• Oogst week 8 – 2026

    Oogst week 8 – 2026

    De Witte Garde

    De Witte Garde (1924) is de eerste roman van Michail Boelgakov, de schrijver die vooral bekend is van zijn roman De Meester en Margarita.

    Het boek is een bewerking van het toneelstuk De dagen der Toerbins, een van de meest populaire stukken van Stalin.
    Een deel van De Witte garde verscheen in eerste instantie als feuilleton in een Russisch tijdschrift en werd later pas in zijn geheel in Frankrijk uitgegeven. De Sovjets onderkenden Boelgakovs talent wel, maar vonden zijn werk te reactionair.

    In het (deels autobiografische) De Witte Garde beschrijft Boelgakov de ineenstorting van het tsaristisch Rusland. Het speelt zich af in Kiev tijdens de Russische Burgeroorlog als de Witten zich verzetten tegen de Bolsjewieken om hun vertrouwde wereld te behouden. Het boek speelt in 1918 in een tijd van tal van machtswisselingen en een stad vol vluchtelingen, en draait om de familie Toerbin die lang loyaal blijft aan de tsaar, maar ook aan hun stad. Het brengt hen in een lastige situatie.
    De Witte Garde biedt inzicht in een periode uit de gecompliceerde geschiedenis van Oekraïne.

     

    De Witte Garde
    Auteur: Michail Boelgakov
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot (2025)

    Feniks

    Tien jaar heeft Jacky Kuiper gedaan over het schrijven van Feniks, haar debuut. Het was ‘alles of niets’ voor haar. Het werd ‘alles’ want uitgeverij Atlas|Contact wilde het uitgeven.
    Feniks is geen autobiografie, maar is wel voor een deel gebaseerd op het leven van Kuiper zelf.

    Zij vond het vroeger heel normaal dat je niet sprak over wat er thuis gebeurde, en waar je vader zijn geld mee verdiende. Als er vriendinnetjes kwamen spelen ging op de overloop het gordijn dicht naar de wietplantage, geen haan die ernaar kraaide en werden gewoon de barbies tevoorschijn gehaald.

    Feniks gaat over Eva die opgroeit met een gewelddadige vader. Ze komt erachter dat haar vader niet is zoals andere vaders, maar iedereen in het gezin houdt hem de hand boven het hoofd. Aan haar moeder heeft ze weinig in deze situatie, ze heeft meer aan haar grootmoeder. Eva heeft moeite met emoties, kruipt in haar schulp en verwondt zichzelf. Als ze ouder wordt wil ze dit leven niet meer en probeert ze los te komen van haar familie. Ze komt uiteindelijk in Suriname terecht en voelt zich daar veilig en enigszins bevrijd.

    Jacky Kuiper (1988) groeide op in Lelystad en Amsterdam en woont nu met haar gezin in Groningen. Ze studeerde journalistiek, Spaans en literatuurwetenschappen.

    Feniks
    Auteur: Jacky Kuiper
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas|Contact

    Amerika en wij

    In september vorig jaar verscheen bij uitgeverij Balans het boek Amerika en wij van Rob de Wijk.

    Hierin gaat De Wijk in op de nieuwe verhoudingen tussen de Verenigde Staten en Europa. Er is immers nogal wat veranderd sinds Trump aan zijn tweede presidentstermijn begonnen is.
    Wat is er allemaal gebeurd sindsdien? Hoe zou Europa moeten reageren?
    Volgens De Wijk kunnen we sterker uit deze situatie komen, mits Europa de veranderingen aanvaardt en er vervolgens naar handelt en het spel slim speelt.

    Hoogleraar De Wijk is een veelgevraagd commentator op het gebied van veiligheidsvraagstukken en Europese integratie. Hij staat bekend om zijn realistische en heldere analyses.

    Samen met Arend Jan Boekestijn en Hugo Reitsma maakt hij een podcast voor BNR Nieuwsradio. Hij publiceerde diverse boeken en schreef honderden artikelen en heeft adviesfuncties in binnen- en buitenland.

    Amerika en wij
    Auteur: Rob de Wijk
    Uitgeverij: Uitgeverij Balans (2025)
  • Platonov en de lange adem van de vertaler

     

    Russisch vertaler Aai Prins werkt aan een vertaalproject dat alle verhalen, verschillende novelles en een roman van de Russische schrijver Andrej Platonov (1899-1951) omvat en in twee delen verschijnt in de Russische bibliotheek van Van Oorschot. Het eerste deel, Platonov Verhalen, verscheen in de zomer van 2019 en werd later in het jaar bekroond met de Letterenfonds Vertaalprijs. Het Letterenfonds roemt Aai Prins (1959) als ambassadeur van de Russische literatuur, al is ze daar zelf zeer bescheiden over.

