• Kuifje bij de Bankiers

    Kuifje bij de Bankiers

    Ongeveer halverwege Dit kan niet waar zijn haalt Joris Luyendijk Greg Smith aan, die in 2012 in The New York Times een artikel schreef onder de titel Why I left Goldman Sachs (later in boekvorm uitgediept). Smith kon niet meer tegen de cultuur bij de bank: ‘Jaren geleden hadden we Griekenland geadviseerd hoe het land met derivaten de eigen schuldenlast kon verbergen. Nu waren de rapen gaar en adviseerden we hedgefunds hoe ze munt konden slaan uit de chaos in Griekenland. Aan de andere kant van de Chinese Muur probeerden intussen onze zakenbankiers contracten binnen te halen bij Europese overheden om hun te adviseren hoe de rotzooi kon worden opgeruimd.’

    Ter voorkoming van een misverstand: de Chinese Muur uit het citaat staat niet in Azië, maar in de bank zelf. Hij moet voorkomen dat koersgevoelige informatie van de ene afdeling van de bank doorlekt naar een andere afdeling binnen diezelfde bank. Met als gevolg dat bijvoorbeeld een afdeling die overnames van bedrijven regelt informatie achterhoudt voor de afdeling die juist klanten probeert over te halen om aandelen voor zo’n bedrijf te kopen.

    Balans van een onderzoek

    Is die Chinese Muur op zichzelf al een verontrustend gegeven, de verbazing van Luyendijk geldt vooral de verveelde reacties uit de financiële wereld op het boek van Smith. Wat de bank deed was toch legaal? En dat illustreert weer een ander verontrustend punt uit Luyendijks boek: de banken vragen zich niet af of hun gedrag immoreel is; ze bewaken slechts het amorele gedrag ervan. ‘Goed’ en ‘kwaad’ worden buiten de discussie gehouden; dat soort discussie moet vermeden worden. Er wordt niet gekeken of een plan moreel deugt, maar of het ‘reputatieschade’ meebrengt. In extremis leidt dat er toe dat belastingontduiking mag, als je maar binnen de marges van de wet blijft. Om de morele vraag te ontlopen noem je het ‘belastingoptimalisatie’.

    Wie moet hierbij niet denken aan de discussie van de afgelopen weken over de salarisverhogingen van een ton in de top van ABN/AMRO? Politici en burgers repten van onethisch gedrag, maar topman Zalm presenteerde de beloning als ‘inleveren’: de bank bleef binnen de wettelijke marges en had zelfs nog hogere beloningen mogen toekennen (zelfs toen de verhoging werd teruggedraaid, werd daaraan opnieuw toegevoegd dat er eigenlijk wel recht op bestond; alsof het goodwill was, maar geen moreel punt).

    Joris Luyendijk stortte zich in 2011 in de Londense bankwereld. Hij wist weinig van financiën, maar dat stelde hem juist in de gelegenheid beginnersvragen te stellen die de gewone burger ook heeft. Hij beschreef zijn ervaringen op een online blog van The Guardian (als columns in NRC Handelsblad). Nu is er het boek met de balans van zijn onderzoek.

    Luyendijk beschrijft de financiële wereld van binnen uit als antropoloog en journalist op zoek naar omgangsvormen, cultuur en denkwereld van medewerkers van hoog tot laag in de sector. Zijn werkgebied is de City, het financiële hart van Londen. Hij heeft het daar niet gemakkelijk, want aanvankelijk krijgt hij niemand te spreken. Als dat uiteindelijk wel lukt en zijn eerste blogs verschijnen komen er reacties los die tot nieuwe gesprekken (uiteindelijk 200 in zo’n twee jaar) leiden.

    Banken wisten van niets

    Al snel brengen die hem op een essentieel punt. In het bankwezen blijken de meesten de crash van 2008 niet te hebben zien aankomen. Dat zou je een gerust gevoel kunnen bezorgen omdat het dus geen complot of samenzwering was. En die geruststelling stralen de banken uit: het was een fout, maar die is bezworen, dus alles is weer in orde: het is weer business as usual. Maar voor Luyendijk is juist dat gegeven dat niemand het zag aankomen het angstwekkende. Met andere woorden: kent de financiële wereld de risico’s van haar eigen gedrag wel? Weten ze wel waar business as usual toe kan leiden?

    Een eerste verdienste van het boek is dat de auteur duidelijk maakt dat we geneigd zijn ‘de banken’ de schuld van veel problemen te geven, maar dat de organisatie van de financiële wereld veel ingewikkelder is. Naast banken spelen ook verzekeraars en vermogensbeheerders een grote rol. En binnen de bankenwereld maakt het een groot verschil of je het over consumentenbanken hebt of over zakenbanken (Luyendijk beweegt zich vooral in de laatste).

    Planet Finance, zoals hij de financiële wereld noemt, is dus niet één pot nat; zelfs de banken zijn dat niet. Een bank is geen samenhangende organisatie, ontdekt Luyendijk, maar een verzameling individuen in machtsposities, die ze gedecideerd afschermen. Er worden hoge beloningen betaald, maar daar staat tegenover dat er geen ontslagbescherming geldt. Bij een hoog inkomen hoort een hoge levensstandaard met dure huizen in de Londense City en duur particulier onderwijs voor je kinderen. Loop dan maar eens het risico van ontslag op staande voet, omdat je je targets niet haalt.  Je hoort ook niet veel kritiek over je wijze van leven want je sociale omgeving vernauwt zich door de stress en prestatiedrang steeds meer tot een wereld van louter collega’s.

    Het stimuleert om financiële producten te bedenken die op korte termijn hoge winsten opleveren; of die producten risicovol zijn moet de klant zelf maar beoordelen (opvallend genoeg komt het woord zorgplicht in het hele boek niet voor). Maar het houdt de interne controleurs er ook vanaf om zwakke punten in de producten te signaleren. Kritiek op een risicovol product dat een hoog rendement voor de bank heeft kan tot onmiddellijk ontslag leiden.

    Gebrek aan inzicht

    Daar komt bij dat sommige producten en diensten van de bank zo complex zijn dat zelfs binnen de bank niemand ze nog snapt. Dat leidt tot misverstanden, misrekeningen en de mogelijkheid van misbruik. Als Luyendijk iets duidelijk maakt, is het dat de problemen zoals in 2008 niet moedwillig werden veroorzaakt, maar juist – overdreven gezegd –  door gebrek aan inzicht. Het grote risico zit daarom niet in de mensen, maar in het systeem dat de financiële wereld overeind houdt.

    ‘De sector is immuun voor ontmaskering’, concludeert de auteur. Als het misgaat worden maatregelen genomen om de gaten te dichten en de banken worden gered door de belastingbetaler omdat we ons met zijn allen niet kunnen veroorloven dat grote banken omvallen. Ze zijn ‘too big to fail’, want dan dondert alles in elkaar. Daarna gaat de sector op de oude voet door.

    Maar met al die ingrepen blijft het systeem overeind. Een systeem met teveel belangenconflicten en perverse prikkels. Alles woekert gewoon door: banken blijven net zo lang fuseren tot ze te groot worden om nog failliet te kunnen laten gaan; zakenbanken gaan naar de beurs waardoor de winst belangrijker wordt dan de betrouwbaarheid van zijn producten voor de klant; opnieuw worden hypercomplexe producten gecreëerd die zelfs niemand binnen de bank nog kan volgen; maar ook: nog steeds wordt geaccepteerd dat kredietbeoordelaars worden betaald door de banken waarvan ze de producten moeten beoordelen en dat accountantskantoren mogen bijklussen als consultant voor dezelfde bank waarvan ze de boekhouding moeten controleren.

    Het is een gigantisch probleem om dat stelsel te veranderen. Dat vereist internationale politieke samenwerking. Een bescheiden journalist kan alleen maar laten zien hoe gevaarlijk de sector is geworden. Daarin is Luyendijk met lof geslaagd. ‘Het kan zo weer gebeuren.’

     

     

  • Ze zien het beest, maar niet de angst

    Ze zien het beest, maar niet de angst

    ‘We woonden in de stad die papa Leeuw het naamloze gat noemde’. Het is de eerste zin van de tweede alinea van Alleen met de goden, de nieuwste roman van Alex Boogers. Hij roept direct de troosteloosheid op van de omgeving waarin Aaron Bachman, in wiens leven we worden meegezogen, opgroeit. Aaron is 9 jaar als de roman begint. Hij groeit op in achterstandsbuurten en is het enige kind in een ontwricht gezin. Zijn moeder geeft hem dagelijks te verstaan dat haar leven gelukkiger zou zijn geweest als hij nooit geboren was en zijn vader zit in de gevangenis omdat hij iemand in een woedeaanval dood heeft geslagen. Hoe kun je in zo’n situatie als kind het hoofd boven water houden?

    Schrijver Boogers noemt in interviews Alleen met de goden zijn ‘eindboek’. Hij woont en werkt in Vlaardingen, ‘het naamloze gat’ uit de roman. Zijn nieuwste roman is min of meer zijn ultieme samenvatting van wat hij eerder schreef over het milieu waarin hij zelf opgroeide. Hij verwerkte er bijzonder veel autobiografisch materiaal in dat in zijn eerdere boeken ook al het thema vormde, maar dan in verbrokkelder vorm, zoals de vechtsport en het leven aan de zelfkant in Het waanzinnige van sneeuw en in Lijn 56.

