Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Een reisverhaal in vloeiende dichtregels vol klankrijm

    Een reisverhaal in vloeiende dichtregels vol klankrijm

    H.C. ten Berge (1938) is altijd geïnteresseerd geweest in andere culturen. Hij vertaalde onder andere Japanse noh-spelen, Azteekse poëzie en volksverhalen uit de Eskimo-cultuur. In zijn dichtwerk is het ‘onderweg zijn’ een belangrijk thema. In De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca, dat zich afspeelt in Noord- en Midden-Amerika, worden deze interesse en thematiek met elkaar verenigd.

    De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca is een reisverhaal in dichtvorm. In ‘een script in 45 scènes & een tussenspel’ beschrijft Ten Berge de avonturen van deze Spaanse edelman, alias ‘Koeienkop’ (‘Cabeza de Vaca’), een eretitel met een mythische oorsprong. Deze avonturenvonden plaats in de zestiende eeuw en begonnen met een expeditie naar toen nog onbekend land rond de Golf van Mexico. De expeditie mondde uit in een ware uitputtingsslag die bijna niemand overleefde. Na lange omzwervingen kwam Núñez terug in zijn vaderland waar hij schriftelijk verslag deed aan keizer Karel V. Ten Berge baseert zich op Núñez’ relaas en citeert hier delen uit.

    Het is één lang gedicht

    De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca is dus eigenlijk één lang gedicht. Aan het begin voert Ten Berge  zichzelf als verteller op:

    ‘Op de tuibrug naar Tampa,
     staal en beton dat fraai gelijnd en hemelhoog
     de baai boven ravottende dolfijnen

     in een lange glijvlucht overspant,
     de zon trotseert en de orkaan weerstaat,
     denk ik aan Álvar Núñez Cabeza de Vaca
          die vijf eeuwen her onder Pánfilo de Narváez
          met drie kraken en een brigantijn
          op deze blinkend witte kust verzeilde.’

    Aldus een brug slaand naar het verleden. In het tussenspel keert de dichter terug, letterlijk stappend in de voetsporen van zijn helden. Althans, dat zou hij graag doen: ‘Wat trad ik graag als late nazaat/in hun weggewiste sporen –/ door niets gesteund en zonder liefde/ trok ik er, de angst verkropt, alleen op uit,/ een godvergeten minnaar van extremen.’ Uiteindelijk doet hij dat met het woord. 

    Ingenieus narratief spel

    Ten Berge speelt een ingenieus narratief spel met verschillende perspectieven. Alleen dit al maakt het gedicht bijzonder levendig. Zoals hij zich op Núñez baseert, verwees ook Núñez naar andere bronnen, om de keizer een zo compleet mogelijk verhaal voor te schotelen. Bijvoorbeeld over hoe het afliep met de roekeloze, zelfzuchtige expeditieleider Pánfilo de Narváez, de tegenpool van de verstandige, edelmoedige Núñez:

    ‘[Hernando] vertelde zijn verhaal aan Figueroa,
     die het doorgaf aan Dorantes en Castillo,
     die het overbrachten aan de nobele Álvar Núñez,
     die het later opschreef voor de vrome en gevreesde
        koning-keizer van een wereldrijk
     die men Carlos I in Spanje noemde, maar in Brussel Karel V.’

    De keizer moet Núñez op zijn woord geloven. Bewijsmateriaal is soms verloren gegaan: ‘Ik vroeg hem [een boosaardige kapitein die hij ontmoette] jaar en maand en dag / waarop wij voor het eerst / weer christenen zagen / voor mij op te schrijven / (wat hij toen ook deed). / het papier is later zoekgeraakt.’ Ten Berge legt hiermee extra nadruk op de verbeelding. Niemand weet meer wat er echt is gebeurd. Aan de andere kant heeft de lezer houvast aan talloze tijdsaanduidingen, soms als noot in de kantlijn toegevoegd.

    Huiveringwekkende avonturen

    Núñez’ belevenissen zijn prachtige en vaak huiveringwekkende avonturen. De lezer waant zich in een jongensboek. De titel van het gedicht zegt het al: er is sprake van talloze beproevingen. Ze worden met veel gevoel voor detail opgedist: 

    ‘Klamme hitte. Honger. Dorst.
     De van god gezonden monniken, soldaten,
     officieren hebben koorts of lijden aan kwetsuren.
     De gewonden legt men over paardenruggen
     bij het oversteken van rivieren.
        Er wordt een Arabier gedood, het vlees verdeeld:
        een daad die men alleen bij hoge nood
        met tegenzin herhaalt.’

    De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca staat vol met dit soort aansprekende anekdotes. In de scène ‘Kleine kroniek van Prikkelperenland’ (prikkelperen zijn cactusvijgen) wordt het leven van de Charruco, een volk van woudlopers, met sociologische precisie beschreven. Begrippen worden in de kantlijn verklaard of in de als bijlage opgenomen aantekeningen verduidelijkt. Waarom dit op twee verschillende plaatsen in het boek gebeurt is onduidelijk. Naar de aantekeningen wordt in het gedicht niet verwezen. Soms had er meer verklaard kunnen worden. Want wie weet dat een ‘cacique’ een opperhoofd is?

    Vloeiende regels vol klankrijm

    Uiteraard wordt de moeilijke verhouding tussen de Spaanse overheersers en de diverse indianenstammen beschreven, die gekenmerkt wordt door uitbuiting, wraak en onbegrip: ‘Zoals onwetende veroveraars in angst en vreze leven/ heeft de indiaan geen weet van overzeese volken/ of een wereldrijk dat inlijft en berooft.’ Núñez is in deze geschiedenis de ware adellijke held, die optreedt als heelmeester en streeft naar rechtvaardigheid voor de indianen. Het lijkt daarom rechtvaardig dat hij het overleeft, al is hij voornamelijk ‘een geluksvogel’. 

    Ten Berge schrijft dit alles op in vloeiende regels vol klankrijm. Beeldspraak wordt achterwege gelaten. De verhalen spreken voor zichzelf. Dat maakt dit gedicht tot een makkelijke leeservaring. Heel anders dan je doorgaans bij deze dichter gewend bent. Erg is dit zeker niet. Daarvoor fonkelt dit gedicht meer dan genoeg, waarbij je al lezende vergeet dat het voor een groot deel aan de verbeelding van de dichter is ontsproten.

     

  • Ja, het noodlot, het ongeluk is mooi

    Ja, het noodlot, het ongeluk is mooi

    Halverwege De Tanners zegt hoofdpersoon Simon: ‘Ik ben geen geboren luiwammes, nee, ik ben alleen maar een leegloper omdat verscheidene kantoren en notarissen mij geen werk willen verschaffen omdat ze er geen idee van hebben hoe ik hun tot nut zou kunnen zijn’. Het is één van de gedachten die duidelijk maken hoe Simon van dag tot dag leeft buiten de maatschappelijke orde. Hij is van goede wil, het is de buitenwereld die in zijn ogen vast zit aan werk, geld verdienen en indruk maken: ‘Ik heb geen tijd om bij één en hetzelfde beroep te blijven’.

    De Tanners is de eerste roman van de Zwitserse auteur Robert Walser (1878 – 1956). Hij schreef hem in 1906 als het ware in einem Guß: in zes weken en zonder veel doorhalingen. We volgen de twintigjarige Simon gedurende een jaar op zijn zwerftocht langs baantjes, die hij vervolgens snel weer opzegt of waaruit hij wordt ontslagen, op zijn talrijke wandelingen, zwervend van kamer naar kamer, en onthecht aan bezit. Hij wordt niet in het minst van zijn stuk gebracht door wat anderen van hem vinden.

    De roman is een weefsel van redelijke lange monologues interieurs van Simon en gesprekken met zijn broers en zus en met personages die hij ontmoet, zoals vrouwen voor wie hij vrijwel meteen amoureuze gevoelens koestert – vooral Klara Agappaia blijft je bij. In zekere zin zijn al die gesprekken echter wéér een vorm van een monoloog van Simon. We horen alles gefilterd door zijn geest.

    De Tanners is sterk autobiografisch. Walser kwam uit een armoedig gezin van acht kinderen. Robert zelf is gemakkelijk te herkennen in Simon, drie van zijn broers in de schilder Kaspar, de wetenschapper Klaus en de geesteszieke Emil en zijn zus in Hedwig, die schooljuffrouw is in een dorp. Zelfs de plekken zijn herkenbaar in de vergelijkingen die Simon trekt tussen het platteland en de stad. Het zijn het plaatsje Täuffelen, waar zijn werkelijke zus Lisa een school bestiert, en Zürich waar zijn werkelijke academische broer woont.

