• Schilderes van stillevens in woorden

    Schilderes van stillevens in woorden

    Het beroemdste korte verhaal in de literatuur is waarschijnlijk dat van Ernest Hemingway: ‘For sale: baby shoes, never worn’. Zes woorden en in Nederlandse vertaling (‘Te koop: babyschoentjes. Nooit gedragen’) zelfs maar vijf. Het is de vraag of Hemingway het zelf bedacht heeft, want er bestaan vrijwel gelijkluidende advertenties uit oude kranten. In elk geval zág hij er het verhaal in.
    Eén van de verhalen uit het eind vorig jaar verschenen Onze vreemden van Lydia Davis is getiteld ‘Excuses voor het storen’. Het beslaat twintig pagina’s met zo’n tweehonderd van dergelijke zinnen uit oproepen in kranten, buurtapps of Facebook.  Ze zijn door Davis verzameld omdat ze steeds weer een verhaal doen vermoeden. De adverteerders beginnen hun vraag af en toe met een excuus voor de storing van de lezer – vandaar de titel van deze verzameling. Davis rangschikt de oproepen bovendien zo dat ze onderling samen lijken te hangen door een chronologie: ‘Mahoniehouten sopraan-ukelele van Ohana met koffer. In perfecte staat, nauwelijks aangeraakt’ wordt bijvoorbeeld gevolgd door ‘Ukelele weg! Dank u.’  Ook deze verbindingen doen weer verhalen vermoeden: waarom werd de ukele afgedankt? Wie nam hem over? Leerden de twee personen elkaar kennen?

    De Amerikaanse Lydia Davis (1947) is naast schrijver vertaler van Franse literatuur (onder andere Proust). Haar eigen werk omvat voornamelijk essays en korte verhalen. In die laatste categorie geldt zij min of meer als ‘the Queen of the short story’. Dat wordt bevestigd door de talloze prijzen die ze ontving. Ook in het Nederlands is veel werk van haar verkrijgbaar.

    Boekenlegger

    Onze vreemden is opnieuw een sterk staaltje van hoe ze met een paar woorden een hele wereld of een karakter weet neer te zetten. Bijvoorbeeld in ‘Smachtende oude vrijster’ dat er in zijn geheel zo uitziet:

    Wat is het
    dat haar heel licht aanraakt in het bad
    terwijl ze achterover ligt in het warme water?
    Ach,
    een drijvende boekenlegger…

    Dat lukt Davis ook in de wat langere stukken, zoals ‘Winterbrief’, met zijn veertien pagina’s het langste in de bundel. Het is een brief van een moeder aan haar ‘kinders’. Ze is met haar man op een vakantie en ze schrijft ‘wat we zoal hebben uitgevoerd’. De dagen brengen weinig opwinding met zich mee, maar onderhuids komt de lezer van alles te weten over de relatie tussen haar en de vader van haar kinderen zonder dat daar over wordt uitgewijd. Dat gebeurt hooguit in verzuchtingen als ‘Ik weet dat dit niet erg boeiend is, maar zo is ons leven.’

    Zoutkorrel

    Veel van de verhalen bevatten niet echt een pointe. Het zijn eerder sfeerschetsen of observaties, die vaak poëtisch zijn. Hoe sterk is bijvoorbeeld deze bijna-haiku (zowel in het Engels als in het Nederlands wordt niet strikt aan het aantal vereiste lettergrepen voldaan) ‘Achternamiddag’:

    Zo lang als de schaduw is,
    die over het aanrecht valt,
    van deze zoutkorrel.

    Davis beschrijft situaties die je aandacht vestigen op eigenaardigheden van de taal of van  intermenselijke contacten. In het titelverhaal ‘Onze vreemden’ lezen we onder andere (de verteller is verhuisd en heeft dus een nieuwe buurman): ‘door wat we met elkaar gemeen hebben worden we samen een soort familie. We lijken op een familie en niet op een familie, aangezien we als vreemden bij elkaar zijn gekomen en een tijdelijk verbond vormen, terwijl familieleden vaak vreemden voor elkaar worden en alleen nog verbonden blijven door bloed. Een buurman wordt een soort neef of ouder. En anders wordt een buurman een bittere vijand, een ondraaglijke aanwezigheid die je grondgebied belegert’. Waarna in dit verhaal nog eens tien andere schetsen van mogelijke verhoudingen tussen buren volgen.

    Commotie

    In enkele verhalen laat Davis zien hoe zij / haar personages betrokken zijn bij bijvoorbeeld het milieu. Dat gebeurt bijvoorbeeld in het verhaal ‘Brief aan de Amerikaanse Posterijen inzake een affiche’ waarin de verteller zich druk maakt over verzending van bestellingen in te grote verpakkingen – zeer herkenbaar; en in ‘Best Who gives a C’, een brief die gaat over de opdruk van zo’n tekst op verpakking van WC-papier. Daarmee word je als koper liever niet gezien (‘Who gives a C’ betekent ‘Iedereen heeft er sch*** aan’), schrijft ze de fabrikant.

    Davis schrijft geen letter teveel. In haar verzameling beschouwingen De schoonheid van weerbarstig proza uit 2019 staat een essay waarin ze uitlegt hoe ze soms maanden kan doen over één zin. Aan de hand van een voorbeeld laat ze zien hoe die ene zin steeds weer werd bijgeslepen. Dat leidt tot een beknoptheid en kernachtigheid waarin alle overbodigheid is weggesneden. Een prachtig voorbeeld is het verhaal ‘Treinincident’. Daarin wordt met humor en zonder opgeklopte bewoordingen de commotie beschreven die de ik-figuur in een treincoupé veroorzaakt als ze naar het toilet moet en wil voorkomen dat haar spullen worden gestolen.

    Wellicht het mooiste stuk in Onze vreemden is ‘Hoe hij in de loop van de tijd is veranderd’. Het is de beschrijving van de teloorgang van een voormalige geleerde die steeds meer van de zinvolle invullingen van zijn leven verliest waar hij een grote waarde aan hechtte. Zonder dat Davis uit is op effectbejag voel je steeds meer compassie met de man.
    Een paar jaar geleden zei Davis in een interview met The Guardian dat ze in dit verhaal (toen nog alleen los gepubliceerd in een Amerikaans magazine) een fictieve gedaanteverandering van Thomas Jefferson in Donald Trump voor ogen had. Dat wetend wordt de beschrijving zoveel groter en tragischer: in nog geen acht pagina’s lezen we hier het mentale verval van de VS.

    Onze vreemden is meesterlijk en overrompelend.

     

     

  • Een kwellend vraagteken

    Een kwellend vraagteken

    Een ‘armzalig leraartje wiskunde op het Frans Lyceum’ wordt ontboden bij de Franse consul in Grianta, de hoofdstad van een niet nader genoemd Afrikaans land dat vroeger een kolonie was van Frankrijk. Hij krijgt van hem de opdracht te achterhalen wat er gebeurd is met de spoorloos verdwenen detectiveschrijver Robert Serval, pseudoniem van Stéphane Réal. Het ‘leraartje’ (wiens naam Veyraud veel later maar één keer terloops wordt genoemd) zou hem moeten kennen van de middelbare school in Étampes. De consul geeft Veyraud een envelop met een manuscript mee van Serval, waarin volgens die schrijver zelf de oplossing van zijn mysterieuze verdwijning te vinden zou zijn. Alsof dat niet raadselachtig genoeg is blijkt Veyraud zich bovendien niemand te herinneren met de naam Stéphane Réal. Met die gegevens in amper veertien pagina’s wordt de lezer door Georges Perec zijn onvoltooide laatste roman “53 dagen” (de aanhalingstekens zijn essentieel) in getrokken.

    Wie niets van Perec weet zal snel verzanden in de complexe verhaallijnen. Voor liefhebbers van zijn werk is diens zwanenzang een ware lusthof. Om er ten volle van te kunnen genieten zijn kennis van de belangrijkste autobiografische gegevens van de schrijver en van zijn liefde voor het onderuithalen van verwachtingen en zijn ingenieuze spel met taal en intertekstuele verwijzingen onontbeerlijk. Door zijn longkanker kon Perec die in 1982 stierf de roman niet afmaken. Twee van zijn beste vrienden, Harry Mathews en Jacques Roubaud, bezorgden zeven jaar later echter een uitgave die vanaf de plek waar Perec de pen moest neerleggen is aangevuld met aantekeningen die in allerlei nagelaten mappen, cahiers en kladvelletjes werden aangetroffen. De twee waren net als Perec lid van OuLiPo, de werkplaats voor potentiële literatuur, die zich toelegde op het schrijven van teksten waarbij de auteur zich vooraf allerlei contraintes (strenge verboden en schema’s) oplegde.

    Stendhal

    Eén van de vele contraintes was dat Perec de roman wilde schrijven in 53 dagen, de tijd die Stendhal nodig had gehad voor zijn De Kartuize van Parma. Stendhal, pseudoniem van Marie-Henri Beyle, schreef die roman in 1839. Hij bestaat uit achtentwintig hoofdstukken.
    Naast de – niet gehaalde – opzet om zijn roman in 53 dagen te voltooien volgt Perec in “53 dagen” ook de indeling van Stendals roman in achtentwintig hoofdstukken, verdeeld in twee delen en begint hij de zinnen van elk hoofdstuk met een echo van de beginzinnen van het gelijkgenummerde hoofdstuk van De Kartuize van Parma. Hoofdstuk V bijvoorbeeld van Stendhals werk begint (in de Nederlandse vertaling van Theo Kars) met ‘Het hele avontuur had nog geen minuut geduurd’ en dat van Perec met ‘Dit hele avontuur eindigt met een kwellend vraagteken’.

    Het eerste deel is bij Perec getiteld 53 dagen (een titel die op het omslag een citaat is van de naam van dat deel en daarom als romantitel tussen aanhalingstekens staat) en het tweede deel Un R est un M qui se P de L de la R. In het Nederlands is die Franse titel intact gebleven omdat het een code is die de speurder dient te ontcijferen. Die blijkt te moeten worden gelezen als ‘Un Roman est un Miroir qui se Promène le Long de la Route’ (een roman is een spiegel waarmee men langs de weg wandelt). Dat is weer een parafrase van het motto van hoofdstuk XIII van Het Rood en het Zwart van Stendhal. Dat motto stond voor diens credo dat de roman de werkelijkheid dient te weerspiegelen. Ook die spiegeling is in Perecs roman voortdurend aanwezig, zij het dat die bij hem lang niet altijd de werkelijkheid betreft. Perec spiegelt voortdurend woorden en romans van anderen in “53 dagen.

