Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Recensie door: Rosalien Koster

    Recensie door: Rosalien Koster

    Wie nog steeds denkt dat strips uitsluitend voor kinderen bedoeld zijn, heeft het mis. De graphic novel, oftewel de striproman, herinnert in niets aan de strips van weleer. De strip van nu is uitgegroeid tot volwaardige literatuur. Dit bewijst ook Jummie! Het ware leven van een adoptieprinses van Pam Emmerik, waarin we het verhaal lezen van de door seks geobsedeerde puber Marita.

    Net als elke andere tiener worstelt Marita met typische puberproblemen: pukkels, een vervelend jonger broertje en een moeder die niets van haar lijkt te begrijpen. Maar anders dan het leven van de gemiddelde tiener is het leven van Marita niet bepaald zorgeloos te noemen. Vastklampend aan de gedachte dat ze eigenlijk een geadopteerde prinses is, weet ze zichzelf echter staande te houden in een leven dat gekenmerkt wordt door seks, geweld en de dood.

    Bewust van de zwaarte van haar leven lijkt Marita zelf niet te zijn. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, vertelt ze in geuren en kleuren over de liefdeloze seks die ze  met haar beste vriend Joseph heeft. Dat ze in werkelijkheid doodsbang voor hem is, laat ze zich pas later ontglippen. Maar dan nog weet Marita de schijn op te houden dat het allemaal één grote grap is en we het vooral niet serieus moeten nemen.

    Het is deze argeloosheid van Marita en haar cynische blik op alles wat ze meemaakt dat zorgt dat het verhaal bladzijde na bladzijde steeds dieper onder de huid nestelt. Er is geen ontkomen aan: de lezer wordt bij zijn strot gegrepen en meegezogen in de bizarre wereld van Marita. Zonder gene fantaseert ze over seks met het hoofd van de school, een priester die het in zijn vrije tijd met jongentjes houdt. En even gemakkelijk doet ze op luchtige toon verslag van de wilde seks die ze heeft met vreemde jongens die ze oppikt in de plaatselijke koffietent.

    Maar het is niet alleen Marita’s verhaal dat indrukt maakt. De schrijfster, en tevens beeldend kunstenaar, heeft met grote verbeeldingskracht de tekeningen naadloos laten aansluiten bij de belevingswereld van Marita. De simplistische, kinderlijke zwart-wit tekeningen, die lijken op wat elke puber tijdens een saaie les in zijn agenda kladt, laten een ogenschijnlijke vrolijkheid zien die past bij een meisje van veertien. Maar verhullen daarnaast ook in eerste instantie treffend wat de roman werkelijk is: een rauw relaas van een getroebleerde jongere.

    Toch is de roman niet alleen een tranentrekkend verhaal van een jong meisje dat de weg kwijt is en geen idee heeft wat ze met haar leven aan moet. Want zielig is Marita niet: haar grote dosis zelfspot en de rake typeringen van de mensen om haar heen, laten zien dat zij uiteindelijk wel door heeft hoe het leven in elkaar zit. Maar zoals elke puber is ze ook nog steeds kind en nog niet in staat om weloverwogen haar leven in te richten zoals zij dat wil.

    Maar ook dat komt goed. Net zoals het goed gekomen is met de schrijfster. Want met de bijzondere combinatie tussen beeld en verhaal, laat Emmerik zien dat ze een groot talent is. En dat Jummie! Het ware leven van een adoptieprinses meer is dan alleen een stripverhaal. Het is literatuur zoals literatuur bedoeld is. Vervreemdend, prikkelend en overdonderend waarbij niet duidelijk is wat nu een geoorloofde reactie is: huilen of lachen.

    Jummie! Het ware leven van een adoptieprinses

    Auteur: Pam Emmerik
    Verschenen bij: UItgeverij Nijgh en Van Ditmar
    Prijs: € 24,95

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    IJzersterke thriller met echte mensen

    Het laatste boek van Stewart O’Nan met de wat curieuze titel Laatste avond in de Lobster vroeg om meer van deze schrijver te lezen. Zijn debuutroman Sneeuwengelen kent een soortgelijke ambiance: het is kersttijd, de periode om cadeautjes voor elkaar te kopen en buiten sneeuwt het, maar tegelijk bevinden we ons in een heel andere wereld; niet in die van een lobster restaurant in de staat New York, maar in de omgeving van Pittsburg, waar een jonge vrouw met een pistool om het leven wordt gebracht. De persoon wiens oren dat horen heet Arthur Parkinson, een weerspannige middelbare scholier, die met zijn fanfareorkest oefent voor een optreden in de pauze van een footballwedstrijd. Het meisje, Annie, is ooit oppas bij hen geweest in de tijd dat zijn ouders nog samen waren.

    Door het verhaal in stukjes en beetjes terug te vertellen, weet O’Nan spanning op te bouwen en vast te houden.

    Er komt veel menselijk leed in het boek voor. Vriend Glenn is door Annie buiten de deur gezet omdat hij zich weinig verantwoordelijk voelde voor de opvoeding van hun driejarige dochtertje Tara. Hij woont weer bij zijn ouders en kan het moeilijk verkroppen dat Annie een andere jongen heeft ‘opgeduikeld’, die overigens net zo min verantwoordelijkheid voor het kleine meisje op zich neemt.

    Het zijn ongunstige persoonlijke omstandigheden, die tenslotte tot de dood van Annie leiden. De lezer, die daarover in het eerste hoofdstuk is ingelicht, wordt door O’Nan bij de lurven gegrepen, overdonderd met sterke dialogen en rake typeringen zoals van Annie met haar driftbuien en Arthur met zijn softdruggebruik, gedetailleerde beschrijvingen zoals van banen van licht die een lege kamer verdelen of van Annie die voor de spiegel staat en zich na haar werk opmaakt voor een etentje met haar vroegere vriend Glenn.

    ‘Ze klemt een elastiek tussen haar tanden en trekt het haar met beide handen naar achteren, maar daarna laat ze het alle kanten op vallen. Glenn houdt ervan als ze het lang draagt.’

    De onzekerheid van Annie over een mogelijk vervolg van de relatie wordt door haar eenzame moeder aangewakkerd.

    Een mooie bijrol is weggelegd voor zus Astrid, die in Europa verblijft en door de telefoon haar broer Arthur trans-Atlantisch commentaar geeft op de weinig actieve rol die hij in het gezin vervult, hetgeen hem later door de psychiater uit zijn hoofd wordt gepraat.

    Ook de manier waarop het evangelische geloof wordt beschreven, waar Glenn zich in zijn wanhoop aan vast probeert te houden nadat alles hem naar zijn idee is afgenomen, is zeer overtuigend.

    De scènes en de perspectieven wisselen elkaar in snel tempo af, waardoor het idee ontstaat dat je naar een film zit te kijken. Die is inderdaad uitgebracht in 2007 en in Nederland als dvd in 2008. De kijker zal daarin een prachtig beeld zien waarin Glenn in de sneeuw een engel uitbeeldt en dat ik verkozen zou hebben boven de huidige omslag.

    Het beeld dat overblijft nadat de kruitdamp is opgetrokken, is dat van een puberale jongeman die het allemaal niet zo goed weet en die noch de dood van Tara en Annie, noch de diepe kloof tussen zijn ouders weet te plaatsen. Adembenemend zoals O’Nan ons dat overbrengt.

    Sneeuwengelen

    Auteur: Stewart O’Nan
    Vertaald door: Paul van der Lecq
    Verschenen bij: uitgeverij Cossee
    Prijs: € 19,90

  • Recensie door: Carolien Lohmeijer

    Recensie door: Carolien Lohmeijer

    In de boekhandel ligt de verhalenbundel Tien in de etalages met een sticker erop: Boeken om cadeau te doen.
    Dat is een goede typering voor Tien. Als je het gelezen hebt, wil je het delen en erover praten. In Tien vertelt Andrej Longo tien verhalen aan de hand van de tien geboden. De verhalen spelen allemaal in Napels, en gaan over de greep van de camorra op het leven van zowel de criminele als de gewone Napolitaan. Onderhuidse spanning en botte agressie, het is allemaal aan de orde van de dag.

