• Belangrijke thema’s komen niet echt uit de verf

    Belangrijke thema’s komen niet echt uit de verf

    De opdracht van de Moor van Abdelkader Benali gaat over de kracht van verhalen en de effecten van migratie, maar weet op veel punten niet te overtuigen van de urgentie van die thema’s. Het boek heeft geen eenvoudig plot: de Nijmeegse schrijver Omar, half Italiaans, half Noord-Afrikaans, zit op een dieptepunt in zijn leven omdat zijn roman maar niet wil vorderen. Dan ontmoet hij Sarah, door wiens gedichten hij zo gecharmeerd is dat hij ze heeft vertaald. Sarah werkt in het dagelijkse leven voor het Wagenings ingenieursbureau Waal & Partners. Dat bureau is ingehuurd door de Al-Falak groep, een rijk bedrijf uit het Midden-Oosten, om het door overstromingen bedreigde Venetië te verplaatsen naar de woestijn. 

    Sarah biedt hem spontaan een baan aan bij Waal & Partners. Dat biedt nieuwe kansen voor Omar, hij mag als Chief Officer Storytelling naar Venetië om de verhalen van de inwoners daar te beschrijven. Hij spreekt in Venetië allerlei bijzondere mensen en krijgt vooral nieuwe inspiratie voor zijn roman, die een novelle wordt. Opvallend is dat hij in Venetië vooral migranten spreekt over wat migratie betekent. De mening van een kwart miljoen Italiaanse inwoners is irrelevant voor de Al-Falak groep. 

    Niemand stelt een vraag 

    De novelle vormt het tweede gedeelte van het boek. Hierin staat het vluchtelingenkamp Heumensoord bij Nijmegen centraal, waar eind vorige eeuw en in 2015 vluchtelingen werden geplaatst. Dit verhaal staat grotendeels los van de eerdere verhaallijn, behalve dat het ook over migratie en vluchtelingen gaat. Aan het eind van het boek is de Venetië-verhuizing geannuleerd en Waal & Partners plotsklaps verdwenen. Maar Omar heeft zijn novelle in elk geval afgekregen. 

    Wat betreft het plot zijn er enkele opvallende dingen op te merken. Allereerst is het helemaal niet duidelijk waarom de Al-Falak groep Venetië wil verplaatsen en waarom niemand in het boek vraagtekens durft te zetten bij deze ronduit ongeloofwaardige onderneming. Een simpele mail van Sarah overtuigd Omar dat het een goed idee is en ook in Venetië wordt het vrijwel niet ter sprake gebracht. Het is dan ook geen verrassing dat het plan nooit van de grond komt, het plan werd in eerste instantie al niet geloofwaardig gepresenteerd. De verhaallijn met Waal & Partners, Sarah en de verhuizing van Venetië lijkt vooral overbodig. Omar had ook uit zichzelf naar Venetië kunnen gaan om daar als schrijver de verhalen van migranten te verzamelen. Dat had het een veel geloofwaardiger verhaal gemaakt en de lezer aardig wat verwarring bespaard. 

    Boek-in-boek-methode

    Het boek bestaat voornamelijk uit korte gesprekken en ontmoetingen met personen in Venetië die nooit echt tot een afronding of diepere laag komen. Omar ontmoet iemand, trekt een aantal hoofdstukken met die persoon op en abrupt is de persoon verdwenen. De gesprekken gaan voornamelijk over het uitwisselen van verhalen of over de kracht van verhalen. Ook de novelle die in het boek zit (netjes in een ander font gepresenteerd), weet niet te overtuigen. Het boek-in-het-boek, een beproefd literaire methode, komt hier niet echt sterk over. Ondanks dat het over een belangrijk onderwerp gaat, migratie, is nergens de urgentie voelbaar doordat de personages weinig diepgang hebben. Dat lijkt vooral te zitten in de abrupte manier waarop mensen in Omar’s leven verschijnen en weer verdwijnen. Elke vorm van spanning of urgentie wordt binnen enkele pagina’s opgelost. 

    Bijvoorbeeld aan het begin van het boek: Omar worstelt met zijn roman, waar hij maar niet verder in komt. Zijn relatie met zijn (naamloze) vrouw, is daardoor moeizaam, want hij heeft het gevoel dat hij minder waard is dan zij: zo verdient hij bijvoorbeeld minder dan zijn vrouw. Als hij Chief Officer Storytelling wordt bij Waal & Partners, krijgt hij opeens een riant salaris inclusief een gouden visitekaartje. Hierdoor gaat hij wat luxer leven, kookt hij bijvoorbeeld niet alleen maar macaroni met gehakt, maar ook moussaka, tajine en couscous. Prompt wordt hij beloond met ‘genegenheid tussen de lakens’ en zijn alle relatieproblemen opgelost. ‘Ze zag een man die “ja” tegen het leven zei, en wat ze zag beviel haar zeer.’ 

