• Meer dan altijd weer dat ongeluk

    Meer dan altijd weer dat ongeluk

    Het leven van Johan Veeninga (1915-1966) eindigt ‘zo erg morsdood (…) op een snelweg’, zoals zijn jongste dochter (Djoeke) nogal direct over hem verwoordt in haar boek Het privédomein van mijn vader. Wat ze wil, is haar vader daarin weer tot leven brengen. Dat doet ze vooral in zijn eigen woorden, geput uit brieven en andere teksten en aan de hand van foto’s en de inhoud van zijn boekenkast. Tegenover ‘altijd weer dat ongeluk’ plaatst ze de man die aan de wieg stond van de literaire reeks ‘Privé-domein’ van uitgeverij de Arbeiderspers, waar hij adjunct-directeur was.

    Maar zover zijn we nog niet. Djoeke Veeninga beschrijft eerst de jeugd van haar vader in een gezin in Haarlem dat het niet al te breed had, de kweekschool, de baan als onderwijzer aan de Montessorischool in Haarlem en de dienstweigering. Toen hij werd opgeroepen, weigerde hij dienst en kwam terecht in de rijkswerkinrichting in Veenhuizen. Het hierboven telkens herhaalde lidwoord ‘de’ is ingegeven door de inhoudsopgave van het boek, waarin elke paragraaf binnen één van de drie hoofdstukken (Haarlem/Veenhuizen, Den Haag en Amsterdam) vooraf wordt gegaan door dit lidwoord.

    Levensloop

    De loop van Veeninga’s leven wordt afgewisseld met beschouwende gedeeltes (bijvoorbeeld over ‘De zoekende ideoloog’, 1939) en als gezegd brieven en andere teksten van Djoeke Veeninga’s vader. ‘De zoekende ideoloog’ leest wat stroef, stroever dan de tekst van de dochter, die journaliste en programmamaker is.

    Niet alles wat hij schrijft valt meteen te plaatsen of is voor een buitenstaander even interessant, maar gelukkig geeft Djoeke context aan personen en situaties mee. Voor achtergrondinformatie plukt ze uit boeken van bijvoorbeeld de historicus Ger Harmsen. En toch ontglipt haar vader haar soms. Waarom is bijvoorbeeld de dienstweigeraar en pacifist die in het verzet zat overgegaan tot het liquideren van de WA-commandant van Haarlem? Een schot dat overigens niet dodelijk bleek.

    Soms ontkomt Djoeke Veeninga niet aan wat opsommerige passages, bijvoorbeeld wanneer ze de boekencollectie van haar vader beschrijft. Veel namen en titels passeren de revue. Maar waarom haar vader juist díe boeken las, wat de samenhang ertussen was, blijft onbesproken. Dat verwondert temeer omdat de schrijfster haar vader al op de eerste pagina introduceert als existentialist. Dat roept de vraag op: waar blijven existentialistische schrijvers als Sartre, De Beauvoir en tot op zekere hoogte Camus? We moeten geduld hebben, blijkt, want dit thema komt later alsnog aan de orde, wanneer Johan in een brief vermeldt dat zijn ‘vertaling van Sartre persklaar moet’. Dat wil zeggen van Het existentialisme is een vorm van humanisme (1946).

    Den Haag

    Interessanter is het tweede hoofdstuk over de Haagse periode na de bevrijding. Niet zozeer omdat Veeninga inmiddels een baan heeft als hoofdredacteur van de Jeugdkampioen van de ANWB, maar omdat van die periode de brieven met ‘zijn meisje’ ook haar antwoorden en zijn ‘kanttekeningen’ daarbij zijn opgenomen. Dat meisje is Djoekes moeder, Johanna (Joke) Kloosterboer.

    Na de tijd in Veenhuizen en de Tweede Wereldoorlog komt nu ‘deze lichtvoetigheid’ met Joke ‘zijn leven binnen trippelen’. Johan wil alle narigheid achter zich laten. Ze gaan samenwonen, trouwen en Johan onderhandelt over zijn salaris. Er wordt een zoon geboren, Duco.

    Amsterdam

    In november 1952 verlaat Veeninga de ANWB en gaat met zijn gezin naar Amsterdam. Daar wordt Djoeke ‘gehaald’, door de bekende huisarts/wethouder Ben Polak. Het boek wordt steeds interessanter, ook bijvoorbeeld door de beschrijving van Nieuw-West, de Amsterdamse buurt waar ze wonen: ‘Zo erg aan de rand van de stad dat je er bijna af valt’.

    Johan gaat als redacteur en na 1961 als adjunct-directeur werken bij de Arbeiderspers, als opvolger van Alfred Kossmann. Een van de eerste manuscripten die hij onder ogen krijgt, is De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon. In zijn Memoires van Boontje (1988), welke memoires deel uitmaken van de beroemde serie Privé-domein, schreef Boon hierover. Al lezend kom je ook een schrijver tegen waarover Inge Meijer van Literair Nederland een column schreef: Ab Visser (1913-1982), een Flamboyant schrijver. Leuk hoe zo’n min of meer vergeten schrijver opeens ook op een andere plaats weer opduikt. Veeninga schrijft overigens, naast vertalen, zelf ook. Onder meer een reeks over Pukkie Planta bij de gelijknamige margarine en een jeugdboek, Het raadsel van de vier getallen.

