• Rimbaud had dit prachtig gevonden

    Deze maand verscheen een nieuwe bundel zkv’s van A.L. Snijders. Doelloos kijken bevat een keuze uit de zkv’s die in 2017 en 2018 zijn verschenen in De Standaard, de VPRO Gids en de gesproken zkv’s op zondagochtend bij Radio 4. De bundel is bezorgd door uitgeverij AFdH die sinds 2006 bijna jaarlijks een bundel zkv’s uitgeeft.

    A.L. Snijders (1937) is schrijver, voormalig docent Nederlands, bedenker van het zkv en pseudoniem van Peter Müller. Zijn schrijversnaam koos hij in de jaren tachtig toen hij columns ging schrijven voor Het Parool. De naamskeuze was een willekeurige, zoals veel zonder voorbedachte rade lijkt te gebeuren in het leven van Snijders. Een schrijver die zich erover verwondert dat hij bij optredens nog steeds wordt aangekondigd als de schrijver die een prestigieuze prijs (met nadruk op dat prestigieuze) heeft gewonnen, jaren geleden alweer. Nooit wordt, om als interviewer maar eens wat te noemen, aangehaald dat Snijders bijvoorbeeld in 1992 al in het spraakmakende programma ‘Een uur Ischa’ door Ischa Meijer in café Eik & Linde werd geïnterviewd. Ziehier de verhouding van belangrijkheid en vergankelijkheid binnen de literatuur.

     

    Als ik het erf van de blauw/grijs geverfde woonstee op fiets, staat A.L. Snijders opzij van het huis te overleggen met zijn jongste dochter en, zoals Snijders haar voorstelt, zijn verloofde. Er is iets gaande, er zijn sleutels zoek, er moet een apparaat gevonden worden, zijn jongste zoon, die sinds enkele maanden in het nabijgelegen Zutphen woont, komt langs en dan moet er ook nog een interview plaatsvinden.


    Een standbeeld als vriend

    Binnen wijst Snijders naar de lange keukentafel die voor de helft volgepakt ligt met papierwerk, stapels boeken, kranten, pillendoosjes, enveloppen en nog meer boeken, om plaats te nemen. Er wordt koffie gemaakt. Langs de lange muren van de voorheen varkensstal staan meters boekenkasten, jaloersmakend goed gevuld. We besluiten elkaar te tutoyeren. Op de vraag naar het manshoge houten beeld dat met uitgestoken rechterhand bij de entree staat, vertelt Snijders dat het een eerste kunstproject van zijn jongste zoon is, ‘Uw nieuwe vriend’ getiteld. ‘De bedoeling is’, Snijders gaat voor het beeld staan, ‘dat als je hier binnenkomt het beeld een hand geeft. Nou is mijn ervaring dat handarbeiders, timmerlui enzo die hier komen, die geven het beeld een hand. Maar mensen die aan de universiteit gestudeerd hebben, die doen dat niet.’ Hij gaat zitten. ‘Dit is natuurlijk een zeer persoonlijke constatering die ook best niet waar kan zijn. Begrijp je?’

    Voor we goed en wel zijn begonnen, komt de dochter binnen. ‘Hij zit er niet in Peter.’ Ze zet een bak met sleutels op tafel. ‘Dat meen je niet’, roept Snijders. ‘Verdomme, wacht even.’ Hij staat op en helpt zoeken, ook de verloofde komt erbij. Snijders zegt: ‘Dit is geen manier om een interview te doen.’ Er wordt naarstig gezocht in doosjes en trommeltjes. Tot onder ah- en oh-geroep, de sleutel gevonden is. Dochter en verloofde gaan weer naar buiten. Snijders kijkt hen na.
    ‘Sinds een maand ben ik weer verloofd, jij bent nu getuige van mijn nieuwe leven. Drie jaar geleden is haar man overleden, en een paar maanden geleden hebben wij elkaar gevonden.’

    Het leven van A.L. Snijders speelt zich af rond de landelijk gelegen plek bij Lochem waar hij in 1971 met vrouw en vijf kinderen is neergestreken. De kinderen zijn allang volwassen en zijn vrouw overleed in de lente van 2018. Het is een plek waar het leven onvoorbereid lijkt en alles zich tot een zkv vormt, inclusief de onbegrijpelijke elementen die daarin voorkomen.

    Ik sprak met de schrijver over wat een zkv is, over eenzaamheid, bekend zijn en onbegrijpelijk te willen schrijven. Het gesprek wordt omlijst door bijgeluiden als het verplaatsen van spullen, gerommel in de keuken, piepend opengaande deuren, heen en weer lopende vrouwen en het blinde hondje, Besje. Soms vallen er hiaten in het gesprek, omdat namen zich niet aandienen of wordt de lijn van het te vertellen verhaal zo ver uitgesponnen dat de draad even losraakt. Om dan uit te komen bij de vraag: ‘wat is de betekenis van de zkv’s van A.L. Snijders in de Nederlandse literatuur?’ Niet dat we dat van tevoren bedacht hadden.


    Niet al je stukjes zijn een zkv las ik eens, welke zijn het wel?

    ‘Laatst heb ik er een geschreven over een bezoek aan Deventer, waar het oudste huis van Nederland staat met een 375 jaar oude beuk. Ik zat in tijdnood en dan krijg ik iets onverschilligs, kan het me niet meer schelen of het te begrijpen is of niet. Ik deed er nog een gedicht van een Chinese dichter bij uit een bundel die ik net had ontvangen van een man waar ik al veertig jaar mee correspondeer. Dat bundeltje ligt nu boven want daar lees ik ‘s avonds uit voor aan mijn verloofde. Maar dat stukje is voor mij een echt zkv, omdat ik in het eerste gedeelte een kunstenares noem, maar niet zeg wie het is, wat ze doet. Ik leg niet uit dat zij een Nederlandse kunstenares is die erg onbegrijpelijke beelden maakt. In een langer stuk zou ik uitleggen dat ze de vrouw van de zoon van een broer van mijn overleden echtgenote is. En dat gedicht is uit de elfde eeuw, maar dat zeg ik er ook niet bij. Wat begrijpelijkheid betreft is dat zkv op het nippertje. Het intrigeert mij bovenmate dat in de elfde eeuw Japanners en Chinezen de meest fantastische poëzie schreven, poëzie die wij nu pas maken. Het is mijn grote ideaal om er dingen in te zetten waarvan je denkt ”wat heeft dat te betekenen?” .’
    ‘Je kijkt nooit naar het aantal woorden?’
    ‘Nee, daar heeft het niks mee te maken. Als er op zijn minst maar één dingetje raar is, dan reken ik het tot een zkv. Dus niet als een zeer kort verhaal, maar die afkorting die een eigen leven is gaan leiden.’


    Overbodige voegwoorden

    Er is sprake van een ontstaansgeschiedenis van het zkv. In de jaren vijftig, toen Snijders op het Spinozalyceum in Amsterdam zat lag hij altijd overhoop met zijn leraar Nederlands. Deze wilde hem leren dat in een samengestelde zin de verschillende delen aan elkaar gekleefd moeten worden met een voegwoord. Dat vond Snijders ‘volkomen nonsens’, al wist hij nog niet waarom.
    Snijders: ‘Die leraar gaf als voorbeeld: “Ik pak mijn paraplu, omdat het regent.” Dat ‘omdat’ of ‘want’ moest er per se bij. Dat gaf aan dat het een bij het ander hoorde. Ik vond dat onzin.’ Die leraar werd overigens zijn opmerkingen zat en verbood hem op een gegeven moment nog iets in te brengen tijdens de les. Daar begon iets, werd een kiem gelegd.

    ‘Later met die zkv’s wilde ik het korter maken en ik zag dat je veel van die voegwoorden gewoon weg kunt laten omdat je hersens een volkomen eigen manier van denken hebben. Die maken de verbinding ook zonder dat voegwoord wel. Zo nam ik dus wraak op die leraar Nederlands. In het begin van het zkv werd ik soms kwaad als mensen daaraan vasthielden. Als ik schreef: ‘Ik neem mijn paraplu mee, het regent.’ Dan kon dat niet. Voor sommige mensen schrijf ik nu eenmaal onbegrijpelijk.’


    Lees je de kritieken op wat je schrijft?

