliceerde Zaansch Veem er een groot deel van uitmaakt). De Jonge werkt momenteel aan deel 4, waarna ook nog een derde in het vat zit. Kom verder! beslaat de voorgeschiedenis van de schrijver tot 1951; hij is dan zeven en het gezin verhuist naar de Zaanstreek. Die voorgeschiedenis is een mengvorm van feitelijke beschrijvingen, theologische beschouwingen en veel verdichtsel; dat laatste omdat De Jonge zich veel vragen lijkt te stellen waarop hij zelf het antwoord moet bedenken. Dit eerste deel is daarmee veel beschouwelijker en serieuzer van aard dan vorige boeken en vooral zijn theatershows. De nar Freek is vrijwel volledig afwezig.
Opdracht
Freeks vader Andries is de zoon van Willem. Het gezin woont oorspronkelijk in Zeeland. Deze Willem hoort als hij met een bijbeltje in de hand in het weiland op de koeien past, de stem van de Heer. Hij voelt het als een roeping zijn leven aan Hem te wijden. Meer dan evangeliseerder en bijbelcolporteur is voor hem niet weggelegd. Wil je de gemeente als prediker of dominee leiden dan is daarvoor een universitaire studie nodig. Die ligt buiten zijn bereik. Zijn zoon Andries zal daarom deze opdracht voor hem in vervulling moeten laten gaan. De streng gelovige en dictatoriale Willem houdt zijn zoon als het ware gevangen in die goddelijke opdracht: hij wekt de indruk het een eer te vinden ‘in het spoor van Abraham zijn eerstgeboren zoon te offeren’. Andries zelf echter doet er alles aan om zich aan die druk te ontworstelen. Hij voelt zich niet thuis in het strenge geloof van zijn vader, haalt met opzet slechte punten op school om maar niet tot de theologiestudie te worden toegelaten en hij komt zelfs een keer ladderzat uit een kroeg. Die keer dat hij bij Van der Leeuw binnenstapt wil hij zijn twijfels niet langer verzwijgen. De man luistert naar hem, zoals nog nooit iemand dat deed. En hij komt met verrassende opmerkingen, zoals ‘Maar uw vader is God niet’ en ‘Een keertje goed dronken zijn kan geen kwaad’ en ‘Bang zijn voor twijfel is het wezen van de twijfel niet doorgronden’. Ineens wordt het domineeschap Andries’ eigen keus.
Leo Halle
Kom verder! is daarmee een vader-zoongeschiedenis die bijzonder boeiend is, mede doordat Freek de Jonge er zo respectvol over schrijft. Hij past daarin diverse literaire middelen toe, waarvan de talrijke verwijzingen naar het bijbelse verhaal over Abraham die van God de opdracht kreeg zijn zoon Izaak te offeren de meest sprekende is. Aangrijpend is hoe dit verhaal zelfs tegen het einde van deze memoires de uiteindelijke catharsis van Andries illustreert. Het thema van vader Abraham en zijn zoon paste Freek al eerder toe, onder andere in zijn programma Het Offer uit 2004 (integraal afgedrukt in Reikhalzend verlangen), dat toen deel uitmaakte van de theatercyclus De vergrijzing.
Maar de auteur gebruikt meer bijbelse stijlmiddelen. In een scène waarin de jonge Andries – in het boek wordt hij voortdurend aangeduid met ‘hij’ – bang is zijn vader te moeten bekennen dat hij de kerkgang verzuimd heeft omdat hij achter een fietser is aangereden in wie hij de beroemde voetballer Leo Halle meende te herkennen, moet hij denken aan het verhaal van Jacob die zijn vader bedroog om het eerstgeboorterecht van Ezau te stelen. Daarop laat Freek de Jonge volgen: ‘Hij [lees: Andries] zocht een steen om zijn hoofd op te laten rusten en concentreerde zich’, een zin die, op de laatste drie woorden na, letterlijk uit Genesis 28:11 komt waar het verhaal van Jacob wordt verteld.
Andries wordt inderdaad dominee. Van zijn door zijn vader opgewekte schuldgevoelens komt hij echter niet af. Het sterkst komt dat uiting in de passages waarin hij zich bij gemeenteleden thuis gaat verontschuldigen voor de voorechtelijke zwangerschap van zijn aanstaande vrouw Manny Furda. Hij lijkt een communicatief niet erg vaardige man, niet in zijn gezin en evenmin in situaties daarbuiten. Hij voelt zich het beste thuis in zijn studeerkamer en op de kansel: ‘hij was geen prater, hij was een preker’.
Galamadammen
Toch is Kom verder! licht van toon. De komiek Freek mag in dit deel dan wel zo goed als absent zijn, er passeren wel een paar zinnen en beschouwingen die meteen aan de theaterman Freek doen denken. Soms zijn het speelse opmerkingen zoals die waarin Andries speelt met mogelijk betekenissen van het woord Galamadammen (‘Lekker veel a’s’) of als hij merkt dat goederentrein en goedertieren bijna elkaars anagrammen zijn. Grappig is ook het detail over het roken van sigaretten in de oorlog toen zowel tabak als vloeitjes schaars waren. Daarin selecteert Andries zorgvuldig ‘minder bruikbare passages uit de dundrukbijbel’ waarmee van peukjes een nieuwe sigaret kan worden gedraaid: ‘Te beginnen met het verhaal van Onan’.
Freek de Jonge was al met Bram Vermeulen in ‘Neerlands Hoop’ één van de eersten die een cabaretprogramma bracht dat uiteindelijk een afgerond verhaal bleek. Dat is hij vooral gebleven: een verhalenverteller. Op het toneel, maar ook in deze memoires: ‘Wanneer worden letters woorden? Wanneer woorden zinnen? Hoe ontstaat uit een paar zinnen een verhaal? Wat geeft het een betekenis waardoor het verteld blijft worden? Na hoeveel keer vertellen wordt een betekenis de moraal?’
Vertellen, dat kan deze zoon van Andries, kleinkind van opa Willem en opgevoed met de Bijbel. Wie er achtergronden en foto’s bij wil kan de QR-codes scannen van elk hoofdstuk.
Er zullen weinig boeken zijn die de lezer zo gepreoccupeerd openslaat als Zelfmoord van Édouard Levé. Kort nadat de auteur het manuscript van deze persoonlijke reflectie op de suïcide van een vriend aan zijn uitgever had gestuurd, hing hij zichzelf op. Met die wetenschap, die in flapteksten bij het origineel en in vertalingen wordt vermeld, ontkomt de lezer er niet aan het verhaal te willen interpreteren in het licht van die daad van de schrijver zelf. Was het boek een bewuste voorbereiding op zijn eigen zelfmoord? Ontstond zijn doodswens pas door wat hij opschreef? Of kwam die pas op toen hij de pen had neergelegd? Zelfmoord kent tal van passages die het verleidelijk maken er antwoorden in te lezen. Maar ook wie probeert dat niet te doen heeft een intrigerend boek in handen.
Levé valt in Zelfmoord met de deur in huis: ‘Op een zaterdag in augustus kom je in tennistenue met je vrouw het huis uit. Halverwege de tuin geef je te kennen dat je je racket bent vergeten. Je gaat het halen, maar in plaats van naar de wandkast in de hal, loop je naar de kelder. Je vrouw merkt er niets van, het is mooi weer, ze geniet van de zon. Een paar tellen later hoort ze een schot’. De vroegere vriend heeft zich twintig jaar geleden doodgeschoten. Hij was 25 jaar.
Drie dagen nadat Levé het manuscript op 5 oktober 2007 had ingeleverd belde de uitgever om een afspraak te maken voor de 18de. Drie dagen vóór die datum hing de auteur zich op. Hij was 42 jaar.
Knikkers
Toen de vrouw van de protagonist van Zelfmoord hem vond lag een stripboek geopend op tafel. Ze stootte het per ongeluk dicht, zodat het een raadsel bleef of dat open boek misschien als een laatste boodschap was bedoeld.
Levé richt zich tot zijn vriend in de tweede persoon: ‘Je weet nu meer over de dood dan ik’. Hij doet dat in één lange, heen en weer springende, terugblik op diens omgang met het leven en de dood: ‘In mijn hoofd kom je tot leven in toevallige details, als knikkers die we uit een zak graaien’. Zo kunnen we al lezend geleidelijk een portret van de man krijgen: hij hield zich altijd afzijdig, was afstandelijk, somber, traag, immobiel, slim, kunstzinnig, lichtvoetig. De afstandelijkheid blijkt bijvoorbeeld uit hoe Levé over de entourage van zijn vriend schrijft. De enige namen die in het boek worden genoemd zijn die van een lid van een vroegere schoolband en van een kennis die een barbecue geeft. Hoe de vriend zelf heet komen we niet te weten. Zijn ouders, broer en zus, zijn vrouw en andere intimi krijgen geen naam en blijven daarmee anonieme figuren.
Omgekeerd lijken zijn naasten evenmin goed te weten hoe ze met zijn dood moesten omgaan. Tijdens de begrafenis krijgt zijn broer een zenuwtoeval en valt zijn zus flauw: ‘Twee verwilderde dieren in het verdriet van je uitvaart’. De moeder kan niet ophouden met huilen en de vader, door wie de vriend zich vernederd voelde, vlucht in schuldgevoel: hij prent maniakaal de hele tekst van het stripboek in zijn hoofd op zoek naar de geheime boodschap die er wellicht in lag.
Verzamelingen
Levé tekent zijn vriend aan de hand van korte scènes uit de tijd dat hij hem gekend heeft. Ze vertonen enkele steeds terugkerende trekken. Liever dan over zichzelf te vertellen is hij toehoorder: ‘de vragen die je stelde, dienden om je achter het luisteren te verschuilen’. Er zijn diverse toespelingen op de omgang van de vriend met verleden, heden en toekomst: ‘het heden was je tot last’. Veelvuldig is er het gedrag waarmee hij grip wil krijgen op wat er gebeurt en op de werking van het geheugen. De vriend verzamelde achternamen, bewaarde al zijn agenda’s en herlas die, in een boekje hield hij bij wat hij allemaal had kunnen doen (wie iets meer van Levé weet moet onmiddellijk denken aan zijn Oeuvres, waarin hij ideeën voor meer dan vijfhonderd werken opsomt die nooit zijn gerealiseerd) en zelfs had hij een agenda waarin hij de dagen tot zijn dood alvast invulde. En vooral zijn er de verwijzingen naar zelfmoord. Hij bezocht een concert waarin de zanger zijn polsen doorsneed, hij kocht tweedehands schoenen die van een zelfmoordenaar blijken te zijn geweest, en hij ontwierp zijn eigen grafzerk die hij voorzag van een sterfdatum als een bizar spel met degene die de zerk zou zien: ‘Niemand anders dan jij haalde het in zijn hoofd om te dollen met de dood’, schrijft Levé.