    Paspoort

    Dat zijn nog maar de meest opvallende verwijzingen. Het is voor de Perecliefhebber een heerlijke puzzel om er nog veel meer te ontdekken. Er zijn er legio. Zo komt in het tweede deel een professor Shetland voor, een anagram van Stendhal; Veyraud is wiskundeleraar in de stad Grianta, wat waarschijnlijk weer een letterkeer is van de Romeinse naam van Stendhals geboortestad Grenoble, Gratian(opolis); er is een verwijzing naar het (fictieve) Marhenbey-schandaal, waarvan de naam is samengesteld uit de letters MAR(ie) HEN(ri) BEY(le), Stendhals burgerlijke naam.
    Dergelijke verborgen hints zitten ook in cijfers. Het paspoort van één van de personages heeft nummer 233184259, wat te lezen is als 23-3-1842 (de geboortedatum van Stendhal) en 59 (de leeftijd waarop hij stierf.

    Namen en nummers verwijzen een aantal keren naar figuren uit romans van anderen, maar vooral ook naar Perecs eigen leven en werk. De meest uitgebreide zien we in het tweede hoofdstuk waarin Veyraud aan de hand van een foto van klas 4B in Étampes probeert te ontdekken of er ene Stéphane Réal bij was. Perec zelf zat enkele jaren op het lyceum in Étampes en de beschrijving van de foto die Veyraud geeft doet erg denken aan die van klas 3B van Perec zelf die voorkomt in de biografie A Life in Words van David Bellos.
    Uit de nagelaten aantekeningen die Mathews en Roubaud vonden, blijkt verder dat Perec aan het slot van de roman ook weer het verlies van zijn moeder in de oorlog had willen verwerken.

    “53 dagen” is nu eindelijk in het Nederlands vertaald. Ook Perecs boekuitgave bij de film Récits d’Ellis Island en Je me souviens gaan in het Nederlands verschijnen. Edu Borger, die ook Het leven een gebruiksaanwijzing vertaalde, moet aan “53 dagen”´ een helse klus gehad hebben. Toch zijn zijn zinnen in het Nederlands soepel. En voor de grapjes van Perec, die soms moeilijk om te zetten zijn, heeft hij mooie equivalenten gevonden: ‘Maximien avait d’autres feles à fustigare’ in de originele tekst is een latinisering van het Franse gezegde ‘avoir d’autres chats à fouetter’ (letterlijk: andere katten te meppen hebben; ofwel: iets anders aan zijn hoofd hebben). Borger vertaalt de zegswijze met behoud van de latinisering zo: ‘Maximianus had nog wel alia aan zijn caput’.

    En dan hebben we het nog niet gehad over de Droste-effecten van allerlei fictieve romans die Perec in de speurtocht van Veyraud opneemt. Wie van Perec houdt mag “53 dagen” niet ongelezen laten.

     

     

  • De uitgewiste Palestijnse wereld

    De uitgewiste Palestijnse wereld

    In de twee delen die de novelle Een klein detail telt, voert de Palestijnse schrijfster Adania Shibli (1974) twee verschillende hoofdpersonen op. In het eerste is dat de mannelijke commandant van een compagnie in 1949 in door Israël bezet gebied; in het tweede een Palestijnse journaliste die in huidige tijd probeert te reconstrueren wat er in dat jaar precies gebeurd is. In een interview uit 2017 (het jaar waarin de novelle in het Arabisch verscheen) zei Shibli dat het een bewuste keuze was: de man als vertegenwoordiger van een heersende wereld van orde en macht waar zij zichzelf nooit in thuis zou voelen, en de vrouw als onzeker en onderzoekend lid van een onderdrukt volk. Er zijn meer verschillen tussen de delen. Het eerste is in de derde persoon geschreven, het tweede in de eerste. Het eerste deel speelt zich af op één plek, het tweede is een reis door Israël en bezet gebied naar die ene plek. De commandant maakt de dienst uit. De journaliste loopt tijdens haar hele reis gevaar.

    Niemand heeft in de novelle een naam, de commandant niet, zijn ondergeschikten niet en de journaliste niet. Ook een meisje dat dat in beide delen een prominente rol speelt blijft naamloos. Daardoor bewaart Shibli een zekere afstand maar weet ze de lezer tegelijk onontkoombaar mee te sleuren in een algemener verhaal van onderdrukking dan alleen het Israëlisch-Palestijnse conflict. Shibli verhaalt niet alleen over het lot van de Palestijnen maar ook over hoe machthebbers in bredere zin de geschiedenis zo weten te draaien dat de onderdrukten niet worden gehoord.

    Verdrijving

    De commandant uit het eerste deel is met zijn compagnie gelegerd in de Negevwoestijn. Het is een jaar na de Nakba, de hardhandige verdrijving van Palestijnen uit hun gebied, die volgde op de stichting van de staat Israël in 1948. De commandant moet het gebied behoeden voor infiltranten vanuit Egypte. De dagelijkse patrouilles leveren aanvankelijk niets op, tot een groep bedoeïenen wordt ontdekt (nergens uit de tekst blijkt dat die kwaad in de zin hadden) en vermoord. De enige overlevende is een klein meisje dat meegenomen wordt naar het kamp en daar door de soldaten wordt verkracht en uiteindelijk vermoord. Dat voorval vindt plaats op 13 augustus 1949.
    De journaliste leest decennia later over dit incident in een krant. Ze wordt getroffen door het detail dat 13 augustus ook haar geboortedag is, een kwarteeuw later. Het is dus niet het verslag van het incident dat haar aan haar speurtocht zet, maar de datum ervan. Alsof het geweld zoveel omvattend is dat je er bijna gevoelloos voor wordt tenzij een detail je persoonlijk treft. Zoals je je van een schilderij dat je in een museum hebt gezien vooral herinnert dat er onderin een vlieg zat.

    Insectenbeet

    De journaliste begrijpt dat het verhaal in de krant is verteld vanuit Israëlisch perspectief en ze besluit zelf naar de nederzetting in de Negev te gaan om te proberen wat het verhaal in de ogen van het bedoeïenenmeisje was. Haar reis ernaar toe maakt duidelijk hoe moeilijk Palestijnen zich kunnen bewegen op hun voormalig grondgebied. De journaliste moet een auto huren via iemand die in tegenstelling tot haar als Palestijnse wel een creditkaart heeft en ze moet door diverse zones met evenzoveel controleposten, wat haar voortdurend angst bezorgt. Ze geeft zelfs een keer een Israëlische naam op als wordt gevraagd hoe ze heet.
    Shibli laat in dit tweede deel het angstzweet van haar protagoniste prachtig spiegelen met dat van de commandant uit het eerste deel die geïnfecteerd is door een insectenbeet en zweetaanvallen heeft. Hij wast zich voortdurend dwangmatig en elk insect dat hij ziet vermorzelt hij (zoals hij uiteindelijk ook het meisje vermoordt).
    Ook op een andere manier laat Shibli aan de hand van de reis van de journaliste zien wat de Palestijnen door de Nakba zijn kwijtgeraakt. Ze heeft in haar auto routekaarten uit de tijd vóór 1948 met de oorspronkelijke namen en uit de tijd erna waarop al die namen en wegen zijn weggevaagd en dorpen zijn verdwenen.

    Put

    Om te achterhalen wat er werkelijk is gebeurd bezoekt de journaliste verschillende musea en collecties om uiteindelijk alleen maar vast te kunnen stellen dat ze die geschiedenis ook van internet had kunnen halen. Er is één moment, zo beseft ze als het te laat is, dat het anders had kunnen lopen. Dat doet zich voor als ze in de buurt van de plek van het incident een oude vrouw ziet die het meegemaakt zou kunnen hebben. Ze kan die vrouw niet meer terugvinden als ze er spijt van krijgt dat ze haar niet heeft aangesproken. Haar getuigenis is veel meer waard dan de geschiedschrijving door de machthebber, lijkt Shibli hier te zeggen.

    Dat die geschiedenis door de overwinnaars wordt geschreven wordt schrijnend duidelijk in twee passages die dat bevestigen, de ene uit het eerste deel en de andere uit het tweede. In een toespraak tot zijn soldaten zegt de commandant bijvoorbeeld: ‘Als de Arabieren zich er op grond van hun rechtlijnige nationalistische gevoelens niet bij kunnen neerleggen dat wij ons hier vestigen (…) zullen we ons moeten gaan gedragen als een echt leger. Niemand heeft immers meer recht op dit gebied dan wij, nadat het eeuwenlang zo is verwaarloosd dat er alleen nog maar bedoeïenen leven met hun kuddes’.
    Dergelijke neerbuigende taal krijgt de journaliste in het tweede deel te horen van een Israëlische man die in een museum uitlegt wat de militairen in 1949 in het gebied deden: ‘Op een dag hebben ze tijdens een patrouille, in een nabijgelegen put het lichaam van een bedoeïenenmeisje gevonden. Wanneer Arabieren bedenkingen hebben over het gedrag van een meisje, vermoorden ze haar en gooien het lijk in een put’, waaraan de man toevoegt dat hij het jammer vindt dat ze er dat soort gewoonten op na houden.

    Een klein detail grijpt je op bijna elke pagina naar de strot. De lezer blijft met een opdoffer zitten. Dit verhaal moet gelezen worden.

     

  • Een mandje tussen de lisdodden

    Een mandje tussen de lisdodden

    Malaga Island, voor de kust van Maine, is een eilandje van amper 40 hectare. Vanaf het begin van de negentiende eeuw woonden er een paar families. Die werden in 1912 met geweld verdreven vanwege belangen van een vermeende eigenaar van het gebiedje. De bevolking was door rasvermengingen en inteelt binnen de gemeenschap divers van huidskleur en erg arm. Aanvankelijk kwam er nog voedsel- en andere hulp van het vasteland, maar onder de opkomende rassenhaat en eugenetica kregen de bewoners het stempel van domme, zedenloze en smerige lieden waarvan het eiland gezuiverd moest worden.
    Op deze geschiedenis is Dit andere paradijs van Paul Harding gebaseerd. Hij won in 2010 met zijn debuutroman Kwikzilver de Pullitzerprijs en was vorig jaar met zijn derde, Dit andere paradijs, genomineerd voor de Booker Prize.