    Als vertaler heeft Aai Prins een lange staat van dienst, maar ook op andere wijze bracht ze de Russische literatuur onder de aandacht. Zo heeft ze vele stukken geschreven over het werk van Poesjkin, Toergenjev, Dostojevski, Tolstoj, Nabokov en Brodsky, en minder bekende auteurs als Garsjin en Kononov. Van 2006 tot 2014 woonde ze in St. Petersburg waar ze Nederlands doceerde aan het Nederlands Instituut en de Universiteit van Petersburg. Een paar jaar geleden hertaalde ze werk uit de Russische bibliotheek van Gogol, Tsjechov en Pasternak. De vertaling van Platonov, het tweede deel, is in uitvoering.

    In april zou ik Aai Prins thuis  in Amsterdam bezoeken voor een interview. Toen gooide corona roet in het eten. Omdat de kans op een ‘live’ ontmoeting wel eens lang op zich kon laten wachten, spraken we elkaar via een Zoom verbinding. Aai Prins vanuit haar zogenaamde ‘datsja’, aan het Markermeer tussen Hoorn en Enkhuizen, met een wat haperende internetverbinding, en ik vanuit mijn eigen keuken. We spraken over het vertalen van Platonov, die er zijn eigen vreemde woordgebruik op na hield, over de lange adem van een vertaler en hoe bewerkelijk deze vertalingen zijn. 


    Hoe brengt een Russisch vertaler het tot ambassadeur van de Russische literatuur?

    ‘Ja kijk, als je begint met studeren weet je eigenlijk nog niet zo goed waar je aan begint. Het was wel uit liefde voor de Russische literatuur dat ik Russisch ging studeren. Ook wel om het exotische dat me erg aansprak. Het was 1977, de tijd van de muur, de Koude Oorlog. Al had ik toen niet de illusie dat ik zelf vertaler kon worden. Ik wilde het wel maar er gebeurde in die tijd niet zoveel in de Russische literatuur. De klassiekers waren grotendeels al vertaald door, of vergeven aan de gevestigde vertalers als Charles Timmer, Karel van het Reve, Kees Verheul, Tom Eekman. Ik had niet de illusie dat ik daar ooit tussen zou kunnen komen. Maar ik had wel de mazzel, dat toen ik afgestudeerd was, ik vrij snel met de Perestrojka mee kon liften op de stroom van literatuur die na de val van de muur opeens uit Rusland kwam. Ik was net klaar en kon gaan vertalen. Maar ik voelde me niet meteen een ambassadeur van iets hoor.


    Waar en hoe bent u met de Russische literatuur in aanraking gekomen, met Platonov? 

    ‘Mijn ouders hadden veel Russische schrijvers in de kast staan, zo ben ik ermee in aanraking gekomen. Platonov kende ik van mijn studie, hij stond bij ons op de leeslijst. Maar in die tijd was zijn hele werk nog niet ongecensureerd verschenen, dus daar was nog niet alles van bekend. We moesten hem lezen, maar eigenlijk ging het me grotendeels boven mijn pet. Het is een vreemde schrijver, hij gebruikt geen algemeen beschaafd Russisch. Dus ik had wel enige kennis van zijn werk. Maar toen ik een paar jaar geleden door Van Oorschot werd benaderd om Platonov te vertalen voor de Russische bibliotheek, ben ik hem pas echt goed gaan lezen en begrijpen.’


    Toen kon het vertalen beginnen, hoe was dat?

    ‘Het was een enorme klus. Een aantal jaar geleden is zijn volledige werk in zeven delen, ongecensureerd en zo volledig mogelijk uitgegeven. Ik geloof dat zijn dochter zijn boeken bezorgd heeft. Ik heb dat toen allemaal gelezen. Daaruit heb ik een selectie gemaakt voor Van Oorschot, het zouden twee delen worden, en ik heb een selectie uit de verhalen gemaakt. Enkele van zijn beroemdste verhalen waren al vertaald door Timmer, maar die vertaling was op basis van de gecensureerde versie. Ik ben nu bezig met het tweede deel.’ Ze houdt een omvangrijk boek omhoog, een indrukwekkende Russische uitgave. 

