• Er gebeurt niets in Rathbone Road

    Er gebeurt niets in Rathbone Road

    ‘Het leven is mooi, Joan. Dat geweldige feit heb ik ontdekt in mijn werk met terminalen’. Het is de slotzin van de eerste brief die Eliza Peabody schrijft aan haar vriendin Joan, een buurvrouw van de briefschrijfster die met achterlating van wat tijdelijke adressen is vertrokken met een kwakkelend been.
    De eerste drie brieven zetten meteen de toon. Joan antwoord nooit. Waren ze wel echt vriendinnen? En al snel sijpelt bij Eliza de twijfel door of ze zich niet te veel bemoeit met iemand die ze eigenlijk nauwelijks kent. We zitten in de roman Hoogachtend, Eliza Peabody van Jane Gardam, die geheel uit brieven is opgebouwd. Die worden steeds langer, zonder dat Joan er ooit op reageert, en langzaam groeien ze uit tot een autobiografie van Eliza, die steeds zonderlinger trekken krijgt. We lezen dat Eliza een diplomatenvrouw is die door haar man is verlaten. Vanuit haar huis aan Rathbone Road 34 in Londen kijkt ze uit op de verlaten woning van Joan op nummer 43 (een omkering van nummers die symbolisch is zoals de lezer aan het slot van de roman zal beseffen), waaruit ook Joans man Charles, vertrokken is. Ook hij was een diplomaat en Joan vergezelde hem dus, net als Eliza dat bij haar man deed, op ambassades in verschillende landen.

    Eliza ontpopt zich als een overbezorgde zorgzame vrouw. Ze is actief in de Christelijke Huisvrouwenbond en werkt als vrijwilliger in een hospice, waar ze – als schoonmaakster – een bijzondere band opbouwt met de op sterven liggende Barry. Deze patiënt noemt haar vanwege haar oorbellen de Kermiskoningin. Dat is de naam die de Nederlandse vertalers gebruiken voor wat in het Engels tevens de titel van de roman is: Queen of the Tambourine. Maar Eliza’s zorgzaamheid beperkt zich niet tot het hospice. Ze probeert de reddende engel te zijn voor iedere buurtgenoot die zij problemen toedicht. Het leidt allemaal tot komische en soms hilarische taferelen van misverstanden en ongelukkige samenlopen. Bovendien krijgt Eliza dan wel geen reacties per post van haar zorgenkind Joan, maar er verschijnen wel twee keer mannen aan de deur die door haar zouden zijn gestuurd.
    Gaandeweg gaat er bij de lezer iets wringen. Razend knap zaait Jane Gardam steeds meer verwarring. Wat is die Ratbone Road voor idiote buurt? Of haalt Eliza zich van alles in het hoofd? Al die momenten in de roman dat de lezer geneigd is in schaterlachen uit te barsten, krijgen steeds meer een wrange ondertoon. De hilariteit verschuift naar een tragikomedie, die uiteindelijk uitloopt op een exposé van het verleden van Eliza die alles verklaart. Meer mag er in deze bespreking niet over worden prijsgegeven.

    Hoogachtend, Eliza Peabody – beetje vreemde Nederlandse titel wel vanwege dat afstandelijke ‘Hoogachtend’ waar geen enkele brief daarmee is ondertekend en de toon vaak juist amicaal is – is geraffineerd opgebouwd, zet de lezer herhaaldelijk op het verkeerde been, is doorspekt met onweerstaanbaar komische dialogen en gedachten en kluchtige situaties.
    Als Eliza aan Tom Hopkin (één van de mannen die door Joan is gestuurd) bekent dat haar man Henry haar op Kerstavond heeft verlaten, staat dat er zo: ‘Ik wist dat er iets broeide toen hij na de mis met Charles binnenkwam. Ineens stonden ze gewoon op en gingen weg. Vóór de pudding’.
    En als Charles een verklaring geeft voor de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de diplomatieke dienst zegt hij: ‘Oordelen is een vrouwelijk tekort dat wordt goedgepraat met het gevaarlijke woord “intuïtie”’.

    Ook de beschrijving van het hospice werkt op de lachspieren. Het werd ooit Caesar’s Farm genoemd omdat het zou zijn gebouwd op de restanten van een Romeinse legerplaats. Toen de nonnen kwamen trokken ze zich er niets van aan en doopten het tot Het Hospice van Sint-Julianus. Eliza snapt dat: ‘Van Julius naar Julianus (…) De heilige die een leproos in zijn eigen bed stopte en door een engel werd aangemoedigd zich in de echtelijke liefde te verblijden. O, hij is dé man voor mij’.
    Ronduit kluchtig is de brief over de keer dat Eliza zichzelf heeft buitengesloten en ze overal in de buurt om ladders vraagt om haar eigen huis binnen te kunnen klimmen.
    Hoogachtend, Eliza Peabody zit bovendien vol literaire toespelingen en grappen. Zoals in de belevenissen van de kinderboekenschrijfster Anne Robin, ook al bewoonster van Rathbone Road of in de discussies over dichter Coleridge. Grappig zijn ook de namen die in de roman opduiken: die van Peabody zelf (erwt), Conundrum (raadsel) en Penumbra (halfschaduw) bijvoorbeeld. En wat te denken van de straatnaam Rathbone Road?

    Maar als die verhalen worden verteld is de lezer al aardig op weg te vermoeden dat er iets ingrijpends met Eliza gebeurd moet zijn toen, jaren geleden, begin juni de kermis zijn tenten kwam opzetten.
    De opmerking hierboven over de Nederlandse titel mag niet verhullen hoe prachtig de vertalers alle grappen en tragiek hebben overgebracht. Een mooi voorbeeld is in de discussie over Coledridge deze lastig te vertalen dialoog:

    They looked non-plussed.
    I said, ‘Why isn’t non-plussed minussed? Or just nought?’
    ‘Minussed? Nought?’
    ‘You both look minussed’.

    Het werd in handen van Gerda Baardman en Kitty Pouwels – vaste vertalers van de vele romans van Gardam die al in het Nederlands verschenen:

    Ze keken gebelgd.
    ‘Waarom heet het trouwens gebelgd? Waarom niet geduitst of gefranst?
    ‘Geduitst? Gefranst?
    ‘Jullie kijken allebei zo gefranst’.

    Gardam heeft de geschiedenis van haar hoofdpersonage vervat in een virtuoze stijl en opbouw. Wie het boek na afloop weglegt zou nog eens die allereerste brief moeten lezen waarmee de roman begon. Dan dringt door hoe gelaagd zelfs dat begin al is en hoeveel al door Gardam vooruitgewezen is naar Eliza’s lot.
    ‘Hier gebeurt niets’, schrijft Eliza twee keer aan Joan. Ja. Het wapen van de ironie beheerst Gardam bovenal.

  • Nostalgie als inspirator voor nationalisme

    Nostalgie als inspirator voor nationalisme

    Halverwege Schuilplaats voor andere tijden van de Bulgaarse schrijver Georgi Gospodinov bekruipt de lezer een benauwend gevoel. Geleidelijk gaan de gedachten uit naar stromingen – Poetin voorop – die terug willen naar een romantisch beeld van hun land uit het verleden. Het verhaal wordt vooral benauwend omdat de roman dan een wending neemt die in al zijn absurditeit niet eens zo onvoorstelbaar is vanwege de parallelle situaties die in de recente geschiedenis zijn terug te vinden.

    Gospodinov schept meteen verwarring met de ‘disclaimer’: ‘Alle echte personen in deze roman zijn verzonnen, alleen degenen die verzonnen zijn, zijn echt’. Al snel in de roman krijgt dat een uitwerking in een mystificatie als de ik-figuur naar aanleiding van een minuscuul berichtje in een daklozenkrant over een psychiater-gerontoloog die Gaustin heet, vertelt dat hij die man nu in levenden lijve wil ontmoeten; Gaustin, een man die hij ooit zelf verzonnen had: ‘Of misschien was het andersom, ik weet het niet meer’.

    Van Gospodinov is in Nederland één andere roman bekend, De wetten van de melancholie uit 2015. Ook daarin treedt ene Gaustin op; hij is er de ‘enige vriend’ van de verteller en een gesjeesde student filosofie. En zoals in die roman een mysterieuze Gaustin uit de 17de eeuw passeert, zo wordt in Schuilplaats voor andere tijden ene Gaustin van Arles uit de dertiende eeuw opgevoerd.

    Zwerver door de tijd

    Gaustin vergezelt auteur Gospodinov (uit wiens leven we feiten herkennen in de ik-figuur) al langer. Er zijn bijvoorbeeld het korte verhaal ‘Gaustin, of de man met de vele namen’ uit een verzameling uit 2001 en de gedichtenbundel ‘Brieven aan Gaustin’ van enkele jaren later (beide niet in het Nederlands vertaald). Het genoemde verhaal is in gewijzigde vorm trouwens opgenomen als hoofdstuk 5 van het eerste deel van Schuilplaats voor andere tijden.
    Gaustin is een man die zwerft door de tijden en geobsedeerd is door herinneren en vergeten.

    Georgi Gospodinov werd geboren in 1968 in Bulgarije, toen dat deel uitmaakte van de Sovjet-Unie terwijl dat jaar in West-Europa studentenrevoltes plaatsvonden en Praag een hard neergeslagen Lente kende. Het is een jaar dat in Schuilplaats voor andere tijden regelmatig opduikt, net als de datum 1 september 1939, de dag dat nazi-Duitsland Polen binnenviel. Verschillende biografische gegevens van Gospodinov, zoals zijn geboortejaar, zijn in de ik-figuur terug te vinden, maar auteur en verteller vallen op veel andere punten duidelijk niet samen.

    Bakeliet

    De roman zet in met de ontmoeting tussen de verteller en Gaustin tijdens een literair seminar, nadat de laatste nogal luidruchtig in het restaurant een portie zure room bestelde en daardoor de aandacht trekt van de overvloedig rakijadrinkende verteller. Het leidt tot een nadere kennismaking met deze uitzonderlijke figuur waaruit de verteller te weten komt dat Gaustin bezig is met het opzetten van een kliniek waarin hij dementerende ouderen plaatst in een omgeving uit het verleden waaraan zij de duidelijkste herinneringen hebben. De kliniek wordt snel verder uitgebreid met verdiepingen die elk hun eigen tijd en herinneringen hebben. De jaren zestig-etage was bijvoorbeeld ingericht met een bakelieten platenspeler, hoezen van Beatles-lp’s, tijdschriften en kranten uit dat decennium en behang en stoffering uit die tijd. De beschrijving is af en toe wrang humoristisch. Negentigjarige Alzheimerpatiënten worden bijvoorbeeld bewust op de begane grond geplaatst: de patiënten hoeven dan immers geen trappen te lopen en bovendien kon je ‘de kelder eronder gebruiken (..) als schuilkelder, en dat maakte de beleving van dit decennium nog authentieker’. Zo is ook de verdieping voor de jaren vijftig verdeeld in een oostelijk en een westelijk deel door een houten deur die het IJzeren Gordijn moet symboliseren.
    De ideeën worden nog later verbreed tot het plan een hele stad volgens die principes in te richten. Er ontstaan echter problemen als niet alleen Alzheimer-patiënten worden verzorgd, maar ook familie en vrienden en mensen die zich in hun huidige tijd niet thuis voelen, er willen worden opgenomen.

    Abba of Ikea

    Schuilplaats voor andere tijden wordt echter angstaanjagend als landen politieke munt uit het succes willen gaan slaan: de EU gaat een referendum organiseren waarin inwoners van een land mogen kiezen voor een terugkeer naar hun geliefde tijd. Onmiddellijk herinner je je als lezer het Brexitreferendum en de referenda die Poetin organiseerde in de Krim en het oosten van Oekraïne. De politieke strijd gaat allereerst over de vraag welke landen überhaupt mee mogen doen. ‘Groot-Brexitannië’ valt af, maar het neutrale Zwitserland mag wel meestemmen. Uiteindelijk leidt de uitslag van het referendum tot nieuwe grenzen, samenhangend met de verschillende tijdvakken waarnaar de landen terug willen. De grenzen van de EU-landen lopen ineens langs andere lijnen: Spanje, Frankrijk en Duitsland kiezen voor de tachtiger jaren en in Zweden is het lang spannend tussen fans van de jaren vijftig (de eerste IKEA-catalogus) en die van de jaren zeventig (opkomst van ABBA). Opvallend is overigens – iets dat Gospodinov nergens benadrukt – dat geen enkel land voor de eigen tijd of zelfs maar de 21ste eeuw kiest. Impliciet leven we volgens hem blijkbaar in een ongelukkige wereld met een grote hang naar nostalgie.