    Malaga Island is in het verhaal van Harding ‘Apple Island’ geworden, een naam die het kreeg van de fictieve voormalige slaaf Benjamin Honey die zich er in 1793 vestigde met zijn vrouw Patience Raferty. Hij wilde er een appelboomgaard beginnen die hem zou herinneren aan zijn kindertijd waarin hij de tuin van zijn moeder ervoer als het paradijs. Dit andere paradijs op zijn nieuwe eiland zou verkeren in zijn tegendeel, maar dat zouden zijn nakomelingen pas meemaken.

    Schooltje

    De roman begint in 1911 als Esther Honey , de achterkleindochter van de appelkweker, door Harding wordt gepresenteerd met de belangrijkste personages om haar heen: haar zoon Eha en diens kinderen Ethan, Charlotte en Tabitha. Buiten deze familie wordt in het verhaal een belangrijke rol vervuld door Matthew Diamond, een missionaris van het vasteland die voor de eilanders een schooltje heeft opgezet, de ietwat zonderlinge maar goedaardige Zachary die in een uitgeholde boom huist en de eveneens alleen wonende Annie Parker. Om een idee te krijgen van de woonomstandigheden van Apple Islanders loont het om rond te kijken op deze website van Main Coast Heritage Trust, waarop foto’s staan van Malaga Island uit de periode waarin Dit andere paradijs zich afspeelt.
    Harding spint een weefsel van hartverscheurende verhalen zonder effectbejag en zonder in dramatiek te vervallen. Hij maakt van de eilandbewoners niet uitdrukkelijk slachtoffers van de hardvochtige behandeling door de staat Maine en evenmin idealiseert hij de gemeenschap. Alle personages en het eiland zelf komen tot leven in rake karakteriseringen. Zelfs de figuren van het tweede plan worden bijna tastbaar.

    Bijbel

    De ontruiming van Apple Island is niet het enige drama dat Harding vertelt. Als Esther Honey in het begin het verhaal van de zondvloed vertelt waarin zij er ternauwernood in slaagde haar zoon Eha en zichzelf te redden, mag ze nog een geliefde oma lijken voor haar kleinkinderen die aan haar lippen hangen. Later wordt de lezer een wredere achtergrond duidelijk over de herkomst van het kind, de rol van haar vader, en waarom Eha nog leeft. Het was háár persoonlijke zondvloed.
    Er zitten veel meer Bijbelse verwijzingen in de roman. Naar de doortocht door de Rode Zee, naar de ark van Noach en naar de redding van Mozes in zijn biezen mandje. En er is Zachary, wiens volledige naam Zachary Hand To God Proverbs is en die Bijbelse taferelen aan de binnenkant van zijn eik kerft.
    Esther bewaart haar grote geheimen voor alle eilandbewoners; de lezer waant zich lange tijd de enige die er kennis van draagt, tot aan het eind blijkt dat de mysterieuze Zachary het altijd heeft geweten.

    Tekenaar

    De missionaris Matthew Diamond heeft succes met zijn onderwijs aan de eilanders. Hij ontdekt er talenten, zoals de tienjarige Tabitha, dochter van Esther, die vloeiend Latijn spreekt en de ongeveer even oude wees Emily Sockalexis die al snel beter is in wiskunde dan haar leraar. Maar de meest opvallende in dit opzicht is de withuidige zoon van Esther, Ethan, die alles in zich heeft om een groot tekenaar te worden. Diamond heeft het beste voor met zijn schoolkinderen, hoewel hij ook zelf bepaald niet vrij is van raciale oordelen. Als hij door de gouverneur van Maine wordt gedwongen mee te werken aan de vernederende onderzoeken zoals schedelmetingen en lichamelijke inspecties van de eilandbewoners vindt hij een uitweg voor het tekentalent. Via een vriend laat hij Ethan ontkomen. Toch zal blijken dat ook die daardoor niet gered is. Voordat dat duidelijk wordt heeft Harding de lezer nog verrast met een vertederende liefdesgeschiedenis tussen Ethan en het dienstmeisje Bridget Carney, die geleidelijk diens geschiedenis en die van de eilandbewoners ontdekt.

    Onze ark

    Als de ontruiming eenmaal daar is, breken de bewoners zelf hun huisjes af en laden ze in bootjes met de bedoeling ze op het vasteland weer op te bouwen. Esther ziet ze vertrekken ‘samen op drift op een vlot volgestouwd met onderdelen van hun huis, het huis dat een stap was geweest in hun hardnekkige streven naar het soort thuis dat ze allemaal voor zichzelf hadden gewild sinds ze naar de rots, het eiland, waren gekomen en zich eraan hadden vastgeklampt’. Ze kijkt om naar het verdwijnende Apple Island: ‘Dat arme eiland, zei ze. Dat arme kleine eilandje van zulke arme lieve mensen. Verdreven van onze grond, onze ark, ons mandje tussen de lisdodden’.

    Harding gebruikt kleine woorden om grote gevoelens over te brengen. Ook de Nederlandse vertaler Jan Fastenau is erin geslaagd die eenvoud en het ritme te behouden: ‘The trees at the borders bowed in the gusts of wind and straightened in the pauses and rain swept in sheets across the greening grass’ werd in het Nederlands bijvoorbeeld: ‘De bomen aan de zomen bogen door in de rukwinden en richtten zich op tussen de vlagen door, en regengordijnen geselden het groenende gras’.

    Dit andere paradijs
    ontging uiteindelijk de Booker Prize 2023 (bekroond werd The Prophet Song van Paul Lynch), maar zal er niet ver naast gezeten hebben. Het is een haarscherpe invoelende roman over het kwaad dat vooroordelen en egoïsme kunnen aanrichten. Én een roman over overlevingskracht waar je stil van wordt.

     

     

  • ‘Barmhartig kussen op haar droef gezicht’

    ‘Barmhartig kussen op haar droef gezicht’

    In de prachtige serie dundrukken van Nederlandse auteurs door Uitgeverij Van Oorschot is nu deel 12 verschenen: Alles raak van Mensje van Keulen. Het bekoorlijke van de serie is niet alleen de verzorging van de boekjes die passen in je handpalm, maar vooral de sterke selectie van prozafragmenten, korte verhalen en gedichten. Iedereen die zo’n bundel samenstelt zou wellicht andere keuzes maken, maar in Alles raak zou je toch ook niets willen schrappen. Bovendien past in dit geval eerbiedige volgzaamheid want de selectie werd deze keer gemaakt door de auteur zelf. Alles raak bevat zesentwintig verhalen (eigenlijk zevenentwintig, want twee komen uit de verzameling teksten uit Olifanten op een web), veertien gedichten (maar daaronder ook de hele 26-delige cyclus Van Aap tot Zet) en een kleine selectie van dagboekaantekeningen uit Alle dagen laat, Neerslag van een huwelijk en Moeder en pen. Eén verhaal en twee gedichten werden nooit eerder gepubliceerd en sommige verschenen enkel in tijdschriften.

    Verdriet is het verhaal dat nu voor het eerst te lezen is. Het is een trieste geschiedenis die in nog geen anderhalve pagina laat zien wat onderdrukking van gevoelens met ons doet, maar in dat korte bestek is zoveel vertelkracht en inleving samengebald dat je even moet ademhalen voor je naar een volgend verhaal kunt. Die amechtigheid overvalt de lezer vaker, zo intens word je meegenomen op een gevoelsstroom die je voert langs afwisselend droeve en geestige, en soms absurd ontsporende verwikkelingen. In De spiegel bijvoorbeeld reageert een meisje, Iris, op een advertentie waarin ze een spiegel wil ophalen in ruil voor een wederdienst. De eerste zin is meteen onheilspellend: ‘Overal loerden dieven volgens haar moeder’. De afloop is echter veel verrassender en intenser.

    Achteloos

    Van Keulen slaagt er bijna altijd in vanuit haar hoofdpersonage te schrijven alsof dat zich niet bewust is van een lezer. Als een naam valt volgt daar zelden uitleg bij. Zie bijvoorbeeld Angela. Daarin wacht deze vrouw op een man en als ze er een ziet komen denkt ze: ‘Is het Eric? Is het Sjon? Het kan ook de man zijn die met Peet ondertekende’. Schrijvers met minder talent voor soberheid zouden die drie namen wellicht voorzien van een toelichting: ‘Eric, de xxx’; ‘Sjon, die ..’. De verteller van Van Keulen zit echter in het hoofd van Angela, die haar beelden van die mannen heeft, maar ze bij zich houdt. Ze waant zich onbespied door ons.
    Op een vergelijkbare manier laat Van Keulen een hele wereld vermoeden achter achteloze zinnen als (in Lelijk): ‘Langs de etalageruit liep een vrouw, van wie Victor wist dat ze uitsluitend wit dronk en een been had dat anderhalve centimeter korter was dan het andere’.

    Sprookje

    Het is in dit verband interessant om nog eens een gesprek terug te lezen dat Peter Henk Steenhuis in 2002 had met Mensje van Keulen over het verhaal Prima la musica, dat ook in deze gedundrukte bundel staat. Het gesprek verscheen op 3 juli 2002 in Trouw in een serie met de titel ‘Zelfkritiek’. Het verhaal gaat over de zoon van een pianostemmer die graag zanger wil worden maar geen goede stem heeft. Het is een ontroerend sprookje dat inzet als hij dronken en lallend een vrouw tegenkomt. In het gesprek in Trouw laat Van Keulen boeiend zien hoe het schrijven ervan bestond uit het zoeken naar steeds meer precisie van woorden en het schrappen van overdaad.