    Van blurbs op boeken moet je je vaak niet teveel aantrekken, maar in dit geval slaat die de spijker op de kop. Die karakteriseert het boek als ‘een coming-of-age roman’ waarin Boogers’ thema’s samenvloeien: ‘verstoorde familierelaties, liefde en verlating, vechten om te overleven, schrijven om te groeien.’

    De vader wordt door Aaron ‘papa Leeuw’ genoemd. Omgekeerd noemt hij Aaron ‘Tijgerwelp’. Om het leven aan te kunnen en alle vernederingen de baas te kunnen zul je moeten vechten, prent Leen de jongen in. Aaron is erbij als papa Leeuw op de drempel van zijn huis een man in elkaar slaat die een tas bij zich heeft met een boek erin. De klap is zo hard dat het slachtoffer het niet overleeft. Leen gaat de gevangenis in en zijn zoon blijft achter bij zijn moeder, die hem voortdurend vernedert en afgeeft op haar man. ’s Nachts droomt Aaron van gevaartes die hem dreigen te vermalen en die hij probeert te bezweren door ze op te schrijven in schriften die hij angstvallig voor de buitenwereld verbergt. Liever dan thuis zoekt Aaron zijn heil op straat of bij de buurkinderen Olivia en Ronald. Hij vervalt in een leven van banale seks en straatgevechten. Er is een lichtpunt voor de jongen als hij, in een poging niet afhankelijk te zijn van zijn moeder, een baantje krijgt in een kennel. Daar ontdekt hij dat hij een ontembaar lijkende hond – hij noemt hem Otis, naar zijn lievelingszanger Otis Redding – handelbaar weet te maken omdat hij iets van zichzelf in het dier herkent. De hond lijkt het enige wezen dat hém echt begrijpt.

    Zijn moeder etaleert één trots wél: ze wil dat Aaron niet, als andere buurjongens, laaggeschoold blijft. Ze wil hem op de mavo. Vanaf dan begint een leven waarin Aaron ankers vindt die hem houvast bieden. Op school is er de muziekleraar Broere, die zelf in de ogen van de directie niet van onbesproken gedrag is, maar voor Aaron wel de enige door wie hij zich begrepen voelt. Hij voorziet hem van boeken (onder andere The Sun Also Rises van Hemingway) die hem leren hoe krachtig taal kan zijn.

    Aaron blijkt aanleg te hebben voor kickboksen en hij vindt ook daar een gids die weet wat voor slag jongen hij is. Beiden, de muziekleraar en de kickbokstrainer Art, houden Aaron voor waar zijn talenten liggen en wat voor weg hij te gaan heeft. En er is nog een derde persoon die hem een spiegel voorhoudt, zijn fysiek grotendeels afwezige opa, die zijn eigen weg gaat en Aaron begripvolle brieven schrijft. Ook hij stuurt hem boeken, over Japanse samoerai, waaruit hij zal leren ‘met zwaard en pen’ te vechten.

    Ondertussen rijgen de ruzies zich thuis aaneen. Met moeder valt bijna niet samen te leven en onder invloed van wat Aaron hoort over zijn vader kantelt zijn beeld van hem van dat van een vechtende leeuw naar dat van een lafbek.

    Aaron boekt als kickbokser grote successen – ook hier komen we Otis Redding weer tegen, wiens A Change is Gonna Come zijn opkomstmuziek wordt bij wedstrijdgevechten – , maar toch gaat hij zich steeds eenzamer voelen. Hij wordt toegejuicht als “Het beest”; hij wordt op handen gedragen. Maar niemand lijkt de kwetsbare, bange jongen te zien die in dat beest huist:

    Ik hou niet van de massa (…) Ze zien het beest, maar niet de angst. Ze zien de kracht van mijn stoten, de drift, en de knock-outs, maar niet het verlies. Ik verlies, zelfs als ik win, want in de ring heb ik maar met één tegenstander te maken, en niet met die gruwelijke blinde massa, die haar oordeel klaar heeft, die niet kan wachten om te zeggen dat ik er niet toe doe.

    Dezelfde angst speelt hem parten als hij Nadine ontmoet, de eerste vrouw die hem laat zien dat liefde iets anders is dan hij uit pornoblaadjes en in zijn spelletjes met Olivia heeft opgedaan. Hij kan zich niet aan haar overgeven.

    Boogers beschrijft in zijn roman het leven in een asociale omgeving door de ogen van een jongen van zijn 9de tot zijn 23ste jaar. Dat doet hij bijzonder inlevend en geloofwaardig waardoor je je als lezer voelt rondlopen in de harde werkelijkheid van Aaron Bachman.

    Alleen met de goden is een rauw boek. Maar ook een hoopvol stemmend boek. Het is bovendien een liefdevol boek, waarin voelbaar wordt hoe ieder mens in dit milieu gebukt gaat onder klappen en onvermogen.

    Boogers schrijft bovendien boeiend, bijna luchtig, en met een inktzwarte humor, waardoor de werkelijkheid zich des te naargeestiger opdringt. De vele monologues intérieurs laten je in de huid van Aaron kruipen. Die monologen zijn vaak erg mooi verweven in de chronologie van het feitelijke verhaal, waardoor sommige hoofdstukken juweeltjes van vlechtwerken van verhaallijnen zijn. Tenslotte is er het spannende plot, waarin duidelijk wordt waarom de vreemde bezoeker destijds door papa Leeuw in elkaar werd geslagen en wat er in die tas zat die de bezoeker bij zich had.

     

  • Verzwegen geschiedenis onontkoombaar verteld

    Verzwegen geschiedenis onontkoombaar verteld

    Elk jaar op 1 juli wordt bij het Nationaal Monument Slavernijverleden in het Oosterpark in Amsterdam een herdenkingsbijeenkomst gehouden. Die datum is niet toevallig. Op 1 juli 1863 werd door Nederland de slavernij afgeschaft. In Suriname en de Nederlandse Antillen wel te verstaan. Op 1 januari 1860 was dat in Nederlands-Indië al gebeurd. Maar dat lijkt vergeten en daarmee ook het feit dat slavernij in Indië voorkwam. De canon van Nederland die in 2006 door de Commissie-Van Oostrum werd gepubliceerd wijdt een venster aan de slavernij, maar doet alsof daarvan alleen in de West sprake was.

    Voor de lezer van Daar werd wat gruwelijks verricht van Reggie Baay groeit per hoofdstuk de verbazing over die omissie. Slavernij kwam ook voor in Indië met alle vernederingen en misbruik die we elders tegenkomen. De handel in slaven was daar waarschijnlijk zelfs omvangrijker, becijfert Baay, dan in de West, waar het gebruik ervan waarschijnlijk groter was.

    Reggie Baay, die al vaak publiceerde over het koloniale verleden in Indië, heeft het slavernijverleden in de voormalige kolonie op een bewonderenswaardige manier in kaart gebracht. In zijn poging om de slaven zelf aan het woord te laten kwam hij, bij zeldzaam toeval, welgeteld één persoonlijk document op het spoor: een late herinnering van een slavenkind dat het geluk had in Nederland terecht te komen. Voor het overige moest hij zich verlaten op rechtszaken waarin slaven en slaveneigenaars getuigden. Baay realiseert zich terdege dat die verslagen een vertekend beeld geven. Er kwamen immers alleen misstanden op tafel. Het enige persoonlijke relaas dat hij vond liet zien dat een slaaf ook wel eens (redelijk) goed werd behandeld. Maar uit de voorbeelden die Baay analyseert krijg je toch een overheersend beeld dat niet optimistisch stemt. Het verweer van een slaaf werd vrijwel nooit geloofd; de eigenaar kreeg bijna per definitie gelijk. De stem van de slaaf in de rechtszaken was daarmee een wanhoopskreet die niet werd gehoord.

    Voor de beschrijving van de geschiedenis van de slavernij in Indië had Baay natuurlijk meer bronnen dan de persoonlijke getuigenissen uit de rechtszaken: de archieven van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, kamerstukken, onderzoeken, politieke geschriften enzovoort. Het verhaal dat daarop uitrijst is al evenmin iets om trots op terug te kijken. De slavernij waarover het hier gaat, werd ingevoerd door de VOC. In eerste instantie werden inlandse mannen en vrouwen als goedkope en rechtenloze krachten ingezet voor werk aan infrastructuur en bedrijvigheid, maar al snel werd er een inkomstenbron in gezien. De VOC kocht de slaven elders goedkoop op slavenmarkten en verhandelde ze voor vele malen de aanschafprijs op de eigen markt in Batavia. Maar de VOC maakte ook gevangenen tot slaaf. Dat kostte helemaal niets. Vervolgens verrichtten zij als onbetaalde krachten werk voor de VOC of kwamen in dienst van particulieren die op hun beurt weer aan de VOC belasting afdroegen voor elke slaaf die ze bezaten.