    Profetisch

    Hoewel Robert Walser in De Tanners natuurlijk alle vrijheden van de romancier benut, verschaft de kennis van zijn persoonlijke achtergrond een meerwaarde. Bijzonder opvallend zijn de profetische beschrijvingen in de roman. Twee voorbeelden daarvan: ergens reageert Simon aangebrand op een verhaal over zijn jongste broer Emil, die in een psychiatrische inrichting is opgenomen: ‘Ontdekt u aan mij misschien ook zoiets dat in de familie zou kunnen zitten? Moet ik ook in het krankzinnigengesticht belanden? Dat moest ik zonder twijfel als het in de familie zat want ik kom ook uit die familie. Die jongeman is mijn broer’. De auteur van deze regels, zelf de jongste zoon in het gezin Walser, wordt in 1933 (26 jaar nadat de roman verscheen) in een zenuwinrichting in Herisau opgenomen. En nog frappanter is het voorval waarin Simon, bezig aan een lange wandeling, een jongeman met hoed midden op het pad in de sneeuw ziet liggen. Het blijkt Sebastian te zijn, de vriend van Hedwig: ‘Hij was hier ongetwijfeld bevroren, en hij moest hier al enige tijd op dit pad liggen (…) Sebastian moest hier door zware, niet meer te verdragen vermoeidheid zijn ingestort. Erg sterk was hij al nooit geweest (…) Als je hem aankeek kreeg je het gevoel dat hij niet was opgewassen tegen het leven en zijn kille verplichtingen’. Vijftig jaar nadat hij deze zin neerschreef, op Eerste Kerstdag 1956, werd Robert Walser zelf dood gevonden in de sneeuw. Zijn hoed lag vlakbij (de foto ervan is beroemd geworden).

    Natuurmens

    Walser hanteert in De Tanners een aandoenlijk naïeve stijl, een mengsel van filosofische redeneringen en losse spreektaal. Het verhaal is plotloos, bijna een stream of consciousness, vol associatieve gedachtensprongen, maar tegelijk vol ironie. Simon leeft in het moment. Het vergt van de lezer dat hij zijn naar verklaringen zoekende ratio en zijn utiliteitsdenken loslaat. Simon vult weliswaar voortdurend in welke bedoelingen in zijn ogen achter gebeurtenissen en ontmoetingen met mensen zitten, maar legt daarbij vaak onnavolgbare verbanden waarvan we pas ten volle genieten als we onze eigen logica laten varen. Simon leeft van dag tot dag. Zijn tijd wordt niet bepaald door afspraken en agenda’s. Hij is een natuurmens. Vrijwel nergens in de roman worden gesprekken en ontmoetingen gedateerd. Het is lente, het is winter, het sneeuwt, de zon schijnt: dát zijn zijn tijdsaanduidingen.

    Gebeurtenissen krijgen niet altijd het vervolg dat we zouden verwachten. Zo ga je er als lezer van uit dat je nog verneemt wat de uitwerking van de dood van Sebastian op Hedwig zal zijn. Maar niets daarvan. In Simons leven volgt het één eenvoudigweg op het ander. Er is wat er is. Hij is graag ‘afhankelijk van de vriendelijke genade van anderen’, zegt hij. ‘Je moet een specifieke houding aannemen voor deze allermooiste staat van onvrijheid, een gedrag dat tussen brutaliteit en zachte, stille, natuurlijke waakzaamheid in ligt, en ik kan dat uitstekend’. En later: ‘Ongeluk is de ietwat norse maar des te eerlijkere vriend in ons leven (…) Ja, het noodlot, het ongeluk is mooi. Het is goed; want het bevat ook het geluk, zijn tegendeel’.

    Kijkgat

    De glasheldere Nederlandse vertaling is van Machteld Bokhove. Zij verdiept zich al sinds 2006 in Walser en heeft een website aan hem gewijd die belangrijke achtergrondinformatie geeft.

    Het is bovendien weldadig om na lezing van De Tanners nog eens het prachtige essay ter hand te nemen dat W.G. Sebald in zijn Logies in een landhuis opnam over Robert Walser. Volgens hem is Walser ‘van alle alleenstaande schrijvers de meest alleenstaande’ geweest. ‘De dienstmeisjes in Hotel Zum Blauen Kreuz, naar wie hij gluurde door een kijkgat dat hij in de muur van zijn mansardekamer had geboord, de serveersters in Bern, juffrouw Resy Breitbach in het Rijnland (…) allemaal waren ze voor hem, net als de dames met wie hij verlangend dweepte in zijn literaire fantasieën, wezens van een ander planeet’.

    Die eenzame Robert Walser is ook Simon Tanner, hunkerend naar liefde, maar niet bij machte die toe te laten. De lezer die zijn hart voor hem kan openstellen gaat van hem houden.

     

     

  • Van achteren naar voren leven

    Van achteren naar voren leven

    Soms lees je een zin waarbij je het idee krijgt, dat daarin misschien wel een heel boek, een heel oeuvre besloten ligt. Of, liever: dat je vanuit die ene zin opeens alles meent te begrijpen. Voor de een zal dat een andere zin zijn dan voor de ander die het kwartje doet vallen met betrekking tot een bepaald boek, oeuvre of – in dit geval – drie toneelstukken: Leedvermaak (1982), Rijgdraad (1995) en Simon (2001), de zogenaamde Leedvermaak trilogie van de winnaar van de Prijs der Nederlandse Letteren Judith Herzberg.

    Wat zij ten diepste wil zeggen

    In Leedvermaak, dat in 1972 speelt, is het de zwerver Daniel die op driekwart van het stuk zo’n zin uitspreekt: ‘Omdat ik van achteren naar voren leef’. Een zin die doet denken aan het beroemde adagium uit een van de dagboekfragmenten van de Deense filosoof Søren Kierkegaard: ‘Het leven kan slechts achterwaarts begrepen worden, maar moet voorwaarts worden geleefd’. Dat wil volgens kenners zeggen, dat het bestaan nooit helemaal kan worden begrepen.
    Er is echter nóg zo’n soort omschrijving, die Kierkegaard boven de onlangs verschenen Christelijke toespraken zette: ‘Gedachten die van achteren treffen – ter opbouwing’. Dat zou dan weer slaan op het als nieuw horen van een oude tekst.
    In beide citaten zit iets van wat Herzberg vermoedelijk bedoelt, want wat zij ten diepste wil zeggen is, dat iemand die de Tweede Wereldoorlog in de kampen of in de onderduik, of welke crisis dan ook heeft meegemaakt, niet anders kán dan doorleven met die ervaring in het achterhoofd. 

    Elke scene gaat over de oorlog

    Laten we wel wezen, in elk van de drie toneelstukken speelt de oorlog mee, al gaat het an sich niet over de oorlog. In elke scène, elk lied of duet, want er zit muziek bij, gaat het over de oorlog. Soms schrijnend, zoals in Leedvermaak in de scènes over een tram of trein (‘En we gaan nog niet naar huis / nog lange niet nog lange niet’), soms als een klap in je gezicht à la Kierkegaard: ‘Wij wensen u een goede reis’. Het laatste geeft de onnadenkendheid weer die Hannah Arendt de ‘banaliteit van het kwaad’ noemde. 

    In dit eerste toneelstuk worden de hoofdrolspelers tijdens een bruiloftsfeest voorgesteld: Lea, een violiste en haar man Nico, een arts. De ouders van Lea: Simon, een geslaagd zakenman en Ada, een hoedenontwerpster, Zwart, een hoopvol zakenman en vader van Nico, zijn vrouw Duifje, die in een stomerij werkt en Riet, de oorlogsmoeder van Lea die werkzaam is als fabrieksdirecteur. 

    Herinneren in de toekomst

    Het tweede toneelstuk Rijgdraad gaat over herinneren en datgene wat je overkomt. Zwart zegt: ‘Werd ik maar seniel (…). Dan ben je toch van alles af!’ Het is dezelfde die zegt dat de oorlog doodnormaal is ‘voor wie het meemaakt. Doodnormaal!’ Het is een andere toon dan in Leedvermaak, er is een zekere dubbelzinnigheid voor in de plaats gekomen. Neem Pien, een naoorlogse vrouw en van origine niet-joods, die haar zeven kinderen in een bolderkar zet. Zij beginnen te huilen en te schreeuwen. ‘Stuk voor stuk’, zegt ze, ‘het gevoel dat ze niet genoeg plaats hebben’. Lea zou het ‘associaties’ noemen. Dat zei ze tenminste toen iemand viel over het woord ‘weghalen’ van een baby: ‘Het woord alleen al!’
    De humor is in dit stuk minder beladen. Zoals diezelfde Lea, die als ze een zoontje zou krijgen, hem Isaac wil noemen, maar dat wil Dory óók al. Tot Lea’s vader uitlegt dat dit komt omdat Dory’s vader Isaac heet, waarop Lea zegt: ‘Ik wou het alleen maar vanwege Isaac Stern’, naar de beroemde violist.           