    Het eerste verhaal gaat over de jongen Papilù die een avondje wil gaan dansen met zijn vriendinnetje. Hij is altijd op zijn hoede:

    Ik leer, ik breng ’s middags koffie rond voor een bar en ik probeer met niemand problemen te krijgen, vooral niet met die gasten die voor Gigino de Nachtbraker werken, die het in alle stegen van de buurt voor het zeggen heeft, en die ze de Nachtbraker noemen omdat hij het liefst ’s nachts leeft. Ze dragen Gigino de Nachtbraker op handen, alsof ie God zelf is, want via hem verdienen ze hun centen, op wat voor manier dan ook. De een dealt, de ander verstopt ‘t spul of de wapens, en weer een ander verkoopt neppe merkspullen of krijgt een baantje in de bouw of bij een schoonmaakbedrijf. Als het even kan, vraag ik niks aan Gigino de Nachtbraker, nu niet en nooit niet, want als je er eenmaal inzit ben je de lul en heb je niks meer over je eigen leven te zeggen. Dan neemt hij de beslissingen in plaats van jij, dan zegt hij wat je wel of niet moet doen, en als je niet gehoorzaamt krijg je gegarandeerd een kogel in je kop. Want zo gaat dat hier.’

    De toon is gezet.

    Dit verhaal maakt je deelgenoot van de slinkse werkwijzen van de georganiseerde misdaad en doen je inzien hoe geraffineerd die misbruik maakt van goede voornemens of gebrek aan persoonlijkheid. Je blijft achter met een gevoel van desillusie. Hoe naïef ben je altijd geweest?

    Andrej Longo baseerde de verhalen op krantenberichten. Ze zijn sober en zonder opsmuk geschreven, en geven inzicht in een rauwe, alledaagse werkelijkheid van het leven in Napels. Tegelijkertijd zijn ze ook warm en gevoelig en tonen ook de sterke kanten van de mens.

    Hoofdpersonen zijn gewone mensen in min of meer gewone situaties, een vader die met zijn zoontje naar de kermis gaat, een bruid vlak vóór het trouwen, een echtpaar dat elkaar treft, een stelletje rotjongens dat rotzooi gaat trappen. Maar als snel geeft Longo een draai aan het verhaal waardoor blijkt dat die hoofdpersonen slachtoffer zijn van agressie, drugs, intimidatie, verkrachting of moord. Soms zijn zij zelf de daders. In dat geval doen ze gevoelloos en stoer. Maar dat is aan de buitenkant. Binnenin zit toch een geweten. Het is weliswaar niet altijd sterker dan hun daden maar brengt hen soms in ernstige verwarring. De slachtoffers zijn sterker. Het meisje dat door haar vader verkracht is onderneemt stappen, de bruid weerstaat de bruidegom en de neergestoken oude man toont fysieke en mentale kracht.

    Dit bundeltje met tien verhalen heb je zó uit. Maar het laat je nooit meer los.

    Andrej Longo kent Napels goed. Hij groeide er op. Voor Tien ontving hij diverse Italiaanse literaire prijzen.

     

    Tien

    Auteur: Andrej Longo
    Vertaald door: Pietha de Voogd en Mieke Geuzebroek
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Gennep
    Prijs: € 9,90

  • Recensie door: Karel Wasch

    Recensie door: Karel Wasch

    Na het overdonderende succes van Jonathan Livingston Seagull volgden er een groot aantal – min of meer- new age boeken van Richard Bach (1937). Hij is fervent vlieger maar wierp zich ook op als een pleitbezorger van dehypnose, een soort neurolinguistisch deprogrammeren, hier te lande bekend geworden door Emile Ratelband.

    Of dat aardige boeken oplevert is maar de vraag. Bach kan zeker schrijven. Dat bewijst hij in het eerste deel van dit boek, waarin ene Maria Ochoa in een vliegtuigje zit met haar man achter de stuurknuppel. De man lijkt dood. Hij is in ieder geval buiten bewustzijn. Ze moet nu proberen de kist in de lucht te houden en tot overmaat van ramp ergens te gaan landen. Ze heeft enig benul van vliegen omdat ze haar man heeft gadegeslagen, verder weet ze er weinig van af. Via de radio zoekt ze contact met andere luchtreizigers en komt ze in aanraking met Jamie Forbes, een vlieginstructeur, die naast haar gaat vliegen. De Cessna blijft in de lucht door de aanwijzingen van Forbes, maar vooral omdat hij ervan uitgaat dat je meer kunt dan je denkt. De vrouw roept steeds ‘ik kan niet vliegen’, maar Forbes wuift alle bezwaren weg en praat rustig, maar vastberaden op de vrouw in. Uiteindelijk weet ze het vliegtuig veilig aan de grond te zetten. Forbes heeft inmiddels de autoriteiten ingeschakeld en gezorgd dat er op het vliegveld van het Amerikaanse Cheyenne in Nebraska, brandweer en ambulance klaar staan, die Maria en haar man opvangen. Hij is gelukkig niet dood, maar wel bewusteloos, hij zal later herstellen. Forbes verdwijnt na de geslaagde landing in zijn vliegtuigje uit beeld.

    De volgende dag leest hij in de krant,wat Maria aan verslaggevers heeft gezegd: ‘Ik had nooit op eigen kracht kunnen landen, maar de man in het andere vliegtuig zei dat ik het kon. Ik zweer bij God dat hij me heeft gehypnotiseerd, gewoon terwijl ik in de lucht was. “Doe alsof U de gezagvoerder van een verkeersvliegtuig bent.” Dat heb ik gedaan omdat ik niet kan vliegen. Maar toen ik wakker werd, was het vliegtuig veilig geland.’

    Vanaf dat moment kantelt het verhaal, we verlaten Maria en worden de rest van het boek getrakteerd op de bespiegelingen van Jamie Forbes. En dat is zonde van het boek na het sterke en spannende begin. We krijgen de vragen van Forbes voorgeschoteld. Had hij Maria werkelijk gehypnotiseerd? Wat is hypnose dan?
    Vanaf onze vroegste jeugd worden we op een basistraining sterfelijkheid gezet, stelt Forbes. En hij herinnert zich zijn jeugd en een hypnotiseur, ene Blacksmyth, die mensen alles kon laten doen, wat hij maar wilde wanneer ze onder hypnose waren. Als jongetje wordt Jamie op het podium geroepen en hij moet zich voorstellen, dat hij in een muur gevangen zit. Hij gebruikt in zijn latere leven de muur als een metafoor voor het gehypnotiseerd zijn. En in die toestand -de lezer raadt het al- doen we doorlopend domme dingen. Zo geloven we bijvoorbeeld in sterfelijkheid, maar die bestaat – volgens Forbes ?niet. We hebben een soort co-piloot en deze waarschuwt ons wanneer we juist proberen te onthypnotiseren.

    Jamie heeft vervolgens op een vliegveld een geheimzinnige ontmoeting met een dame, die blijkt te zijn gestorven en aan het eind van het verhaal krijgt hij uit het niets, haar dochter aan de telefoon, die vliegles wil. Dit alles natuurlijk omdat toeval niet zou bestaan. Inmiddels was deze recensent een beetje duizelig van alle bespiegelingen, die jammer genoeg de vaart uit het verhaal haalden. Jammer. Waarom schrijft Bach niet af en toe een spirituele beschouwing, om daarna weer een sterke novelle te produceren zoals destijds Jonathan Livingston Seagull?
    De cocktail, die via dit boek tot ons komt, werkt helaas niet.

    Maria onder hypnose

    Auteur: Richard Bach
    Vertaald door: Trudy Schermer-Lodema
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Prijs: € 14,95

  • Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Bij het lezen van de titel van dit boekje zullen er zeker wenkbrauwen worden gefronst. Is dit serieuze literatuur? Moest er over dit mannetje zo nodig een boek worden geschreven? Zonder de dubbel afgedrukte bladzijden zou het boekje nog dunner zijn geworden en aanvankelijk maakt het een rommelige indruk.

    Toch is Geert van Istendael niet de eerste de beste schrijver en heeft hij zijn sporen op het gebied van onder meer de poëzie duidelijk verdiend. Er wordt van hem gezegd dat hij een zeer toegankelijke poëzie schrijft met een duidelijke voorkeur voor het alledaagse leven in de tegenwoordige tijd. Dit is zonder meer van toepassing op dit verhaal. Er worden vaak platte en plastische uitdrukkingen in gebruikt die zo nu en dan worden afgewisseld met clichés.