    Na het failliet van de Compagnie gingen alle rechten over op de Nederlandse staat. Die zette de slavernij op dezelfde voet voort. Misschien nog wel hardnekkiger. Want terwijl overal in Europa de verlichte ideeën van vrijheid, gelijkheid en broederschap opgeld deden, bleef Nederland vasthouden aan politiek conservatisme en financieel gewin. Tekenend is dat Nederland achteraan kwam in de rij van moderne staten die wettelijk een einde maakten aan de slavernij. Voor Indië trad die wetgeving in op 1 januari 1860. Twaalf jaar na Engeland en zeven jaar na Frankrijk. Maar zelfs toen die afschaffing er formeel was, ging de slavernij gewoon door. Voorzover het geen slavernij meer werd genoemd kwamen er het cultuurstelsel en de koeliecontracten die volgens Baay personeel hetzelfde behandelden en dus in wezen de slavernij continueerden. Steeds opnieuw had de Nederlandse regering, ondanks voorvechters als Van Hogendorp en Van Hoevell die er schande van spraken, bedenkingen om de afschaffing van de slavernij daadwerkelijk uit te voeren. Dat waren politieke (de angst dat de vrijgekomen slaven in opstand zouden komen tegen het koloniale gezag), maar vooral financiële bedenkingen: de slaveneigenaars moesten een vergoeding krijgen voor de vrijlating van hun slaven en dat drukte te zwaar op de staatsbegroting. Baay haalt diverse voorbeelden aan waaruit blijkt dat de Nederlandse regering zich tot diep in de 20ste eeuw (dus ruim 50 jaar na de formele afschaffing) nog altijd schuldig maakte aan het toedekken van kwalijke praktijken van slavenhouders.

    Overigens werden de slaven zelf, nadat ze waren ‘vrijgemaakt’ aan hun lot overgelaten. Het kleinste beetje bescherming dat ze genoten hadden in de vorm van onderdak, eten en kleding raakten ze met hun vrijlating kwijt zonder ook maar enige compensatie.

    Vooral in hoofdstuk 3 (Een slavenleven in de Oost) geeft Baay schrijnende voorbeelden van slaven die op de meest grove wijze werden mishandeld (geseling, afhakken van lichaamsdelen, doorboringen, radbraken) na een veroordeling. Een dergelijk vonnis kon al worden uitgesproken wegens zogenaamde onwilligheid of verdenkingen van onoorbaar gedrag. De VOC zorgde er ook in die rechtszaken voor in elk geval zelf geen schade te lijden, want de proceskosten én de kosten van de uitvoering van de straf kwamen voor rekening van de eigenaar van de slaaf.

    Dat roept trouwens een vraag op die Baay in zijn boek niet stelt: hoe betrouwbaar zijn de gegevens uit de rechtszaken voor het totaalbeeld van de bestraffing? Kunnen veel eigenaars een procesgang niet hebben gefrustreerd uit vrees voor de kosten? Ze verloren immers een arbeidskracht (die op de markt wellicht nog te slijten was) én ze draaiden voor de proces- en executiekosten op. Hoeveel eigenaars zullen om die reden voor eigen rechter hebben gespeeld?

    Uiteindelijk wil Baay met zijn boek opkomen voor de erkenning van een geschiedenis die goeddeels veronachtzaamd lijkt te zijn: die van de slavernij in Indië. Een bijzonder interessante vraag, waarbij hij in zijn laatste hoofdstuk stil staat, is hoe die geschiedenis vergeten kón worden. Daarop heeft hij aansprekende antwoorden. Eén daarvan is dat wij een romantisch beeld koesteren van vriendelijke baboes in plaats van huisslavinnen; een andere reden is dat de nakomelingen van slaven uit de West zich onderscheiden doordat hun ouders van een ander continent (Afrika) werden ingevoerd naar Suriname en de Antillen. Ze vielen daardoor fysiek op en veel van hun kinderen kwamen naar Nederland en vertelden de geschiedenis van hun slavernijverleden door. Zo niet de afstammelingen van slaven in Indië. Die waren even oosters als de vrijen in het land waar ze werden uitgebuit. Toen ze eenmaal van hun slavenbestaan waren verlost konden ze in eigen land weer onopvallend opgaan in het volk.

    Baay levert met Daar werd wat gruwelijks verricht een belangrijke bijdrage aan een geschiedenis die lange tijd liever werd benoemd als Daar werd wat groots verricht. Daarop kwamen al decennia geleden de eerste smetten doordat steeds meer duidelijk werd over het gedrag van Nederland tijdens de politionele acties en doordat we openlijk durfden te kijken naar de zwarte kanten van de ooit verheerlijkte Jan Pietersz Coen. Baay heeft een belangrijke aanvulling op die correcties geleverd. Het is van belang dat we daar naar durven kijken.

    Lezen dus, dit boek!

     

     

     

  • Lotgenoten op weg naar hun loutering

    Lotgenoten op weg naar hun loutering

    De linkshandigen, de nieuwe roman van Christiaan Weijts, trekt in elk geval qua vormgeving meteen de aandacht. Het omslag is zo geconstrueerd, met de rugtekst rechts, dat je niet meteen ziet hoe het boek open moet – behalve als je je eventuele linkshandigheid zou volgen. En heb je het boek eenmaal open, dan blijken titel, paginanummers en colofon ook al rechts uitgelijnd. Zoals het stuur in een linksrijdende auto rechts zit.

    Inderdaad rijdt Simon Sinkelberg, de ene hoofdpersoon, een Engelse auto, met het stuur rechts dus. Hij is linkshandig (net als de schrijver zelf) en groeide op in Engeland. Daar verdiende hij zo goed en zo kwaad als dat ging zijn brood met tekeningen van straatgezichten, portretten en landschappen. Die tekende hij met zijn rechterhand omdat linkshandigheid op Engelse scholen rigoureus de kop werd ingedrukt.

    Als hij in de twintig is verhuist hij na een dramatische gebeurtenis naar Nederland, het geboorteland van zijn vader. Hij becommentarieert er, heel anders dan met zijn vriendelijke tekeningen in Engeland, voor de krant De Spiegel, op een venijnige en eigenwijze manier de actualiteit onder de cartoonistennaam Zink. Die spotprenten maakt hij met zijn linkerhand; noodgedwongen want bij het drama in Engeland is hij aan zijn rechterhand gewond geraakt.

    De roman begint als de hoofdredacteur van De Spiegel een vinnige prent van hem over de expansie van het telecombedrijf Stones & Middleton weigert. Het Britse bedrijf slaat zijn vleugels over het vasteland uit en Zink vergroot die greep bijtend uit in zijn prent. Als de hoofdredacteur bij zijn weigering blijft, neemt Zink/Sinkelberg zelf abrupt ontslag. Als hij wegrijdt pikt hij de liftster Katarina Landaart (zo verstaat hij de naam; later blijkt die Katharina l’Andart te zijn) op. Ze zeult een cellokist mee en wil naar België.

    Met elkaar geconfronteerd halen Simon en Katharina elkaars verleden naar boven, waarin de nodige parallellen zitten. Ook zij is linkshandig en ook zij is kunstenares. Zoals de cello haar verhaal met haar eigen verleden en het ongeluk van haar moeder verbindt, zo is de ene dure rechterschoen die Simon nog altijd bij zich draagt (de linker (!) heeft hij ooit kapot gestoken) de verwijzing naar het tragische einde van zijn zus Emma. Daar komt nog eens bij dat zowel Emma als Katharina een verleden hebben in een psychiatrische inrichting, maar om heel verschillende redenen.

    In de loop van het verhaal wordt duidelijk waarom de tekening van Zink die tot zijn ontslag leidde zo vol haat zat. Het blijkt alles te maken te hebben met het verleden van Simons zus Emma bij Stones & Middleton. Ook blijkt Katharina niet naar België te moeten, maar naar Frankrijk. Daar ligt haar moeder, die met de cello roem vergaarde, in coma. Katharina wil de cello nog éénmaal voor haar bespelen. Onderweg loopt Simon opnieuw een blessure op, nu aan zijn linkerhand, waardoor hij – opnieuw noodgedwongen – weer met de rechter moet gaan tekenen. Omdat hij zich daar in Engeland al in heeft bekwaamd, slaagt hij daar uitstekend in. Hij stelt vast dat hij tweehandig is en bovendien dat de tekeningen die uit zijn rechterhand vloeien weer milder zijn.

    Na de laatste ingrijpende verwikkelingen in Frankrijk, in het huis waar Katarina’s moeder wordt verzorgd, beleven zij en Simon hun loutering. Voor het zover is krijgt de lezer, tegen de achtergrond van het Carnaval dat gaande is, een cascade aan geheimzinnigheden te verwerken waarin recente maatschappelijke problemen als afluisterpraktijken, de grenzen van spotprenten (let wel: de roman is van vóór de aanslag op de burelen van Charlie Hebdo), hacking en privacyschendingen het verhaal zijn actualiteit verlenen. Weijts gebruikt daarbij zijn protagonist Simon ook nog eens om de val van de dagbladpers (de krant waarbij hij ontslag heeft genomen noemt hij ‘de slijpsteen van de geest’) voor de commercie hekelt – af en toe op een nogal obligate manier trouwens.

    De linkshandigen is knap opgebouwd en leest af en toe als een thriller. En het is onnodig te zeggen dat Christiaan Weijts kan schrijven. Toch zijn er ook mindere punten. Je wordt op den duur een beetje narrig van de grapjes met het woord ‘sinister’ (dat immers naast ‘onheilspellend’ in het Latijn ook ‘links’ betekent) en er wordt nogal wat van de goedgelovigheid van de lezer gevergd als Simon een geheim dat hij nooit met iemand heeft willen delen, wél vertelt aan Katarina, die voor hem dan nog een vreemde is en die hij nota bene voor geen cent vertrouwt!