    Ada zegt als vervolg op de hiervoor genoemde zin van Daniel in Leedvermaak: ‘Mijn herinneringen slaan op de toekomst. Ik herinner me alles wat nog gaat gebeuren’, zoals het feit dat ze ‘gewoon [is] gestorven doordat [ze] een versleten hartklep had’. Hoewel Lea haar toch als een oorlogsslachtoffer wil bestempelen en haar het zwijgen over de oorlog verwijt. 

    ‘I didn’t mention de oorlog, did I?’

    Het surreële neemt in het laatste stuk van de trilogie, Simon, toe. Ada hangt aan een kledingrek met wintermantels, een boekenkast is dan kast dan weer een foto van een kast, Simon laat alles uit zijn handen vallen, wat op het toneel eerst een slapstick en daarna beklemmend moet overkomen; eten als dieren van de grond. ‘I didn’t mention de oorlog, did I?’ zegt Hans, een ex-leraar en zakenman even verderop. Maar toch. Je voelt het, je ziet de beelden op je netvlies. 

    Ook als de trilogie ten gevolge van de corona-crisis niet zou kunnen worden opgevoerd. Want dat was de bedoeling: voor het eerst, in zijn geheel in een marathonvoorstelling door Het Nationale Theater en Asko|Schönberg in de regie van Eric de Vroedt, waarbij Simon überhaupt voor het eerst op de planken zou worden gebracht.
    Wanneer het gespeeld wordt, zal duidelijk worden dat het niet primair over de oorlog gaat, maar over een ‘gewone’ familie die moeizame relaties onderhoudt tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog. Dat zou nu, anno 2020, weer twintig jaar later, net zo goed de corona-crisis kunnen zijn die alles op scherp zet. In huis, waar de hele familie aanwezig is, inclusief huilende en schreeuwende kinderen, inclusief het soms wegkijken en niet-begrijpen van de ernst van de zaak. Zo actueel is deze trilogie, die relaties tegen de achtergrond van een crisis schijnbaar terloops en op luchtige toon ten tonele voert. Ook als zij niet kan worden opgevoerd, rest deze fraaie, complete uitgave. 

     

  • Een mysterieuze Schotse lerares

    Een mysterieuze Schotse lerares

    Is het geoorloofd een literair werk te beoordelen op de sympathie of juist antipathie die de personages oproepen? Vraag een doorsnee lezer naar zijn oordeel over een boek, en vaak zal die als argument aanvoeren dat hij of zij zich zo goed kon inleven in de personages, of er net een hekel aan had. Toch zijn de meest beklijvende personages uit de wereldliteratuur geen onkreukbare helden of doortrapte slechteriken, maar moreel dubbelzinnige mensen van vlees en bloed die juist opvallen door hun kwetsbaarheid en hoegenaamd niet onfeilbaar zijn.

    Zo ook juffrouw Brodie, de protagoniste uit De beste jaren van juffrouw Brodie uit 1961, dat vaak wordt genoemd als het beste boek van Muriel Spark (1918-2006). De licht excentrieke Schotse schrijfster bracht de Tweede Wereldoorlog door in Zimbabwe en keerde na een mislukt huwelijk terug naar Groot-Brittannië, waar ze debuteerde. Eind jaren 60 zou ze naar Italië verhuizen om daar te blijven tot haar overlijden.

    Vreemde lerares

    Met die juffrouw Brodie, een lerares aan de Marcia Blaine School in Edinburgh die op handen wordt gedragen door haar leerlingen, de ‘Brodie-meisjes’, is iets vreemds aan de hand. Nu eens roept ze sympathie op met haar non-comformistische levenshouding en onderkoelde tongue-in-cheekhumor, dan weer stelt ze het humeur van de lezer danig op de proef met haar bij momenten onuitstaanbare gedrag en dubieuze standpunten en uitspraken. Zo kan Jean Brodie af en toe charmerend overkomen, bijvoorbeeld door haar reactie op een poster met de slogan ‘Veiligheid voor alles’: Maar veiligheid komt helemaal niet voor alles. Het Goede, de Waarheid en Schoonheid komen voor alles.’

    Twijfelachterig wordt het wanneer ze haar manipulatieve aard laat zien (‘Geef mij een meisje op een leeftijd waarop ze nog gevormd kan worden en ze is de mijne voor het leven!’), maar ze verspeelt vooral veel goodwill met haar onomwonden fascistische sympathieën. Het boek speelt in de jaren dertig, en Brodie noemt bijvoorbeeld Mussolini ‘een van de grootste leiders ter wereld’, kiest de kant van Franco in de Spaanse burgeroorlog en bestaat het zelfs om na de Tweede Wereldoorlog aan een oud-leerlinge te zeggen dat ‘Hitler wel wat ondeugend was geweest’, alsof het om een belhamel ging. In het conflict met schooldirectrice Mackay zouden die fascistische ideeën haar uiteindelijk haar baan kosten, al bleef juffrouw Brodie ervan overtuigd dat dat maar een voorwendsel was en dat vooral haar onconventionele opvoedingsmethoden het lerarenkorps een doorn in het oog was.

    Volwassen worden tijdens interbellum

    Kortom, Jean Brodie is een mysterieus personage dat de lezer in opperste verwarring kan achterlaten, nu eens inspirerend, dan weer irritant aanmatigend (‘Wanneer jullie kindertjes maar eens naar me wilden luisteren, zou ik de crème de la crème van je maken’). Toch gaat dit boek niet alleen over haar. De Brodie-meisjes spelen een even belangrijke rol en illustreren eigenlijk in welk klimaat meisjes volwassen werden tijdens het interbellum. De beste jaren van juffrouw Brodie dateert van 1961, dus in feite van vlak voor de opkomst van de jeugdcultuur, de popmuziek en de seksuele bevrijding. Voor de Brodie-meisjes was die tijd nog ver weg, zij groeien in deze coming-of-ageroman nog op met zeer dominante rolpatronen en krampachtige ideeën over seksualiteit, wat aan leiding geeft tot veel zenuwachtig gegiechel over ‘geslachtelijke gemeenschap’ in dit boek, of aandoenlijke scènes waarin twee jongedames het hebben over een beeld van een Griekse god ‘met niks aan’ of enkele schoolmeisjes op onkuise gedachten worden gebracht door de op en neer bewegende naald van een naaimachine.

    Met het eindoordeel over dit grillige en raadselachtige boek kun je alle kanten op. Gelukkig is er ook nog Sparks lichtvoetige humor, die de roman op smaak brengt: Het scheikundelokaal rook afwisselend naar de Kanonspoort van de winterse wandeling met juffrouw Brodie, naar de bunsenbranders en naar de zoete herfstrook die van de eerste verbrande bladeren naar binnen dreef. Hier, in het scheikundelokaal – dat nadrukkelijk niet laboratorium mocht worden genoemd – heetten de lessen ‘proeven’, wat iedereen het gevoel gaf dat zelfs juffrouw Lockhart niet wist wat eruit zou komen en dat tussen hun aankomst en hun vertrek in het lokaal alles zou kunnen gebeuren en dat de school in de lucht zou kunnen vliegen.’

     

     

  • Het autobiografische debuut van George Orwell

    Het autobiografische debuut van George Orwell

    In het nawoord van Aan de grond in Londen en Parijs van de Engelse schrijver George Orwell, zegt vertaler Arie Storm, dat hij zich schuldig voelt. Lange tijd heeft hij het werk van Orwell niet op waarde geschat. Orwell was wel een bekende schrijver, maar niet een heel goede, dacht hij. Dat bleek een vooroordeel, want hij kwam erachter dat Orwell een geweldig oog voor detail had. 

    George Orwell (1903-1950) is het pseudoniem van Eric Arthur Blair en was een Brits schrijver, journalist, essayist en literair criticus. Hij stierf aan TBC toen hij slechts 47 jaar was en heeft nauwelijks genoten van zijn roem. Op vijfentwintigjarige leeftijd verhuisde hij naar Parijs waar hij wilde schrijven. Hij schreef wel, maar werd niet gepubliceerd en raakte financieel aan de grond. Hij was genoodzaakt van zeer weinig geld te leven, het is deze periode in zijn leven die uitgroeide tot een literair project over mensen die leven aan de zelfkant. Het dagboek dat hij eerst in Parijs en daarna in Londen bijhield werd de basis voor zijn autobiografische debuut: Down and Out in Paris and London. 

