• Oogst week 16 – 2025

    Oogst week 16 – 2025

    De Heuvel

    Rob van der Linden heeft een aantal jaar in Israël op een heuvel gewoond. In de tijd dat hij daar woonde werd er een archeologische vondst gedaan die zijn fantasie bleef prikkelen en hem inspireerde om De Heuvel te schrijven. De heuvel in het boek is vervloekt; iedereen die er vertoeft zal in slaap vallen en na ontwaken niets meer weten van de tijd daarvoor.

    Er komen in dit boek veel uiteenlopende personages voor: de middeleeuwse Friese monnik Liudger die de blinde zanger Bernlef genas, Haroen ar-Rashid, een kalief uit de vroege middeleeuwen, de Nederlandse theoloog en staatsman Abraham Kuyper, de journalist-schrijver en later voorvechter van een gemeenschappelijk Joods/Arabische staat Jacob Israël de Haan. Hoe al deze personages te verbinden? De heuvel uit de titel is de gemeenschappelijke deler, waaromheen Van der Linden de geschiedenissen van deze zo verschillende historische personages aaneen rijgt.

    Rob van der Linden wordt steevast een rasverteller genoemd. Voor zijn debuut De hand, de kaars & de mot uit 2002 ontving hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs. Ook werd hij tweemaal genomineerd voor de Libris prijs.

    De Heuvel
    Auteur: Rob van der Linden
    Uitgeverij: Uitgeverij Magonia

    Nu laat ik los

    Ruim een jaar geleden, in maart 2024, stierf Eelco van Gelderen, op 47-jarige leeftijd. Na jarenlang psychisch lijden, later ook verergerd door fysieke pijn, kreeg hij euthanasie.

    Hij heeft dat lijden en zijn weg naar dat laatste moment vastgelegd in een dagboek dat hij met medewerking van zijn stiefvader geschreven heeft. Met dit dagboek, Nu laat ik los, wilde hij laten zien welke weg een psychiatrische patiënt moet afleggen om een menswaardige dood te kunnen sterven.

    Hij deed dat niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen. Voor mensen in een vergelijkbare situatie, voor hulpverleners en beleidsmakers, zijn omgeving en iedereen die om welke reden dan ook betrokken is bij een dergelijke problematiek. Hij getuigt van zijn weg, maar laat ook zien dat hij zich realiseerde dat hij, zoals hij schrijft, niet alleen uit zijn eigen leven stapte maar ook uit dat van zijn naasten.
    In Nu laat ik los zijn ook reacties en overwegingen van Van Gelderens moeder en stiefvader opgenomen. Zij hebben hem in alles en tot op het laatste moment gesteund.
    Met dit dagboek wil Van Gelderen duidelijk maken hoe binnen de geestelijke gezondheidszorg openheid van belang is in een gesprek over een euthanasiewens, en niet alleen met de patiënt, maar ook met diens naasten.

    Eerder, in 2022, verscheen de documentaire Breinpijn van Eelco van Gelderen en Doetie Bakker. De vervolgdocumentaire Onvoltooid volledig is inmiddels ook verschenen, maar nog niet openbaar. Mail voor meer informatie: onvoltooidvolledig@gmail.com.

    Nu laat ik los is te koop via de boekhandel (ISBN 9789090394039) of te bestellen via eelcoreactie@gmail.com. Het kost € 20,- (plus € 4,25 verzendkosten).

    Nu laat ik los
    Auteur: Eelco van Gelderen m.m.v. Adri Altink

    De schrijfster en de nagtegaal

    Het nieuwste boek uit de serie privé domein, nummer 331, is De schrijfster en de nagtegaal. Het betreft een briefwisseling van 1839 tot 1849 tussen de schrijfster George Sand en Pauline Viardot, één van de grootste en bekendste operazangeressen van de negentiende eeuw. De vertaling is van Rosalien van Witsen.

    Haar grootste successen viert Viardot (1821-1910) in eerste instantie niet in Frankrijk maar in Engeland, Duitsland, Oostenrijk Spanje en Rusland. Sand (1804-1876) werpt zich op als haar adviseur en stimuleert Viardot in haar pogingen om na het buitenland, ook Frankrijk te veroveren. Viardot maakt in 1848 haar debuut in de Opéra te Parijs.

    Sand is in Frankrijk een bekende schrijfster, zeventien jaar ouder dan de operazangeres en zij gedraagt zich daar in haar brieven ook naar. Ze noemt Viardot in de aanhef van haar brieven bijvoorbeeld ‘juffertje Pauline’, ‘koninginnetje’ of ‘Lief, teder bemind dochtertje’, en ondertekent met met je moeder’ of ‘je oude moeder’ en ‘je oudje’.

    In hun brieven gaat het over Chopin, met wie Sand negen jaar samenwoonde, over de concerten die Viardot in het buitenland gaf, de mensen die ze op haar reizen ontmoette en haar indrukken van het buitenland. Op een van haar reizen in Rusland ontmoet Viardot de Russische schrijver Toergenjev, met wie ze daarna een jarenlange, buitenechtelijke relatie onderhoudt.

    De brieven van Sand en Viardot zijn in 1958 voor het eerst gepubliceerd onder de titel Lettres inédites de George Sand et de Pauline Viardot.

     

    De schrijfster en de nagtegaal
    Auteur: George Sand en Pauline Viardot
    Uitgeverij: Uitgeverij de Arbeiderspers (2025)
  • Heruitgave mist extra hoofdstuk

    Heruitgave mist extra hoofdstuk

    In een essay in De Groene van 27 maart jl. analyseert Daan Heerma van Voss hoezeer de haat tegen vrouwen in de politiek is toegenomen. Ook mannelijke politici krijgen bakken met haat over zich heen, maar ze worden nooit veracht om hun gender: ‘Dat voorrecht gaat over het algemeen aan vrouwelijke politici voorbij: zij worden expliciet gepakt op hun vrouw-zijn’.
    Het is vervreemdend om met dat verhaal in het achterhoofd Het persoonlijke is politiek van Hedy d’Ancona te lezen. Dit jaar verscheen van haar boek uit 2003 de tweede druk. ‘Onverminderd actueel’ roept de achterflap. Het boek is nog even lezenswaard als in 2003, maar dan toch vooral als een geschiedenis van het feminisme in Nederland in de periode van de jaren zestig tot de verschijning van het boek in 2003, vervat in een autobiografie van de auteur.

    Framing

    Het vervreemdende is dat je je realiseert hoezeer de resultaten van hard werken aan een betere maatschappelijke positie van vrouwen tot begin 2000 weer lijken te zijn teruggedraaid nu femicide, tradwives, verboden op abortus, enzovoort zeer regelmatig de kranten halen en gelijke beloning voor vrouwen nog steeds ter discussie staat. Nieuw aan de tweede druk van Het persoonlijke is politiek is alleen een uiterst kort woord vooraf. Daarin noemt d’Ancona de recente ontwikkelingen waarin politici opstappen vanwege racistische bejegeningen en de framing van Amsterdam als antisemitisch na de rellen rond Ajax-Maccabi Tel Aviv. ‘Mijn beide klompen braken’, schrijft ze, de ene om de beledigingen en de andere ‘omdat de mensensoort vrouwen en ook meisjes’ in dit hele verhaal niet lijken te bestaan’. Ze hadden geen tijd om te rellen, maar ‘ze zaten braaf te blokken voor hun profielwerkstuk’.

    Het is een wat magere reflectie op haar boek uit 2003. Interessanter zou een nieuw hoofdstuk zijn geweest over hoe zij terugkijkt op haar carrière in het licht van deze nieuwe ontwikkelingen: voelt ze haar werk ongedaan gemaakt? Wat is de staat van het feminisme nu? Is er hoop?

    Persoonlijk

    Dat wil allemaal niet zeggen dat herlezing van d’Ancona’s boek 22 jaar later niet interessant is. De stelling van de auteur dat het persoonlijke politiek is blijft geldig. Vrouwen kunnen nog zoveel meer in staat zijn persoonlijke keuzes te maken, er verandert pas werkelijk iets als de politiek dat in wetgeving en beleid vertaalt.
    Het was de reden dat Hedy d’Ancona van haar feministische acties, zoals de oprichting van Man-Vrouw-Maatschappij (MVM), overstapte naar de Partij van de Arbeid om vervolgens Kamerlid, staatssecretaris, Europees parlementariër en daarna Minister te worden. Haar boek getuigt ervan hoe moeizaam die weg was. Het onbegrip kwam niet alleen van mannen, maar ook van vrouwen. D’Ancona beschrijft bovendien levendig hoe ze zelf meerdere keren voor valkuilen stond in relaties en in de verhouding tussen werk en opvoeding. Ze doet dat in een heel eerlijk persoonlijk relaas doordat ze veel aandacht geeft aan de verhouding tussen haar moeder en haar en die van haarzelf tot haar kinderen, vooral haar dochter Hadassah.
    Aangrijpend zijn de passages waarin ze beschrijft hoe ze langzaamaan ontdekt wat er met haar vader, waarvan ze aanvankelijk alleen weet dat hij is gestorven in februari 1945, werkelijk is gebeurd.