    Zoals te verwachten roept de herschikking als gevolg van het Europese referendum snel verhitte discussies op tussen vóór- en tegenstemmers, maar ook omdat deze nieuwe scheidslijnen praktische problemen opleveren en af en toe geboycot worden. ‘Wat geeft een natiestaat je eigenlijk?’, vraagt de verteller zich op een gegeven moment af: ‘Hij geeft je zekerheid, dat je weet wie je bent, dat jij daar bent te midden van al die anderen, die zijn zoals jij, die dezelfde taal spreken en zich dezelfde dingen herinneringen (…) En tegelijk heeft iedereen last van dementie als het gaat om andere zaken. Ik weet niet meer wie dat ooit heeft gezegd, dat een natie bestaat uit een groep mensen die het eens zijn over de dingen die ze onthouden en vergeten’ (volgens Gospodinov was dat Ernest Renan, die dat in de 19de eeuw al zei).

    God heeft dementie

    Gospodinov associeert er. aan de hand van kernbegrippen als vergeten, verlangen en geheugen op los. Daardoor raak je als lezer de draad wel eens kwijt. Daar staan echter tal van kernachtige (soms paradoxale) bespiegelingen tegenover die je aan het denken zetten: ‘Hoeveel verleden kan een mens verdragen?’; ‘Als niemand zich iets herinnert, is alles mogelijk’; ‘het ergste van dit verstoppertje spelen was om te beseffen dat niemand je meer zocht’; ‘God is niet dood. God is vergeten. God heeft dementie’.
    Een bijzonder plezier voor de veellezer zijn de talloze verwijzingen naar beeldende kunst en literatuur (Brecht, Auden, Borges enzovoort), de parafrases van beroemde zinnen (uit Moby Dick en Anna Karenina) en in het oproepen van de sfeer van schilderijen, zoals Tussen klok en bed van Munch.

    In de krachtige slotstukken blijkt het leven na het Europese referendum nog slechts te bestaan uit re-enactments van historische gebeurtenissen die nu misschien anders zullen eindigen of die je nog eens wilt herbeleven: de inval van Hitler in Polen in 1939, de moord in Serajevo in 1914, de moord in het Weense Burgtheater in 1925. En misschien schiet Rensenbrink nu niet op de paal. Ja, ook dat moment komt voorbij in Schuilplaats voor andere tijden als Alzheimerpatiënten op hun jaren zeventig-etage de WK-finale tussen Argentinië en Nederland uit 1978 beleven alsof ze hem voor het eerst zien.

     

  • Ik wil begrijpen wat er staat en waarom het er staat


    Met De wedergekeerden van Georges Perec (1936-1982) leverde Guido van de Wiel op de palindroomdatum 22.02.2022 zijn tweede vertaling af van deze auteur. Zijn eerste was ’t Manco in 2009. De romans zijn lipogrammen, teksten waarin bepaalde letters niet voorkomen: in La Disparition uit 1969 gebruikte Perec de letter E niet en in Les Revenentes uit 1972 is de E juist de enige klinker die gebruikt wordt. De omzetting naar het Nederlands kostte Van de Wiel in beide gevallen jaren werk. Bij een kop koffie in een café in Driebergen vertelt hij er vol enthousiasme over.

    We hebben vóór onze afspraak al aardig wat mails gewisseld omdat we beiden groot liefhebber zijn van de belangrijkste vertegenwoordiger van OuLiPo (Ouvroir de Littérature Potentielle), de Franse schrijversgroep die zich bij het schrijven vooraf beperkende regels of dwingende afspraken (contraintes) oplegt in de overtuiging dat je daarmee nieuwe creativiteit aanspreekt. OuLiPo is nog springlevend en staat weer volop in de belangstelling door de roman Anomalie (2020) van Hervé Le Tellier, die de huidige voorzitter is van OuLiPo. Die werd in Frankrijk bekroond met de Prix Goncourt en genomineerd voor de Europese Literatuurprijs van 2022.

    Vertalen is voor Guido van de Wiel (1972) een bijbaan. Van beroep is hij organisatiepsycholoog. Toch ligt daar voor hem de link naar de literatuur: ‘Van jongs af wilde ik al schrijver worden en voor mijn studie twijfelde ik tussen Nederlands en psychologie. Ik koos voor psychologie omdat die studie me zou helpen personages te ontwerpen met hun drijfveren en motieven. Toen ik daarin afgestudeerd was rolde de bal de kant op van managementtrainingen en organisatieadviezen. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan en de schrijfdrang kreeg vorm in managementboeken die ik nu vooral als ghostwriter voor anderen schrijf’.

     

    Toen kwam het literaire werk op je pad en ben je gaan vertalen. Hoe gebeurde dat?

    ‘Dat kan ik me nog vrij precies herinneren. Dat was rond 2000. Toen las ik Code van Simon Singh, een prachtig boek over geheimschriften en ontcijferingen in de geschiedenis. In dat boek neemt Singh een pagina uit de Engelse vertaling van La Disparition op. Dit doet hij om te laten zien hoe letterfrequenties werken en hoe die bij sommige teksten vervormd kunnen raken: dat is van belang bij het kraken van sommige geheimschriften. De meest voorkomende letters in het Frans zijn achtereenvolgens E, S, A, R, T, I, N, U, L, O en C.

     

    Perec maakte zelfs een gedichtenbundel waarin hij alleen die elf gebruikte plus steeds een letter die hij als joker kon inzetten.

    Ja, dat is het werk La Clôture [afsluiting]. Een ander werk, Ulcérations [verzweringen] bestaat uit gedichten die achtereenvolgens steeds alleen maar uit deze elf meest voorkomende letters uit het Frans bestaan.
    De E komt dus het meest voor en Perec koos ervoor juist die letter niet te gebruiken in La Disparition. Ik was vrijwel meteen bezig met de vraag of die tekst ook in het Nederlands om te zetten zou zijn. Dat werd uiteindelijk ’t Manco’.

    De aantrekkingskracht van Perec was voor Van de Wiel echter niet louter het spelen met woorden en letters, maar de combinatie van het tragische en het speelse in zijn werk. Dat spelen is het OuLiPo-element en het tragische heeft te maken met het verlies van zijn ouders en van zijn Joodse afkomst. Wat Perec met die woordspelletjes doet staat in dienst van zijn vaak autobiografische verhaal.

     

    De prominentste vertegenwoordigers van OuLiPo zijn naast Perec volgens mij Raymond Queneau, Italo Calvino en recent ook Le Tellier. Allemaal schrijvers die binnen hun contraintes óók serieuze maatschappelijke thema’s aan de orde stellen. Dat die het meest gelezen worden en vertaald zijn zal geen toeval zijn.

    ‘Jazeker. Wat mij bij Perec in ieder geval opvalt, is dat hij zichzelf tot inzet heeft gemaakt van de literatuur die hij schreef. Dat merk je. Door die inzet van zichzelf overstijgt hij het niveau van een taalspel. Anders zou het een zoekplaatje of een puzzel blijven en dan blijft het een dun geheel. In ’t Manco bijvoorbeeld hebben meerdere verdoemde personages een tatoeage in de vorm van een E (de verboden letter) op hun arm staan. Dat is een duidelijke verwijzing naar het nummer dat je in Auschwitz op je arm getatoeëerd kreeg. Laten we niet vergeten dat Perecs moeder naar datzelfde Auschwitz gedeporteerd werd’.

     

    In de pdf-bestanden die lezers van ’t Manco en De wedergekeerden van internet kunnen downloaden besteed je erg veel aandacht aan de autobiografische betekenis van namen en woorden die Perec in die romans gebruikt.

    ‘Dat is een beetje het gevaar van het vrijgeven van die pdf’s. Die zijn eigenlijk ontstaan als verantwoordingswerken voor mezelf. Ik heb ze toch beschikbaar gesteld zodat lezers die dat willen kunnen nazoeken hoe ik te werk ben gegaan. Juist omdat het mijn eigen notities zijn staan er nog veel hypotheses in, beginnende gedachten over mogelijke betekenislagen. Soms heb ik die zelf ook weer verworpen of is er geen sluitend bewijs voor. Daarom vind je vaak de vermelding ‘discutabel’. Als ik die bestanden als boek uit zou laten geven zouden waarschijnlijk veel van die discutabele veronderstellingen er uit gaan. Ze zijn te vergelijken met de directors cut, de versie van een film waarin je kunt zien wat de regisseur uiteindelijk heeft weggelaten’.

    Van de Wiel voelt zich als vertaler verplicht om zo goed mogelijk te begrijpen wat er staat en waarom het er staat. Als leuk voorbeeld noemt hij het bergdorpje Besse-en-Chandesse dat in De wedergekeerden Besse-en-Chendesse is geworden: ‘Je zou kunnen denken dat het een willekeurige naam is die Perec bruikbaar vond vanwege de vele e’s. Maar hij deed bijna niets willekeurig, dus ga je zoeken. En dan blijkt het een klein plaatsje van nog geen 1.500 inwoners te zijn waar de groep ‘Nicolas Bourbaki’ werd opgericht. Dat was een soort wiskundige tegenhanger van OuLiPo. Het is natuurlijk leuk zo’n duiding met de lezer te kunnen delen’.

     

    Je vertelt in de pdf’s hoe je te werk bent gegaan. Gedurende het vertalen van De wedergekeerden begon je lijsten van Nederlandse woorden aan te leggen die alleen een E als klinker hebben. Hoe werkte je met die lijsten?

    ‘Het aanleggen van die lijsten zorgde ervoor dat ik de vertaling kon verrijken met al het E-idioom dat het Nederlands kent. Neem een ietwat aangepaste uitdrukking als “Ze bleek ’n geen velden en wegen te bekennen” [net als Perec past Van de Wiel soms klinkerelisie toe zoals hier in het voorzetsel “in”]. In de eerste vertalingen van mijn tekst kwam een paar keer de zinsnede “ze verdween” voor. Dan is het verrijkend om op één plaats dit alternatief “ze bleek ’n geen velden en wegen te bekennen” te gebruiken. Dat is wat ik het satureren van de tekst ben gaan noemen. De lijsten vormden zo een extra bron: naast de tekst van Perec en de letterlijke vertaling ook het E-Nederlands op zichzelf. Die extra bron kon ik integreren, maar wel alleen als dat bleef passen bij de brontekst zelf’.

     

    In ’t Manco staan ook E-loze ‘vertalingen’ van beroemde gedichten. Daarmee had je zelfs nóg een bron, namelijk de oorspronkelijke versie van die poëzie. Ik kan me voorstellen dat dat tegelijk weer een moeilijkheidsfactor is omdat je ook trouw moet blijven aan de oerversie van zo’n gedicht.

    ‘Ik heb inderdaad ook de oorspronkelijke gedichten bestudeerd, om te zien op welke plekken Perec daarvan afweek: waren dat thematische keuzes of keuzes ingegeven door de contrainte, bijvoorbeeld? Verder heb ik bij die gedichten – overigens net als de Duitse en de Engelse vertaler – nog een rigoureuzere keuze gemaakt. Ik heb enkele van de Franse gedichten die Perec gebruikt vervangen door Nederlandse gedichten die juist in óns collectieve bewustzijn zitten. Zoals alle Fransen regels kennen van Rimbaud of Baudelaire, zo kennen alle Nederlanders wel Voor wie ik liefheb wil ik heten van Neeltje Maria Min of Het uur U van Nijhoff of Denkend aan Holland van Marsman. Zo heb ik die dan ook lipogrammatisch geïntegreerd in ’t Manco. Ik vind dat ik daarmee trouw blijf aan Perec die zijn schrijven zag als een spel met de lezer. Ik maak als vertaler dat spel geschikt voor het Nederlandse publiek. Bovendien gaan die Nederlandse gedichten over vormen van gemis en dat past weer binnen de thematiek ’t Manco’.

     

    Ik las dat je mogelijke volgende projecten een vertaling van Cent mille milliards de poèmes van Queneau en Alphabetical Africa van Walter Abish betreffen. Dat lijken me teksten waarin het meer gaat om de contrainte dan om de inhoud. Wat zijn het voor teksten?

    ‘Ik ben over mijn vertaling van de gedichten van Queneau nog lang niet tevreden. Het oorspronkelijke werk is een bundel van tien sonnetten waarvan je in plaats van een pagina elke regel afzonderlijk kunt omslaan zodat weer een nieuw gedicht ontstaat waarin één regel is veranderd en de andere dertien regels gelijk zijn gebleven.
    Met Alphabetical Africa ben ik een stuk verder. Ook daar vormt de contrainte de motor van een bizar verhaal, waar gek genoeg ook plaats is voor een juwelenroof, net als in De wedergekeerden. Abish schreef een tekst waarvan alle woorden in het eerste hoofdstuk beginnen met de letter A, in het tweede met een A of B, in het derde met A, B of C enzovoort. Op de helft van het boek heb je even alle letters van het alfabet tot je beschikking; daarna ga je in omgekeerde richting zodat het laatste hoofdstuk weer alleen woorden kent die met een A beginnen. Door deze vormbeperking begint het verhaal achtereenvolgens in Angola en Burundi. Halverwege het boek komen Zambia en Zanzibar pas aan bod’.