    Er gebeurt ook wel erg veel toevallig in de roman. Al doet Weijts dat waarschijnlijk met een bedoeling. Over Simon lezen we namelijk: ‘Hij geloofde niet in God, maar had wel de overtuiging dat zijn leven de goede kant uit ging, dat het een steuntje in de rug kreeg. Vaak had het toeval hem op het juiste moment, soms op het nippertje, geholpen’, waarna een alinea volgt vol toevallige gebeurtenissen uit zijn leven tot dan toe. Dergelijke opsommingen komen trouwens vaker in de roman voor, over verschillende vormen van lachen, over mensen op straat in Parijs, over gebeurtenissen die een moment markeren, lijsten van linkshandige kunstenaars enzovoort.

    De linkshandigen is al met al een zeer onderhoudend boek over twee mensen in wier ontmoeting hun verleden voorbijtrekt in een spannend verhaal. Maar veel meer dan die spanning beklijft toch niet lang. Of het zou het liefdevolle laatste optreden van Katarina voor haar moeder moeten zijn, vlak voor haar (verwachte) dood. Of het gedicht van Wordsworth dat Simon zo graag voor zijn zus Emma had willen voordragen – wat niet kon door haar (onverwachte) dood.


    De linkshandigen

    Auteur: Chistiaan Weijts
    Verschenen bij uitgeverij: De Arbeiderspers (2014)
    Aantal pagina’s: 144
    Prijs: € 18,95

  • Grootse kroniek over lot, moord, boetedoening en liefde

    Grootse kroniek over lot, moord, boetedoening en liefde

    In het begin van de 20ste eeuw heeft Zeëv Tavori grond gekocht in een nieuwe kolonie in Palestina; de staat Israël bestaat nog niet. Hij wil er een kwekerij beginnen. Staande op zijn nog onbebouwde grond, ziet hij in de verte een wagen aankomen, getrokken door een os. Er achter stapt een koe voort. Op de wagen staat een moerbeiboom en op de bok zitten Zeëvs grote broer Dov en de jonge vrouw Roet Blum. Dov haalt, bij Zeëv aangekomen ook nog een geweer uit de wagen. Hij is gekomen om in opdracht van hun vader het geweer, de koe, de boom en de vrouw te brengen: ‘Alles wat een man nodig heeft voor een begin.’

    Een geweer, een koe, een boom en een vrouw is de ook de titel van de sprankelende nieuwe roman van Meir Shalev. In interviews vermeldt de auteur graag dat hij via de lijn van zijn moeder uit een familie van verhalenvertellers komt. De bewijzen daarvan zijn terug te vinden in al zijn boeken. In deze nieuwe roman staat een opvallende passage die de kracht van die verhalen toelicht. Roeta, de kleindochter van Zeëv en lerares Bijbel op de landbouwschool in de kolonie, wordt op 85-jarige leeftijd (de staat Israël is er intussen dus), geïnterviewd door Varda Canetti, die de geschiedenis van deze nederzetting onderzoekt. Meer specifiek: genderspecifieke kwesties binnen de kolonie. Roeta bewandelt, verhalenverteller als zij is, in het interview steeds zijpaden en als Varda haar daarbij onderbreekt omdat ze graag op haar onderwerp ‘gefocust’ wil blijven, antwoordt Roeta:

    De geschiedenis van de Joodse nederzetting bestaat, met alle respect, niet alleen uit congressen, scheuringen, waarden, de status van de vrouw, de houding tegenover de Arabieren, Ben-Goerion. De geschiedenis bestaat in de allereerste plaats uit liefdes en haatgevoelens, geboorten, sterfgevallen en wraaknemingen, en families – vader en moeder, zuster en broeder, schoonzoon, schoondochter, klein- en achterkleinkinderen -, en niet zoals in het liedje in een gouden keten, maar op een houten wagen, met een geweer, een koe, een boom en een vrouw. Dat is wat overal de geschiedenis heeft gevormd en dat is wat die hier heeft gevormd.

    De werkelijke geschiedenis is niet te vinden in statistieken en politiek maar in verhalen, zo is de lezer duidelijk.

    Aan de hand van wat Roeta (ze heet eigenlijk Roet, net als haar grootmoeder) aan Varda vertelt, maar ook op basis van de geschiedenis van haar familie die ze voor zichzelf heeft opgeschreven, krijgt de lezer stukje bij beetje een qua sfeer bijna mythisch verhaal voorgeschoteld vol wreedheid, wraak en geheimen, maar ook vol vriendschap en liefde. Door te kiezen voor Roeta als de vertelster die wordt geleid door de vragen van een interviewster, kan Shalev heen en weer springen in de tijd en de lezer stukje bij beetje details geven van een geschiedenis waarvan de volle impact pas op de laatste bladzijden voor de lezer wordt ontsluierd. En zelfs dan nog blijft er veel over dat hij zelf mag invullen.

    Vertelster Roeta is het kleinkind van opa Zeëv en oma Roet (de vrouw op de wagen). Haar eigen ouders zijn nagenoeg afwezig in de roman. Pas tegen het einde blijkt dat Roeta haar vader verloor toen ze een klein meisje was – meer dan een zin wordt daar niet aan gewijd. Haar moeder is evenmin erg aanwezig. Duidelijk is dat ze naar Amerika is vertrokken en de opvoeding van haar kinderen, Roeta en haar broer Dovik, heeft overgelaten aan hun opa en oma.

    Op de bruiloft van haar broer Dovik (hij trouwt met Dalia), ontmoet Roeta haar toekomstige man Etan. Opa Zeëv en Etan raken onafscheidelijk. Ze hebben een band met elkaar waarvan de lotsbepaling ook voor Roeta zelf pas veel later duidelijk wordt: pas ‘twaalf jaar na de ramp’, zoals deze episode steeds wordt aangeduid. Shalev onthoudt de lezer lang zicht op wat met die ‘ramp’ wordt bedoeld, al is snel duidelijk dat zij te maken heeft met Neta, het enige kind van Roeta en Etan.

    De ‘ramp’ blijkt parallellen te hebben met een groot drama in het leven van opa en oma, volgend op een jaar waarin drie boeren zelfmoord pleegden. Dat het zelfmoord was, daarin berust iedereen althans, want ‘de vuile was hang je niet buiten’. Bovendien heeft de politie nooit achterhaald wat er werkelijk is gebeurd.

    Shalev beneemt de lezer af en toe de adem in de opbouw van zijn roman, die ondanks de spanning en de tragiek toch een lichte toon houdt en zelfs af en toe humoristisch is. Zo laat Shalev opa zeggen dat ‘koeienmest stinkt, ook als ze van socialistische kalveren of zionistische koeien is’.

    Daarnaast zit het boek vol symboliek en prachtige metaforen en is het prachtig van taal. Dat zit in de keuze van namen (de vader van Zeëv heeft zijn zonen Zeëv, Dov en Arjee genoemd, Hebreeuwse woorden voor wolf, beer en leeuw), in de krachtige kenschetsingen (‘Zeëv Tavori was lang van stuk, kort van lont’), in het spelen met woorden (Etan is in zijn diensttijd ‘gehard’, maar Roeta ‘gezacht’) en de beeldende vergelijkingen (‘De berg [Tabor] is mooi, bijzonder, als een vrouwenborst vol melk, als een buik in de zevende maand’), maar vooral in de verwevenheid van landschap en familiegeschiedenis. Het leven is in de vertelwijze van Shalev letterlijk vergroeid met de planten op de kwekerij van opa waarop Etan en Roeta ook werken. Zeëv weet alles van zaden. Zijn familie die verspreid is geraakt vergelijkt hij met het kruiskruid waarvan de zaden door de wind naar geheel nieuwe groeiplaatsen worden gevoerd. En de tragische gebeurtenissen spelen zich af rond drie bomen die prominent figureren in de roman, de moerbeiboom die al op de kar stond, een acacia in de Negevwoestijn en de johannesbroodboom in opa’s favoriete wadi.

    Van W.F. Hermans is vaak gezegd dat in zijn werk geen mus van het dak valt zonder dat dat gevolgen heeft. Misschien gaat dat wel op voor elke goede roman. Het geldt zeker voor Een geweer, een koe, een boom en een vrouw. Er staat geen detail in het boek dat zonder betekenis blijft. Zo neem je als lezer aanvankelijk tamelijk achteloos tot je dat opa Zeëv een oog verloren heeft omdat hij er ooit een tak in heeft gekregen. En dat hij dat aanvankelijk afdekte met een zeeroverslapje, zoals de Israëlische staatsman Moshe Dayan droeg, tot Roeta dat vervangt door lapjes met bloemversieringen. Of hoe onderhoudend opa kan vertellen over spoorzoeken in de natuur en hoe je kunt zien of een steen op zijn oorspronkelijke plek ligt. Maar vele, vele pagina’s verder blijken de tak, het zwarte lapje, de bloemetjes en de steen geladen te zijn met betekenis.

    Een geweer, een koe, een boom en een vrouw is een vol boek, hard en ontroerend. Een grootse kroniek over lot, moord, boetedoening en liefde. Een roman die lang blijft nazinderen.

