Op de boekenmarkt in Dordrecht aarzel ik of ik een biografie over Oscar Wilde zal kopen. Ik heb al zo’n veertig boeken van en over hem, maar dit is geschreven door een vriend van Wilde, Frank Harris, wiens autobiografie My life and loves van leugens aan elkaar hangt. Het zou interessant zijn om het boek te vergelijken met de biografie van Ellman en Montgomery Hyde, en… Ik word uit mijn overwegingen opgeschrikt door een man naast me, die me met een blik op het boek vraagt of ik zo’n lezer ben die niets liever doet dan wroeten in het privéleven van auteurs om alle sappige roddels op te diepen. Lezers van biografieën zijn verachtelijke sleutelgatgluurders, zegt hij, die alleen maar naar slaapkamergeheimen en duistere abberaties op zoek zijn. Ze klossen met lompe voeten door het leven van de auteur en vertrappen alles wat ze tegenkomen in hun jacht op sensatie. Ik moet het literaire werk voor zichzelf laten spreken, zegt hij, want daar gaat het om, niet om de dode schrijver ervan, die zich niet meer kan verdedigen tegen leugens en achterklap. Als ik beduusd zeg dat ik juist verdieping en achtergrond informatie zoek om het werk beter te kunnen begrijpen, snuift hij minachtend.
Daar sta ik dan met Wildes biografie in mijn hand. Door die bemoeial voel ik me een voyeur die vanuit de bosjes bij mensen naar binnen loert. Maar heeft hij gelijk? Natuurlijk heb ik genoten van het bizarre verhaal uit de biografie over Robert Graves, die zijn minnares Laura Riding achterna sprong door het raam, vier verdiepingen hoog. Maar heeft dat mijn oordeel over de literaire betekenis van het werk van Graves beinvloed? En had ik zoveel van de gedichten van Slauerhoff kunnen genieten als ik niet had gelezen wat voor een grillige, rusteloze figuur hij was? Misschien had ik de poezie van Sylvia Plath nooit gewaardeerd als ik niet had geweten van haar getormenteerde leven. Deze dichters kwamen dichterbij, werden mensen van vlees en bloed door hun biografie. Ik hou van hun gedichten ondanks en dankzij hun persoonlijkheid, ook al zal ik hen nooit helemaal leren kennen. Maar dat hoeft ook niet, zoals Gerrit Komrij liet zien in een gedicht dat heel goed over een biografie zou kunnen gaan:
Invitatie
Ik lig hier als een hoer tentoon. Je kunt
Me aaien, in me kruipen en bespringen,
Me tot een bal opblazen, tot een punt
Verkleinen, me bewenen of bezingen:
Ik ben je materiaal. Besnuffel me.
Loer in mijn keel, mijn hart, mijn reet, mijn maag.
Vervloek me duizend maal of knuffel me.
Ik vind het best. Ik heb je lief vandaag.
Proef van mijn bloed. Kom sabbel aan mijn tiet.
Geloof volop in mijn bekentenis.
Ik ben er echt. En toch ben ik er niet,
Zoals je wollen trui het schaap niet is.
Ik kijk de man naast me even aan en wend me dan tot de verkoper, om de biografie van Wilde te kopen, met die van Clara Eggink, Mijn leven met J.C. Bloem, er nog bij.
Uit: Boemerang en andere gedichten / Gerrit Komrij (2012)
Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.































