    Met Orwell de kroeg in 

    Orwell schrijft alsof hij je toespreekt, alsof je aan een tafeltje in een bruin café zit te luisteren naar zijn anekdotes en ervaringen. In korte hoofdstukken schetst hij zijn ervaringen met diepe armoede en verweeft die met de misère van zwervers die hij op straat leert kennen. Zijn stijl is nauwgezet, zonder zelfbeklag en met onderkoelde humor. Hij heeft honger, het is koud, de wandluizen in zijn huurkamer zijn ondraaglijk en hij beleent zijn kleding bij de lommerd zodat er brood en tabak gekocht kan worden. Het constante sprokkelen van geld en verdelen van een dagrantsoen aan centimes of franken nemen een belangrijk deel van de verhalen in. Tot hij met Boris, een Russische kameraad optrekt en na vele vergeefse pogingen een baantje krijgt in het chique Hotel X en plongeur wordt, oftewel bordenwasser. De smerigheid in de keuken, de werkdruk en lange uren beschrijft hij met veel gevoel voor drama al vergaat je de lust om ooit nog een stap in een duur restaurant te zetten.

    ‘ … het is een feitelijke uitspraak wanneer je zegt dat een Franse kok in de soep spuugt – dat wil zeggen, als hij die niet zelf gaat nuttigen. (…) Wanneer bijvoorbeeld een biefstuk aan de chef-kok ter inspectie wordt getoond, steekt hij daar geen vork in. Hij pakt hem op met zijn vingers en met een klapje legt hij hem weer neer, laat zijn duim door de maaltijd gaan en likt die om de jus te proeven, stopt hem er weer in en likt er weer aan, doet dan een stap naar achteren en aanschouwt het stuk vlees zoals een kunstenaar een schilderij beoordeelt, duwt het dan liefdevol op zijn plek met zijn dikke, roze vingers, aan elk ervan heeft hij honderd keer die ochtend gelikt.’ 

    Of deze tegenwoordig nog steeds niet ondenkbare omgang met eten: ‘Een gast bestelt bijvoorbeeld een stuk toast. Iemand, hard aan het werk in een kelder diep onder de grond, moet die maken. Hoe kan hij zijn werk onderbreken en tegen zichzelf zeggen: “Deze toast moet worden opgegeten…  ik moet ervoor zorgen dat hij eetbaar is.” Voor zover hij weet moet die er goed uitzien en binnen drie minuten klaar zijn. Enkele forse zweetdruppels vallen van zijn voorhoofd op de toast. Waarom zou hij zich daar druk om maken? Meteen daarna valt de toast op het vuile zaagsel op de vloer. Waarom de moeite nemen om een nieuw stuk te maken? Het is veel sneller om het zaagsel eraf te vegen. Het stuk toast valt op weg naar boven nogmaals, met de met boter besmeerde kant naar beneden. Een beetje afvegen volstaat.’

    Vooroordelen jegens landloperij

    Na Parijs keert Orwell terug naar Londen. Er is hem een baantje in het vooruitzicht gesteld, dat op het laatste moment toch niet doorgaat. Noodgedwongen leeft hij een maand op straat en deelt het lot van dakloze zwervers. In de UK mogen zwervers niet op straat overnachten, ze kunnen naar een slaaphuis van het Leger des Heils, de kerk of andere liefdadigheidsinstellingen van meestal rijke mensen. Voor een paar shilling krijgen ze een bed met smerige lakens, stinkende dekens en een ‘blok hout’ of hun eigen schoenen als hoofdkussen. Het ontbijt bestaat uit een kop thee en twee sneetjes brood met margarine. Erbarmelijke omstandigheden, waarin Orwell wordt geconfronteerd met vooroordelen van de maatschappij jegens bedelarij en landloperij. 

    In de laatste hoofdstukken geeft hij nog enkele goedbedoelde tips: ‘Laat de zwervers in de moestuin bij de slaaphuizen werken dan verbouwen ze tenminste hun eigen eten, in plaats van werkloos en lijdzaam van slaaphuis naar slaaphuis te sjokken.’

    Tegen de verdrukking in

    Orwell heeft geleefd als een zwerver en geroken aan de armoedementaliteit. Deze ervaringen vormden de basis van zijn oeuvre. ‘Hij dompelde zich bewust onder in de wereld van de verdrukten – de mensen zonder werk, bezit of status,’ aldus Arie Storm, die Orwells werk heeft bestudeerd. In dit debuut ligt de kiem van zijn beroemdste boek 1984 waarin eenlingen als Winston Smith worstelen met waakzame autoriteiten en stuk voor stuk de strijd verliezen, of geven die op.
    Orwells ervaringen in Aan de grond in Parijs en Londen vonden bijna honderd jaar geleden plaats. Dat zijn aanklacht tegen het systeem van toen nog steeds geldt, is een schrijnende constatering en daarmee is deze nieuwe vertaling actueler dan ooit.

     

     

  • Meedrijven op de woordenstroom van De Feyter

    Meedrijven op de woordenstroom van De Feyter

    Moya De Feyter (1993) is een Belgisch dichter en schrijver. Ze studeerde theaterwetenschappen en debuteerde in 2018 met de dichtbundel Tot iemand eindelijk, daarbij verschenen haar gedichten ook in diverse literaire tijdschriften. Ze won in 2017 de poëziewedstrijd van de universiteit van Antwerpen en bereikte tweemaal de finale van Write now!, een schrijfwedstrijd voor jong talent. Met het theatergezelschap Zuidpool gaf ze aan haar laatste bundel Massastrandingen ook zelf gestalte op het toneel, samen met vijf andere spelers. 

    Die vijf spelers komen overeen met de vijf verhaallijnen die in de bundel te ontdekken zijn en die aangegeven worden door het consequente gebruik van verschillende lettertypes en typografische kenmerken: donkergrijze balken over de regels, doorhalingen van woorden, inspringen in de marge, kleine en grote letters. Sommige bladzijdes zien eruit alsof de bundel in de modder heeft gelegen. Dat past bij de titel: ‘Massastrandingen’ doet allereerst denken aan walvissen die op het strand geworpen zijn. Maar ook brengt dat het thema ‘vastlopen’ in gedachten, gestrand zijn, niet verder kunnen. 

    Pop in sinaasappelboom

    De eerste verhaallijn staat in een schreefloze letter en gaat over een dode pop die in een sinaasappelboom hangt. Niemand weet wat daarmee moet gebeuren, maar heeft er wel een mening over: ‘er staan nu zeven mensen rond de sinaasappelboom / de pop is duidelijk dood’. Pas in het allerlaatste gedicht zal er iemand een oplossing aandragen die op zijn zachtst gezegd nogal verrassend is.
    In cursief grijs beschrijven de gedichten van de tweede verhaallijn de spanning in een gezin  voordat er een grote een overstroming plaatsvindt. Ieder lid van het gezin is uitsluitend met zichzelf bezig en niemand ziet de zondvloed aankomen voor het te laat is: ‘de eerste druppels hadden ze nochtans aangenaam gevonden. een gezellig getik op koud glas’.

    Een derde verhaallijn is een dialoog tussen twee personen, waarbij de sprekers naast elkaar worden gezet in hun eigen letterkleur, maar beide sprekers lijken deel uit te maken van één enkele persoonlijkheid, waarbij de tweede stem die van de nuchtere realiteit is: ‘hier is nog nooit iemand geweest / ik toch’. Zij geven beiden commentaar op de gebeurtenissen. In de vierde verhaallijn zijn de gedichten lichtgrijs gehouden: zij gaan over de grootmoeder en haar veroudering. Het zijn liefdevolle, humoristische gedichten, die het meest de realiteit benaderen. 

    Spoorzoeken langs verhaallijnen

    De vijfde lijn bevat een verzameling losse gedachten, invallen en kernachtige spreuken. Deze vijf lijnen zijn echter niet altijd even duidelijk van elkaar te onderscheiden. Gedichten uit deze vijf lijnen staan als losse fragmenten op elke bladzijde afgedrukt. Je zou deze bundel dus op verschillende manieren kunnen lezen: of je leest bladzijde voor bladzijde de verschillende gedichten achter elkaar, of je volgt het spoor van één enkele verhaallijn door de hele bundel.
    Spoorzoeken wordt het sowieso, want veel van de gedichten lijken associatief te zijn ontstaan vanuit de fantasie van de dichter, waardoor het lastig wordt een verhalende lijn vast te houden. In de bonte verzameling van gedichten moet de lezer zelf zijn weg zoeken: patronen ontdekken, verbanden leggen en structuren aanbrengen. Dat wordt wat bemoeilijkt doordat er heel veel gedichten in deze experimentele bundel staan: 111 dichtbedrukte pagina’s zijn opmerkelijk veel voor een bundel. Een index ontbreekt, maar het zou ook ondoenlijk zijn om de gedichten daarin onder te brengen.

    De zee en al wat daarin leeft vormt een thema en een bron van inspiratie voor De Feyter: walvissen, dolfijnen, haaien, kwallen, zeesterren en plankton bevolken de gedichten. Onder water kan het leven mooi zijn, als je een walvis bent, maar de zee vormt een bedreiging voor het leven daar buiten: ‘oh en als je thuiskomt, zal je vader er niet zijn / hij werd door een walvis opgeslokt’. 