    Hoop

    Het persoonlijke is politiek is opgebouwd uit min of meer losse stukken die op verschillende momenten zijn geschreven. Daardoor kom je nogal eens herhalingen tegen. Dat het boek een (op het Voorwoord na) ongewijzigde uitgave is van dat uit 2003, werkt af en toe bovendien verwarrend, vooral als in een zin het woordje ‘nu’ wordt gebruikt. Geldt dat voor 2003 of voor 2025?
    Anderzijds zet zoiets je ook aan het denken, zoals wanneer d’Ancona een lang citaat van Joke Smit uit 1971 (ze verliet toen teleurgesteld de politiek die volgens haar steeds weer terugvalt in oude patronen) laat volgen door haar eigen opmerking: ‘Die laatste regels van Joke blijken na al die jaren, nog niet veel aan actualiteitswaarde te hebben ingeboet’. Dat gold in 2003. Maar dat het ook in 2025 geldt, kun je als lezer wel bedenken. Het is zelfs nog erger geworden.
    Is er toch nog hoop?

     

     

  • Er is een nieuwe taal nodig

    Er is een nieuwe taal nodig

    Het Hebreeuws kent de letter Waw die geschreven wordt als een simpel stokje dat lijkt op een spijker en uitgesproken wordt als een V. Hij wordt de omkeerhaak genoemd en kan, geplaatst voor een werkwoord, de tijd doen kantelen. ‘Ik heb gesproken’ wordt met de Waw ervoor ‘Ik zal spreken’. Dit bijzondere element van de Hebreeuwse grammatica valt te lezen in het vierde van tien gesprekken in Overleven na 7 oktober van Delphine Horvilleur. Daarin keren het verband tussen verleden en toekomst en de taal steeds terug binnen het grote centrale thema van Jodenhaat, antisemitisme en racisme.

    Horvilleur (1974) is de derde vrouwelijke rabbijn die Frankrijk kreeg. Haar tien gesprekken verschenen vorig jaar naar aanleiding van de aanval van Hamas op 7 oktober 2023 op het Israëlisch muziekfestival Supernova Sukkoth Gathering. Daaraan is toegevoegd een preek die Horvilleur twee weken voor die aanslag hield en die voor een belangrijk deel ging over het gevaar van rechts-extremisme in Israël.

    Schuldig

    De tien gesprekken zijn fictief maar staan wel in verband met reële historische personen en ervaringen in het leven van de schrijfster: ze voert ze met haar overleden grootouders en haar kinderen, met een overleden Franse chansonnier van wie een bekend lied Joodse wortels heeft, met antiracisten, maar ook met abstracties als de Joodse paranoia en Bijbelse figuren.
    Wat vooral duidelijk wordt is hoe moeilijk je na 7 oktober als Joodse kunt schrijven over door jezelf ondergane haat zonder te worden beticht van blindheid voor het leed aan Palestijnse zijde. De haat keert in de geschiedenis steeds terug; ze was er, is er en zal er zijn: ‘Met bewonderenswaardige doortraptheid weet de Jood tegelijkertijd schuldig te zijn aan twee dingen die elkaar uitsluiten (…) De Jood kan tegelijkertijd een “kapitalistische uitzuiger” zijn en “bolsjewistisch ongedierte” (…) Hij irriteert wanneer hij rondzwerft en zich nergens vestigt, maar hij wekt nog meer haat op wanneer hij zijn soevereiniteit uitroept en een grondgebied opeist’.

    Oorsprong

    Het antisemitisme (en elke haat tegen een groep) heeft diepe psychologische en theologische wortels. In het boeiende achtste gesprek van de bundel verwijst Horvilleur daarvoor naar de verhouding tot de oorsprong. De christenen hebben eeuwenlang verkondigd dat zij het ware Israël waren door zich voor te houden dat het oudere Jodendom onterfd was omdat het Gods vertrouwen had verspeeld. Moslims betogen dat de Bijbel de verminkte versie van de Koran is. Die inzichten in het oorsprongsverhaal voeden de angst bij iemand in het krijt te staan omdat je niet zelf de oorsprong bent. De Joden staan evenzeer bij voorgangers in het krijt, de Egyptenaren, Chaldeeën, Soemeriërs enzovoort. Het Jodendom is door hen beïnvloed, maar het zijn allemaal verdwenen culturen die het niet meer voor zich hoeft te dulden: ‘In dat opzicht hebben christenen en moslims gewoon pech, want die Joden zijn er nog steeds’. Als een onuitroeibaar onkruid.

    Einde der tijden

    De huidige Gaza-oorlog vermoordt behalve onschuldigen en nuances ook de taal. ‘Gematigde stemmen verstommen en radicale brullen uit volle kracht’. Op elke gematigde opvatting volgt een ‘ja, maar’: “Er zijn Joodse vrouwen verkracht, maar…” “Het lot van de kinderen in Gaza is gruwelijk, maar…”
    Elke keer als je probeert simpelweg te gaan staan aan de kant van iemand die lijdt krijg je het verwijt dat je de context negeert. Op dit punt doet Horvilleur sterk denken aan Natascha van Weezel, die in haar Hoe houd je je hart zacht op een heel persoonlijke manier verslag doet van wat ze in haar dagelijkse leven over zich heen krijgt omdat ze als Joodse vrouw vóór de eigen staat Israël is, maar tegen de huidige politiek van dat land ten aanzien van Gaza en de Palestijnen.
    Het lijkt erop dat religies ieder op hun eigen manier het einde der tijden willen bespoedigen, schrijft Horvilleur. Voor de rechtse christenen kan de Messias niet snel genoeg komen, de Joodse ultranationalisten prikken in naam van God de ene nederzetting na de andere op de kaart en de radicale islam wil wereldwijd haar kalifaat vestigen. Er wordt niet meer geluisterd naar elkaar en niet meer gepraat. En ‘bij gebrek aan gesprek is geen enkele redding mogelijk’. In dit verband is een mooie observatie van de auteur dat de woorden ‘Hebreeuws’ en ‘Arabisch’ in het Hebreeuws perfecte anagrammen zijn van elkaar.

    ‘Niet goed’

    Horvilleur heeft veel contact met Arabische schrijvers. Ze is overtuigd aanhanger van de tweestaten-oplossing. Haar Overleven na 7 oktober heeft een mooie vorm die dat laat zien. De gesprekken openen met een gedicht van de Palestijn Mahmoud Darwich en sluiten af met een fragment van de Israëliër Yehuda Amichai. Beide teksten gaan over oog hebben voor elkaar.
    Horvilleur maakt haar bundel rond door in het laatste gesprek terug te keren naar haar eerste. Daarin beschreef ze dat het antwoord op de Jiddische openingsvraag van een gesprek, ‘Hoe gaat het?’, meestal is: ‘Goed’, meteen gevolgd door ‘Niet goed!’. In het tiende gesprek bepleit ze het zoeken naar een nieuwe taal: we moeten leren om ‘Hoe gaat het niet?’ te durven vragen. Dat is de vertaling van de Franse titel van de bundel gesprekken. Die is Comment ça va pas?. De Nederlandse titel van het boek steekt daar wat prozaïsch bij af.

     

     

  • De wereld is haar eigen karikatuur

    De wereld is haar eigen karikatuur

    ‘Multatuli (pseudoniem van Eduard Douwes Dekker, 1820-1887) neemt in dit handboek een cruciale positie in, getuige “Het Pak van Sjaalman”, de verzameling fictieve manuscripten die hem tot het schrijven van de Max Havelaar (1860) zou hebben gezet’. Verzamelingen van verzonnen documenten of boeken waren er ook al voor Multatuli. De beroemdste is de catalogus van de Middeleeuwse abdij Saint-Victor. Hij staat vol niet-bestaande titels en werd bedacht door François Rabelais in zijn Pantagruel uit 1532. En er zijn nog meer voorbeelden van dergelijke fakes.
    Het citaat over Multatuli komt uit Het Carnaval van het Zijn. Handboek ‘Patafysica van Matthijs van Boxsel. Maar het Sjaalmanpak is niet de enige reden waarom Multatuli volgens hem een goed voorbeeld van een ‘Patafysicus is. Er is ook zijn Idee 158 dat door Van Boxsel uitvoerig wordt geciteerd en kernachtig kan worden samengevat in de stelling dat de wereld haar eigen karikatuur is. Dat is één manier om duidelijk te maken wat ‘Patafysica is.