    Van Istendael is onder meer gefascineerd door zijn geboortestad Brussel en dat zal hem ertoe gebracht hebben om dit boekje over het kleine mannetje te schrijven. Heel duidelijk is ook dat hij veel onderzoek heeft gedaan naar de historie van Manneke Pis en alle verhalen die in de loop der tijden om hem heen zijn ontstaan. Alle verhalen zijn misschien niet waar gebeurd maar ze zijn in ieder geval wel amusant. Het schrijven van cabaretteksten zou een lucratieve nevenbezigheid kunnen zijn voor Van Istendael.
    Op velerlei manieren draagt Manneke Pis bij aan de economie van de stad Brussel, zijn beeltenis wordt in allerlei vormen te koop aangeboden. Er zijn bierpullen, aanstekers, balpennen, koffiemokken, sleutelhangers en nog tientallen andere voorwerpen met daarop de beeltenis van het kleine jongetje. Het meest interessant is misschien wel de kurkentrekker in de vorm van Manneke Pis. In diverse andere steden vinden we beeltenissen van het mannetje onder andere in Geraardsbergen maar natuurlijk is het beeldje in Brussel de enige echte. Wel kreeg hij een zusje, Jeanneke Pis, waarschijnlijk op aandringen van feministen die vonden dat er een eind gemaakt moest worden aan de ongelijkheid der seksen zoals die tot uitdrukking kwam in het alleen maar tentoonstellen van een bloot mannetje. Wel is het meisje beperkt in haar bewegingsvrijheid doordat zij is opgesteld achter rood geverfde tralies.

    Buitengewoon groot is de verzameling kostuums waarmee Manneke Pis kan worden uitgedost. Vrijwel alle lidstaten van de Europese Unie hebben een bijdrage geleverd in de vorm van hun nationale klederdrachten. Er is een ruimtevaarderpak en ook de kleding van de stripfiguur Obelix ontbreekt niet. John Bull is vertegenwoordigd evenals Elvis Presley en Mozart maar het meest opmerkelijke kostuum is wel dat van Nelson Mandela compleet met pruik met grijze krulletjes. Niet elk kostuum wordt zonder meer geaccepteerd, er moet over vergaderd worden door de Orde der Vrienden van Manneke Pis samen met de schepen van cultuur en het Geschiedkundig Genootschap van de stad Brussel. Alle reclame-uitingen in de aangeboden kostuums worden geweerd. Het zal de lezer duidelijk worden dat er op een uiterst serieuze wijze wordt omgegaan met Manneke Pis, het is tenslotte het symbool van vrije meningsuiting en Brussel blijft daardoor een vrije en plezante stad.

    Manneke Pis

    Een biografie
    Auteur Geert van Istendael
    Verschenen bij: uitgeverij Atlas
    Prijs: € 14,50

  • Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    Welke laatste liefde?

    Martine Withofs is begin dertig, als zij met haar nieuwe man Wannes en haar zoon Jimmy uit haar eerste huwelijk een reisje met de bus naar het Zwarte Woud maakt. Wannes heeft haar verrast met zijn voorstel, en Martine weet van gelukzaligheid en onervarenheid niet, wat ze allemaal moet doen om de reis tot een succes te maken. Er gaan drie grote koffers mee en omdat ze bang is iets te vergeten gaat er van ieder voorwerp een reserve-exemplaar in de koffer. Ze controleert alle deuren en ramen en gaspitten honderd keer en presteert het toch om eenmaal onderweg naar de verzamelplaats, terug te gaan naar huis omdat ze nog iets is vergeten. Bijna missen ze de bus. De buschauffeur zal de hele reis steeds vermelden, dat zij 20 minuten te laat waren.

    Ze willen zich graag aansluiten bij de medereizigers, nieuwe vrienden maken en doen daarvoor dingen die ze thuis niet zouden doen, parfum kopen, alcohol drinken, vette worstjes kopen, terwijl er belegde boterhammen in de koffers zitten. De reisgenoten hebben cassettebandjes met Duitse schlagers, men zingt enthousiast mee. De buschauffeur verrast zijn passagiers met een bezoek aan een van de eerste Mc Donalds, op dat moment, midden jaren ’80 een geweldige ervaring, waar later thuis op het werk trots over verteld zal gaan worden.

    Jimmy weet niet, of hij blij moet zijn met het reisje. Enerzijds is het natuurlijk wel leuk om op school te kunnen vertellen. Anderzijds, wanneer Wannes voorstelt, dat Jimmy hem tijdens de reis maar ‘papa’ moet noemen, wordt hij zo kwaad, dat hij besluit niet tegen hem te praten. Hij kan alleen maar nijdig naar zijn moeder en zijn stiefvader kijken.

    In de bus zit ook een jong meisje, Heloïse, dat samen met haar grootvader reist. Na de eerste kennismaking trekken ze regelmatig samen op, en zij merkt op een gegeven moment op, dat hij later maar filosoof moet worden. Wat hij ook gaat doen.

    Dat literatuur, dat romans je een andere blik op de werkelijkheid kunnen tonen, laat Dimitri Verhulst in zijn nieuwste boek zien. Tijdens het lezen denk je soms: wat heeft dat jochie al snel een bloedhekel aan zijn ? naïeve, maar goedwillende ? stiefvader, waarom gunt hij zijn moeder niet een beetje nieuw geluk na haar dramatische eerste huwelijk, zo’n lieverdje was zijn vader immers niet? Hoe krijgt hij het allemaal verzonnen.

    Totdat blijkt, uit verschillende interviews op de radio en in kranten, dat het verhaal is gebaseerd op zijn eigen leven. Dat plaatste het boek voor mij in een ander perspectief. Wat ik als fictie nog redelijk komisch en hier en daar hilarisch vond, komt nu meer over als een boosaardige afrekening met een moeder en een vriend, die geen inzicht hadden in de onzekerheden van de puber Jimmy. Twee mensen, die eigenlijk nog zo jong waren, dat ze zelf amper snapten, wat hen overkwam.

    In het boek is Jimmy voortdurend boos, als dan ook nog blijkt dat zijn moeder zwanger is, stikt hij bijna van woede, zijn moeder kiest niet voor hem.

    Verwijst de schrijver in zijn titel naar de laatste liefde van Jimmy’s moeder voor hem tijdens dit reisje (hij gaat later bij zijn vader wonen), of betreft het de liefde voor haar tweede man?

    Aan het eind van het boek, zeventig jaar later, verwacht Jimmy zijn halfbroer, die hij nooit heeft ontmoet. Jimmy is intussen een gerenommeerd filosoof met een particulier verzorgster. Hij laat haar een dure fles wijn uit de kelder halen. Hoe het gesprek tussen die twee mannen zal verlopen, is wellicht stof voor het volgende boek van Dimitri Verhulst.

    De laatste liefde van mijn moeder

    Auteur: Dimitri Verhulst
    Verschenen bij: Uitgeverij Contact
    Prijs: € 19,95

  • Recensie door: Machiel Jansen

    Recensie door: Machiel Jansen

    De barokke volzin wordt in Vlaanderen meer gewaardeerd dan in Nederland. Met barok bedoel ik het gebruik van dansende krullen, overdrijvingen en effecten die schaamteloos theatraal zijn. De barokke volzin is een zin waarin zoveel mogelijk van dat alles in is gestopt. De barokke volzin is dan ook, gemiddeld gesproken, langer dan de niet barokke volzin.

    Barok ontleent zijn naam aan het Portugese ‘barocco’ wat onregelmatig gevormde parel betekent. Met barok is dan ook altijd wel iets mis, maar nooit alles. Barok is soms iets te veel van het goede. Vaak veel te veel.

    In Vlaanderen weten ze heel goed wat barok is want ze hebben er Rubens’ werken hangen. Wie naar Rubens kijkt, en de mollige vrouwen even vergeet, ziet de krullen, de draaiende, dansende bewegingen en het theater van het doek spatten. Dat is barok.

    In Vlaanderen is de dagelijkse taal uitbundiger, minder zakelijk. In Nederland zijn we direkter, botter ook, en gaat veel via de rechte lijn. Het is de kortste weg tussen twee afstanden. We zijn zuinig. In Vlaanderen is men beleefder en kiest men voor de indirecte weg, de omweg, de gebogen lijn.  De bijzin is een vorm van indirect taalgebruik. Het geeft een krul aan de taal en in Vlaanderen kunnen ze dat wel waarderen.