     

    Die vertaling kent weer zijn eigen uitdagingen?

    ‘Zeker, want als Abish het in het derde hoofdstuk over “Chad” heeft, de Engelse benaming voor Tsjaad, dan kan ik dat land, vanwege de veranderende beginletter, nog niet noemen. Daar moet ik dan bijvoorbeeld grijpen naar “Centraal-Afrika”.

    Ik heb nu de eerste acht en de laatste vijf hoofdstukken van Abish af omdat die me het moeilijkste leken vanwege de beperkte woordenschat met de voorgeschreven beginletters. Hoe verder ik in het midden zit, hoe groter het vocabulaire is waaruit ik kan putten. Toch is het niet helemaal zo dat ik het vertalen van dat middenstuk als gemakkelijker ervaar. Als de teksten meer mogelijkheden krijgen gaan mijn verdiensten als gewoon vertaler een rol spelen. Ik ben bedreven geworden in het vinden van oplossingen voor allerlei gemankeerde teksten; ik voel me juist senang als er zeer beperkte mogelijkheden zijn. Als ik ineens alle taal ter beschikking heb put ik uit een reservoir waaruit alle vertalers, ook degenen die daar veel beter in zijn dan ik, putten. Voor mij is dat daarom een moeilijkere uitdaging. Ik ben daarom geneigd voor het vertalen van dergelijke teksten de samenwerking te zoeken’.

    Van de Wiel komt met een primeur. Hij heeft inmiddels de vertaling van de twee korte monovocalistische teksten van Perec ook af: What a Man! waarin de enige klinker de A is, en Morton’s Ob, met alleen de O. Beide stukken schreef Perec in het Engels. Ze zijn te kort voor een afzonderlijke boekuitgave, dus gaat de vertaler nog met de uitgever in conclaaf over andere publicatiemogelijkheden. Het zou een onderdeel kunnen worden van een verzameld werk of anders moet je misschien denken aan een bibliofiele uitgave.

     

    Van de Wiel wil graag nog iets kwijt over het bijzondere van het werken met lipogrammen: ‘Perec doet met de lipogrammen iets extra-ordinairs, iets buitengewoons, terwijl hij juist meester is van het infra-ordinaire: hij wilde zich juist van het alledaagse bewust zijn waar we normaal aan voorbij lopen. Het kostte even voordat ik doorhad, dat hij juist met het extraordinaire van een lipogram ook het infra-ordinaire van taal bloot weet te leggen. Doordat je bepaalde letters uitsluit valt er ineens een ander licht op alle woorden die je wel gebruikt. Als ik zeg: “Het speelde hem parten”, dan zal niemand lang stilstaan bij die uitdrukking. Maar op het moment dat ik in De wedergekeerden schrijf: “Het speelde hem delen”, dan weet iedereen dat ik een synoniem voor parten gebruik. Tegelijkertijd zet die herschrijving je aan het denken over wat dat “parten” in de oorspronkelijke uitdrukking eigenlijk betekent. Door de lipogrammatische taal ga je nadenken over je gewone taalgebruik; je wordt je bewuster van allerlei betekenislagen. Waarom kun je wel zeggen dat iemand “voor spek en bonen” meedoet, maar niet dat iemand meedoet “voor bonen en spek”?
    Voordat hij zich aan La Disparition zette had Perec last van een writer’s bloc. De contraintes die hij zich oplegde voelde hij juist als een bevrijding’.

     

    La Disparition is vertaald in minstens tien talen, maar Les Revenentes pas in drie. Is de reden daarvoor de moeilijkheidsgraad of misschien dat La Disparition inhoudelijk een betekenisvoller verhaal heeft?

    ‘Ik denk dat je op beide veronderstellingen een antwoord kunt geven. Ik vermoedde zelf dat de vertaling van Les Revenentes  een moeilijk leesbaar eindresultaat zou opleveren. In het boek komt een  menukaart voor; in het begin leek het me goed genoeg om een geheel andere menukaart samen te stellen, als deze maar Nederlandse e-woorden van gerechten bevatte, zoals lekkerbekjes en zee-egel. Pas later lukt het me om de Franse menukaart ook gewoon letterlijk te vertalen. Ik moest eerst zelf blijkbaar het E-Nederlands beter onder de knie krijgen. Misschien weerhoudt het idee dat je maar één klinker tot je beschikking hebt vertalers in andere landen.
    Maar het inhoudelijke verschil is er ook. La Disparition is literair gezien een veel rijker verhaal dan Les Revenentes. Zo bevat ’t Manco complete hervertellingen van werken van Thomas Mann, Herman Melville en Edgar Allan Poe. Toch staan deze beide lipogrammatische romans – naast uiteraard Perecs magnum opus Het leven een gebruiksaanwijzing – op de lijst van 1000 novels everyone must read die The Guardian in 2009 publiceerde. Perec heeft Les Revenentes zelf trouwens wel eens afgedaan als een niemendalletje. Dat ben ik absoluut niet met hem eens als je ziet welke niveaus er allemaal in zitten. Het was voor hemzelf misschien een tussendoortje, maar je herkent er duidelijk de hand van de meester in’.

     

    Hoe is het volgens jou gesteld met de bekendheid van Perec voor het brede publiek in Nederland? Vormen zijn lezers niet een betrekkelijk kleine wereld van liefhebbers?

    ‘Dat vind ik lastig te zeggen. De Arbeiderspers heeft Perec al decennialang echt omarmd en doet veel moeite om zoveel mogelijk van hem in vertaling uit te brengen. Daardoor neemt de bekendheid van zijn werk wel toe, net als het aantal lezers’.
    ‘Ik denk dat er in groter verband wel iets aan de hand is met zogenaamde klassieke literatuur. Daar zakt misschien de aandacht wat voor weg. Maar ik hoop dat het net zo gaat als je in de muziek wel ziet. De aandacht voor Jimmy Hendrix herleefde weer – grotendeels bij een nieuwe fanschare – toen recensenten Prince met Hendrix gingen vergelijken. Zo zou de aandacht voor OuLiPo best eens kunnen groeien door het grote aantal lezers van Anomalie van Le Tellier. Daardoor zou zo maar een nieuwe groep Perec kunnen gaan (her)ontdekken. Ook mijn vertaling van Les Revenentes kan hier een steentje aan bijdragen. De wedergekeerden is, ondanks zijn experimentele opzet, in korte tijd toch ook al op weg naar een tweede druk. Lipogrammatische teksten blijven tot de verbeelding spreken: ik heb gemerkt dat het boek mensen prikkelt om teksten te schrijven zonder E, met alleen maar de E, of om op andere manieren met contraintes aan de slag te gaan’.

     

     



     

    Foto: Tijmen Ballieux

  • Fotosynthese 25 – Gulag

    Fotosynthese 25 – Gulag

     

    Een klik op de foto toont de (actuele) achtergrond in zijn geheel.


    De documentaire die ik zat te kijken was bijna afgelopen toen er werd aangebeld. Ik zette de TV op de pauzestand. Even later was het alsof het (onbelangrijke) gesprekje aan de deur mijn aandacht had vrijgemaakt voor nieuwe interpretaties: toen ik in de kamer terugkeerde riep het stilstaande beeld ineens een ander bij me op, dat ik ooit had gezien op de expositie Meer licht in De Fundatie in Zwolle. Daar hing de foto van kalme golven bij Zeebrugge, gemaakt door Gert Jan Kocken. Het bijschrift maakte dat je ineens ontregeld werd: ‘On March 6th 1987 the Herald of Free Enterprise capsizes just outside the harbour of Zeebrugge killing 192 people’.

    Iets dergelijks gebeurde er toen ik de still zag op mijn scherm waarop ik de documentaire Gulag, a Life under the Sovjet System van Michaël Prazan had bekeken. De filmer volgt daarin de reis van de kleindochter van een man die onder Stalin naar de goelags was verbannen. In het stilstaande beeld zag ik ineens de schoonheid van een sneeuwlandschap zoals dat waar ik wel eens met een kinderlijk plezier door heen had gewandeld na een nacht waarin een dik pak was gevallen. De hoeveelheid sporen erin wekken de suggestie dat anderen iets dergelijks deden op weg naar een oneindige verte. Maar de romantiek van het beeld verdween meteen, net als bij de foto van Kocken, toen ik me realiseerde dat het de still was in een film vol gruwelijkheden die ik had bekeken tot de deurbel ging.

    De strafkampen van Stalin zijn in het Westen het meest bekend geworden door De Goelag Archipel van Aleksandr Solzjenitsyn, dat in de jaren ’70 van de vorige eeuw in het westen verscheen. Goelag was een Russisch acroniem voor een stelsel van straf- en werkkampen in Siberië. In de 19de eeuw stuurden de tsaren er (in hun ogen) criminelen naar toe. Vooral onder Stalin kon je er voor het stelen van een brood al naar toe worden verbannen, maar vooral als je als ‘vijand van het volk’ werd gezien. In toenemende mate werden de kampen ingezet voor de winning van goud, tin, hout en steenkool en werden de ‘ongewenste elementen’ daar afgebeuld. Het grootste gebied met dergelijke werkkampen was de Kolyma, genoemd naar de rivier die er doorheen loopt.

    Ik leerde zelf het onderscheid tussen Kolyma en de rest van Siberië pas maken toen ik kennis maakte met Berichten uit Kolyma van Varlam Sjalamov. Kolyma was het meest barre deel van Siberië en geen man schetste dat beter dan hij. Solzjenitsyn (die elders in Siberië gezeten had) schreef over Sjalamov ‘dat hij en niet ik de bodem heeft bereikt van de verdierlijking en de wanhoop waar het kampbestaan ons naartoe trok’. Sjalamov zat tweeëntwintig jaar vast, vijf jaar in de Oeral en zeventien in Kolyma. Hij werd voor het eerst gearresteerd toen hij 22 was en herkreeg pas definitief zijn vrijheid op zijn 47ste (hij overleed in 1982). Zijn Berichten bestaat uit fictieve verhalen over het leven in Kolyma.

    Onder de ballingen in de verschillende kampen bevonden zich veel kunstenaars. Die hadden geen enkele vrijheid  om te schrijven, te componeren of te tekenen. Toch zijn er opzienbarende scheppingen ontstaan. In het gruwelijke Kolyma was dat vrijwel niet mogelijk . Heel bijzonder vind ik daarom wat Vsevolod Zaderatsky in Kolyma presteerde. Van hem zijn de 24 Preludes en fuga’s voor piano overgeleverd, die hij had gecomponeerd op stukjes papier die hij vond of telegramvellen die hij af en toe van een bewaker lospeuterde, zonder dat hij een muziekinstrument, laat staan een piano, bij de hand had.

    Sjalamov schreef aan het eind van zijn ballingschap al wel gedichten, maar zijn verhalen zette hij pas op papier toen hij weer was vrijgelaten. Uit één daarvan, Grafrede, weten we dat er minimaal één Nederlander in Kolyma zat. In dat verhaal beschrijft Sjalamov een aantal doden. Veel alinea’s beginnen hetzelfde: ‘[Naam] is dood’. Tussen al die namen: ‘Frits David is dood. Hij was een Hollandse communist (…) Hij had mooi krulhaar, blauwe ogen en een kinderlijke mond (…) Frits David was de eerste van ons transport die een pakket ontving. Zijn vrouw had het uit Moskou gestuurd. In het pakket zat een fluwelen kostuum, een nacht hemd en een grote foto van een knappe vrouw (…) Frits David is gek geworden en ze hebben hem ergens heen gebracht. Zijn nachthemd en de foto werden meteen de eerste nacht al gestolen (…) waarom, wat had iemand aan een foto van een onbekende?(…) “Dat is niet zo moeilijk te raden” [zei een pientere gespreksgenoot]. Die foto hebben de criminelen gestolen voor een seance, zoals ze dat zelf noemen. Voor zelfbevrediging, mijn naïeve vriend”…’ (vertaling: Marja Wiebes en Yolanda Bloemen).

    Af en toe lees ik nog altijd een paar verhalen in Berichten uit Kolyma. Er komt dan een moment dat ik het boek weer dicht vouw en op Spotify de 24 Preludes en fuga’s beluister. Met gesloten ogen zie ik de sneeuwvlakte.