    Omdat hij (geheel toevalligerwijs) een baan aangeboden kreeg van Sarah, is gelijk zijn hele relatie met zijn naamloze vrouw gered. Over huwelijksproblemen wordt de rest van de roman amper meer gerept, sterker nog: aan het eind van de roman is de liefde tussen Omar en zijn vrouw helemaal opgebloeid. Naast dat het redelijk ongeloofwaardig is, zorgt dit ervoor dat er geen urgentie meer is. Alle problemen die Omar ondervindt, zijn binnen een paar pagina’s opgelost of afgekapt. 

    Geen dieper besef over migratie

    Het is jammer dat deze roman niet uit de verf komt, want de thema’s die Benali aansnijdt zijn belangrijk: de kracht van verhalen en de diepgaande effecten van migratie. Herhaaldelijk wordt in dit boek die kracht van het verhaal aangehaald, ‘Verhalen bieden perspectief. Ze brengen vergezichten, zorgen voor verbinding.’ In de stukken over de migranten in Venetië zijn aanzetten te vinden voor een belangrijk verhaal over migratie. Alleen worden die aanzetten amper afgemaakt en komen niet tot een dieper besef hoe verhalen precies migratie stuwen en beïnvloeden. Dat is een gemiste kans. 



  • Dichter bij de dichter

    Dichter bij de dichter

    De tweede bundel van Lamia Makaddam heet Vrijetijdsgedichten omdat de gedichten erin geschreven zijn in haar vrije momenten, ‘[…] de schaarse minuten en uren die ik op het toilet en in bad doorbreng, of als ik eet, loop en slaap.’ De bundel is opgedragen aan haar zonen, die zeiden dat ze haar nooit zagen schrijven en zich afvroegen wanneer ze dat dan wel had gedaan. Het combineren van huishouden, moederschap en schrijverschap is een opgave, zoals Annie M.G. Schmidt al aangaf in haar ironische gedicht Moeder dicht. Veel vrouwelijke auteurs schreven alleen als ze de kans kregen, tussen de soep en de aardappelen door. Geen wonder dat Agatha Christie zei dat ze om te schrijven alleen een tafel nodig had, en het maakte niet uit waar die stond.

    Lamia Makaddam schrijft haar versregels tussen het schoonmaken van de koelkast en het boodschappen doen door. (‘Uiteindelijk is het schoonmaken gestopt uit woede en het schrijven doorgegaan uit liefde.’) Daarom misschien zijn haar zinnen zo onopgesmukt geschreven in korte en langere prozagedichten als bladzijden in een dagboek, tekstblokken waarin haar observaties verbonden worden met haar gedachten. Die gedachten dwalen noodgedwongen vaak af van dichten, omdat de alledaagse werkelijkheid zich weer opdringt, waarmee de dichter zich moet zien te verzoenen: de tuin moet verzorgd, er moet gewerkt worden als tolk voor politie en vreemdelingendienst.

    Chaos van het dagelijks leven

    De gedichten zijn fragmentarisch en bieden een inkijkje in de chaos van het dagelijkse leven, dat immers ook niet rechtlijnig en ononderbroken verloopt. Zo waaieren de onderwerpen van de gedichten eveneens alle kanten uit: herinneringen aan het verleden, bespiegelingen over taal, over zintuigen, waarbij vooral de ogen een grote rol spelen:

    ‘Ik wilde de bode van de rechtbank naar haar ogen vragen terwijl ze mijn
    naam opschreef. Ik wilde haar vragen of ze net als ik leed aan glaucoom.
    Blauw water. Of wit. Water krijgt pas kleur, smaak en geur als het zich
    in je ogen nestelt. Ik zie met de ogen van een ziende, en ik denk met
    de mentaliteit van een blinde en met zijn verlangen om de mensheid te
    ontlopen.
    […]
    De bode zit achter een van de hoge bureaus in de rechtbank van Den
    Haag. Ze schrijft mijn naam op en zegt dat ik hem niet hoef te spellen.
    Wij zijn de club van de uitgedoofde ogen, wij onthouden namen.’

    Menselijk leed

    Er is in de gedichten vaak sprake van kijken, blind zijn, ogen verliezen en ogen sluiten. Dat is niet verwonderlijk bij een dichter die misschien in haar persoonlijk leven, maar zeker door haar werk als tolk zo veel gezien heeft op het gebied van menselijk leed. Soms is het motief ‘zicht’ metaforisch bedoeld als een beeld van iets dat niet gezien werd of niet gezien mocht worden, maar Makaddam brengt dat beeld heel direct terug tot de naakte werkelijkheid door het voor te stellen alsof de gebeurtenis letterlijk heeft plaatsgevonden: dat je een oog kwijtraakt en het moet zoeken in de menigte van mensen. Ze verstaat de kunst om heen en weer te schakelen tussen verbeelding en waarneming. Het onderscheid daartussen is heel klein in deze gedichten. Wat de ogen hebben waargenomen, wordt door de dichter omgezet in taal. Taal, woorden en boeken zijn middelen die haar troosten en verzoenen met de alledaagsheid en de eenzaamheid.