    ‘Het is allemaal toeval als ik dat hoor, ik ga er niet naar op zoek. Ik zal je een voorbeeld geven. Ik ken een man uit Zutphen, Hans Heesen, die veel organiseert op literair gebied. Hij is negen jaar geleden begonnen met het lezen van Mei van Gorter in Utrecht, en doet dat nu in Zutphen.’
    Gekrabbel aan de buitendeur. Snijders staat op, hond Besje dribbelt schijnbaar doelbewust naar binnen.
    ‘…Heesen heeft verschillende jaren Mei-lezingen georganiseerd en op één keer na deed ik altijd mee. De laatste keer bij Mei lezen, een paar weken geleden, vertelde Heesen dat er twee mensen zijn die het langst meedoen, dat zijn Wim Noordhoek en ik. Wim was afwezig, want hij is erg ziek. Er waren deze keer honderdnegenentwintig dichters en schrijvers die meededen. Ik werd daar met alle egards behandeld. Na afloop kwam er ook nog een meisje naar me toe dat zei: “U was de beste.” Later sprak ik een jongeman die ook had meegedaan, die vertelde dat er mensen waren die hadden gezegd: “Die Snijders, die kan er echt niets van. Zoals hij het heeft voorgelezen, zo staat het er helemaal niet.” Kijk, en dat vind ik nou interessant. De een zegt, je was de beste en de ander vond hetzelfde helemaal niks.’


    In de supermarkt

    Snijders is een landelijke bekendheid, zelf lijkt hij dit maar amper te beseffen. Zijn verbazing is oprecht wanneer hij vertelt met ‘alle egards’ behandeld te zijn. In 2011 werd er werk van hem vertaald door kortverhaal schrijfster Lydia Davis voor Asymptote, een internationaal online tijdschrift voor vertaalde literatuur.
    ‘Weet je wat nu curieus is? In Lochem zijn vier supermarkten, maar er is er maar één waar ik aangesproken wordt als schrijver, en dat is bij Albert Heijn. Daar komen, denk ik, mensen die Radio 4 luisteren en boeken kopen. Bij die andere supermarkten ben ik nog nooit aangesproken.’


    Is het lezen van zkv’s dan toch een elitaire aangelegenheid?

    Lacht, ‘Ja, elitair als de pest. Ik gebruik teveel moeilijke woorden. Wat heeft dat nou te betekenen wat ik schrijf vragen mensen zich af, ze ergeren zich er wel aan. Ik probeer nu verder te gaan met het zkv, het nog onbegrijpelijker te schrijven. Al wil ik niet volkomen onbegrijpelijk schrijven.’

    Veert op en kijkt me enthousiast aan. ‘Weet je, dat is nu het aller, aller interessantst, de schrijver die door de hele moderne literaire wereld als een van de allergrootsten wordt beschouwd, die deed dat wel. Die schreef absoluut onbegrijpelijke dingen. Arthur Rimbaud wordt beschouwd, en terecht, als de grote vernieuwer van de poëzie. Hij heeft een boekje geschreven, Les illuminations, in moeilijk Frans en er is geen touw aan die stukjes vast te knopen. Ik lees ze bijna elke avond die stukjes waar ik niets van begrijp. Ik vind dat werkelijk fascinerend. Toen Rimbaud vijfentwintig was heeft hij gezegd dat het allemaal flauwekul was wat hij geschreven heeft. Hij vertrok naar Afrika om in wapens te gaan handelen, wilde niets meer met literatuur te maken hebben. Zijn moeder en zuster waren erg bezorgd, bang dat hij ziek zou worden. En dat werd hij ook, hij stierf voor zijn dertigste. Dat leven van die man, onbegrijpelijk.’

    De verloofde komt binnen, vraagt waar ze moeten zoeken naar het apparaat, een Kärcher, dat de dochter mee naar Amsterdam wil nemen. Dochter komt erbij, ‘Op de deel moet je kijken’, zegt Snijders. ‘De hele deel moet je bekijken.’ De vrouwen lopen samen naar achteren. ‘En daartussen ook, en de vaaltstal’, roept hij ze nog na. Dan: ‘Rimbaud had dit prachtig gevonden.’


    Plaats in de literatuur

    Als we het hebben over de betekenis van het zkv in de literatuur, komt de verwachte zoon binnen, enthousiast en even praatgraag als zijn vader. Hij zet koffie voor ons terwijl Snijders een anekdote vertelt, hoe hij een paar dagen terug met zijn verloofde op een bankje voor het huis zat.
    ‘We hadden het over de betekenis van de zkv’s van Snijders in de literatuur. Er kwamen een man en vrouw op de fiets voorbij, ze stopten en ik vroeg: “Wat vindt u nou van A.L. Snijders, hoe schat je Snijders in binnen de literatuur? Toen zei die man: “De beste schrijver ter wereld is Toergenjev, de tweede plaats is ook voor Toergenjev, de derde is ook voor Toergenjev, de vierde is voor Karel van het Reve en de vijfde is voor A.L. Snijders.” Zomaar, een onbekende man die met zijn vrouw op de fiets voorbij komt. Dat kun je niet bedenken. Nou ja, en je weet’, gaat hij nog even verder, ‘wie van Toergenjev houdt, die houdt niet van Dostojevski, dat weet ik weer van Karel van het Reve die daarover heeft geschreven.’

    De vrouwen komen weer terug, ze hebben het apparaat gevonden. Snijders vraagt of alle onderdelen erbij zitten. ‘Er hoort wel een heleboel bij hoor.’ ‘Oh, zegt dochter, dit is toch goed met zo’n spuitding. Dat is het toch?’ ‘Jaha’ zegt Snijders, ‘maar je moet toch nog eens kijken of er nog een andere is. Zou best kunnen dat er meer zijn. Nog zo’n heel ding.’ ‘Oh, zegt dochter, ‘dat dit ‘m niet eens is. Dat er een met een andere kleur is.’ Beide vrouwen verdwijnen weer naar achteren. Snijders roept tegen de dichtvallende deur, ‘Of je moet even proberen of deze het doet.’


    Zelf gelooft Snijders niet dat het zkv van enige literaire betekenis is.

    ‘Wat mij opvalt is dat schrijvers, en dit is natuurlijk een open deur, zo gauw ze dood zijn helemaal weg zijn. Vestdijk wordt niet meer gelezen, terwijl dat een fantastisch schrijver is. Dat lijkt ook alleen maar in Nederland te gebeuren, het onderwijs helpt daar natuurlijk ook niet aan mee. In Frankrijk kun je jong en oud nog een boek van Flaubert in de metro zien lezen.’


    In een interview zei je eens het liefst zonder publiek te willen zijn, is dit een pose of zit hier een kern van waarheid in.

    ‘Dat moet je niet te letterlijk nemen maar ik herken dat nog wel ja, dat ik het liefst een schrijver zonder publiek ben. Als ik word geconfronteerd met dingen die ik eerder heb gezegd, dan ben ik het er bijna altijd nog steeds mee eens. Het heeft ook wel te maken met toen mijn echtgenote gestorven was. Veel mensen zeiden, “Nu ga je hier zeker wel weg, want je wilt hier toch niet in je eentje zitten.” Qua Nederlandse begrippen woon ik erg eenzaam, zeker als de buren op vakantie zijn. Dan komt er helemaal niemand op dit paadje voorbij. Maar de eenzaamheid staat me absoluut niet tegen. In dat kader moet je volgens mij de opmerking dat ik geen publiek wil, begrijpen. Ik ben niet tegen publiek, maar ik doe er niets voor. Tot voor kort woonden al mijn kinderen in Amsterdam, dat is de weg die ik het meeste rijd. Wat cultuur betreft gebeurt het meeste daar. In mijn eentje hier blijven wonen heeft een verband met de opmerking geen publiek te willen. Dan is er ook de variant, “zou ik ook schrijven als ik niet werd uitgegeven?”, dat denk ik eigenlijk wel, ja. Ik denk dat ik zou blijven schrijven.’


    Heb je er wel eens over gedacht geen letter meer op papier te zetten?

    ‘Dat zou ik wel eens gedacht kunnen hebben om een reden. Als ik nu zonder druk stukjes zou moeten schrijven, zou ik wel minder schrijven. Omdat ik ook wel behoorlijk lui ben, dat komt er ook nog bij. En mijn dochter, vlak voordat jij kwam, zei me nog dat ik moest ophouden met dat schrijven. Want ik had gezegd dat er nog iemand kwam voor een interview. Toen zei ze: ‘Hou daar toch eens mee op, ga nou eens een makkelijk leven leiden.’


    De gedachte om te stoppen is er dus niet?