Alter ego?
Wat de vertelstijl betreft valt op hoe veel Levé van Georges Perec heeft opgestoken. De keuze voor de tweede persoon (‘je’) en de willekeurige wandelingen door de stad doen erg sterk denken aan Perecs Een man die slaapt; de behoefte om verzamelingen en inventarissen aan te leggen zou zo in diens Ik ben geboren kunnen staan. En Levé gebruikt voor verlaten, vervallen plekken zelfs letterlijk de term non-lieu (door Vandenberghe enigszins hybride vertaald met ‘non-plaats’) die Perec bezigde voor de restanten van de immigratiegebouwen op Ellis Island.
Zoals in het begin al opgemerkt is het lastig Zelfmoord te lezen zonder er verwijzingen in te willen zien naar Levé’s eigen einde. Daarover is in de kritiek veel gespeculeerd. Een interessante gedachte – maar ook niet meer dan een idee – is die dat allerminst zeker is dat de vriend echt geleefd heeft; hij zou een fictief personage kunnen zijn, een alter ego van Levé (onder andere in de op internet beschikbare studie Une analyse des jeux narratologiques dans l’œuvre troublante d’Édouard Levé). In dit verband is opvallend dat Levé, die fotograaf was, zichzelf ooit portretteerde als tweeling.
Ook zonder het beslissende antwoord is Zelfmoord een boeiende vertelling waarin menige verwijzing naar Levé’s eigen leven en werk zijn te vinden. Het begint al op de omslag van het boek: een door hemzelf gemaakt pointillistisch portret. Zelfmoord maakt nieuwsgierig naar meer van hem, zoals zijn Homonymes waarin hij gewone mensen portretteert die dezelfde naam hebben als een beroemdheid, of zijn Pornographie waarin hij mensen fotografeert in scènes uit pornografische films met dien verstande dat ze hun dagelijkse werkkleding dragen. Op Google zijn diverse afbeeldingen te vinden.
Als u behoefte heeft om te praten over zelfdoding kunt u bellen met de landelijke hulplijn 113 Zelfmoordpreventie. Telefoon 0800-0113 of kijk op www.113.nl.
Sandra Langereis won onlangs de Libris Geschiedenis Prijs voor haar lijvige boek, Erasmus. Dwarsdenker. Het was de tweede keer dat ze met een biografie voor deze prijs was genomineerd. In 2014 miste ze hem voor De woordenaar, maar riep De Volkskrant de biografie van drukker Christoffel Plantijn uit tot de beste biografie, en Trouw tot het beste geschiedenisboek van dat jaar. Momenteel bereidt ze zich voor op een biografie van Eise Eisinga (1744-1828), bekend van zijn Planetarium in Franeker. Langereis studeerde geschiedenis aan de UvA en promoveerde daar in 2001 cum laude. Ze doceerde vroegmoderne geschiedenis aan die universiteit en aan de Leidse universiteit, tot ze als fulltime onderzoeker met Erasmus’ biografie aan de slag ging. Hoe kwam ze tot de keuze voor de gebiografeerden? En wat maakt dat haar boeken zo geprezen worden? We ontmoeten elkaar voor een gesprek in Theater Lux in Nijmegen.
U schrijft zo beeldend dat ik onderweg naar dit filmtheater bedacht dat Erasmus op basis van uw biografie zo zou kunnen worden verfilmd.
‘Ik kan me voorstellen dat u dat denkt. Bij het schrijven heb ik voor mezelf een soort scenario’s getekend. Ik maakte bijvoorbeeld een plattegrond van het klooster waarin Erasmus opgroeide: waar lag de tuin, waar de brouwerij, hoe was de indeling? En vervolgens hoe moet hij zich daarin bewogen hebben. Zo heb ik voor zijn reizen uitgezocht hoe het Europese wegennet er in Erasmus’ tijd uitzag. Welke afstanden legde je per dag te paard af. Deed je dat stapvoets of in draf? Paarden werden vaak gehuurd, zoals je nu een auto huurt. Als je de rekening van de herberg moest betalen stond daar naast de kosten voor je bed en je maal ook de portie hooi voor het paard op. Als dat filmische beelden oproept ben ik daar blij mee. Maar ik heb dat niet voor het effect gedaan. Ik wilde duidelijk maken dat Erasmus’ intrede in het klooster betekende dat hij als adolescent een autarkische wereld binnentrad, een in zichzelf gekeerde wereld die niets te maken wilde hebben met het leven buiten de kloostermuren. En dat het enorm inspannende, tijdrovende en kostbare ondernemingen waren, al die tochten te paard van de volwassen auteur Erasmus naar Venetië, naar Bazel, noem maar op.’
De meest tot de verbeelding sprekende boeken van u zijn De Woordenaar en Erasmus. Dwarsdenker. Maar uw eerste publicatie betrof een minder avontuurlijk figuur, de Nijmegenaar Johannes Smetius. Hoe kwam u bij hem terecht?
‘Voor mij was de ontmoeting met Smetius wel degelijk een avontuur. Hij leefde in de 16de en 17de eeuw, de tijd waarin de vroegmoderne geschiedschrijving die aan bronnenvermelding doet is uitgevonden. Ik kwam met hem in aanraking toen ik een onderwerp zocht voor mijn doctoraalscriptie. Ik bestuurde daarvoor oude drukken aan de UvA en ik zag dat Smetius literaire geschiedschrijving combineerde met archeologische bronnen. Hij controleerde het verhaal over de opstand van de oude Bataven in de teksten van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus aan de hand van archeologische vondsten, een beetje zoals Erasmus de overgeleverde Bijbeltekst controleerde aan de hand van eeuwenoude bijbelmanuscripten. Ik wilde op zo’n empiricus afstuderen.
Ik heb toen veel tijd doorgebracht in het Gemeentearchief van Nijmegen, waar brieven van Smetius liggen. Daar bleken ze zelfs het manuscript nog te hebben van diens Nijmegen, stad der Bataven. Dat was heel uitzonderlijk, want in die tijd werden die na het drukken meestal weggegooid. Aan dat manuscript kon ik zien hoe het schrijven van Nijmegen, stad der Bataven evolueerde. Smetius plakte bijvoorbeeld notities over nieuwe archeologische vondsten in dat manuscript en stelde dan zijn tekst bij. Ik ben geïnteresseerd in de genese, de ontstaansgeschiedenis van teksten, in de ontwikkeling van het denken van auteurs, en in het effect van hun teksten op de maatschappij. Literatuur- en wetenschapsgeschiedenis is voor mij zoveel meer dan het bestuderen van gepubliceerde teksten alleen.’
Loopt er een lijn van Smetius naar uw latere biografieën? Is er een grondthema dat steeds terugkeert?
‘Wat Smetius, Plantijn, Erasmus en mijn volgende onderwerp Eise Eisinga, alle vier gemeen hebben is een ongelooflijke ambitie en bevlogenheid. Het zijn cultuurmakers die zo geloven in de opdracht die ze zich gesteld hebben dat ze hun leven ernaar inrichten en er tal van opofferingen voor over hebben. Hun werk laat heel goed zien wat het belang is van literatuur en wetenschap voor de geschiedenis en de maatschappij. Het geeft mij troost om te zien wat cultuurmakers daar voor over kunnen hebben.’
Hoe kon u vaststellen dat maatschappelijke veranderingen een effect waren van wat Erasmus deed?
‘Dat weet ik omdat ik veel kon vinden over de receptie van zijn teksten. Wat het effect van Erasmus’ geschriften was, valt bijvoorbeeld op te maken uit de vele brieven die hij kreeg. Daarin stond natuurlijk kritiek wanneer de afzenders orthodoxe theologen waren. Maar ik ga in mijn boek ook in op de brieven die hij kreeg van fans, gewone gelovigen, mannen en vrouwen. Ik heb uitgezocht wat voor vrouwen dat waren: abdis Clara Pirckheimer bijvoorbeeld, die dagelijks in Erasmus las. Of Margarethe Peutinger, de erudiete echtgenote van een Augsburgse stadssecretaris en moeder van volwassen kinderen, die thuis in haar eigen Bijbel aantekenende hoe een bijbeltekst volgens Erasmus gelezen en gecontroleerd moest worden. Erasmus liet die lezers zien dat de Bijbel mensenwerk was en dat de evangelisten en apostelen bijvoorbeeld retorische technieken gebruikten om hun boodschap over te brengen.’
Om weer even naar onze tijd te springen zou Erasmus antivaxxers die zich op de Bijbel baseren op andere gedachten hebben kunnen brengen?
‘Jazeker. Veel van zijn lezers volgden hem in zijn boodschap dat je wel degelijk spiritueel bezig was als je de Bijbel kritisch las. Daarmee bedreef je geen ketterij, integendeel.’
Waarom wilt u nu in het leven en werk van Eise Eisinga duiken? Het is een andere eeuw (de 18de en 19de) en met de natuurwetenschappen een heel ander wetenschapsveld dan dat waarin u zich tot nu toe bewoog.
‘Eisinga’s tijd is niet helemaal onbekend terrein voor me, want in Breken met het verleden (uit 2010, onder andere over de sloop van de Valkhofburcht in Nijmegen in 1795 tijdens de stichting van de Bataafse Republiek, A.A.) schreef ik ook al over die tijd. De Renaissance en de Verlichting vind ik erg boeiend. Het zijn mijn favoriete tijdvakken. Ik zoek na de eeuwen van Plantijn en Erasmus die uitdaging van een nieuwe periode en een nieuw wetenschapsgebied ook wel op, omdat ik niet in herhaling wil vallen. Toen Eisinga in Franeker zijn Planetarium bouwde deed hij dat als reactie op een manifest van een dominee. Die had in 1774 in de bijzondere conjunctie van planeten een aanleiding gezien om de ‘ontsloping van het heelal’ en het in de Bijbel voorspelde ‘einde der tijden’ aan te kondigen. Daartegenover wilde Eisinga met zijn geweldige kennis van astronomie zichtbaar maken dat God, de ‘Grote Klokkenmaker’, juist harmonie in het heelal had verzekerd. Eisinga stelt mij in de gelegenheid om me te buigen over de spanning tussen natuurwetenschappen en geloof. Dat maakt hem interessant: dat hij in 1774 een educatief Planetarium bouwde dat in feite al een blauwdruk presenteerde van wat orthodoxe scholen nu intelligent design noemen.’