    ‘[…]
    Dit boek is geschreven in afwachting van de terugkeer van onze
    dierbaren. Het kan niet anders dan dat hiervóór veel boeken zijn
    geschreven met dezelfde reden. Loopt wachten uiteindelijk altijd uit
    op een boek? Verhoogt dat het belang van boeken, of vermindert het
    de waarde juist? Worden boeken geschreven om de tijd te doden, zoals
    iemand die besluit een kleed te weven in afwachting van de terugkeer
    van haar man uit de diaspora, of iemand die tarwe zaait in afwachting
    van de terugkeer van zijn zoon uit de oorlog?
    Schrijven zal nooit tot het niveau van het leven stijgen en de tijd die het
    kost om een zin te schrijven duurt jaren langer dan de zin zelf.
    Als we de tijd van de woorden, de letters en de punten in dit boek
    zouden verzamelen, dan zouden we zien dat dit een vreemd boek is,
    ontstaan in twee maanden, terwijl het schrijven ervan duizenden jaren
    heeft geduurd.’

    Hoewel Makaddam, geboren in Tunesië, de Nederlandse taal zo goed beheerst dat ze zowel Jij zegt het van Connie Palmen als Malva van Hagar Peeters in het Arabisch vertaald heeft, schrijft ze haar gedichten in het Arabisch, haar moedertaal; voor het schrijven van hoogstpersoonlijke gedichten is dit een voor de hand liggende keuze. Haar eerste bundel Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf, werd vertaald door Abdelkader Benali. De bundel Vrijetijdsgedichten, is vertaald door Djûke Poppinga. Beide vertalers zijn er wonderwel in geslaagd om de overgang van gedachten en herinneringen zo soepel te laten overgaan in de realiteit van iedere dag, zoals de dichter zelf ook doet.

    Weerspiegeling van een gedachtestroom

    De gedichten hebben geen titel, zijn niet onderverdeeld in afdelingen. Ze wekken de indruk dat ze inderdaad zó in één keer opgeschreven zijn, als weerspiegeling van een gedachtestroom, zonder doorhalingen of verbeteringen. Het zijn boeiende gedichten, omdat ze zo direct aanspreken en een andere, nieuwe kijk bieden op alledaagse dingen. De verrassende beelden die Makaddam gebruikt, laten een indruk achter die niet gemakkelijk vergeten wordt. Ze verdiepen wat op het eerste gezicht oppervlakkig lijkt en verbinden de dichter met de lezer: wat strikt persoonlijk leek, wordt toegankelijk gemaakt. Het zijn ontroerende gedichten, waarin grote woorden niet nodig zijn om over te brengen wat de gedachten en de gevoelens zijn die erachter schuilgaan. Makaddam weet de meest ingewikkelde zaken in een paar zinnen terug te brengen tot de kern, tot dat waar het voor haar allemaal om draait: ogen en kijken, taal en gedichten, dood en leven.

    ‘”[…] Waarom verwart u de boeken met elkaar, de werkelijkheid
    met poëzie?”
    “Omdat ik mijn hand heb uitgestoken naar de leegte en de leegte haar
    heeft vastgepakt.Ik heb mijn voet neergezet op het begin van de weg
    en die heeft me in zijn armen gesloten. ik heb op de schappen naar een
    boek gezocht en heb er duizenden gevonden.
    Ik zal niet blind worden, hoe blind ik ook zal worden.’”

     

     

  • Oogst week 16 – 2021

    De stilte van de ander

    Abdelkader Benali schreef De stilte van de ander ter gelegenheid van de Nationale Dodenherdenking op 4 mei. Aanvankelijk koos het het Nationaal Comité 4 en 5 mei hem ook als spreker voor de 4 mei-lezing, een besluit dat begin dit jaar werd gemaakt om de dialoog tussen bevolkingsgroepen te versterken. Eind januari legde Abdelkader de mogelijkheid toch naast zich neer: online gingen stemmen van tegenstanders op nadat er een uitspraak van hem, over het aantal joden in Amsterdam-Zuid uit 2006, weer was komen bovendrijven.

    Die kwam hem online op grote tegenstand, beschuldigingen van antisemitisme en haatberichten te staan. Deze lezing, bestemd voor de 4 mei-herdenking werd, met een speciaal toegevoegde apologie, uitgebracht door De Arbeiderspers,.

    De stilte van de ander
    Auteur: Abdelkader Benali
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Vaal paard, vale ruiter

    Katherine Anne Porters (1890-1980) Pale Horse, Pale Rider werd in 1939 voor het eerst gepubliceerd bij Harcourt, Brace and Company. Deze maand verscheen het in vertaling van Molly van Gelder bij Atlas Contact als Vaal paard, vale ruiter. Het boek is een bundeling van drie van Porters korte verhalen, waarvan het titelverhaal is gebaseerd op autobiografische ervaringen: de hoofdpersoon, Miranda, wordt besmet met het Spaanse griepvirus. Ze wordt ernstig ziek en ziet in haar angstige koortsdromen haar geliefde die naar het front wordt gestuurd, de loopgraven van Europa tijdens WO I.

    Porter zelf kreeg in 1915 tuberculose en verbleef in een sanatorium, waarna ze de pen opnam. Toen ze als journalist in Denver werkte, raakte ze bovendien besmet met het Spaanse griepvirus. Op het eerste oog leek die griep nog een onschuldige verkoudheid. In maart van 1918 meldt de eerste zieke zich in de VS – er is nog geen reden tot paniek, tot in augustus van datzelfde jaar de epidemie een levensbedreigend karakter krijgt – iets wat voor de hedendaagse lezer van Vaal paard, vale ruiter vast angstaanjagend herkenbaar is.

