• Achterkant van de geschiedenis

    Achterkant van de geschiedenis

    Er moest iets vastgelegd worden, iets voor later. Momenten van ontwapening. Dat is wat een kind is, ontwapenend. En lerend, elke dag. Ouders leggen die ontwikkeling vast. Met foto’s, door in schriftjes bij te houden wat ze zeggen, hoe ze zich verhouden tot de ander, zelfstandig zijn. Zelf deed ik dat ook. Op zeker moment krijgen zij die schriftjes in handen, de foto’s te zien. Dat is ook wat je wilt, dat ze lezen hoe ze waren, of beter: hoe ze gezien werden. 

    Felix Oestreicher legde van 1937 tot 1943 de bevindingen van zijn drie dochtertjes vast in brieven aan familie. ‘Beate is een klein diplomaatje. Eerst ruilt ze met mooie praatjes haar step voor een vlaggetje van Helli. Vervolgens biedt ze Maria hetzelfde speelgoed aan voor een tweede vlaggetje en geeft ze Helli een of ander oud emmertje. Na hooguit vijf minuten wil ze de step weer terug. De vlaggetjes heeft ze ondertussen weer teruggegeven.’ Zo eindigt een brief die Oestreicher op Pinksterzondag, 5 juni 1938 schreef. Ze verblijven dan in Bergen aan Zee, gevlucht voor de verordeningen van de nationalistische partij tegen Joden in april van dat jaar. Ze komen vanuit Karlsbad, Tsjechië. Ze zullen nog vijf maal verhuizen, de laatste keer naar Amsterdam. 

    Niets over dreigingen of Jodenvervolging is terug te vinden in die brieven. Al is er een vermoeden van spanningen wanneer een van de meisjes ‘lange huilbuien’ heeft, of een ander ‘heel aanhalig is en kruipt van tijd tot tijd tegen me aan’. Of in zijn laatste brief, van 25 oktober 1943, waarin een afwachten van dingen die komen gaan doorklinkt:
    ‘De tijd verstrijkt met niets. ‘s Ochtends houd ik spreekuur – of wat er althans nog van over is – en geef ik de kinderen les. Afwassen is tijdverdrijf. Daar moeten de meisjes om en om steeds een week mee helpen. Met veel plezier schrobben ze de pannen schoon. Na een middagslaapje is er altijd wel een boodschap te doen met of zonder kinderen en dan is het alweer avond. Na het eten lees ik Gerda voor. Door de nachtdiensten ben ik vaker buitenshuis. Bridgen doen we bijna niet meer, eens in de vier weken.’ Einde brief.

    Op 1 november wordt hij met zijn vrouw Gerda Oestreicher-Laqueur, de kinderen en zijn inwonende moeder Clara naar de Hollandse Schouwburg gebracht. Waar Helly, een van de tweeling, op de ziekenafdeling terechtkomt. Vandaaruit wordt ze naar een onderduikadres in Gorssel gebracht. De rest van het gezin komt via Westerbork in concentratiekamp Bergen-Belsen terecht. Kort na de bevrijding overlijden Felix en Gerda aan tyfus. 

    Middels de nalatenschap van Lisbeth Birman-Oestreicher, zus van Felix, die de meisjes na de oorlog in huis heeft genomen, kwamen in 1989 de brieven in handen van Maria, inmiddels getrouwd met Joop Goudsblom. Een keuze uit die brieven staat in 3lingnieuws. In een brief, die Oestreicher zijn testament noemde en achterin het boek is opgenomen, heeft hij het over de ‘vreemde’ dromen die hij tijdens die jaren had. Dromen waarin het hele gezin zich van het leven beroofde. Of over zijn schoonvader, die hem in 1938 niet met geld wilde helpen om Europa te verlaten. Hoe hem dit stoorde, zich voorstellend, met groot relativerend vermogen, hoe ze misschien ‘wel in de Verenigde Staten terecht [waren] gekomen en nu al lang en breed fatsoenlijk omgekomen bij een auto-ongeluk.’ Dat men hoe dan ook dood gaat, maar liever door een ongeluk dan deze vooropgezette volkerenmoord.   

    In een voorwoord geeft Helly Oestreicher, de enige nog levende van de ‘3lings’, de reden voor uitgave van deze brieven. ‘Dit 3lingnieuws is bedoeld voor mijn kleinkinderen, (…) en voor mijn onderduikzus Annie Hoetink-Braakhekke en haar kinderen en kleinkinderen; evenals voor al diegenen die het leven onder de stolp van de dagelijkse dreigende gevangenneming van drie volwassenen en drie zeer jonge kinderen willen meebeleven.’ 

    Berichten van een vader die met groot genoegen vader was, zeer betrokken bij de opvoeding van zijn kinderen. Genegenheid voor, en verwondering over hen spreekt uit al zijn brieven. Het zijn onderhoudende, vlot lezende brieven. Hoe de kinderen leren lezen, spelletjes spelen, ruzie maken, huilbuien hebben, gedrag van grote mensen kopiëren. Tegen het licht van de Jodenvervolging is het alsof je de achterkant van de geschiedenis leest. Dit prachtig vormgegeven boek, met foto’s gemaakt door de twintig jaar jongere zus van Felix Oestreicher, Maria Austria, is een document van grote waarde.



    3lingnieuws Brieven 1937-1943 / Felix Oestreicher / vertaling Elbert Besaris / 303 blz. / bij M10Boeken


    Inge Meijer is een pseudoniem. Altijd op zoek naar een goed verhaal.