    De Vlaamse schrijver en kunstenaar Pjeroo Robjee, pseudoniem van Dirk De Vilder (1945), schrijft zinnen die ik wel postmodern barok zou willen noemen. Dat postmoderne slaat dan op het feit dat Robjee de barokke stijl  bewust kiest en er allerlei moderne stijlvormen en humoristische opmerkingen doorheen vlecht . Wie zijn nieuwste boek Een mismaakt gouvernement doorbladert en een willekeurige zin uitzoekt, ziet het onmiddellijk:

    ‘In de natste voormiddag van de meest smerige zomer sedert het begin van onze tijdrekening zou Miranda of Marijke, Fredo of Francis, of ook nog Lolita van Goethe, van wie de signatuur tussen de namen van de eerder gemelde torenbezoekers in de borstwering werd gekerfd door een of andere grappenmaker van de oude stempel, zou elkeen uit dit onderbevolkt peloton van globetrottende ballustradehoutbedervers in staat zijn geweest een automobiel op te merken, een eivormige sedan overtogen met de beurse, grijsgroene spijs van oxiderend en gekoekte dras’

    De stijl van Robjee is zo dominant dat het de beleving van dit boek totaal overheerst. Wie zich ergert of laat vermoeien door de stijl houdt het al snel voor gezien. In Het mismaakt gouvernement buitelen de woorden en bijzinnen meer dan 300 bladzijden lang over elkaar heen. Dat vraagt om doorzettingsvermogen van de lezer. Nu is doorzetten geen probleem en kunnen moeilijkheden wel overwonnen worden als het resultaat van alle inspanningen uiteindelijk de moeite waard blijkt te zijn. Dat valt in dit geval flink tegen.

     De taal van Robjee is een mengeling van archaïsche woorden en uitdrukkingen, leuk bedoelde vondsten, Vlaams vocabulair, en poëtisch aandoende vergelijkingen. Er wordt gespioend, gewispeld en geschamoteerd. Regelmatig kwam ik woorden tegen die ik zou moeten opzoeken om ze te begrijpen. Zo heb ik geen idee wat ‘een zerp, als hazengerf snerkend mensengerucht’ is. Het klinkt in elk geval leuk. Ook gebruikt Robjee nogal wat Vlaams. Zo gebruikt hij ‘binst’ in plaats van ‘terwijl’, ‘teljoor’ in plaats van ‘bord’ en ‘asem’ in plaats van ‘adem’.  Dat is op zich geen bezwaar maar het maakt het de Nederlandse lezer niet makkelijker. Niet zozeer Vlaams maar archaïsch zijn woorden als ‘sedert’, ‘weder’, ‘neder’, ‘ener’ etc. En postmodern zijn grapjes als Lolita van Goethe (een verwijzing naar de schrijvers Nabokov en Goethe) en het opnemen van moderne Engelse woorden als ‘loverboy’. Dat alles wordt gekneed, opgestapeld en vermengd met allerlei invallen, woordgrapjes en verhaspelde uitdrukkingen zoals bijvoorbeeld ‘manmachtig’ in plaats van ‘met man en macht’.  Het resultaat is een uiterst excentrieke, theatrale taal:

    ‘De koekenbakker toverde uit zijn mond een redevoering naar het lamplicht, een in waterlanders gedrenkt vertoog, waarin de parabel van het vetgemeste rund sterk en allesoverheersend naar het voorste plan van de avantscène werd geschoven.’

    Ook de vergelijkingen die Robjee maakt zijn vaak theatraal en grappig bedoeld. Als het regent, regent het stront. Als iemand huivert staan ‘meanderende aders kabeldik’ aan zijn slapen. Een vrouw van middelbare leeftijd wordt ‘een mokkel in de jaren des overgangs’ genoemd. Iemand die gek is is ‘van de mare bereden’.

    Het mismaakt gouvernement is, ontdaan van de schil van de stijl, in de kern niets meer dan een ouderwetse schelmenroman met af en toe licht absurdische trekjes. Het verhaal is mager en bestaat uit niet veel meer dan de niet eens zo dwaze belevenissen van de twee hoofdpersonen. Het verhaal wordt ons verteld door Odette die toevallig een oude uitgave van Toergenjevs Eerste Liefde tegenkomt en het herkent als  het exemplaar dat ze haar jeugdliefde zoete Winnie in 1967 eens cadeau deed. Ondanks 40 graden koorts is die vondst de aanleiding om hem weer te gaan zoeken. Zo gaat ze op pad en hoort van tal van meer en minder merkwaardige figuren verhalen over haar zoete Winnie. De hoofdstukken waarin de zoektocht wordt beschreven worden afgewisseld met herinneringen aan haar jeugd en de rol die zoete Winnie daarin speelde.

    Zoete Winnie is de schelm waar het allemaal om draait, maar we krijgen hem nooit echt goed te zien. Veel van wat we over hem te weten komen, wordt verteld in korte raamvertellingen en die volgen steeds hetzelfde patroon. Winnie is een charmeur, verleidt man en vrouw en gaat er vervolgens met hun geld vandoor. Ook Odette bedriegt hij, door haar eerst voor haar zus Chantal in te ruilen en later door haar geld te stelen.

    Beter dan Winnie leren we de vader van Odette kennen. Het is het type ruwe bolster zonder blanke pit en hij leidt het ‘mismaakt gouvernement’ zoals Robjee het gezin noemt. Hij is ontslagen, arm en gedwongen tot het verbouwen van zijn ‘koer’ (binnenplaats). Ook is hij niet te beroerd een vriendje van zijn dochter met zijn jachtgeweer de stuipen op het lijf te jagen. Van moeder komen we niet veel meer te weten dan dat zij de éne na de andere likeur achterover gooit.

    Alle personages spreken zoals Robjee schrijft.  Zo spreekt bijvoorbeeld de zus van Odette:

    ‘Wij worden er aha niet jonger op , haha, wel ouder. En onze vava en ons moe, zij zijn bejaard gelijk de stok, zij staan begot op krukken al met meer dan een pikkel onder de groene sargie op de deksteen van hun graf.’

    De roman krijgt door dat niet aflatende bombardement aan creatief bedoelde zinnen iets stars en éénvormigs. De personages bij Robjee zijn dan ook sterk aangezette karikaturen en hebben soms licht absurdistische trekjes, zoals een vrouw die te pas en te onpas ‘Is dat nuttig?’ zegt. Wat dat betreft doet Robjees werk wel wat denken aan dat van Charlotte Mutsaers. Freddy uit Koetsier Herfst zou zo een bijrol in Robjees roman kunnen spelen. Alleen zijn taalgebruik zou hij sterk moeten aanpassen.

     Het lezen van Een mismaakt gouvernement is een vermoeiende bezigheid. Al die heupwiegende zinnen gaan uiteindelijk vervelen en soms irriteren. De schelmenstreken van zoete Winnie en de in gekrulde zinnen gevatte spitsvondigheden weten maar matig te boeien. In plaats daarvan raak je verdoofd door al die pogingen tot virtuose taalbeheersing die vaak ook nog geestig bedoeld zijn.  

    Ik sluit niet uit dat sommige lezers Robjee als virtuoos zullen omarmen. De bewonderaars zullen in Vlaanderen waarschijnlijk talrijker zijn dan in Nederland. Robjee is in Vlaanderen geen onbekende terwijl hij in Nederland tot op heden weinig tot geen aandacht heeft gekregen. Ik vermoed dat Een mismaakt gouvernement in die situatie niet veel verandering zal brengen.

    Een mismaakt gouvernement

    Auteur: Pjeroo Robjee
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Prijs: € 19,95

  • Recensie door: Rosalien Koster

    Recensie door: Rosalien Koster

    De kredietcrisis lijkt over zijn hoogtepunt heen, zo lezen we dagelijks in de krant. Maar hoe zat het ook alweer? En wie is er nu echt verantwoordelijk voor het uitbreken van de mondiale financiële crisis? Nobelprijswinnares Elfriede Jelinek geeft de antwoorden in De contracten van de koopman en trekt van leer tegen ieder die schuld heeft: de eigengereide bankier, enkel uit op zijn eigen gewin, maar ook jij en ik. Want alles begint en eindigt bij de hebzucht die in ons allen zit.

    Aan het woord is ons geld. Het geld dat er niet meer is. En eigenlijk ook nooit bestaan heeft.
    Het ene gat werd met het andere gedicht en het geld draaide rondjes tot de geldstromen tot stilstand kwamen. Nu viert het geld vakantie op Guernsey, het belastingparadijs, waar het is heen gesluisd door de bankiers. Want wie ook aan het kortste eind trekt, de topmensen zeker niet.

    ‘We hebben u iets beloofd dat we niet konden waarmaken, sorry, we hebben ons versproken.’
    Daarmee is de kous af volgens het koor der grijsaards. Als tweede verschijnen zij ten tonele en richten het woord tot ons. In de lange monoloog die volgt maken ze ons één ding, keer op keer duidelijk: zij treffen geen blaam. Moesten wij met zijn allen maar niet zo hebzuchtig zijn. Eigen schuld, dikke bult.

    Het geld, dat we aan hen toevertrouwde, is nu van hen. En terecht, vinden de grijsaards. Zij zijn immers de enigen die de financiële wereld kunnen doorzien, zij zijn de hoeders en hebben er alles aan gedaan om onze zorgen uit handen te nemen. Dat onze zorgen juist zijn toegenomen, maakt daarbij geen verschil. Zij hebben alleen gedaan waar zij goed in zijn: ons verlangen naar meer bevredigen.