    Vaal paard, vale ruiter
    Auteur: Katherine Anne Porter
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De echo van mijn voetstappen

    Een ander boek waarin de lezer weleens akelige (symbolische) parallellen met ons heden zou kunnen ontdekken: De echo van mijn voetstappen van Daniël Dee, uitgegeven door Passage. In De echo van mijn voetstappen komt een ‘eenling’ er op een ochtend achter dat alle andere levende wezens van de aardbodem zijn verdwenen. Een overstroming zorgt er een paar dagen later voor dat hij letterlijk geen kant meer op kan, en zijn eenzaamheid zelf te lijf moet gaan. Daardoor komen existentiële vragen op, maar lijkt ook de waanzin steeds dicht(er)bij.

    Dit boek is het eerste deel van een zogenoemd Rotterdams tweeluik (Dee is oud-stadsdichter van Rotterdam), waarvan het tweede deel in het najaar van 2021 verschijnt.

    De echo van mijn voetstappen
    Auteur: Daniël Dee
    Uitgeverij: Passage, Uitgeverij
  • Oogst week 22 – 2020

    De verhalen die we onszelf vertellen

    De verhalen die we onszelf vertellen is een verzameling essays van Joan Didion (1934) over Californië, New York en de jaren zestig. De keuze maakte Joost de Vries uit haar eerder gepubliceerde werken als Slouching Towards Bethlehem, The White Album en Where I Was From. Joan Didion schrijft al sinds de jaren zestig over het leven in Amerika op onconventionele wijze. Haar overdenkingen lezen alsof je je onder de huid van een samenleving en haar persoonlijke leven bevind. Eerder verscheen van haar Het jaar van het magisch denken (2006 Prometheus), over het verlies van haar man, en Blauwe nachten (2012 Bezige Bij) over het verlies van haar dochter. Boeken die integendeel treurig zijn, of adviezen bevatten om verlies van geliefden te overleven. Het is essayistisch proza wat Didion schrijft.

    Haar essays gaan over het vrije leven in de jaren zestig, revolutionaire politiek, beroemdheden en persoonlijke reflecties. Haar stijl en observaties oefenen doorgaans een grote aantrekkingskracht uit op de lezer.

     

     

    De verhalen die we onszelf vertellen
    Auteur: Joan Didion
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Het failliet

    Dichter Arnoud van Adrichem (1978) debuteerde in 2008 debuteerde hij met de dichtbundel Vis, die bekroond werd met de Hugues C. Pernathprijs 2009 en het Charlotte Köhler Stipendium 2009. In 2010 verscheen een bundeling essays, gedichten en vertalingen onder de titel Stemvork, in samenwerking met Jan Lauwereyns maakte. In 2015 publiceerde hij zijn derde dichtbundel, Geld. Zijn nieuwe dichtbundel Het failliet. Dichten over een faillissement, ervandoor gaan, op de vlucht voor schuldeisers. Wisselend vind je de dichter terug op een eiland, aan zee, opgesloten in zijn atelier. Maar waar hij zich ook bevindt, imaginair gaat hij gewoon naar kantoor en neemt plaats achter zijn bureau, dat overigens allang geveild. Ondertussen wordt alles waargenomen.

    Het eerste gedicht ‘Schelp’ begint zo, ‘Een open einde? / Nee, het is net begonnen /met een hondse grom.’

    Het failliet
    Auteur: Arnoud van Adrichem
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf

    Dichter Lamia Makaddam is geboren in Tunesië waar ze Arabische taal en letterkunde studeerde. Ze publiceerde drie dichtbundels in het Arabisch en won in 2000 de El Hizjra literatuurprijs. Op twintig jarige leeftijd kwam ze naar Nederland. Haar derde dichtbundel is nu naar het Nederlands vertaald is door Abdelkader Benali en kreeg de intrigerende, haast strijdlustige titel mee, Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf. Naast dichter is Makaddam ook journalist en vertaler.

    In de poëzie van Lamia Makaddam worden rauwe beelden opgevolgd door opwellingen van tederheid. Geliefden en minnaars worden vastgehouden, weer losgelaten en ten grave gedragen. In haar poëzie is niemand onschuldig in de liefde. Lamia Makaddams poëzie raakt aan haar sentimentele gevoelens maar gaat evenzeer om wraak, wraak als sentimentele aangelegenheid.

    Het is nog even wachten op deze bundel, verschijnt 5 juni.

    Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf
    Auteur: Lamia Makaddam
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas
  • Soepel en licht vallende poëzie

    Soepel en licht vallende poëzie

    Bij de confrontatie met poëzie van een schrijver die vooral van zijn romans en verhalen gekend is, moet men weerstand kunnen bieden aan de neiging de doorgewinterde prozaschrijver te willen ontmaskeren in de gelegenheidsdichter. Onder die laatste noemer mag Abdelkader Benali zich misschien wel scharen, want iets minder dan de helft van de 57 gedichten uit zijn bundel Wax Hollandais blijkt in opdracht geschreven. Maar wat is er op tegen, een prozaïst die wat bijklust in de poëzie?