    Deserteur

    In veel verhalen zijn autobiografische elementen terug te vinden. Zo is daar Lijn elf, waarin de verteller in de tram van station Holland Spoor naar de kust reist. De rit is tevens een reis door haar jeugdherinneringen.
    Gelukkig is de keuze om in Alles raak twee stukken uit Olifanten op een web direct te laten volgen door het verhaal Meneer Harry. Het genoemde boek schreef Van Keulen over de relatie met haar moeder; de herinneringen aan haar misdadige en veelal afwezige vader kregen nooit vorm in een boek, maar vormden wel de grondslag voor Meneer Harry, een verhaal dat ook al was opgenomen in Ik moet u echt iets zeggen uit 2020. In een prachtige opsomming laat ze hem zijn leven samenvatten in het woord ‘deserteur’. Dat was hij: ‘Van familie, land, legioen, werk, vrouwen, kinderen. Maar ik heb mijn best gedaan om in die burgermaatschappij te passen, nietwaar, geheugen?’ (De vader heeft een hersenbloeding gehad, zit in een verpleeghuis en kan niet meer praten. Hij heeft enkel zijn herinneringen).

    Katten

    Terecht is in de selectie van gedichten de complete reeks Van Aap tot Zet opgenomen. Het is een heerlijke cavalcade van beesten in versjes die dartelen van taalplezier als alliteraties en speelse rijmen en ritmes met als slotgedicht dat over Zizi Zevenslaper waarin alle voorgaande dieren in slaap worden gekust.
    Behalve twee niet eerder gepubliceerde gedichten zijn nu ook diverse over katten opgenomen die tot nu toe slechts in bibliofiele uitgaven waren te vinden. Ze zullen voor lezers van Alles raak dus net zo nieuw zijn. Daaronder is het het aandoenlijke De kat en de weduwe, waarin een vrouw omringd is door herinneringen aan haar overleden man. Daaronder ‘de onbeslapen zijde van het bed’ waar de kater zich neervlijt als de vrouw gaat rusten en haar ‘Barmhartig kussen op haar droef gezicht’ doet voelen.

    De laatste tweeënzestig pagina’s bestaan uit fragmenten uit de drie dagboeken die Mensje van Keulen (haar meisjesnaam is Van der Steen) uitgaf tussen 2006 en 2013. Het laatste daarvan, Moeder en pen, beschrijft de nasleep van een mislukt huwelijk met haar man Lon van Keulen. Op 22 april 1983 schreef ze: ‘Morgen naar het Paleis van Justitie en als ik naar buiten loop, ben ik weer Mennie van der Steen’.
    ‘Mensje van Keulen’ bleef: de schrijver van het ontroerende Ik moet u echt iets zeggen over Annie die haar buurman een brief dicteert die zij wil schrijven aan de rechter, van het wrange Jezus is een nul over kruidenier Vlaswinkel en de inzameling van snoep in de vastentijd voor kindertjes in de Derde Wereld die moesten worden behoed voor ‘de antichrist met slagtanden’. En zoveel meer dierbare geschiedenissen. Je blijft ze lezen in Alles is raak.

     

     

  • Dans als remedie tegen problemen

    Dans als remedie tegen problemen

    Aanvankelijk lijkt Kleine werelden van Caleb Azumah Nelson te gaan over het leven van een groep Ghanezen in Londen die voortdurend bezig is met luisteren naar muziek en dansen: gelukkige mensen. De roman krijgt zelfs iets gezapigs omdat hij alleen maar lijkt te gaan over steeds terugkerende huiselijke taferelen en ontmoetingen tussen vrienden op de dansvloer of samen luisterend naar muziek. Gaandeweg blijkt dat plezier in het leven niet zo vanzelfsprekend. Onder de oppervlakte ligt een geschiedenis en een gemis die de auteur geleidelijk voor de lezer opdient, maar die daardoor des te schrijnender voelt. Kleine werelden blijkt dan te gaan over migratie en wat dat doet met je identiteit.

    Nelson (1993) is een in Londen wonende fotograaf en schrijver die in zijn kindertijd opgroeide bij een Ghanese oma. In 2021 debuteerde hij als auteur met de roman Open water. Die roman gaat over een fotograaf en een danseres die als zwarte mensen moeten zien te overleven in een stad vol racisme. Dit thema keert in Kleine werelden terug. Nelson schrijft zwart steevast met een hoofdletter, alsof hij wil benadrukken dat hij in zijn werk de Black Lives Matter-beweging ondersteunt.

    Dat de roman in het begin vooral de indruk maakt van gelukkige mensen heeft te maken met de diepe genegenheid en tederheid tussen de protagonisten uit het gezin waarvan hoofdpersoon Stephen, vanuit wiens persperspectief het verhaal wordt verteld, deel uitmaakt. De andere leden zijn zijn broer Raymond en zijn ouders Eric en Joy (de naam van de vader blijft lang onbekend en die van de moeder komt de lezer zelfs pas op het allerlaatst te weten, wat op te vatten valt als symbool voor de moeite die ze moeten doen om als Ghanezen in Londen zichzelf te kunnen zijn). Daaromheen is er de grote vriendenkring van vooral landgenoten, maar ook Nigerianen en Senegalezen.

    Racisme

    Kleine werelden valt uiteen in drie delen die achtereenvolgens spelen in de zomers van 2010, 2011 en 2012. In het eerste daarvan, Twee jonge mensen in de zomer, staat de opbloeiende liefde centraal tussen Stephen en Adeline (‘Del’), in het tweede, Een vluchtige verbondenheid, zijn dat de momenten waarop de hoofdpersonen voelen wat hen met elkaar verbindt, en in het derde, Vrijheid, de worsteling van generatie op generatie om als immigrant een veilige plek te vinden in je ‘nieuwe’ wereld.
    In deel twee blijkt hoe die romantische wereld wordt bedreigd door racisme, zoals in de beschrijving van de Londense rassenrellen van 4 augustus 2011, toen de ‘Zwarte’ Mark Duggan door de politie werd vermoord.
    In het ontroerende derde deel lezen we hoe een ruzie die de relatie tussen Stephen en zijn vader kapot maakte, voortkwam uit het verleden dat zijn vader met zich meedroeg toen hij zich vanuit Ghana met zijn vrouw in Londen vestigde: een stad ‘die zijn best doet jullie allebei te laten verdwijnen’. Eric vertelt zijn zoon wat de migratie voor hem betekende: ‘Dit is wat je meebracht, dit is wat je probeerde achter te laten. Dit is het schuldgevoel dat het overleefde. Dit is je last. Dit is waarom je er moeite mee hebt vrijelijk lief te hebben, omdat het voelt alsof je alles kwijtraakt wat je liefhebt’. En zoon Stephen begrijpt daarmee wat hem en zijn vader uit elkaar dreef en herkent het gevecht in zichzelf voor je zover bent dat je in vrijheid kunt zeggen ‘hier ben ik’.

    Ritme

    Dan is ook duidelijk waarom muziek en dans de boventoon voeren in Kleine werelden. Het zijn die kringen van vrienden waarin je je eigen geschiedenis herkent, je eigen ritmes en je verwantschappen in een grote wereld die je liever kwijt dan rijk is.
    De delen van de roman beginnen alle drie met dezelfde zin: ‘Aangezien dansen het enige is wat het gros van onze problemen kan oplossen…’. Het is een zin die wel dertien keer in het boek voorkomt. En dat is niet de enige herhaling. Die zijn er veel meer, zoals de talrijke opmerkingen over herinnering en (niet kunnen) vergeten, zinnen als ‘herinnering, beeld en mogelijkheid schuiven over elkaar heen’, het gebruik van de woorden ruimte en ritme en de opbouw van langere alinea’s uit bijzinnen die steeds op dezelfde manier beginnen: ‘naar huis, waar…, waar…, waar…, waar…..’ Het zijn een manier van schrijven en een stijl die ook de tekst van de roman zelf een ritme en muzikaliteit geven die de lezer nog meer de wereld van Stephen in trekt, de wereld waarin de vrienden elkaar vooral vinden in muziek en beweging en in de geuren die herinneren aan Ghana. Want inderdaad: alleen dansen kan het gros van hun problemen oplossen.

     

  • Listen en lagen van een Afrikaanse dynastie

    Listen en lagen van een Afrikaanse dynastie

    De diepst verborgen herinnering van de mens van Mohamed Mbougar Sarr uit 2021 gaat over de zoektocht naar de in 1938 verschenen debuutroman van de Senegalese schrijver T.C. Elimane. De titel daarvan is ‘Het labyrint der onmenselijkheid’. In het begin vertelt Sarr – eveneens Senegalees – hoe zijn hoofdpersoon het vergeten boek op het spoor komt en het er met een collega-schrijver over heeft. Ze zijn er beiden diep van onder de indruk en naar aanleiding ervan bespreken ze de ‘aangename, soms vernederende ambiguïteiten van onze positie als Afrikaanse (of van origine Afrikaanse) schrijvers in de Franse literaire wereld’. Ze realiseren zich hoe ‘we onze pijlen [richtten] op onze voorgangers, de vorige generaties Afrikaanse auteurs, die we verantwoordelijk hielden voor het onheil dat ons trof: het gevoel dat we niet in staat waren of het recht niet hadden (dat kwam op hetzelfde neer) te vertellen wat onze afkomst was (…) en dat sommigen van onze voorgangers zich hadden overgegeven aan gedienstig, van negerfolklore doorspekt exotisme’.
    De schok die ze ervoeren was de radicaal andere zienswijze die het boek van T.C. Elimane bood.

    Elimane heeft nooit bestaan. Zijn ‘Het labyrint der onmenselijkheid’ evenmin. Maar het boek dat de schok teweeg bracht wel degelijk. Sarr baseerde zijn roman op De onvermijdelijkheid van geweld waarmee de Malinese schrijver Yambo Ouologuem (1940 – 2017) in 1968 in Frankrijk debuteerde en de verwikkelingen rond dat boek in de jaren na de verschijning ervan. De roman geeft inderdaad een schokkend beeld van de Afrikaanse geschiedenis, die wemelt van geweld en machtsmisbruik. Bovendien was Ouologuem één van die auteurs ‘in de Franse literaire wereld’ die wars was van het ‘gedienstig, van negerfolklore doorspekt exotisme’.