Bij de uitreiking van de Libris Geschiedenisprijs tijdenshet geschiedenisprogramma OVT, werd gezegd dat Erasmus een ‘vergeten schrijver’ is. U zei zelf dat we hem in Nederland niet goed kennen. Toch hoorde ik één van uw kinderen bij de uitreiking zeggen dat hij wel les had gehad over Erasmus. Hoe erg is het met die onbekendheid?
‘Het hangt er vanaf op welke school je zit. Volgens mij is Erasmus op de meeste middelbare scholen een onbegrepen figuur. Welke leerling, of leraar, kan goed uitleggen waar de historische Erasmus nu eigenlijk precies voor staat? Hij heeft iets met tolerantie te maken, verder komen veel mensen in Nederland niet. Hij schreef de Lof der zotheid, dat is bij aardig wat mensen wel bekend, maar dat hij ook met de Bijbel bezig is geweest en vooral om die reden in zijn eigen tijd geliefd was en tegelijkertijd gehaat werd door zowel katholieke inquisiteurs als protestantse leiders als Maarten Luther, is vandaag de dag vergeten. Mijn zoon David, die u dat hoorde zeggen, zat drie jaar op een gymnasium en daar heeft hij inderdaad een leraar gehad die over Erasmus als humanist en vertegenwoordiger van de Renaissance vertelde, maar dat is niet op alle scholen zo. Het is grappig dat David, toen ik zelf nog nauwelijks aan mijn biografie was begonnen, mij vertelde dat de opgestoken middelvinger van Erasmus komt. Dat leek me toen erg onwaarschijnlijk, maar toen ik de Adagia, de spreekwoordenverzameling van Erasmus, ging lezen kwam ik het daar tegen. Davids leraar had het denk ik gevonden in de vertaling door Jeanine De Landtsheer.
Op de Nederlandse basisschool wordt geschiedenis, als er een gediplomeerde leraar voor de klas staat met in achtneming van wat er allemaal in het onderwijs is wegbezuinigd, gegeven op basis van de Canon van Nederland. Ik noem dat een ‘verkleuterd’ uitgangspunt. Hoe droevig het is gesteld met Erasmus op school zag ik eens in het tv-programma, De Beste Vrienden Quiz, een kennisquiz voor achtste-groepers. Er werd gevraagd naar de naam van een ‘wereldberoemde schrijver’ uit Nederland. Er kwamen steeds meer hints, zoals ‘hij is de schrijver van De lof der zotheid’ en ‘er is een beroemde Rotterdamse brug naar hem genoemd’. Het antwoord dat toen geroepen werd was Rembrandt. Erasmus zit niet, of niet goed in de verhalen van leraren. En ik moet zeggen dat het met de Wikipedia- pagina over hem, het voor docenten niet aantrekkelijk is om hun leerlingen daarover een opstel te laten schrijven. Ik hoop dat geschiedenisleraren mijn biografie van Erasmus gaan lezen. Dat is een biografie en een geschiedenisboek inéén, waarin je niet alleen Erasmus, maar ook de eeuw waarin hij leefde op een compleet nieuwe manier leert kennen.’
We hadden het al over het filmische karakter van uw biografie over Erasmus. Vindt u zich naast historicus en wetenschapper ook schrijver?
‘Poeh. Even denken. Ik blijf wetenschapper, al probeer ik zo boeiend mogelijk te vertellen. Ik wil lezers wel meevoeren en ik gebruik verteltechnieken om dat te bereiken. Maar nogmaals, ik ben niet uit op effectbejag en ik ben wars van gaten dichten door fictie. Ik schrijf geen publieksboek en ik ga niet op mijn hurken zitten voor de lezer. Ik doe geen concessies op inhoud. Ik wil mijn lezers zoveel informatie geven dat ze met mij kunnen meedenken en zelf doordenken. Daarvoor moet ik ze wel eerst beetpakken.
Ik heb naar aanleiding van mijn boek over Erasmus vaak nagedacht over mijn eigen schrijverschap. Ik kom uit een arbeidersgezin waar boeken zeldzaam waren, ik vroeg altijd een boek voor mijn verjaardag en was verder aangewezen op de bibliotheek. Ik was op de lagere school al gefascineerd door taal, schreef stukjes voor de schoolkrant en maakte boeken, ook stripboeken. Ik hield van strips. In mijn studentenjaren volgde ik ook colleges bij Historische Letterkunde en kreeg ik te maken met studenten uit hoogopgeleide gezinnen, mensen met universiteitsdocenten als ouders, die vertelden dat ze als kind thuis geen strips mochten lezen. Ik heb als kind van die strips kunnen opsteken hoe je een pakkend verhaal opbouwt. Elk plaatje moet iets beeldends en iets taligs hebben en aan het eind van de pagina moet een cliffhanger zitten. Oorspronkelijk verschenen strips als feuilleton in kranten en tijdschriften en kwam de volgende pagina pas een week later. Daar keek je naar uit.
Ik probeer zo te schrijven dat de lezer dóór wil. Ik wil niet dat de lezer alleen het hoofdstuk over De lof der zotheid opzoekt en doorneemt en dan het boek dichtslaat: nee, ik wil de lezer 700 pagina’s lang vasthouden, zodat hij of zij uiteindelijk over álle werken die Erasmus schreef mijn verhaal heeft gelezen. Ik wil bereiken dat de lezer ook mijn uitgebreide verhaal over Erasmus’ nogal abstracte Bijbeluitgaven, of over Erasmus’ volstrekt onbekende bijbelse Parafrasen wil lezen. Ik moest aan die strips uit mijn jeugd denken toen ik tijdens het schrijven van Erasmus’ biografie mijzelf verraste door ergens een uitroepteken en een vraagteken na elkaar te zetten als uitdrukking van gespeelde verbazing, in de geest van Erasmus. Dat is in wetenschappelijke literatuur not done. Maar in dit boek over Erasmus durfde ik dat wel, zo’n experimentje met alledaagse humoristische interpunctie geeft de speelsheid van Erasmus’ eigen ongekunstelde literatuuropvatting heel goed weer. Ik gebruik in dit boek over hem ook literaire technieken die in wetenschappelijke literatuur ongebruikelijk zijn. Ik durf gerust een grap in te lassen of onverwachte vertelperspectieven te gebruiken. Dat deed Erasmus zelf namelijk ook.’
Dat viel me inderdaad op. Ik raakte in de proloog in de war omdat u hem in de eerste zin meteen sprekend opvoert op een moment dat hij al dood was. Het bleek te gaan om een houten beeld van hem dat u een stem geeft.
‘Die verwarring wil ik ook. Hebt u gezien dat ik voorin een motto heb staan uit The Marx Sisters van Willem de Wolf? Dat is een acteur en tekstschrijver die ik erg bewonder. Ik ga graag en vaak naar theater waarin de spelers hun eigen teksten spelen, bijvoorbeeld De Koe, het gezelschap van Willem de Wolf. In The Marx Sisters is hij de acteur die een rol speelt en tegelijk de schrijver die op het toneel plotseling uit die rol stapt en schrijver Willem de Wolf is. Een heel subtiele, heel intellectuele, en ook heel geestige techniek die hem in staat stelt commentaar te leveren op zijn eigen stuk: best moeilijk te volgen voor een doorsnee theaterbezoeker, daar moet je een geoefend kijker van dit soort toneel voor zijn. In mijn Proloog probeer ik iets vergelijkbaars uit.
Erasmus speelde zelf ook met rollen. Hij voerde zichzelf in een tekst als Tegen de barbaren bijvoorbeeld op als Erasmus, om zich vervolgens door één van zijn fictieve personages ter verantwoording te laten roepen. Ik laat in mijn Proloog een houten beeld van Erasmus tegen de biograaf zeggen: “Terug nu naar het echte verhaal! Voor zover dat kan dan. Er loopt zoveel door elkaar heen. Wat wordt het nou: geschiedschrijving of niet? (…) Hoeveel lagen wil je een verhaal geven, Langereis! Blijf eens simpelweg bij de feiten, mijn feiten. End fiction. Try fact! Laat mij anders liever zelf het woord doen”. Het is een speelse en geestige maar ondertussen wel degelijk literair geïnformeerde manier om de lezer alert te maken op het feit dat dit geen rechttoe rechtaan biografie is van Erasmus, en dat deze biograaf van de lezer verwacht dat die mee puzzelt en meedenkt. Erasmus probeerde zijn lezers ook te leren hoe tekst werkt, hoe een schrijver zijn publiek stuurt.’
In uw nawoord bij De woordenaar schrijft u dat het een feest was om uitgerekend dat boek te schrijven met twee kinderen die leerden lezen. Wat bedoelt u daarmee?
‘Mijn boeken over Plantijn en Erasmus gaan voor een groot deel over leescultuur. Ik stelde in De woordenaar al vast dat de alfabetisering in de Lage Landen behoorlijk hoog was dat was in de tijd van de Renaissance eigenlijk alleen in Noord- en Midden-Italië en in de Lage Landen het geval. Ik was aan het denken over alfabetisering juist toen mijn kinderen leerden lezen. Ik kon dat van zeer dichtbij meemaken omdat ik bij hen op school leesmoeder was en hele klassen hielp bij de elementaire leeslessen door bijvoorbeeld met de kinderen te ‘flitsen’. Ik vond het fascinerend te zien hoe lees- en schrijfontwikkeling gaat. Die berust deels op talent en deels op scholing. De verschillen in individueel leertempo en leerniveau blijken in de eerste klassen meteen enorm. Toch leren uiteindelijk alle kinderen lezen en schrijven, ook kinderen met minder talent. Maar die enorme tempoverschillen in de eerste jaren maken dat sommige kinderen hun aandacht al heel snel kunnen verleggen van, bijvoorbeeld, het technisch uit elkaar houden van spiegelbeeldige letters als b en d naar inhoudelijker aspecten van het lezen en schrijven. Dat vergrootte mijn inzicht in de moeilijke vraag in hoeverre talent en scholing belangrijk waren voor de prilste ontwikkeling van een schrijver als Erasmus.’
Van de vijftien winnaars van de Libris Literatuur Prijs hebben er drie geen eigen lemma in Wikipedia. Daar bent u er één van.
‘Die andere twee zijn zeker ook vrouwen.’
Dat zijn Bart van de Boom en Roelof van Gelder. Waarom dacht u dat het vrouwen zouden zijn?
‘Omdat vrouwelijke cultuurmakers behoorlijk onzichtbaar zijn. Ik had het er een keer over met Neel Korteweg, de kunstenares van wie het Erasmusportret op het omslag van mijn boek is. Zij heeft dezelfde ervaring in de kunst als ik in de wetenschap.’
Heeft u dan niet de behoefte de biografie van een vrouw te schrijven?