    Illusie van de poëzie
    Benali komt in zijn derde uitstapje naar de poëzie in 21 jaar prozaschrijverschap in ieder geval met een magistrale openingszet in prozavorm! In de treffende anekdote De ontdekking van de poëzie verschijnt opeens een deurwaarder om huisraad in te vorderen wegens een fiscale schuld. De piepjonge Benali die enkel in termen van speelgoed denkt ziet anders dan zijn vader weinig gevaar. Uit een huis waarin zich immers nagenoeg geen speelgoed bevindt valt toch weinig te halen? Dat is echter buiten deze gewiekste deurwaarder gerekend. Als een heuse magiër toont hij hoe eenvoudig je ‘met kleine aanpassingen’ van allerlei spulletjes speelgoed kan maken. Het opent de ogen van het ventje. Het huis is opeens rijk aan speelgoed! Maar die rijkdom is maar een vluchtige illusie, want de deurwaarder komt de boel meteen inpikken. Die het wonder toont, laat het maar even duren. Moraal: alles kan in ons leven ‘met kleine aanpassingen’ meeliften op de illusie van de poëzie.

    Omwille van de aanpassingen
    Welnu, soms is het met die ‘kleine aanpassingen’ in Wax Hollandais heel aardig gelukt, als in de eerste drie regels van Leeuwarden, waar de woorden zich direct thuis lijken te voelen in het gedicht:

    Vrouwen twee keer zo groot als de mannen,
    Mannen twee keer zo groot als dit gedicht.
    In het binnenland ontdekt men een buitenland’

    Wanneer echter omwille van de ‘kleine aanpassingen’ uit een ander vaatje wordt getapt is het resultaat minder geslaagd, zoals in de eerste drie regels uit Bleekgezicht:

    Wanneer in uitgeklede gedachten verzonken
    ik de garderobekast van mijn vergeetachtige
    gehemelte leeghaal (…)’

    In dienst van de leesbaarheid
    Door overdaad overwoekerd houdt de poëtische illusie het hier verder voor gezien. Maar dit betreft gelukkig een atypisch citaat voor de dichter Benali. Hij bedrijft namelijk niet het soort poëzie waarbij de lezer gauw de draad kwijt raakt. Hij breekt de taal niet open noch stelt hij de gangbare grammatica op de proef. Hij is er de man niet naar om in zijn poëtische overspel al te pretentieus te werk te gaan. Leesbaarheid voorop. In Dieter, Rams een gedicht over de Duitse architect en industrieel ontwerper, lijkt Benali ook voor zichzelf te spreken als hij schrijft: ‘goede vormgeving is zo min mogelijk vormgeving / de schil om de mango die meegroeit met wat binnen is / dat is goede vormgeving.

    In deze bundel valt het dan ook nauwelijks op dat men hier gedichten leest. Qua vorm zie je hier en daar een sonnet en de bladspiegel verraadt meestal wel dat het om gedichten gaat, maar Benali laat de taal soepel en licht vallen om zijn verhaallijn. En hij laat het verhaal daarbij ook het meeste werk doen. Hoewel hij schrijft dat de mensen zich hem herinneren ‘als de man die leefde / uit zijn wond’, lijkt deze poëzie vooral te leven uit de beelden en verhalen die de dichter in de loop van zijn leven heeft verzameld. Benali, je tikt er tegen en hij verhaalt.

    Autobiografisch
    De illusie die Benali’s poëzie veelal wekt is dat de inhoud ervan enigermate autobiografisch is. In enkele gedichten (o.a. het mooie, lange gedicht De luit van mijn oom) doemt Marokko het geboorteland van Abdelkader Benali (1975) op. Al komt Benali zelf met een pesterijtje:

    ‘Een poging tot een autobiografie’
    In het dorp waar ik geboren ben
    staat een huis, in dat huis ben ik
    geboren, in dat huis waar ik
    geboren ben, is een kamer waar ik
    geboren ben, waar vóór mij nog niemand
    geboren was, totdat ik er
    geboren ben, en sinds die geboorte zijn er nog meer
    geboren maar nu staat het leeg
    wat wil je er nog meer over weten?

    Vaderschap
    In de afdeling Op vaderlijke toon lezen we hoe de schrijver zich in zijn gezinnetje van zijn vaderrol kwijt. Terwijl de atletiekliefhebber Benali om de hoek komt kijken in de reeks Studio Sport. Hij snijdt begrippen als ‘migrant’ en ‘inburgering’ aan met de lichte tred van de lange afstandsloper. Ondanks dat deze dichter het hier en daar laat regenen en men op regels stuit als ‘Ik smeekte de huisarts om pillen die de vreugde weer terug zouden brengen’, overheerst in deze bundel een vitale, luchtige, zonnige, speelse maar ook beheerste toon. Het wordt nergens echt gevaarlijk of dreigend, al worden hier en daar aardige oneliners geserveerd als ‘omdat de tijd verveling minus hobby’s is’.