    ‘Voor het vertalen van die verhalen heb ik eindeloos veel specialisten moeten raadplegen.  Omdat zijn taalgebruik zo bizar is, moest ik heel vaak bij Russen te rade gaan. Dan vroeg ik of het afwijkend taalgebruik was wat Platonov gebruikte, en dat beaamden ze dan. En dan wilde ik weten waarin het afwijkend was. Dan zeiden ze dat je iets niet zo zegt zoals Platonov het zegt. Kijk, je hebt in het vertalen vaak te maken met een bepaald idioom, ‘fraseologische’ uitdrukkingen. Een simpel voorbeeld: in het Russisch zeg je ‘Piet klimt op de boom’, terwijl wij zeggen ‘Piet klimt in de boom’. Dus als er staat dat ‘Piet op de boom klimt’, wordt dat bij mij, ‘in de boom’. Maar er zijn ook veel gevallen waarvan ik denk dat het fraseologisch incorrect is. Dat moet ik dan wel zeker weten, wil ik het in het Nederlands net zo bizar vertalen als het er in het Russisch staat. Als je dan begint aan een boek van achthonderd pagina’s, dan ben je wel even bezig.’


    Er komen veel technische beschrijvingen voor in zijn verhalen, hoe is dat om te vertalen?

    ‘Platonov was zelf technisch onderlegd en dat ben ik niet, maar ik heb wel drie broers die in de techniek zitten, daar kan ik altijd bij te rade gaan, over elektromotoren en zo meer. Maar het gaat in die verhalen ook over ontspoorde wetenschappers. Die wel iets weten maar daarna technisch helemaal uit het lood raken. Dan moest ik weer gaan uitzoeken of dit normaal was, dat ze bijvoorbeeld de aarde konden laten verschuiven, of dat ze een steen de ruimte in konden katapulteren, of was dat totale onzin? Platonov was landbouwkundige, heeft veel expedities gedaan door de hele Sovjet Unie, er komen dan ook heel veel geologische termen in voor. Dan laat ik me adviseren door een geoloog. Dat maakt een vertaling best bewerkelijk.’


    Vertaalt u ingewikkelde beschrijvingen zoveel mogelijk naar het begrip van de Nederlandse lezer?

    ‘Ik wil het liefst dat de Nederlandse lezer zoveel mogelijk dezelfde ervaring krijgt bij het lezen als de Russische lezer. Dus als er iets technisch gepresenteerd wordt waarvan een Russische specialist denkt, nou dat zit aardig in elkaar, dat klopt wel met al die technische dingen, maar dit is een beetje vreemd, dan wil ik dat de Nederlandse specialist dat ook denkt. Ik heb een hele lijst aan specialisten, van banketbakkers tot monteurs. Dan vertel ik dat ik een boek aan het vertalen ben en of ze mij kunnen vertellen hoe dit of dat zit. Ik ben bijvoorbeeld een hele dag rondgeleid door het Spoorwegmuseum door een man die gespecialiseerd is in oude stoomlocomotieven, die heeft mij heel lief ontvangen. Al mijn vragen had ik van tevoren opgestuurd, hij heeft me alles laten zien, hoe het werkt met die ketels, de stookplaat, de koppelstangen.’


    De verhalen zijn chronologisch op jaartal geselecteerd. Het eerste verhaal, geschreven in 1892, is dat zijn allereerste verhaal?

    ‘Ja, en je ziet dat die eerste verhalen nog niet in die heel bizarre stijl zijn geschreven. Je kunt al wel zijn aanzet zien, tot wat in zijn latere verhalen meer naar voren komt, het bezield maken van voorwerpen. Animistisch heet dat, dat je ieder ding een geest geeft. Dat zie je in zijn latere werken veel vaker maar dat is in aanzet al in die eerste verhalen van hem te zien. Ik heb de verhalen zoveel mogelijk chronologisch achter elkaar gezet, maar daar is een zeker voorbehoud bij, want op een gegeven moment kon hij niet meer vrij publiceren. Hij heeft dingen geschreven die hij nergens kwijt kon. De roman die ik nu aan het vertalen ben, heeft hij geschreven rond 1928, maar werd nooit gepubliceerd. Na die roman heeft hij nog verhalen geschreven die wel weer in deel 1 zijn opgenomen. Dus helemaal chronologisch is het niet. Ik heb zoveel mogelijk de data uit de publicaties aangehouden. Maar er zijn ook verhalen die eerst in tijdschriften hebben gestaan, later in verhalenbundels zijn opgenomen, en dan klopt het qua publicatiedatum niet helemaal. Maar waar mogelijk heb ik de chronologie aangehouden.’ 