    Eerst maar eens de verklaring van de naam ‘Patafysica. Van Boxsel geeft er omschrijvingen van in allerlei varianten, waarvan deze misschien de helderste is: ‘De ‘Patafysica omhelst alle theorieën, wetenschappelijk of niet, als evenzovele min of meer mislukte pogingen in het reine te komen met de idiotie van het bestaan’. Het is een mengeling van wetenschap, kunst, geloof en humor, maar het is daarnaast een houding: ‘De wereld is feitelijk de ware Academie voor ‘Patafysica. Alles en iedereen is patafysisch’. Dat beseft echter niet iedereen en daar heeft de ‘Patafysica zijn apostrof voor de P aan te danken. Die staat voor mensen die dat door hebben.

    Jarry

    Door een stel geleerden werd in 1948 in een Parijse boekwinkel het Collège de ‘Patahysique opgericht; de naam was ontleed aan de schepper van deze levensbeschouwing, Alfred Jarry (1873-1907) die in zijn Roemruchte daden en opvattingen van Doctor Faustroll, patafysicus de naam muntte. Hij is ook degene die het leven omschreef als ‘Het Carnaval van het Zijn’.
    In de jaren na de stichting van het Collège werd dit geleidelijk geformaliseerd. Er kwamen statuten, een embleem bestaande uit een spiraal met de tekst eadem mutata resurgo (hetzelfde keert altijd weer, maar dan anders), een eigen jaartelling, een eigen kalender (waarin elke dertiende van de maand op een vrijdag valt) en een lijst met rangen (regenten en satrapen – Maurits Escher is de enige Nederlandse satraap) en ordes als die van Smeerolie, de Blaasmachine en de Vuurgangvlampijpketel, elk met een eigen kleur kwast.

    Fumisme

    De ‘Patafysica breidde zich uit met een nieuwe tak, het Fumisme, een systeem van mystificaties ‘bedoeld om de hypocrisie aan de kaak te stellen en de bluf door te prikken’ (fumisme is misschien te vertalen als het opwerpen van rookgordijnen). Het leidde volgens Van Boxsel enerzijds tot de emancipatie van de humor en was anderzijds een ‘vorm van methodische domheid’. Onder deze stroming vallen klankgedichten zoals we die in Nederland kennen van Jan Hanlo (Oote oote oote / Boe) en van fantasiewoorden zoals van Cees Buddingh’ (de Blauwbilgorgel). Maar het Fumisme uit zich ook in karikaturen, schertsbladen, relativering van de kunst (Marcel Duchamp onder andere) en cabarets zoals dat van de petomaan Joseph Pujol, die zijn publiek onderhield met het laten van scheten in allerlei toonaarden en lengtes. Alles ter illustratie van de bewering dat cultuur is: ‘het product van een reeks min of meer geslaagde pogingen de schijn op te houden’.

    Circonflex

    De ‘Patafysica sloeg ook in Nederland aan. Hier werden vanaf 1972 het NIP (Nederlands Intstituut voor ‘Patafysica) en het NAP (de Nederlandse Academie voor ‘Patafysica) opgericht. Er kwam een eigen naam, de Bâtafysica waarin het Bataafse doorklinkt. De apostrof voor de beginletter is vervangen door een circonflex op de eerste a. Prominente leden waren en zijn Van Boxsel zelf, Atte Jongstra, Maxim Februari, Rudy Kousbroek en Wim T. Schippers. De ware bâtafysicus is volgens de auteur, een antropoloog in eigen land die in staat is het inheemse als exotisch te zien. Dat gezelschap is in Nederland bijzonder groot. Van Boxsel rijgt de voorbeelden aaneen en dan nog blijft hij in zekere zin beknopt. Het Simplisties Verbond bijvoorbeeld moet het louter met een vermelding doen.
    Wat ook opvalt is dat de indruk wordt gewekt dat ‘Patafysica zich voornamelijk in Frankrijk en Nederland manifesteert. Slechts zijdelings vallen Angelsaksische namen en uit landen ten oosten van Duitsland verschijnt niemand ten tonele. Geen Monty Python dus en geen Hrabal, die toch niet misstaan zouden hebben. Andere continenten passeren evenmin.

    Koprollen

    Die Frans-Nederlandse inkleuring is sterk zichtbaar in de drie delen van Het Carnaval van het Zijn. Het eerste gaat over het ontstaan van de ‘Patafysica en de organisatie ervan in beide landen en het tweede over het Fumisme. Het derde deel is getiteld Protobâtafysica en laat met tal van voorbeelden zien dat er ver voor Jarry de naam bedacht in de Nederlanden al heel wat ‘patafisici avant la lettre waren. Denk aan de rederijkers in de late Middeleeuwen en dada in het begin van de 20ste eeuw. Van Boxsel serveert de meest bizarre voorbeelden zoals de Amsterdammer Karel Pieters die in 1920 naar Parijs liep met een blok hout aan zijn been of zijn stadgenoot Charles Takkenberg die in 1923 al koprollend de tocht naar Marseille begon (en aankwam).

    Matthijs van Boxsel heeft met Het Carnaval van het Zijn een Handboek ‘Patafysica geschreven dat onmogelijk in een korte bespreking recht is te doen. Want naast alle voorgaande voorbeelden hebben we het hier niet eens gehad over leven en werk van Alfred Jarry (Ubu roi vooral) en allerlei organisaties als OuLiPo (en in Nederland het Opperlans), ‘Openbaar Kunstgebit’, ‘Barbarber’ enzovoort. Het vijfhonderd pagina’s dikke Handboek is een heerlijke stortvloed van voorbeelden in tekst en illustraties waarin de idiotie van ons bestaan aan de kaak wordt gesteld. Het had nog uitgebreider gekund (zie hiervoor) en jammer is ook dat er wel een personenregister maar geen zakenregister is opgenomen, maar ach, waarom zouden we dat Van Boxsel aanrekenen bij alles waaraan we ons dankzij hem wel kunnen laven. Pak dat boek ter hand en treedt toe: ‘De Nederlandse Academie voor ‘Patafysica is geen vrijmetselarij, geen liefdadigheidsinstelling of Rotary. Iedereen kan lid worden zonder drieslag, besnijdenis of piercing. De enige inspanning die men moet verrichten is ruimhartig geld storten’. Dan is € 39,99 voor deze ‘Patafysicabijbel alvast een goed begin.

     

     

  • Steeds een andere pet

    Steeds een andere pet

    In de serie Zomergasten van 2024 zorgde acteur Pierre Bokma voor enige ophef door als laatste in de serie zijn gesprek met Hanneke Groenteman licht beschonken te beëindigen. Dat was menige kijker opgevallen. In de pers is er geen melding van gemaakt dat hij een illustere voorganger had in Hugo Brandt Corstius. Die werd in 1997 voor hetzelfde programma geïnterviewd door Wim T. Schippers, terwijl zijn vrouw Ina thuis met groeiende zorg zat te kijken naar het tempo waarin haar man glazen wijn achteroversloeg: ‘Halverwege de uitzending belde ze regisseur Ellen Jens met het verzoek Hugo geen wijn meer te schenken’ lezen we nu in Ik heb nog nooit gelogen, de biografie van Hugo Brandt Corstius (1935-2014) door Elsbeth Etty: ‘Geen enkele tv-recensent zinspeelde achteraf op dronkenschap van Brandt Corstius’.

    Hugo Brandt Corstius (verder HBC te noemen) vergeleek zich graag met Multatuli, die over zichzelf ooit zei dat hij ‘een vat vol tegenstrijdigheden’ was. Die karakteristiek kan ook op HBC worden geplakt. De tegenstrijdigheid is in zekere zin vervat in zijn uitspraak ‘Ik heb nog nooit gelogen’ die Elsbeth Etty koos als titel voor zijn levensverhaal. En Etty trekt nog zo’n vergelijking: ‘Ook in Dekkers gebrek aan aandacht voor zijn eerste echtgenote Tine en hun twee kinderen zal Hugo zich hebben herkend’.