     

    Fotograaf: Gert Jan Kocken


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • Ik laat gebeurtenissen graag nieuwe verbindingen met elkaar aangaan

     

    Als ik iets te vroeg in de zon voor het atelier van schrijver Emily Kocken sta te wachten komt ze al aanlopen. Er volgt een gesprekje in het Engels met de postbode, heel kort omdat we snel aan de slag willen; daarna moet ze weer door om celloles te geven. ‘Leuke man’, zegt ze over de postbode: ‘Ik neem normaal de tijd om naar zijn verhalen te luisteren.’
    We gaan de lange gang in van een grote werkplaats met aan weerszijden kleine afgesloten atelierruimtes en een gemeenschappelijk keukentje. Het gebouw telt drie verdiepingen en biedt onderdak aan tientallen beeldend kunstenaars en schrijvers en enkele architecten. Kocken deelt haar ruimte met collega-kunstenaar Eva Eland. Zelf is ze er op maandag en vrijdag, de collega op de andere werkdagen. De werkruimte is sober ingericht. Ik had verwacht beeldend werk van haar te zien, maar dat is keurig opgeborgen. Kasten, één tafel, een paar stoelen. Dat is het. ‘Ik vind het heerlijk om hier te werken. Ik kan me er goed concentreren’, zal ze later zeggen.

    Emily Kocken is beeldend kunstenaar, cellist en schrijver. Na acht jaar conservatorium trad ze wel op, maar geeft nu alleen nog celloles. Vanmiddag spreken we uitsluitend over haar literaire werk. Ze zet koffie en pakt de croissants uit die ze heeft meegebracht.
    Aan de hand van haar biografische gegevens komen we al snel op het schrijfproject waar ze nu mee bezig is, Adoptica:  ‘Het wordt een boek over adoptie, een mix van essayistiek en persoonlijke verhalen. Hoe het er precies uit gaat zien weet ik nog niet. Aanvankelijk vormde mijn eigen adoptie en die van mijn man, ook geadopteerd, de aanleiding, maar ik weet niet of ik dat er in ga meenemen. Ik voer nu een keer per maand een gesprek met een andere geadopteerde en ik merk dat dat heel goed werkt voor mijn researchproces’.

    Emily Kocken werd in 1963 geboren in New York en geadopteerd door Nederlandse ouders die toen nog in Amerika woonden. Haar leven als adoptief kind was niet altijd gelukkig. ‘Die gesprekken hebben in zoverre invloed op mezelf dat ze mijn eigen situatie relativeren’.

     

    Adoptica heeft dus met je eigen leven te maken. Geldt dat ook voor je eerdere boeken?

    ‘In mijn werk zitten altijd wel autobiografische thema’s. Witte vlag, mijn debuut, heeft voor een deel met mijn leven te maken. En in mijn tweede roman De kuur heeft Yves Altman wel iets van mijn vader; voor de verhoudingen binnen die familie Altman heb ik ook uit mijn eigen leven geput. Maar dat biografische is nooit expliciet’.
    Al pratend komen we op de aflevering van De Gids uit april 2020 met het thema ‘Pijnlijke woorden’. Daarvoor schreef Kocken het verhaal Je moeder! ‘Ja. Met uitroepteken’, zegt ze lachend. ‘Dat verwees naar een situatie die ik als kind heb meegemaakt op het schoolplein in Brabant waar we woonden. Ik was toen elf. Ik was er fier op dat ik geadopteerd was, maar andere kinderen vielen me erop aan dat ik niet eens echte ouders had. Dat werd een hele scène. Ik denk dat in het schrijven van dat verhaal de kiem ligt van het plan voor Adoptica’.

     

    Je bent pas op late leeftijd begonnen met schrijven. Je debuut Witte vlag verscheen toen je vijftig was. Hoe ontdekte je dat je dat wilde?

    Witte vlag was in 2013 mijn romandebuut, maar daarvóór publiceerde ik al verhalen in literaire tijdschriften. En schrijven heb ik altijd gedaan, als kind al. Als ik op de middelbare school naar mijn leraar Nederlands had geluisterd, was ik Nederlands gaan studeren. Wie weet hoe het dan gelopen was?’
    Er is meteen herkenning. We vertellen elkaar onze herinneringen aan de leraren die ons liefde voor literatuur bijbrachten.
    Ik zeg dat ik haar romans gedurfde boeken vind. Ik vind ze prachtig maar op een bepaalde manier behoorlijk complex. ‘Je moet wel bereid zijn precies te lezen en niet gemakzuchtig zijn’, zeg ik. ‘Als kennissen me wel eens vragen of ik ze een goed boek kan adviseren voor een vakantie ben ik niet snel geneigd ze bijvoorbeeld De kuur naar het strand mee te laten nemen’.

    Ze reageert tamelijk fel:  ‘Wil je dat niet meer doen! Je doet er schrijver en lezer mee tekort. Als je enthousiast bent draag je toch je enthousiasme over en ga je niet beoordelen of iemand het boek wel aankan. Het is mijn taak als schrijver, maar ook die van jou als recensent, om mensen in contact te brengen met verbeelding en hun wereld te vergroten. Maar je ondergraaft ook jezelf: waarom zou je niet iets aanbevelen dat je zelf goed vindt? Ik ken het wel hoor. Het is een beetje Nederlands. Ik merk dat in mijn beeldend werk ook. Kunstenaars worden in Nederland snel in het defensief gedrongen. Alsof ze moeten verantwoorden dat ze iemand lastig vallen. Bah!’

     

    Bepaalde werkwijzen komen in elk van je drie romans voor. Je begint met een 0-de hoofdstuk, aan het slot neem je een verantwoording op en locatie en tijd zijn heel precies bepaald. Witte vlag speelt in 2010 in Amsterdam, De kuur in Amsterdam en Davos in 2014 en Lalalanding in Parijs in 1953. De lezer herkent daardoor veel gebeurtenissen die feitelijk kloppen. Waarom is dat?

    ‘Ik heb het nodig om zo specifiek en concreet te zijn. De feiten moeten kloppen. Ik lees daarom kranten uit die jaren, bekijk spullen uit die tijd, gebruik plattegronden. Ik moet zelf naar die plekken toe. Ik moet er wandelen en in gebouwen komen die ik in de roman gebruik. In De kuur  bijvoorbeeld speelt het World Economic Forum een rol. Dat gebouw mag je normaal niet in, maar het is me toch gelukt. Ik breng met die controleerbare feiten een basisstructuur aan maar daarbuiten neem ik alle vrijheid. Ik laat gebeurtenissen verbindingen met elkaar aangaan die er in werkelijkheid nooit zijn geweest. Ik speel er mee’.

    Soms krijgt ze iets in de schoot geworpen, zoals  een vermelding die ze toevallig vindt op een site die er wat obscuur uitzag; daarop werd geschreven over een verzwegen bombardement door de geallieerden in 1944 op het treinstation van Porte de la Chapelle in Parijs. Daarbij werd de Renaultfabriek die er vlakbij lag verwoest. In Lalalanding maakt ze van de vader van de hoofdfiguur Jean Rodin een arbeider die daardoor zijn werk bij Renault kwijtraakte.
    ‘Dat bombardement is inderdaad een weggemoffeld feit, maar ik vond het in kranten uit die tijd terug. Het is dus wel degelijk een historisch gegeven. Ik vind het spannend omdat te deconstrueren, uit zijn verband te halen, zodat feit en fictie door elkaar gaan lopen’.

    Ze pakt haar laatste boek dat voor ons op tafel ligt in de hand. ‘Ik was afgelopen week in Parijs in verband met een schrijfopdracht; dat was voor het eerst sinds ik er verbleef om aan Lalalanding te werken. Ik heb de buurt weer opgezocht waar het zich afspeelt, nu met het boek in mijn hand’. Ze straalt erbij. ‘Franse vrienden vroegen me waarom er nog geen Franse vertaling is. Ik heb ze uit moeten leggen hoe moeilijk het is om als niet prijswinnende auteur een boek vertaald te krijgen’.

     

    In je boeken zijn sommige prominente personages naamgenoten van beroemde kunstenaars. In Witte vlag draagt Henry’s vrouw Elzbieta de achternaam Różewicz net als de Poolse dichter Tadeusz Różewicz en in Lalalanding heeft Jean Rodin dezelfde achternaam als beeldhouwer Auguste Rodin. Waarom doe je dat?

    ‘Ik vind het leuk om hun werk op een bepaalde manier te laten opduiken in het boek. Het zijn geen toevallige keuzes. Ik hou erg van de poëzie van Tadeusz Różewicz. Sommige zinnen in mijn roman zijn geïnspireerd door zijn werk en de titel ‘Witte vlag’ komt uit een gedicht van hem. Ik heb dat zowel in Nederlandse vertaling als in het Pools opgenomen. Bovendien schrijft Tadeusz Różewicz vaak over een vorm van eenzaamheid die ik ook in Elzbieta heb gestopt.
    In Lalalanding kun je in de houding en de beschrijving van de fysiek van Jean beelden van Auguste Rodin herkennen. Ik vind het grappig om daarmee te spelen. Daarnaast heeft het te maken met mijn interesse in namen. Wat zegt zo’n naam? Ik kom daarmee weer op dat spelen met feiten en verbeelding. De naam van de beeldhouwer Rodin roept meteen iets bij je op, maar de Jean Rodin uit de roman komt uit een heel ander milieu. Daardoor ontstaat toch iets spannends’.

     

    In De kuur speelt op de achtergrond De Toverberg van Thomas Mann een grote rol en in Witte vlag is dat het werk van Joseph Beuys. Je bewondert beiden, maar hoe de kunstenaar Henry in Witte vlag Beuys probeert te imiteren en hoe Yves in De kuur met Mann loopt te koketteren is bespottelijk. In mijn ogen zijn die Henry en Yves een soort mislukte epigonen die hun eigen leegte maskeren en geen enkele zelfreflectie hebben. Drijf je de spot met die types?

    Ze lacht hartelijk: ‘Je herkent die mensen toch wel? Er lopen in onze wereld heel wat van die figuren rond. Kijk alleen maar naar politici, en je vindt ze ook ook onder schrijvers en in de beeldende kunst. Maar ik laat hopelijk tegelijk zien wat het gedrag van die mensen voor effect heeft op anderen. Henry bijvoorbeeld maakt zijn toch intelligente vrouw Elzbieta op die manier behoorlijk kapot. Ik heb helemaal geen feministische roman willen schrijven, maar ik laat op een bepaalde manier wel zien hoe dat gedrag ten opzichte van vrouwen werkt. De voorbeelden liggen in de geschiedenis voor het oprapen en ze zijn er nog steeds’.

     

    Ik verbaasde me erover dat Elzbieta die relatie zo lang volhoudt. In haar schoenen staand zou ik Henry al veel eerder het huis uit gebonjourd hebben.

    ‘Ik zet het natuurlijk wel aan. Het zijn beelden die ik oproep. Het is een creatie van mij. Die moet geloofwaardig zijn. In elk geval geloofwaardig voor mij. Daar mag een lezer anders over denken’.

    Dat brengt ons op de dood van André Vérité. In Lalalanding verongelukt die collega van Jean. Hij valt van een balustrade naar beneden. Was het een ongelukkige val? Was het zelfmoord? Zat de baas van Jean, Emmanuel Lumière, erachter? Ik kwam er als lezer niet uit, maar opper dat Lumière de meest verdachte is. ‘Dat is geen rare veronderstelling’, reageert ze. ‘Mijn man dacht meer aan Jean als de killer. Ik laat het ook open. Ik ga het niet uitleggen’.

     

    Waar begon een boek als Lalalanding voor jou? Had je eerst de vorm, waarin het spel met letters à la Perec belangrijk is, of was er eerst het verhaal van het Seinemeisje?  

    ‘Dat weet ik heel concreet. Je weet vast dat ik in 2019 voor de Museumweek het Kunstgeschenk Huh? Aha! Duh heb geschreven. Het gaat over drie studenten die op een ironische manier door een museum lopen. Daarna kwam al vrij snel het zusje van Jean, Odilette, bij me in beeld die in de roman een ingewikkelde, bijna incestueuze, relatie krijgt met haar broer. En al snel daarna zag ik de vader van Jean voor me, de man die in de verwoeste Renaultfabriek gewerkt had, omdat ik iets met het oorlogsverleden  wilde doen zoals ik dat hoorde van mijn adoptievader. De vorm met veel witregels en een poëtische opzet ontstonden toen ik in die tijd Raymond Queneau weer las, één van de leden van OuLiPo (de schrijversgroep waartoe ook Perec behoort). Dat was trouwens nog maar het begin van het schrijfproces; daarna heb ik nog verschillende versies gemaakt’.

     

    Hoe ga je om met je twee vakgebieden, schrijven en beeldende kunst? Hou je daar een strikte scheiding tussen aan? Hoe bereik je dat je op elk vlak honderd procent geconcentreerd bent?