    Was Platonov een realist of een romanticus?

    ‘De term romanticus laat zich moeilijk met hem verenigen, maar toch zit er wel iets van een romanticus in hem. Maar in de eerste plaats is hij een bevlogen communist, die aanzet tot grootse daden, vaak heeft hij ook irreële hoop, en ondertussen was hij wel een gelovig communist met een keiharde benadering van alles. Dat realisme van hem, dat is in sommige van zijn sciencefiction-verhalen ook weer ver te zoeken. Maar de elementen waarmee hij zijn verhalen opbouwt zijn wel degelijk realistisch. De machines, en zo. Maar goed, zijn verhalen over de kosmos, de ruimtereizen, of dat realistisch is? Misschien, ik weet het niet.’


    Hij was een volgeling van Stalin maar zijn verhalen doorstonden de censuur niet. Stalin wilde hem zelfs uit de partij zetten. Toch bleef hij op dezelfde aanstootgevende wijze doorschrijven.

    ‘Ja, dat klopt, dat bracht hem steeds in de problemen. Hij was in feite een proletariër pur sang, kwam uit een armoedig gezin. Hij was iemand van de toekomst, tot op het bizarre af. Er is dat verhaal over de collectivisatie van de landbouw. Over die boeren die van hun land worden gejaagd, onteigend worden en naar Siberië moeten. De slachtoffers en de hongersnoden die daaruit voortgekomen zijn, heeft hij gezien. Maar hij vond, ‘waar gehakt wordt vallen spaanders’. Hij schreef daar een verhaal over en voerde daarin een paar personen op die een beetje geschift waren en helemaal niet bij het socialisme hoorden, ofwel geloofden in de goede zaak. Hij dacht dat hij bijdroeg aan de goede zaak, door de dingen zo te presenteren. Maar Stalin en zijn trawanten zagen daar een en al kritiek in. Dan kreeg hij op zijn donder, en begreep hij niet waarom. Dat is wel ongelofelijk: a: dat ie zo’n verhaal kon schrijven, er achter bleef staan ondanks dat ie gezien had wat er speelde, en b: dat hij niet snapte dat ie daardoor in de problemen kwam. Platonov is een ingewikkelde persoonlijkheid.’

     

    Wat betekent het winnen van de Vertaalprijs voor u, had u die verwacht?

    ‘Nee, nee, absoluut niet. Ik was ergens een tolkencursus aan het doen, notatietechniek voor synchroon tolken. En toen werd ik gebeld, dat ik die prijs gewonnen had. Het was een ongelofelijke verrassing. En het fijne aan deze prijs, vind ik, dat deze wordt toegekend door vertalers. Ik voelde me daardoor zeer vereerd.

     

    Ging u na de prijsuitreiking vrolijk door met het vertalen van het tweede deel?

    ‘Dat was wel de bedoeling, dat ik gelijk door zou gaan maar dat ging niet zo makkelijk. Nu ben ik aardig op stoom. Al weet ik nu al dat ik het weer niet op tijd zal inleveren. Het is gewoon waanzinnig veel, de roman, Tsjevengoer, die ik nu aan het vertalen ben, is alleen al ruim 400 pagina’s. Dan heb je de hele dag vertaald en aan het eind van de dag zie je die stapel bladzijden maar niet minder worden. Dat eerste deel had het voordeel dat het korte verhalen waren, dan vertaal je een verhaal en dan is het af. Dan kun je zo’n pakketje maken en zien wat je gedaan hebt. Maar met zo’n loeilange vertaling is het lastig om dat op te brengen.’


    Waar gaat die roman over?

    ‘Het is een verhaal over de verzonnen stad Tsjevengoer. Een paar enthousiaste bolsjewieken gaan daar het communisme vestigen. Ze spreken in een vreemd jargon, vol communistische termen, een beetje van alles door elkaar. Ze zijn zeer bevlogen maar wat moeten ze bijvoorbeeld met de  bourgeoisie? Ze schrijven hen een brief dat ze op het plein moeten samenkomen. Ze komen daar ook echt naartoe en worden dan afgemaakt. Kijk dat soort dingen worden hoppa gepresenteerd. Het is gruwelijk, maar het wordt gepresenteerd door welwillende bolsjewieken die daar orde op zaken komen stellen. Dat is een heel klein aspect van de roman, een fragment dat ik net heb gedaan.’


    Hoe werkt dit op u door, zulke passages?