    Tatje en Ina

    HBC was in zijn hele leven een vrouwenveroveraar. Soms had hij gelijktijdige relaties met vrouwen die dat van elkaar niet wisten. Met twee van die vrouwen was hij getrouwd, eerst met Henriëtte (‘Tatje’) Smits (van 1974 tot aan haar dood in 1981) en van 1989 tot aan zijn eigen dood in 2014 met Ina Mulder (bekender als Ina Rilke, de naam waaronder ze vertaler was). Met Tatje kreeg HBC zijn drie kinderen Aaf, Merel en Jelle, van wie hij de opvoeding vrijwel geheel aan hun moeder overliet. Datzelfde gebeurde in zijn huwelijk met Ina. Zij verbaasde zich er bijvoorbeeld over dat HBC in 1987 twee weken met haar in New York verbleef zonder de kinderen ooit iets te laten horen; hij had voor hen zelfs geen telefoonnummer achtergelaten. Jelle schreef later: ‘Het is niet zo dat hij ons verwaarloosde, maar wij stonden nooit in het middelpunt’.

    Stralingdag

    Vrijwel alle vrouwen in HBC’s leven hadden gemeen dat ze van taal en taalgrapjes hielden. Tatje bijvoorbeeld noemde hij eens ‘het meisje met de nieuwe woorden’. Omgekeerd inspireerden ze hem tot diverse van zijn vele pseudoniemen, afgeleid van hun naam: De Amerikaanse liefde Pat Gray is terug te vinden in ‘Piet Grijs’, Abby Chapkis leefde voort in ‘Raoul Chapkis’ en Marijke van der Glas in ‘Maaike Helder’. Spelen met taal was de grootste liefhebberij van HBC. Die levenslange interesse werd het Opperlands dat hij ‘Nederlands op vakantie’ noemde en dat uiteindelijk onder zijn pseudoniem Battus geboekstaafd werd in steeds dikker wordende naslagwerken. Toen hij zeven jaar was verzon hij al spontaan een anagram van Stalingrad (‘Stralingdag’ – vanwege een g teveel net niet kloppend) en toen hij op het eind van zijn leven zijn mentale achteruitgang beschreef formuleerde hij dat als ‘Ik word langzaam temend dement’.

    Daarnaast was hij de columnist die ‘provocatie als verdienmodel’ hanteerde. In de woorden van Etty: ‘Hij gaf een persoonlijke, vaak absurdistische draai aan actuele kwesties, meestal polemisch en wat de feiten betreft soms moeilijk verifieerbaar’. HBC begon zijn novelle Liegen, loog, gelogen uit 1987 (onder het pseudoniem Dolf Cohen) met de zin ‘Ik heb mijn hele leven gelogen’ om daar elders aan toe te voegen: ‘Ik heb nog nooit gelogen’. Zijn lezers moesten zelf uitzoeken wat hij meende en wat niet. Daarin beschouwde hij zich als literator: ‘Literatuur is slim liegen’.

    Productiviteit

    Hoe dan ook leidden zijn columns menigmaal tot felle kwesties. Oudere lezers zullen zich de rellen nog herinneren over Buikhuisen (die vond dat criminaliteit verband hield met biologische kenmerken), zijn aanvaringen met Tamar (Renate Rubinstein) en W.F. Hermans enzovoort, en die met minister Onno Ruding die in 1984 leidde tot de weigering van minister Brinkman om de PC Hooft-prijs uit te reiken aan iemand die het kwetsen tot instrument had gemaakt (in 1988 kreeg HBC de prijs alsnog, toen het geen Staatsprijs meer was).

    Vooral als columnist leefde hij zich uit onder tal van pseudoniemen en mystificaties. De bekendste zijn Piet Grijs, Raoul Chapkis, Battus en IJsbrand Stoker, maar het waren er allemaal bij elkaar wel zo’n dertig. Etty stelt zichzelf de vraag waarom hij dat deed. Dat hij ze als schuilnamen gebruikte gelooft ze niet. Hij ontmaskerde zichzelf meerdere keren en anders deden anderen dat wel. Evenmin staat elk pseudoniem volgens haar voor een persoonlijkheid: de alter ego’s lijken daarvoor stilistisch en inhoudelijk te veel op elkaar. Etty’s verklaring is simpelweg de enorme productiviteit van de gebiografeerde: ‘Door steeds een andere pet op te zetten veroverde hij gigantische ruimte in de media die voor een scribent met maar één naam ondenkbaar was’. Die verklaring is heel plausibel want door die veelheid van namen kon HBC bijvoorbeeld in één nummer van Vrij Nederland van 2 november 1978 in drie gedaanten opduiken: als Piet Grijs, als Battus en als Jan Eter.

    Evenwichtig

    HBC was oorspronkelijk overigens wetenschapper. Hij was gepromoveerd in Wiskunde en Natuurwetenschappen en in Algemene Taalwetenschap. Bij die eerste promotie ging zijn dissertatie zijn opponenten blijkbaar boven de pet, beschrijft Etty, want zij stelden alleen vragen over zijn stellingen en niet over de ingewikkelde inhoud van zijn proefschrift.

    De biografie van HBC zou oorspronkelijk worden geschreven door taalkundige Liesbeth Koenen; ze werkte er twee jaar aan, maar kon het werk door haar vroegtijdige dood niet afmaken. Elsbeth Etty is publicist. Het is niet onwaarschijnlijk dat Koenen meer uitgeweid zou hebben over Opperlands waar bij Etty vooral de polemische kant in het licht wordt gezet. Toch is Ik heb nog nooit gelogen – de titel verwijst al vooral naar polemische kant – een evenwichtige biografie. Een prachtig, met vaart geschreven levensoverzicht van een complexe man die een briljante taalvirtuoos was.

     

     

  • Globetrotterend van de oertijd naar Greta Thunberg

    Globetrotterend van de oertijd naar Greta Thunberg

    Menigeen herinnert zich wel hoe de sleur van plichtmatig schoolbezoek door één leraar in het bijzonder aangenaam kon worden doorbroken. Hij of zij was zo’n aanstekelijke verteller of wist je zo te raken dat je die docent nooit meer bent vergeten. In het beste geval werd in die lessen zelfs de bodem gelegd voor je levenslange interesse of zelfs je latere beroep.
    De Belgische journaliste en dichteres Barbara de Munnynck zou als docente de leerlingen vast meegekregen hebben. Ze publiceerde onlangs Een kleine wereldgeschiedenis in 100 grote data. Als je nog geen liefhebber van geschiedverhalen was word je het door dat boek alsnog.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.
  • Het huis als warboel van goede bedoelingen

    Het huis als warboel van goede bedoelingen

    Dialogen bestaan in romans doorgaans uit afgewogen zinnen. Ze staan in dienst van de loop van het verhaal en volgen elkaar in een logische opbouw op. Op het witte doek zijn dialogen al evenzeer ingekaderd. Heel vaak is de spreker en face in beeld en pakt de camera op dezelfde manier de volgende spreker waardoor de aandacht van de kijker volledig gaat naar wat er (met de bijbehorende mimiek) gezegd wordt. In het dagelijks leven gaat het zelden zo. Sprekers vergissen zich, springen van de hak op de tak, houden zich niet aan grammaticale regels, onderbreken elkaar en luisteren slecht. Bovendien zijn er voor de aangesprokene allerlei afleidingen door een TV die aan staat, de titel van een boek dat op tafel ligt, een telefoongesprek of een foto die allemaal de gedachte afleiden van wat er gezegd wordt.

    De verlossers van William Gaddis bestaat vrijwel louter uit dialogen die zich op die laatste manier ontwikkelen. Daar komt bij dat de gespreksonderwerpen van de protagonisten op zijn zachtst gezegd nogal duister, verdacht en ondoorgrondelijk zijn. Wie voor het eerst Gaddis leest kan er op stuk lopen, maar opnieuw beginnen loont. Dan krijg je door wat hier gebeurt en word je deelgenoot van het ‘werkelijke’ leven van de personages in al hun verwarring, eenzaamheid, woede, machtswellust, angsten, wantrouwen enzovoort.

    Domheid

    William Gaddis schreef vier romans die tot op heden niet in Nederlandse vertaling beschikbaar waren. Toch kan zijn naam bij een enkeling bekend zijn van een citaat dat rond (de Amerikaanse) verkiezingen of in discussies over populisme wel eens opduikt: ‘Domheid is opzettelijke cultivering van onwetendheid’ (zeer recent bijvoorbeeld in de proloog van De domheid regeert van Sander Schimmelpenninck). Het citaat komt uit de derde roman van Gaddis die als eerste in het Nederlands kan worden gelezen: De verlossers. In die roman duikt de uitspraak op in een tirade van de raadselachtige en handtastelijke McCandless over streng gelovige creationisten die de evolutie ontkennen. Het is een interessante filippica die meer aforistische zinnen bevat als ‘Geopenbaarde waarheid is het enige wapen van de domheid tegen de intelligentie’. Deze McCandless is een geoloog die ooit in Afrika onderzoek heeft gedaan en daar dominee Ude ontmoette, de grote voorman van de beweging die hij aanvalt. McCandless schreef mee aan schoolboeken over het ontstaan van de wereld, maar Ude zorgde ervoor dat zijn artikelen werden verminkt tot ze pasten in het Bijbelse scheppingsverhaal. Het is duidelijk dat de twee elkaar wel kunnen schieten.