    Wonderlijk geheel

    Er staan rampen te gebeuren, maar er is niemand die een besluit neemt: de gezinsleden gaan ieder in zichzelf op en hebben nauwelijks in de gaten dat er een vloedgolf aankomt; niemand doet iets aan de dode pop die in de sinaasappelboom hangt en ieders aandacht trekt; de veroudering van de grootmoeder gaat onvermijdelijk verder. De dialoog tussen de twee sprekers levert hierop commentaar als het koor in een Grieks drama uit de oudheid:‘we sluiten onze ogen want we weten dat het daar in het leven vaak op neerkomt / je ogen sluiten, hopen dat er in tussentijd / iets verandert’

    Het valt niet mee alle stemmen uit deze bundel met elkaar in verband te brengen, maar ook zonder een verband leveren de gedichten samen een wonderlijk geheel op. Als je meedrijft op de woordenstroom van De Feyter, wordt allengs duidelijk dat alles met elkaar te maken heeft. De gedichten over de grootmoeder zijn de meest traditionele van vorm en inhoud:

    als je dood bent heeft het geen zin om mooie kleren te dragen

    ‘de moeder van mijn moeder slaapt met haar bril op haar buik
     ik staar onafgebroken naar de pootjes
     wanneer de avond valt, gaan ze nog altijd op en neer

     de volgende ochtend deppen we haar droge lippen
     drinken en eten hoeft niet meer, zegt de dokter’

    De losse gedachten en invallen zijn niet altijd even sterk en soms doen ze zich voor als tegeltjeswijsheden of tekst op een poster van Loesje: ‘als je met je voorhoofd de grond raakt, kun je niet meer vallen’. Daarentegen zijn de hallucinerende beelden die De Feyter gebruikt doordringend en verontrustend. Een intrigerende bundel die veel vragen opwerpt, de antwoorden zal de lezer zelf moeten zien te vinden.

     

  • Herinneringen van een kunstliefhebber

    Herinneringen van een kunstliefhebber

    Toen K. Schippers in 1995 de P.C. Hooftprijs kreeg stond in het juryrapport: ‘Schippers demonstreert door de jaren heen een oorspronkelijke manier van kijken. Het verrassende van zijn essayistiek is, dat hij door zijn omcirkelende wijze van schrijven de lezer verleidt tot zijn blik’. Dat omcirkelende proza is ook te vinden in Schippers laatste bundel Andermans wegen. Het zijn deels beschrijvingen van de wijze waarop hij films (met name van Billy Wilder), beeldende kunst, muziek en gedichten beleeft. En deels zijn het anekdotische herinneringen aan schrijvers, dichters en kunstenaars als Jan Roeland die niet in één categorie te vangen zijn. Zelfs met omcirkelend proza niet.

    Gefascineerd door kunst

    Schippers is altijd gefascineerd geweest door kunst waarin de kijker, luisteraar of lezer op het verkeerde been wordt gezet. Hij haalt herinneringen op aan Jan Hanlo die dat deed. Of haalt Stanley Brown aan, die aan passanten de weg vroeg naar de straat waar hij al stond. Thom Mercuur, Hans Faverey, Jan Roeland deden het ieder op hun eigen manier. En dat gold ook voor Hans Scholze, René Knip, J.J.Schoonhoven, Annaleen Louwes, György Ligeti om er nog een paar te noemen over wie Schippers anekdotes vertelt in Andermans wegen.

    De anekdotes zijn de moeite waard en zijn bewondering voor de beschreven personen is oprecht. Maar Schippers is zó gericht op wat zij aan kunst produceren dat de mens die zij ook zijn, nauwelijks contouren krijgt. Hij beschrijft hoe zij zich willen laten zien. Toch is het evident dat Schippers probeert wat dieper te graven. Het duidelijkst is dat het geval in de hoofdstukken die gaan over Hans Faverey en zijn vroege overlijden in 1990, hij is dan zesenvijftig jaar. Het hoofdstuk ‘De toetssteen’ dat gaat over de maanden voorafgaand aan Faverey’s dood begint als volgt:

    ’10 oktober 1989.
    E en ik bij Hans. 5 uur. Hans legt het uit.
    Roken, drinken, geen primaire kanker op lever.
    Indien…protest. Een vrouw was ook genezen.
    Vraag aan Lela, later, “speelt hij clavecimbel?”
    Nee, nu niet. Ze zal bellen.’

    Zo gaat het 8 pagina’s door tot eindelijk:

    ‘8.7.90
    Rob A., Erica, Bianca.
    Duitsland – Engel
    ½ 9 u. Lela – Hans ¼ over 4 gestorven.
    R.A.E. en ik erheen – regenjas – lange stappen-
    Hans in pak; sokken;
    donker overhemd.
    Egyptische koning.
    Kaars, boekje; gele roos –‘

    Dagboekaantekeningen

    De bedoeling is duidelijk: via kleine dagboekaantekeningen het stervensproces van Faverey schetsen. Maar de gebruikte steekwoorden roepen alleen voor Schippers zelf een levendige herinnering op aan die momenten, de gemiddelde lezer zal er geen touw aan kunnen vast knopen. Zeker niet als hem onbekend is dat Lela (Zeckovic) Faverey’s Joegoslavische echtgenote was naar wie hij als jonge man jarenlang elke zomervakantie heen reisde tot zij eindelijk mee kwam naar Amsterdam. Het is jammer dat Schippers ervoor gekozen heeft deze aantekeningen niet uit te werken tot begrijpelijke herinneringen. Is het gemakzucht? Dat gevoel ontstaat wel bij het al even onbegrijpelijk begin van het hoofdstuk ‘Zoek’ over de schilder Kees Nieuwenhuijzen.

    ‘Van een schaker kun je een partij naspelen. In een huis kun je wonen en dan maak je de ruimte die het heeft gediend dagelijks mee. Muziek, gedichten, bloedworst met appelschijfjes, een Haagse voetstap van Marianne Hilarides of een schijnbeweging uit de zeventiende eeuw, bewaard op een stilleven met een haring, een vlinder en gepelde druiven. Het is helder in de buurt en zo vult het je bestaan.’
    ‘Gooi maar in mijn pet,’ zal menig lezer geneigd zijn uit te roepen. Maar bij K. Schippers weet je het nooit: misschien was dat wel zijn bedoeling.

     

     

     

  • Libanese galgenhumor

    Libanese galgenhumor

    Mazen Maarouf (1978) werd in de Libanese hoofdstad Beiroet geboren. Zijn ouders waren Palestijnse vluchtelingen die van de regen in de drop terechtkwamen: Maaroufs jeugd speelde zich af tegen de achtergrond van de Libanese burgeroorlog (1975-1990), die naar schatting een kwart miljoen mensenlevens kostte. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat oorlogsgeweld altijd aanwezig is in dit boek, zij het op een ongebruikelijke manier. Het wordt namelijk op een haast achteloze manier vermeld, in de woorden van een kind dat er letterlijk mee is opgegroeid en blijkbaar nooit iets anders heeft gekend: ‘We hoorden van tijd tot tijd geweerschoten buiten, maar daar waren we net zo aan gewend als aan het toeteren van voorbijkomende auto’s.’

    De ik-figuur in het verhaal waar deze bundel naar werd genoemd en meteen ook het langste in dit boek – loopt elke dag met zijn tweelingbroertje naar school in een Beiroet dat vergeven is van rivaliserende milities. Zijn vader heeft een wasserij en wordt regelmatig in elkaar geslagen en vernederd door militieleden. Om de gewelddadige realiteit op afstand te houden, vlucht hij in zijn kinderlijke fantasiewereld. Poëzie en diepe ellende liggen in dit boek dan ook zeer dicht bij elkaar. Het verhaal is stevig gekruid met morbide galgenhumor. Zo is er een passage waarin het hoofdpersonage overweegt om zijn broertje te verkopen:
    Ik had er mijn hoop op gevestigd dat de schutters liefhebbers van orgaanvlees waren, want ik zag mijn dove broertje als profijtelijke handelswaar.’

    Humor is een geducht verdedigingswapen in dit boek: wie erin slaagt om een militielid te amuseren met een goede grap, hoeft zich even geen zorgen te maken. Al neemt dat niet weg dat totale willekeur ook een einde aan je leven kan maken: wie op het verkeerde moment op de verkeerde plaats is, kan zomaar worden getroffen door een verdwaalde mortiergranaat.

    De andere verhalen die na ‘Grappen voor de schutters‘ volgen, zijn veel korter en van wisselende kwaliteit. Zo blijkt hier weer dat het korte verhaal een zeer veeleisend literair genre is, want terwijl een vuistdikke roman niet meteen ten onder gaat aan een minder geslaagde passage, kan een schrijver het zich echt niet permitteren om steken te laten vallen als hij voor de korte baan kiest en zich op een stuk of vijf bladzijden moet bewijzen. Sommige verhalen in deze bundel komen dan ook niet helemaal van de grond of zijn eigenlijk maar probeersels.