    Eenling tussen de haaien

    Toen De onvermijdelijkheid van geweld in 1968 in het Frans verscheen werd het lovend ontvangen, culminerend in de toekenning van de Prix Renaudot. Maar binnen een paar jaar werd de auteur beschuldigd van plagiaat. Schrijver Graham Greene trof in de roman passages aan uit zijn It’s a Battlefield en spande een proces aan dat hij won. Hij was de enige niet die met een dergelijke beschuldiging kwam. Voor Ouologuem was de kwestie aanleiding om zich vanuit Parijs, waar hij woonde, terug te trekken in zijn geboorteland. Hij wilde niets meer met het westen te maken hebben al verschenen nog wel twee mindere romans van zijn hand onder pseudoniem.
    In het Nawoord bij de nu verschenen eerste Nederlandse vertaling van De onvermijdelijkheid van geweldschrijft de Leidse docent Afrikaanse literatuur Vamba Sherif: ‘Zijn latere zwijgen onderstreept de pijn en de radeloosheid waarmee hij tot aan zijn dood in 2017 te maken moet hebben gehad. Hij was een eenling, geworpen in een zee van haaien die hem niet waardeerden voor wat hij was: een groot schrijver. Zwijgen en zich terugtrekken was voor hem daarom de enige optie’.

    Harde hand

    De onvermijdelijkheid van geweld is niet geschikt voor tere zielen. Ouologuem beschrijft een geschiedenis van het fictieve Nakem – misschien het best te vergelijken met Mali – dat gekoloniseerd werd door de Fransen (‘de Flençèssi’). De roman bestrijkt in hoofdzaak de koloniale periode, maar die wordt in het eerste hoofdstuk voorafgegaan door een kort overzicht van de mythische oorsprong van het Rijk vanaf 1202 toen de dynastie van de Saïfs begon. Eind 19de eeuw veranderde alles: ‘Het rijk werd tot vrede gebracht en opgesplitst in verschillende geografische zones, die de Europeanen onder elkaar verdeelden. Blij onthaalden de Afrikanen, gered van de slavernij, de witte man, die, hoopten ze, hun de wreedheid van de even machtige als vervaarlijk georganiseerde Saïf zou doen vergeten’.
    De bedoelde telg van de Saïf-dynastie is Saïf ben Isaac El Héït die, ‘vervuld van ongenoegen, met geurige mond en eloquente tong de energie van het fanatieke volk probeerde te mobiliseren tegen de indringer’. Dat deed deze Saïf met harde hand door gruwelijke moordpartijen, seksuele uitspattingen en geraffineerde manipulatie van de Flençèssi. Zijn wij gewend slavenhandel en vernedering te zien als een uitwas van het kolonialisme, Ouologuem laat zien dat de excessen onder eigen heersers van Afrikaanse stammen al veel eerder aan de orde van de dag waren en na de komst van de ‘witte mannen’ gewoon doorgingen, maar op een doortraptere manier: ‘Deze koloniserende mogendheden kwamen al te laat, want de kolonialist die hier, samen met de adellijke aristocratie, sinds lang gevestigd was, was niemand minder dan de Saïf, en de Europese veroveraar speelde hem – zonder het te weten! – in de kaart’.

    Liefdesverhaal

    Ouologuem beschrijft niet alleen de wreedheid van Saïf, maar ook de naïviteit van het Westen, dat Afrika graag wil zien door een romantische bril. Een fraaie illustratie daarvan biedt de komst van een Duitse etnoloog, Fritz Shrobenius en zijn gezin, naar Nakem. Toen Saïf ervan hoorde dat deze man erop uit was bewijzen, zoals maskers, te verzamelen om zijn idee te onderbouwen dat het Afrikaanse leven pure kunst was, werd hij (Shrobenius) door Saïf compleet in de watten gelegd. Én bedrogen. De etnoloog wilde ‘een Afrikaanse wereld (…) laten herleven die met de werkelijke geen enkele overeenkomst meer had’. Die kon hij krijgen van Saïf. Deze liet in allerijl honderden kilo’s maskers vervaardigen en begraven in het drasland om ze vervolgens door Shrobenius te laten ‘ontdekken’. Die sleet ze voor goudgeld aan verzamelaars. ‘Die maskers, drie jaar oud, droegen het gewicht van vier eeuwen beschaving, werd er gezegd’.

    Bijzonder treffend laat Ouologuem een vertederende kennismaking van de twee geliefden Kassoumi en Tambira fel contrasteren met de wreedheden die hij debiteert om die des te meer te laten uitkomen. Het verhaal van het jonge stel doet erg denken aan het verloop van de romance tussen Saïdjah en Adinda in Max Havelaar. Ook dat verhaal versterkt de wreedheid van de uitbuiting. In De onvermijdelijkheid van geweldeindigt het allemaal nog gruwelijker.

    Aspisadder

    Saïf is een ongelooflijk sluwe man die zijn gezag weet te handhaven door list en bedrog en door de Fransen het gevoel te geven dat hij het beste met hen voor heeft. Daar komen nogal wat moorden aan te pas waarbij hij steeds schone handen weet te houden. Hij heeft zo zijn personeel om de vuile klusjes op te laten knappen. Die maken daarbij vaak gebruik van gif van de aspisadder dat op allerlei geniepige manieren wordt ingezet zonder dat op de daders maar enige verdenking valt.
    Hoezeer de machtsverhouding tussen Saïf en de Fransen (ook de koloniale bestuurders sterven soms op raadselachtige wijze) een balanceeract is blijkt in het slothoofdstuk waarin de Franse deken Henry met Saïf aan een schaakbord zit waar zich tussen de twee een spannende dialoog ontwikkelt waarin Henry zijn opponent Saïf in verlegenheid brengt door hem op een subtiele manier te laten merken dat hij alles weet van aspisaddergif….

    Wat goed dat Uitgeverij Jurgen Maas Nederland 55 jaar na de eerste verschijning alsnog met deze roman kennis laat maken. Wie Sarr al las dringt er nog dieper mee door in diens De diepst verborgen herinnering van de mens.

     

     

  • We leerden pas in 2022 echt naar Rusland kijken

    We leerden pas in 2022 echt naar Rusland kijken

    Tijdens de Russische oorlog in Oekraïne ‘kon je de Russen er zo tussenuit pikken’, schrijft Oksana Zaboezjko in haar essay Mijn langste boektournee. Ze geeft een voorbeeld: ‘In Charkiv verraadden ze zichzelf doordat ze in plaats van het stadhuis het stadtheater wilden bestormen, waarmee ze een fout van Praag 1968 herhaalden, toen Sovjettroepen vanuit dezelfde logica het Nationale Museum onder vuur namen: de macht zal zich vast in het mooiste gebouw ophouden’. Verderop vertelt ze nog hoe de Russen in 2022 haar land binnentrokken met landkaarten uit 1985 waarmee ze door bagger ploeterden in plaats van over nieuwe snelwegen. Bovendien hadden ze proviand bij zich die al zeven jaar over de houdbaarheidsdatum was.
    Deze voorbeelden zouden prima gepast hebben in Dit volk heeft zijn God op aarde, een bundel getuigenissen over Rusland, samengesteld door Hans Driessen, Michel Krielaars en Eva Peek.

    De inleiding van deze bundeling noemt de Russische inval van 24 februari 2022 niet voor niets al in de eerste regel en pikt daaruit op: de gruwelijke wreedheid van de Russen, ‘hun klungeligheid, hun slechte informatiepositie, de ondermijnende corruptie en de verwondering over de gelatenheid waarmee zoveel Russen gehoorzaamheid toonden aan hun leiders’. In de volgende alinea betogen de samenstellers dat we daar niet verbaasd over hoeven te zijn omdat die manifestaties al lang rode draden in de Russische geschiedenis zijn.

    Ooggetuigen

    Die stelling werken zij in de inleiding verder uit. De 152 getuigenissen (dagboeken, brieven, verslagen van verhoren enzovoort van Russen zelf en van diplomaten, schrijvers en journalisten van elders), die in het boek zijn opgenomen laten daar overvloedige bewijzen van zien. Toch is er iets opmerkelijks aan de introductie van dit boek. Ze laat namelijk vooral zien hoe we de geschiedenis beschrijven vanuit onze eigentijdse ogen. We kijken terug door de gekleurde bril van onze eigen herkenning.

    Dit volk heeft zijn God op aarde is grotendeels een herdruk van Ooggetuigen van de Russische geschiedenis uit 2007. Alle 126 stukken uit die uitgave staan – met af en toe wat redactionele wijzingen – ook in deze nieuwe verzameling. De 25 toegevoegde recentere stukken bestrijken de jaren 2008 (de Russische inval in Georgië) tot 2023 (het verhaal van een Oekraïense jongen die uit bezet gebied werd gedeporteerd). In de inleiding bij Ooggetuigen uit 2007 vallen echter niet de typeringen als klungeligheid, slechte communicatie of corruptie. Toen schreven de samenstellers (destijds zonder Eva Peek) nog: ‘Wil men met alle geweld een rode draad in de Russische geschiedenis zien, dan valt te denken aan de angst van de machthebbers voor hun onderdanen en aan de afschuwelijke gevolgen daarvan’.

    Galg

    Met deze signalering in verschillende kleuren in Ooggetuigen en Dit volk heeft zijn God op aarde zij niet gezegd dat de inleidingen elkaar tegenspreken. Ze laten echter wel zien hoe we onze schijnwerpers anders zijn gaan richten door het optreden van Rusland in Oekraïne. Je gaat de 126 stukken die in Ooggetuigen al stonden ineens anders lezen. Wat de klungeligheid betreft bijvoorbeeld kon je het verslag van de executie van veroordeelden van de Dekabristenopstand in 1826 bij lezing in 2007 nog afdoen als een kolderieke anekdote: de executie moest volgens de tsaar ’s morgens om vier uur plaats vinden, maar dat lukte niet omdat de koetsier met de galgpalen op weg naar de executieplaats vast was komen zitten; toen de galgen eenmaal in grote haast waren ingegraven bleken ze zo hoog dat de touwen met de strop te kort waren; toen dat werd opgelost door de veroordeelden op bankjes te laten staan bleken de touwen bij drie misdadigers te slap (ze braken) en op zoek naar vervangend touw bleek de winkel waar het gekocht moest worden nog gesloten te zijn.
    Nu we sinds de inval in Oekraïne meer voorbeelden van klungeligheid hebben krijgt dit incident ineens een bredere betekenis.