    Het is wat het is
    Echt lastige vragen worden niet hardop gesteld en God blijft gewoon met een hoofdletter geschreven. Een zin als ‘ergens in het midden dobbert de hoop als een eendje’ wordt dan ook niet geschuwd. De gedichten worden al met al niet veel groter dan de gevoelens, de gedachten die eraan ten grondslag liggen. 1+1 wordt hier zogezegd geen 3.
    In het gedicht Dordrecht uit de stedenreeks Urbi et orbi, komt ook de humor nog even om de hoek kijken. Hierin deelt Benali in de beginregel mee het Dordtse stadsschoon in eerste instantie te hebben opgesnoven van een ingezonden foto van een gracht aldaar uit een Wibrafolder. Om aan het eind te bekennen: ‘Wanneer ik er voor het eerst kom / zie ik alleen geen gracht, wel een Wibra.’

    Al met al een bundel waarin de waarde van het leesgenot enige graden hoger ligt dan de poëtische waarde. Eerlijk is eerlijk: de meeste gedichten lezen gewoon lekker weg. Poëzie die men dus gerust cadeau kan doen aan wie niets met poëzie heeft. Te aardig om er iets onaardigs over te zeggen.

     

     

  • Kan de échte Badr Hari nu opstaan?

     

    Bad Boy is alweer de zesde roman van de Marokkaans-Nederlandse schrijver Abdelkader Benali. Een bezige bij, die, naast talloze romans, binnen 8 jaar een oeuvre heeft geschapen van reisverhalen, toneelstukken, columns, brieven en een gedichtenbundel. Naast het schrijven doet Benali regelmatig uitstapjes naar de tv-wereld. Onder leesfanaten is hij welbekend van het programma Benali Boekt, waarin hij de lezer een kijkje geeft in de levens van bekende Nederlandse schrijvers.

    Bad Boy is een van de bijnamen die kickbokser Badr Hari verwierf in de ring. De roman is dan ook geïnspireerd op het leven van deze inmiddels befaamde beroepsvechter. Benali leent de onzekere situatie waarin Hari tot op heden verkeerde en speelt met de verwachtingen rondom zijn proces. De auteur geeft aan, onder andere in een interview met de NOS, gefascineerd te zijn door de verschillende gezichten van de kickbokser. Hari is volgens hem een Janushoofd. ‘Hij heeft enerzijds een zeer charmante kant die hij naar buiten draagt in de media, aangevuld door zijn sportieve succes, en anderzijds een oncharmante, met name onsportieve kant, die hij in de boksring toont,’ aldus Benali.

    In zijn poging om het ware gezicht van Badr Hari te onthullen, speelt hij een literaire ‘wie van de drie.’ De gefictionaliseerde Hari, Amir Salim, kent dan ook drie geboortes. Zo begint Benali’s roman met het beeld van een stille en schuchtere Nederlands-Marokkaanse jongen die opgroeit in een volksbuurt in Amsterdam Oost. Als vierde zoon lijkt hij identiteit te missen. Hij is stil en terughoudend. Totdat zijn moeder het idee krijgt om hem op boksen te doen. Hier wint Amir aan identiteit en ondergaat hij zijn tweede geboorte.

    ‘Onder zijn kleding kolkte de warmte van het gevecht nog, hij werd erin gekookt, in deze mannelijke bouillon van hitte en hitsigheid. Oerschreeuw na oerschreeuw hoorde hij achter zich. Daarboven brandde het licht fel, alsof er een brand woedde. Achter die brede ramen vochten de topatleten, waar hij zelf een paar minuten daarvoor nog tussen had gestaan. Opnieuw voelde hij het verlangen om terug te gaan en zijn plaats op te eisen. Hij keek op zijn Casio-horloge. Het was tien over zes. Het tijdstip van zijn geboorte.’ (p. 49).

    Naast lust, blijkt Amir ook talent te hebben voor het kickboksen. Hij wint alle gevechten en verwerft binnen enkele jaren de kampioenstitel. Deze gaat gepaard met een voorbeeldfunctie.

    ‘Er werd naar hem gekeken zoals hij zijn broers naar mooie meisjes op tv had zien kijken, vol dromen, verwachtingen en soms expres onderkoeld ook. Iemand zei tegen hem: “Ik zie in jou de toekomst van het nu.” Iemand anders zei: “Later zal iedereen zoals jij willen zijn.” Lovende stemmen die om hem heen dwarrelden.’ (p. 93)

    Maar ook deze jas ontgroeit hij snel. Al deze lovende stemmen leggen druk op de kampioen, die als jongste zoon nooit een voorbeeldfiguur heeft hoeven te zijn. Het wordt steeds moeilijker om zijn opvliegende kant, aangestuurd door de djinn (kwelgeest), te onderdrukken. Dan gaat het mis. Wanneer zijn glamourvriendin tijdens het uitgaan door een oude vijand van Amir wordt vernederd, slaan alle stoppen door. Amir de vechter en Amir de man worden één, en de klappen vallen.
    Om Amir uit de luwte te houden, vraagt zijn manager hem om een gestrand reisgezelschap, waaronder zijn dochter, in Marokko te gaan zoeken. Eenmaal daar werpt Amir zich op als reisleider. Na deze derde geboorte krijgt Amir de kans om de man van de vechter te scheiden. Om het gestrande gezelschap in Marrakech te krijgen is hij immers enkel aangewezen op zijn kwaliteiten als mens. In deze gedaante ontpopt hij en blijkt hij het meest met zichzelf samen te vallen.