    Gefoeter

    McCandless is ook de eigenaar van het huis waarin twee andere belangrijke personages wonen: Paul Booth, een getraumatiseerde Vietnamveteraan, en zijn vrouw Elizabeth Vorakers. Paul heeft voor haar vader gewerkt, die rijk geworden was als mijnbouwtycoon en baas van de Vorakers Consolidated Reserve (VCR), maar zelfmoord heeft gepleegd. Als het getrouwde stel ergens in uitblinkt is het in níét luisteren naar elkaar. Vooral Paul heeft er een handje van. Hij foetert Elizabeth aanhoudend uit, verwijt haar dat ze hem tegenwerkt in de schitterende onderneming die hij opzet voor dominee Ude, beklaagt zich over haar doktersrekeningen enzovoort. En daar fietst dan ook nog eens steeds haar broer Billy doorheen die een onduidelijke affaire heeft gehad met ene Sheila die het boeddhisme aanhangt en die zijn zwager maar een enorme lul vindt. Grove taal wordt niet geschuwd. Alle personages zijn wel op een of andere manier betrokken bij zaakjes als fraude, uitbuiting en verduistering, waar ze anderen dan weer de schuld van geven.

    Chaos

    Om de paar dagen duikt huiseigenaar McCandless op om op een rommelige manier te zoeken in allerlei paperassen en boeken die hij nog in het huis heeft liggen. Tijdens die bezoekjes raakt hij verzeild in de discussies tussen de anderen. In zijn inbreng tiert hij over politiek, koloniale geschiedenis, Genesis en literatuuropvattingen. Dat maakt De verlossers meteen tot een weidse roman.
    De omgeving waarin alles zich afspeelt versterkt de chaos en het spookachtige karakter. Hoewel er wel sprake is van enig tijdsverloop lijkt alles zich af te spelen op de avond van Halloween. Bovendien is er het eigenaardige huis dat het toneel vormt van alle gesprekken. Dat heet ‘Carpenter’s Gothic’. Op pagina 127 omschrijft McCandless het zelf als volgt: ‘Hele ontwerp gedacht vanuit het buitenaanzicht (…) ze tekenden alleen die buitenkant en propten de kamers er later wel in’. Fraaie gevel dus, maar aan de binnenkant een wirwar. In het huis is van alles mis. De wc zit verstopt, er wordt gedronken uit kapotte glazen en kopjes, de ramen zijn smerig, sleutels raken kwijt, er is post zoek en genoteerde telefoonnummers zijn nergens meer terug te vinden.

    Gaddis kleedt al het geharrewar en gerotzooi af en toe komisch in. Op het hilarische af is bijvoorbeeld een (wrange) scène waarin Elizabeth broccoli probeert op te warmen voor Paul, die haar juist weer eens de huid vol scheldt. En terwijl zij aandacht probeert te vragen voor iemand die met zware brandwonden in het ziekenhuis ligt, verbrandt intussen de groente: ‘Je mag die broccoli wel laten liggen’.
    Fraai is ook de scène waarin Elizabeth op haar bed naar Jane Eyre (met Orson Welles, een film uit 1943) kijkt terwijl ze beneden Paul telefonisch met dominee Ude hoort konkelen. Gaddis laat hier beelden uit de film overlopen in beschrijvingen van het telefoongesprek en de gedachten van Elizabeth, wat het geheel des te meer een gothic tintje geeft.

    Warboel

    De Nederlandse titel De verlossers lijkt te verwijzen naar wat dominee Ude en zijn volgelingen teweegbrengen. De originele titel (uit 1985) is echter Carpenter’s Gothic. Gaddis zelf verwijst daarmee naar het huis waarin zich alles afspeelt, dat als metafoor te zien valt (zie de genoemde pagina 127) voor het gedrag van de hoofdpersonen. Op pagina 232 zegt McCandless daarover bovendien nog: ‘het interieur [is] een warboel van goede bedoelingen als een laatste bespottelijke poging nog iets te doen wat de moeite waard is’. Hoe dan ook, welke belangen de verschillende hoofdrolspelers mogen nastreven, alle bedoelingen monden tenslotte uit in een tragisch einde.

    Wat een klus moet de vertaling geweest zijn. Frank Lekens strooit met formuleringen, scheldwoorden en kanonnades die de sfeer volledig recht doen. Dat is des te virtuozer omdat soms niet duidelijk is wie er aan het woord is of hoe de feiten liggen waarover men elkaar in de haren vliegt. Na een eerste lezing blijf je om diezelfde reden met veel raadsels zitten: hoe zijn alle verhoudingen precies ontstaan. Wat is er in het verleden gebeurd dat het zover kon komen. Maar ook: welke symboliek hebben de talrijke vogels in de roman. Waarom daalt op bepaalde momenten steeds een oude vuilnisraper de heuvel af, soms vergezeld van een hond. Het zijn allemaal, naast vele andere, redenen om De verlossers te herlezen. Met geduld. Dat wel.

     

  • Fietsen langs taalfossielen

    Fietsen langs taalfossielen

    Het is een aandoenlijk tafereel dat Philip Dröge beschrijft in één van de laatste hoofdstukken van De Tawl. Hij staat bij het graf van de Amerikaan John Storms in het dorpje Pascack. Deze John overleed op 8 april 1962; je zou kunnen zeggen dat het tevens de sterfdag van een taal was, omdat hij de laatste spreker van het oorspronkelijke Nederlands was in Amerika. Wat het nog dramatischer maakt is dat de sterfdag van dit Neder-Amerikaans eigenlijk al dertien jaar eerder lag. John en zijn broer James gebruikten namelijk als laatsten hun oude taal nog, en dus alleen onderling. Maar James was in 1949 al gestorven. John had toen niemand meer die hem in die taal verstond; zelfs zijn vrouw niet, want zij sprak die niet.

    De Tawl heet het residu van de taal die in 1642 aanmeerde, samen met de eerste Nederlandse kolonisten, aan weerszijden van wat later de rivier de Hudson zou gaan heten en waar de vesting Nieuw-Amsterdam werd gesticht. De Tawl is ook de titel van de afgelopen september met de Taalboekenprijs bekroonde speurtocht naar restanten van die oorspronkelijke taal, ‘taalfossielen’ noemt auteur Dröge ze zelfs een keer wat oneerbiedig.

    Het boek is een mengeling van een road trip per fiets door een deel van New Jersey en een onderzoek via gesprekken en archiefstudies naar wat er nog van het 17de-eeuwse Nederlands is terug te vinden. De fietstocht, soms over de vluchtstrook langs autowegen of lastige hellingen, wordt daarmee een metafoor voor de moeizame, maar zeer meeslepende naspeuringen. De beschrijving van de teloorgang van een inmiddels verdwenen taal is bij Dröge in goede handen. Hij schreef eerder al eens een boeiende geschiedenis van een verdwenen land, het ministaatje Moresnet.

    Van Buren

    Iedereen heeft wel eens gehoord dat er tal van plaatsnamen zijn in New Jersey die aan de eerste Nederlanders herinneren. Brooklyn en Harlem (naar Breukelen en Haarlem) zijn de bekendste maar er zijn er meer. Dröge speurt echter vooral naar Nederlandse restanten in de geleidelijk door het Engels vervangen taal en legt bloot hoe dat oorspronkelijke Nederlands in de loop van drie eeuwen volkomen verdween.
    Minder mensen zullen weten dat het woordje OK (okay) voor ‘goed’ een Nederlandse connectie heeft. Dat heeft te maken met de enige president die Amerika heeft gehad die naast Engels ook Nederlands sprak. We hebben het dan over de achtste president (van 1837-1841) Martin van Buren. Hij was een nazaat van ene Maessen die in 1631 in Amerika aanlandde maar daar de naam Van Buren aannam naar zijn Gelderse geboorteplaats. De president woonde in het plaatsje Old Kinderhook (het zal de naam te danken hebben gehad aan het grote aantal kinderen dat het ooit bevolkte). De presidentskandidaat kreeg de bijnaam ‘Old Kinderhook’, afgekort tot ‘OK’, waarvan hij zelf een soort strijdkreet maakte: ‘OK is dik in orde’.