    Dat zij hiervoor kapitalen hebben opgestreken is dan ook niet meer dan de normaalste zaak van de wereld. ‘En natuurlijk nemen we daarvoor servicevergoedingen in ontvangst, nietwaar, uw garagebedrijf doet dat tenslotte ook.’
    Ook wat betreft het falend toezicht wassen zij hun handen in onschuld. ‘Wij controleren onszelf en dat is voldoende. Bedenk maar eens hoe vaak u zich niet controleerde en wees dankbaar dat wij onszelf controleren en ons zelfs laten controleren, en onze eigen controle, onze zelfcontrole is de sterkste! ‘

    Bladzijde na bladzijde gaat het betoog verder. Niets gaan de grijsaards uit de weg. Want zij hebben niets te vrezen. Zij zijn de goden, de ‘Heraklessen’, van deze tijd. Tegen hun kracht en machtsvertoon is zelfs de politiek niet opgewassen. De politici zijn enkel marionetten die de omvallende banken nationaliseren zodat de grijsaards weer op de oude voet verder kunnen.

    Toch klinkt er ook een weerwoord. De engelen der gerechtigheid spreken, alsof het nieuwe Openbaringen betreffen, de grijsaards maar ook de gewone man streng toe. Helpen doet het alleen niet want de geschiedenis zal zich blijven herhalen, zo laten de grijsaards weten: ‘wij krijgen een crisis en daarna herstellen we het publieke vertrouwen en dan nemen we opnieuw, wij kunnen markten volledig dereguleren zoals rivieren, daarna reguleren we ze weer, helemaal naar onze wensen.’

    Rest de vraag: wat moeten wij, de lezers, aan met dit verhaal? Zoals bovenstaande samenvatting laat zien, maakt Jelinek het de lezer niet gemakkelijk. Wie De contracten van de koopman wil kunnen duiden, moet niet alleen een flinke dosis kennis van de mythologie en de bijbel in huis hebben maar ook raad weten met de vele symbolen en metaforen die in het verhaal zijn verwerkt.
    Daarnaast lijkt Jelinek er alles aan gelegen om met haar manier van schrijven de lezer te imponeren. Haar buitensporige lange zinnen zijn knappe taalkundige bouwwerkjes maar maken het vertelde nog ingewikkelder dan het al is en doen de leesbaarheid weinig goed. Ook de woordkeuze van Jelinek verraadt haar verlangen naar mooischrijverij. Tel daarbij op haar elitaire toon en het is duidelijk: de lezer moet van goeden huize komen wil hij of zij het werk kunnen begrijpen.

    En toch is De contracten van de koopman meer dan alleen een literair paradepaardje. Waar het werkelijk om gaat, is de boodschap die Jelinek wil uitdragen.  Hier slaagt zij wonderwel in. Op subtiele wijze houdt ze ons een spiegel voor. Opdat we niet vergeten.

    De contracten van de koopman

    Auteur: Elfride Jelinek
    Vertaald door: Inge Arteel
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Prijs: € 18,95

  • Recensie door: Margo Zuidema

    Recensie door: Margo Zuidema

    De roman Blauw gaat over relaties in een mannengemeenschap. ‘Je hebt literatuur waarin homo´s voorkomen, en je hebt homo-literatuur waarin homo’s voorkomen. Literatuur waarin geen homo’s voorkomen heb je ook, maar homo-literatuur waarin geen homo voorkomt, bestaat niet.

    Homo-literatuur gaat over homo’s, richt zich tot homo’s en wil ? ondanks alle goede bedoelingen ? maar niet loskomen van homo’s. Die homo-literatuur heeft de neiging alles tot in de nauwste bilspleet expliciet te maken’, aldus Max Pam in HP/De Tijd, 17 mei 2007.  

    Blauw, debuutroman van Doek Sijens voldoet aan de omschrijving van Max Pam van homo-literatuur. Enkele voorbeelden van expliciete omschrijvingen in Blauw:

     ‘Hij was net uit bed en stond naakt voor de computer. Zijn prachtige volle billen, die hij lichtelijk gespreid had, leidden mij af. Ik overwoog ook op te staan en mijn vinger in zijn anus te duwen, zoals ik een keer eerder had gedaan. Het was voor hem een totaal onbekende sensatie, waar hij zich nog niet aan durfde over te geven.’

     ’Ik had het eerst met een vinger geprobeerd, daarna met twee. Simon riep voortdurend dat hij er klaar voor was en dat ik door moest gaan. Hij lag op zijn buik met gespreide benen. Over zijn schouder keek hij toe hoe ik een condoom omdeed. Ik gebruikte ongeveer een halve fles glijmiddel voordat ik begon aan wat al spoedig een hopeloze missie bleek. Hij schreeuwde van de pijn zodra ik enige druk zette en moedigde me vervolgens aan om verder te gaan.’

    Wouter, een veertiger, hoofdpersoon in  de roman Blauw tobt met relaties. Zijn vriend Nick is 6 maanden geleden voor een promotieonderzoek naar Italië vertrokken. Sinds die tijd bestaat hun contact uit één oppervlakkig mailtje per week.  Wouter heeft ondertussen na een paar tijdelijke contacten Simon ontmoet, een getrouwde man met twee kinderen, die voor zijn vrouw verborgen houdt dat hij verliefd is geworden op een man.

    Simon vertelt Wouter dat hij van hem houdt. Deze voelt zich gevleid, maar beseft tegelijkertijd dat  hij  nooit verlost zal zijn van het thuisfront van Simon…

    Simon leidt nu een dubbelleven, maar Wouter vindt niet dat hij daar verantwoordelijk voor is. De prille relatie belemmert Wouter niet om een one night stand met student Eric te hebben en kort daarna tegen Simon te zeggen: ‘Ik wil je voor mezelf hebben. Het kan me niet schelen hoe je het aanpakt, maar als je met mij door wil gaan, moet je bij haar weggaan.’

    De roman wordt vanuit Wouter verteld; gevoelens worden meegedeeld, maar niet invoelbaar gemaakt. Sijens doorspekt zijn verhaal met opmerkelijke conclusies, bijvoorbeeld over wat hij ziet: ‘De grafzerken waar ze (de kippen) over liepen, waren gebroken. Dichtbij de deur zag ik een brokstuk waarop ik het woord ‘eeuwig’ kon ontcijferen. Deze man was in de negentiende eeuw overleden in de verwachting dat het bestaan pas na zijn dood perfect zou worden.’  En over zichzelf: ‘Luisterend naar de vogelgeluiden herkende ik ook de wielewaal. Mogelijk was het toch beter me op een hobby te storten of een studie te beginnen in plaats van relaties gaande te houden.’

    Tijdens een fietstocht met vriend Jonas breekt onweer uit. De twee mannen zoeken een schuiladres: ‘Tussen het groen zagen we rode dakpannen uitsteken ‘Daar moet een huis staan,’ riep ik opgetogen. De schuilplaats nodigde uit tot bezinning; ik moest echt meer voor mezelf opkomen, mijn leven zelf ter hand nemen.’

    Relatieproblemen als verhaalthema, of het nu om homoseksuele of heteroseksuele relaties gaat, kan een boeiende roman  opleveren. Maar in Blauw raak je als lezer snel geïrriteerd door de egocentrische Wouter die zich voortdurend afvraagt: Hoe kom ik over? Het uiterlijk telt, het karakter speelt geen rol. Wouter toont geen empathie. Na een vrijpartij met Simon overdenkt Wouter de complicaties van een relatie met Simon. ‘Zijn zonen zouden hem haten omdat zij wisten dat ik hun ouders uit elkaar had gedreven. Bovendien voelde ik er niet voor om hen met Simon te moeten delen en met ze naar de dierentuin te gaan of naar een voetbalwedstrijd.’

    ‘Toen het tot mij doordrong dat Simon niet snel zou scheiden, dat hij de zorg voor zijn vrouw bleef houden, begreep ik dat ik naar Nick terug moest gaan. Ik zag het als een juiste stap, een stap die ik al veel eerder had moeten zetten. Met Simon was ik in een moeras beland. Ik liet hem in de steek, juist nu hij in zo’n moeilijke positie verkeerde, maar ik kon niet anders.’

    Wouter reist af naar Italie. Daar krijgt de liefdesgeschiedenis een onverwachte wending. Het laat je  als lezer echter koud. 