    Godheid

    Dat geldt voor veel stukken. Wat we nu via onze TV-schermen zien als gebrekkige communicatie in het Russische leger, slechte voorbereiding, onderschatting van de strijd, wreedheid zoals in Boetsja, enzovoort blijkt parallellen te hebben in de geschiedenis, die meer zijn dan incidenten. Er lijkt een aantal factoren beslissend als oorzaak daarvan.
    Ten eerste is dat de status van de leider die zich als een soort onfeilbare god presenteert, daarin gesterkt en gelegitimeerd door de innige band met de orthodoxe kerk (de titel Dit volk heeft zijn God op aarde – ontleend aan een reisverslag van de Franse markies de Custine uit 1839 – verwijst ernaar). De gevolgen zijn een volstrekte zelfoverschatting door de heerser (Catharina de Grote, de tsaren, Stalin, Poetin) en een slaafse volgzaamheid van intimi die uit angst voor hun eigen hachje geen kritiek durven te leveren.
    Een tweede reden is de aanhoudende desinformatie en propaganda onder het eigen volk. Daardoor kunnen veel Russen, die generaties lang niets anders hebben gehoord, de oprechte overtuiging hebben dat hun leider slechts hun land verdedigt tegen fascistische staten die uit zijn op vernietiging van Rusland.
    En een derde factor lijkt te zijn dat iedereen uiteindelijk alleen voor zichzelf zorgt, wat leidt tot corruptie, vriendjespolitiek, behagen van de leider en ontlopen van verantwoordelijkheid.
    Er rijst een beeld op van een bevolking (uitzonderingen daargelaten) die van zijn individualiteit is beroofd en dus van zijn vermogen verantwoordelijkheid te voelen of eigen initiatief te ontplooien. Het is de beste voedingsbodem voor een dictatuur.

    Traditie

    Poetin heeft, dat alles in aanmerking genomen, waarschijnlijk geen moment getwijfeld aan zijn idee dat de ‘speciale operatie’ in Oekraïne in een paar dagen gepiept zou zijn. Maar hij kwam een volk tegen dat, in de woorden van Olesya Khromeychuk in De dood van een soldaat verteld door zijn zus ‘geen traditie [heeft] van het vereren van zijn politieke leiders. In tegenstelling tot in Rusland verliezen de politici de steun van hun teleurgestelde electoraat zodra ze hun beloften niet nakomen’.
    Dat wij er nu pas aan toe zijn zo naar Rusland te kijken heeft er alles mee te maken dat de oorlog voor ons begon op 22 februari 2022. Maar voor Oekraïeners zelf was hun land al veel langer in oorlog met de imperialistische noorderbuur; al in 2017 toen Rusland de regio’s Donbas en Loegansk inpikte (de broer van Khromeychuk stierf in die gevechten); al in 2014 toen de Krim werd bezet; al eeuwen eerder zelfs.
    Zoals Oksana Zaboezjko in Mijn langste boektournee, en eerder al in haar bundel Zussen, op soms woedende toon duidelijk maakt: wij in het Westen keken heel lang naar Oekraïne door Russische ogen. Wij zijn volgens veel Oekraïense schrijvers in februari 2022 pas wakker geschud en durven nu pas het eigene van hun land en het ware gezicht van Rusland te zien.
    Wie de bundeling in 2007 las deed dat als een toeschouwer op afstand, een buitenstaander. Sinds de inval in Oekraïne is onze betrokkenheid veel en veel groter. Het is daarom terecht dat Dit volk heeft zijn God op aarde verschijnt. Niet alleen omdat er recentere stukken zijn toegevoegd, maar ook omdat het boek ons bewust maakt van de inwerking van onze eigen actualiteit en angsten op onze kijk naar het verleden.

     

  • Een overlever zonder huid

    Een overlever zonder huid

    Op 29 april 1995 onthulde het tv-programma Brandpunt dat de gewaardeerde Duitse hoogleraar Germanistiek Hans Schwerte in de oorlog SS-Hauptsturmführer was geweest onder Himmler. Hij had zich in het begin van de oorlog twee jaar in Den Haag bezig gehouden met onder andere rassenleer en genetica. Schwerte had zijn nieuwe carrière na de oorlog kunnen opbouwen omdat hij een verzonnen identiteit had aangenomen. Zijn echte naam was Hans Ernst Schneider. Hij bekende ‘diepe schaamte en rouw’, maar kreeg een storm van kritiek over zich heen en raakte zijn onderscheidingen en pensioen kwijt. Eén van de weinigen die het voor Schwerte opnam was Hans Keilson, de Joodse schrijver en psychiater wiens leven getekend was door de nazi’s: Keilson was naar Nederland gevlucht voor de Jodenvervolging en verloor zijn ouders in Auschwitz.

    Keilson had bewondering voor wat Schwerte had bereikt, maar vooral waardering voor diens eerlijkheid en inzicht in zijn eigen fouten. Hij zei naar aanleiding van deze hetze zelfs: ‘Ik zou niet willen zeggen dat ze nu met deze ex-nazi omgaan zoals ze vroeger met de joden omgingen, maar het komt wel aardig in de buurt’. Wie Hans Keilson tijdens zijn leven heeft gevolgd zal er niet eens van opkijken. Wie nu door middel van de biografie van Jos Versteegen kennis met hem maakt, kan aangekomen bij de beschrijving van deze rel (hoofdstuk 13), Keilsons reactie wel begrijpen. De biograaf heeft daarvóór uitgebreid aandacht besteed aan diens belangrijkste levenshouding: dat haat niet met haat dient te worden beantwoord. In de woorden waarmee Versteegen Keilsons gedachten samenvat: ‘Nieuwe haat tegenover oude haat stellen was een slecht idee, want dat betekende continuering van de cyclus van de haat en dus van de vernietiging’.

    Personage B.

    Keilson (1909 – 2011) huldigde die opvatting al vroeg. Zijn beroemde Tod des Widersachers verscheen voor het eerst in 1959 en een jaar later in het Nederlands als In de ban van de tegenstander. De eerste aanzetten daarvoor schreef Keilson al in 1944. Het boek kreeg pas wereldfaam toen The New York Times er in 2010 een enthousiaste recensie aan wijdde. Keilson was toen honderd jaar en dook ineens in allerlei tv-programma’s op, waaronder DWDD. Blijkbaar was de wereld toen pas op grote schaal toe aan erkenning van zijn belangrijke inzichten.
    In de ban van de tegenstander (dat veel autobiografische elementen bevat) gaat over de verhouding tussen Hitler en de Joden, hoewel de naam Hitler (personage heet in de roman B.), en de woorden ‘nazi’ en ‘Jood’ er niet in voorkomen. Het grondthema van de roman is dat haat een projectie op de tegenstander (zondebok) is van alles wat je van jezelf niet onder ogen wilt zien. Wie dat doet verdraagt zijn gehate kant niet en wil die ook niet weerspiegeld zien in iemand anders.: ‘In hem, de “ander” moet hij zichzelf vernietigen om de waan van zijn eigen grootsheid te redden’.  Vanuit dat inzicht kon Keilson met Schwerte contact leggen in plaats van met hem af te rekenen. Hij wilde doorzien welke krachten ertoe hadden geleid dat zoveel Duitsers Hitler-volgers werden en zijn haat tegen Joden deelden.

    Sequentiële traumatisering

    In de wetenschappelijke kant van Keilson was die gedachte eveneens leidend. Hij legde zich als psychiater/psycho-analyticus toe op hulp aan oorlogsweeskinderen. Een nieuwe aanpak daarin was zijn idee van de ‘sequentiële traumatisering’. Dat ging uit van drie opeenvolgende fases: de bezetting en de Jodenvervolging in Nederland, gevolgd door de deportaties en het verblijf in concentratiekampen of de onderduik en tenslotte de na-oorlogse periode waarin de kinderen werden toegewezen aan een voogd of instelling. Hij heeft veel van die kinderen geholpen door die fases te erkennen, en omdat hij goed kon luisteren. Keilson promoveerde op het onderwerp in 1979 en gaf er tal van lezingen over. Waarbij hij nog wel eens het verwijt kreeg dat die onderzoeken te statistisch waren.
    In de biografie is dat niet te merken. Versteegen verliest zich allerminst in cijfers, maar slaagt erin duidelijk te maken hoe belangrijk het werk van Keilson was en welke problemen de kinderen tegenkwamen na de oorlog. Ze kregen toen te maken met discussies die meer gingen over rechten van ‘onderduikouders’, pleeginstellingen, en de vraag of nieuwe voogden orthodox genoeg waren, dan met de zorg om het verlies van ouders en andere familie in de kampen. Door die voogdijdiscussies kregen die kinderen er nog een trauma bij.

    Blijven houden vanWagner

    Versteegen staat ontegenzeglijk erg sympathiek tegenover Keilson, maar hij verzwijgt niet zijn wat onbeminnelijke kanten zoals zijn jaloezie, zijn niet altijd respectvolle omgang met vrouwen, zijn ijdelheid  en zijn aandeel in de verwijdering tussen zijn dochter uit zijn eerste huwelijk, Barbara, en zijn zus Hilde. Waardevol in deze biografie zijn de heldere duiding van de diverse boeken en gedichten van Keilson, het zicht op de receptie daarvan in verschillende tijdsperioden, de reikwijdte van zijn therapieën en zijn verhouding tot de Duitse taal en Duitsland dat hem zoveel ellende had bezorgd. Versteegen maakt aannemelijk waarom Keilson bijvoorbeeld van Wagner, bij uitstek de nazi-componist, kon blijven houden.

    Er blijven ook vragen onbeantwoord omdat Versteegen niet teveel wil speculeren. Opvallend is dat hij signaleert dat Keilson zelfs in een ernstige roman als In de ban van de tegenstanders grapjes (‘knipoogjes’, noemt Versteegen ze) kon maken. Zo noemde hij twee katten die er in voorkomen Hützi en Bützi, naar de bijnamen die twee kinderen van een psychiater hadden bij wie hij college had gelopen. Het maakt nieuwsgierig naar het ‘knipoogje’ dat Keilson wellicht maakte toen hij in zijn valse persoonsbewijs in de onderduiktijd de naam Johannes Gerrit van der Linden liet vermelden. Zou hij gedacht kunnen hebben aan de destijds populaire Nederlandse dichter ‘De Schoolmeester’(Gerrit van de Linde) die tevens kostschoolhouder was (Keilson dichtte zelf en gaf sport- en muziekles aan kinderen die hij opving)? Hier stelt Versteegen de vraag niet.