    Op z’n minst even belangrijk als Privé-domein is de ABC-reeks, het eerste Nederlandse pocketboek dat helemaal in de geest van de Arbeiderspers én van Johan Veeninga past. Op die manier kon namelijk de gewone man ook een boek kopen en lezen.
    Het privédomein van mijn vader eindigt weer met het verkeersongeluk, waardoor de cirkel rond is. Veeninga is slechts vijftig jaar geworden. Ook de zoon Duco overleed bij dit ongeluk. Met haar boek doet Djoeke Veeninga haar vader eer aan en ondanks enkele kanttekeningen is het een interessant verhaal omdat het niet alleen als biografie maar ook als tijdsbeeld is te lezen.

     

     

  • Flamboyant schrijver

    Flamboyant schrijver

    Misschien omdat mijn ouders uit Groningen komen dat elke schrijver, die op een of andere manier aan die stad gelinkt kan worden, een bepaalde aantrekkingskracht op me uitoefent. W.F. Hermans woonde er van 1953 tot 1967 aan de ​​Spilsluizen 17. De oudste dochter van mijn vaders broer heeft nog met Hermans zoontje Ruprecht, gespeeld. Vanuit de Oude Kijk in ‘t Jatstraat waar mijn nichtje woonde, en waar ik later wel eens logeerde, hoefde ze alleen het Lopende Diep over te steken, dan rechtsaf langs het Diep op lopen, dan 2e straat rechtsaf waar de familie Hermans op de hoek woonde. Dat nichtje  kwam weleens bij hem thuis, herinnert zich de vader in een kamertje met boeken, pijprokend, ze wist nog van niets.Dat nichtje kwam weleens bij hem thuis, herinnert zich de vader in een kamertje met boeken, pijprokend, ze wist nog van niets. Wat er dan in een flits gebeurt, hoogstaande literatuur getransformeerd naar gewone levens.

    En dan, ik heb een biografie van een Groningse schrijver in handen. Ab Visser (1913-1982) werd in Groningen op Kanaleneiland geboren. ‘De buurt was een volkswijk, bestaande uit een paar straten met een negental kleine huizen. Met een paar slagen van de pedalen was je buiten de stad, (…) met hetzelfde paar pedaalslagen stond je via de Sluiskade in het centrum van Groningen.’ Hermans en Visser woonden op zo’n 20 minuten loopafstand van elkaar, niet dat ze elkaar opzochten. Wel wisten ze van elkaars schrijversbestaan. Hermans sprak lovend over zijn boek Rudolf de Mepse (1945). ‘Hij noteerde enkele zinnen die hem deden hopen dat Visser nog eens een meesterwerk zou schrijven.’ Maar niet iedereen zag dat gebeuren.

    Visser schreef op zijn vijftiende al gedichten. Toen hij op zijn 32ste trouwde, verliet hij pas het ouderlijk huis. Met zijn vrouw Edith Bongers verhuisde hij kort daarna naar Amsterdam, waar het allemaal gebeurde. Als schrijver leidde hij het leven van een bohemien, werd geplaagd door deurwaarders vanwege belastingschulden en rond zijn twintigste openbaarde zich de ziekte van Bechterew waardoor hij langzaam krom groeide. Een gesprek tijdens een wandeling met hem was niet mogelijk, om zijn naar de grond gebogen houding. Maar Visser liet zijn handicap nooit het onderwerp van gesprek zijn. Bij het maken van nieuwe vrienden sloeg hij alle wind uit de zeilen door als eerste  te vragen: ‘Welke ziektes komen er in jullie familie voor?’ Een man die zich voor me inneemt door zijn eigenzinnige gedrag, en zijn liefde voor de zwerfkatten in Rome, gelijk als Paul Léautaud zich over de zwerfkatten van Parijs ontfermde.

    Om gezondheidsredenen verblijft hij jaarlijks een periode in het warmere zuiden van Europa met zijn vrouw. Later als hij al op leeftijd is, (wat heet, hij werd maar 69 jaar), krijgt hij een relatie met de veel jongere schrijfster Margreet Hirs.

    Hoewel hij in 1936 debuteerde als dichter, schrijft hij vanaf 1948 enkel nog proza, waaronder romans, novellen, feuilletons, spookverhalen, kinderboeken en detectives. Waarvan de literaire kwaliteit niet altijd even sterk was. Het leven van een schrijver kan interessanter zijn dan de boeken die hij schreef. Ab Visser beleefde als schrijver geen doorbraak, als flamboyant mens was hij onvergetelijk voor de kringen waarin hij verkeerde. Hoewel zijn gezondheid te wensen overliet, hij altijd een vitale uitstraling had, stierf  hij vrij plotseling na een hartstilstand op een zondag in mei 1982. Hij werd herinnerd als ‘onwankelbaar trouw aan zichzelf’.

    Terwijl ik lees over het leven van Ab Visser, de schrijver die noch bij leven, noch na zijn dood doorbrak en die me toch een geweldig interessant schrijver leek, schemert de boekenkast van mijn vader door mijn hoofd. Dat daar ergens op de onderste plank een boekje met harde kaft stond van Ab Visser. Dat moet welhaast De buurt zijn geweest. Mijn vader las alles wat hem weer terugbracht naar Groningen stad. Dat ik er dichtbij was wanneer mijn blik  op Steinbeck’s Muizen en mensen of Vestdijks Koperen tuin viel. Deze uitvoerige biografie over de flamboyante man en schrijver die Visser was, drukt me er nog eens met de neus bovenop. Voor ik het weet zoek ik online De buurt van Ab Visser, en vind een in 2015 opnieuw uitgegeven druk door Lebowski. Verwacht dat ik ook naar de rest van zijn proza blijf uitkijken.

     

    Ab Visser, Biografie / Michiel van Diggelen / Uitgeverij Passage (2013)


    Inge Meijer schrijft op het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.