    Een uitschieter is ‘De grammofoon, waarin de vader van de ik-figuur aan de kost komt door in een ondergronds café een mechanische grammofoon aan te zwengelen. Beiroet wordt immers voortdurend geplaagd door elektriciteitspannes. Plichtsbewust volbrengt de vader zijn taak: ‘Soms draaide mijn vader wat langzamer omdat hij moe werd, en soms verloor hij zijn concentratie, omdat er dicht in de buurt een granaat viel, en draaide hij sneller, waardoor het lied werd vervormd.’
    Als de bar door een bom wordt getroffen, wordt de vader levend vanonder het puin gehaald. De armen waarmee hij de grammofoon bediende, moeten geamputeerd worden. Het weinige wat gewone mensen nog hebben in de oorlog, de kleine dingen waar ze zich aan vastklampen, verliezen ze vaak nog.

    Soms gaat Maarouf volledig de absurde toer op, zoals in ‘Biscuit’, een verhaal waarin een oude man auto’s ‘in biscuit verandert’. Dat is even amusant, maar volstaat niet om een verhaal te redden dat verder niet veel om het lijf heeft. Zo merk je dat deze schrijver eigenlijk nog wat aan het zoeken is en deze bundel misschien te vroeg heeft gepubliceerd: hij heeft veel in zijn mars, maar zijn beste werk moet duidelijk nog komen. Naar verluidt is Maarouf aan een roman aan het werken. Misschien kunnen we deze weliswaar niet helemaal geslaagde, maar toch veelbelovende verhalenbundel met een paar sterke momenten als een voorproefje beschouwen.

     

     

  • Alle vrouwen zullen vleugels hebben

    Alle vrouwen zullen vleugels hebben

    Het circus is een magische plek, waar de werkelijkheid even wordt opgeschort voor een show die je transporteert naar een wereld waar alles mogelijk is. Voor Angela Carter, de auteur van Circusnachten is niets onmogelijk, ook een vrouw met vleugels niet. In de extravagante wereld van Carter staat alles op zijn kop. De vertaling van Leonoor Broeder brengt dit eigenzinnige werk van een gevierde schrijver naar ons taalgebied. Circusnachten draait om de enigmatische Fere. Deze trapezekunstenaar is de ster van het circus van kolonel Kearney, dat begint aan een transcontinentale tour met in het kielzog de journalist Jack Walser. In rijk proza wordt een wervelend verhaal verteld.

    Onorthodoxe heldin

    Het eerste hoofdstuk begint met de journalist Walser die Fere interviewt over haar leven. We horen hoe Fere bekend is geworden en over haar peetmoeder Lizzie. Naar eigen zeggen is ze uit een ei gekomen en op een dag wordt ze achtergelaten voor een bordeel in Londen van ene Ma Nelson,  een vrouw die in admiraalskostuum gekleed gaat. Opgevoed door prostituees en onder de hoede van Ma Nelson, is Fere een mascotte voor het huis. In deze ‘’volmaakt vrouwelijke wereld’’ komen op zekere dag haar vleugels door. Ze leert ze te gebruiken en onderneemt met hulp van Lizzie al snel haar eerste vlucht.

    Na een kort verblijf in het rariteitenkabinet van de duivelse Madame Shreck sluit Fere zich aan bij een circus. Daar wordt ze wereldberoemd, meer door haar exotische vleugels dan door haar talent. In eerste instantie is Walser licht cynisch en niet geneigd om dit fantastische verhaal te geloven. Maar gaandeweg raakt ook hij onder de betovering van Fere. Walser wil meer weten van deze wonderlijke vrouw en besluit haar te volgen. Hij sluit zich aan bij het circus dat bestaat uit een kleurrijke verzameling individuen. Walser is aanvankelijk in deze wereld een toeschouwer. Hij wordt door de whisky drinkende kolonel Kearney uit Kentucky, de baas van het circus, bij de clowns ingedeeld. Een vernederend en gevaarlijk bestaan waar hij achter komt als hij slachtoffer wordt van een aantal bizarre incidenten. 

    Gevleugelde victorie

    De actie speelt zich af tegen die achtergronden namelijk Londen, Sint-Petersburg en Siberië. In een bonte stoet trekt het circus van kolonel Kearney door drie continenten om voor keizers op te treden. Waar het eerste hoofdstuk over het verleden van Fere gaat, richt het tweede zich op Walser. In Sint-Petersburg beschrijft hij zijn indrukken van de stad en de andere leden van het circus. Door hun interactie leren Fere en Walser elkaar steeds beter kennen, en ontdekt Walser kanten van zichzelf die volledig onvermoed waren. Zo wordt hij op een haar na opgegeten door een tijger terwijl hij iemand probeert te beschermen en wordt hij als kip gebruikt in het laatste avondmaal-nummer van de clowns. 

    In Sint-Petersburg volgt een serie doldwaze avonturen. Fere wordt gesaboteerd tijdens een repetitie, de clowns beginnen een chaotische knokpartij. En tijdens het optreden verliest de Grote Buffo zijn verstand en probeert Walser te vermoorden. Er moet tevens een tijger afgeschoten worden. Fere moet de avond redden met haar optreden. Na het optreden in Sint-Petersburg trekt het circus dan ook in een flink verminderde bezetting door naar Siberië. Onderweg worden de rails echter opgeblazen door bandieten die iedereen behalve Walser ontvoeren. Het laatste deel van het verhaal speelt zich af in Siberië, waar Walser en Fere met elkaar herenigd worden, deze keer op haar voorwaarden. Walser moet gered worden door Fere, een omkering van het traditionele sprookje, wat typisch is voor Carter die onder andere een feministische bewerking van klassieke sprookjes heeft geschreven: The bloody chamber.

    De roman speelt rond het einde van de negentiende eeuw, een tijd vol verwachting. De nieuwe eeuw moet ingeluid worden door personen als Fere. Zij is de manifestatie van de nieuwe eeuw, zo roept ze zelf uit: ‘’Nog eenmaal zal de oude wereld om haar as draaien en dan zal de nieuwe dageraad dagen, dan, ah, dan! Dan zullen alle vrouwen vleugels hebben net als ik.’’ Fere is dus de echte heldin van het boek, een overvloedige vrouw die scheten laat, gulzig eet en een stem heeft ‘’galmend als de alt of zelfs de bariton van een vuilnisemmer.’’ Fere is tegelijk symbool en vrijgevochten individu. En door haar stipt Carter de vraag aan wat het betekent vrouw te zijn, en bekeken te worden.

    Vrouwelijke mythes

    De vorm van Circusnachten is die van een klassieke schelmenroman, de stijl is groots en meeslepend. En passant schiet Carter als een komeet door de hele literaire geschiedenis, ze haalt de hele (mannelijke) canon erbij. Maar ze geeft haar eigen interpretatie aan deze literaire giganten. Ze worden geherinterpreteerd in de vrouwelijke mythologie rond Fere. Zo is er een prominente plek ingeruimd voor de mythe van Leda en de zwaan, waarvan een schilderij hangt in het bordeel van Ma Nelson. 

    Carter schrijft op een volstrekt originele manier met een barok taalgebruik. Ze maakt rijkelijk gebruik van metaforen en subtiele woordspelingen. De humor is een rode draad door het hele boek. Net als de vraag naar de echtheid van de vleugels van Fere. Het is een complex verhaal, er gebeurt erg veel en soms wordt er veel gevraagd van de lezer. Al is het alleen maar om mee te gaan in de meer dan fantastische plotwendingen en de onmogelijkheden van het verhaal. Tijdens de ontsporing van de trein bijvoorbeeld verdwijnen de tijgers in de scherven van een spiegel. Een beeld wat doet denken aan de tijgers van William Blake. Maar voor wie door de ironische stijlvorm heen prikt wacht een wereld als geen ander.

    Walser vraagt zich in het begin van het boek af in hoeverre de mythe rond Fere werkelijkheid is. Het zou goed kunnen dat Fere Walser op sommige punten heeft weten te bedriegen. Carter maakt zich ook vrolijk over de verwarring van de lezer. Ze weet de hele chaos als een spreekstalmeester te dirigeren tot een bevredigend einde. Het eindigt niet met een knal, maar met de uitbundige lach van Fere: ‘’De wervelende tornado van Fere’s lach plantte zich voort over de gehele aarde, alsof het een spontane reactie was op de gigantische komedie die zich daar zonder ophouden afspeelde.’’

    Angela Carter viert Met Circusnachten de triomf van de verbeelding en geeft hiermee het genre van het magisch realisme een nieuwe impuls. 