    Benali’s poging om Badr Hari literair te portretteren is dapper, maar enigszins onbevredigend. Hoewel het verhaal maar weinig van haar globale lijnen afwijkt – hier en daar een flashback – is het schetsmatig. Het plot mist diepgang en blijft hierdoor amper overeind. Daarnaast is er een tekort aan spanningsbogen om de aandacht van de lezer bij het verhaal te houden. Waar Benali wel uitweidt over zaken lijkt dit geen doel binnen het verhaal te hebben, behalve het vertragen ervan. Dit soort dwaalsporen zorgen ervoor dat de aandacht van de lezer verslapt. Dit is sterk het geval wanneer het gaat over de carrièreproblemen van Amirs vriendin Chanel. Naast haar fictieve problemen, komt het hele personage, alleen al de naam, wat gekunsteld over. Deze gekunsteldheid geldt niet alleen voor sommige personages, maar ook voor Benali’s schrijfstijl. De harde telegramstijl die hij gebruikt voor Amirs personage clashed hier en daar met de lyrische en soms wat tuttige woordkeuze van de verteller. Zo omschrijft Amir, die een late prater was, zichzelf als volgt:

    ‘Langzaam, met horten en stoten, vertelde hij wie hij was. Amir Salim. Uit Amsterdam-Oost. Vechter. Succesvol. Grappig. Charmant. Gezellig. Ondeugend. Hard. Streng. Trots. Trots.’ (p. 97)

    Een stukje verder in het boek wordt vanuit Amirs perspectief een oude Marokkaanse man beschreven:

    ‘“Salaam wa alaikoem.” Plotseling stond een kleine oude man voor zijn neus, het onbetaalbare gezicht helemaal bekrast door de stoffige tijd. Natuurlijk had hij een lekker dikke boernoes aan en droeg hij afgetrapte leren slofjes. Helemaal het plaatje.’ (p. 101-102)

    Wellicht verdient deze auteur meer lof – al is het alleen al voor eerdere werken, zoals Bruiloft aan zee en De langverwachte – maar de sensatie van de afgelopen jaren rondom de kickbokser en zijn (ex)vriendin Estelle Cruijff maakt het moeilijk om de roman onbevooroordeeld in te gaan. Het onderwerp van deze roman roept dan ook vragen op over Benali’s intenties met de roman. Ondanks dat de auteur aangeeft Hari’s ware gezicht te willen duiden, is het ook overduidelijk dat het ‘achterklap’ verhaal erachter goed scoort bij veel lezers geïnteresseerd in het roddelcircuit. Of is het zijn intentie om invloed te hebben op het proces van de bokser? Inmiddels is een deel van het einde van het proces van Badr Hari uit de doeken gedaan. De kickbokser is onlangs veroordeeld tot anderhalf jaar gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Hari heeft besloten tegen deze uitspraak in beroep te gaan. Ten tijde van het schrijven van het boek was het echter nog niet bekend hoe deze geruchtmakende zaak zou aflopen. Benali speelt dan ook met de verwachtingen rondom het toen nog naderende proces. Veroordeelt hij de bokser die zich schuldig heeft gemaakt aan ‘adelaar gedrag’ (om de metaforische vergelijking die in de rechtszaal werd getrokken nog maar eens te herhalen) of probeert hij zijn naam te zuiveren?

    Benali velt echter geen zwart-wit oordeel. Zijn voornaamste intentie lijkt om Badr Hari – hetzij welgestelde glamour man of gewelddadige derde generatie immigrant – te vermenselijken. Misschien dat de allegorie van het ezeltje dat Amir als reisleider in een Marokkaans dorp vastgebonden aan een paal aantreft Benali’s standpunt nog wel het beste weergeeft:

    “ ‘De ezel is aangehouden.’
    ‘Voor wat?’
    ‘Voor de beet die hij die gids heeft gegeven. Hij gaat berecht worden,’ zei een van de oude mannen.
    ‘Hoe kun je een dier berechten dat niet weet wat het heeft gedaan? Wel of geen straf, het zal niets uitmaken. Er komt een volgende vreemdeling die hem niet aanstaat om in de nek te bijten,’ zei Amir.” (p. 117).

    Als de ezel inderdaad allegorisch is voor Hari, dan lijkt Benali te geloven dat Hari in zijn tweede geboorte is blijven hangen. Hij ziet niet meer het onderscheid tussen ‘Badr Hari de man’ en ‘Badr Hari de vechter.’ Welwillend schrijft Benali hem dan ook een derde geboorte toe die een uitweg biedt. Wellicht uit sympathie voor zijn personage, wellicht ook uit sympathie voor de échte Bad Boy.