‘Ik ben niet in die zin een feminist (ze lacht). Mijn bijdrage aan het feminisme is dat ik bewijs dat een radicale historicus net zo goed een vrouw kan zijn. Ik beweeg me op terreinen die vaak het domein van mannen zijn. Er valt daarin voor vrouwen nog het nodige te winnen, er is nogal eens sprake van scepsis. Misschien wel afgunst zelfs. Mijn missie is eenvoudigweg dat ik me niet laat ontmoedigen en zeker niet laat intimideren.’
De openingszinnen zijn een aardige illustratie van wat De zaak aan Highway 62 van Laila Lalami goed en tegelijk minder sterk maakt. De eerste zet het verhaal meteen op scherp: ‘Mijn vader kwam om het leven op een voorjaarsavond, vier jaar geleden, terwijl ik aan een hoektafel van een nieuwe bistro in Oakland zat’. Maar daarop volgt: ‘Telkens als ik aan dat moment terugdenk, dringen zich twee tegengestelde beelden aan me op: mijn vader snakkend naar adem op het gebarsten asfalt, en ik aan de champagne met mijn huisgenote Margo’. De eerste zin roept voldoende vragen op om je het boek in te trekken, maar waarom moet in de tweede worden benóémd dat het ‘twee tegengestelde beelden’ zijn? Dergelijke schendingen van show, don’t tell komen helaas te veel voor en dat doet afbreuk aan een boek dat om zijn thematiek wel degelijk lezers verdient.
Achter de openingszinnen zit een schuldgevoel van Nora, de dochter die hier aan het woord is. Ze heeft kort voor het ongeluk haar vader Driss aan de telefoon gehad en heeft beloofd hem terug te bellen. Maar op het moment dat ze daar tijd voor heeft doet ze het niet en gaat ze rustig een kopje koffie drinken. Daarmee heeft ze haar laatste kans laten schieten.
Driss Gerraoui heeft op 28 april rond half elf zijn restaurant ‘The Buffet’ afgesloten en is bij het weggaan geschept door een auto die is doorgereden. De politie komt niet verder dan een aanrijding met dodelijke afloop door een onbekende, maar Nora laat het daar niet bij. Waarom sloot haar vader die avond ‘The Buffet’ af, iets dat hij altijd over liet aan een personeelslid? Heeft de politie wel genoeg gedaan om getuigen te vinden? Was het haat en was het ongeluk moord? Het verhaal wordt zo een whodunnit, die de boog gespannen houdt, maar dat is niet wat de roman het lezen waard maakt. Juist daarom is de oorspronkelijke titel The Other Americans eigenlijk beter. Daarin gaat de aandacht niet primair uit naar een mogelijk misdrijf, maar naar de fricties en problematische verhoudingen in de smeltkroes Amerika.
De omgekomen Driss is een Marokkaanse immigrant en dat maakt ‘de zaak’ anders.
Zondebok
Auteur Laila Lalami zelf is ook geboren in een arbeidersmilieu in Marokko en is nu universitair docent creative writing in Californië. Haar vorige roman uit 2014, in 2020 in het Nederlands vertaald als La Florida, werd bekroond met de American Book Award en haalde de shortlist van de Pulitzer Prize. In die roman stond de vermeende superioriteit van de witte man tegenover andere culturen centraal.
Nu, in De zaak aan Highway 62, is het de hardnekkige achterdocht van de witte Amerikaan jegens immigranten sinds 9/11. Dat trauma zoekt nog steeds een zondebok waarop een diepgewortelde angst kan worden afgereageerd.
De roman is bijna helemaal gesitueerd in de Mojavewoestijn in het zuiden van de VS. Veel van de personages zijn immigranten. Driss Gerraoui is in de jaren 70 met zijn vrouw Maryam en dochter Salma de repressie in Marokko ontvlucht. In Amerika wordt hun dochter Nora, de belangrijkste stem in het boek, geboren. De confrontatie met de Amerikaanse cultuur leggen een zware druk op het gezin. Driss wordt atheïst terwijl zijn vrouw juist gehecht blijft aan de islam en haar moederland. Nora, die in Amerika is geboren, wil componiste worden en wordt daarom door haar moeder gekleineerd: waarom bouwt ze geen carrière op, net als haar zus Salma? Ze heeft het gevoel dat alleen haar vader haar begrijpt. Daarom heeft zij er de meeste moeite mee zijn dood te aanvaarden als louter een verkeersongeval.
Irak
Er is wel degelijk een getuige van het ongeluk. Dat is de Mexicaanse immigrant Efraín Aceves. Die durft zich niet te melden omdat hij geen verblijfsstatus heeft en bang is te worden uitgezet.
Dan is er nog de Afro-Amerikaanse rechercheur Erica Coleman, geen immigrante, maar ook zij krijgt te maken met raciale bejegeningen.
Daarnaast zijn er de Amerikanen Jeremy Gorecki en zijn marinemaatje Brian Fierro. Zij verwijzen op een andere manier naar 9/11. Ze hebben gevochten in Irak. Ze gingen er vol overtuiging naar toe om de daders van de aanslagen op de Twin Towers uit te schakelen. Ze dragen de last van hun missie op verschillende manieren met zich mee. Fierro is veranderd in een bullebak met woede-aanvallen, terwijl Jeremy zich aan een nieuw leven heeft weten aan te passen door zijn gevoelens weg te stoppen. Dat lukt hem niet meer als hij een verhouding krijgt met Nora die tot spanningen leidt. Bij haar ziet hij in dat hij en zijn maten in de politieke drogredenen van Bush en de zijnen zijn getuind om in Irak dood en verderf te zaaien.
Aan de andere kant staan de Amerikanen als Anderson Baker en zijn zoon, die heilig geloven in de VS als brenger van gerechtigheid. Ze exploiteren naast het restaurant van Driss een bowlingbaan en reageren zich voor alles wat tegenzit af op de moslims; in hun geval natuurlijk vooral de Marokkaanse buurman.
Compassie
Lalami kiest voor haar roman een vorm die zorgt voor een veelzijdig narratief. Alle hoofdstukken dragen als titel de naam van één van de personages: zij vertellen steeds hun kant van het verhaal: Nora, Maryam, Salma, Coleman, Jeremy, Efraín, Baker enzovoort. Zelfs de overleden Driss wordt als verteller opgevoerd.
In ieders verhaal draait veel om hun herinneringen, die duidelijk maken wat hen in hun leven heeft gevormd. Juist daarin komen helaas nogal wat ontsierende platitudes voor die in de vertelstijl afbreuk doen aan de kracht van het verhaal: ‘Het geheugen is een merkwaardig iets. Wat de een voorgoed bijblijft, is de ander zo weer vergeten’. Of: ‘Wat was het hart toch een kwetsbaar iets. Zo makkelijk voor de gek te houden’.
Er is nog een laatste aspect dat De zaak aan Highway 62 goed maakt. Dat is de compassie die Lalami bij de lezer weet te wekken voor haar personages. Uiteindelijk begrijp je dat ieder van hen, óók de agressieve Fierro of vreemdelingenhater Baker, in zekere zin de pech hebben gehad te belanden in een leven en denkwereld die voor een groot deel door ongelukkig toeval werden bepaald. Uiteindelijk kunnen werkelijke belangstelling en aandacht voor elkaar, ja liefde, daaruit een uitweg bieden. Het is zoals Nora concludeert waar ‘dat liefde geen tam of passief wezen was, maar een opstandig beest, chaotisch en onvoorspelbaar, ruimhartig en vergevingsgezind’. Laten we Lalami haar paar stilistische zwakheden vergeven en ons openstellen voor haar werkelijke verhaal.
In Nederland bestaat nauwelijks belangstelling voor Indiase literatuur. Een uitzondering daarop vormen Salman Rushdie of V.S. Naipaul die in het Engels schreven of via Engelse vertalingen de wereld over gingen. Lodewijk Brunt heeft zich jaren beijverd om onbekende teksten rechtstreeks uit vooral het Hindi hier onder de aandacht te brengen. Hij schreef ooit op zijn weblog dat alleen al het kiezen van vertalenswaardig werk geen sinecure is: ‘In India verschijnen naar schatting jaarlijks zo’n 100.000 boeken, de helft in het Engels, een kwart in het Hindi en een kwart in een van de vele andere talen (…) We zoeken naar werk dat nog niet in het Engels of een andere Europese taal is vertaald, dus je bent voor ideeën en suggesties afhankelijk van recensies, tijdschriften, uitgeverijen’. En dan nog moest hij, als hij met zijn collega-vertaler Dick Plukker aan een nieuw project was begonnen, meerdere keren tot de conclusie komen dat het werk niet interessant genoeg was. De meest recente vertaling van het duo is de vorig jaar – tevens het jaar van overlijden van Brunt – verschenen bundel van de jonge Indiase schrijfster Anu Singh Choudhary (1979), De blauwe sjaal. Hij bevat twaalf korte verhalen van deze multitasker, die onder meer journalist, filmmaker, regisseur en vertaler is. In die laatste functie bewerkte ze de Nederlandse tv-serie Penoza in het Hindi. De blauwe sjaal was ook in India haar eerste verhalenbundel (2014). Belerend
Om maar met deur in huis te vallen: de verhalen zijn in het Nederlands geen onverdeeld genoegen. Dat heeft niet zozeer te maken met de grote culturele verschillen tussen India en het westen – als lezer dien je de bereidheid te hebben die met een open geest tot je te nemen – maar met de soms wat slordige en belerende pen van de schrijfster. Bijna alle verhalen gaan over vrouwen in het moderne India. Zelfbewuste vrouwen soms, maar ook vrouwen die vermalen worden binnen verschillen tussen kasten, door totaal verschillende leefwijzen in de grote steden en het vaak nog feodale platteland, of binnen relaties waarin ze door werkgeefsters worden uitgebuit of door echtgenoten klein gehouden. Slechts een enkele vrouw weet zich daaraan te ontworstelen. De verhalen geven dan wel inzicht in maatschappelijke verhoudingen, maar ze lijken soms meer geschreven om vrouwen in India bewust te maken van hun achterstelling dan dat ze literair interessant zijn.
