• De dreiging van het duister

    De dreiging van het duister

    De graphic novel Wol van Aart Taminiau geeft al bij de eerste keer doorbladeren een fraaie aanblik: een kloek, gebonden boek met fijne pentekeningen. Bij dat doorbladeren valt ook op dat de rechterkant van elke dubbele bladzijde een zwarte achtergrond heeft. Ook de tekeningen zijn in dat gedeelte donker. In de loop van het boek neemt het zwart een steeds groter deel van de pagina in beslag.

    Het verhaal behelst de nadagen van de Van Mergaerts, een aanzienlijke familie in Tilburg, die een positie heeft in de wolhandel. Zoals de pater familias in het boek zegt tijdens een toespraak: ‘Onze familie is het bedrijf en het bedrijf is onze familie.’
    De wol komt van een schapensoort met een zwarte kop, de Scottish Blackface. Dat geeft de Van Mergaerts een voorsprong. En als op dat moment (we bevinden ons in de industriële revolutie) er een machtige machine in gebruik wordt genomen, de zogeheten totaalmachine, is het optimisme enorm.

    We kijken als lezer mee met neef Alphons, die terugkeert in de familie. Zijn vader heeft met de familie gebroken en als Alphons terugkeert, stapt hij vanuit het duister in het licht. Maar zo licht blijkt de oude en tegelijkertijd nieuwe omgeving niet te zijn.
    De totaalmachine wordt met veel tamtam in gebruik genomen, maar de tekeningen van het binnenste van de machine bevinden zich steeds in het donkere gedeelte van de bladzijde. Van daaruit wordt het donkere deel al snel groter.

    Het spel met licht en donker speelt Taminiau geraffineerd. Hoe duister de tekeningen in het donkere gedeelte ook zijn, Taminiau is wel blijven tekenen met zijn pennetje. Hij gebruikt niet een penseel om zwarte vlakken aan te brengen, maar beperkt zich tot dichter wordende arceringen. De zwarte randen om de kaders bepalen voor een groot deel het zwarte van die passages.
    Soms, zoals bij een kerstspel in familiekring, wordt zowel de witte als de zwarte kant getoond. De lichte kant is wat de toeschouwer in de zaal ziet, de donkere kant is dat wat er achter de schermen gebeurt. Zo krijgt de lezer mee dat licht en donker niet streng gescheiden werelden zijn, maar twee kanten van dezelfde gebeurtenis.
    De engel in het kerstspel zegt ‘Ik ben het licht!’ maar de lezer ziet dan toch voornamelijk het donker. Aan het eind van het boek is er nog maar een smalle kolom licht, die bestaat uit meneer Byttebier, die wellicht de zaak wil overnemen. Het lijkt voor de familie de laatste mogelijkheid om aan het duister te ontsnappen.

    De mogelijke ondergang van de familie wordt mooi voorbereid in Wol. Zo is er een kudde schapen die zich in de afgrond stort. Als de oude Sien in het donker de trap afstommelt, komt ook zij ten val. Die val zal haar dood betekenen. In het donkere gedeelte van de bladzijde, zien we op dat moment dat een kudde schapen een smak op de trap maakt, zodanig dat de treden versplinteren. Daarmee krijgt de val van Sien een symbolische lading. Misschien is zij het eerste schaap uit de familie dat ten val komt en zal de rest volgen.

    Door de techniek die Taminiau gebruikt, maakt Wol een klassieke en misschien wel wat ouderwetse indruk, wat prima past bij onderwerp dat centraal staat. Bij nadere beschouwing heeft Taminiau niet alleen een realistische manier van tekenen. Hij vertekent ook. Als Alphons een trap op loopt, wordt die als immens getekend, waarbij Alphons nietig oogt. Je voelt bijna de moeite die het Alphons kost om boven te komen en die moeite zal niet alleen lichamelijk zijn, maar ook mentaal. In het donkere gedeelte ernaast zijn er alleen maar tekeningen van trappen en lege ruimten, alles even duister.

    Aart Taminiau heeft met Wol een fraaie, gelaagde roman getekend en geschreven, die best wat van de lezer vraagt. Op verschillende pagina’s moet je je afvragen hoe je ze moet lezen en ook wat de betekenis is van wat je leest.

    Onmiskenbaar is de neergang van de familie en het besef wat het betekent om lid te zijn van zo’n familie waaraan je nauwelijks kunt ontkomen. De lezer identificeert zich met neef Alphons, die probeert zijn eigen weg te gaan, maar die ook een Van Mergaerts is en dus deel uitmaakt van het familieverhaal. Doordat wij als lezer meeleven met Alphons, worden wij bijna verre nazaten en ontkomen we niet aan het drukkende van het verhaal, met nog dat kleine streepje licht aan het eind. Dat maakt het draaglijk en opgelucht en bewonderend kunnen we het boek dichtslaan.