    ‘Af en toe grijpt het me wel aan. Het is geschreven in 1928, en dan is die passage waarin de bourgeoisie uit het stadje gesommeerd wordt met een koffertje naar het plein te komen, haast profetisch. De Tweede Wereldoorlog moest nog komen. Zulke passage zijn hard om door te nemen, en ik weet dat er meer van zulke passages komen. Ik heb wel vaker akelige dingen in romans vertaald, daar had ik nooit zo’n last van. Maar opeens zag ik voor me wat daar, en later in het echt gebeurde. Het is natuurlijk een verzonnen stad, maar de gebeurtenissen zijn wel degelijk geënt op de waarheid. Als het ware werpt het zijn schaduw ver vooruit. Het is niet voor niks dat deze roman nooit heeft kunnen verschijnen in de Sovjet Unie.’


    Hoe lang heeft u gewerkt aan het eerste deel?

    ‘Lachend: ‘Dat durf ik niet eens te zeggen, ik heb er in ieder geval een jaar langer over gedaan dan was afgesproken. Ik denk dat ik er toch wel twee, tweeënhalf jaar mee bezig ben geweest. En ik vrees dat ik voor het tweede deel ook meer tijd nodig zal hebben.’ 

    Het is niet alleen de vertaling waar Aai Prins zich mee uiteen zet, bij het eerste deel schreef ze ook het uitvoerige en zeer lezenswaardige nawoord Een man die niet kon liegen, over de mens Platonov en zijn schrijverschap.

    ‘Het manuscript van zijn roman die ik nu aan het vertalen ben, liet hij aan Gorki lezen en die zei, “nou dat krijg je niet gepubliceerd”. Maar Platonov begrijpt niet waarom. Dan gaat hij allemaal brieven schrijven waarin hij zich erover beklaagt dat hij bestempeld wordt als een subversieve schrijver; maar dat komt allemaal in het nawoord van deel twee.’

     

     

     


    Platonov Verhalen / Andrej Platonov / vertaald door Aai Prins / Uitgeverij Van Oorschot (2019)

     

     

     

     

     

     

    Foto: ©Gerard van der Wardt

  • Fijne boekenweek

    Fijne boekenweek

    De avond van het boekenbal zat ik op de bank met De verhalen van Andrej Platonov. De ochtend na het Boekenbal douchte ik de resten van een kleurspoeling uit mijn haar. Dacht aan de rode loper die ik op foto’s voorbij had zien komen, de toespraken, het dansen. Welke schrijvers er waren, en of Jeroen Brouwers daar eigenlijk wel eens komt, en A.L. Snijders, Vonne van der Meer, H.C. ten Berghe. Of raakt het boekenbal eens passé onder  schrijvers? Toen stelde ik me voor dat ik erbij was geweest. Het had gekund, elk jaar ontvangt Literair Nederland van de CPNB een persuitnodiging. Waarop steevast een week voor het bal begint een afwijzing volgt, vanwege teveel aanmeldingen. Gek genoeg nodigt de CPNB zijn persrelaties uit en geeft vervolgens een ‘non-accreditatie’. Maar dit jaar was anders. De uitnodiging was persoonlijker, (we zouden het fijn vinden), dat streelde de veren, deed denken aan nieuwe schoenen, een goede pen. Toch kwam daarna de mail: ‘Helaas moet ik je een teleurstellende mail sturen’, met een vonkje hoop, ‘Omdat we je er eigenlijk wel bij willen hebben sta je nog wel op de reservelijst…’

    Op de dag van het Boekenbal mailde ik nog of er misschien iemand van de perslijst was afgevallen. Maar ‘helaas’, geen afmeldingen, afgesloten met: ‘Heb een mooie boekenweek!’ Daar lichtte ik van op. Nooit wenste iemand mij een fijne boekenweek, alsof kerstmis aanstaande was. Ik mailde per omgaande, ‘Dank! Jullie ook!’
    Enigszins verlicht keerde ik terug tot de realiteit van de dag, ging verder met het lezen van Andrej Platonov. In een van de langere verhalen, ‘De verborgen mens’ heeft Foma Jegorytsj Poechov net zijn vrouw Glasja begraven. Poechov is een man zonder conventies, geen dweper. Alles geschiedt volgens hem volgens de wetten van de natuur, het is zo fijn beschreven: ‘Hij sneed op de grafkist van zijn vrouw een gekookte worst in stukjes, daar hij wegens afwezigheid van de vrouw des huizes uitgehongerd was.’ Als hij de volgende dag ontwaakt roept hij: ‘Glasja!’ Maar niemand reageert, zegt, ‘Wat is er, Fomoesjka?’