    ‘Die is er net zo min als als de gedachte dat ik hier weg zou gaan. En dat wist ik dus niet dat dat echt zo zou zijn, tot mijn vrouw werkelijk dood ging, begrijp je? Al twintig jaar leed ze aan de gevolgen van longkanker, aan de gevolgen van de medicatie is ze overleden. Dat wisten we, dat dat zou gebeuren. Maar het hoorde ook heel erg bij haar en bij mij dat we het negeerden. Dus toen het gebeurde, bleek dat we ons er mentaal op hadden voorbereid, maar niet door middel van gesprekken met elkaar. Dat moest op een andere manier worden opgelost, namelijk door de praktijk van het leven. Toen ik dus hier in mijn eentje kwam te zitten, merkte ik wat ik op dit punt waard was.’
    ‘Je bedoelt los van je levenspartner?”
    ‘Ja, dat, en in je eentje wonen in een veel te groot huis dat veel aandacht behoeft. Toen is mijn leven wel grijs en traag geworden. Ik kreeg allerlei kwalen die ik daarvoor nooit had gehad en waarvan de dokter zei dat dat te maken had met het verlies. Dan dacht ik, ja, hoe weet je dat nou? Maar toen leerde ik deze dame kennen’, kijkt naar buiten waar ze  met zijn zoon voor het huis zit, ‘en nu is het leven lichter.’


    Duizenden zkv’s schreef Snijders

    Eerst werden ze alleen verstuurd naar zijn kinderen en vrienden, later werden ze gepubliceerd, werd hij gevraagd om te schrijven. Hierover een anekdote die waar is zegt Snijders:
    ‘Ik heb in mijn leven nooit iets opgestuurd naar een uitgever of tijdschrift om mezelf aan te bieden. Nooit, niks. Alles wat er gebeurde ging via via, het breidde zich vanzelf uit. Ik doe wat bij me past. Nog altijd word ik aangekondigd als de schrijver die de Constantijn Huygensprijs heeft gewonnen, maar zelf had ik er geen idee van dat iemand mij een prijs zou geven. Dus toen ik opgebeld werd, nou ja daar heb ik wel over geschreven, toen was ik alleen thuis en ik dacht dat het iemand was die me een telefoon wilde verkopen of zoiets. Toen werd er gezegd dat ik een prijs had gewonnen. Ik kon dat bijna niet geloven. Want iedereen denkt dat bij een literaire prijs er eerst een aantal genomineerd worden en dan een shortlist van drie bekend wordt gemaakt. Bij dit soort prijzen, zoals de Constantijn Huygensprijs weet je helemaal niet dat je genomineerd bent. Dat is een volkomen andere prijs. Dat vind ik dan weer erg leuk, het hoort veel meer bij mij dan die andere, meer commerciële prijzen.


    Had je er wel eens over gedacht hoe het zou zijn om een literaire prijs te winnen?

    ‘Niet echt nee. Maar ik kende wel de uitspraak van, kom, hoe heet ie, de grootste katter van literair Nederland, Gerrit Komrij. Die heeft die uitspraak gedaan dat als je in Nederland schrijft en nog nooit een prijs hebt gewonnen, je volstrekt talentloos bent. Een fantastische uitspraak. En dat gold dus voor mij, want ik had nooit een prijs gewonnen. Toen ik dan die prijs kreeg, heb ik in een stukje daarover geschreven dat die uitdrukking van Komrij altijd als een aap op mijn schouder had gezeten en mij liet voelen dat ik niks waard was. Tot iemand mij belde en zei dat ik een behoorlijk prestigieuze, dat zegt iedereen erbij dat het een prestigieuze prijs is, gewonnen had. En dat toen die aap door mij losgelaten kon worden. Ik zag hem uit het huis verdwijnen, ik geloof zelfs dat het die dag nog sneeuwde ook. Die aap vertrok en daardoor was ik bevrijd van Komrij’s uitspraak. Volgens zijn norm hoorde ik er nu behoorlijk bij. Eigenlijk werkt het zo nog steeds, bij iedereen.’

    ‘Wat die prijs betreft heb ik me ook ongelofelijk vergist. Ik was er echt trots op en ik kreeg ook nog tienduizend euro. Ik dacht, dat ebt weer weg. Maar dat is niet zo, want bij elke voordracht die ik doe, kijken de mensen van de bibliotheek onder mijn naam en dan zien ze ‘Oh! prestigieuze prijs!’ En die wordt elke keer genoemd. Zo werkt dat  dus. Het gaat helemaal niet voorbij, ik ben gewoon een naam daarin. Begrijp je?’

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto © Bas Uterwijk

     

  • Zeer korte verhalen met verslavende werking

    Zeer korte verhalen met verslavende werking

    A.L. Snijders, pseudoniem van Peter Müller (1937) is zijn hele leven al schrijver van korte stukjes maar brak pas bij het grote publiek door nadat hij in 2010 de Constantijn Huygensprijs had gewonnen. Snijders schreef columns voor verschillende dagbladen, brieven, een enkele novelle en duizenden zeer korte verhalen (zkv’s). Het oog van de naald is de tiende bundel sinds de eerste bundel zkv’s, Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk in 2006 verscheen. Deze laatste bundel bevat 206 zkv’s, waarvan er 66 in de Belgische krant De Standaard zijn verschenen. De overige zijn geschreven voor radio 4 waar A.L. Snijders elke zondagochtend een zkv stipt om 8.45 uur voorleest. Dit stukje wordt ook verstuurd naar zo’n drieduizend liefhebbers die op de mailinglijst van de vermaarde ‘graslijst’ staan voor een wekelijks zkv van Snijders.

    Ritje langs de Amstel

    Een zkv is een samengaan van een overdenking, een citaat, een observatie. Er zit kop noch staart aan, toch geeft het de indruk van een kleine vertelling, waarin objecten of personen figureren: een bezoeker, gereedschap, het huis van de schrijver, Amsterdam, en altijd weer Nescio of verschijnt Herakleitos uit het niets. Snijders put uit een bron van verhalen die hij ooit  gelezen of gehoord heeft. Zo wordt een verhaal uit een Haagse Post uit 1971 onderdeel van een zkv. Dat gaat over de vereenzaamde Jan Grönloh (Nescio) die door uitgever Geert van Oorschot wel eens werd meegenomen voor een autoritje langs de Amstel.
    ‘Grönloh zat de hele weg zwijgend naast hem, de hoed diep over de ogen getrokken. Toen ze voor een tractor moesten uitwijken, liet hij zich eindelijk een paar woorden ontvallen: “Imbeciel op ijzer”.’
    Stukjes geschiedenis die de lezer deelgenoot maakt van een anekdotische kant van de literatuur. Nog mooier wordt het als een gegeven uit een eerder geschreven zkv, weer terugkomt in een later geschreven zkv. Zodat de lezer een vleug van een déjà vu ervaart, wat overigens niets afdoet aan het leesplezier.

    Jaloers op een fantasie

    Snijders schrijft met een afstandelijkheid (geen gepsychologiseer, amper bijvoeglijke naamwoorden, licht zelden iets toe) die de lezer de ruimte geeft ervan te maken wat deze wil. Soms werpt Snijders de blik op zichzelf, vraagt zich af waarom hij bepaalde dingen doet. Noemt fantaseren, ‘oncontroleerbare’ gedachten. Gedachten die hem het leven van anderen laat inkleuren. Zoals de bewoners van een groot huis bij hem in de buurt. Als hij erlangs fietst, denkt hij te weten: hij is accountant, zij advocaat. In hun vrije uren vertalen ze, ieder voor zich Thucydides. ‘Soms vergelijken ze hun vertalingen’. Het gevolg is dat hij jaloers  wordt op dit geromantiseerde leven van mensen die het zo goed voor elkaar hebben. Dan schrijft hij: ‘Waarom verzin ik iets wat jaloezie veroorzaakt?’

    Een zkv leest als een gedachtestroom, ontspringend naar vele kanten. Of is als een praatgrage wachtende in de rij voor de kassa, die zijn verhaal vertelt en daarbij onverwachte zijwegen inslaat, maar waar je geboeid naar blijft luisteren. Soms krijg je de indruk dat de schrijver geen idee heeft waar het heen gaat of raakt verdwaalt in zijn tekst, dan nog is het goed hem te blijven volgen om een raadselachtige afslag of een uitspraak als deze: ‘Als ik niet aan mannen of vrouwen denk, blijk ik automatisch aan mannen te denken’ niet te missen. Waar de geest dan weer een tijdje mee voort kan.