     

    Een geweer, een koe, een boom en een vrouw

    Auteur: Meir Shalev
    Vertaald uit het Hebreeuws door Ruben Verhasselt
    Verschenen bij uitgeverij Ambo Anthos (2014)
    Aantal pagina’s: 366
    Prijs: € 19,99

  • Legpuzzel van een vervalsingscarrière

    Legpuzzel van een vervalsingscarrière

    Liefhebbers van Perec stond in 2012 een aangename verrassing te wachten. Éditions du Seuil besloot ter gelegenheid van de dertigste sterfdag van de schrijver diens Le Condottière uit te geven. Dat dit boek, één van de eerste onuitgegeven romans van Perec, bestond was bekend. Het was bij een verhuizing een tijd zoek geraakt nadat Gallimard publicatie ervan in 1960 had geweigerd. Nu is er ook de Nederlandse vertaling De Condottiere door Edu Borger, die in de jaren 90 van de vorige eeuw al drie andere romans van Perec voor Nederlandse lezers toegankelijk maakte.

    Waarom Gallimard de verschijning in 1960 niet zag zitten is gissen, want de roman is een waardige vertegenwoordiger van Perecs hele oeuvre. Alle thema’s van zijn latere werk zijn er al in aanwezig, soms prominent, soms in de kiem. Het duidelijkst geldt dat voor zijn obsessies met herinnering, identiteit, geworteldheid, leegte, ambities en het verschil tussen echt en namaak. Daarentegen zien we in De Condottiere nog nauwelijks de vormexperimenten, zoals de zelfgekozen beperkingen (‘contraintes’) die later zo kenmerkend voor hem worden. In de roman komen we al wel in embryonale vorm de autobiografische toespelingen tegen die in zijn hele oeuvre zo herkenbaar zijn.

    Maar eerst het verhaal in het kort.

    Gaspard Winckler raakt na een aanstelling tot restaurateur in een museum in Genève betrokken bij een netwerk van kunstvervalsers. Hij levert in opdracht van verschillende bazen twaalf jaar lang perfecte werken af. Tot hij van één van de kunsthandelaren uit het netwerk, Anatole Madera, de opdracht krijgt om een nieuwe Condottière te maken. Dat is de naam waaronder het doek  Portret van een man van Antonello da Messina uit 1475 bekend staat; het hangt in het Louvre. Winckler wordt gevraagd een schilderstuk te maken dat de expressie en de kracht van het origineel uitstraalt, maar géén kopie is. De vervalsers willen de wereld verbazen met de ‘ontdekking’ van een tweede portret van da Messina van dezelfde condottiere (een condottiere was in het Italië van de 14de en 15de eeuw een leider van huurlingen). Deze keer slaagt Winckler niet in zijn opdracht omdat de blik en de vastberadenheid van het voorbeeld hem confronteren met zijn eigen zelfbeeld. Langzaam beseft hij dat hij twaalf jaar lang een leven heeft geleid in de houdgreep van de handel in vervalsingen en nooit zichzelf is geweest. Hij faalt. En als dat besef hem in volle omvang aanvliegt vermoordt hij in een impulsieve daad zijn opdrachtgever Madera door hem in diens kantoor het hoofd af te snijden. Daarna sluit hij zich op in het aangrenzende atelier waar de Condottière op de ezel staat. Hij weet dat Otto Schnabel, de kamerheer van Madera, anderen uit het netwerk zal bellen om deze daad te vergelden. In grote haast en vervuld van een chaos aan gedachten graaft hij zich een weg naar de vrijheid en belandt bij zijn vriend Streten. Aan hem legt hij uit hoe zijn twaalf jaar als meester-vervalser zijn verlopen, voor welke keuzes hij stond en welke inzichten zijn daad en zijn falen hem hebben gebracht.

    Georges Perec (1936-1982) was kind van joodse ouders, die hij beide in de Tweede Wereldoorlog verloor. Vooral het verlies van zijn moeder en de Jodenvervolging komen in verschillende vormen terug in zijn werk, vooral in La Disparition (in het Nederlands vertaald als ’t Manco) en in W of de jeugdherinnering. Hij wordt lid van Oulipo (Ouvroir de Littérature potentielle, de Werkplaats voor potentiële literatuur), een genootschap van schrijvers (en puzzelaars) dat gelooft dat onvermoede creatieve bronnen kunnen worden aangeboord als je jezelf bij het schrijven strenge verboden en beperkingen (‘contraintes’) oplegt. Dit procedé beïnvloedt vooral de vorm van de romans van Perec, maar die vorm staat altijd in dienst van wat hij wil vertellen. Zo is La Disparition uit 1969 niet alleen een krachtproef om een boek te schrijven waarin de letter E niet voorkomt, maar ook een poging om uiting te geven aan het gevoel geen verleden te kennen waarin je geworteld bent. Hij vervatte de verbreking van de band met zijn joodse verleden (en lot) en met zijn vergaste moeder in verhalende vorm door de contrainte dat hij de meest voorkomende letter in zijn belangrijkste instrument, de taal, niet kon gebruiken.

    Voor wie De Condottiere nauwgezet leest zijn veel elementen uit later werk al te herkennen. Allereerst is er de hoofdpersoon Gaspard Winckler, die ook weer zal opduiken in W of de jeugdherinnering (1975) en in zijn omvangrijkste roman Het leven een gebruiksaanwijzing (1978), waarin hij de aquarellen van Bartlebooth verknipt tot bedrieglijke legpuzzels.

    We maken eveneens kennis met de stijlwisselingen die Perec vaak zal gaan toepassen. Al in de eerste twee pagina’s van De Condottiere wordt Wincklers verhaal bijvoorbeeld gedaan in drie persoonsvormen: de eerste, de tweede en de derde. Daarnaast wordt die geschiedenis op meerdere manieren verteld, eerst in de vorm van een monologue intérieur, daarna in een soort verhoor (zie hierna) en tenslotte in een korte documentaire beschouwing over da Messina en zijn schilderij.

    Bovendien wordt het boek aan de lezer voorgeschoteld als een legpuzzel. Tijdens het graven van een uitweg uit het atelier tuimelen de gedachten van Winckler als een chaotische waterval over de bladzijden: herinneringen aan zijn leven, de paniek om op tijd weg te komen, de ervaringen tijdens het schilderen, eerdere vervalsingen enzovoort. Er is voor de lezer nauwelijks een touw aan vast te knopen. Het dwingt je om terug te bladeren en zelf verbanden te leggen alsof je de stukjes van een legpuzzel op hun plek probeert te leggen. Dat is geen vreemde vergelijking als we bedenken hoezeer puzzels een rol in Perecs werk speelden. Het leven een gebruiksaanwijzing draait grotendeels om de al genoemde legpuzzel voor Bartlebooth. Maar het past evenzeer in de stelling van Perec die hij ooit in een interview verkondigde: ‘Schrijven is een spel dat je met zijn tweeën speelt’. Of, zoals Manet van Montfrans schrijft in haar prachtige Georges Perec, een gebruiksaanwijzing: ‘Zelden zal een oeuvre zozeer geschreven zijn geweest vanuit de behoefte om met de lezer een maatschappelijk duel aan te gaan’. In De Condottiere vergelijkt Gaspard Winckler zelf zijn werk aan de vervalsing ook enkele keren met een puzzel.

    Aan het eind van de roman blijkt aan het verhaal een heel precies tijdschema ten grondslag te liggen. Dat wordt vooral duidelijk als Winckler de gebeurtenissen aan Streten vertelt in een dialoog die veel weg heeft van een verhoor en een gewetensonderzoek. Dan vallen de puzzelstukjes voor de lezer heel precies in elkaar. Winckler begon, blijkt dan, in 1943 met zijn opleiding tot restaurateur en werd in 1947 vervalser. Twaalf jaar later, op 28 februari 1959 (het jaar vóór Perec de roman voltooide) vermoordt hij Madera. Zelfs het tijdstip wordt exact gegeven: om 3 uur.

    Tegenover Streten maakt hij duidelijk dat de karakterisering van de Condottière door da Messina hem confronteerde met zijn eigen gezicht en zijn eigen lafheid. Twaalf jaar lang had hij zich afhankelijk gemaakt van zijn opdrachtgevers en zijn eigen gevoelens genegeerd. Plotseling was er het inzicht dat hij zijn eigen leven diende te leiden. Als Streten hem bij herhaling vraagt of hij dan geen andere keuzes had kunnen maken, leidt dat tot het inzicht dat hij dat niet kon zonder Madera te doden:

    Ik leefde alleen dankzij hem, maar ik had de kracht in opstand te komen en hem te vermoorden, de kracht om me van hem te ontdoen… om me tegen hem te verzetten, tegen alles wat van hem afkomstig was, zijn hulp, zijn vergiffenis, zijn poen, zijn voedsel en zijn begrip… Hij zwierf als een gier om mij heen, maar ik heb hem de nek omgedraaid, ik heb hem de strot afgesneden… Hij maakte me het leven mogelijk, maar ik bestond niet. Ik was de gevangene van mezelf, maar hij was teveel cipier.