    ‘Daar had je ze dan, de wetten van de natuur’, dacht Poechov berouwvol: ‘Ik had groot onderhoud aan mijn oudje moeten plegen, dan had ze nog geleefd, maar er zijn geen middelen en de kost is niet best!’ Poechov werkt op een sneeuwschuiver die de rails op de Steppe van Rusland moet vrijhouden van sneeuw. Het is de tijd van de Russische revolutie en het is onmenselijk werk, er is honger, wodka, ongelukken. Aan de stationsmuren hangt de propagandatekst: ‘Wij arbeiders nemen boeken ter hand, / Leer, proletariër, vergroot je verstand!’. Nogal onbeholpen geschreven volgens Poechov, die er een vrolijke eigen mening op na houdt. ‘Je moet zo schrijven dat alle sukkels van de weeromstuit verstandig worden!’ Ja, dat was me nog eens een tijd.

    Oja, nog onder de douche kreeg ik na de ‘stel je voor’ gedachte een schok van realiteitszin. Hoe had ik het in mijn hoofd gehaald, ik, naar het Boekenbal! Met die uitgroei in mijn haar, geen geschikt tasje of jasje, en hoe had ik in godsnaam weer thuis moeten komen?

     

     

    Verhalen / Andrej Platonov / vertaling en nawoord door Aai Prins / Uitgeverij Van Oorschot, 2019


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV en ging niet naar het Boekenbal. 

  • Krimchampagne voor de ziel

    Krimchampagne voor de ziel

    Dode Zielen is een Russische roman van de Oekraïner Nicolai Gogol (1809 – 1852). Hij stelde zich een onmogelijke opgave: Rusland bezielen met nieuw elan, een nieuwe moraal en nieuwe idealen, en het bevrijden van de epidemische verfransing die Napoleon had ontketend. Hij vertilde zich aan die ambitie, maar schreef wél een meesterwerk.

    Dode zielen is in feite onvoltooid. Het eerste deel verscheen in 1842 en speelt zich af in Tsaristisch Rusland. Wie een verfijnde grootsteedse elite verwacht, puissant rijke landeigenaren, glamoureuze bals en banketten, jachtpartijen en veldslagen, besprenkeld met verrukkelijke melancholie en diepe gevoelens, die komt bedrogen uit. Daarvoor kun je terecht bij Dostojewski, Tsjechov of Toergenjev. Gogol beschrijft met Mozarteske virtuositeit en trefzekerheid een land dat aan zijn eigen lamlendigheid ten onder gaat. Een lappendeken van landgoederen zo groot als een provincie, bewoond door hordes lijfeigenen die dom worden gehouden, uitgebuit en verhandeld. Iedere zandweg onbegaanbaar, iedere akker verwaarloosd. Geen dak of het lekt, geen ruit of hij is gebarsten of vervangen door vodden. Gogols Rusland is een land zonder visie en leiderschap, een land ook van loze pretenties en hypocrisie. Dode zielen is zeer genietbaar ondanks dat alles. Ruim 400 bladzijden glanzend en tintelend proza, doorschoten met verrassende beelden die soms een eigen leven gaan leiden: . Met dank aan Aai Prins die een pracht van een vertaling leverde.

    Coulissen en wandelgangen
    Door de onttakelde Russische wereld trekt ‘de held’ van het verhaal; de ontspoorde ambtenaar Pavel Tsjitsjikov. Hij bezoekt het ene landgoed na het andere om de eigenaren te verlossen van hun ‘dode zielen’: overleden lijfeigenen waarover  nog steeds belasting is verschuldigd, omdat hun registratie maar eens in de drie jaar wordt bijgewerkt. Als hij een paar duizend van die zielen met bijbehorende koopakten heeft vergaard wil Tsjitsjikov er een fictief landgoed mee bevolken waar hij een forse hypotheek op kan afsluiten. Briljante oplichterij, maar zeker zo interessant is zijn moeizame tocht langs allerlei landgoederen met hun eigenaren en de bizarre besprekingen die hij met hen voert voordat ze afstand doen van hun dode zielen. Ook fascinerend zijn de belevenissen en verwikkelingen die Tsjitsjikov doormaakt in het ‘gouvernementstadje NN’ waar hij met zijn bedienden een kamer in een herberg betrekt. Door zijn wereldwijsheid en sociale vaardigheden raakt het halve stadje idolaat van hem (mannen zowel als vrouwen) en zien in hem een belangrijk man die grootste daden verricht. Tsjitsjikov laat zich dat graag aanleunen, en beweegt zich van banket naar bal, wat Gogol alle ruimte biedt om de verfranste mode en pronkzucht op de hak te nemen, alsmede het geritsel en gemanipuleer in de coulissen en wandelgangen.