    ‘De periodes waarin ik schrijf of kunst maak liggen niet per se vast, maar ik plan mijn werk wel. De afgelopen maanden heb ik alleen maar geschilderd. Dan heb ik eigenlijk helemaal geen tijd voor zo’n schrijfopdracht waarvoor ik de afgelopen dagen in Parijs was.
    Thuis heb ik niet echt een werkkamer om te schrijven. Dat doe ik af en toe ook hier. Daar voel ik me goed bij. Het is niet zo dat ik in mijn hoofd steeds wordt lastig gevallen door ideeën voor beeldend werk als ik hier schrijf of andersom. Het is hier kaal, stil. Er is geen raam naar buiten. Weinig wat me afleidt dus. Ik kan goed plannen en me dan ook aan een planning houden. Het moet ook. Anders gaat het ten koste van wat ik doe. Soms lopen de twee terreinen in elkaar over want Adoptica zal niet alleen uit schrijfwerk bestaan. Ik schilder voor dat project ook. Dat heeft te maken met mijn biologische ouders die allebei ook schilderden’.

     

    Lees hier de recensie van Lalalanding.
    De verschijning van Adoptica wordt verwacht in 2024.

    Foto: Géraldine Jeanjean


     

     

     

     

     

     

     

  • Pleidooi voor hervorming machtstructuren

    Pleidooi voor hervorming machtstructuren

    ‘In zekere zin gaat dit boek over vrouwen, maar in wezen gaat het over macht. Machtsstructuren leiden tot misbruik door mensen die denken dat ze boven de wet staan en dat andere mensen niet volwaardig meetellen’. Met deze zin, halverwege haar boek Bastions van hoogmoed, herhaalt Martha C. Nussbaum wat ze de pagina’s daarvoor al een paar keer heeft benadrukt en wat ook al onderwerp was van eerdere filosofische beschouwingen van deze hoogleraar recht en ethiek aan de Universiteit van Chicago: grensoverschrijdend gedrag is pas echt aan te pakken als we de machtstructuren veranderen. Seksuele intimidatie tot zelfs grove vernedering van vrouwen (in Nussbaums voorbeelden soms ook van mannen) denderde in Nederland ineens de huiskamers binnen door de misstanden bij The Voice of Holland, gevolgd door gevallen bij De Telegraaf, bij Ajax en in nog enkele andere zaken. Bastions van hoogmoed kon daarom niet op een beter moment komen. Het verbreedt de discussie over de incidenten tot dieperliggende problemen van afhankelijkheid, machtscentra en werelden waarin de ‘daders’ zijn opgegroeid en die hun denken hebben gevormd.

    Wetgeving

    Die actualiteit zal Querido mede hebben verleid om het boek hier op de markt te brengen. In een noot van de redactie, voorin het boek, valt iets van een verontschuldiging te lezen als er staat dat Nussbaum het heel specifiek heeft over de Amerikaanse situatie, maar ‘de essentie van haar betoog van universele betekenis’ is. Dat is een terechte noot, in beide opzichten. Om maar met die Amerikaanse kant te beginnen: vooral het juridische hoofdstuk 5 schetst een organisatie die totaal afwijkt van de Nederlandse. Zo verschilt de strafwetgeving in Amerika per staat, terwijl het civiele recht een federale aangelegenheid is. Het kan daarom voorkomen dat een dader van een aanranding er in de staat waarin die zich voordeed mee wegkomt, terwijl hij toch civielrechtelijk aansprakelijk is voor de schade (de affaire rond O.J. Simpson is er een voorbeeld van).

    Veel universeler zijn dan ook de hoofdstukken waarin Nussbaum schrijft over de psychologische kant van misbruik en over de machtsstructuren die soms zo sterk zijn dat slachtoffers stelselmatig tegen een muur op lopen.  Wat dat laatste aangaat is het slothoofdstuk over de zieke wereld van de college sports, hoewel ook dat weer over Amerika gaat, wel degelijk instructief voor een breder begrip van misstanden in ons land.

    Hoogmoed

    Het bedoelde hoofdstuk gaat over de drie sectoren in Amerika waarin seksuele intimidatie en misbruik het meest voorkomen en de bescherming ertegen voor de slachtoffers of klokkenluiders het laagst is. Het zijn de ‘bastions van hoogmoed’ uit de titel van het boek. De drie sectoren zijn de federale rechtspraak, de kunsten en de sport. Op al die terreinen is de macht van de functionarissen zo groot dat zij vrouwelijke medewerkers kunnen maken en breken zonder dat er controle is op hun handelwijze, laat staan dat de getroffenen rechtsbescherming genieten: ze zijn voor hun verdere carrière te afhankelijk van de heersende kliek. Toch ziet Nussbaum wel mogelijkheden om de eerste twee bastions transparanter te maken door andere regelgeving of andere structuren. Maar over het derde bastion, de college sports zegt zij: daarbij ‘is de structuur zo verziekt, zijn de prikkels zo pervers, dat er volgens mij niets anders opzit dan het Division I-football en –basketball compleet op te doeken’ (de college sports zijn de trots van de universiteiten waaraan ze verbonden zijn en de coaches en spelers verdienen veel meer dan hun bazen van de universiteit die hen zouden moeten controleren. Voeg daarbij nog de commerciële belangen die zo groot zijn dat niets aan de doofpot ontkomt en de ondoordringbaarheid is duidelijk. In die sector worden mannen opgenomen en gekweekt die oprecht denken dat ze boven de wereld staan en dat ze kunnen doen wat ze willen. Nogmaals: ze denken het oprecht. Ze kúnnen het niet anders meer zien.

    Objectificatie

    Nussbaum wil in haar boek duidelijk maken waarom het zo moeilijk is om daders van machtsmisbruik tegen vrouwen ter verantwoording te roepen, waar de weerstand zit en waarom die zo taai is. Haar belangrijkste punt in alle voorbeelden die ze geeft is de hoogmoed van de betreffende mannen: het is ‘de ondeugd die erin bestaat dat je jezelf boven anderen verheven waant, dat anderen voor jou geen volwaardige mensen zijn’. Die hoogmoed valt te herkennen in raciale problemen maar ze is er ook jegens vrouwen van wie de lichamelijke integriteit en de handelingsbekwaamheid wordt ontkend. Naast die hoogmoed is er de hebzucht: de mannen om wie het gaat gunnen een ander niet de macht die ze zelf bezitten.
    Een kernbegrip in die hoogmoed en hebzucht is voor Nussbaum de objectificatie: het veranderen van een mens in een ding. En een ding kan niet autonoom handelen, het mag gebruikt worden, het is inwisselbaar voor een ander ding, het kan als eigendom worden gebruikt en het kent geen gevoelens. Iemand die je als ding ziet hoef je dus ook niet te respecteren. Nussbaum noemt tal van voorbeelden die ze steeds terugbrengt tot die kwesties van hoogmoed, hebzucht en objectificatie. Dat doet ze op een overtuigende manier. Toch bepleit ze aan het eind van haar betoog af te zien van wraak of de schandpaal voor de mannen die het betreft – enkele notoire onverbeterlijke gevallen daargelaten. Er moet ergens in die mannen een omkering te bereiken zijn. Al is het een lange weg die het vooral nodig maakt om bestaande machtstructuren te ontmantelen waarin die mannen opgesloten zitten. Zo weet Nussbaum de lezer in haar somber stemmende boek toch nog met een lichte hoop achter te laten.

     

  • Tijdloze verhalen over buitenstaanders en angsten

    Tijdloze verhalen over buitenstaanders en angsten

    Andrew Leander belandt na een lange busreis dronken en verward in een stationsrestauratie. Hij weet niet waar hij is en ‘hij had geen nauwkeuriger besef van de tijd dan ergens tussen middernacht en ochtend. Wel wist hij dat hij het zuiden had bereikt, maar dat hij nog vele uren zou moeten reizen voor hij thuis was’. Zijn toestand is nauwelijks beter als de restauratie gaat sluiten: ‘Hij had zin om naar buiten te gaan en zijn stem te verheffen en in de nacht te zoeken naar alles waarnaar hij verlangde’. In de pagina’s tussen het betreden van de eetgelegenheid en de sluiting ervan heeft de auteur van het verhaal, Carson McCullers, ons meegenomen in de mijmeringen van Andrew over zijn twintig levensjaren tot nu toe. Zeventien ervan bracht hij door in een stad in de staat Georgia – het doel van zijn busreis – en drie in New York. Jaren van eenzaamheid en treurig verlangen met maar een paar vrienden aan wie hij zich nauwelijks durft toe te vertrouwen. Maar ook een jeugd met muziek als troost.

    ‘Zonder titel’ staat er boven het verhaal. Het is één van de twee langste uit Alle verhalen van Carson McCullers, negentien in totaal. Net als ‘Zonder titel’ zijn ze geen van alle echt autobiografisch, maar in alle zijn wel episodes en sferen uit het leven van de schrijfster te herkennen.

    Reuma

    McCullers (1917 – 1967) werd geboren in Columbus in Georgia. Ze bleek al vroeg een talentvol pianiste. Haar moeder was ervan overtuigd dat Carson grote roem zou oogsten op de wereldpodia en oefende daarvoor grote druk op haar uit. Haar droom bleek onhaalbaar toen ze reuma kreeg. Een aanvankelijk verkeerde diagnose en dito behandeling bezorgden haar een lang ziekbed, dat ze lezend doorbracht met grote schrijvers als Dostojevski, Proust en Joyce. Ze ging, net als haar geesteskind Andrew hierboven, naar New York, waar ze een cursus creative writing volgde.
    Ook de reuma en de mislukte concertcarrière zijn in haar verhalen terug te vinden. Zoals in ‘Wunderkind’, haar eerste in een tijdschrift gepubliceerde stuk, geschreven onder haar meisjesnaam Smith, toen ze zeventien was. In dat verhaal verschijnt pianiste Frances op haar pianoles met ‘trillende pezen die van haar knokkels naar beneden liepen, de zere vingertop omwikkeld met een vuile pleister die omkrulde’. Haar (van geboorte Duitse) docent blijft maar zeggen dat ze een ‘Wunderkind’ is. Het is een prestatiedruk waaronder Frances uiteindelijk bezwijkt.

    We herkennen McCullers’ huwelijkservaringen – ze trouwde twee keer met James R. McCullers wiens achternaam ze bleef voeren – in ‘Moment van het uur erna’. Het beschrijft een echtpaar dat elkaar met de whiskyfles steeds in de buurt afwisselend liefheeft en haat en de leegte tussen hen bevecht.

    Eenzaamheid

    McCullers schuwde geen enkel onderwerp. Toen ze drieëntwintig was verscheen haar eerste roman die haar blijvende bekendheid zou bezorgen, The Heart is a Lonely Hunter (In Nederland verschenen als Het hart is een eenzame jager) over eenzaamheid, afwijzing en verlating, over seksuele geaardheid, rassendiscriminatie en klassenverschillen. Opnieuw werd ze een wonderkind genoemd. Haar tweede roman, over homoseksualiteit binnen het leger, zorgde voor veel beroering. In totaal schreef ze vijf romans voor ze in 1976 stierf aan een hersenbloeding.
    De vijf romans zijn allemaal vertaald door Molly van Gelder deze bundel verhalen ook van een nawoord voorzag. Ze schrijft onder meer dat McCullers zich verbonden voelde met het eenzame bestaan van mensen die buiten de maatschappij vallen door hun uiterlijk of hun sociale status. Zelf was ze wit, maar ze voerde zwarte personages met evenveel inlevingsvermogen op als witte.

    Hoewel haar concertloopbaan mislukt was, bleef muziek één van McCullers’ liefdes. In bijna elk van de negentien verhalen komt die dan ook terug, hetzij in personages die musici zijn, hetzij in op de muziek geïnspireerde beeldspraak of vergelijkingen. Dat betreft dan vooral klassieke muziek en fuga’s van Bach in het bijzonder. Als zijn ex-vrouw Elizabeth in ‘Tijdelijk verblijven’ een prelude en fuga van Bach speelt, zoals ze dat vroeger deed, confronteert deze muziek John Ferris bijvoorbeeld met zijn manier van omgaan met mensen. Ze hebben elkaar acht jaar niet gezien, Elizabeth is hertrouwd en John heeft eveneens een andere, onduidelijke, liefde. Ze zien elkaar een paar uur bij Elizabeth en haar gezin thuis. Met als kantelpunt het stuk van Bach dat zij speelt. John wordt overvallen door het gevoel dat hij bij niemand meer echt hoort.

    Koning

    De verhalen snijden ernstige zaken aan en zetten in enkele bladzijden een krachtige psychologie neer van de betrokkenen, zoals in het geval van genoemde John Ferris ten huize van Elizabeth in deze zin: ‘Zijn eigen leven leek zo eenzaam, een broze zuil die niets meer draagt, tussen de brokstukken van de jaren’. Toch hebben de verhalen een lichtheid van toon die ze soms des te tragischer maakt. Een ontroerend voorbeeld daarvan is ‘Madame Zilensky en de koning van Finland’. Het hoofd van een muziekopleiding, Brook, heeft madame Zilensky als docent binnengehaald. Ze is erg goed in haar werk – ze is tevens componist van symfonieën – maar Brook ontdekt geleidelijk aan dat ze een pathologische leugenaar is als het gaat over haar leven. Zo zou ze zelfs de koning van Finland in een slee hebben zien passeren. Als Brook haar vertelt dat Finland geen koninkrijk is en haar verhaal dus niet waar kan zijn, vlucht ze in nieuwe leugens. Tot Brook zelf een draai maakt door te zeggen: ‘Ja. Uiteraard. De koning van Finland. Aardige man?’