    We herkennen in De Condottiere ook al biografische gegevens van Perec. Het is niet toevallig dat Winckler zijn carrière begint in 1943 (het jaar waarin Perecs moeder naar Auschwitz werd gedeporteerd) en dat hij geen contact met zijn ouders meer heeft (die van Winckler leven nog wel – in tegenstelling tot Perecs eigen ouders –, maar hij weet zelfs niet waar ze wonen).

    ‘Heb je je verleden nodig om te kunnen leven?’, vraagt Streten hem. Winckler reflecteert daar een paar pagina’s later op met: ‘Het [vervalsersleven] was een raar bestaan. Zo ontzettend onecht. (…) Een leven zonder wortels. Zonder bindingen. Met als enige verleden het verleden van de wereld, abstract en verstard, als een museumcatalogus. Een bekrompen wereld. Een kamp. Een getto’.

    Een dergelijk citaat brengt je onmiddellijk bij een existentiële kwestie in het leven van Perec zelf. Die deed in zijn werk verwoede pogingen (onder andere in de verzamelbundel Ik ben geboren) om persoonlijke herinneringen minutieus te beschrijven. Hij wil op die manier vat krijgen op zijn leven omdat hij het gevoel heeft alleen die ‘museumcatalogus’ ter beschikking te hebben van de wereld waarin zich dat leven moet hebben afgespeeld. En hoe opvallend is in bovenstaand citaat niet de keus voor woorden als ‘een kamp’ en ‘een getto’ in het licht van de Jodenvervolging die Perecs familie trof?

    De keuze voor Le Condottière van Antonello da Messina als uitgangspunt voor de vervalsing is al evenzeer deel van Perecs eigen leven. We weten dat hij diep onder de indruk was van het doek en het vaak ging bekijken in het Louvre. De prachtige beschrijving ervan op pagina 135 en volgende van de roman geeft zijn eigen persoonlijke beleving weer. Een reden temeer voor zijn identificatie met het doek is een klein detail, een litteken op de bovenlip van de condottiere. Perec had in zijn jeugd zelf een dergelijk litteken overgehouden aan een ruzie met een medeleerling tijdens het skiën. Niet voor niets verwijst Winckler in de roman dan ook een paar keer naar een skivakantie uit zijn jeugd.

    Inderdaad: De Condottiere is volkomen terecht alsnog toegevoegd aan de beschikbare romans van Perec.

     

    De Condottiere

    Auteur: Georges Perec
    Titel: De Condottiere
    Vertaald door: Edu Borger
    Uitgever: De Arbeiderspers (2014)
    Prijs: € 15,00

  • Leestips voor de decembermaand – Adri Altink

    Of het de beste boeken zijn die ik in 2014 las, weet ik niet; het waren in elk geval verrassende.

    Allereerst Een makelaar in Pruisen van Nicole Montagne. De schrijfster is grafica en daarom is het niet verwonderlijk dat de meeste van haar essays in deze bundel te maken hebben met kunst. Vooral het kijken naar kunst. Het meest kritische stuk in de bundel is dat over de manier waarop Joost Zwagerman naar foto’s van Leibovitz kijkt. Montagne schrijft ook nog eens bijzonder helder en mooi.

     

    De duimsprongEen ontdekking voor mij was ook De duimsprong van Miek Zwamborn. Ook zij is kunstenares en schrijfster. In deze roman volgt ze het leven van de Zwitserse geoloog Albert Heim, ingebed in de zoektocht naar een bevriende klimmer die is vermist. Het verhaal is een boeiende mix van fictie en werkelijkheid, even gelaagd als de aardbodem voor de geoloog.

     

     

    DanubiaEen bijzondere historicus is Simon Winder. Hij beschrijft in Danubia de geschiedenis van de Europese landen en streken die ooit deel hebben uitgemaakt van het Habsburgse Rijk, van het eind van de Middeleeuwen tot 1918. Dat doet hij op een humoristische manier aan de hand van eigenzinnige keuzes: hij vertelt alleen wat hem interesseert. In het boek passeert een bonte stoet van vorsten, die duidelijk maakt dat het een mirakel is dat het Rijk, zowel politiek als qua inteelt, zo lang kon blijven bestaan. Allervermakelijkste geschiedschrijving.

    Adri Altink

  • De werkelijkheid is alleen van jezelf

    De werkelijkheid is alleen van jezelf

    Een huwelijk is net als worst. Je moet niet de hele tijd bezig zijn met de bestanddelen van je partner’, antwoordt de ‘ik’ uit Atte Jongstra’s nieuwste roman Worst. Hij krijgt tijdens een college in Berlijn vragen over zijn boeken; deze gaan over de psychologie in zijn romans. ‘Mijn personages houden er niet van. Ze denken liefst zo weinig mogelijk over zichzelf na’, antwoordt hij.

    Op 1 juni 2012 barst de bom. Schrijfster Ingrid Hoogervorst zet haar man buiten de deur omdat hij nooit ergens over wilde praten: ‘Je krijgt een uur om op te rotten’. De aanleiding was een compromitterend gedicht dat ze op zijn pc heeft ontdekt en heeft uitgedraaid. Duidelijk bewijs van overspel, smeet ze hem in het gezicht. Nee, vrijheid van de dichter, was zijn vergeefse repliek.

    ‘De heenzending’ noemt de aangesprokene, Jongstra, die gebeurtenis. In Worst kijkt hij op zijn manier terug op de 15-jarige relatie met zijn ex, die in de roman ‘Rosa’ wordt genoemd. Eerder dit jaar deed Ingrid Hoogervorst dat al in haar Privédomein, een roman met veel analyse en zelfbeklag en graven naar signalen die er bij nader inzien altijd al geweest waren. Jongstra zelf moet daar niets van hebben. Dat blijkt op een vermakelijke manier bijvoorbeeld uit een herinnering die hij beschrijft aan een gesprek dat ze samen hadden naar aanleiding van een artikel uit de NRC van 24 maart 2007 over de ‘Psychologische Alweter’. Rosa gaat er, fragmenten voorlezend aan haar man, eens goed voor zitten: ‘Moet je horen. Goed stuk. Over hoe slecht naar mensen wordt geluisterd.’ De ‘ik’ heeft er geen zin in, maar leest na enig aandringen een fragment voor over het analyseren van elkaars persoonlijkheid in een relatie en zegt dan: ‘Daar zouden ze eens mee moeten stoppen’. Rosa eist het katern terug: ‘Als je je mening al weer klaar hebt, geef dan maar hier.’
    Inderdaad. De signalen waren er vijf jaar voor de ‘heenzending’ ook al.

    Spreidde Hoogervorst de nukken en ongemakken van haar partner (zij noemt die in Privédomein consequent ‘de schrijver’) nogal venijnig ten toon in haar roman, Jongstra doet dat in Worst wat minder. Dat komt vooral door de verwevenheid van zijn terugblik met het verslag van één van zijn verzamelwoedes, worst deze keer. Die lekkernij zet hij in de roman meteen maar in als metafoor voor wat er mis ging: ‘Het was geweld dat ons huwelijk sneuvelen deed, en het peuren in de worst’.

    Nee, voor gepsychologiseer kun je de deur van Jongstra beter voorbijgaan. ‘Daar heb ik een ex-echtgenote voor’, zegt hij in Venetië tegen een Poolse doctor, die hij aan de ‘espressotoog’ heeft getroffen en die hem rondleidt in ‘het Giethoorn van Italië’. Iedereen heeft zijn eigen werkelijkheid, en laat dat in godsnaam zo blijven, lijkt Jongstra te denken. Dat is ook de toon van Worst. Natuurlijk stopt hij het nodige gif in de beschrijving van de breuk, maar het gebeurt op een manier die regelmatig op de lachspieren werkt.

    Jongstra wil er eigenlijk niet eens zoveel over kwijt: ja, een paar belabberde ervaringen, haar achterdocht, zijn zoektocht naar passende huisvesting na zijn ‘heenzending’, de sneren als hij in het huis spullen op komt halen, het gedoe over alimentatie enzovoort. Maar er is vooral zijn passie voor de worst in alle denkbare gedaantes en toepassingen. Hij struint er het internet voor af en leest oude kranten en de (wereld)literatuur door op zoek naar vermeldingen van worst.

    En ook in het verslag van die passie geldt: de werkelijkheid is die welke we creëren of waar we in wensen te geloven. Jongstra neemt onze opvattingen van de realiteit voortdurend op de hak. Het meest extreem deed hij dat in 2007 in De avonturen van Henry II Fix, waarin hij een compleet gefingeerde biografie presenteerde met een vérgaande schijn van gedocumenteerdheid. Veel van wat hij deze keer in Worst debiteert is ‘waar’, maar ook hier wordt het spel gespeeld, in tekst en afbeeldingen. ‘Jochem Rook huwde te Vollenhove (Overijssel) op 17 juli 1812 Margje Worst’; verzint hij dat? denk je als nieuwsgierige lezer. Nee, hoor. Het klopt. Maar die tekening dan op pagina 96, waarop iemand een ladder beklimt om Nietzsche een worst op zijn hoofd te zetten? De noten achterin de roman erkennen de manipulatie: ‘vrij naar Julius Hammer’. Jongstra heeft de lauwerkrans op het origineel voor de gelegenheid vervangen door een worst als hulde aan de – ja, dat wel – worstminnende filosoof. Of neem de grafiek op pagina 121 over de ‘Divorce rate in Maine per capita consumption of sausage’… Toch even googelen: nee, het ging niet over worstjes, maar over margarine! Daarentegen bestaat het muziekstuk Salute to a Sausage Society for Trombone Trio van de Zweed Christian Lindberg wel degelijk! Het is te beluisteren als track 12 op YouTube.