    Metaforen

    Bij Snijders komt de realiteit in mooie beschrijvingen, zoals in ‘Voorhamer’. Hij schrijft dat de voorhamer, voor het kloven van houtblokken, niet vaak gebruikt wordt omdat hij een kachel heeft met een ‘grote mond’. Toch dwingt zijn ego hem die blokken zo nu en dan te lijf gaan, ze kleiner te maken.
    ‘…[dat] betekent dat ik overwinningen wil behalen, ook als ik alleen ben en niemand me ziet, ook als ik er niet over praat en mezelf vervloek. (…) De voorhamer is zwaar, wordt zwaarder omdat ik schoorvoetend zwakker word, de voorhamer moet langer wachten, heeft zich in mijn ogen verongelijkt teruggetrokken, is niet makkelijk meer te vinden omdat ik me niet kan herinneren in welke schuur ik hem het laatst gebruikt heb. De natuur giechelt.’
    Meesterlijk is dat ‘schoorvoetend zwakker worden’, waarmee de ouderdom bekend wordt. En een voorhamer die zwaarder wordt, staat hier voor het afnemen van krachten.

    Het fascinerende aan deze zkv’s is dat je blijft doorlezen en treedt er zelfs bij een tweede of derde keer lezen geen verveling in. Dat heeft alles te maken met de wijze van formuleren die in niets de lezer tegemoet komt en daardoor de geest op scherp zet. En dat heeft weer te maken met de taalkunst van de schrijver.

     

    Over het zkv ‘Valerie’ dat in Het oog van de naald is opgenomen, verscheen op Literair Nederland al eens de column ‘De schrijver’.

     

  • Kikvors

    Kikvors

    Onlangs las ik een zeer kort verhaal (zkv) van de schrijver A.L. Snijders over hoe de schrijver op een ochtend zijn deur opent en daar een kikvors aantreft die ‘groter is dan een kleine hond’. Zulke kikvorsen bestaan niet wist de schrijver. Toch zat er een voor zijn deur. Ook de kikvors schrok van de schrijver en maakte zich met sprongen van drie meter, waarna hij even omkeek en weer drie meter verder sprong, uit de voeten. Gelukkig kwam daar de postbode aan, die zou kunnen bevestigen dat de schrijver niet gek was. Hij moest de kikvors ook hebben gezien. De schrijver klampte hem aan en vroeg: ‘Wat moeten we doen met deze kikvors.’ De postbode meende dat het geen kikvors was maar een haiku, een Japans gedicht van zeventien lettergrepen.

    Toen A.L. Snijders dagelijks zkv’s schreef, vertelde hij in Nooit meer slapen (2015) aan Pieter van der Wielen, begon hij deze stukjes gaandeweg via de mail te versturen. Eerst naar zijn kinderen en later naar vrienden en bekenden. Met het gevolg dat er, om deze gretig gelezen stukjes te kunnen bundelen, een uitgeverij voor zijn zkv’s werd opgericht. Ondertussen zijn er meer dan tien bundels met zkv’s gepubliceerd. In de serie Op het nachtkastje (2014 VPRO) vertelt de schrijver – tijdens een zeer ontwapende ontmoeting met kunstenaar Joost Conijn – dat meer dan 1700 mensen op zondag een zkv van hem ontvangen. Dat er soms iemand, soms twee personen daarop reageren. Ik dacht te weten dat ik die ene of tenminste een van die twee was.

    In de ‘Kikvors’ kwamen de postbode en de schrijver niet tot een eenduidig oordeel over wat het was dat zij beide hadden zien wegspringen. Het ging van kikvors naar haiku, heen en weer als een kaatsbal. Was de  postbode aan gooi was het een haiku, kaatste de schrijver de bal terug, was het kikvors. Ik vond het een fantastisch verhaal, vooral op het moment dat de haiku zijn intree deed, dat van die kikvors zou nog wel eens waar kunnen zijn. Dat liet ik de schrijver weten.

    Een uur later ontving ik nog een zkv, ‘Zoon’. Ik voelde me aangemoedigd. Nadat ik ‘Zoon’ gelezen had, waarin de schrijver als een ongelovige priester door een ondiepe poel waadt, vanwaar hij een strofe uit een gedicht  van de Perzische filosoof en dichter Omar Khayyam, waar ik nog nooit van had gehoord (er is wel meer waar ik nooit van gehoord heb), naar ‘onzichtbare mensen’ schreeuwde. Daarna gaat de schrijver naar huis en wacht op zijn zoon die na afloop van een reünie van zijn lagere school bij hem zal overnachten. Het stormt die nacht. Zijn zoon moet vijftien kilometer ‘onder brekende takken’ door het bos naar huis fietsen. De schrijver blijft tot diep in de nacht op, tot zijn zevenenveertigjarige zoon ongedeerd thuiskomt.
    Ook dit zkv  was in alle betekenissen van het woord, verrassend en fantastisch. Toch waagde ik het niet de schrijver dit te laten weten omdat ik vreesde dat we de hele dag op elkaars mails zouden blijven reageren.

     

    Hier het Auteursportret A.L. Snijders met Joost Conijn.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en teksten als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Het leven vliedt gelijk het vloot

    Het leven vliedt gelijk het vloot

    De laatste jaren heeft A.L. Snijders een reputatie opgebouwd als schrijver van wat hij zelf ‘Zeer Korte Verhalen’ (ZKV) noemt. Hij publiceert veel en treedt overal in het land op. Hij leest voor op de radio.

    Hoe kort is ‘zeer kort’? Korter dan Carmiggelt, nog korter zelfs dan Herman Pieter de Boer? In De libelleman, het hier te bespreken boek, staat een enkel stukje van twee bladzijden en af en toe eentje van amper een halve pagina. ‘Stukje’, want zoveel is wel duidelijk: het zijn geen verhalen. Een verhaal immers heeft een kop en een staart en een plot; er zit een touwtje om dat het geheel bijeen houdt en het biedt vaak een verrassing aan het eind. En dat alles kun je met geen mogelijkheid zeggen van Snijders ZKV’s, die zich in de meeste gevallen juist onderscheiden door het ontbreken van alle verhaaltechnische hulpmiddelen.

    Wat zijn het dan wel? ZKV’s zijn: waarnemingen, gedachtesprongen, overwegingen, citaten, herinneringen, wederwaardigheden. Lang geleden, toen de columnistenvloed ons nog niet had overspoeld, heetten dit soort stukjes cursiefjes.
    De libelleman is een staalkaart van wat er in het hoofd van de schrijver omgaat. Wát zich ook voordoet, het is kennelijk waard er even bij stil te staan. Niet om het te analyseren, maar domweg om het vast te leggen. ‘Alles heeft zijn verhaal’, zegt de schrijver.
    Of het nu gaat om zijn vele optredens, zijn ontmoetingen met onbekenden, zijn kleinkinderen, de dieren die hij houdt, watersport, literatuur, zijn levensloop, doe-het-zelven, autorijden, motoronderhoud, wonen in het oosten van het land, elk onderwerp zet hij in het licht van zijn scepsis, verbazing en onverstoorbaarheid. Nergens doet hij lollig, nooit is hij weemoedig en aan psychologiseren doet hij niet.

    Het Japanse begrip ‘Ukiyo-e’, een term die de vluchtigheid van het bestaan aanduidt en die in verband met de Japanse prentkunst wel wordt vertaald met ’taferelen van het vlietende leven’, valt een paar maal. Snijders ZKV’s zijn precies dát: registraties van waarnemingen, zowel van de uiterlijke als van de innerlijke wereld, zonder gemoraliseer op papier gezet.
    ‘Registraties’, maar wel altijd gekleurd door zijn persoonlijkheid – of door het enigszins laconieke personage dat hij al schrijvend van zichzelf maakt – en door zijn woordkeus, zijn eruditie en niet te vergeten zijn leeftijd, want deze ZKV’s zijn onmiskenbaar het werk van een man die een lang leven achter zich heeft, een man die doet denken aan die twee kerels in een beroemd ZKV van Nescio: ‘Het leven heeft mij, Goddank, bijna niets geleerd. “Het leven heeft me veel geleerd”, zegt de oude sok’. Snijders heeft iets van beiden.

    Een voorbeeld:

    Ik bezocht de bijeenkomst. Voor de pauze legde een knappe milieudeskundige uit hoe we er voorstaan en wat er moet gebeuren. Na de pauze zou ik mijn steentje bijdragen. Mij was gevraagd naar stukjes die over de huidige crisis gaan, maar na een wanhopige zoektocht bleek dat ik nooit over zulke dingen schrijf, ik ben niet bepaald een geëngageerde schrijver.
    Maar een kwartier voor mijn vertrek naar de protestbijeenkomst vond ik iets in mijn computer waar het woord graaien in voorkomt.