    Blauw is de debuutroman van Doeke Sijens (’55). Samen met Coen Peppelenbos schreef Sijens twee gay-soaps. Eerder verscheen van Sijens  de verhalenbundel Friese Jongens. Ook publiceerde hij in het Fries een essaybundel en een biografie. 

    Blauw

    Auteur: Doeke Sijens
    Verschenen bij: Uitgeverij Kleine Uil
    Prijs: € 16,50

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Babbelzieke beschouwingen van een bevlogen boekenwurm

    Dit boek – een alternatieve titel van de roman Boze geesten van Dostojevski – heeft als ondertitel Over de Russische literatuur en haar lezers. Samen met een ernstig schrijvende Tolstoj op de omslag wekt dat de verwachting dat we veel zullen horen over de klassieke Russische schrijvers, hun levens, werken en de reacties daarop. We komen echter bedrogen uit. De Amerikaanse Batuman fladdert van het ene boek naar het ander en heeft daarbij erg veel aandacht voor human interest, zoals de keer dat ze vergat om een schwarzwalderkirschtorte uit de oven te halen omdat ze zo geboeid was door Babel. Haar beschouwingen over Russische schrijvers, waarbij die over Babel er in de positieve zin uit springt, worden afgewisseld met verslagen over een verblijf in Samarkand, alwaar zij, na haar studie literatuurwetenschappen aan Stanford, Oezbeekse taal- en letterkunde studeerde. Die laatste keuze hing samen met haar Turkse achtergrond, maar erg veel blijken Turken en Oezbeken niet meer met elkaar gemeen te hebben. Ze leerde dat er honderd woorden voor huilen bestaan in het Oezbeeks, maar zelf wist ze evenmin wat ze daarmee aan moet en gaf tenslotte de studie op.

    Meteen al op de eerste bladzijde komt ze tot de hamvraag: hoe kan iemand die geen academische aspiraties koestert uiteindelijk zeven jaar lang in Stanford, Californië de vorm van de Russische roman bestuderen? Batuman gaat daarvoor terug naar de invloed van haar Russische vioolleraar Maxim en de indruk die Jevgeni Onegin van Poesjkin en Anna Karenina van Tolstoj op haar maakten. In die boeken herkende ze iets wezenlijks over het leven. Ze besefte later dat ze als aankomend schrijfster niet teveel romans moest lezen en dat de literatuurtheorie haar alleen maar zou belemmeren. Ze koos daarom aanvankelijk taalkunde als hoofdvak met Russisch als vreemde taal, maar schakelde na een vakantieliefde en dito baantje in Hongarije toch over op de literatuurwetenschap, omdat daar meer leven in zat.

    Ze hield zich na haar afstuderen een poosje bezig met creative writing. Hierdoor raakte ze het idee kwijt dat de theorie het schrijverschap in de weg zou staan. Als schrijfster wilde ze alles uitzoeken over het leven en de werken van haar favoriete schrijvers en niet slechts hun boeken imiteren.

    Ik vroeg me daarbij af hoe zij dacht de theorie te gebruiken in haar eigen boeken en wat voor schrijfster ze wilde zijn. Veel wijzer dan dat ze ten tijde van haar verblijf in Oezbekistan 24 jaar oud was en ongelukkig in de liefde ben ik niet geworden.

    Het is vooral de toon die tegenstaat. Elif zegt niet waar ze heen gaat en als lezer heb je haar maar te volgen. Ze babbelt er vrolijk op los zoals over een vliegreis terug uit Oezbekistan langs Frankfurt. ‘We naderden de aarde al dichter en schampten haast Frankfurt zelf, de geboorteplaats van de kritische theorie en het interdisciplinair materialisme, met zijn zilverglanzende rivier, zijn oude kerken, en de zwartglazen obelisk waar de buchmesse wordt gehouden.’

    Het is wel exotisch wat ze ons voorschotelt, zoals over haar hospita in Oezbekistan en over Het huis van ijs van Lazjetsjnikov, dat handelt over een, in 2006 in Sint-Petersburg gereconstrueerd, ijspaleis dat tsarina Anna ooit liet neerzetten en waarin twee zotten een huwelijksnacht moesten doorbrengen.

    Ik moest tijdens het lezen van dit boek sterk denken aan Leonid Tsjipkin die in Zomer in Baden- Baden tijdens een treinreis van Moskou naar Leningrad een dagboek leest van de vrouw van Dostojevki over hun verblijf in Baden-Baden. Misschien had Batuman, om alle overdaad te vermijden, ook zoiets kunnen doen en dan met Tolstoj. Ze presenteerde tijdens een Tolstoj-congres op het landgoed Jasnaja Poljana een hoofdstuk uit haar proefschrift over de mogelijke doodsoorzaak van Tolstoj, waarin zij overweegt dat zijn vrouw hem heeft vergiftigd uit kwaadheid omdat hij zijn erfenis had weggeschonken aan een fanatieke godsdienstige beweging. Misschien heeft  Batuman van dit overladen project geleerd en verschijnt er straks een ware roman van haar eigen hand.

    p.s. Na het schrijven van deze recensie kwam me een artikel onder ogen in de London Review of Books, waarin Elif Batuman uitvoerig ingaat op het verschil tussen fictie en literatuur. Wat ze in het boek schrijft over creative writing en literatuurstudie, over het imiteren dan wel onderzoeken van de literaire geschiedenis heeft wortels in een discussie die in Amerika gevoerd wordt. Voor geïnteresseerden verwijs ik naar London Review of Books, Vol. 32, No. 18 ; 23 September 2010.    

     

    De bezetenen

    Auteur: Elif Batuman
    Vertaald door: Henk Schreuder
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas (aug. 2010)
    Prijs: € 24,90

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Feelgoodpoëzie met plaagstootjes

    De debuutbundel van Bianca Boer (1976) kent veertig, niet al te lange en in een begrijpelijke taal gestelde gedichten, die ook al vanwege de bladspiegel duidelijk als poëzie herkenbaar zijn. Hoofdletters en interpunctie zijn opvallend gemeden. Haar prozadebuut maakte ze een paar jaar geleden met de verhalenbundel Troost en de geur van koffie die o.a. genomineerd werd voor de Selexyz Debuutprijs. Een alleszins vriendelijke titel, waarbij die van haar poëziedebuut zich makkelijk kan voegen. Het is een poëziedebuut dat, ik verklap het maar meteen,  het Nederlandse poëzielandschap niet een ander aanzien bezorgt. Daarvoor voegt de meerderheid van de gedichten zich te gedwee in het reeds bekende spoor. Ik ga eerst een minpuntje van dit debuut noemen, om met een duidelijk pluspunt te kunnen eindigen.

    Veel gedichten van Boer maken een min of meer montere indruk en geven van een anekdote net genoeg mee om die te begrijpen. Maar dat net genoeg kan vaak al iets te veel zijn voor poëzie. 

    Ze graven soms ook niet diep genoeg om een blijvend litteken achter te laten. Neem het gedicht:

    Middelbareschoolreünie

    ‘een buik vol bubbelgum
    tussen oranje linoleum en gevulde koeken
    als ik hem weer zie

    ruik ik verschaalde schoolfeesten
    kus hem eindlijk drie keer
    hij prikt door mijn gedachten

    woorden van toen wuiven
    helium in mijn longen
    ik piep lege spreekballonnen

    hij neemt ademloos zijn plek
    weer in mijn lichaam’

    Dit gedicht gaat nergens schuren of uit zijn voegen barsten, waarschijnlijk omdat het te direct herkenbaar is wat hier staat. De hele anekdote had even goed onderdak kunnen vinden in een column in de Flair. Het blijft braaf tussen de lijntjes van de goedaardige gevoelens.

    Of in Vroeger is een huis:

    ‘de eerste kleurenfoto’s
    waarop de echte wereld minder groen is
    dat huis ben jij

    van iedereen die je kende nam je iets mee
    het hangt aan de muren
    het staat in de kamers
    ik ben je vrouw

    ik krijg één nacht de bemoste bruidssuite
    waar wij het kind zullen maken
    dat nooit het huis uit gaat

    ik tuur zolang naar de foto
    dat ik zijn gezicht ? we hadden een jongen  gekregen ?
    achter een van de ramen zie

    het is de eeuwige zonneschijn
    die in de ruiten blikkert
    hem verjaagt’

    Ook hier wordt de werkelijkheid te weinig ontdaan van haar alledaagsheid.

    In dit soort gedichten mag een regel misschien een enkele schijnbeweging maken,  maar daarmee wordt de lezer meestal niet op het verkeerde been gezet, daar het gedicht daarvoor te weinig te raden laat.