    Iets dergelijks gebeurt in ‘Een boom, een steen, een wolk’. Daarin treft een twaalfjarige krantenbezorger op de vroege morgen in een streetcar café een man die over een bierpul gebogen zit en plotseling een gesprek met de jongen begint over liefde. Hij laat daarbij foto’s zien van de vrouw die jaren geleden bij hem is weggegaan. Liefde is voor hem een theorie geworden. Hij doet zijn verhaal tegen de krantenjongen terwijl de barman de twaalfjarige meewarig probeert te waarschuwen voor deze gek. Nadat hij is vertrokken vraagt de jongen aan de barman of hij dronken was of een mafkees: ‘Of toch niet?’

    Tenslotte is er het tweede lange verhaal, het aangrijpende en diep tragische ‘Wie heeft de wind gezien? Ken Harris, de schrijver van één bejubelde en een daarop gevolgde mislukte roman, verkeert in een writer’s block en raakt steeds verder geïsoleerd in dronkenschap en wanhoop en zelfs waanzin. Zijn vrouw verlaat hem omdat ze zijn gedrag niet meer aan kan. Schokkend is de passage waarin hij op een leeg vel de letters x en r tikt om maar tikgeluiden te horen. En dan typt hij ‘De luie bruine vos sprong over de slimme hond’. In die Nederlandse vertaling gaat helaas de diepe tragiek ervan verloren. De zin, bekend als ‘The quick brown fox jumps over the lazy dog’, is immers het nietszeggende pangram waarmee louter alle letters van het toetsenbord worden uitgeprobeerd. In het origineel van McCullers luidt hij subtiel anders: ‘The lazy brown fox jumped over the cunning dog’, waardoor de vos juist lui is en de hond slim. Harris herhaalt hem een paar keer. Schrijnender kan zijn writer’s block niet worden beklemtoond.

    Bijna alle personages van McCullers zijn buitenstaanders, mensen die over de rand dreigen te vallen, vervreemd raken van wat normaal wordt geacht. Bange mensen. Maar ook mensen van alle tijden. De Leanders, de Ferrissen en Harrissen, ja zelfs de Zilensky’s, leven ook in onze tijd. En ze confronteren ook ons met onze eigen diepste angsten. Dat is de kracht van de verhalen van McCullers.

     

     

  • Oogst week 3 -2022

    Het woord voor rood

    Het woord voor rood van Jon McGregor is misschien wel het best te typeren als een roman over communicatie op allerlei niveaus. De roman, bestaand uit drie delen, begint met een expeditie op Antartica die mislukt. De groep van drie leden raakt elkaar kwijt tijdens een storm. Ze hebben geen contact meer. De expeditieleider Robert Wright (‘Doc’) weet het verblijf met de zendinstallatie terug te vinden, maar raakt buiten bewustzijn. Hij blijkt daarna door een beroerte  zijn spraakvermogen kwijt te zijn. Daardoor kan hij – in het tweede deel – eenmaal thuis ook met zijn vrouw Anna niet meer communiceren.

    Het derde deel beschrijft Roberts therapie die er toe moet leiden voldoende taal te hervinden om zijn verhaal te kunnen doen. Wat is er aan communicatie mogelijk als iemand afasie heeft?

    De roman kreeg in eigen land zeer lovende kritieken en Nederlandse lezers kunnen de auteur kennen van Zelfs de honden (2021) en Reservoir 13 (2018).

     

     

    Het woord voor rood
    Auteur: Jon McGregor
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Het huis aan het einde

    Naar koude streken, bovendien naar het noorden trok Irwan Droog vorig jaar met zijn vriendin Kim en hond Zorro. Hij verhuisde naar Selvær, een klein eilandje in de poolcirkel, terwijl in Nederland de eerste vaccinaties tegen covid-19 werden uitgedeeld: ‘ik werkte al vanuit huis, en de eerste lockdown hield me alleen maar meer binnen dan ik normaal gesproken al was. Toen de kans zich voordeed om me niet langer op te sluiten in mijn huurappartementje in Amsterdam-Noord maar te vertrekken naar een vrijstaand huis op het puntje van een verafgelegen eiland in de Noorse Zee, hoefde ik daar dan ook niet lang over na te denken. Ik loop al bijna twintig jaar rond met de wens langere tijd in Noorwegen door te brengen, sinds ik er op mijn achttiende voor het eerst een zomervakantie doorbracht. En sinds mijn reis naar Spitsbergen in 2018 werd die wens nog specifieker: een eiland, een Noors eiland, een mooiere plek kon ik me eigenlijk niet voorstellen’.

    Selvær is zo klein dat je het in een halfuurtje helemaal rond kunt lopen: ‘Zal dat echt voelen als een bevrijding, of zitten we daar net zo opgesloten als in mijn woonkamer thuis?’
    Het verblijf levert bijzondere ontmoetingen op waarvan Droog verslag doet in Het huis aan het einde, zijn debuut.

     

    Het huis aan het einde
    Auteur: Irwan Droog
    Uitgeverij: Thomas Rap

    Profane verlichting

    Wat opvalt aan het omslag van Profane verlichting van Johannes van der Sluis is de kleurstelling. Die doet meteen denken aan zijn vorige bundel gedichten Ik ben de Verlosser niet uit 2020. Daarin vroeg de dichter zich via zijn woonbuurt in Rotterdam, een kuuroord in Italië en een psychiatrische kliniek in Poortugaal af wat hij nog te zoeken had in een leven zonder baan en liefde.
    Profane verlichting is in zekere zin een vervolg. De liefde komt weer om de hoek kijken. Ze heet M. is de titel van het tweede gedicht, dat begint met de regels:

    Afgelopen keer
    in café De S.
    maanden geleden
    was het barmeisje
    met een lamp
    op weg naar het terras
    ik ging naar huis
    en zei tegen haar
    dat ik haar zou volgen
    ja volg mij
    ik verlicht het pad
    zei ze lachend
    (…)


    Profane verlichting
    Auteur: Johannes van der Sluis
    Uitgeverij: Lebowski
  • Dartelen in het schemergebied tussen droom en werkelijkheid

    Dartelen in het schemergebied tussen droom en werkelijkheid

    Midden in de roman Lalalanding van Emily Kocken staat de zin: ‘De wereld is gemaakt van woorden, veel meer is het niet’. Het is een geïsoleerde regel, die volgt op een alinea waarin de omgang met woorden is verbonden aan de dood van een collega van de belangrijkste protagonist, Jean Rodin. In zijn ogen moest die dood wel volgen op de noodlottige omgang met diens achternaam en de laatste letter van zijn voornaam. Raadselachtig? Ongetwijfeld. Lalalanding is dan ook geen roman die de lezer langs gemakkelijk herkenbare aanknopingspunten naar een afrondend einde voert. Emily Kocken vraagt geconcentreerd lezen, woorden proeven en terugbladeren. Alleen dan is haar taalspel ten volle te genieten. Ze vertelt een dromerig verhaal, maar vooral de vorm waarin ze het verpakt en haar associatieve en intuïtieve schrijfstijl verschaffen de lezer die bereid is zich op haar stroom mee te laten voeren het grootste genoegen.

    Kocken verbleef voor haar roman een aantal maanden in Parijs; ze verkende er grondig de wijk Monmartre waar Lalalanding zich afspeelt. Ze gebruikt bekende locaties zoals Bar Bistro La Renaissance waar Jean en zijn vader regelmatig aan de tap te vinden zijn (op internet zijn tal van foto’s ervan te vinden) en verdiepte zich in de stadsgeschiedenis van de veertiger en vijftiger jaren van de vorige eeuw en in het beroemde verhaal van de L’inconnue de la Seine, het onbekende meisje dat rond 1900 verdronken in de rivier werd gevonden; de speculaties over haar identiteit inspireerde diverse schrijvers (Camus, Nabokov) vanwege de gipsen dodenmaskers die van haar bestaan. Een afbeelding van één daarvan is achter in Kockens roman te vinden.

    Lampjesdraaier

    Lalalanding speelt zich af in ongeveer een week in de zomer van 1953. De belangrijkste personages zijn Jean Rodin en zijn zusje Odilette. Jean is geboren in 1933. Odilette is zeven jaar jonger. Met hun ouders Hyppolite en Geneviève bewoonden ze een flat bij het station Porte de la Chapelle vlakbij de Renaultfabriek waar Hyppolite autosleutelaar was. Na een Duits bombardement in 1944, waarbij onder andere die fabriek werd verwoest moest hij met zijn gezin verhuizen naar een sociaal woonproject voor veteranen in de armoedige buurt Grandes-Carrières, een naam die al net zo ironisch is als die van het gehorige complex: Villa Championnet.
    Het leven van het gezin Rodin is getekend door de oorlog. Hyppolite blijft in zijn nieuwe baan als sorteerder in het bureau Gevonden Voorwerpen van de Metro het leven vergelijken met de goede tijd die hij had bij Renault, en Geneviève brengt haar tijd vooral biddend en in bed tussen haar zwerfkatten door. Odilette zit op school, maar spijbelt vooral en Jean werkt als ‘lampjesdraaier’ in de fabriek van Emmanuel Lumière. Deze twintigjarige Jean staat centraal in het boek. Kocken heeft hem de achternaam gegeven van beeldhouwer Auguste Rodin, net zoals Elzbieta in haar debuutroman Witte vlag haar achternaam deelde met de Poolse dichter Tadeusz Różewicz.

    Zwaaimeisje

    De verteller duikt voornamelijk in het hoofd van Jean die getekend wordt als een dromerige denker. Hij houdt van zijn zusje, dat meent het onbekende meisje uit de Seine te zijn. Hun relatie heeft vooral door haar avances incestueuze trekjes. Maar is dat echt zo? Od is het wat Jean denkt? Of misschien vreest? Hij wordt bovendien achtervolgd door het beeld van een meisje dat eens op het perron naar hem zwaaide, toen hij op weg ging naar zijn werk maar haar niet durfde aan te spreken. Een overheersend drama in Jeans leven is echter het dodelijke ongeval van zijn collega André in de lampenfabriek: hij viel van een balustrade. Was het een ongeluk? Was het zelfmoord? Of was er misschien sprake van amoureuze perikelen met het keukenmeisje C.C., waarin Lumière zelf ook een rol speelde? De vader van Jean voegt daar nog een verdacht aspect aan toe: is de baas misschien verantwoordelijk omdat de balustrade niet deugde? Het zijn allemaal gedachten die Jean kwellen en waarover hij blijft piekeren, maar moeilijk met iemand kan delen.

    Fatale ingreep

    Het bijzondere aan Lalalanding is de manier waarop Kocken dit verhaal vorm geeft. Ze speelt met woorden en letters (ook typografisch), gebruikt citaten en liedjes en verwijst in allerlei variaties terug naar eerder gebruikte zinnen.
    De structuur van de roman doet enigszins denken aan die van Apeirogon van Colum McCann: korte zinnen en alinea’s die niet direct logisch op elkaar volgen maar samen betekenisvolle verbindingen aangaan. Kocken haalde de inspiratie voor haar opzet echter vooral bij Georges Perec. Die gebruikte in zijn La Disparition (vertaald als ’t Manco) het ontbreken van de letter E als aanjager van een verhaal over een noodlottige doem. Kocken laat het wegvallen van een letter of het snijden in woorden op verschillende niveaus plaatsvinden. De ongelukkige collega André Vérité schrijft zelf zijn naam al als André V omdat hij zich schaamt voor zijn volle achternaam (Waarheid) en Jean haalt vervolgens ook nog eens de laatste letter van diens voornaam weg – waarna het fatale ongeluk gebeurt. Die fatale ingreep wordt weerspiegeld in de relatie tussen Odilette en Jean. Zij houdt ervan om woorden af te snijden. Ze maakt van hun woonhuis Villa Championnet eerst ‘Villa C’ en later zelfs alleen ‘C’. Ze is daarom erg gevleid als Jean haar (per ongeluk) aanspreekt met enkel de letter O en ze wil dat hij haar zo blijft noemen. Hemzelf slaat de schrik om het hart bij dat idee. Hij wil niet nog eens een dode.