  • Oogst week 6 – 2024

    De kant van Ada

    Binnen afzienbare tijd zal een veroordeelde verkrachter en moordenaar vrij komen. Hoofdpersoon en ik-verteller Ada Storkema piekert in De kant van Ada van Peter Middendorp over de dertien jaar die zijn verstreken voordat de dader, een jonge boer, werd opgepakt. Noodlottige jaren, want de veroordeelde moordenaar is haar man Tille en Ada vraagt zich af of zij mede schuldig is aan de misdaad, of ze deze had kunnen voorkomen.

    De kant van Ada is een vervolg op Jij bent van mij, dat in 2018 verscheen. Daarin maakt Tille Storkema op een nacht een fietstocht en ontmoet het zestienjarige meisje Rosalinde. Hij verkracht en vermoordt haar, de volgende ochtend wordt ze naakt in een weiland gevonden. Tille, totaal buiten verdenking, zwijgt, is gewoon boer en een vader voor zijn kinderen. Ondertussen wordt hij gekweld door herinneringen. Het dorp waarin de familie woont gelooft graag dat de dader uit het asielzoekerscentrum komt. Maar door een dna-onderzoek valt Tille na dertien jaar eindelijk door de mand.

    En nu krijgt Ada het woord. Voorzichtig vertelt ze hoe ze de voorbije jaren heeft beleefd. Bij Tille’s arrestatie besefte ze dat ze het ‘al die tijd had geweten’. Verteerd door schuldgevoel confronteert zij zichzelf keer op keer met de gruwelijke waarheid. ‘Als ik hem gegeven had wat hij wilde, als ik hem had gegeven wat hij nodig had…’ Hoe heeft ze verder geleefd, hoe moet het verder als Tille vrij is?

    Van het boek is ook een toneelvoorstelling gemaakt, momenteel in diverse theaters te zien.

     

    De kant van Ada
    Auteur: Peter Middendorp
    Uitgeverij: De Bezige Bij (2024)

    3lingnieuws 1937-1943

    De Tsjechische en Joods arts Felix Oestreicher (1894-1945) voelt zich door de angstaanjagende politieke ontwikkelingen in april 1938 gedwongen om met vrouw en dochters Karlsbad (nu Karlovi Vary) te verlaten. Ze belanden aan de Nederlandse kust en later in Blaricum en Amsterdam. ‘3lingnieuws 1937-1943’ is een selectie van de brieven die hij schreef aan eveneens voor het fascisme gevluchte familieleden en vrienden.

    Afschriften van de brieven worden in 1989 na de val van de muur door Oestreichers dochters Beate, Maria en Helly gevonden, als ze na het overlijden van hun tante Lisbeth haar huis opruimen. Daar ontdekken ze een map met 196 brieven van hun vader. Een groot aantal daarvan bleken de ‘Drillingsberichte’, brieven die voornamelijk over hen gaan.

    Geboeid en liefdevol beschrijft Oestreicher de ontwikkeling van zijn drie dochters, die nooit van de brieven hadden gehoord. Ze wisten wel dat hun vader schreef, want hij hield een oorlogsdagboek bij in Westerbork en Bergen-Belsen. Dat heeft hij vlak voor zijn dood aan Beate overhandigd en zij gaf het aan Maria, historica. Maar de Drillingsberichte waren een verrassing voor hen. Het eerste 3lingnieuws is van 19 april 1937, het laatste van 25 oktober 1943. Het boek bevat een selectie van 74 brieven uit de map.

     

    3lingnieuws 1937-1943
    Auteur: Felix Oestreicher
    Uitgeverij: M10Boeken

    Bloedzang

    Caro van Thuyne (1970) denkt dat de meeste boeken van schrijvers over hun moeder rouwboeken zijn. Haar Bloedzang is het in zekere zin ook. De moeder van de ik-figuur, het literaire alter ego van Van Thuyne, heeft een herseninfarct gehad en wordt in coma gehouden. Als ze eruit komt is ze gedeeltelijk verlamd en praten kan ze alleen in onbegrijpelijke woorden en zinnen. Voor Van Thuyne is het een nachtmerrie dat haar moeder de taal is verloren. Ze vormde een eenheid met haar moeder, maar dreef door het lezen van literatuur ook van haar vandaan.

    Terwijl ze weet dat woorden immer tekortschieten om een mens volledig recht te kunnen doen, wil ze in een boek haar moeder nabij brengen. De auteur heeft een grote verbeelding en in een zintuigelijke stijl zoekt zij een weg om de moeder-dochterrelatie te beschrijven. Met haar kenmerkende animistische wereldbeeld haalt ze herinneringen op, vertelt anekdotes, kijkt naar foto’s en in spiegels, haalt er sprookjes, mythes en scheppingsverhalen bij. Ze gaat door onmacht, pijn, angst, leven, dood en ziekte.

    De moeder is haar taal verloren, maar Van Thuyne denkt aan het West-Vlaams dialect en schrijft: ‘Maar weet je, m’màtje, dat mijn taal een wildgroei is van de jouwe, dat mijn verbeelding van jouw tong is gerold. (…) Jouw taal is als bloedzang door mijn kinderlijf gegaan’. Met haar eigen bezielde taal bevrijdt ze in Bloedzang haar moeder en daarmee zichzelf.

     

    Bloedzang
    Auteur: Caro van Thuyne
    Uitgeverij: Koppernik (2023)