    FAZANT

    Ik hoor de fazant vaker dan dat ik hem zie. Zijn schreeuw bestaat uit scherven, glas in een omvallende kast. Er gaan verhalen over de fazant, het zou geen echte, wilde vogel meer zijn, hij zou gekweekt zijn, vetgemest en losgelaten. Hij zou zijn vluchtinstinct verloren hebben en een kermisprooi zijn voor heren als Rijkman Groenink, die na het graaien van de bonus de weerloze fazant in het vizier hebben. Ik weet niet of dat waar is, de fazant die ik vaak hoor en soms zie, is behoorlijk schuw.

    Ooit werd hem gevraagd of er een overkoepelend thema in zijn werk was. Nee, was zijn antwoord, ‘de verhalen (…) ontstaan in een baaierd van toeval en willekeur’. Later formuleert hij toch een thema: ‘Alles verandert, niets blijft op zijn plaats’ en hij verwijst naar Herakleitos. Wat die ermee te maken heeft moet de lezer overigens wel zelf bedenken (‘Panta rhei‘), want Snijders houdt niet van uitleggen. Zo noemt hij ergens ‘mystiek uit het Zoniënwoud’ zonder te vertellen dat dat op Ruusbroec slaat, laat staan dat hij uitlegt wat die veertiende-eeuwer in het stukje te zoeken heeft. Hij heeft kennelijk het leraarschap achter zich gelaten en hoeft niet steeds te worden begrepen. Dat past bij de ietwat ongenaakbare houding die hij af en toe ten toon spreidt.

    Hij was ooit leraar op een politieschool. Zou hij daar dat karakteristieke gebruik van de komma hebben opgepikt, toen hij zijn leerlingen bijbracht hoe ze een proces-verbaal konden schrijven? (‘Beperk je tot de feiten, jongens! Niet interpreteren!’) Heel vaak vinden we namelijk komma’s waar andere auteurs voegwoorden zouden gebruiken of een punt zouden zetten om een nieuwe zin te beginnen.

    Een citaat ter illustratie (een overpeinzing over vertrokken kampeerders): De rest van het jaar fiets ik ’s morgens langs met een verweesd gevoel, ik denk aan ze, ik weet niet waar ze wonen, ik ken hun particuliere eigenaardigheden niet, maar ik weet dat ze samen de ruggengraat van onze samenleving vormen, de onontbeerlijke middenklasse, ik vertrouw op ze, alles komt goed. Eén keer ‘maar’; verder staat alles nevengeschikt in een opsomming zonder rangorde. Het versterkt de indruk van een gedachtestroom: een oude heer mompelt wat voor zich uit. Daar is op zichzelf niets tegen.
    De samenstelling van het boek is vergelijkbaar: de volledige productie van 2013 en 2014 is chronologisch afgedrukt, alles is kennelijk even belangrijk.

    Is alles ook even geslaagd? Was een selectie niet beter geweest?
    In veel van deze stukjes beleven we de spanning tussen enerzijds het niet-buitengewone onderwerp en anderzijds de formulering die dat gegeven dient op te heffen tot een buitengewone leeservaring. Snijders slaagt vaak.
    Sommige stukjes bestaan uit niet meer dan een citaat plus bronvermelding, andere bestaan uit een inleiding op een citaat uit eigen werk. Soms is dat citaat weer een compleet ZKV, zoals dit bijzonder mooie en piepkleine, overigens a-typische, stukje: De oude kok (93) zit met betraande ogen aan de keukentafel. Hij huilt omdat hij beseft dat hij het woord “zwezerik” voor altijd vergeten is. Hij begrijpt dat je het gerecht niet meer kunt klaarmaken als je het woord vergeten bent.
    Eerst verdwijnt het woord, daarna het gerecht.
    Hier komen we in de buurt van de ZKV’s uit de zeventiende eeuw: de teksten van de emblemata.

    Al met al is dit een boek en een genre voor de liefhebber, de fijnproever, je kunt er kriegelig van worden, je kunt er door aangestoken worden je eigen gedachten te gaan observeren, het bevat stukjes die je kunt herkauwen alsof je een brevier leest, je kunt met komma’s gaan strooien, drie maal daags een ZKV lijkt de juiste dosis.

    De uitgave tenslotte is zeldzaam goed verzorgd: ingenaaid, mooi papier, elegant formaat, ‘ballongooijenrood’ als steunkleur. En het bevat ook nog eens plaatjes – die geen illustraties zijn maar misschien wel voorbeelden van de ‘outsider-kunst’ waar de schrijver van zegt te houden. Heel mooi is die op bladzijde 169: een foto van een stapel hoog opgetaste bakstenen in vele schakeringen groen en roze, een beeld waar Mondriaan rond 1913 nog naar op zoek was.

     

  • Oogst week 25

    Oogst week 25

    Door Ingrid van der Graaf

    Philibert Schogt (1960) debuteerde in 1998 bij De Arbeiderspers met De wilde getallen, wat internationaal een succes werd. End of Story – Einde verhaal, is zijn vijfde roman. Het is een tweetalige roman die als twee op zichzelf staande verhalen gelezen kan worden, het ene in het Nederlands, het andere in het Engels. Schogt heeft de verhalen zo gecomponeerd, dat ze tezamen een groter geheel vormen. End of story gaat over een literair vertaler in ruste die zijn memoires gaat schrijven, met zijn tweetalige achtergrond als rode draad. Van jongs af aan heeft hij het gevoel twee verschillende persoonlijkheden in zich te bergen, een Engelstalige en een Nederlandstalige. De ene persoonlijkheid neemt het op tegen de andere. Een boeiend gegeven van een auteur die zelf opgroeide in de VS en Canada en tegenwoordig in Amsterdam woont. Uitgegeven bij De Arbeiderspers, prijs € 19,99, 344 pagina’s.

    De jury van de C. Buddingh’-prijs 2014 noemde hem ‘Een uiterst beweeglijk en vindingrijk dichter.’ Maarten van der Graaff  (1987) debuteerde in 2013 met de bundel Vluchtautogedichten die werd bekroond met bovengenoemde prijs.

    Dood werk/Maarten van der graaff
    Dood werk/Maarten van der graaff

    Dood werk is zijn tweede bundel die Van der Graaff als volgt samenvat: Nederland, ik schrijf dit niet zomaar, / ik zoek naar je dood en gemeenschap. / Ik zoek naar je waarheid en haat. / Ik schrijf gedichten. / Ik ben in de war. / Ik zoek naar je lichaam. Ik ben oppervlakkig.
    Een oproep om grondig te lezen, deze bundel. Dood werk blijkt naast tegenstrijdigheden, vooral vol leven te zitten. Uitgegeven bij Atlas/Contact, Prijs € 19,99.

     

    9200000043452647A.L. Snijders (1937) maakt mee wat iedereen meemaakt maar in tegenstelling tot velen, schrijft hij het op. Op een schetsmatige wijze beschrijft hij wat hij ziet/hoort/leest. De libelleman is een bundeling verhalen. Het titelverhaal gaat over een man die libellen fotografeert. Hij staat een halve nacht tot zijn nek in een inktzwarte bosvijver met de camera in zijn ene hand en een felle lamp in zijn andere. Die man zou Snijders kunnen zijn: een waarnemer en ooggetuige zonder oordeel. ‘De libelleman vertelde me dat hij ooit als goudsmid voor een weddenschap een zeer klein doosje met een scharnierende deksel had gemaakt, een kubus van een millimeter. Ik kon mijn oren niet geloven, maar ik had het goed verstaan, hij zou het bij zijn volgende bezoek meenemen.’
    De illustraties in dit boek zijn gekozen door Y. Sweering. Het is materiaal uit haar eigen verzameling werk: beelden die zij vond passen bij het werk van haar man. Prijs € 34,50, pagina’s 324, bij AFdH Uitgevers.

     

     

  • De schrijver

    De schrijver

    Het komt wel eens voor dat ik geen mensen verdraag. Dat het al teveel is wanneer ze langs mijn keukenraam voorbij lopen. Ik trek dan de voordeur open en roep: ‘U bent de zoveelste vandaag. Kunt u alstublieft ergens anders voorbij gaan lopen.’ En dat de nietsvermoedende wandelaar, ‘Oh, dat spijt me’, zegt, vind ik mooi. Als er zelfs gevraagd wordt of hij door zal lopen of dat ik liever heb dat hij terugloopt, om  het voorbijgaan aan mijn raam ongedaan te maken, kies ik geroerd voor het laatste. Waarop de wandelaar achterwaarts lopend uit beeld verdwijnt. Dat kan in een verhaal. Daarom hou ik meer van verhalen dan van mensen. Verhalen die ontstaan in de ruimte tussen de dingen in.