In het openingsverhaal Kamergenoten bijvoorbeeld, wordt het ontstaan van een vriendschap tussen twee van de vier vrouwen die op een kamer samenwonen op een nogal ongeloofwaardige manier neergezet. Blijkbaar begrijpen de twee elkaar na een paar woorden al terwijl de lezer nog nauwelijks in de vriendschap is meegenomen. Ook in het titelverhaal De blauwe sjaal wordt de lezer weinig subtiel geleid naar waar de verteller hem of haar wil hebben, ditmaal in het schrijnende leven van een vrouw in een huwelijk met een berekenende man (de man dwingt haar tot een abortus en heeft totaal geen oog voor wat dat voor haar verdere leven betekent). Maar dat gebeurt op zo’n explicerende manier dat je als lezer het gevoel hebt te luisteren naar iemand die een gemoraliseerd feitenverslag uitbrengt. Het wemelt, net als in de meeste andere verhalen, van de tegeltjeswijsheden als ‘Anderen vergeven is makkelijk, jezelf en de jouwen vergeven is het moeilijkst’ en ‘Iemand troosten is de moeilijkste taak die er bestaat’ of open deuren: ‘Als we weinig met elkaar praten, dan zeggen we dikwijls de verkeerde dingen op het verkeerde moment’. Let wel: die citaten zijn de prekerige woorden van de verteller, niet de gedachten van de hoofdpersoon zelf.
Spin
In een ander verhaal zijn het weer de metaforen die storen. In Het leven, de ziekte en de behandeling heeft een zwangere vrouw met een slecht huwelijk een gesprek met een gynaecoloog. Liggend op bed ziet ze in een hoekje boven zich een spin in zijn web zitten, terwijl de arts haar adviseert over haar depressieve gevoelens. Ze beseft ineens: ‘Een leven dat er kleurloos uitziet, moet je zelf kleur geven’ en symbolisch geeft ze met ‘de bezem de spin die aan het plafond hangt de vrijheid’. Het was misschien een werkzaam beeld geweest als ze een vlieg uit het web had bevrijd, maar of de spin zich verlost gevoeld zal hebben…? Toch is het niet moeilijk voorstelbaar waarom de bundel voor de vertalers interessant was. Alle verhalen illustreren wel op een of andere manier de hectiek van het moderne Indiase leven, vooral in de steden. Daarnaast laten ze de enorme botsingen zien tussen conventies en rituelen op het platteland die zwaar leunen op het oude kastensysteem, en de jongste generatie die via moderne media een venster op de wereld krijgt. Wie daar meer over wil lezen zal wellicht met wat minder moeite over de stilistische tekortkomingen heen stappen.
Menigeen zal zich de foto’s herinneren die de Nepalese klimmer Nirmal Purja op 21 mei 2019 maakte van filevorming naar de top van de Mout Everest. Die drukte is op meer plaatsen een probleem. Zo laat Toine Heijmans de protagonist van zijn roman Zuurstofschuld, Walter Welzenbach, als hij een andere achtduizender in de Himalaya beklimt zeggen: ‘Het grootste probleem van deze berg is de drukte. Zoveel klimmers gaan op goede dagen tegelijk omhoog, rissen mensen in hetzelfde spoor, wachtend op de volgende stap, dat het gevaarlijk wordt. Dood gewicht (…) Traagheid als maatstaf, terwijl iedereen almaar sneller boven wil zijn.’
Wie zelf geen alpinist is heeft waarschijnlijk het vrij stereotiepe beeld van ijzingwekkende ontberingen op weg naar heldendom en van verminkingen en onvindbare doden. Heijmans laat in Zuurstofschuld een scala aan aspecten zien: vriendschap, eerzucht, ethiek, jaloezie, commercie enzovoort, maar ook de verschillen tussen het verhaal van de klimmer en dat van het publiek. Als Walter een stuk schrijft over Toni Kurz (hij liet in 1936 op een tragische manier het leven op de Eiger omdat hij tijdens het abseilen bleef hangen in zijn touw op een hoogte waarop een reddingsteam hem niet kon bereiken – een beroemde foto ervan is in de roman opgenomen) zegt hij daarin dat alles wat later over Kurz is ‘gezegd of geschreven komt van degenen die het op afstand zagen gebeuren, of er over lazen’. Er was zo weinig bekend over hem, dat in hetzelfde jaar 1936 al een fictief dagboek uitkwam: ‘de roman als laatste redmiddel om de waarheid te begrijpen’. Die laatste woorden worden niet alleen Walter in de pen gelegd, maar ze gelden ook voor Toine Heijmans zelf. In een interview vertelde hij dat zijn boek geen non-fictie had kunnen zijn: ‘Het moest een roman worden, anders kon ik niet vertellen wat ik wilde vertellen.’.
Heimwee
Toch wilde Heijmans, die zelf al lang niet meer klimt, de talloze grote ervaringen uit de bergsport opnemen. Hij kiest als verteller daarvan zijn hoofdpersoon Walter (19) die bevriend raakte met Lennaert (Lenny) Tichy (21). Ze studeerden beiden in een stad die wat weg heeft van Nijmegen waar Lenny Walter de eerste klimtechnieken leerde op de pijlers van de (Waal)brug. Het voelde voor Walter alsof hij er zijn ‘bestemming vond’. Op de kamer van Lenny laafde hij zich aan de verzameling biografieën van bergbeklimmers ‘alsof ik heimwee had’. Ze gaven hun studies op en vertrokken naar Chamonix aan de voet van de Mont-Blanc waar hun echte berggeschiedenis begon. Ze maakten samen een aantal tochten, tot Lenny ermee stopte, trouwde, kinderen kreeg en uiteindelijk een bedrijf ging leiden in Voorburg. Walter bleef zijn grote liefde, het klimmen, trouw.
Zuurstofschuld gaat over de vriendschap tussen de twee voormalige studenten en over vriendschap in het algemeen. Het grote verhaal daarnaast wordt gevormd door de ervaringen van Walter tijdens de beklimming van een Himalayatop die te identificeren valt als de Cho Oyu in Tibet. Omdat Walter de hele bibliotheek van Lenny in zijn hoofd heeft zitten kan hij zijn gedachten steeds illustreren met aansprekende voorbeelden uit het alpinisme. Bieden die op zich al meer dan voldoende stof voor een boeiend relaas, in het persoonlijke verhaal van Walters eigen beklimmingen wordt de spanning nog eens te meer opgevoerd. Dat doet Heijmans in een vernuftig geconstrueerde opzet van de roman met veelzijdige filosofische en ethische beschouwingen; je wilt de rake zinnen daarin voortdurend aanstrepen.
Verhalen maken
Walter beklimt de Cho Oyu in een tijd dat het alpinisme steeds idioter lijkt te worden. Alle toppen zijn al bedwongen en met dat gegeven worden de meest absurde nieuwe doelen gesteld: zonder zuurstof naar boven, een nieuwe route naar de top, de snelste tijd neerzetten, als oudste, als jongste, als gehandicapte de top bereiken, de ‘seven summits’, de zeven hoogste bergen, veroveren in zo kort mogelijke tijd, ja zelfs op een mountainbike de berg op. En ondertussen worden de bergen begraven onder het afval en alsmaar luxere (basis)kampen met helikopterplatforms, winkeltjes, een ziekenhuis, warme douches en restaurants.
Te midden van al dat geweld beklimt Walter de berg solo, vóór de groepen uit. Onderweg krijgt hij tegen zijn zin te maken met de Canadees Monk Sanders, die voortdurend selfies loopt te maken voor zijn sponsor. Toch ontstaat er een band. De twee raken zelfs op elkaar aangewezen. De dialogen tussen hen zijn juweeltjes in de roman. Zoals die over de populariteit bij het publiek van films over bergbeklimmers: ‘Wij maken verhalen. Dat is wat we doen. Verhalen die ze stiekem op hun kantoorcomputers bekijken tijdens hun lange, bange dagen op het werk (…) Het gaat ze niet om ons, maar om zichzelf. Wij brengen ze naar een plek die ze zelf nooit bereiken (…) Wij nemen ze die tocht uit handen, geven ze de mogelijkheid om over zichzelf na te denken.’
Contragewicht
Dialogen ook over het klimmen waarbij je door een lijn met elkaar verbonden én van elkaar afhankelijk bent: ‘Lenny reguleert mijn zwaartekracht, ik reguleer de zijne, dat is wat vrienden doen. We zijn elkaars contragewicht, zoals bij een schuifraam dat half openstaat: je ziet niet waarom het in de sponning blijft hangen maar het gebeurt’ en: ‘Het is een scheef evenwicht; onze vriendschap moet uit balans zijn, anders is het geen vriendschap meer’. Hij haalt de beklimming van de Mount Everest door Norgay Tenzing en Raymond Lambert aan, een jaar vóór Hillary met Tenzing de top zou bereiken. Lambert was er zo slecht aan toe dat ze op 237 meter onder de top besloten terug te keren. ‘Ze wilden allebei niet dat de ander zou sterven (…) Ze keerden om op gevoel, ze wilden elkaar niet kwijt’. ‘Ze waren vrienden’, zegt Walter. Tenzing en Hillary waren dat volgens hem niet. Zij waren sahib en sherpa, heer en sjouwer.
Lenny heeft Walter bij een vroegere beklimming uitgelegd wat zuurstofschuld is: ademen brengt je uit balans. Daarom is het soms nodig te klimmen zonder dat te doen. Pas daarna zuig je je longen vol. ‘Je klimt op zuurstofschuld’. Het blijkt vele pagina’s verder tevens een metafoor voor wat klimmen met de alpinist doet: ‘dat niet de tijd die je in de bergen doorbrengt belangrijk is, maar de tijd erna (…) Elke beklimming is ingedikte tijd die later goedgemaakt moet worden’.
De hoofdstukken in Zuurstofschuld dragen bijna allemaal als titel een hoogte in meters. Ook het laatste, dat bestaat uit een lege pagina. Dat is niet zonder betekenis want de lezer die dan terugbladert naar een eerder hoofdstuk met dezelfde titel wordt geconfronteerd met een onderliggende spanning die hem bij eerste lezing ontgaan zal zijn. Ineens wordt duidelijk wat werd bedoeld met de ooghoek waarin Walter Lenny zag. En waarvoor de rode thermosfles stond. Zuurstofschuld bevat meer suspense dan je aanvankelijk vermoedt.
Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of tijdens zomerse dagen in eigen tuin gelezen worden.
Adri Altink gaat op vakantie en neemt mee: Ross King – De boekhandelaar van Florence Margriet van der Heijden – Denken is verrukkelijk. Het leven van Tatiana Afanassjewa en Paul Ehrenfest Laura Jansen – Wij zagen een licht Cyrille Offermans – Midden in het onbewoonbare Ingmar Heytze – De honderd van Heytze
‘De boekhandelaar van Florence uit de titel is Vespasiano da Bisticci, die midden in de ontwikkeling van de boekdrukkunst stond en Ross King is een boeiende verteller. In de dubbelbiografie van het echtpaar Ehrenfest is mijn interesse gewekt door een prachtige roman, De verrijzenis van Aragovan Tomas Lieske. Daarin speelt Paul Ehrenfest een grote rol. Van kunst- en literatuurcriticus Cyrille Offermans las ik twee jaar geleden de dagboeknotities Een iets beschuttere plek misschien. Ik vond die zo boeiend dat ik de opvolger, Midden in het onbewoonbare, eveneens verschenen in de serie Privé domein, nu ook klaar leg. Sinds mijn ervaringen met vluchtelingen op Lesbos, kan ik verslagen daarover maar moeilijk ongelezen laten. Daarom Wij zagen een licht van Laura Jansen, die er twee en een half jaar werkte. De honderd van Heytze gaat mee omdat hij heerlijk gezelschap is om bij weg te mijmeren.’