    Hans Keilson – Telkens een nieuw leven doet recht aan een getormenteerd leven van een belangrijk schrijver en psycho-analyticus die de moed had om onder ogen te zien hoe haat gevoed wordt, een echte overlever, maar ook iemand die door alles wat hij geleden had, op zijn eerste vrouw Gertrud  overkwam als  (in haar woorden) ‘een mens zonder huid’.

     

     

  • De gorgel van de smeerlap briezelen

    De gorgel van de smeerlap briezelen

    Vertaler Robbert-Jan Henkes vraagt zich in zijn nawoord bij de bundeling van vier romans van Sergej Dovlatov af of je bij een levensschets van deze auteur moet beginnen met zijn leven of zijn werk: ‘Want zijn leven was zijn werk. En zijn werk was zijn leven’. Henkes noemt zijn nawoord dan ook ‘Dovlatovs autobiografictie’. En wij als lezers mogen daarom de woorden van het hoofdpersonage, ook Sergej Dovlatov genaamd, wel toepassen op de auteur: ‘Ik was zoals dat heet “alles bij elkaar opgeteld” op de keien gezet (…) In de journalistiek is het iedereen toegestaan één ding te doen. In één iets de principes van de socialistische moraal met voeten te treden. Dat wil zeggen, de een is het toegestaan te drinken. De ander herrie te schoppen. De derde politieke moppen te vertellen. De vierde jood te zijn, de vijfde geen partijlid. De zesde een amoreel leven te leiden (…) Je kan niet tegelijkertijd jood en dronkenlap zijn. Herrie schoppen en partijloos zijn… En ik was rampzalig universeel’.

    Deze terugblik op hoe hij op straat werd gezet is te vinden in de eerste van de vier romans, Compromis uit 1981. Die roman bestaat uit twaalf hoofdstukken die genummerd zijn als ‘Compromis’ (gevolgd door een nummer) en een voorbeeld beschrijven van een reportage die Dovlatov moest maken, de omstandigheden waaronder dat gebeurde – vooral gelardeerd met flink veel drank en gelal – en de greep van de Partij op het eindresultaat. In ‘Compromis 5’ is dat bijvoorbeeld het hilarische verhaal dat hij in 1975 moest schrijven voor de krant Sovjet Estland over de geboorte van de 400.00ste inwoner van Tallinn. Wie het ook zou worden, de 400.000ste moest in het artikel geboren zijn aan de vooravond van Bevrijdingsdag en gepresenteerd worden als een gelukkig mens. En: ‘Geen gebreken, niks treurigs, Geen keizersneden. Geen alleenstaande moeders. Complete set ouders. Een gezond, sociaal volwaardig jongetje’.
    De reportages die Dovlatov maakt leiden om uiteenlopende redenen tot gefoeter van zijn chef Toeronok: Vader een chocoladebruine Ethiopiër? Kan niet. Jood? Afgekeurd. Kind heet Volodja? Dwing de ouders dat te veranderen in Lembit, want dat is in elk geval folkloristisch.

    Zetfout

    In de tweede roman, Die van ons, de kortste in deze bundeling, beschrijft Dovlatov de wederwaardigheden van zijn familie vanaf zijn overgrootvader tot aan zijn dochter – en zelfs die van zijn hond. Bijna altijd zijn het verhalen van twaalf ambachten, dertien ongelukken, niet vanwege de onbekwaamheid van de betreffende personen, maar omdat het communistische regiem altijd wel een stok vond om te slaan als het daar zin in had. Met als gevolg ontslag maar soms ook gevangenis of werkkamp. Tussen die lotgevallen door loopt Dovlatovs persoonlijke geschiedenis. Hij vindt zichzelf maar een kluns, niet alleen in zijn schrijverij, maar ook in de verhouding tot zijn vrouw of in de opvoeding van zijn dochter. Zijn stijlregister is breed. Hij schetst op een kolderieke manier het leven van zijn grootvader Isaak en laat dat dan ineens weer volgen door een liefdevol portret van zijn tante Mara.
    Verschillende leden van de familie (onder andere Mara en Dovlatovs moeder) waren een tijd corrector bij een uitgeverij. Een gevaarlijk beroep. Elke zetfout (bijvoorbeeld een d in plaats van een w in het tweede woord van Bolsjewistische verworvenheden) kon je een gevangenisstraf opleveren.
    In Die van ons etaleert Dovlatov zijn enorme veelzijdigheid: humor, cynisme, ironie, grof taalgebruik, maar ook vertedering zoals in zijn beschrijving van zijn dochter Katja. Van haar jeugd staat hem weinig meer bij, waarna subtiele zinnen volgen als: ‘Ik herinner me de naar binnen gedrukte achterlip van haar piepkleine schoentje’ en ‘Ik herinner me het gevoel van een bewegende kleine handpalm. Zelfs door de want heen voelde je de gloed’.

    Marionetten

    De derde roman, Ambacht, bestaat uit het twee delen, Het onzichtbare boek en De onzichtbare krant. In het eerste deel is een heel feitelijke illustratie te vinden van wat vertaler Henkes bedoelt met autobiografictie. Dovlatov schrijft daar dat hij op 4 oktober 1941 is geboren. Dat was echter 3 september. In verschillende verhalen krijgt de tweede vrouw van Dovlatov minstens twee verschillende namen (Elena en Tatjana) en de schrijver geeft op drie verschillende plaatsen liefst drie verschillende manieren waarop ze elkaar hebben leren kennen.
    Het eerste deel van Ambacht beschrijft ‘de avonturen van mijn manuscripten’. Dovlatov verhaalt – zoals hij het zelf formuleert – ‘wanordelijk, breedvoerig en mompelend’ over zijn ervaringen met uitgevers en de geheime dienst. Hoe de ingrepen van die organisaties werkten valt het meest uitvoerig te lezen in het gedoe over zijn manuscript van Zone, dat gaat over zijn tijd als (gedwongen) kampbewaker. Hij probeerde te achterhalen hoe het ooit in handen van de KGB was beland en waarom iedereen die hij sprak ervan bleek te weten behalve hij zelf. Op zijn vragen draaide iedereen om de brij heen. Niemand was verantwoordelijk: er opereerden louter ‘marionetten, spoken, schaduwen…’. Collega-schrijver Maramzin vatte de absurditeit sarcastisch samen als volgt: ‘Als je je manuscript aan Brezjnev geeft, leest die het en zal zeggen: “Persoonlijk bevalt het me. Maar wat denken ze hogerop?!”’

    Luilekkerland

    In deel twee woont Dovlatov in Amerika. Daar probeert hij met enkele andere dissidenten een tweede Russische krant van de grond te krijgen die ‘De Spiegel’ wordt genoemd (in werkelijkheid heette die krant overigens ‘De nieuwe Amerikaan’). Het leidt tot een hoog oplopende ruzie met de al bestaande Russische krant, want ze zijn voor hun levensvatbaarheid afhankelijk van dezelfde lezers. Maar naast de financiële kwesties zijn er de ideologische discussies. Henkes karakteriseert dit tweede deel als inzicht gevend in ‘het wezen van hoop, verwachtingen en daarop volgende teleurstellingen’. De Russische emigranten hadden zich van Amerika een Luilekkerland voorgesteld. Dat beeld bleek al snel niet te kloppen. Dovlatov zelf: ‘Jullie moeten weten dat Amerika niet het paradijs is. Hier is, zo blijkt, alles – slecht en goed. Omdat vrijheid geen ideologie heeft. Vrijheid is in gelijke mate bevorderlijk voor het goede en het slechte. Vrijheid is als de maan, die onverschillig het pad verlicht voor roofdier en prooi…’
    De krant gaat na een brand (aangestoken door de concurrent? De KGB? Iemand anders?) ter ziele, maar Dovlatov zelf boekt wel literaire successen als er twee verhalen in de ‘New Yorker’ verschijnen en hij zijn eerste boekcontract krijgt.

    Brandy’s

    Filiaal is de titel van de vierde en laatste roman. Ook die speelt zich, net als Ambacht, af in de jaren tachtig van de vorige eeuw in Amerika en weeft twee verhaallijnen door elkaar. De eerste gaat over het warrige verloop van een symposium over ‘Nieuw Rusland’ en de tweede over het weerzien van Dovlatov met zijn allereerste Russische vriendin Tasia. Zowel het symposium als dit weerzien staan bol van de absurdistische gesprekken. Maar zoals Dovlatov een keer verzucht (juist op het moment dat hij op zijn hotelkamer overdenkt dat hij al vijfenveertig is en normale mensen zich allang hebben doodgeschoten of zich aan lager wal hebben gezopen, belt  de barman dat hij vier – niet door Dovlatov bestelde – vier brandy’s komt brengen): ‘In elke situatie moet een flinter absurdisme zitten’.
    Zijn eerste romans zijn in Amerika verschenen, maar de herinneringen, en zelfs herbeleving, van zijn mislukte relatie met Tasia overheersen in deze vierde roman.

    Kwistenbiebel

    Het is een genot om Dovlatovs belevenissen te lezen in al hun absurditeiten, associatieve afdwalingen, prachtige anekdotes en talloze literaire verwijzingen. Daar moet meteen aan worden toegevoegd dat vertaler Henkes daar groots aan bijdraagt. Dovlatov dwaalt soms ongeremd af als hem weer eens iets te binnen schiet. Hij legde zichzelf ter verhoging van zijn concentratie daarom de beperking op dat geen twee woorden in één zin met dezelfde letter mochten beginnen. Henkes verklaart dat het een hels karwei is om dat ook in het Nederlands te doen. Neem alleen al de lidwoorden ‘de’ en ‘een’ in onze taal waar het Russisch geen lidwoorden heeft en maar weinig voorzetsels in tegenstelling tot het Nederlands. Toch heeft Henkes dit ‘non-alliteratieverdrag’ zoveel mogelijk proberen na te volgen (Het doet misschien wel daarom des te komischer aan dat één van de eerste zinnetjes in Compromis is: ‘Ha. Hoe is het?’).
    Daarnaast is Henkes een taalvirtuoos zoals hij samen met Erik Bindervoet bijvoorbeeld onnavolgbaar bewees in Finnigans Wake van James Joyce. In zijn vertaling van Dovlatov grijpt hij naar Bargoense woorden als een ‘jatteneur’, ‘kwistenbiebel’ en ‘miesgasser’. Maar de mooiste is toch wel: ‘Ik briezel die smeerlap z’n gorgel!’.