     

     

  • Vierde seizoen Benali Boekt met zes klassiekers

    Ter gelegenheid van een nieuw seizoen van Benali Boekt was er een speciale viewing in SPUI25 te Amsterdam. Er werden fragmenten uit de serie getoond en er stonden live interviews door Abdelkader Benali met o.a. Renate Dorrestein en Gerbrand Bakker gepland. De laatste liet helaas verstek gaan. Maar Abdelkader Benali loste dit op door L.H. Wiener, die ook in de zaal zat, aan tafel te nodigen voor een gesprek over zijn ontmoeting als zestienjarige met de door hem bewonderde schrijver F. Bordewijk.

    In de nieuwe serie Benali Boekt bij NTR, onderzoekt Abdelkader Benali de blijvende invloed van zes boeken uit zeer uiteenlopende periodes van de Nederlandse literatuur. Literaire klassiekers die nog steeds actueel zijn, zoals de novelle Bint van F. Bordewijk en Jan Rap en z’n maat van Yvonne Keuls. Maar ook het boek Een hart van steen van Renate Dorrestein, dat met groot succes maar ook met gemengde gevoelens werd ontvangen, behandelt een thema dat nog steeds aan de orde is: kindermoord door een (van de) ouder(s). En waarom sloeg Opwaaiende zomerjurken van Oek de Jong zo aan bij het grote publiek? En wat is er te zeggen over de theorie van Harry Mulisch, dat iedereen zich net zo kan ontwikkelen als de oorlogsmisdadiger Eichmann. Was De zaak 40/61 een journalistiek verslag of literaire fictie? Ook dat wordt onderzocht in Benali Boekt. Benali gaat in gesprek met twee van de zes schrijvers die nog in leven zijn, om te weten te komen hoe deze literaire klassiekers tot stand zijn gekomen, hoe ze ontvangen werden en waar ze aansluiten bij de actualiteit van nu.

    L.H. Wiener (1945) is fan van het eerste uur van F. Bordewijk en ontving in 2003 zelfs de F.Bordewijk-prijs, vernoemd naar zijn geliefde schrijver, voor zijn roman Nestor. Wiener vertelt dat hij als jongen in 1951 door middel van een briefje, de schrijver had gevraagd hem te mogen interviewen, waarop hij werd uitgenodigd langs te komen. Hoe zenuwachtig hij was en dat Bordewijk hem iets te roken en te drinken aan bood. Op de vraag van Wiener of Bordewijk met de vreemde namen die hij in zijn boeken gebruikte een bedoeling had, antwoordde de schrijver kortweg: ‘ Nee, zomaar’. In de aflevering over Bordewijk keert Wiener met Benali terug in de kamer waar hij Bordewijk geïnterviewd heeft.

    Renate Dorrestein schreef acht boeken alvorens ze in 1983 met Buitenstaanders debuteerde. Zij vraagt zich aan het eind van het gesprek met Benali af, of ze zou zijn gaan schrijven, zoals ze schrijft, als haar jongste zusje geen zelfmoord had gepleegd. Haar zusje had ook plannen om schrijver te worden en in zekere zin is Dorrestein na de dood van haar zusje gaan schrijven voor haar. Tot op de dag van vandaag is deze ingrijpende gebeurtenis in het leven van Dorrestein van grote invloed op haar werk. Haar nieuwste boek, Blokkade, over het writersblock dat haar overviel, doet haar zichzelf afvragen: ‘Wat als ik moest kiezen tussen mijn zusje en blijven schrijven?’ Waarop Benali afsluit met: ‘Altijd dat ongeluk bij Dorrestein.’ Ongeluk als drijfveer, veel auteurs schrijven daarmee hun beste werken.

    Een bruisend fragment uit de aflevering met Yvonne Keuls, doet Benali de opmerking ontsnappen dat de samenwerking met Keuls de meest uitputtende was. Zoveel energie bezit Keuls dat een oud-medewerker van het jongerenhuis, waar Jan Rap en z’n maat op gebaseerd is, niet aan het woord kwam. Genieten is het wel om deze enerverende 80 jarige dame de tijden van toen te zien herbeleven. Zelf kijk ik uit naar de laatste aflevering over het ontstaan van Boven is het stil van Gerbrand Bakker. Het fragment, opgenomen op verstilde sneeuwakkers met dichtgevroren sloten en Bakker zelf, die duidelijk niet teveel wil prijs geven, stemt empatisch.

    Met dit vierde seizoen is volgens Benali de huidige vorm gevonden die hem, als presentator, voor ogen stond vanaf de eerste serie Benali Boekt. ‘Hoe we naar de wereld kijken, bepaalt ons wereldbeeld’, is het credo van Benali.

    De volgende boeken  worden besproken:
    Een hart van steen – Renate Dorrestein (zondag 3 maart)
    Opwaaiende zomerjurken  – Oek de Jong (zondag 10 maart)
    Jan Rap en z’n maat – Yvonne Keuls (zondag 17 maart)
    Bint – Ferdinand Bordewijk (zondag 24 maart)
    De zaak 40/61 – Harry Mulisch (zondag 31 maart)
    Boven is het stil – Gerbrand Bakker (zondag 7 april)

    Uitzending op Ned. 2 om 18.50 uur.