‘Op 27 juni 1598 vertrok Erasmus uit de haven van Rotterdam’. Dat lijkt geen spetterende openingszin. Behalve wanneer je weet dat Erasmus in 1598 al 62 jaar dood was. Sandra Langereis begint met die zin de Proloog van haar biografie van de Rotterdamse humanist, waarin ze de ontdekkingsreis beschrijft van vijf schepen met aan boord van één ervan een houten beeld van Erasmus. Het wordt een rampzalige tocht in de sporen van de Portugese ontdekkingsreiziger Magellaan. Alles zit tegen onderweg, de meeste opvarenden komen om en er komt uiteindelijk maar één schip aan op de bestemming. Op juist dat schip staat het beeld van Erasmus, die zo, zou je kunnen zeggen, overleeft. Het is een mooie metafoor voor wat de biografie ons nog zal voorschotelen over een man die ondanks een leven vol tegenslagen tot aan verkettering toe, volhardt in zijn ontdekkingstocht en triomfeert.
Erasmus: dwarsdenker is de zeer toepasselijke titel van Langereis’ levensverhaal. Erasmus ging volkomen zijn eigen weg, tegen heersende stromingen in. En hij betoonde zich een vechtjas. Bijna zijn hele leven bleef hij verstoken van een vast inkomen en moest hij voortdurend passen en meten om boeken aan te kunnen schaffen en ook nog te kunnen eten. Hij zwierf door Europa van kamers bij vrienden naar morsige herbergen; pas in zijn laatste jaren in Bazel beschikte hij over vaste eigen woonruimte.
Naar de bron
Erasmus moest bovendien lang vechten tegen de gevolgen van zijn ‘illegale’ geboorte (hij was zoon van een priester en een ongehuwde vrouw), die voor hem, toen hij een jonge monnik was, de weg blokkeerden naar hogere functies. Hij verliet het klooster toen hij daar geen enkele ruimte kreeg voor zijn grote passie: het herschrijven van het Nieuwe Testament. Daarvan werd al eeuwenlang de zogenaamde Vulgaatvertaling van kerkvader Hiëronymus (door hem rond 400 in ‘volks’ Latijn geschreven versie) gebruikt. De (katholieke) kerk praktiseerde die versie enorm star, maar Erasmus realiseerde zich dat de Vulgaattekst al eeuwenlang niet was getoetst aan de bron. Het oorspronkelijke Nieuwe Testament was in het Grieks geschreven, een taal, die niemand van Erasmus’ tijdgenoten beheerste. Bovendien vonden boekvermenigvuldigingen vóór de uitvinding van de drukpers slechts plaats door kopiisten, ook dat al eeuwenlang. Het kon niet anders of daar moesten schrijffouten in zijn geslopen die door een volgende kopiist braaf werden overgenomen of – godbetert – naar eigen inzicht werden ‘gecorrigeerd’. Simpel gezegd: de Vulgaat die Erasmus in zijn jonge jaren ook gebruikte zou wel eens ver afgedreven kunnen zijn van wat er ooit in den beginne had gestaan.
Taalkundige
Zeg Erasmus, en menigeen zegt Lof der zotheid. Toch is dat lang niet het belangrijkste van de projecten die Erasmus bezighielden. Eigenlijk waren dat er vooral drie: (1) de toetsing van het Nieuwe Testament (de evangeliën, de brieven en het boek Openbaring) aan de bronnen, (2) een studie naar de werkwijze en commentaren van Hiëronymus, de samensteller van de Vulgaat, en (3) een verzameling citaten van klassieke auteurs die bekend werd als Adagia. Die drie projecten komen in de biografie van Langereis dan ook voortdurend terug.
De voertaal van Erasmus was Latijn, de taal waarin hij zich zowel schriftelijk als mondeling uitdrukte. Erasmus leerde zichzelf Grieks om het Nieuwe Testament in de oorspronkelijke versie te kunnen lezen. Hij was in zijn bronnenonderzoek geen Bijbeluitlegger, maar een taalkundige. Hij keek alleen wat er werkelijk in de bronnen stond en toetste dat aan de gebruikte Latijnse tekst. Zo herschreef hij de Vulgaat tot zijn eigen Novum Instrumentum, een alsmaar uitdijend boekwerk dat hij pas laat Novum Testamentum ging noemen.
George W. Bush
Het leverde hem vanaf het begin kritiek op van halsstarrige kerkleiders, vooral als zijn bevindingen ertoe leidden dat eeuwenlang gehuldigde interpretaties niet klopten met het oorspronkelijke Grieks. Langereis noemt tal van voorbeelden die er bij zijn tijdgenoten (ze noemt die critici met een aan het Engels ontleende term ‘theologasters’) niet in wilden. Daaronder waren inderdaad schokkende fundamentele kwesties (voor de drievuldigheidsleer was geen steun te vinden in de Bijbel en de erfzonde was daar al evenmin in te vinden; het waren leerstellingen van respectievelijk concilies en kerkvader Augustinus). Maar er werd zelfs fel gedimdamd over de kleinste details. Een amusant voorbeeld daarvan geeft Langereis met de kwestie ‘mumpsimus – sumpsimus’. Erasmus ontdekte dat de kerk ten onrechte in een formule bij de uitreiking van de hostie het woord ‘mumpsimus’ (‘wat wij in onze mond nemen’) werd gebruikt. Hij corrigeerde het tot wat er oorspronkelijk stond: ‘sumpsimus’. Maar de geestelijkheid bleef ‘mumpsimus’ zeggen (de anekdote heeft zelfs tot een lemma geleid in hedendaagse Engelse woordenboeken met als standaardvoorbeeld van een ‘mumpsimus’ George W. Bush die ‘nucular test’ bleef zeggen in plaats van ‘nuclear test’).
Gummbah
Daarmee zijn we meteen bij Langereis’ verteltrant. Ze schrijft bijzonder levendig waardoor de ingewikkeldste kwesties zeer behapbaar zijn voor een breed publiek. Ze kruidt haar verhaal met humor: een paragraaf die gaat over de tekens die werden gebruikt om aan te geven of een gebruikte passage in een manuscript authentiek was (die kreeg een sterretje) of verdacht (die kreeg een bijltje) krijgt bij Langereis de titel ‘Asterisken en Obelisken’. En ze schrikt er niet voor terug om de moderne lezer aan boord te houden met herkenbare beelden. Zo zet ze Erasmus, die naast Bijbelvorser, vertaler was van Griekse klassiekers neer als ‘de Sherlock Holmes van de klassieken’.
De tekst van Langereis is op meer plaatsen anachronistisch. Ze gebruikt termen als framen, sophisticated en cutting edge, met als toppunt een formulering als (ze heeft het dan over de kostumering in een stuk van Aristofanes) ‘acteurs in gummbahriaanse uitdossingen inclusief reuzevoorbindpenis’. Je ziet meteen het plaatje van de Volkskrantcartoonist voor je.
Minder opvallend, maar niet minder amusant is dat Langereis in haar eigen tekst vaak citaten verwerkt uit Adagia van Erasmus, dat andere project waaraan Erasmus zijn hele leven werkte en dat alsmaar vermeerderde nieuwe drukken opleverde. Hij hield erg van de geschriften van de Griekse auteur Loukianos (Lucianus van Samosata), die in Erasmus’ tijd volkomen onbekend was. De man was met zijn taalgebruik en in zijn onderwerpen in zijn wereld al net zo’n dwarsdenker als Erasmus. De publicaties van de vertalingen door Erasmus van diens spotternijen over alles en iedereen die dacht anderen de maat te moeten nemen, zorgden vooral in kerkelijke kringen voor grote opschudding.
Breed taalpalet
Lof der zotheid, de satire waardoor Erasmus bij de meesten van ons bekend zal zijn, heeft wel wat weg van Loukianos. Hij bedacht zijn scherts over de eigenwaan en dommigheid van kerkleiders en vorsten toen hij logeerde bij zijn vriend Thomas More. Maar het boek was geen tussendoortje. Er verschenen, zo komen we bij Langereis te weten, vele varianten van die allemaal door Erasmus zelf zijn bewerkt en uitgebreid. De uitgaven van de Lof der zotheid die wij lezen (en wie dat nooit deed moet het beslist alsnog doen) zijn allemaal gebaseerd op de laatste versie uit 1532. Maar de eerste schreef Erasmus al in 1511. Langereis vergelijkt de eerste en de laatste versie met elkaar. Ook hier laat ze ons zien hoe fris en modern Erasmus eigenlijk was door hem ‘de oervader van het Nederlandse cabaret te noemen’.
Erasmus: dwarsdenker is zeer gedetailleerd. Langereis beschrijft bijvoorbeeld uitvoerig hoe de vroegste drukkerijen werkten en wat er allemaal kwam kijken bij de verkoop van een boek (auteursrecht bestond niet zodat gemakkelijk roofdrukken ontstonden waarvoor de auteur geen cent zag). Niet verwonderlijk: ze is ook de biograaf van de befaamde drukker Christoffel Plantijn. Zeer gedetailleerd zijn verder haar weergaven van de oeverloze discussies tussen de gevestigde theologen en Erasmus. Daarin worden argumenten nogal eens herhaald en dat zou kunnen gaan vervelen. Maar Langereis weet met haar brede taalpalet die discussies steeds weer in nieuwe verfrissende bewoordingen te schilderen waardoor ze de spanning vasthoudt.
Lieve God
Erasmus had veel vrienden, maar daarvan waren er aan het einde van zijn leven al heel wat gestorven. Hij kwam zo steeds meer alleen te staan en de geluiden van degenen die hem verguisden klonken alsmaar luider. Toch was hij volgens Langereis geen martelaar: ‘Hij stierf als mens. In zijn eigen bed’.
Erasmus kreeg nog wel een trap na toen het Concilie van Trente (in 1559) hem na zijn dood tot auctor damnatusverklaarde en al zijn boeken in de ban deed. Het kon niet voorkomen dat in Engeland (waar de Anglicaanse kerk zich afscheidde) en in de Republiek der Nederlanden Erasmus’ oeuvre al snel weer legaal werd. De Statenbijbel en de King James Bible zijn gebaseerd op diens levenswerk aan het Nieuwe Testament.