     

     

  • Fictie als medicijn tegen complexe wereld

    Fictie als medicijn tegen complexe wereld

    Er waren eens twee kikkers, een pessimistische en een optimistische. Ze waren allebei in een pan met room beland en hadden grondig geanalyseerd dat hun overlevingskansen vrijwel nihil waren. De pessimistische kikker deed geen moeite meer en verdronk. De optimistische bleef spartelend vechten voor zijn leven zolang hij de kracht daartoe had. Op een gegeven moment bleek hij de room door al zijn gedraai en gespetter tot boter te hebben geklopt. Hij klauterde gladjes de pan uit en overleefde zo.
    Deze anekdote wordt door Nobelprijswinnaar Olga Tokarczuk, in 1962 geboren in Sulechów in Polen, verteld als een metafoor voor haar werk aan Jaag je ploeg over de botten van de doden uit 2009. Die roman leek lang op een ontzettende warboel: ‘door chaotisch te schrijven, eerst hier en dan weer daar, door van een beeld naar een dialoog, van een beschrijving naar een notitie te springen, door verhaallijnen te creëren en personages op te bouwen, heb ik de chaos tot een roman geklopt. Daarvoor is onuitputtelijk optimisme nodig en dat is veel belangrijker dan vaak overschat talent of ijver’.

    De passage komt voor in één van de drie lezingen die zij in 2018 gaf aan de letterenfaculteit van de Universiteit van Lódź. Ze zijn opgenomen in De tedere verteller. Aan die trits is nog een vierde lezing toegevoegd die ze klaar had, maar nooit heeft uitgesproken. Daarnaast zijn er nog acht essays opgenomen die deels ook op voordrachten zijn gebaseerd en als laatste de tekst die ze uitsprak bij de uitreiking van de Nobelprijs voor Literatuur (2018). Die rede droeg de titel De tedere verteller, net als deze bundel.

    Zoekmachine

    De essays gaan allemaal (op één na, dat over film gaat), over het belang van literatuur, van lezen en van de verbeelding, en over het scheppingsproces van fictie. Daartoe neemt ze een aanloop in het eerste essay, Ognosie (ognosie is het vermogen om op zoek te gaan naar ordening van problemen). Daarin schetst ze de wereld waarin de literatuur het nu moet zien te rooien. Onze voorouders lieten hun verbeelding de vrije loop als ze zich een voorstelling van de wereld maakten omdat veel daarvan hen nog niet bekend was: ‘Nu hebben we onze verbeelding niet meer nodig, we hebben alles binnen handbereik via onze smartphone’. Tegelijk verliezen we het overzicht door alles wat te koop is, ook aan intellectuele goederen. We ‘zetten er onze schamele zoekmachines tegenover om de indruk te hebben dat we [alles] nog steeds onder controle hebben’. Op allerlei fronten wordt de complexiteit van de wereld gezien als een stoornis. Om die de baas te worden, grijpen we terug naar nostalgie en tradities en naar zwart-witindelingen. Daar staat tegenover, zegt Tokarczuk, dat we door de pandemie ons zelf niet langer kunnen zien als kroon van de schepping, verheven boven planten en dieren. We staan niet los van de rest van de wereld. We zullen ons méér dan op feiten en gebeurtenissen moeten richten op betekenis. En daar hebben we verhalen voor nodig die laten zien hoe oneindig gedifferentieerd de wereld is en hoe we onze ervaringen kunnen ordenen en overdragen.

    Ondraaglijke vreemdheid

    Voor Tokarczuk is excentriciteit daarbij een belangrijk begrip. We moeten buiten ons ‘centrische’ gezichtspunt treden, buiten de platgetreden paden en zekerheden. Literatuur durft dat te doen.
    Fictie draait in alle essays in deze bundel om dat vermogen vertaler te zijn van andere, diepere, verbanden en inzichten. Daarvoor zijn schrijvers nodig, maar ook lezers. Aan die laatste besteedt Tokarczuk vooral aandacht in het essay Een vinger in het zout ofwel Een korte geschiedenis van mijn lezen en in haar Nobelprijsrede. Hier duikt het excentrische opnieuw op: haar begon als lezer ‘alles te fascineren wat geheimzinnig, onduidelijk is, wat verwondering of dreiging opwekt’. Ze vond dat bij Poe, Kafka, Tsjechov, Dostojevski, Meyrink, Huysmans, Topor en anderen die romans schreven die gingen over de ‘ondraaglijke vreemdheid van de wereld’.

    Van Tokarczuk werden, vóór haar de Nobelprijs werd toegekend, al een aantal werken vertaald, zoals Huis voor de dag, huis voor de nacht (in 2000) en De rustelozen (in 2011). Na de Nobelprijs kwamen daar De Jacobsboeken en Jaag je ploeg over de botten van de doden bij. Haar schrijfproces geeft Tokcarczuk weer in het zevende essay, ‘Over het daimon en andere drijfveren om te schrijven’ en in haar vier lezingen. In ‘Hoe de Jacobsboeken zijn ontstaan’ spitst ze dat toe op die specifieke roman die haar het meest intensief in beslag nam. In haar Nobelprijsrede stelt ze (door haarzelf onderstreept): ‘Fictie is altijd een soort waarheid’. En: ‘Literatuur stelt vragen waarop je niet kunt antwoorden met behulp van Wikipedia, ze gaat bovendien verder dan de feiten en de gebeurtenissen, en beroept zich daarbij rechtstreeks op onze ervaring ervan’. Die ervaring kan zowel voor de lezer als voor de schrijver van heel ver komen.

    Knoopsgaten

    Een fraai voorbeeld daarvan geeft Tokarczuk naar aanleiding van haar boek, Huis voor de dag, huis voor de nacht. Daarin creëerde ze het personage Marta, een oudere vrouw. In contact met lezers viel haar op dat één detail, de uitgelubberde knoopsgaten van Marta’s vest, bij velen beklijfde. Jaren later lieten kleinkinderen van de bouwers van het huis dat Tokarczuk had gekocht, haar foto’s zien uit de tijd waarin ze zelf nog in het dorp woonden waar de roman zich afspeelt. Op één ervan stond een oude vrouw met uitgelubberde knoopsgaten in haar vest. Het bleek de oma van één van de kleinkinderen te zijn. Haar naam was Marta. Tokarczuk was met stomheid geslagen – ze had de vrouw voor zover ze wist nooit gekend. Toch moest ze de figuur ooit als beeld opgepakt hebben. Ze ontdekte iets dergelijks over een andere figuur in die roman, de monnik Paschalis. Ze wist niet hoe ze aan die figuur was gekomen. Maar na voltooiing van het boek stuit ze in oude schoolschriften van haarzelf, op aantekeningen over een monnik die het karakter had dat zij Paschalis had toegedicht. Ze was hem vergeten, maar blijkbaar hadden elementen in het verhaal dat ze bedacht had hem uit haar eigen onderbewuste naar boven gehaald.

    Ze noemt het ‘de kracht van het creatieve proces – het in tijd en ruimte gelijktijdig optreden van niet-gerelateerde gebeurtenissen’. Dat is wat Jung, naar wie ze herhaaldelijk verwijst, inventieve synchroniciteit noemt. Volgens Tokarczuk maken ook lezers het mee dat fictie ineens iets wakker schudt dat van de lezer altijd als iets strikt persoonlijks had beschouwd.
    De tedere verteller is rijk en inspirerend. Niet alleen voor wie schrijver wil worden, maar ook voor lezers die verder willen kijken dan Wikipedia.

     

     

  • In memoriam Dubravka Ugrešić 1949 – 2023

     

    Op vrijdag 17 maart j.l. overleed essayiste en literatuurwetenschapper Dubravka Ugrešić, ze werd 73 jaar.

    Ugrešić werd geboren in Kroatië, maar woonde als genaturaliseerd Nederlander sinds de jaren negentig in Amsterdam. Ze had er echter een hekel aan om de Kroatische schrijfster uit Nederland te worden genoemd: ‘Ik woon in Nederland, maar schrijf in het Engels en Kroatisch. Waarom dwingen ze me dan toch altijd ergens bij te horen?’, verzuchtte ze in 2019 in een interview met de NRC.

    Ze publiceerde sinds 1993 zo’n twintig boeken, en schreef o.a. voor NRC HandelsbladDe Groene Amsterdammer en Die Zeit. Naast de Verzetsprijs ontving ze onder meer de Charles Veillonprijs voor beste Europese essaybundel, de Oostenrijkse staatsprijs voor Europese literatuur, de Heinrich Mannprijs en de Neustadt International Prize for Literature. Haar werk bevond zich op de grens tussen literatuurwetenschap, fictie en non-fictie, tussen de Joegoslavische en Angelsaksische en de Russische culturele wereld.

    Met de burgeroorlog in haar thuisland Joegoslavië in 1991 – de reden voor haar vlucht in 1993 naar aanvankelijk Amerika en later naar Nederland – veranderde de toon van haar werk. Ze keerde zich tegen de oorlog en tegen het nationalisme, wat tot gevolg had dat ze werd uitgemaakt voor vijand van het volk, hoer en meer hatelijke kwalificaties. Het kostte haar vriendschappen met mensen die al twintig jaar haar collega’s waren.

    In Nederland verschenen van haar onder andere De cultuur van leugens (1995) waarvoor ze de Verzetsprijs ontving, Europa in Sepia (2015), De vos (2017) en Museum van onvoorwaardelijke overgave (1997, herdrukt in 2022). Deze titels werden alle drie besproken op Literair Nederland. ‘Mopperen is een vorm van mentale fitness’, schreef ze in De vos. In Europa in sepia gaat het niet alleen over politiek, maar ook over (onder andere de Nederlandse) cultuur: ‘We leven in een “cultuur van het narcisme” en van voldoen aan wat scoort. Daarom verschijnen er zoveel boeken met op het omslag kreten die verwijzen naar bestsellers van anderen’, concludeerde ik in mijn bespreking . Elisa Veini schreef in haar bespreking van Museum van onvoorwaardelijke overgave: ‘Meestal schetst ze rake portretten van mensen die vaak gedwongen en soms vrijwillig niet binnen de nauwgezette grenzen van één identiteit of herkomst passen.’
    Dubravka Ugrešić is niet meer, maar haar scherpzinnige analyses klinken hopelijk nog lang na.

     

    Foto © Judith Jockel