    Sinds enkele maanden sta ik op de zogenaamde graslijst voor zkv’s van A.L. Snijders. Zo gauw de schrijver een zkv klaar heeft, krijgen wij, die op de lijst staan, dat als eersten onder ogen. Ik geloof graag dat dat een privilege is. Dit weekend ontving ik een zkv getiteld Valérie. Waarbij ik direct aan Amy Winehouse moest denken. Maar die kwam er niet in voor. Het ging over een jongensachtig meisje dat de schrijver in 2002 bij een paasvuur in de Achterhoek zag. Een kind dat licht en springerig rond het vuur bewoog, er onderwijl takken opgooiend. Maar dat even plotseling stil op haar rug in het gras ging liggen, alsof ze dood was. Hoe een vrouw naast het kind ging liggen en zei: ‘Ik wil dezelfde dingen zien als jij.’ Daar schreef de schrijver toen een zkv over.

    Het is dertien jaar later als de schrijver dit voorjaar een boomchirurg laat komen om een berkenboom in te korten. De boomchirurg zegt, ‘U schreef eens een stukje over mijn dochtertje.’ Dat dochtertje is nu 21 jaar en studeert. Door deze ontmoeting is de schrijver opeens het besef van dertien jaren kwijt. Dat lukt je nooit in het echte leven: jaren laten verdwijnen. Maar wel in een verhaal. Ik vond dat prachtig en liet dit per omgaande de schrijver weten. Geen idee of de schrijver zelf achter de mailing zat maar wilde dat wel geloven. Ik ontving die dag nog een zkv. Hoewel die niets van doen had met het voorgaande, verbeeldde ik me dat deze alleen voor mij was. Omdat ik zijn stukje mooi vond en hij in een goede bui was en omdat het zondag was en de schrijver dacht: ‘Vooruit, het mag wel eens een zkv meer zijn.’

    Zo geloof ik ook dat de foto op de cover van Een handige dromer, de schrijver op jonge leeftijd is. Het voegt voor mij een speelsheid toe aan zijn verhalen. En kijkend naar zijn wenkbrauwen op die foto, weet ik dat het een soort wenkbrauwen zijn die nooit zullen stoppen met groeien.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest en leeft.

  • Zeer korte verhalen in Zutphen

    Het was vrijdagavond, koopavond. De straten van de stad waren op een mistroostige manier verlaten. Het zou toch niet zo zijn dat iedereen zich naar boekhandel Someren & Ten Bosch in de Turfstraat had gerept om daar A.L. Snijders te zien optreden? Snijders, die vorige week opeens tot ’s lands beroemdheden werd gerekend omdat hij de uitgave van Nederland Leest mag verzorgen. En omdat hij bij het journaal verscheen en de DWDD. Zo gaat dat.

    Maar de boekhandel was vol liefhebbers van de zkv’s van A.L. Snijders. Zij hadden hem al lief voordat hij de uitnodiging van het CPNB had aanvaard. De schrijver was ter ere van De Week van het Korte Verhaal aanwezig. Hij zou de vooravond daarvan inluiden met enkele van zijn zkv’s. Geheel vrijblijvend en belangeloos.

    De schrijver kwam vanuit een inham naar voren en beklom de open trap in het midden van de winkel. Op één traptree lag een rood fluwelen kussen. Hij vond er, na enig heen en weer geschuif, een stabiele plek op. Hij droeg stijlvolle suède schoenen. Mooie herenschoenen, met een gladde zool. Daar moest ik even aan wennen. Heel even maar en toen had ik de zware werkschoenen, of laarzen los van hem kunnen zien en pasten de suède schoenen hem wonderwel goed. Maar er was nog iets, al wist ik niet zo gauw wat.  Toen zag ik het, zijn wenkbrauwen waren bijgeknipt.

    Snijders keek met open blik de winkel rond, alsof hij iemand zocht, alvorens hij begon met het voorlezen van een mail. Degene die hem de mail gezonden had, kon wellicht onder de aanwezigen zijn. Maar nee.
    Die avond had de schrijver met zijn vrouw en dochter boodschappen gedaan bij de ‘grote’ AH in Zutphen. Alwaar hij werd aangesproken door een man die hem herkende van de televisie. De man stond naast een vrouw tegen wie hij zei: ‘Weet u wel dat u naast een beroemd man staat?’
    ‘Ja. Dat is mijn vader.’
    De mail luidde: Goedenavond meneer Snijders, Een uurtje gelden ontmoette ik u en uw vrouw in de grote AH van Zutphen. Zou u zo vriendelijk willen zijn om mij op uw Graslijst te zetten.’
    En zo begint Snijders een van de vele zijwegen te bewandelen waar hij zijn publiek al vertellend doorheen voert. Waarheen is niet belangrijk. Uit zijn zwarte tas haalt hij een A-4tje en zegt: ‘Ik lees dit stukje voor omdat ik het ontzettend graag wil voorlezen. Het is een advent verhaal dat ik op verzoek van de KRO geschreven heb.’

    Snijders is een verhalenverteller pur sang. Na het voorlezen van een van zijn zkv’s, zegt hij dat dit een te begrijpen stukje was maar dat hij de laatste tijd ook veel niet te begrijpen stukjes schrijft. Die brengt hij tot uitvoering met pianist Marcel Worms. Over Worms vertelt hij dan het prachtige verhaal van een jongen die geen muziek mocht studeren omdat zijn ouders hem dat afgeraden hadden (geen droog brood mee te verdienen) en die dat later toch wel deed. En dus nu met Snijders optreedt, of Snijders met hem. Het steekt soms heel nauw.
    Elk zkv dat hij uit zijn tas haalt, levert een bezijden verhaal op dat zo niet nog mooier is dan het op schrift gestelde zkv. Uit alles wat hem beroert komt een verhaal voort. Zijn verhalenkennis is eindeloos.

    Naderhand bij de boekentafel spreken twee mannen elkaar. ‘Ik krijg wel eens zo’n zkv met de mail, via de Graslijst. Die stuur ik dan weer door naar vrienden. Soms met een commentaar.’ De man begint nu besmuikt te lachen en gaat verder:’Laatst had ik er één doorgestuurd met de opmerking: ‘Deze vind ik niet zo goed.’ Kreeg ik van hem terug: ‘Maar ik wel.’ ‘Was ik vergeten hem uit de maillijst te halen.’ Het was een mooie avond voor een zeer kort verhaal.

     

     

  • A.L. Snijders in gesprek – Zoals Thijssen de klas in liep

    Hij spreekt wat knorrig en lijkt moeite te hebben om zijn herinneringen samenhangend te vertellen. Maar de zaal hangt aan zijn lippen. Om de paar zinnen is er een lachsalvo. Hij weet uitstekend te timen. Na verloop van tijd is de spanning onder de toehoorders voelbaar als hij weer even aarzelt: nu komt de pointe.

    A.L. Snijders lijkt te praten zoals hij schrijft: associatief springend. En verwarring zaaiend.
    Tegen zijn interviewer, die een van zijn ZKV’s te feitelijk blijkt te hebben geïnterpreteerd, grapt hij: ‘dan heb ik je er toch mooi ingeluisd’.
    Het hangt de hele sessie rond zijn causerie. Verzint hij het ter plekke of is het echt waar? Over zijn pseudoniem bijvoorbeeld; er wordt hem nogal eens gevraagd waar de letters A.L. voor staan. Ze betekenen niks. Hij had zijn eerste column klaar voor het Parool, toen de redactie hem belde of hij niet onder pseudoniem wilde publiceren. Hij had een uur om iets te verzinnen. ‘Het enige dat ik wist is dat ik niet wilde dat mijn schuilnaam betekenis had zoals Nescio of Multatuli. Ik noemde toen maar wat.’

    Wat is feit en wat verzinsel? ‘Ik begin meestal aan een ZKV naar aanleiding van een gebeurtenis, maar daarna fantaseer ik er op los. Mijn meest ideale verhaaltje zou er een zijn dat ik van A tot Z verzonnen had en dat ik jaren later herlees in de overtuiging dat het volledig waar was. Maar zover ben ik nog niet’.
    Snijders heeft geen plan in zijn hoofd als hij begint: ‘Dat doe ik het liefst, aan een ZKV beginnen zoals Theo Thijssen de klas instapte. Hij zou wel zien wat hij zijn leerlingen de komende les ging vertellen’.