    Van Loon

    Opvallend is dat in de VS de belangstelling voor de Tawl opkwam toen hij vrijwel niet meer gesproken werd: ‘De Verenigde Staten hebben alle gebruikelijke kinderziektes doorgemaakt en gaan vanaf 1900 als ontluikende wereldmacht omkijken’, schrijft Dröge. Tot die introspectie hoorde ook de ontdekking van verdrongen minderheden en verdwenen of verdwijnende talen, zoals wat dan het ‘Jersey Dutch’ wordt genoemd. Het levert een detectiveachtig verhaal op dat Dröge als een thriller serveert over de taalonderzoeker Lawrence Gwyn van Loon (1903-1985) die er prat op gaat dat hij allerlei historische documenten die opgesteld zijn in de Tawl heeft ontdekt. Hij beweert zelfs dat hij zelf de Tawl nog spreekt. Wat hij boven tafel krijgt is te curieus om waar te kunnen zijn, maar zijn vondsten kunnen niet worden weerlegd. Tot de linguïst Charles Gehring – Dröge spreekt hem zeer uitvoerig – een frappante ontdekking doet. Alleen deze verwikkeling al maakt De Tawl tot een boek dat een veel breder publiek dan geïnteresseerden in taal boeiende leesuren verschaft.

    Aan het eind is er nog de vraag: waarom heeft dat 17de -eeuwse Nederlands niet overleefd? Waarschijnlijk ligt het antwoord, zo concludeert Gehring tegenover Dröge, in de aard van de Nederlanders die zich vestigden in Amerika. Ze waren te individualistisch: ‘Ze stelden zich niet op als groep met een gesloten taal en cultuur, maar ze gingen als eenlingen op zoek naar succes in nieuwe Amerikaanse maatschappij. Ze wilden hun dromen najagen. Daar hoorde bij dat ze Engels gingen spreken’.

     

  • En ik ben nu eenmaal een graver

    En ik ben nu eenmaal een graver

    In 1954 verscheen een boek van de Amerikaan Darrel Huff, How to Lie with Statistics (in Nederlandse vertaling in 2019 als Liegen met cijfers). Daarin laat de auteur zien hoe je de grootst mogelijke onzin kunt ‘staven’ met geraffineerd getekende grafieken die op zich niet onjuist zijn. Iets vergelijkbaars is How to Lie with Maps van Huffs landgenoot Mark Monmonier uit 1991, dat iets dergelijks uitlegt over het misbruik van (land)kaarten.
    Het nu onlangs verschenen Friezen in Rome van Atte Jongstra doet aan die boeken denken. Net als eerder werk van hem. Deze nieuweling roept ook veel reminiscenties op aan zijn De avonturen van Henry Fix II uit 2007, over een vergeten Zwolse burger met grote verdiensten. Net als in die roman breit Jongstra in Friezen in Rome over een fictief figuur een fantastisch verhaal dat volledig gestaafd wordt door feiten. Dat Friezen in Rome het in tegenstelling tot Fix II zonder illustraties moet doen is jammer – het zal mogelijk een kostenkwestie geweest zijn.

    Bouwstoffen
    Jongstra staat met zijn schrijversvoeten stevig in de 19de-eeuwse klei en buit die uit als bouwstof voor zijn absurdistische humor, mystificaties en hilarische verwikkelingen. ‘Bouwstof’ inderdaad. In Friezen in Rome zijn 96 in kleine letters dichtbedrukte pagina’s bronvermeldingen opgenomen die in de woorden van Jongstra bouwstoffen zijn. Door ze geen ‘Notenapparaat’ te noemen, maar ‘Deel III’ van zijn boek benadrukt hij nog eens dat ze er een essentieel onderdeel van zijn. Het zijn stuk voor stuk verwijzingen naar bestaande bronnen, ook al ben je wel eens geneigd aan de echtheid te twijfelen. Maar dat is juist de absurde kracht ervan.

    Jongstra voert in Friezen in Rome de onderzoeker Atte Sixma op die een spiegel is van de auteur zelf. Hij deelt niet alleen zijn voornaam met Jongstra, maar ook zijn geboortejaar (1956) en -plaats (Wispolia, het huidige Terwispel). Bovendien is Sixma aanhanger van de patafysica (de wetenschap van denkbeeldige problemen), waarvan Jongstra ook vertegenwoordiger is.

    Friese koeien
    Sixma heeft het voor elkaar gekregen dat hij zijn saaie baan bij de Provinciale Bibliotheek in Leeuwarden tijdelijk mag verlaten voor een fellowship bij het Academisch Instituut in Rome. Hij mag er zich namens het Fries Historisch Verbond volledig wijden aan het onderzoek naar Friese huurlingen in dienst van de paus van 750 – 1870. Hij presenteert zich in Rome als professor bij dat Verbond. In zijn koffer heeft hij een boek meegenomen waarvan maar één exemplaar bestaat en dat hij eigenlijk had moeten invoeren in de bibliotheek: een in bruinleren band gebonden verhandeling van Leeuwarder Johannes Buma uit 1767.
    Op grond van archiefonderzoek is hij, als hij in Rome aanbelandt, overtuigd van de grote invloed van de Friezen in de wereld. Hij slaat zijn medefellows aan het Instituut om de oren met Friese wortels in Punjab, Venetië, Chili, Zwitserland en Brooklyn. Zijn collega’s worden er bijkans gek van: ze kunnen het nergens met hem over hebben of Sixma weet wel een Friese link te debiteren. Hij herkent Friese koeien op een schilderij in Trastevere en begint over de kwaliteit van de Friese ‘Dokkumer Nije’ en de ‘Zoete van der Schoot‘(appelsoorten) nadat de directeur van het Instituut zich heeft laten ontvallen dat hij niet van appels houdt.
    Langzaamaan wordt Sixma versleten voor een halve gare (een ‘mad professor’) waartegen hij zich verdedigt door te zeggen dat hij nu eenmaal een graver is.

    Domheid
    De lezer wordt intussen duidelijk dat aan de collega’s van Sixma ook een steekje los zit. Zij zijn – in tegenstelling tot Sixma die zich zijn professoraat bij het Fries Historisch Verbond wederrechtelijk heeft opgeplakt – wel bevoegd, maar zijn evenzeer druk met achter waandenkbeelden aanhollen. Het levert kolderieke dialogen op tussen de fellows. Sixma verliest zich in die ontmoetingen nogal eens in de drank en slaat de plank regelmatig mis. Een gesprek met een collega die hij aan haar laptop ziet werken, gaat zo:
    ‘”Hi”, zeg ik, “Open for conversation?”
    “Even een zin afmaken, ogenblik.” Niet veel later: “So, what’s on your mind?”
    “Niets bijzonders. Human intercourse, meer niet.”
    “Je bedoelt human interaction mag ik aannemen”, zegt ze lachend.
    Ik bloos: “Oeps, slip of the tongue”’.

    Jongstra stopt heel wat humor in zijn boek: ‘Er zou eens een lijst van mooie Shakespearecitaten moeten worden gemaakt’, zegt Sixma, waarop de directeur van het Instituut repliceert: ‘Die lijst bestaat al. Shakespeares Verzamelde werken’.
    En in een ander gesprek verzucht Sixma: ‘De domheid. Daar valt zoveel wijsheid uit te putten. Er zou een encyclopedie van moeten komen’. Een leuke grap, als je als lezer tenminste weet dat die encyclopedie al in 2007 is geschreven door Matthijs van Boxsel, medepatafysicus van Jongstra.

    Verstand kopen
    Het kan niet anders of het onderzoek van Sixma moet helemaal fout lopen. Eerst komt het Friese Verbond er achter dat Sixma zich ten onrechte een professoraat aanmeet ‘terwijl je weet dat ons Verbond geen hoogleraren kent, nog geen halfvolle’, vervolgens werkt hij zich in de nesten door zijn gedraai over de vermissing van het vermiste boek van Buma uit 1767 en tenslotte wordt hij door het Verbond ook nog eens overladen met kritiek op het verslag van zijn onderzoek.
    Intussen heeft hij zelf al zijn hypotheses over de wereldwijde invloed van Friezen onder zich zien wegvallen doordat hij is gestuit op een geschrift van de Nijmeegse archivaris Albert Delahaye die beweert dat Friesland oorspronkelijk niet eens heeft bestaan. Veiligheidshalve besluit Sixma zijn verslag daarom maar liever een ‘historische roman’ te noemen.

    Dat we met zijn allen beter ons gezonde verstand kunnen gebruiken vervat Jongstra mooi in het korte tweede deel van Friezen in Rome, waarin hij het prachtige verhaal vertelt van de inwoners van het Kroatische eiland Brač die er ooit op uit trokken om elders verstand te kopen.