    Loutering en hellevaart
    Gogol had grootse plannen met zijn held Tsjitsjikov. Deel 1, dat nu leest als een schelmenroman waar de schurk wegkomt maar geen triomfen viert, had de hellevaart van de held moeten zijn. In deel 2 van Dode zielen zou hij tot inkeer komen en een morele loutering doormaken en in deel 3 zou hij zich  – wedergeboren – tot een rolmodel voor Rusland ontwikkelen. Zover kwam het niet. Gogol bleef deel 2 herschrijven omdat hij er ontevreden mee was, en werd uiteindelijk gek. In een godsdienstwaanzinnige poging alle verdorvenheid uit te drijven hongerde hij zichzelf dood, een handje geholpen door incompetente artsen met wisselbaden en bloedzuigers. Wat blijft is een puntgaaf deel 1 en een fragmentarisch deel 2 zonder einde. Gogol schrijft nog steeds briljante zinnen, maar slaat af en toe danig aan het moraliseren. Rusland moest zichzelf hervinden, afscheid nemen van vreemde invloeden en goedkoop materialisme, en zich richten op het vervolmaken van wat authentiek Russisch is. Niks verstedelijking en industrialisatie: het landgoed is de maat der dingen, bewerkt door gedisciplineerde lijfeigenen, beheerd door een weldenkende en hardwerkende landheer, gesteund door een pronte prachtvrouw die niet meewaait met alle Franse modes. Gogol kreeg het niet voor elkaar, hoewel hij personages introduceert die wel degelijk de fris gewassen weldenkendheid en goedheid van ziel hebben om van hun landgoed een modelboerderij te maken, als blauwdruk voor heel de Russische samenleving.

    Vreemde intrige
    Naarmate in Dode zielen het idealisme toeneemt, vermindert de spankracht van de verhaallijnen. Het realisme van deel 1 is veel rijker van dynamiek dan het gebiedermeier in deel 2. Zelfs als de schrijver alleen maar kijkt gebeurt er al van alles: ‘In het winkeltje op de hoek, of beter gezegd in het raam er van, was een honingdrankverkoper gevestigd met een roodkoperen samowar en een gezicht dat even rood zag als zijn samowar, zodat je uit de verte zou kunnen denken dat er in het raam twee samowars stonden, ware het niet dat een ervan een pikzwarte baard had.’ Hier en daar wordt ook de schrijfarbeid, het boek en de lezer tot onderwerp gemaakt. Na de beschrijving van een zijlijn van een zijlijn – een ruzie tussen Tsjitsjikov en een collega over ‘een vrouwtje’, waarbij een derde er met de buit vandoor ging: ‘Hoe het werkelijk in elkaar stak – geen flauw idee; laat de lezer die daar aardigheid in heeft het verhaal liever zelf afmaken.’ En nadat Tsjitsjikov iemand zijn snode plannen met de dode zielen heeft verteld: ‘En zo had zich in het hoofd van onze held deze vreemde intrige gevormd waarvan ik niet weet of de lezers hem er dankbaar voor zullen zijn, en wat de dankbaarheid van de auteur aangaat – die valt moeilijk in woorden uit te drukken. Want hoe je het ook bekijkt, als Tsjitsjikov niet op dit idee was gekomen, dan had dit poëem nooit het licht gezien.’ Een poëticale ring van Möbius….  Overigens: ‘Een poëem’ en niet ‘een roman’ is de ondertitel van deze onmiskenbare roman….