    Hij heeft nog een ideaal: ‘Ik gebruik veel citaten in mijn ZKV’s, liefst zonder bronvermelding. Het mooiste lijkt me een ZKV waarin geen woord van mezelf staat’.
    Hij legt er de nadruk op dat hij geen columnist is. ‘Ik vertel een verhaal. In een column stel je iets. Daarom schrijf ik nooit over politiek’. Stelligheid is sowieso niet aan hem besteed. Daarom moet hij niets hebben van mensen die menen de waarheid in pacht te hebben. Of dat nu katholieken zijn of communisten, Jehova’s of dierenactivisten. ‘Ik ben een rationalist. Maar als God echt bewezen wordt, ben ik onmiddellijk van de partij’.

    Waarom hij Amsterdam verruilde voor de Achterhoek, vraagt de interviewer. Er volgt een lang verhaal over de verloedering van de stadsbuurt waar hij met zijn gezin woonde, uitmondend in de vondst van een afgelegen boerderijtje in het oosten van het land. ‘Ik vind het een mooie zin van Lodewijk van Deyssel. Die zei ooit: ik wil in een huis wonen waarin ik ongezien uit elk raam kan pissen. Zo woon ik nu’.

    A.L. Snijders sprak in Nijmegen met deelnemers aan de Postacademische cursus Recente Nederlandse en Vlaamse Letterkunde. In 2015 viert die cursus een jubileum. Hij is er dan voor de tiende keer. Wie hierover meer wil weten kan hier terecht.

     

     

  • Bijzondere boeken van 2012

    Door Carolien van Welij

    Valse papieren van Valeria Luiselli. Deze jonge Mexicaanse schrijfster slentert rond in steden, de literatuur en de filosofie. Het resultaat is een essay, reisverhaal en autobiografische roman in één. Lees hier de recensie.

    Stoner van John Williams. Vergeten meesterwerk uit 1965. In Amerika een paar jaar geleden herontdekt. In Nederland afgelopen najaar in de belangstelling dankzij de Nederlandse vertaling. Een klassieke roman waarop de uitspraak van Julian Barnes van toepassing is: ‘Fictie maakt personages die nooit hebben bestaan net zo echt als je vrienden en dode schrijvers net zo springlevend als een nieuwslezer op tv.’ (Uit het raam, p. 10).

    Spinder van Simon van der Geest. Het jeugdboek van 2012: een boek waarbij je kunt lachen, moet huilen en dat je niet weg kunt leggen voordat je het geheim van de broers hebt ontraadseld. Van der Geest won vorig jaar een Gouden Griffel voor zijn roman Dissus.

    De lengte van het leven van Seneca. Mooi uitgegeven geschrift van de Romeinse filosoof, waarin hij kritiek levert op de mensen die het leven te kort noemen: ‘Onze tijd is helemaal niet kort! Het leven is lang genoeg, we krijgen royaal de ruimte om de werkelijk grote dingen af te maken, als we al die tijd maar goed besteden.’ Weer uit de kast gehaald dankzij het boek Filosofie voor het leven en andere gevaarlijke situaties van Jules Evans.

    Brandnetels & verkeersborden. Verzameling zeer korte verhalen van A.L. Snijders. Twee zkv-en bestaan uit een interview met de schrijver. A.L. Snijders licht toe waarom het interview hier een plek heeft gekregen: ‘Een tijdje geleden ben ik geïnterviewd voor het optimistische, zingevende blad Happinez. Thema: Geloof, hoop, liefde. Gisteren hoorde ik dat het interview is geweigerd vanwege mijn ironie. Een goede reden. Beter dan belediging, ongeduld, afgunst, jaloezie.’

     

  • Schrijver pakt uit

    Schrijver pakt uit

    A.L. Snijders is de uitvinder van het populaire zeer korte verhaal, het ZKV. Maar hij heeft meer genres beoefend. Voor zijn hele oeuvre kreeg hij dit jaar de Constantijn Huygensprijs. Een goede gelegenheid om zijn novelle De incunabel die hij in 1994 schreef in opdracht van de Stichting Kunst en Cultuur Gelderland voor de reeks Gelderse Cahiers opnieuw uit te geven, zal de uitgever gedacht hebben. De novelle is nu aangevuld met zeven krantencolumns over de totstandkoming ervan.

    Snijders, die een doctoraal Nederlands op zak heeft, zocht voor die opdracht nog even op wat men onder een novelle ook al weer verstaat. Hij wist dat het een kort stuk proza was waarin geen plaats is voor de ontwikkeling van de hoofdpersoon. Iets wat Snijders wel aanstond omdat hij zich aan mensen die zich tot echte volwassenen ontwikkelen behoorlijk kan ergeren, schrijft hij in een van de columns. ‘De novelle’ zegt het woordenboek ‘beweegt zich in één bepaalde kring en heeft één enkele handeling’. Dat gaat dus al een ietsje pietsje de kant van het zeer korte verhaal op.

    De kring binnen De incunabel is dan ook te overzien. Het is het verhaal over David die onhandig is in de liefde. Hij fietst in 1963 als student-assistent door Amsterdam met een boek onder de snelbinders dat gedrukt is vòòr 1501, een wiegedruk of incunabel, en dat makkelijk een halve ton waard is. Op de Weteringschans hobbelt hij heftig over de tramrails als hij moet afslaan. Vlak voor een aanstormende tram glipt het boek onder de snelbinders vandaan. Hij springt van zijn fiets en met ware doodsverachting redt hij het kostbare stuk nog net van de ondergang. Hij is erg geschrokken, maakt zijn studie snel af en vindt werk in het onderwijs.

    Deze verhaallijn vormt de kapstok voor de beschrijving van een hele reeks figuren rond David. Het arrogante buurmeisje Kea uit een ander, iets beter, milieu, tot wie hij zich sterk aangetrokken voelt en die hij uiteindelijk een huwelijksaanzoek doet, haar broer, zijn broer Piet, diens vriend Jan en Paul, een vriend van Jan.

    Maar waar het echt om gaat in het verhaal zijn de commentaren, ideeën en standpunten van de schrijver zelf die hij rond die figuren in het verhaal weeft. Snijders grijpt de gelegenheid aan om eens flink uit te pakken. Zoals: ‘Geestelijken in de kerk zijn eigenlijk verachtelijke knechten, een enkele keer is een uitzondering mogelijk en kan een knecht een fatsoenlijk kerkdienaar zijn’. Of: ‘Wie verklaringen zoekt, vindt ze, maar wie weet ooit of het de goede zijn.’ De verteller geeft Kea gelijk als ze door plaatselijke lesbiennes uitgedaagd wordt kleur te bekennen over haar seksuele oriëntatie, wat ze niet doet. ‘Je moet je verzetten tegen die openbaarheidsrazernij.’ En hij becommentarieert de ontoereikendheid van de ontwikkelingspsychologie die geen aandacht heeft voor de mensen die niet veranderen en die je daardoor juist een gevoel van vertrouwen geven. En dan zo’n beschrijving: ‘Het is een aardige en rustige jongen. Zo’n jongen waar Holland trots op kan zijn. Evenwichtig, op een leeftijd dat het nog niet nodig is.’

    De jury die in 1994 het verhaal beoordeelde, had het niet zo op al dat commentaar. Snijders zou te zeer als een alweter boven het verhaal hangen en de lezer te vaak knipoogjes geven. Hij liet het toen door een kennis bekijken die volgens de schrijver de helikopterpiloot-rol van de verteller om zeep hielp en de structuur verbeterde.

    Dat Snijders het toch niet kon laten om commentaar te leveren blijkt ook uit zijn manier van beschrijven van de voortgang van het verhaal. ‘Het gaat met deze liefdesgeschiedenis niet goed.’ ‘En nu doet David onderzoek. Maar ook dat is een misverstand, hij is er helemaal niet geschikt voor, hij is een jongen die aan de oppervlakte moet blijven …’. ‘Tegen een moderne tram is niet veel te beginnen, als boek.’

    Het voordeel van Snijders ironische, afstandelijke stijl is dat je als lezer goed bij de les blijft. Elk moment kan er iets leuks in de tekst staan wat je niet wilt missen. Hij zou het echter beter mogen doseren. Want je krijgt sterk het gevoel dat de verteller het leveren van spitsvondig commentaar eigenlijk belangrijker vindt dan het uitdiepen van het karakter van de hoofdpersoon.Wat strikt gesproken niet hoeft omdat het een novelle is, maar wat het verhaal wel boeiender zou maken. Een gemiste kans.