    Schaduw

    Buiten dit woordspel zijn er fraaie contrasten. Het meest opvallende voorbeeld daarvan is dat tussen schaduw en licht. Het zwaaimeisje dat Jean op het perron zag (en liet glippen) komt herhaaldelijk terug als het schaduwmeisje en vader Hyppolite bedrijft een schaduwhandel door gevonden voorwerpen die hij moet beheren af en toe mee naar huis te nemen of stiekem te verkopen. En moeder Geneviève doet waarschijnlijk al evenzeer iets in het verborgene door ‘groezelige dingen’ te bedrijven in ruil voor het beste vlees van de slager. Die schaduwen staan tegenover de zon die vaak schijnt (het is zomer) en tegenover de naam Lumière (licht), het bedrijf waar Jean werkt.

    Mooi zijn ook de speelse verwijzingen. Naar beeldhouwer Rodin bijvoorbeeld: in bepaalde fysieke houdingen van Jean; of als hij zichzelf ziet als ‘De Denker’ of als de mannelijke figuur in Rodins ‘De kus’.
    Met Odilette gebeurt iets dergelijks als de verteller het meerdere keren heeft over haar ‘porseleinen gezicht’, daarmee verwijzend naar het dodenmasker van de Onbekende uit de Seine. En er is de onheilspellende opmerking van André die een paar keer over Lumière zegt: ‘Monsieur is onze guillotine’. In allerlei toespelingen wordt die dreiging door de roman heen nog eens versterkt: C.C. (het opschephulpje) die in een droom van Jean het gebaar maakt dat ze het hoofd van Lumière wil laten rollen, wordt door hem ‘een werktuig van de revolutie’ genoemd, Odilette denkt dat het afkappen van de e van André’s naam ‘wel de revolutie’ leek en Jean en zijn zusje horen op straat een keer een tekst zingen die een parafrase is van La Carmagnole, een lied waarmee Koningin Marie-Antoinette kort voor haar onthoofding in 1793 belachelijk werd gemaakt.

    Dartelend

    Tussen alle verwikkelingen door kent het verhaal ook nog eens een soort running gag waarin Jean in de trein op weg naar zijn werk steeds studenten ziet die in slaap zijn gevallen met een boek van Sartre op schoot. Waaruit Jean dan weer zinnen onthoudt.

    Lalalanding is qua omvang een bescheiden pocket, maar toch een bomvol boek: ideeënrijk, speels en tegelijk serieus. Het laat zich niet gemakkelijk veroveren, maar wie bereid is zich te laten verrassen door de ongewone fantasieën en dartele taalvondsten zal er weinig moeite mee hebben om het nog eens tweede keer te lezen en nog weer nieuwe ontdekkingen te doen. ‘La vie est comme un rêve’, zegt een in Lalalanding aangehaald Frans spreekwoord. ‘Dat zou je willen’, voegt de verteller daaraan toe, zich richtend tot Jean. De lezer wordt door Kocken uitgenodigd het schemergebied tussen droom en werkelijkheid te betreden en zich voor alles daarbinnen open te stellen.

     

  • Fotosynthese 24 – Kippendichteres uit Massachussetts

    Fotosynthese 24 – Kippendichteres uit Massachussetts

     

    Een klik op de foto toont de (actuele) achtergrondfoto in zijn geheel.


    Sander Kollaard won de Libris Literatuurprijs 2020 met Uit het leven van een hond. Toen ik deze roman over het baasje van hond Schurk las, gingen mijn gedachten uit naar andere boeken met een prominente rol voor een hond. Reizen met Charley van John Steinbeck, Flush van Virginia Woolf, De staart van Patricia de Martelaere, Het complete Rekelboek van Koos van Zomeren, en Mijn leven met Tikker van Jan Siebelink. Er waren jaren dat ik dieren uit de geschiedenis en de literatuur verzamelde in een schriftje. Alleen paarden en honden – je moet ergens een grens trekken. Mijn schriftje groeide uit tot een indrukwekkende mini-encyclopedie, maar alle inspanning die ik erin heb gestoken bleek verspilde energie toen het door internet steeds makkelijker werd om lijsten en collecties aan te leggen.

    Het schriftje is al decennia kwijt en bij lezing van Kollaards boek smoorde ik mijn  neiging om de opsomming hierboven uit te breiden onmiddellijk in de kiem. Toch bracht deze foto opnieuw en met weemoed mijn oude ‘hobby’ in herinnering. Nee, kippen heb ik nooit verzameld. Buiten de honden en paarden zijn er in de marge van mijn geheugen alleen anekdotische dieren blijven hangen. De kat Hodge van Johnson waarvoor zijn baasje  (volgens zijn biograaf James Boswell), speciaal oesters ging kopen. En de goudvis die Gabriele d’Annunzio in een hotel aantrof en Adolphus doopte. Toen hij later vernam dat de vis het loodje had gelegd liet hij hem in de tuin van het hotel begraven om er even later zijn tranen op de laatste rustplaats te komen plengen. D’Annuzio schijnt trouwens boeken te hebben laten drukken op rubber zodat hij ze kon lezen als hij gezellig met zijn eigen goudvis in bad ging.

    Excentriek geval

    De foto verhaalt van een nog excentrieker geval. De kippen vielen me meteen op, en toen ik in het bijschrift las dat het hier ging om ‘the chicken poet of Massachussetts’, kon ik mijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen. Een kippendichter? Ik moest denken aan Gerrit Komrij, die graag vertelde dat hij in 1944 in een kippenhok was geboren waarin zijn ouders voor luchtaanvallen waren weggekropen. Maar zijn gedichten zijn niet vergeven van hoenderachtigen. De kippendichter blijkt Nancy Luce te heten. Wikipedia keurt haar een intrigerend lemma waardig, alleen in het Engels én – hoe merkwaardig – in het Arabisch. Nancy Luce (1811-1890) werd geboren op het eiland Martha’s Vineyard, ten zuiden van Cape Cod, dat een paar honderd jaar extreem veel doven telde. Is er over de hele wereld één op de zesduizend mensen doof, op dit eiland was het er één op de honderdvijftien. Dat hadden de Vineyarders te danken aan een voorvader die de aandoening generaties lang in zijn genen doorgaf. De doven leerden met elkaar communiceren door een geheel eigen gebarentaal te ontwikkelen.

    De gelovige gemeenschap op het eiland kende grote gezinnen, maar de ouders van Nancy, Philip en Anna, hadden het door hun zwakke gezondheid bij één dochter moeten houden. Toen Nancy een eind in de twintig  was waren haar ouders zo verzwakt dat ze in haar eentje hun boerenbedrijfje voortzette. Zoveel stelde dat niet voor: ze hield kippen, molk een koe en een geit en verbouwde groenten. Ik ken ook een foto van die boerderij: die was, inclusief woongedeelte, niet groter dan een schuurtje. Toen haar beide ouders kort na elkaar stierven probeerden buurtbewoners haar onder curatele te laten stellen wegens krankzinnigheid. Waarschijnlijk zat daar hebzucht achter: (boeren roken een kans om hun erf uit te breiden met het perceel van wijlen Nancy’s ouders), want volgens de geraadpleegde arts was Nancy voldoende compos mentis. (Nancy’s biograaf Walter Teller veronderstelde dat ze aan neurasthenie, een zenuwzwakte, moet hebben geleden).

    Naamlijst voor kippen

    Nancy bleef haar verdere leven alleen met haar dieren. Die kregen allemaal een naam. De koe die ze in een achterkamer hield, heette Susannah Allen. Een naamlijst van haar kippen vormt een eigenaardig klankspel dat is weer te geven als een sonnet en vermoedelijk zijn de namen een mengeling van Engels en het dialect van de Wampanoag-indianen die er in Nancy’s tijd nog woonden:

    teedie lete,
    phebea peadeo,
    letoogie tickling,
    jaatie jafy, 

    reanty fyfante,
    speackekey lepurlyo,
    pondy lily,
    kalallyphe roseiekey, 

    tealsay mebloomie,
    levendy ludandy,
    appe kaleanyo, 

    meleany teatolly,
    aterryryree roseendy,
    vailatee pinkoatie.

    Nancy dichtte over de zonden der aarde, over God, over de wonderen der natuur. En over haar kippen. Elke hen die doodging kon rekenen op een grafsteen en een treurdicht met al haar namen en troetelnamen. Zoals in het volgende (vrij vertaalde) fragment over Tweedle-Tedel-Beebe-Pinky. De kip stierf, zo tekent Nancy aan, in haar armen op 19 juni 1871 om kwart over zeven ’s avonds op de leeftijd van vier jaar. 

    Arme lieve hartje,
    Pijn brak haar,
    En ik blijf achter met een gebroken hart
    Zij was mijn eigen hart
    Ze was slimmer dan zomaar iemand
    Ze is ontkomen aan het kwaad dat nog wacht.

    Zij die me hebben gekend, kennen – me – niet – langer,
    Alles komt aan zijn eind
    En zij, en ik, zullen elkaar weerzien in de hemel.

    Selfie avant la lettre

    Haar gedichten werden niet overgeleverd vanwege hoge literaire kwaliteiten maar vanwege de bijzonderheid van de auteur. Nancy zorgde zelf voor die publiciteit. Ze liet van de gedichten dunne boekjes drukken die ze aan voorbijgangers verkocht. Die kwamen in steeds grotere getale en de grafstenen voor de kippen groeiden uit tot een toeristische attractie. Bij die boekjes was ook deze foto van Nancy met haar kippen Ada Queetie en Beauty Linna te koop, een soort selfie avant la lettre. 

    Na haar dood ontfermden bewonderaars zich over haar erfenis. De gedichten, de grafstenen van de kippen, haar brieven en krantenartikelen over het houden van pluimvee, alles is bewaard gebleven in een klein museum in Edgartown op Martha’s Vineyard. Ze zit er zelf ook, een wassen beeld met hoofddoek, zoals op de foto. Iets verderop, in West Tisbury, staat haar eigen zerk, erbovenop een stenen kip. Eromheen kippen en kuikens van steen, plastic en rubber die er jaarlijks op haar sterfdag door toeristen worden neergelegd.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • Oogst week 49 – 2021

    Een geest in de keel

    Caoineadh Airt O Laoghaire is een gedicht van de Ierse Eibhlín Dubh Ní Chonaill uit de 18de eeuw. Het is een ‘keen’, een traditionele klaagzang over de dood zoals die in de Schotse en Ierse orale literatuur bekend zijn. De ‘Airt O Laoghaire’ uit de titel is de man van de dichteres, die in 1773 werd doodgeschoten. De 21ste eeuwse Ierse Doireann Ní Ghríofa (1981) kende het als kind al van school.

    In haar debuutroman Een geest in de keel is ze een moeder van vier kinderen die tussen het stofzuigen en kolven door een verweerde kopie van de klaagzang terugvindt. Ze herleest en het gedicht gaat steeds meer spoken in haar keel. Ze zet zich aan een vertaling, maar verdiept zich ook in het leven van de dichteres en zet dat af tegen dat van haar zelf. Zo wordt Een geest in de keel een confrontatie tussen twee levens die in tijd twee eeuwen uit elkaar liggen en toch een verwantschap hebben. Het boek begint en eindigt met de diverse malen als een mantra herhaalde zin: ‘Dit is een vrouwelijke tekst’.

    Een geest in de keel
    Auteur: Doireann Ní Ghríofa
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Altijd weer opstaan

    Helga Schubert was tachtig jaar toen ze in 2020 de Ingeborg-Bachmann-Preis kreeg voor haar autobiografische verhalenbundel Vom Aufstehen. Ein Leben in Geschichten. Het opvallende was niet zozeer deze bekroning, want voor eerder werk sleepte ze ook al eens prijzen in de wacht, maar dat deze bundel het eerste boek van haar is dat na een stilte van achttien jaar weer eens verscheen. Ze noemde in een interview dat deze verhalen het beste waren dat ze geschreven heeft. Helga Schubert is het pseudoniem van Helga Helm.

    De verhalen in de bundel die nu in het Nederlands zijn vertaald als Altijd weer opstaan (ook de titel van het laatste verhaal) bestrijken een periode van ongeveer haar hele leven. Ze beschrijven in de ik-vorm haar tijd in de DDR en na de Wende in het nieuwe Duitsland en geven daarmee ook een persoonlijke schets van acht decennia Duitse geschiedenis. Sommige (jeugd)verhalen zijn verschrikkelijk (over haar liefdeloze moeder en over de controle door de Stasi bijvoorbeeld), andere juist poëtisch en begripvol. 

     

    Altijd weer opstaan
    Auteur: Helga Schubert
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Om het hart terug te brengen. Liefde en geweld in Zuid-Afrika

    In Om het hart terug te brengen gaat de sinds 2004 in Nederland wonende Annemarié van Niekerk terug naar haar geboorteland Zuid-Afrika. Ze heeft op 15 augustus 2015 bericht gekregen dat haar vriend Ruben Gouws en diens moeder Tannie Hermien zijn vermoord. De twee moordenaars, twintigers, waren bekenden van Ruben. De reis terug is er niet alleen één in geografische zin, maar ook naar de tijd van haar jeugd.