    Friezen in Rome is een op en top ‘Jongstra’. Smullen voor de liefhebbers, maar met de voortdurende verleiding om alle bronnen die in ‘Bouwstoffen’ vermeld staan te gaan checken. Nodeloos werk. Ze kloppen allemaal, inclusief het weetje dat Jongstra de naam Atte Sixma al eens als pseudoniem gebruikte in een artikel over Bonifatius’ dood in het periodiek Plompeblêden uit 2001.

  • En weer daarheen gaan waar hij vandaan kwam

    En weer daarheen gaan waar hij vandaan kwam

    Als Johannes, hoofdpersoon van Ochtend en avond van de Noorse Nobelprijslaureaat Jon Fosse, wordt geboren steunt zijn vader, de visser Olai, met zijn hoofd in zijn handen op de keukentafel. Hij mag niet bij de bevalling in de kamer ernaast zijn; de aanwezigheid van een man brengt ongeluk, weet vroedvrouw Anna: een man hoort niet aan een kraambed, zoals een vrouw niet in een vissersboot hoort.
    Johannes zal zijn kind heten, denkt Olai, en hij zal visser worden, net als hij: ‘Terwijl zijn moeder Marta schreeuwt en pijn lijdt, zal hij zijn intrede doen in deze koude wereld en daar zal hij dan alleen zijn, gescheiden van Marta, gescheiden van alle anderen, daar zal hij alleen zijn, altijd alleen, en dan zal hij, als alles voorbij is, als zijn tijd is gekomen, vergaan en tot niets worden en weer daarheen gaan waar hij vandaan kwam, uit het niets en naar het niets, dat is de loop van het leven’.
    We zitten in het korte deel 1 van Ochtend en avond.

    Mantra

    In het tweede deel sterft Johannes. Het thema van de eenzaamheid keert terug: ‘alles is één en tegelijkertijd verschillend, het is één en toch dat wat het is, alles is gescheiden en niet gescheiden en alles is rustig’.
    Dit tweede deel is nog meer dan het eerste geschreven als een vertelling uit een schimmenrijk. De zinnen hebben geen interpunctie. Er zijn slechts af en toe komma’s en vraagtekens als deel van een gedachte. Regels beginnen met een hoofdletter, maar verspringen en gaan dan zonder hoofdletter verder:
    ‘Ach jee, is het zo erg zegt Peter
    en dan pakt Peter Johannes bij zijn arm’
    In dialogen gaat de directe rede ineens over in de indirecte en verspringen perspectieven in één zin. Maar vooral: formules en gedachten worden alsmaar herhaald als een soort mantra. Deze repetitieve stijl werkt dromerig en meeslepend. Je kunt je als lezer niet onttrekken aan de hallucinatieve vertelstijl; je drijft erop mee, zoals een vissersboot op zee.

    Krabben

    De ochtend uit de titel staat voor de geboorte, de avond voor het sterven. Hoe dicht die intrede in de wereld en het verlaten ervan bij elkaar liggen wordt nog eens versterkt doordat het tweede deel juist op een morgen begint. Johannes ‘ontwaakt’ met een gevoel dat alles anders is: ‘Hij voelt zich opeens zo licht, alsof hij geen gewicht meer heeft, denkt Johannes’, die op zijn oude dag juist stijf was en kraakte in spieren en botten. Ineens hoeft hij ook niet meer over te geven, zoals hij sinds de dood van Erna elke morgen bij het opstaan moest.
    Vanuit zijn huis stapt hij de dag in en gaat naar zijn boot waar hij zijn oude vissersmaat Peter ontmoet, die al lang dood is. Hij besluit samen met hem de zee op te gaan om krabben te vangen, zoals ze vaak deden. Daarna willen ze de beste vangst, zoals altijd, verkopen aan juffrouw Anna Petterson, die ook is overleden. Op hun gezamenlijke tocht zien ze ook Marta, Johannes’ moeder, en Erna, zijn vrouw: ‘Hoe is het mogelijk?’, vraagt hij zich af – ze leven toch allemaal niet meer. Niemand van Johannes’ leeftijd is meer over, zelfs schoenmaker Jakop is dood.

    Met Peter deelt hij op de boot zijn herinneringen en twijfels, waaronder die bijzondere dat zijn collega-visser hem redde van de verdrinkingsdood toen de door Johannes uitgeworpen vishaak niet wilde zinken. Hij herbeleeft het opnieuw nu ze weer krabben willen vangen voor juffrouw Petterson. Terwijl Johannes zich erover blijft verbazen duidt Peter die scène met de vishaak: ‘De zee wil je niet meer’.

    Beelden

    Ochtend en avond zit vol met Bijbelse en mythologische beelden. Er zijn de gedachten over God bijvoorbeeld. Johannes was het wel eens met wat schoenmaker Jakop hem ooit vertelde: ‘De God van al die mensen die de waarheid erkenden, dat was geen God voor deze wereld, ook al was hij er ook, er waren nog andere goden’. En niet voor niets is Johannes visser, zoals de evangelist van die naam (lees de column van Jan Kloeze hierover). Er dringen zich daarnaast mythologische beelden op. Zo doet Peter die Johannes overvaart denken aan Charon, de veerman die de overledenen naar het dodenrijk voer. En nog zo’n scène: als Johannes in het tweede deel zijn huis verlaat om naar Peter te gaan ziet hij Erna in de deur staan (‘Ja, je moet nu voorzichtig zijn op zee, zegt ze’) en besluit hij niet meer om te kijken’. Wie moet hier niet denken aan de mythe van Orpheus en Eurydice?

    Prachtig is de laatste dialoog van Peter en Johannes over hun bestemming. Johannes wil weten of de overtocht gevaarlijk is:
    ‘”Gevaarlijk is een woord, waar wij heen gaan bestaan geen woorden”, zegt Peter
    “Doet het pijn?” Zegt Johannes
    “Waar wij naartoe gaan bestaan geen lichamen, dus pijn bestaat ook niet”, zegt Peter
    “Maar de ziel, doet het pijn in de ziel?” Zegt Johannes
    “Er bestaat geen jij of ik waar wij heen gaan”, zegt Peter’
    Ochtend en avond is een novelle om je op mee te laten drijven en stil in op te gaan, een overweldigende meditatieve leeservaring.

     

     

  • Kunst overwint geweld

    Kunst overwint geweld

    Toen Salman Rushdie door zijn aantekeningen voor een nieuwe roman na Victoriestad bladerde, merkte hij dat hij er niet mee verder kon: ‘Tot ik de aanslag had behandeld, zou ik niet in staat zijn iets anders te schrijven (…) Schrijven zou mijn manier zijn om bezit te nemen van wat er was gebeurd, de controle erover te nemen, het me toe te eigenen, te weigeren louter een slachtoffer te zijn. Ik zou geweld beantwoorden met kunst’. Die behandeling van de aanslag heeft geresulteerd in Mes. Gedachten na een poging tot moord.
    De aanslag op Rushdie vond plaats op 12 augustus 2022 om 10:45 uur in het amfitheater van Chautauqua in de staat New York waar hij een lezing zou geven. Rushdie liep vijftien messteken op die hem op het randje van de dood brachten en waardoor hij blijvend een gehandicapte linkerhand heeft en zijn rechteroog is kwijtgeraakt. De dader van de aanslag was een fundamentalistische moslim die Rushdie in zijn boek slechts als ‘de A.’ aanduidt (‘Aanvaller, would-be-Assassino, Achterlijke man die Aannames over mij maakte, die met mij een bijna dodelijke Afspraak had’).

    Mes bestaat uit twee delen. In het eerste, ‘De engel des doods’, blikt Rushdie vooral feitelijk terug op de aanslag, zijn tijd in het ziekenhuis en zijn revalidatie. ‘De engel des levens’ is het tweede deel waarin de auteur tracht de aanslag mentaal te verwerken en zijn (schrijvers)leven opnieuw in te richten. Als een rode draad loopt door beide delen de aanwezigheid van zijn vrouw, de dichteres en fotografe Eliza Griffiths, die je als een derde ‘engel’ zou kunnen zien. In Rushdies eigen woorden: ‘(…) het verhaal dat ik hier wil vertellen, is dat het een verhaal is waarin haat – het mes als metafoor voor haat – wordt beantwoord, en uiteindelijk overwonnen, door liefde’.

    ‘Foreshadowing’

    Dit verslag van een aanslag en de verwerking ervan kent – hoe kan het ook anders bij iemand als Rushdie – tal van reflecties op literatuur en kunst. Zo staat hij op de avond voor de aanslag voor zijn hotel naar de maan te kijken die spiegelt in het meer. Die doet hem onder andere denken aan het beroemde beeld van een ruimteschip dat op het rechteroog van de maan botst in de stomme film Le voyage dans la lune van Georges Méliès’. Het is een voorbeeld (Rushdie noemt er later meer) van foreshadowing van het verlies van zijn eigen rechteroog bij de aanslag van de dag erna.