‘Lieve God!’ had de leerling-bediende Lambert Erasmus horen zeggen toen hij de laatste adem uitblies.
In 2019 schreef Jan-Willem Anker een essay in Trouw over zijn roman Vichy. Daarin had hij, zo viel te lezen, alle cli-ficlichés proberen te vermijden: ‘Dat betekende: geen rampen, geen Noordpool, geen toekomstverhaal over een Nederland dat volledig ondergelopen is, geen heroïsch avontuur’. Climate fiction is in KliFi van Adriaan van Dis het Nederlandse woord klimaatfictie geworden. Daarmee lijkt Nederland er nu pas aan toe te zijn. Er zijn wel voorbeelden, zoals Het tegenovergestelde van een mens van Lieke Marsman uit 2017, Onder het IJs van Ellen de Bruin uit 2018 en het hiervoor genoemde Vichy, maar KliFi staat bepaald niet in een rijke traditie. Tekenend is dat de Engelse Wikipedia een uitvoerig lemma heeft over climate fiction, maar dat een dergelijke Nederlandse pagina niet bestaat (ook geen Duitse trouwens).
Adriaan van Dis doet in KliFi precies wat Anker wilde vermijden. Hij laat een deel van Nederland volledig onderlopen tijdens een orkaan. De enige plek waar het nog leefbaar is, is het huis van Jákob Hemmelbahn (hij hecht als Hongaar aan zijn accent op de a in zijn voornaam), verzamelaar van waterboeken en aankomend schrijver. Zijn kamers stromen als gevolg van de watersnoodramp dan ook vol met allerlei volk dat droge voeten probeert te houden: de buurman boer Kees, vluchtelingen uit het naburige De Kuil, maar daarna ook ingekwartierde soldaten van de president van het land, die er in plaats van de boel te redden meer werk van lijken te maken de ware gebeurtenissen zo snel mogelijk in de doofpot te stoppen. Jákob, die door alle drukte in huis wordt verdreven naar zijn eigen zoldertje en zich een gevangene voelt in zijn eigen woning, maakt zich al langer druk over het klimaat en wil er een boek over gaan publiceren dat KliFi moet gaan heten (Jákobs boek heeft hetzelfde motto van Jim Morrison als de roman van Van Dis). Terwijl zijn huis overlopen wordt houdt hij ook nog een dagboek bij en verzorgt hij de administratie van de drenkelingen die zich bij hem melden.
Nexit
Het Nederland waarin deze ramp zich voltrekt wordt ergens in 2030 gesitueerd. Nederland kent geen koningshuis meer en wordt bestuurd door een president die nogal wat trekjes heeft van de populistische schreeuwers van nu. De man steekt geen helpende hand uit en is alleen in redevoeringen te horen waarin hij alle problemen relativeert. Klimaatschommelingen? Zijn er altijd al geweest. Gewoon laten betijen. Vluchtelingen? Grenzen dicht. Doet Europa er niets aan? Snel wegwezen dan via een nexit.
Van Dis parafraseert hier en daar met duidelijk plezier wat we uit de mond van onze hedendaagse politici horen. Dat we in 2030 worden weggepest door immigranten (‘De Grote Vervanging’) is een duidelijke verwijzing naar ‘de homeopathische verdunning’ waarover Baudet het heeft. Er zitten zelfs Rutteaanse toespelingen in de roman. In een citaat van de president die ‘ons volk als een prachtige porseleinen schaal’ ziet horen we zonder moeite Rutte die Nederland eens vergeleek met een ‘broos vaasje’.
Rapper
Van Dis gooit nogal wat op een hoop in de beknopte omvang van de roman (hij is 200 pagina’s, maar die hebben wel wat weg van een Grote Letter Boek). Het vluchtelingenprobleem (voor Jákob als kind van in 1956 voor de Russische inval gevluchte Hongaren zeer herkenbaar), de klimaatscepsis, het populisme in Nederland, de digitale spionage en zelfs de ontlezing en de taak van de literatuur; het komt allemaal voorbij. Daarenboven heeft Van Dis zich ook nog eens typografisch uitgeleefd met het gebruik van diverse lettertypes, icoontjes en de kleur rood voor teksten van de president. Het geheel wordt opgediend in korte brokjes van hoofdstukken, bizarre fantasiebeelden en karikaturale personages, zoals de rappende, enkel in rijmwoorden sprekende, vluchteling Kano. En dan is er de humor. Je kunt je moeilijk aan de indruk onttrekken dat Van Dis met een satanisch genoegen invallen op zijn beeldscherm tevoorschijn heeft zitten toveren. Er valt dan ook best veel te grinniken. Terwijl we toch juist over de tragiek van de ontkenning van de klimaatverandering lezen en over de overheersing door een dictator die zich van het volk niets meer aantrekt en problemen doodgewoon ontkent. En er is de censuur, zo voelt Jákob, die vanwege de onderdrukking zijn vaderland verliet, maar nu woont ‘in een republiek waar ik wéér op mijn woorden moet passen’.
Dat alles maakt KliFi tot een moeilijk te plaatsen roman. Is het een dystopie? Waarschijnlijk wel. Maar de overvloed aan thema’s, de cynische humor en de soms obligate filosofietjes (zeggen dat het onderbuikvolk een dictator wil uit behoefte aan een ‘sterke man die al het complexe eenvoudig maakt’, is een open deur) hebben ook een verlammend effect. Als KliFi bedoeld is om te schetsen hoe snel Nederland in de afgrond kan storten als we nog langer de ogen sluiten voor wat het klimaat en de democratie bedreigt, valt te vrezen dat die opzet niet erg geslaagd is. KliFi is bij vlagen vermakelijk om te lezen. Maar het trilt bepaald niet na.
‘Weinigen zullen dit een avontuur noemen, maar voor mij was het dat wel. Ach, het was niets eigenlijk, nauwelijks de moeite om het op te schrijven, per slot van rekening gebeurde er ook niets’. Het is de beginzin van het verhaal Apen schudden uit de bundel Wij zijn nooit alleen van Bart Meuleman. Er zijn meer van de zeventien verhalen die zo weinig verwachtingen wekken. ‘Wat een saaie vergadering, waarom doe ik dit?’, ‘Je familie kies je niet, dat weten we inmiddels. Je vrienden dan? Ook niet’. Meuleman trekt je er bijna achteloos een verhaal mee in dat soms tragikomisch is, soms ironisch en soms liefdevol beschouwend.
Apen schudden bijvoorbeeld is amper drieënhalve pagina lang. Na die inleidende zin – waarop ook nog eens volgt: ‘Wat ik hier ga zeggen, gaat in feite nergens over’ – beschrijft de auteur hoe hij van Antwerpen naar Turnhout fietst. Onderweg ziet hij een vlinder (‘geen zeldzaam beestje, wie het zoekt, die vindt het’) die hem aan een nonsensicaal kinderliedje doet denken: ‘Tikke Broeken Apen schudden’. Hij leerde het van zijn vader, naar wie hij onderweg is. Die vader is ziek, lezen we dan in één zinnetje: ‘Vlekjes op de lever’.
Hoezo gaat dit verhaal nergens over?
Persoonlijk
De Belg Bart Meuleman (1965) is in Nederland veel minder bekend dan in zijn thuisland, hoewel het meeste van hem bij de Nederlandse uitgever Querido verschijnt. Naast dichter en schrijver is hij toneelregisseur.
De zeventien verhalen zijn hoogst autobiografisch. Ze zijn in deze bundel gerangschikt in drie delen ‘Toen’, ‘Later’ en ‘Inmiddels’. Dat suggereert een tijdsindeling en die is er inderdaad. De verhalen onder ‘Toen’ gaan vooral over zijn kinderjaren, die onder ‘Later’ over zijn middelbare leeftijd en zijn relaties met anderen. In de meeste gevallen gaat het inderdaad om verhalen. Wat onder ‘Inmiddels’ is verzameld zijn echter essays over kunst. De overeenkomst tussen de verhalen en de essays is dat Meuleman in alle zeer persoonlijk aanwezig is.
De vroegste verhalen gaan over de schooltijd en de toenmalige kennissen van de schrijver. Ze zijn af en toe erg intiem en empathisch, hoewel de jonge Meuleman zichzelf nogal schuchter en op afstand portretteert. De zonderlinge Pol bijvoorbeeld die regelmatig langskomt en waarmee hij onhandig omgaat. Pol sterft in een instelling: ‘Naar zijn begrafenis ben ik niet geweest’.
En neem zijn omgang met meisjes van school: ‘Ik geloof ook niet dat meisjes er zijn om echt aan te raken. Ze zijn er eerder om naast te wandelen, om spaarzaam woorden mee uit te wisselen zonder elkaar ooit aan te moeten kijken. Zo droom ik dat ’s nachts’.
Het vochtige
Op de middelbare school volgen dan toch de liefdes, maar de onhandigheid blijft. Er komt meer humor in de verhalen, zoals wanneer hij bij zijn geliefde een brute indruk op de etiquette meemaakt: een verloofde van een nicht flapt er aan tafel uit dat ze alle Marokkanen tegen de muur zouden moeten zetten. De geliefde van de ik-figuur wordt woest om zo’n opmerking. En de ‘ik’ die er buiten bleef denkt: ‘Ik beminde een waarlijk bijzondere vrouw, in wie oude en reine krachten leefden (…) In haar schaduw, daar liep ik’.
Het deel ‘Later’ opent met Het vochtige. Meuleman vertelt over zijn ervaringen met Belgische premiers. Ooit schreef hij een toneelstuk over één van hen (bedoeld is Wilfried Martens). Het brengt hem in een wereld van roddels en gekonkel. Het verhaal kent grappige wendingen, bijvoorbeeld als Van Rompuy over Martens zegt dat hij zijn vulgaire humor laakt. Enkele pagina’s verder blijkt Martens zelf Van Rompuy niet te mogen vanwege zijn vulgaire humor. Meuleman wordt later uitgenodigd bij de presentatie van de memoires van Martens waar hij in een eigenaardig gesprek met diens vrouw verzeild raakt. Ze zegt haar man te waarderen als politicus maar geen enkel respect voor hem als mens te hebben. Hij heeft niks met zijn kinderen; die kennen hem niet eens. En dan is er ook nog eens ene Mient Smet, een minnares. ‘Het onthult een kant van de minister die ik uit de weg heb willen gaan: het al te persoonlijke. Het emotionele. Het vochtige’.