    Het eerste deel van deze ‘memoir’ zet de schijnwerpers, onder de titel Die dag, op de dag van de moord in het onooglijke boerengehucht Ida in de Oostelijke Kaapprovincie. Op die 15de augustus wordt er op de deur geklopt van de woning bij het winkeltje van de moeder. Schoolhoofd Ruben woont bij haar in huis: ‘”Wie in vredesnaam kan dat zijn op de late zaterdagmiddag?” hoort Ruben zijn moeder roepen. “Dat komt wel heel erg ongelegen”. Nu is het hún tijd samen en die laat ze zich niet zomaar afpakken.
    “Blijf maar, Mammie, ik ga wel even kijken.” Als hij langs het keukenraam loopt ziet hij ze staan, Lucy en Matoni. Een paar jaar geleden had hij ze nog in de klas.’

     

    Om het hart terug te brengen. Liefde en geweld in Zuid-Afrika
    Auteur: Annemarié van Niekerk
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • De ultieme confrontatie van de mens met zichzelf

    De ultieme confrontatie van de mens met zichzelf

    Op 10 maart 2021 landt op Kennedy Airport een Franse Boeing 787 met vluchtnummer AF 006, afkomstig uit Parijs. Het toestel van gezagvoerder David Markle met 243 personen aan boord is door een noodweer gevlogen en in een verschrikkelijke luchtzak terecht gekomen. Als het op het vliegveld is aangekomen blijkt het zwaar beschadigd te zijn.
    Op 24 juni 2021 vliegt opnieuw een Franse Boeing 787 met vluchtnummer AF 006 van Parijs naar Kennedy Airport in New York. De gezagvoerder is David Markle. Aan boord zijn 243 personen die ook al op de passagierslijst van de vlucht van 10 maart stonden. Het toestel doorstaat een storm. De situatie is door de overeenkomst met 106 dagen eerder bijzonder verdacht. De FBI grijpt in. Het toestel wordt afgeleid naar de militaire basis McGuire in New Yersey, waar het zwaar beschadigd landt.

    We zitten in de roman Anomalie van Hervé Le Tellier, winnaar van de Prix Goncourt 2020. De ‘verdubbeling’ van de Air Francevlucht trekt de lezer in een duizelingwekkend labyrint waar hij zich maar met moeite uit los kan trekken. Anomalie is echter veel en veel meer dan spannende science fiction. Het is een fenomenale roman over onze reflexen als niet voorziene zaken ons bedreigen. Maar vooral gaat hij over onze identiteit. Wie zijn we? En wie zijn we als ons zelfbeeld aan het wankelen wordt gebracht?

    Dubbelganger

    Hervé Le Tellier is de huidige voorman van Oulipo (Ouvroir de littérature potentielle), de werkplaats voor potentiële literatuur waarvan de leden – wiskundigen en schrijvers – zich dwingende, vaak beperkende, regels – contraintes – opleggen omdat dat nieuwe creativiteit aanboort. De bekendste vertegenwoordigers ervan waren Georges Perec, Raymond Queneau, Italo Calvino en de in Nederland helaas volkomen onbekende Harry Mathews.
    In een interview dat Paris Match eind 2020 had met Le Tellier, zelf wiskundige én schrijver, zegt hij dat hij zich tot slechts drie contraintes beperkt heeft: elk hoofdstuk moest een eigen stijl hebben (detective, erotiek, science fiction, ambtelijke verslagen enzovoort), er moesten in elk daarvan dwarsverwijzingen naar de andere voorkomen en zoveel mogelijk hoofdstukken moesten beginnen met een parafrase van een citaat uit een boek uit zijn bibliotheek. Maar Anomalie bevat heel wat meer aspecten die typisch des Oulipo’s zijn, zoals de talrijke citaten uit literatuur en film en vooral de structuur van de roman.
    In hetzelfde interview licht Le Tellier toe waaruit Anomalie voortkwam. Hij wilde al lang het thema van de dubbelganger behandelen maar dan niet in de zin van een kloon. Het moest een vorm zijn waarin de mens met zichzelf wordt geconfronteerd in een situatie waarin hij niet kan liegen omdat het gaat om dezelfde herinneringen, genegenheid en aversies. Daarvoor vond hij een ingang in de simulatietheorie van Nick Bostrom, de Zweedse filosoof aan de Universiteit van Oxford die voortborduurt op het denkexperiment dat onze wereld een illusie is, ja zelfs een computersimulatie.

    Droom

    Het is een gedachte die doet denken aan het beroemde verhaal van de Chinees Zhuang Zhou uit de derde eeuw voor Christus over de ‘transformatie der dingen’. Hij droomde eens dat hij een vlinder was. Toen hij wakker werd wist hij niet meer of hij een vlinder was die droomde dat hij Zhou was of Zhou die droomde dat hij een vlinder was. En in onze tijd past zo’n experiment van Bostrom bij ontwikkelingen als kunstmatige intelligentie, de inmiddels bestaande mogelijkheid om 3D-prints van menselijke organen te maken, en recent het onderzoek van de Amerikaanse overheid naar UFO’s.
    Het thema van de dubbelganger duikt herhaaldelijk op in Anomalie. Al in het eerste hoofdstuk, een pastiche van de detectives van Mickey Spillane, volgen we de beroepsmoordenaar Blake die voortdurend wisselt van identiteit bij een nieuwe opdracht, maar in zijn gewone leven een keurige huisman is. Later in de roman komen enkele dubbelspionnen voor met verschillende identiteiten en met het verhaal van de bekende identiteitsfraudezaak uit de 16de eeuw rond Martin Guerre duikt Le Tellier ook de geschiedenis in. De belangrijkste verdubbeling doet zich uiteraard voor als de passagiers van de vliegtuigen van 10 maart en 24 juni met elkaar, maar in wezen dus met zichzelf, worden geconfronteerd.

    Protocol

    Voor het zover is lezen we over de paniek die het incident van 24 juni teweegbrengt in politiek, ethisch, religieus en wetenschappelijk opzicht. De eerste reflex van Amerika is de doofpot. Er wordt echter wel een wetenschappelijk collectief opgetrommeld om in het geheim te adviseren over de vraag hoe een fenomeen als zich nu heeft voorgedaan kan worden voorkomen. Een belangrijke rol daarin vervult de probabilist (een wiskundige die zich met waarschijnlijkheidsberekeningen bezighoudt) Adrian Miller. Hij moet met een team een protocol opstellen dat alle eventualiteiten uitsluit. Le Tellier geeft een simpel voorbeeld van zijn opdracht: welke mogelijkheden zijn er als je een munt opgooit? Hij kan terugvallen op kop of munt, maar Miller werkt zelfs de mogelijkheid uit dat de munt op zijn kant landt. Toch is dat niet genoeg, want wat als de munt in de lucht blijft hangen?
    Die extreme gedachte komt voort uit de angst die Amerika na 9/11 ten diepste in de greep is blijven houden. Het dacht toen op terreur te zijn voorbereid, maar had over het hoofd gezien dat zelfmoordpiloten de Twin Towers zouden kunnen invliegen.
    Maar de vlucht AF006 brengt meer te weeg. Hoe communiceert Amerika dit met Frankrijk waaruit veel van de inzittenden afkomstig zijn? En hoe wordt gezichtsverlies voorkomen tegenover China? Daarnaast worden geestelijke leiders van alle religies bij elkaar geroepen want ‘God zou wel eens een probleem kunnen worden’: is het een daad van Satan of een straf van God? En wat zal dit onder fanatici teweegbrengen?
    Le Tellier stort de lezer daarmee in een wereld van reële complexe vraagstukken over de krachten die vrijkomen als we de greep op de gebeurtenissen verliezen.

    Miesel

    De auteur roept de verwarring niet alleen op door het feit van de wisselende identiteiten en de spectaculaire gebeurtenis. Hij speelt voortdurend een spel met de lezer. Zo schreef hij de roman in 2020, maar laat hem spelen in 2021. Voor zichzelf schreef hij dus een toekomstroman (voor Franse lezers was dat nog steeds zo, want die konden Anomalie al in 2020 lezen), maar wij krijgen hem pas onder ogen ná juni 2021. Er zijn verder de hiervoor genoemde dwarsverwijzingen, waarvan de meest opvallende is dat een passagier in het vliegtuig een boek leest dat Anomalie heet en is geschreven door Victor Miesel; hij heeft het van zijn vriendin cadeau gekregen. Deze Miesel wordt al eerder in het boek opgevoerd als schrijver en vertaler van onder andere Wachten op Godot in het Klingon (de kunsttaal uit Star Trek). Hij heeft kort nadat hij het manuscript van Anomalie aan de uitgever heeft gestuurd zelfmoord gepleegd. Die uitgever wil meteen munt slaan uit die sensationele omstandigheid, waarna de zin volgt: ‘Hij heeft een voorbeeld in gedachten, van dertien jaar geleden, hoe heette die schrijver ook alweer?’ Een zin die bovengetekende recensent op een particuliere manier frappeert vanwege de bespreking een paar weken geleden, op 16 november, op Literair Nederland van Zelfmoord van Édouard Levé (https://litned.hollands-spoor.com/recensie-edouard-leve-zelfmoord/). Hij moet gezien zijn sterfjaar de man ‘van dertien jaar geleden’ zijn die Le Tellier bedoelt.

    Schaduw

    Le Tellier is in Anomalie zeer herkenbaar als Oulipo-vertegenwoordiger. Er zijn legio verwijzingen, parafrases en citaten van zijn voorgangers terug te vinden. Titels van de afzonderlijke delen zijn ontleend aan gedichten van Queneau, een nieuw boek van Victor Miesel heeft een titel die begint met Calvino’s Als op een winternacht een reiziger en Perec wordt zelfs op het schild geheven als Miesel een beschrijving van dingen die hij waarneemt geeft in de vorm van een lange parafrase van het begin van Perecs Poging tot een uitputtende beschrijving van een plek in Parijs. Want ‘waarom zou hij in de schaduw van Perec gaan staan?’, vraagt Miesel zich af. Het is een zin die extra lading krijgt omdat Miesel als niet minder dan een alter ego van Le Tellier kan worden gezien. Miesel die Anomalieschreef is Le Tellier die Anomalie schrijft. Andermaal een verdubbeling.
    Overigens citeert Le Tellier heel wat meer mensen dan de genoemden. Ervaren lezers zullen zonder veel moeite zinnen van Shakespeare, Tolstoi en Auden, maar bijvoorbeeld ook van de filosoof Popper herkennen en cinematofielen quotes uit films als Close Encounters of the third Kind.

    Trump

    Bij dit alles is Anomalie ook nog eens een humoristisch en scherpzinnig boek. De al genoemde Adrian Miller, wiens werk als probabilist bestaat uit kansberekeningen, leeft daar ook naar. Als hij zijn liefde wil verklaren aan collega Meredith lezen we: ‘Hij schat zijn kans van slagen op zevenentwintig procent. Dat had veertig procent kunnen worden als hij niet zo naar drank had gestonken, maar van de andere kant zal zijn dronkenschap de pijn van een afwijzing met zestig procent verminderen. De probabilist heeft daaruit geconcludeerd dat je met zoveel kans om een blauwtje te lopen net zo goed dronken kunt zijn’.
    Al net zo komisch zijn de scènes waarin Trump een rol speelt. Die is in de toekomst die Le Tellier in zijn roman schetst, nog altijd president van de VS en wordt uiteraard bij het crisisoverleg betrokken. Hij wordt afgeschilderd als de koppige onhandige man die wij kennen. Als zijn adviseurs willen dat hij belt met Macron (door Trump ‘een kleine arrogante klootzak’ genoemd), wil hij eerst overleggen met Xi Jinping. En als de wetenschappers hem bijpraten over te nemen stappen luistert hij onbegrijpend om pas op te veren als de titel van een film wordt genoemd: ‘Ja, die heb ik gezien!’. Adrian Miller wordt er door ‘gesterkt in het ontmoedigende idee dat het optellen van individuele domheid zelden leidt tot wijsheid van de massa’. Het is één van de vele aforistische zinnen die je geneigd bent te onderstrepen.

    Eén aspect aan Anomalie dient hier zeker nog te worden genoemd. Het is een roman over onze diepste angsten: ‘We zijn bereid de werkelijkheid te verdraaien als we het gevaar lopen alles te verliezen’, maar zeker ook over onze overlevingskracht en vermogen tot liefde als blijkt tot welke keuzes de verdubbelde passagiers uiteindelijk in staat zijn.

    Anomalie is een roman waarop tal van superlatieven kunnen worden geplakt. Een boek waarmee je trillend in je handen zit, dat je met rode oren leest, dat je laat lachen en inzicht verschaft in onze menselijke valkuilen en dat je hoop geeft. Een roman om onmiddellijk weer te herlezen en dan te ontdekken welke vertelrijkdom de eerste keer nog aan je aandacht ontsnapte.
    Ren onmiddellijk naar de boekhandel!