  • Een ode aan de taal

    Een ode aan de taal

    Het boek Tractatus Logico-Philosphicus van filosoof Ludwig Wittgenstein uit 1921 staat bekend als onbegrijpelijk. Hetzelfde kan worden gezegd over de roman Wittgensteins minnares, geschreven door de Amerikaanse auteur David Markson (1927-2010), in 1988 verschenen en nu pas vertaald naar het Nederlands door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes. Lieke Marsman schreef een nawoord waarin ze de inhoud van de roman met de filosofie van Wittgenstein vergelijkt. 

    In Wittgensteins minnares is hoofdpersoon Kate de enige overgebleven mens in de wereld, of althans, dat gelooft ze zelf. Ze woont op een strand en bij gebrek aan anderen om mee te spreken tikt ze alles waar ze aan denkt op een typmachine. Ze is kunstenares en in haar gedachten komen verschillende prominente denkers, schrijvers en schilders langs. Kate weet echter niet zeker of de feiten die ze opschrijft kloppen en verbetert zichzelf regelmatig, soms pagina’s later nog. Deze onzekerheid komt de hele roman lang terug:
    ‘Het is moeilijk voor te stellen dat de bewoners van twee zulke naburige huizen allebei daadwerkelijk geld zouden uitgeven voor hetzelfde boek over honkbal.
    Aan de andere kant, als er een exemplaar van Wuthering Heights in beide huizen had gestaan, is het misschien twijfelachtig of ik zou hebben gespeculeerd dat er in beide huizen mensen woonden die Emily Brontë kenden.’

    Plotloos verhaal

    Wittgensteins minnares heeft geen plot, al is dat geen gemis. De gedachten van Kate zijn de eerste pagina’s namelijk al boeiend, maar daarna nestelen ze zich in je hoofd en kun je niet anders dan je eraan overgeven. Bij een ik-perspectief plaatst een schrijver een lezer heel dicht bij de hoofdpersoon, Markson trekt dit zo ver door dat de lezer Kate wórdt. Wanneer zij een reeks namen van filosofen of kunstenaars noemt, verdwijnt dit effect even en maakt het plaats voor de vraag wie die mensen zijn, waarvan je die namen ook alweer kent, maar Kate zorgt ervoor dat je nooit te lang afgeleid blijft. De misschien werkelijke, misschien verzonnen bespiegelingen worden afgewisseld met humor, bijvoorbeeld wanneer Kate vertelt dat ze met haar auto in het water belandde:  

    ‘Toch begreep ik dat het in deze omstandigheden verstandig zou zijn om het portier te openen en de auto te verlaten.
    Ik kon mijn deur niet open krijgen.
    Ik zat trouwens de hele tijd op het dak van de auto.
    Ik bedoel op de binnenkant van het dak natuurlijk. Met de rubberen automat die boven op me was gevallen.
    Ik weet niet meer in wat voor auto ik reed.
    Nou ja, je kon het hoe dan ook op dat moment amper nog rijden noemen.’

    Ode aan de taal

    Juist in de meer eenvoudige zinnen in het boek, zonder intertekstualiteit of dubbele laag, is deze schrijfstijl het sterkst:
    ‘Toch maakte het hele voorval me doodsbang.
    Ik besef dat ik net heb gezegd dat ik helemaal niet bang was.
    Feitelijk ging het zo dat ik pas bang werd toen het voorbij was.’

    Hier rijst geen vraag op over waarheid of leugens of over de mentale gesteldheid van Kate, haar kwetsbaarheid is oprecht. Aan de andere kant illustreert dit citaat Kates obsessie om wat ze vertelt, góéd te vertellen. Ze zoekt secuur naar de juiste woorden, typt die en bedenkt daarna dat het beter kan, en zichzelf weer verbetert. Juist dat precieze zorgt ervoor dat Wittgensteins minnares geen gimmick wordt, integendeel, het zegt meer over het personage Kate dan alles wat ze zelf vertelt. Dat maakt dat dit boek een ode aan de (on)mogelijkheden van taal is.

    Namen als reddingsboeien

    Kate vergelijkt zichzelf regelmatig met Helena van Troje. Ze benoemt onjuistheden in de Griekse mythologie en legt aspecten bloot die volgens haar vooral zijn toegevoegd om er een beter verhaal van te maken. Het gevaar dreigt dat Wittgensteins minnares te erudiet wordt voor de gemiddelde lezer, zeker doordat er veel namen van filosofen, kunstenaars en schrijvers langskomen. Kate noemt de namen echter niet omdat ze met haar kennis wil pronken, de namen functioneren namelijk als reddingsboeien. Dat past prima bij het personage dat op de universiteit vooral aandacht besteedde aan de niet-verplichte academische literatuur.

    Door de vele intertekstualiteit, de niet-betrouwbare hoofdpersoon en het ontbreken van een klassieke vertelstructuur is het lezen van deze roman een uitdaging. Doorzetten wordt gelukkig beloond: Wittgensteins minnares is hypnotiserend geschreven. Het ik-perspectief wordt hier maximaal benut. Lieke Marsman geeft in het interessante en enthousiaste nawoord handvatten om het verhaal op waarde te schatten. Het is een wereldprestatie dat Markson ruim tweehonderd pagina’s aan feiten zo betoverend heeft kunnen beschrijven, het is even knap dat de vertalers erin zijn geslaagd om Wittgensteins minnares zo vloeiend naar het Nederlands te vertalen.

     

  • Het verzwegen oorlogsverhaal van zijn grootvader in Leningrad

    Het verzwegen oorlogsverhaal van zijn grootvader in Leningrad

    David Benioff, scriptschrijver van onder meer ‘Games of Thrones’ en de Kite Runner, schreef een verhaal gebaseerd op het leven van zijn grootvader dat zich laat lezen als een coming-of-age-roman. Stad der dieven werd al in 2009 vertaald door Sandra van de Ven en gepubliceerd bij Signatuur. De roman kreeg toen niet de aandacht die het verdiende, wat mede kwam doordat tegelijkertijd de tweede roman van de bekendere auteur Carlos Ruiz Zafón uitkwam. Reden voor uitgeverij Meridiaan dit boek opnieuw uit te geven. Stad der dieven is het verhaal van de grootvader van David Benioff. De jonge Lev Benioff vermoorde voor zijn zeventiende een Duitser en was daardoor voor de rest van zijn leven gepokt en gemazeld.

    Een anti-oorlogsverhaal dat de gruwelijkheden van de kapotgeschoten stad Leningrad, Piter in de volksmond geheten, laat zien.  Ook zou je het een liefdesverhaal kunnen noemen. Het zal je maar gebeuren dat je aan het front, tussen lijken en krijgsgevangen de liefde van je leven ontmoet. Uiteindelijk gaat deze roman over de vriendschap tussen twee tegengestelde karakters, Lev en Kolja. Lev, bangelijk, bedachtzaam, naïef en een groot schaker. Kolja is een onverschrokken blaaskaak met een uitzinnige seksuele drift en ambieert het schrijverschap.

    Grootvader in het woord

    In het eerste hoofdstuk vertelt David Benioff over het saaie leven dat hij zelf leidt. Dan gaat hij op bezoek bij zijn Russische grootouders in Florida. Hij wil het lang verzwegen oorlogsverhaal van zijn grootvader (Lev Benioff) in Leningrad boven tafel krijgen. Vanaf het dan volgende hoofdstuk laat Benioff zijn grootvader aan het woord. De oude Lev praat vele cassettebandjes vol over zijn jeugd in Leningrad, waarin er steeds weer die specifieke vijf dagen in 1942 opduiken, toen hij erop uitgestuurd werd een dozijn eieren voor de kolonel te vinden. De kou, honger en dreigende aanwezigheid van de Nazi’s geven een realistisch beeld van het beleg van Leningrad. Verschillende gemoedstoestanden als honger en humor, wreedheid en tederheid wisselen elkaar zo vloeiend af dat je geboeid blijft lezen. De beschrijvingen van grootvaders verhaal zijn zeer beeldend, als een filmscript.

    Vriendschap

    Op een ijzige avond na spertijd ziet de dan zeventienjarige Lev Benioff hoe een Duitse parachutist uit de lucht valt. De man is doodgevroren en Lev neemt hem zijn mes af. Hij wordt door de politie betrapt en opgesloten in een kerker in de ‘Kruisen’. Hij deelt de nacht met de kozak, Kolja, deserteur en vrouwenversierder. Kolja is twintig en heeft een onverschrokkenheid die Lev de adem beneemt. ‘Kolja was een opschepper, een betweter en een pestkop van een kozak, maar zijn zelfvertrouwen was zo zuiver en volledig, dat het niet eens echt arrogantie was. Maar eerder een kenmerk van een man die heeft aanvaard dat hij is voorbestemd om een held te worden.’ De jongens zijn tot elkaar veroordeeld en worden door een wonder van het lot de volgende ochtend niet geëxecuteerd maar naar een kolonel gebracht wiens dochter de week daarop gaat trouwen. Er moet een bruidstaart komen. In ruil voor hun leven en twee voedselbonnen vraagt hij de jongens binnen vijf dagen terug te komen met een dozijn eieren. Een onmogelijke opdracht in een stad waar geen levende kip te vinden is.