Verdwijnen
Met minder humor en ironie, maar des te meer warmte schrijft Meuleman over bijzondere vriendschappen uit zijn leven, die met illustrator Paul Verrept met wie hij de avonturen van Mijnheertje Kokhals maakte en met zijn vroegere Leraar (Meuleman schrijft het met een hoofdletter) en publicist Dirk Lauwaert (1944-2013) die vooral over negentiende-eeuwse kunst schreef. Het is een ontroerend verhaal naar aanleiding van de kennismaking van Meuleman met de schilder Corot. Hij is er diep van onder de indruk; niet het beeld van Corot raakte hem, ‘maar de plek op het doek waar het beeld verdween’. Pas na Lauwaerts dood gaat hij in diens nagelaten papieren op zoek naar wat zijn grote vriend van Corot vond. Als hij er eindelijk iets over vindt krijgen die verdwijnplekken in het werk van Corot een diepere dimensie door het particuliere besef: ‘In het witte niets ligt het verlies verborgen’.
De verhalen in Wij zijn nooit alleen (tevens de titel van het laatste korte essay over een foto van de Amerikaan William Eggleston) vragen om geduldig te worden gelezen. Woord voor woord. Ze zijn schrijnend, pijnlijk, tragisch, vorsend, eerlijk. Maar er mag gelachen worden.
In de jaren 70 bezocht Jorge Luis Borges Jeruzalem. In een soek aan de Al-Zaharastraat zei hij zijn toehoorders dat de verhalen uit Duizend-en-één-nacht oorspronkelijk op zichzelf stonden. Ze ‘werden later samengebracht en versterkten elkaar tot een eindeloze kathedraal, een uitdijende moskee, een willekeurig overal’. Die opmerking haalt Colum McCann aan in zijn magistrale Apeirogon, een caleidoscopische roman over de verhouding tussen Israël en de Palestijn(se gebied)en. De aanhaling is een intrinsieke verwijzing naar Apeirogon zelf, dat bestaat uit 1001 hoofdstukken en hoofdstukjes. Ze vertellen het grote verhaal zoals Sheherezade het moest doen: onder de voortdurende dreiging van de dood.
Het is niet alleen de vertelvorm die meeslepend is. McCann sleurt de lezer ook mee in dagelijkse gebeurtenissen. Je voelt aan den lijve hoe het voor een Israëliër is om in een bus te zitten in de hoop dat het verkeerslicht tijdig op groen springt omdat bij rood misschien een bus naast je wordt opgeblazen. Of hoe het voor een Palestijn in de bezette gebieden is om bij de geringste verdenking te worden vernederd en in alles te worden tegengewerkt. Razend knap verbindt McCann feiten en voorvallen uit de wereldgeschiedenis met de actualiteit. Zo lezen we over de techniek van het stenen gooien en hoe een Syrische scheikundige al zevenhonderd jaar geleden een idee introduceerde voor torpedo’s die door raketten worden voortgestuwd. Het levert navrante zinnen op zoals deze over buskruit: ‘In de negende eeuw creëerden de Chinezen bij toeval het explosieve mengsel – 75 delen salpeter, 15 delen houtskool, 10 delen zwavel – toen ze op zoek waren naar het levenselixer’. Of de benaming die de Israeliërs geven aan hun witte zeppelin waarmee ze de Palestijnse gebieden in de gaten houden, ‘de Fat Boy 2’, een cynische verwijzing naar de ‘Fat Man’ die in 1945 boven Nagasaki werd uitgeworpen.
Ouders van vermoord kind
Apeirogon is een roman, maar dan toch enigszins zoals In koelen bloede van Truman Capote een roman genoemd kan worden. McCann baseerde zich volledig op feiten en zijn geweldige eruditie. Hij reconstrueert wat er is gebeurd, of – misschien beter – kán zijn gebeurd. Het wordt bij hem maar al te duidelijk dat elke partij zijn eigen waarheid creëert. ‘Apeirogon: een vorm met een telbaar oneindig aantal zijden’, legt McCann uit. Dat is ook wat zijn roman is: een verhaal dat alsmaar verder gaat en een oneindig aantal perspectieven kent.
De belangrijkste personages in de roman zijn de Palestijn Bassam Aramin en de Israeliër Rami Elhanan. Maar eigenlijk ook hun dochters en hun vrouwen.
Bassam heeft al jong zeven jaar in de gevangenis gezeten toen hij in het bezit van (gevonden) handgranaten werd opgepakt. In die gevangenis leerde hij zichzelf Hebreeuws. Hij haatte de joden om wat Israël de Palestijnen aandoet, maar zijn wereld veranderde toen hij een film zag over de Holocaust. Hij ging die zelfs bestuderen.
Rami was in het leger evenzeer vervuld van haat tegen de Palestijnen die niet te vertrouwen waren. Maar ook hij kwam tot een ander inzicht toen hij Palestijnen ontmoette die een kind door geweld verloren hadden. Hij kon ze ineens zien als ouder van een vermoord kind, net als hij, met dezelfde gevoelens.
De dochter van Bassam en zijn vrouw Salwa, Amir, werd in 1997 doodgeschoten door een 18-jarige Israëlische soldaat toen ze net uit een snoepwinkel kwam. De dochter van Rami en Nurit, Smadar, was één van de doden bij een zelfmoordaanslag door drie Palestijnse jongens toen ze net met vriendinnen uit school kwam.
Everest Hotel
Bassam en Rami worden vrienden als ze beiden lid worden van de organisatie Strijders voor Vrede en van de Parents Circle (een groep ouders die een kind verloren in de conflicten). Van beide organisaties zijn zowel Israeliërs als Palestijnen lid. Ook Salwa en Nurit horen tot die kringen, maar Nurit is al langer vredesactiviste en heeft diverse publicaties op haar naam staan (ze kreeg in 2009 de Sacharovprijs voor haar werk). Maar het zijn vooral Bassam en Rami die over de hele wereld hun verhaal uitdragen onder het motto: als we onze haat en ons wantrouwen los kunnen laten wordt ons verdriet onze kracht. Ze geloven niet in een tweestatenoplossing maar in verbroedering. Ze zien dat de bestaande haat al van jongs af aan bij beide partijen gevoed wordt. Het vijanddenken is daardoor volledig geïnternaliseerd. Er is veel moed voor nodig om dat beeld van een vijand te verlaten omdat je de ander dan als mens moet gaan zien, weten ze.
Apeirogon kent een basislijn die pas in de loop van de roman duidelijk begint te worden. Hij is zo onopvallend omdat hij alleen maar bestaat uit de reis van Rami en Bassam, ieder voor zich, naar een ontmoeting van Strijders voor Vrede in 2016 in het Everest Hotel in Beit Jala, niet ver van de Muur die Jeruzalem scheidt van de Westoever van de Jordaan. We volgen daarin Rami die op zijn motor vanuit het Israëlische deel van Jeruzalem vertrekt en Bassam die hetzelfde doet met zijn autootje met kapotte koplamp vanuit Jericho. We maken zo als lezer in een soort road novel mee hoe het is om te reizen door de bezette gebieden met zijn verschillende zones die soms voor Israeliërs en soms juist voor Palestijnen verboden gebied zijn.
Stilte
Daaromheen weeft McCann steeds losse elementen – gebeurtenissen in de levens van Rami en Bassam en het ontstaan van hun ‘broederschap’ – die door de hele roman heen naar elkaar verwijzen. Bovendien gaat hij daarin zeer associatief te werk en maakt zo uitstapjes naar de ornithologie, uitvindingen, de Holocaust en de kunsten. Zo leidt de beschrijving van het onwezenlijke vacuüm tussen het moment van de explosie en dat waarop de ontzetting een geluid krijgt tot prachtige uitweidingen over de stilte. McCann vertelt hoe Dalia el-Fahum (die al eens werkte voor de componist Olivier Messiaen) in 2008 omgevingsgeluiden verzamelde. Ze wilde die gebruiken voor een muziekproject dat moest uitmonden in een acht uur durend stuk met de titel Migrations. Toen ze ook lawaai van bulldozers, de schreeuw van een soldaat of het gejank van een sirene opnam viel het resultaat haar tegen: het had zo weinig zeggingskracht. Het voerde haar tot de overtuiging dat de geluiden met rust moesten worden gelaten, dat niet ‘díé aandacht verdienden, maar de stilte zelf’. McCann voert de lezer elders in de roman dan weer mee naar de compositie 4’33 van John Cage, die louter uit stilte bestaat, en naar diens As Slow As Possible, de compositie die in 2001 in de St. Buchardikerk in Halbersadt startte met stilte en 639 jaar gaat duren.
Kreeft
Ook compositorisch is Apeirogon een avontuur, opgezet als een kreeftcanon (daarin laat de tweede stem het thema achterstevoren horen). De 1001 hoofdstukken zijn verdeeld over een eerste groep van 1 tot 500, gevolgd door hoofdstuk 1001, waarna in de tweede groep de hoofdstukken aftellend zijn genummerd van 500 tot 1. Maar daar blijft het niet bij. De eerste en tweede groep zijn deels gespiegeld aan elkaar. Dat is al zo met de eerste en de laatste zin van de roman, maar er zijn veel meer voorbeelden. Het duidelijkst is het in de beide hoofdstukken 284 die uit hetzelfde lege vierkant bestaan en in de beide hoofdstukken 500 waarvan het eerste de biografie van Rami omvat en het tweede die van Bassam. Een fraai voorbeeld zijn verder de hoofdstukken 389 uit de eerste groep en 255 uit de tweede. Ze stemmen grafisch overeen: 389 bestaat louter uit graffiti die te lezen staat op de Muur tussen Israel en de Westoever, 255 louter uit krantenkoppen over Nurit, de moeder van Smadar. Het centrale hoofdstuk 1001, de as van de roman, bestaat uit één zin die de kern ervan samenvat.
In zijn prikkelende boekje Brieven aan een jonge schrijver uit 2017 zegt McCann: ‘Schrijf niet wat je weet, schrijf toe naar wat je wilt weten. Stap uit je huid. Geef jezelf bloot. Dat opent de wereld. Ga ergens anders heen. Onderzoek wat buiten je gordijnen ligt, buiten de muur, om de hoek, buiten je stad, buiten de omtrek van je eigen bekende land’.
Met Apeirogon laat McCann ijzersterk zien tot wat voor schitterende literatuur zo’n uitgangspunt kan leiden. Hij dwingt de lezer hetzelfde te doen, ook uit zijn huid te stappen. De roman laat je voelen hoe het is om midden in de conflicten tussen Israel en de bezette gebieden te staan. Hij laat je nadenken over de vraag hoe je je zelf laat leiden door vijandbeelden en of je bereid bent de ander in alle gevallen als mens te zien. De lezer die bereid is daarin mee te gaan, krijgt de literaire vorm die McCann koos er als prachtig cadeau bij. Apeirogon moet gelezen worden!