    En toch hoef ik Boer niet aan te raden de oppervlakte te verlaten, want ze is in staat met schijnbaar oppervlakkige beelden tot een wat meer verontrustend geheel te komen.

    Dat levert een gedicht op als:

    nog een geluk dat het terras daar niet stond

    ‘van de Martinitoren stapt een jongen
    zijn val vanaf 56 m vanaf de tweede trans
    wordt vlak bij de grond gebroken
    door een lezende toerist

    in de toren loopt een meisje omhoog
    traptreden te tellen’

    Dit is een prachtig gedicht waarin op geslaagde wijze de collagetechniek is toegepast. Het suggereert meer dan het feitelijk prijsgeeft en dat werkt al meteen veel beter. Juist de triviale mededeling dat een meisje omhoog loopt, zet de tragiek van de val van de jongen des te meer aan. Dat is knap gedoseerd.
    In een ander collage-achtig gedicht komt een ander opvallend kenmerk van Boer tot uiting. Haar speelsheid
     

    zichzelf verklarend

    ‘de man met de radiostem
    heeft wenkbrauwen die bewegen op de maat van zijn lippen
    hij geeft de verklaring voor het spelen van rummikub
    als je oud wordt en lang samen bent

    er is het overleven van de winter door de langpootmug
    er zijn dagen waarop je moet uitslapen
    je neus te ruste leggen naast je hoofdpersoon

    vandaag is er een moment dat ik mooi meegenomen zal zijn
    ik maak een lijst van wensen
    op één staat het onderzoeken van een haastig hert
    eronder steltlopertjes zoemen leren’

    Dit is zonder meer een fraai feelgood-gedicht. De verhaallijn erin is te volgen, maar de toegevoegde waarde komt niet van het begrip, maar van de overrompelende inval aan het einde, die zijn eigen ‘logica’ ertegenover stelt.

    Als lezer stuit je in haar bundel veelvuldig op speelse invallen, zoals: ‘knalgroen is een groen woord/ gek genoeg want het woord groen / is grijs zoals rood blauw is.’ Of in een strofe van een gedicht dat verslag doet van een telefoongesprek: ‘we gaan elkaar binnenkort weer zien / voor die tijd denk ik niet aan de naakte vrouw / die op handen en knieën door het gras kruipt / of andere zaken die hun weerga niet kennen ‘. Die bevallen mij goed. Het zijn even zovele plaagstootjes tegen de braafheid van de verstaanbaarheid.

    Ik zou die speelsheid in een vervolgbundel daarom wat meer aangelengd willen zien met bizarre, ietwat vervreemdende invallen. Laat die twee om voorrang strijden. Er mag wat mij betreft iets meer afgedreven worden van de anekdote, om de speelsheid wat ongeremder te laten ontluiken.

    Vliegen en andere vogels

    Auteur: Bianca Boer
    Verschenen bij: Uitgeverij L.J. Veen (2010)
    Prijs: € 15,-

  • Biografie haalt schrijver niet uit de vergetelheid

    Biografie haalt schrijver niet uit de vergetelheid

    Wil een auteur na zijn dood voortleven, kan hij het best als volgt te werk gaan. Hij moet tijdens zijn leven het één en ander publiceren, sterven en een tijd vergeten worden  om daarna weer ontdekt te worden. Het lukt de meeste auteurs heel aardig. Al kan het opnieuw ontdekt worden een probleem zijn. Bekendheid bij leven biedt geen garantie voor de waardering van zijn of haar werk na de dood.
    J.B. Charles (1910-1983) is een schrijver die na zijn dood zo goed als vergeten is geraakt. Zijn boeken worden niet meer herdrukt en zijn alleen nog in antiquariaten te vinden. Tijdens zijn leven, was hij in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw een bekend persoon in de Nederlandse literaire wereld.

    Charles publiceerde onder het pseudoniem van Willem Hendrik Nagel. Hij dichtte, schreef een roman, een verhalenbundel, en leverde talrijke bijdragen aan maatschappelijke discussies in kranten, tijdschriften en ook in boekvorm. Echt bekend werd hij in 1953 door de publicatie van Volg het spoor terug, dat elf keer herdrukt werd. Het was in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw een bestseller en J.B. Charles’ meest succesvolle boek.

    Het spoor terug 

    Nu lijkt de belangstelling voor het werk van J.B. Charles zo goed als uitgestorven. De moderne lezer is hem vergeten en alleen lezers op leeftijd zullen zich hem herinneren. Toch heeft uitgeverij Balans het aangedurfd om de bijna 500 bladzijden tellende biografie over hem, geschreven door Kees Schuyt, uit te geven. Dat suggereert dat er hier iets te ontdekken valt, want wie leest er nu graag over het leven en werk van een schrijver die zelfs in de betere boekhandel niet meer te vinden is?

    De titel van de biografie Het spoor terug, verwijst uiteraard naar Charles’ succesvolle Volg het spoor terug, maar is ook de naam van de historische reportageserie van het radioprogramma OVT. Dat is niet geheel toevallig want de VPRO heeft net als Schuyt de titel aan Charles’ boek ontleend. Er zijn meer overeenkomsten tussen deze radiorubriek en biografie, want wat Schuyt’s biografie geslaagd maakt, is het terugkijken in de geschiedenis aan de hand van een man die verrassend veelzijdig was. Je zou kunnen zeggen dat het een mooie OVT reportage in boekvorm is geworden.

    Schuyt begint zijn biografie met het opsommen van de vele kanten van Willem Hendrik Nagel. Hij komt er tot vijf: verzetsman, literator, jurist, dichter, wetenschapper en public intellectual. Die indeling is enigszins arbitrair. Je zou literator en dichter heel goed samen kunnen nemen en er bijvoorbeeld ‘vader’ aan kunnen toevoegen. De boodschap luidt dat Nagel een veelzijdig man was en Schuyt weet dat in zijn verhaal goed uit te buiten.

    Opgroeien in Groningen en in het verzet

    Willem Nagel groeide op in een groot, gereformeerd gezin in Groningen. Zijn dominante vader was een trouw aanhanger van Abraham Kuyper en zoon Willem zet zich al snel af tegen geloof en vaderlijk gezag. In de jaren dertig behoort hij tot de kleine, selecte groep die rechten studeert en hij erkent de dreiging van het nationaal socialisme al vroeg. Vlak voor de Duitsers in mei 1940 binnenvallen verricht hij zelfs wat inlichtingenwerk door onder het mom van een studiereis over de grens Duitse troepenbewegingen in kaart te brengen.

    Tijdens de bezetting kiest hij bijna meteen voor verzet. Opvallend is dat trouw aan God, koningin of vaderland geen rol spelen bij Nagels’ besluit zich te verzetten. Voor hem is het een gewetenskwestie en een vanzelfsprekendheid. Zijn houding vatte hij later samen met de woorden ‘Ik verdom het’ en het zou zijn levensmotto worden. In Volg het spoor terug schrijft hij:
    ‘Als wij nog eens van wapenspreuk veranderen, stel ik voor: ‘Ik zal trachten wat te handhaven en wat te veranderen,maar verwacht er niet te veel van’. ‘Ik verdom het’ zou nog beter zijn. Ik geef evenwel toe, dat het allebei wat vreemd staat onder twee steigerende leeuwen, maar wij zouden als de christelijke natie die wij zeggen te zijn, als totemdier óók een lieveheersbeestje kunnen kiezen. Twee lieveheersbeestjes schuin tegen elkaar open op het ontplooide lint daaronder ‘Ik Verdom Het’. Ik laat mij morgen zo’n wapen maken.’

    Tijdens de oorlog komt Nagel te werken bij het Ministerie van Landbouw als ambtenaar voor de Tuchtrechtspraak. In zijn vrije tijd houdt hij zich bezig met verzetsactiviteiten die langzamerhand steeds serieuzer worden. Ook begint hij gedichten te publiceren, ‘omdat het niet mocht’, zoals hij later verklaarde. Zo ontstaat er een vriendschap met de Groningse kunstenaar H. N. Werkman, die de oorlog niet zou overleven. Zelf weet Nagel maar nauwelijks te ontkomen aan de Duitse Sicherheitsdienst (SD), die vanuit het Groningse Scholtenhuis een vreselijk terreurbewind voert. Hij vlucht naar Utrecht, wordt nu fulltime verzetsstrijder en neemt de naam Charles aan als deel van zijn nieuwe identiteit.