    Zelfbedrog en hypocrisie
    Een traktatie apart zijn de dialogen. Zelden werd het luie geleuter en richtingloze geredeneer van onze medemens genadelozer weergegeven dan in Dode zielen. Dat begint al als Tsjitsikov op bladzijde 1 een stadje binnenrijdt. Twee ´Russische boerenkerels’ staan langs de kant: ‘”Moet je dat wiel daar ’s zien”, zei de een tegen de ander, “Wat denk je, als dat wiel bijgeval naar Moskou moet, zou-ie dat dan halen, of niet?” “Jawel”, antwoordde de ander. “Maar Kazan haalt-ie toch zeker niet, hè?” “Kazan niet”, antwoordde de ander. Daarmee was het gesprek ten einde.’ De overtreffende trap van deze verrukkelijke onzin is de ontmoeting van Tsjitijikov met zijn oude kennis Nozdrjov. Die heeft 3 dagen feest gevierd op de jaarmarkt en bij het kaartspelen al zijn bezit verloren. Hij hangt onnavolgbare redeneringen op over hoe hij alles terug zou kunnen winnen ‘en nog wel twintigduizend roebel meer’, als hij maar 20 roebel zou hebben. Als zijn metgezel hem er op wijst dat hij daarvoor al 50 roebel had gekregen en die ook had verspeeld, volgt een onnavolgbare argumentatie: ‘”Dat had ook niet gehoeven, heus waar, dat had niet gehoeven! Als ik niet zelf een stommiteit begaan had, echt, dan had dat niet gehoeven. Als ik na het doubleren op die vervloekte zeven niet verhoogd had, had ik de bank kunnen laten springen.” “Maar je hebt hem niet laten springen,” zei de blonde. “Nee, omdat ik niet op tijd verhoogde. Dacht jij soms dat die majoor van jou zo goed speelde?” “Goed of niet, hij heeft wel van je gewonnen.” “Stelt nogal wat voor!” zei Nozdrjov. “Ik win zo van ‘m. Nee, laat-ie maar eens proberen te verdubbelen, dat wil ik dan weleens zien, dan wil ik wel eens zien wat voor speler hij is!”‘ Enzovoorts. Alsof Gijp, Derksen en Kraaij junior aan tafel zitten. Zo davert het boek voort: een pandemonium van zelfbedrog en hypocrisie, bevolkt door kletsmajoors, feestneuzen en brokkenpiloten.

    Achter de zedenkomedie van Dode zielen schuilt het drama van Gogol. Het informatieve nawoord van Aai Prins en de brieven van Gogol over Dode zielen (ook opgenomen in de uitgave) maken duidelijk dat hij een verscheurde ziel was: een romanticus. Hij wilde een ideaalbeeld ontwerpen van ´de mens´ naar Russische snit. Maar als hij zijn ogen de kost en zijn pen de vrijheid gaf, tekende hij menselijk gescharrel in een slordige wereld. Zo trefzeker dat het nu nog herkenbaar is: in negentiende eeuwse vermomming komt half bekend Nederland voorbij. De mens in zijn onontkoombare feilbaarheid, Gogol was geniaal in het stellen van de diagnose, maar kon er niet mee leven. Evenzogoed: wát een boek!

     

  • Zes genomineerden voor de Filter Vertaalprijs 2013

    Voor de meest bijzondere vertaling van het jaar

    De Filter Vertaalprijs wordt jaarlijks toegekend voor de meest bijzondere vertaling die in het voorafgaande kalenderjaar is uitgekomen. De jury koos voor zes vertalingen van boeken uit verre landen, verschillende tijden en uiteenlopende talen. De winnaar wordt bekend gemaakt op 23 april tijdens de Internationale Literatuurdagen van Utrecht City2Cities

    De zes genomineerden:
    Hafid Bouazza voor Niets dan zonde: liefde, lyriek & liederlijkheid (een bloemlezing van   Arabische poëzie bij uitgeverij Prometheus)
    Mirjam de Veth voor Solange van de Franse schrijfster Marie Darrieussecq (uitgeverij Meulenhoff)
    Karol Lesman voor Steen op steen van de Pool Wiesław Myśliwski (uitgeverij Querido) Silvia Marijnissen voor haar bloemlezing van klassieke Chinese landschapsgedichten Berg en water (uitgeverij De Arbeiderspers)
    Arie Pos voor zijn vertaling van De Lusiaden (uitgeverij Atlas Contact) uit het Portugees van Luis de Camões;
    Aai Prins voor haar vertaling van de verhalen en novellen van Gogol (Verzamelde werken, Deel I, Van Oorschot).

    Aan de Filter Vertaalprijs is naast de eer een bedrag van 1000 euro verbonden. De prijs wordt mogelijk gemaakt door Uitgeverij Vantilt te Nijmegen. De jury bestaat uit Christiane Kuby (voorzitter) Ivo Smits en Ton Naaijkens. Een uitgebreide beargumentering voor de nominaties is te vinden in het nieuwe nummer van Filter, tijdschrift over vertalen. Ter gelegenheid van de prijsuitreiking wordt een feestelijk programma rond de genomineerde vertalingen georganiseerd door het internationale literatuurfestival City2Cities.

    Op onderstaande links meer informatie over de Filter Vertaalprijs 2013.

    www.vantilt.nl
    www.tijdschrift-filter.nl
    www.city2cities.nl