     

  • De stad was van ons!

    De stad was van ons!

    In de jaren tachtig was het kraken van leegstaande panden geregeld in het nieuws, vooral als het daarna tot ontruimingen kwam. We kennen allemaal nog de namen van De Groote Keyser en de Lucky Luyk, waar met harde hand de bewoners verdreven werden. Geregeld waren er in die tijd ‘krakersrellen’. De dag dat Beatrix ingehuldigd werd als koningin, waren de woningnood en het kraken nadrukkelijk een thema. Overal zag en hoorde je de leus ‘Geen woning, geen kroning’. Hoe hard het er bij die rellen aan toe ging, is terug te lezen bij A.F.Th. van der Heijden, De slag bij de Blauwbrug.

    Na de jaren tachtig was het niet afgelopen met het kraken, maar het haalde niet meer de voorpagina’s van de kranten. Dat het kraken doorgegaan is, lezen we in de beeldroman De kraker, de agent, de jurist en de stad. Het boek volgt drie verhaallijnen, getekend door drie verschillende tekenaars, die allen met één steunkleur werken. Het verhaal van de kraker wordt verteld door journalist Moira van Dijk en getekend door Maia Matches. De kleur is rood, wat goed het verzet aangeeft van de krakers. Jasmijn Snoijink vertelt het verhaal van de agent en Aart Taminiau tekent het. Hier is de steunkleur natuurlijk blauw. De jurist wordt verteld door de al eerder genoemden, plus Marieke Aafjes. Sjoerd Kaandorp maakte de tekeningen, met een groenige steunkleur.

    Je zou het boek een documentaire kunnen noemen, maar evengoed een roman. Veel van de feiten kloppen, maar niet iedere betrokkene wilde zijn medewerking verlenen of herkenbaar in beeld gebracht worden. In zo’n geval werd er een fictief personage opgevoerd.

    Het boek begint met de ontruiming van een pand aan de Lauriergracht, in 2012, afwisselend beschreven vanuit de kraker en vanuit de agent. Daarna krijgen we te lezen wat eraan vooraf ging. Een belangrijke rol speelt daarbij de Wet Kraken en Leegstand, uit 2010, die het kraken verbood. Over die wet lezen we vooral in de verhaallijn van de juristen.
    De juristen staan aan de kant van de krakers. Ze worden met een vette knipoog geïntroduceerd als een soort superhelden, die blijkbaar het kwaad bestrijden. De bekendste naam is die van Britta Böhler, die onlangs als romanschrijver debuteerde.

    Voor het evenwicht, zou je ook graag iets willen lezen over de juristen die aan de kant van de overheid stonden. De kraker, de agent, de jurist en de stad is nu wel erg een boek geworden met sympathie voor de krakers, wat toch wat afbreuk doet aan het documentaire karakter van het boek. Weliswaar wordt in het ‘blauwe’ gedeelte wel beschreven en getekend hoe het overleg in de ‘driehoek’ (burgemeester, hoofdofficier van justitie, chef van de politie) verloopt, maar de lezer leeft meer mee met de krakers en met de juristen die hen ondersteunen.

    Het motto waarmee het boek begint, is ‘De stad is van ons!’, een kreet die verbonden is met de kraakbeweging. Zo’n kreet roept een complete wereld op, van anarchie, verzet, vrijgevochtenheid; van het bevechten van een eigen plekje in de maatschappij. Het is nu een verzuchting in de verleden tijd geworden: de stad was van ons. De kraker, de agent, de jurist en de stad toont ons de nadagen van de tijd dat krakers het voor het zeggen dachten te hebben.

    Dat is onmiskenbaar een kwaliteit van het boek: het geeft een beeld van een stad in een verwarrende periode, waarin repressie en vrijheidsdwang met elkaar botsten. Verder documenteert het boek goed het ontstaan van de Wet Kraken en Leegstand. Aan het eind van het boek is een uitgebreid namenregister opgenomen, compleet met portretten, zodat we kunnen zien hoe eenzelfde persoon er bij de drie verschillende tekenaars uitziet. Verder is er een verklarende woordenlijst.

    Er is alles aan gedaan om De kraker, de agent, de jurist en de stad tot een degelijk tijdsbeeld te maken. Bovendien hebben de scenaristen ervoor gezorgd dat het verhaal prettig leest en ook de tekenaars hebben goed werk geleverd. Dat het boek niet helemaal objectief is, is maar een klein bezwaar. Juist daardoor kan de lezer zich gemakkelijk identificeren. In de boekhandel mag het boek op twee plankjes terechtkomen. Bij de beeldromans en bij de geschiedenisboeken.