    Reeks rampen

    De verschrikkingen van hun tocht vat Lev mooi samen: ‘De dagen hadden zich aaneengeregen tot een verwarrende reeks rampen wat ‘s ochtends nog onmogelijk leek, was ‘s avonds de brute waarheid. Duitse lijken vielen uit de lucht, kannibalen verkochten op de Hooimarkt worstjes van gemalen mensenvlees. Appartementencomplexen stortten in, honden veranderden in bommen, bevroren soldaten veranderden in wegwijzers, een partizaan met nog maar een half gezicht bleef wankelend in de sneeuw staan en staarde met droeve ogen naar zijn moordenaars. Ik had niet genoeg voedsel in mijn maag, vet op mijn botten of energie in mijn lijf om over die stoet van gruwelijkheden na te denken. Ik bleef gewoon de ene voet voor de andere zetten, hopend dat ik voor mezelf een snee brood en voor de dochter van de kolonel een dozijn eieren zou vinden.’  

    De avonturen die Lev en Kolja tijdens hun uitputtende voettocht beleven zijn boeiend en subliem beschreven. Na herlezing van het eerste hoofdstuk wordt opeens duidelijk waarom Davids grootmoeder nooit kookt, de deuren niet afsluit en waar haar krachtige taalgebruik tijdens haar colleges Russische poëzie vandaan komt.
    De roman is gebaseerd op feiten, maar veel is fictief of sterk overdreven – als de schrijver tegen zijn grootvader zegt: ‘Er zijn een paar dingen die voor mijn gevoel nog steeds niet helemaal kloppen …’, antwoordt zijn grootvader: ‘David, jij bent de schrijver, bedenk zelf maar wat.’ 

     

     

  • Lessen in onzichtbaarheid

    Lessen in onzichtbaarheid

    Stel je een jonge Sri Lankaan voor: klein van stuk, dromerige blik, coupe soleil, die zich door de straten van Sydney begeeft met een draagbare stofzuiger op de rug. Dit is de hoofdpersoon uit Gratie, het nieuwe boek van de Indo-Australische schrijver Aravind Adiga, winnaar van de Booker Prize 2008 met De witte tijger. Dhananjaya Rajaratnam of Danny, zoals de jonge man zich in Australië noemt, is illegaal. Hij werkt als schoonmaker en leeft zoveel mogelijk onder de radar. Om dit vol te houden werkt hij zorgvuldig aan een nieuwe, Australische versie van zichzelf. ‘Al voordat Danny naar Australië kwam, oefende hij zich in het Australiëschap. Helemaal in Batticaloa al. Voor de spiegel. Hij vertraagde zijn V’s. Hij beet op zijn onderlip als hij volleybal zei.’ Want klinken als een Aussie, zo redeneert Danny, dat ‘maakt een Aussie tot een Aussie.’ 

    Moreel dilemma

    Een tijdlang lukt het Danny om onzichtbaar te blijven, totdat een voormalige klant van hem wordt vermoord en hij denkt te weten wie de dader is. Vertelt hij de politie van zijn vermoedens – met alle gevolgen van dien – of houdt hij zijn mond? 

    In een verteltijd die slechts één dag beslaat, worstelt Danny met dit morele dilemma. De vermoorde klant is Radja en de vermoedelijke dader haar geheime minnaar Prakash. Door flashbacks wordt de benauwende verstandhouding die Danny met dit koppel had uit de doeken gedaan. Wanneer Danny op de dag van de moord, in een opwelling Prakash belt en gelijk ophangt, begint de ellende. Onmiddellijk belt Prakash terug. ‘Fabelachtige Schoonmaker,’ begint hij, ‘wat leuk dat ik uitgerekend vandaag wat van je hoor.’ Hierna volgt een reeks dreigtelefoontjes die het hele boek voortduren. In een poging om ervoor te zorgen dat Danny zijn mond houdt, zet Prakash Danny’s illegale status in als chantagemiddel en het is dit gegeven waar het boek om draait.

    Felbegeerde status

    De gemiddelde autochtone Australiër staat bepaald niet open voor nieuwkomers, legaal dan wel illegaal. Danny doet zijn best de meest chauvinistische types te vermijden. ‘De drie mannen waren wit. Niet het soort mannen dat je op zaterdag soms in Sydney zag – een en al Arische eiwitten, klef, onder de tattoos en vol opgeblazen praatjes over het Australische leger en Gallipoli en over hoe rijk hun ras was en hoe armoedig alle andere rassen, bottige lijven die in hun botheid uit waren op botsingen met lijven die niet wit waren.’ Danny moet oppassen niet verraden te worden. In het speciaal voor illegalen opgerichte Villawood wil je niet belanden, getuige een krantenbericht: ‘Weer heeft een illegale immigrant die in het detentiecentrum Villawood in Sydney op uitzetting wachtte de hand aan zichzelf geslagen (…) Onofficiële rapporten melden dat dit de 698ste zelfmoordpoging dit jaar is onder de naar schatting 3500 bewoners van het centrum.’ 

    Er is echter één groep die er bij Danny nog slechter vanaf komt dan de autochtone Australiër en dat is de legale immigrant, de immigrant met de felbegeerde status van permanente staatsburger. Deze groep is het moeilijkst te ontlopen: ‘Niks eenvoudiger dan onzichtbaar worden voor witte mensen, die je toch al niet zien; maar het moeilijkste is onzichtbaar worden voor bruine mensen die je altijd zien.’ Dit zijn mensen als Prakash. Of Tommo, Danny’s Griekse huisbaas die hem uitbuit door een royaal deel van zijn schoonmaakinkomsten in beslag te nemen in ruil voor zijn stilzwijgen. ‘Immigratie!’ buldert hij lachend als Danny een poging doet zich uit zijn grip te bevrijden; het is bewonderenswaardig dat Danny zijn zelfbeheersing bewaart en zelf geen moord pleegt. Thuis in Sri Lanka zijn ze, blijkt later, niet veel beter: Danny kwam oorspronkelijk legaal op een studievisum Australië binnen om te ontdekken dat hij in zijn thuisland is opgelicht door een malafide ‘university scheme.’ Ironisch genoeg was zijn kans op een verblijfsstatus veel groter geweest als hij Australië illegaal was binnengekomen, en dat ligt aan  ‘dat wonderbaarlijke ding, dat onvergankelijke fenomeen, het blondste dier van Australië: hun Wetgeving.’ 

    Geëngageerde pageturner

    Gratie is de moeite waard voor de lezer die meer te weten wil komen over de strenge en soms harde Australische samenleving bezien door de ogen van een ongewenste vreemdeling. Wie echter mooie beelden of stilistisch vernuft verwacht, komt bedrogen uit. De vertelling is vaak wankel en aanvankelijk is de toon onduidelijk: licht of ernstig, absurdistisch of realistisch. En dan de dreigtelefoontjes van Prakash: te veel en te vaak, duidelijk bedoeld om spanning te creëren. Ook kleine ongeloofwaardigheden storen, zoals de snelheid waarmee Danny schoonmaakt: om 08:57 komt hij zijn eerste adres binnen en nog geen twintig minuten later hijst hij zijn stofzuiger alweer op zijn rug om de ‘schoongemaakte flat’ te verlaten. Iets te fabelachtig, om maar te zwijgen over de stofzuiger op zijn rug, die van iemand die ondergronds wil blijven toch een opvallende verschijning maakt. 

    Toch weet het verhaal te raken, vooral Danny’s vurige wens een bestaan op te bouwen onder de constante dreiging van verraad. Hij probeert zijn trauma’s achter zich te laten. Regelmatig wrijft hij over het litteken op zijn onderarm, een pijnlijke herinnering aan de wreedheden in zijn thuisland, waar hij door de autoriteiten werd aangezien voor Tamiltijger. Mooi beschreven is de poging van Danny om zich de taal eigen te maken, te spreken met ‘lange, lome Australische klinkers’; hoe hard hij er ook op oefent, het lukt hem niet zijn eigenheid weg te poetsen. ‘Twee jaar lang had Danny hard gewerkt aan zijn accent, maar die aparte spreekwijze had hij nooit afgeleerd. ‘Suikervrij betekent: geen suiker, ja? Melodische tautologieën waren hem aangeboren. Binnen zijn accent (niet Australisch maar neutraal) school een beestje uit een andere taal, en nu, na twee jaar in dit land, liet hij dat maar eens spinnen.’ Adiga schreef met Gratie een actuele, geëngageerde roman die leest als een spannende pageturner.