    In Nederland creëerde Atte Jongstra zelf ook maar meteen een sausage society. Worstclub Mondiaal. Hij is er erelid van. Daar had Rosa dan weer totaal geen begrip voor. In het eerste jaar na zijn ‘heenzending’ biedt zijn club hem meermalen vertroosting. Hij pikt er zelfs een nieuwe vriendin op bij wie hij zich kort kan warmen. Maar de nieuwe ware treft hij via een Facebookkennis. Het is Erminie. Hij krijgt haar, in tegenstelling tot eerdere vriendinnen, die weinig van zijn worsthobby moesten hebben, zelfs mee naar Mondiaal. Als de toenadering haar echter plotseling wat al te snel gaat haakt ze af.

    Een paar dagen later vergeet Jongstra, verteerd door minnepijn, naar een activiteit van zijn geliefde worstclub te gaan: ‘Ik zat met natte ogen voor het raam naar het park te turen en vergat er heen te gaan. Maar aan de janker in zichzelf krijgt men na een dag of wat een hekel. Ik kon haar zo niet laten schieten’.

    Sloeg zijn vrouw in 2012 toe na de vondst van zijn vermeende overspelgedicht, nu haalt hij Erminie terug met een vers per mail: ‘Val, neem, eet. Ik ben van jou’, is de laatste regel.
    Ze reageert nog dezelfde dag. Zonder gepsychologiseer.

     

     

     

  • Een keuze voor het leven

    Een keuze voor het leven

    Na vijf pagina’s staat er: ‘Zij had de bevoegdheid een kind bij een harteloze ouder weg te halen en dat deed ze soms ook. Maar om zichzelf bij een harteloze man weg te halen? Nu ze zwak en verlaten was? Waar was de rechter die haar beschermde?’

    Het is een gedachte die opkomt bij rechter Fiona May, 60 jaar en gespecialiseerd in familiezaken. Ze legt de laatste hand aan een belangrijk vonnis dat ze de volgende dag moet uitspreken terwijl ze juist van haar man Jack, 59 en hoogleraar klassieke geschiedenis, te horen heeft gekregen dat hij verliefd is op een veel jongere vrouw. Hij wil zijn huwelijk er niet voor opgeven, maar nu ze al zeven weken en één dag (Jack weet het precies) niet hebben gevrijd en leven als broer en zus, wil hij de seksuele opwinding buitenshuis beleven. Voor Fiona, in haar eerste impulsieve reactie, is doorgaan onmogelijk als hij bij zijn keuze blijft.

    Fiona wordt geroemd om haar fraai geformuleerde en wijze vonnissen in zaken die het welzijn van anderen dienen, maar nu ze zelf kwetsbaar is, staat ze met de mond vol tanden. Wat heeft ze aan die beroepsmatige roem? Hoe kan ze zover komen dat de collega’s straks met hetzelfde ontzag zullen zeggen: ‘En toen heeft ze hem er uit gegooid’, zo vraagt ze zich af.

    Jack vertrekt. Fiona blijft in het lege huis achter, en vlucht in datgene waar ze goed in is, haar werk. Ian McEwan, de schrijver van De kinderwet, de roman waarover het hier gaat, duikt daarna pagina’s lang in enkel voorbeelden van rechtszaken waarin Fiona moet beslissen. McEwan baseert ze, blijkens de verantwoording achterin het boek, op werkelijk gedane uitspraken. Hij koos die vanwege hun geschiktheid om zijn fascinatie te verwoorden voor het spanningsveld tussen ratio en gevoel en tussen professionele overtuiging en persoonlijke ervaring. Dat deed hij al eerder in bijvoorbeeld Zaterdag, waarin medische dilemma’s centraal staan. Ze zijn er opnieuw in De kinderwet, waar ze verknoopt raken in een juridische vraag rond zelfbeschikking en streng orthodox geloof.

    De vrij-loze periode verwijst, zonder dat Jack en Fiona zich dat bewust zijn, naar een eerder vonnis dat Fiona moest vellen. Het betrof de scheiding van een Siamese tweeling, waarvan de ene helft onherroepelijk zou sterven. De scheiding was nodig om het andere kind in leven te kunnen laten. De streng katholieke ouders zagen een dergelijke operatie echter als moord: ‘God gaf het leven en alleen God kon het afnemen’.

    Als Jack zo precies de zeven weken en één dag noemt, dringt pas geleidelijk tot Fiona door dat dat vonnis precies zo lang geleden is. In haar onbewuste wroet zich naar aanleiding van die uitspraak de spijt naar de oppervlakte over haar kinderloosheid. Diep in haar hart wilde ze kinderen, maar altijd was er een reden voor uitstel. Tot het niet meer kon.

    Weken na de bekentenis van Jack, nadat ze hem enkele met verwijten heeft overladen, kan ze hem voor het eerst pas weer met enige vertedering zien als hij met zijn neefjes speelt. Maar veel ingrijpender is een spoedgeding dat ze te behandelen krijgt. Een jongen, Adam, lijdt aan leukemie. Hij is bijna 18, de leeftijd waarop hij zelf zou mogen beslissen of een levensreddende bloedtransfusie mag worden toegediend. Zijn ouders zijn net als Adam Jehovagetuigen. Ze willen geen ingrijpen. De behandelende arts heeft de rechter om toestemming gevraagd om de transfusie tegen hun wil uit te voeren. Probleem is dat de ouders ter rechtszitting aanvoeren dat ook Adam zelf uit geloofsovertuiging weigert en accepteert dat hij zal sterven. Fiona schorst de zitting en besluit Adam zelf in het ziekenhuis te horen. Ze treft daar een inderdaad overtuigde Jehova-aanhanger, die bijzonder intelligent en creatief is. Het klikt zo goed tussen de twee dat Adam voor Fiona zelfs een Iers liedje speelt op zijn viool, Down by the Salley Gardens. Fiona zingt het zacht mee, want ze kent het in de toonzetting van Benjamin Britten. Naast haar functie als rechter is zij pianiste; ze treedt regelmatig op met een collega die het lied met haar aan de piano zingt. Maar hoezeer Adam ook sympathie opvat voor de rechter, hij blijft bij zijn keuze: geen transfusie. Terug in de rechtszaal beslist Fiona toch ten gunste van de arts.

    Als Adam door de transfusie geneest treft hij zijn ouders huilend aan zijn bed. Niet omdat tegen Jehova’s wil is gehandeld, maar van blijdschap omdat ze hun geloof trouw zijn gebleven en toch Adam door een ingreep van buiten hebben behouden.

    Fiona komt het te weten uit een brief die Adam haar stuurt. Hij meldt daarin dat de laffe reactie van zijn ouders hem van zijn geloof heeft afgebracht. Het is uitgedraaid op een ruzie met zijn vader en moeder en nu zoekt hij steun bij de vrouw die hem aan zijn ziekbed begreep en koos voor zijn leven. Hij stuurt Fiona gedichten en blijft haar achtervolgen, stalken bijna. Opnieuw raakt Fiona in conflict tussen ratio en gevoel. Haar professionaliteit maakt dat ze afstand houdt en zelfs niet antwoordt, maar in haar hart verlangt ze ernaar deze jongen, het kind dat ze misschien in haar leven wel heeft gemist, opnieuw te redden. Ze begeeft zich op het randje, maar doet het niet.

    Het schuldgevoel blijft echter knagen en komt tot een dramatische explosie als ze met haar collega een concert geeft dat als toegift Down by the Salley Gardens krijgt. Overmand door verdriet rent ze direct na het ovationele applaus de zaal uit.

    Jack, met wie ze moeizaam weer de relatie herstelt en die het concert heeft bijgewoond, komt later thuis: ‘Ze lagen in het halfdonker tegenover elkaar en terwijl buiten de kamer de schoon geregende stad op haar zachtere nachtelijke ritmes overging en hun huwelijk moeizaam werd hervat, vertelde ze hem met vaste kalme stem over haar schaamte, over de passie voor het leven van die jongen en haar rol….’

    Met het herstel van het vertrouwen tussen Jack en Fiona krijgt de roman een lichtelijk pathetisch einde. Maar dat is niet het belangrijkste dat de lezer bijblijft. McEwan is er opnieuw in geslaagd bloot te leggen wat dilemma’s met een mens doen. En opnieuw aangrijpend.

     

     

  • Het ongelukkige huwelijk tussen spierkracht en geest

    Het ongelukkige huwelijk tussen spierkracht en geest

    Voor velen zal het een nieuwe zo niet bespottelijke gedachte zijn: de ambitie om ‘op de Spelen van de toekomst spierkracht en geest te verenigen’. Maar ongerustheid is niet nodig. Het idee is niet van nu en reeds zestig jaar geleden door het Internationaal Olympisch Comité ten grave gedragen. Na ruim een halve eeuw touwtrekken en klungelige pogingen om van de Olympische Spelen een ‘samenspel van lichaam en geest’ te maken.