    Gelukkig valt er veel te genieten van Snijders stilistische kwaliteiten. Hij kan in vaak korte zinnen scherp formuleren: ‘Toch wordt er gespied en worden de posities bepaald.’ Zijn conclusies zijn duidelijk: ‘Het is geen boksen, het is biljarten.’ Met zulke zinnen kan hij personages afdoende typeren: ’Kea Verkooren moet alleen gelaten worden, dat is geen vrouw die een man behoort te hebben. Ze dempt iedere verhouding.’

    Daarnaast valt zijn liefde voor taal op. Nieuwe, door hem vast zelf bedachte woorden als openbaarheidsrazernij, nagelbijtersvraag en caravaneske (over een koelkastje in een oude caravan) zijn natuurlijk pareltjes. Als Jan, vriend van broer Piet, een 2CV te pletter rijdt, lezen we dat hij het gered had met wat schrammen en oppervlakkige kneuzingen. Met zulk idioom weet Snijders de lezer van de novelle te bekoren. In het gebruik van bijvoeglijke naamwoorden is hij beheerst, voor korte zinnen is hij niet bang. De kortste is tevens de kortstmogelijke: 1958. De eerste zin van het verhaal, want er staat een punt achter. Het zet gelijk de toon.

    De novelle kent geen hoofdstukken, alleen alinea’s die nogal verschillen in lengte. Tussen die alinea’s door staan stukken van een zeer uitgebreide brief van broer Piet aan David. Ze zijn cursief gedrukt, wat de structuur van het verhaal ten goede komt. De verteller kan ze in de tussenliggende alinea’s rustig door David laten becommentariëren. Snijders zegt in een van de toegevoegde columns dat hij voor een brief heeft gekozen omdat brieven schrijven gemakkelijk is; het is literatuur zonder vorm.

    Tijdens het lezen krijg je opeens het gevoel dat er aan het verhaal een einde wordt gebreid. Het boek is dan nog lang niet uit, de columns komen nog. De verteller begint te beschrijven hoe het met ieder personage verder is gegaan. Je realiseert je dan dat het een novelle is die natuurlijk niet te lang mag zijn. De vorm regeert plotseling boven de inhoud, wat de hele tijd daarvoor niet het geval leek te zijn. De abruptheid van dit einde wordt gelukkig verzacht doordat de verteller de nieuwsgierigheid van de lezer beloont, zoals dat gebeurt aan het eind van een sprookje. De novelle is echter geen sprookje, niet iedereen leeft nog lang en gelukkig.

    De incunabel is door de eenzijdige aandacht voor het leveren van commentaar niet helemaal geslaagd, maar voor degene die gevoelig is voor goed taalgebruik en natuurlijk voor de Snijdersfans valt er voldoende te genieten.

     

  • Over twee schrijvers die uitstekend kunnen observeren

    Over twee schrijvers die uitstekend kunnen observeren

    Recensie door Coen Peppelenbos

    In de stortvloed aan dierenboekjes van schrijvers die hun goudvis of hamster vereeuwigen of nieuwslezers met kattenverhalen of welke tweede- of derderangsartiest dan ook die twee woorden achter elkaar kan pennen over zijn geliefde huisdier en beloond wordt met een ingebonden boek naast de kassa wil ik graag twee boeken aanprijzen die ik met erg veel genoegen heb gelezen. Ezel, schaap en tureluur van Gerbrand Bakker en De mol en andere dierenzkv’s van A.L. Snijders.

    Twee schrijvers die uitstekend kunnen observeren. Twee schrijvers die korte, goed gecomponeerde stukken kunnen schrijven: Bakker in columnachtige stukken, soms bewerkingen van zijn weblog en Snijders met zeer korte verhalen. Dat beide schrijvers houden van het landleven en allerlei dieren beschrijven en zich niet beperken tot het toevallig aanwezige huisdier (hoewel je daar ook goede literair over kunt schrijven, zoals Koos van Zomeren) maakt hun boeken rijker dan het overgrote deel van de dierenboekjestsunami die de boekwinkels overspoelt. Bij Bakker lees je over geiten, ezels, blaarkoppen, merels en wildzwijnfilet. Dat wildzwijnfilet komt Bakker tegen in een Dagboek van Hans Warren waarin de Zeeuwse schrijver bij de lunch heel kwaad wordt op jagers die een drijfjacht houden bij zijn huis en bij het diner zit te genieten van wildzwijnfilet. Met dat soort hypocriet gedrag moet je niet bij Bakker wezen. Wel voor een ongebreidelde genegenheid voor dieren, of het nu een oude hond is in een café of een jonge gems in Oostenrijk.

    Bij Snijders kom je vooral de dieren rond zijn erf tegen: kippen, hazen, konijnen, herten en de vreselijke ulk. Vierendertig zeer korte verhalen waarvan er dertien eerder zijn verschenen; de rest is nieuw. Het boekje is zoals gewoonlijk bij AFdH voortreffelijk uitgegeven en bevat ook nog een cd waarop de auteur alle zkv’s voorleest (helaas steeds voorafgegaan door wat jazzerigs). Het boek is van tekeningen voorzien door Jan M. Verburg en heeft een voorwoord van Pieter Steinz die ook probeert een zkv te schrijven, maar al snel zijn meerdere moet erkennen in A.L. Snijders.

    Net als bij het vorige boek van Snijders heb ik de neiging om veel te citeren. Dat doe ik maar niet: voordat je het weet, schrijf je het boek over. Liefhebbers kunnen op deze pagina luisteren naar een voorproefje. Daar kun je het boek ook rechtstreeks bestellen. Ik schrijf dat zo nadrukkelijk omdat ik onlangs bij een boekhandel was die de folder van deze uitgeverij zonder pardon in de papierbak deponeerde omdat deze niet aangesloten was bij het Centraal Boekhuis. Bestellen via de uitgeverij vond deze boekhandelaar teveel moeite. Als je de zkv’s dus niet kunt vinden in je boekhandel, ga dan terstond naar een boekhandel waar ze de nieuwe Snijders wel verkopen.

    Wat me in beide boeken aanspreekt, is de authenticiteit van de verhalen: deze schrijvers weten waarover ze het hebben. Daarnaast geniet ik van de verzorgde stijl van Bakker en Snijders. Ten slotte zijn ze allebei lekker recalcitrant. Kopen (ook houdbaar na de Boekenweek)!

     

  • Zeer korte verhalen

    Zeer korte verhalen

    Door Coen Peppelenbos

    Er zijn mensen die nog nooit van de schrijver A.L. Snijders hebben gehoord. Dat ligt aan die mensen. Jarenlang had hij een column in Het Parool en later in regionale dagbladen. Die columns werden uitgegeven door Thomas Rap en zijn de afgelopen jaren nog herdrukt in twee dikke verzamelbundels.
    Maar belangrijker is de publicatie geweest van Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk bij de kleine, maar zeer goede uitgever uit Enschede: AFdH. De bundel is een verzameling ZKV’s, zeer korte verhalen. Verhalen die Snijders per mail rondstuurt aan mensen die uitverkoren zijn. De verhalen kunnen net zo lang als een column zijn, maar ze kunnen ook veel korter uitvallen, zoals deze uit zijn nieuwste bundeling Bordeaux met ijs:

    ‘Telefoon
    Op dinsdag zit ik om 12 uur bij de telefoon. Er gaat iemand bellen om 10 over 12.’

    Wie de columns en ZKV’s van Snijders volgt, krijgt langzamerhand een beeld van de hele mens: zijn ideeën, zijn literaire voorkeuren, zijn stijl, zijn vrouw, zijn vrienden, zijn huis, zijn jeugd, zijn omgeving, zijn vakanties, zijn woede, zijn humor. Hij wordt een beetje familie.

    Een recensie over ZKV’s moet niet langer zijn dan de gemiddelde ZKV. Je hebt de neiging om citaat na citaat te noemen. Een van de mooiste, maar ook gruwelijkste verhalen heet ‘Maaimachine’. De biologische boer die naast Snijders woont, laat zijn veld maaien met vijf cyclomaaiers. ‘Erger dan de metalen overheersing is het lawaai. De ree vlucht, maar haar jong is nog te klein, het heeft een andere bescherming, het drukt zich plat tegen de aarde. De machine maakt er in een seconde tartaar van.’ De moeder komt dagenlang terug. ‘Ze verjaagt kraaien en buizerds, ze drukt haar neus in de aarde, van haar jong is niets over dan herinnering en geur.’
    Alleen al om deze zin zou iedereen het boek moeten kopen. En dan eindigt Snijders Reviaans (‘Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?’) : ‘Hebben dieren verdriet? Dat zou ik willen weten. Niet zomaar van een voorbijganger of een journalist, maar van iemand die gestudeerd heeft.’ Zo’n verhaal zit meteen in je geheugen gegrift.