    Naoorlogse beschuldigingen van W.F. Hermans

    Na de oorlog pakt de jurist Nagel zijn juridisch werk weer op, promoveert, raakt betrokken bij het gevangeniswezen en interesseert zich voor de rol van het slachtoffer in het recht. Later ontwikkelt hij zich als internationaal vermaard hoogleraar in de criminologie. Als J.B. Charles neemt hij zijn literaire carière na de oorlog pas echt serieus. Zijn pseudoniem gebruikt hij om zijn juridische identiteit strict te scheiden van zijn literaire. Het is een geheim dat W.F. Hermans uiteindelijk publiek maakt.
    Met Hermans krijgt J.B. Charles het vanaf 1955 echt aan de stok. De twee maken dan deel uit van de redactie van het literaire tijdschrift Podium dat moeite heeft overeind te blijven. In de polemiek Mandarijnen op zwavelzuur suggereert Hermans dat Charles tijdens de bezetting heeft gecollaboreerd. Hij doet dat op grond van het feit dat Charles ambtenaar voor de Tuchtrechtspraak was. Het tuchtrecht in die dagen kon volgens Hermans gezien worden ‘als een begin van typisch nationaal-socialistische rechtsverkrachting’. Charles heeft daar aan meegewerkt.

    Hermans had ongelijk. Lezend in Schuyts biografie vraag je je af wat Hermans bezield heeft om zo’n ongefundeerde beschuldiging te uiten. Het deel van de Tuchtrechtspraak waar Nagel als ambtenaar voor werkte, was een Nederlandse aangelegenheid en was door de Duitse wetgeving onaangeroerd gebleven. Charles heeft zelf nooit op de beschuldiging gereageerd, waarschijnlijk uit diepe verontwaardiging over de onrechtvaardigheid van de beschuldigingen. Hij wilde de naam W.F. Hermans nooit meer horen. De affaire is echter opvallend lang door blijven klinken. Schuyt laat zien dat tot 1990 Hermans’ beschuldiging door anderen als feiten werden overgenomen.

    Het hele idee van Goed en Fout beheerst het leven van de schrijver Charles en de jurist/criminoloog Nagel. De persoon en zijn pseudoniem lopen in elkaar over als het gaat om actuele kwesties waar Goed en Fout een rol spelen. En die zijn er na de oorlog genoeg: de Russische inval in Hongarije in 1956, het huwelijk tussen Beatrix en de Duitser Claus, de vier, drie, twee van Breda, de eerste provo-acties, en de arrestatie van de antirookmagiër Jasper Grootveld op beschuldiging van de verkoop van ‘zinnenprikkelende’ afbeeldingen. Met al die zaken bemoeit Charles zich en in het geval van Jasper Grootveld treedt hij als deskundige voor de verdediging op. Zijn uitspraak ‘Waartoe heb ik mijn zinnen als ze niet geprikkeld mogen worden’ wordt zelfs een gevleugelde uitspraak.

    Criminoloog in tegenspraak met schrijver

    De schrijver Charles en de criminoloog Nagel vullen elkaar aan en spreken elkaar soms tegen. Nagel hield zich beroepsmatig wetenschappelijk bezig met kwesties als vergelding, straf, schuld en boete, maar die begrippen komen tot leven in het literaire werk van Charles. De verzetstrijder Charles lijkt tussen beiden in te zitten.

    Zo spant hij zich in om een vrouw die hij uit de oorlog kende als een verraadster, gratie te verlenen nadat ze berouw had getoond. Het is een opmerkelijke daad omdat haar verraad hem zelf bijna het leven kostte. Het is de rationele, juridische Nagel die zich keert tegen de doodstraf en zelfs tegen levenslange opsluiting van oorlogsmisdadigers. De polemische J.B. Charles is woedend op Duitse generaals die na de oorlog om politieke redenen ongestraft in functie bleven en over het opnemen van het fascistische Spanje in de NAVO. Woede en teleurstelling zijn ook te vinden in Volg het spoor terug en later in de Van het kleine koude front, dat bestaat uit stukken over toen actuele, koude oorlogskwesties die hij eerder in Maatstaf publiceerde.

    Uiteindelijk lijkt het onderscheid tussen Goed en Fout bijna een obsessie voor Charles te worden. Schuyt wijst op zijn te nauw begrip van het fascisme en het negeren van sociale en historische verklaringen. Charles zoekt het kwaad, het fascistische in het karakter van de mens en meent het ook eenvoudig te kunnen herkennen. Wie niet van Karel Appel houdt maar wel van oranje, blanje, bleu, voor het strenger straffen van jongeren is, ingezonden stukken schrijft over vlaggen die na zes uur bleven hangen, voor de doodstraf en tegen hogere belastingen is, die komt aardig in de buurt van een fascistische persoonlijkheid. Zijn houding leidt er toe dat sommige mensen moeite met hem kregen, zoals de secretaresse van zijn vriend en uitgever Bert Bakker.

    Verwant voelend aan terroristen

    In de jaren zeventig neemt zijn literaire productiviteit sterk af. Hij richt zich op zijn wetenschappelijk werk, interesseert zich voor het opkomende terrorisme in onder andere Duitsland en Israël. Door zijn verzetsverleden voelt hij zich verwant aan terroristen en hij spreekt vergoelijkend over de daden van de Baader Meinhof groep. Duitsland vertrouwt hij halverwege de jaren zeventig nog steeds niet. Het land was volgens hem nauwelijks veranderd. Het zijn geluiden die verbazen uit de mond van een man die zo vergevingsgezind kon zijn tegenover veroordeelde oorlogsmisdadigers. Het is een tegenstelling die velen hebben opgemerkt .

    Wat Schuyt goed laat zien in deze biografie is hoe het Zwart Wit, het Goed en Fout van de oorlog nog lang nadreunt in literair en politiek Nederland. In elke kwestie moest stelling genomen worden en voor grijstinten was weinig tot geen ruimte. Charles heeft die situatie zowel betreurd als bevestigd. Genuanceerd was hij door te pleiten voor een Derde weg tussen Amerikaans kapitalisme en communisme. Ongenuanceerd zwart wit was hij in zijn opvattingen over nationalisme en fascisme. Aan het eind van het leven leidt dat ongenuanceerde nog tot een pijnlijke affaire. Naar aanleiding van een ingezonden stuk in NRC Handelsblad levert hij harde kritiek op Isräel in woorden die op z’n minst ongelukkig zijn. Het leidt tot allerlei beschuldigingen van antisemitisme aan zijn adres. De verzetsheld lijkt het spoor bijster te zijn.

    Kees Schuyt heeft een boeiende biografie geschreven die het ook waard is om gelezen te worden zonder kennis van het werk van J.B. Charles. Het is, zoals de achterflap meldt, inderdaad een ‘meeslepende biografie’ waarin een fraai beeld wordt geschetst van Nederland voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.

    Na biografie blijkt zijn werk verouderd

    De vraag blijft of Charles’ werk het waard is om opnieuw gelezen te worden. Zijn enige roman De vrouw van Jupiter werd bij verschijning als gedeeltelijk mislukt beschouwd en Schuyt bevestigt dat beeld nog eens. Nog minder geslaagd was de verhalenbundel De menseneter van Nowawes waar W.F. Hermans indertijd zijn kwaliteitsgehakt van maakte. De indertijd succesvolle bundel Van het kleine koude front, is volgens Schuyt nauwelijks leesbaar zonder een uitvoerige uitleg van de genoemde personen en kwesties. Hermans had al voorspeld dat niets zo snel veroudert als een polemiek vol serieuze argumenten en zwaarwichtige redeneringen. In dit geval had hij gelijk.

    J.B. Charles was een dichter die niet behoorde tot de traditionelen (Achterberg, Bloem) maar ook niet tot de experimentelen van de jaren vijftig. Zijn poëzie is verrassend eenvoudig en doet af en toe erg modern aan. Met een gedicht als Een zonnebril van plastic kun je zo voor de dag komen op een slam poetry festival.

    De grootste kans om herontdekt te worden maakt Volg het spoor terug. De laatste, serieuze bespreking van het boek dateert uit 1999 en prijst het als ‘de meest indrukwekkende getuigenis van het illegale werk die de Nederlandse literatuur heeft opgeleverd.’ Het is een verzameling herinneringen, bespiegelingen en meningen waarbij de oorlog, het verzet maar ook actuele kwesties een rol spelen. In 1953 was het één van de eerste boeken waarin openlijk over het verzet en oorlogservaringen gesproken werd. Het is een persoonlijk, chaotisch boek waar Charles zijn woede vaak de vrije loop laat. Aan die persoonlijke houding ontleent het ook voor een groot deel zijn kracht.

    Inmiddels is Volg het spoor terug alleen nog antiquarisch verkrijgbaar, of gratis te downloaden via de internetsite van de dbnl. Ontdekken kan tegenwoordig dus ook via de e-reader.