    Het was niemand minder dan Pierre de Frédy, Baron de Coubertin, geestelijk vader van de moderne Olympische Spelen, die zich voor deze verbinding van sport en kunst inzette. Niet de eerste de beste, zou je zeggen. Dat hij deze verbinding toch niet succesvol wist te maken is volgens Adri Altink niet zo verbazingwekkend: ‘Coubertin had echtelieden aan elkaar gekoppeld die hun huwelijk nauwelijks consumeerden, of, wat nog erger is, die nauwelijks in elkaar geïnteresseerd waren.’ Zo bezien was het huwelijk tussen sport en kunst niet louter ongelukkig, maar kansloos.

    Altink komt tot deze conclusie in De Muzen op het schavot. Nederlanders op de Olympische kunstwedstrijden. Over de opkomst en neergang van de Olympische kunstwedstrijden vanuit Nederlands oogpunt; als chronologisch verhaal, gelardeerd met anekdotes en hier en daar wat verdwaalde juicy details. ‘Omdat het een geschiedenis was die beschreven moest worden.’

    Ruim de helft van het boek is gewijd aan die chronologie. Altijd een lastige keuze om tot een pakkend verhaal te komen, omdat zo het grotere plaatje snel verdrinkt in de vele details. Wat niet betekent dat die eerste helft niet lezenswaardig is. Altink schetst daar de achtergronden van de wens van Baron de Coubertin om spierkracht en geest te verenigen hoe hij dit bevocht en de kunstwedstrijden uiteindelijk zevenmaal georganiseerd zouden worden: in Stockholm (1912), Antwerpen (1920), Parijs (1924), Amsterdam (1928), Los Angeles (1932), Berlijn (1936) en London (1948).

    Nederlandse kunstenaars streden vanaf 1924 mee. Met enkele mooie maar vrijwel onbekende overwinningen. Bijvoorbeeld van schilder Johan van Hell (Patineurs, brons, 1924), architect Jan Wils (Olympisch Stadion, goud, 1928), schilder Isaac Israels (Cavalier Rouge, goud, 1928).
    De selectieprocedures voor de Nederlandse inzendingen komen uitgebreid aan bod en zullen hier en daar de wenkbrauwen doen fronsen. Zo won Jan Wils zijn goud tijdens een ’thuiswedstrijd’ met een internationale jury die bijna voor de helft uit Nederlanders bestond. En werd in 1936 naar Berlijn onder andere werk van twee Nederlandse beeldhouwers ingezonden die zelf in de selectiecommissie zaten (Hendrik van den Eijnde en Tjipke Visser).

    Het zijn anekdotes die Altink meer had mogen uitdiepen, te meer daar de gebrekkige kwaliteit van de ingezonden kunst van de eerste tot de zevende Olympische kunstkrachtmeting juist ter discussie had gestaan. Net als overigens het gegeven dat de meedingende kunstenaars over het algemeen professionals waren, iets dat veel Olympiërs een doorn in het oog was maar blijkbaar niet leidde tot een hoger kwaliteitsniveau (wat je bij professionele kunstenaars wel zou verwachten). Wederom iets dat een diepgaander analyse verdient dan Altink in zijn boek biedt.

    Hij maakt daar overigens in het tiende hoofdstuk (‘Terugblik op touwtrekken’) wel een begin mee. Het is qua analyse het meest interessante hoofdstuk van het boek, maar bestrijkt helaas slechts tien pagina’s. Altink komt daardoor niet verder dan het licht aanstippen van het grotere plaatje. Zo geeft hij aan wat mogelijke redenen zijn voor het feit dat gerenommeerde kunstenaars vrijwel niet meestreden om Olympisch eremetaal. Door kort in te gaan op tegengestelde bewegingen in de maatschappij die de verbintenis tussen sport en kunst eigenlijk bij voorbaat kansloos maakte: de wens van Baron de Coubertin om met klassieke kunst zijn Olympische gedachte een culturele impuls te geven en de wens van de avant-garde in de kunst (zoals Picasso, Kandinsky en Munch), die zich juist bewust losmaakte van die klassieke kunst.

    Hoe het ook zij, Altink zet met De muzen op het schavot terecht een onbekend maar interessant deel van de Olympische geschiedenis in de schijnwerpers. Zijn boek is hier een prima introductie voor. Maar het eindwerk over de Olympische kunstwedstrijden is hiermee nog niet geschreven. Daarvoor is een kritischer terugblik en analyse op het getrouwtrek rondom de kunstwedstrijden nodig. Ook dat verdient geschreven te worden.

     

     

  • Oogst week 40

    door Carolien Lohmeijer

    ‘De schilder Isaac Israels heeft ooit een gouden plak op de Olympische Spelen gewonnen. Waar of niet waar?’

    Het zal u verbazen: het is waar. Want van 1912 tot 1948 dongen kunstenaars wereldwijd mee naar Olympische medailles op de wedstrijdonderdelen Architectuur, Beeldhouwen, Schilderkunst, Literatuur en Muziek. Daaronder ruim honderd Nederlanders, waaronder o.a. Isaac Israels en de architect Jan Wils die beiden goud wonnen.

    Hoewel deze kunstwedstrijden tegenwoordig weinig bekend zijn, zijn zij wel degelijk ontsproten aan het brein van Pierre de Coubertin. Op zijn aandringen zijn ze opgenomen in het programma van de Olympische Spelen van 1912. Er is maar weinig geschreven over deze kunstwedstrijden, die tegenwoordig doorgaan onder de noemer Culturele Olympiade en die een culturele omlijsting vormen van de sportwedstrijden. Het is de moderne versie van het oorspronkelijke idee dat De Coubertin voor ogen had.

    Hoe werden in ons land de kandidaten geselecteerd? Wie waren het? Waarom werden de wedstrijden afgevoerd? Welke pogingen werden door Nederland gedaan om ze te redden? Kunnen sport en kunst wel samengaan? In De Muzen op het schavot geeft Literair Nederland-recensent Adri Altink vanuit Nederlands perspectief een boeiend overzicht van de geschiedenis van de Olympische Kunstwedstrijden, een geschiedenis die nog niet eerder in boekvorm in Nederland werd beschreven.

    De Muzen op het schavot, Nederlanders op de Olympische Kunstwedstrijden, Adri Altink, Uitgeverij Brave New Books, 210 pagina’s geïllustreerd
    € 23,50.

    De val van Jakob DuikelmanVorig jaar stond ze in de finale van Manuscripting, een schrijfwedstrijd voor jong talent, inmiddels schrijft en blogt ze in Tirade, en onlangs heeft ze haar eerste roman gepubliceerd. Haar naam is Anne Marieke Samsom, haar debuut heet De val van Jakob Duikelman. Een tweede en derde roman heeft ze onderhanden.

    In De val van Jakob Duikelman gaat het over ‘de gewoonste man van de wereld’, die te horen krijgt dat hij niet lang meer te leven heeft en onverwacht in conflict komt met een met een Nigeriaanse ronselaar van kindsoldaten. Het boek is volgens uitgeverij De Arbeiderspers een ‘scherpe tragikomedie’.

    ‘Jakob luisterde maar half, terwijl de deuren van de lift zich achter hem sloten, en snelde opgelucht naar het station van Hoofddorp. Normaal gesproken rent Jakob niet, voor niemand niet, en al helemaal niet voor een trein. Maar vandaag is anders. Vandaag is geen dag om principieel te doen. Hij moet over anderhalf uur in het ziekenhuis zijn.’

    De val van Jakob Duikelman, Anne Marieke Samson, Uitgeverij De Arbeiderspers, 272 pagina’s, € 19,95

    Morgen komt LiesbethEr klinkt een hoop verwachting uit de titel: Morgen komt Liesbeth. Het is de debuutroman van Olivier Willemsen waarvan gezegd wordt dat het begint als een onschuldig verhaal, maar zich sluipenderwijs ontwikkelt  tot een luguber sprookje.

    In Kring Circulaire van deze maand zegt hij: ‘Ik ben gaan schrijven om de werkelijkheid een draai te kunnen geven. Om zelf aan het roer te kunnen staan. Uit ijdelheid misschien ook wel, omdat ik het leuk vind om mensen te vermaken. En het is onstilbaar – ik kan het niet meer tegenhouden.’ Wilt u vast kennismaken met de stijl en een aantal korte verhalen van Willemsen, dat kan dat via deze link.

    Morgen komt Liesbeth, Olivier Willemsen, Uitgeverij De Harmonie, 144 pagina’s, €16,90

    In tegenstelling tot bovenstaande drie auteurs is Kerstin Ekman een doorgewinterde De afrekeningauteur. Het meest bekend is zij door haar bekroonde roman Zwart water. In haar nieuwe roman De afrekening, wordt de beroemde Zweedse schrijfster Lillemor Troj uitgenodigd op de uitgeverij om haar nieuwste manuscript te bespreken. Voor Lillemor is de inhoud ervan echter totaal onbekend. Zonder een woord te zeggen sluipt Lillemor met de roman het pand uit. Tijdens het lezen wordt haar snel duidelijk dat een ghostwriter een boek over haar leven heeft geschreven waarin ze zeer vertrouwelijke informatie onthult. Het werk leidt tot een onvermijdelijke confrontatie tussen de vrouwen.

    De afrekening, Kerstin Ekman, Uitgeverij De Geus, 480 pagina’s, € 24,95