    Op een gegeven moment neemt Rushdie zich voor de aanslagpleger te ontmoeten om die met de gevolgen van zijn daad (het uitgestoken oog, maar ook het overleven van het slachtoffer en dus de mislukking van wat ‘de A.’ beoogde) te confronteren, maar daar ziet hij op advies van Eliza van af. Het wordt, als we inmiddels in het tweede deel van Mes zijn beland, een fictieve ontmoeting met ‘de A.’ waarin Rushdie probeert te achterhalen wat hem gedreven kan hebben. Er volgen vier sessies van een vraag- en antwoordspel waarin Rushdie zijn eigen vermoedens ontvouwt en zijn fantasie moet aanspreken om geloofwaardige antwoorden van ‘de A.’ te bedenken.

    Afgewezen

    Het is twijfelachtig of Rushdie erin geslaagd is een helder beeld van de aanslagpleger te bereiken. De ondervrager gaat op zoek naar de werkelijke voedingsbodem van de would-be-moordenaar. Hoe kon hij zo haatdragend worden dat hij ervan overtuigd was dat hij de schrijver van een boek (De duivelsverzen) dat hij niet eens had gelezen, moest vermoorden? ‘Jij bent een boze jongen’ zegt ondervrager Rushdie: ‘Zes miljard vijanden, nul vrienden, nog minder geliefden. Woedend. Zoveel wrok. Ik vraag me alleen af wie je eigenlijk wilde vermoorden. Een meisje dat je afwees? Een jongen op de sportschool of aan de Israëlische grens? Je moeder misschien? (…) Wiens gezicht zag je voor me toen je me stak?’
    Het is een psychologie die Rushdie ontleent aan schrijfster Jodi Picoult. Zij vertelt in haar roman De tweede dochter dat eenlingen er niet voor kiezen eenzaam te zijn, maar voortdurend zijn teleurgesteld in hun pogingen om in harmonie met de wereld te leven.

    Leert de lezer daardoor ‘de A.’ echt kennen? Diens drijfveren zien we natuurlijk zoals Rushdie ze zich probeert voor te stellen. Veel overtuigender is de les die Rushdie voor zichzelf trekt over zijn schrijverschap na deze hypothetische ontmoeting: ‘Kunst is geen luxe. Ze is de essentie van onze menselijkheid en vraagt geen speciale bescherming, afgezien van het recht om te bestaan. Ze accepteert discussie, kritiek, zelfs afwijzing. Maar ze accepteert geen geweld. En uiteindelijk overleeft ze degenen die haar onderdrukken’.

    Rushdie hoefde nadat hij dat inzicht had verwoord zijn aanvaller niet meer in levende lijve te ontmoeten. De tragedie is mede door het schrijven van Mes tot een ‘afsluiting’ gekomen. Maar ook realiseert hij zich de grootste schade: ‘Ik ben een vreemde vogel geworden, niet zozeer beroemd om mijn boeken als wel om de incidenten in mijn leven’.

     

     

  • Wat kunnen personages ons leren over The meaning of life?

    Wat kunnen personages ons leren over The meaning of life?

    De boektitel Papieren vrienden van literatuurwetenschapper Jan Konst bestaat uit zestien letters. Toeval? Grappig in elk geval wel, want het zijn zestien romanpersonages die de auteur aan een diepgaand onderzoek onderwerpt om te achterhalen wat hun idee over de zin van het leven zou kunnen zijn. In dat onderzoek betrekt Konst ook zichzelf, want in elk hoofdstuk (één per personage) stipt hij herinneringen of ervaringen uit zijn eigen leven aan. De aanleiding voor dit onderzoek is zo’n persoonlijke ervaring.

    De dood van zijn vader confronteerde hem met existentiële vragen rond the meaning of life. Hij vroeg zich af of het antwoord misschien te vinden was met behulp van protagonisten uit romans en toneelstukken die ooit een onuitwisbare indruk op hem hadden gemaakt. Het zijn uiteenlopende figuren van allerlei slag uit zo’n veertig jaar lezen en een tijdsbestek van acht eeuwen. Passend bij de auteur, die hoogleraar Nederlandse literatuur is aan de Freie Universität in Berlijn, komen de vrienden alleen uit Nederlandstalige werken en zijn het bijna allemaal Nederlanders (uitzonderingen zijn rechter Jephta uit Vondels Jephta of offerbelofte (1659), Medea uit Medea. Treurspel van Jan Vos (1667) en Deirdre uit Deirdre en de zonen van Usnachvan Adriaan Roland Holst (1920) – Samir Zafra uit De belofte van Pisa van Mano Benzamour (2013) is Nederlander met Marokkaanse ouders).

    Frames

    Wat zou het leven voor iemand zin kunnen geven? Konst onderzoekt dat voor zijn papieren vrienden aan de hand van vijf frames uit de existentiële psychologie: [1] ‘de verticale transcendentie’ (grof gezegd de religie die belooft dat de eeuwige beloning voor deugdzaam leven in het hiernamaals komt), [2] de ‘horizontale transcendentie’ (die spiritualiteit ervaart in het aardse leven door de mystieke beleving van de natuur of in een idealisme), [3] de zelfontplooiing en het streven naar vervulling van levensdoelen, [4] het gevoel deel te zijn van een gemeenschap van normen en waarden waarop je kunt vertrouwen, en tot slot [5] de verbondenheid met naasten in vriendschap en liefde.

    Konst benadert elk van zijn papieren vrienden met de vraag welk van die frames het beste bij hem of haar past. Het antwoord is zelden eenduidig. Sommigen passen in meerdere frames, maar er zijn ook protagonisten die het leven volkomen zinloos vinden (Bert Alberegt uit Herinneringen van een engelbewaarder van W.F. Hermans, Walter van Raamsdonk uit Gimmick van Joost Zwagerman en Onno Quist uit De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch). De duidelijkste frames vindt Konst bijvoorbeeld bij ridder Ferguut (uit 1250) voor wie de verticale transcendentie opgaat, bij Marie Deniet uit De wetten van Connie Palmen voor wie zelfontplooiing leidend is, bij boer Wortel uit Boerenpsalm van Felix Timmermens, die zich deel weet van een traditionele gemeenschap en bij Sofie Lamaker uit De geschiedenis van mijn seksualiteit die de zin vindt in verbondenheid met haar omgeving.

    Speculatief

    De zestien hoofdstukken zijn met elkaar verbonden als – zo noemt Konst het – ‘een dominospel’. Hij bedoelt ermee dat geen enkele beschouwing in een isolement staat. Voortdurend grijpt hij bij het schrijven over de ene vriend terug op een andere of verwijst hij vooruit naar een komende. Het levert voortdurend vergelijkingen – parallellen en verschillen – op. Bovendien toetst hij de analyses aan zijn eigen persoonlijke leven in enigszins vergelijkbare ervaringen.
    Papieren vrienden is daarmee een interessante benadering van zestien literaire figuren uit de Nederlandse literatuur. Het boek is nadrukkelijk geen literatuurbeschouwing. Konst gaat niet in op genres of structuren en laat de geestelijke vaders en moeders van de vrienden volkomen buiten beschouwing. Daarnaast schrijft hij behoorlijk speculatief en veroorlooft hij zich bewust interpretatieve oordelen die hij in wetenschappelijke zin niet kan onderbouwen.

    Doorgeploeterd

    Hoe interessant de invalshoek ook is, het boek is bepaald geen pageturner. Dat komt vooral door de alwetendheid van de auteur ten opzichte van de lezer. In een nawoord schrijft Konst ergens dat hij sommige van de titels waarin zijn vrienden onderdak vonden ‘een keer of tien doorploeterde’. Dat zullen weinig lezers hem na kunnen zeggen. En dat maakt Papieren vrienden soms erg exclusief. Als lezer raak je geregeld de draad kwijt als Konst in het ene hoofdstuk teruggrijpt op een karaktertrek van een eerder besproken personage dat al weer een beetje uit het geheugen is weggezakt. Dit betreft vooral de personages die je als lezer nog niet kende. Het is voor iedereen anders, maar bovengetekende las de hoofdstukken over Marie Deniet en Sofie Lakmaker vanwege eigen herinneringen aan de romans een stuk geboeider dan bijvoorbeeld dat over Robert van Maeren uit Noodlot van Louis Couperus, simpelweg omdat dat laatste boek nooit op de leestafel heeft gelegen.