Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Een evenwichtige geschiedenis van het Ottomaanse rijk op zijn hoogtepunt

    Een evenwichtige geschiedenis van het Ottomaanse rijk op zijn hoogtepunt

    Een Tsunami was het niet, maar onrustig was het wel in de zestiende eeuw aan de oostelijke grenzen van Europa. De Turk, de moslim, stond voor de poort, sneed het koninkrijk Hongarije in stukken, belegerde Wenen en zou volgens velen Europa onder de voet lopen. Wie het nog niet was werd wel bang gemaakt door Christelijke propaganda. In de Openbaring van Johannes toont Cranach de vier ruiters die het einde der tijden aankondigen en één voor één rampspoed brengen. De eerste ruiter is door Cranach afgebeeldt als een Turk met kromzwaard. Luther zag in de Turkse opmars een apocalytische voorspelling waarheid worden. De Openbaring van Johannes had volgens hem betrekking op de geschiedenis en de Turk speelde de rol van een vreselijke, door God gezonden straf die de wereld bedreigde.

    Niet alleen Luther, ook Europa’s grootste humanist Erasmus was weinig genuanceerd in zijn mening over de Turken. Wrede barbaren waren het waar niets positiefs over te melden viel. De Turk was niet alleen de vijand buiten de grenzen, hij zat ook in ieder mens. Elke goede Christen moest de Turk die in hem leefde weten te verslaan.
    De Turken kwamen tot de Europese grenzen nadat ze in 1453 het Byzantijnse rijk hadden verslagen. In dat jaar veroverden de Osmanen, zoals je de Turken toen eigenlijk moest noemen, het Christelijke Constantinopel, de hoofdstad van Byzantium. Voortaan heette het Instanbul en de grote Christelijke kerk Hagia Sofia werd een moskee. Europese reizigers spraken er eeuwen later nog schande van. Vergeten was dat Constantinopel in 1204 al een dreun gekregen had waarvan het nooit meer herstelde. Ridders van de vierde kruistocht besloten toen op hun weg naar Jerusalem ook Constantinopel binnen te vallen. De belofte van buit, macht en rijkdom leidde er toe dat de Christelijke ridders Jeruzalem nooit zouden bereiken en de grootste stad van de Orthodoxe kerk plunderden.

    Dat de Turken Byzantium omver liepen was voor de Roomse Christenen dan ook niet eens zo heel erg. De paus had sinds 1054 al niets meer te zeggen over de oostelijke, orthodoxe Christenen. Ernstiger was het feit dat de Turken niet van plan waren om bij de grenzen van Europa op te houden. In 1529 belegerden ze Wenen dat ze echter niet konden innemen.

    Wie De grote Turk, In het voetspoor van Süleyman de prachtlievende, geschreven door Henk Boom leest, maakt kennis met dit deel van de geschiedenis en die toen zo gevreesde en machtige Turken. De grote Turk uit de titel is sultan Süleyman die als absoluut vorst zijn rijk van 1520 tot 1566 vaardig wist te besturen.

    In tegenstelling tot wat de titel suggereert is het boek geen uitgebreide biografie van de sultan zelf. Ook is het geen uitputtend overzicht van de gebeurtenissen tijdens zijn sultanaat. Boom legt de nadruk vooral op de invloed die de Turken toendertijd op West Europa hebben gehad en de sporen die ze hebben achtergelaten. Over bijvoorbeeld de vele activiteiten van de Turken in India en de Indische oceaan lezen we niets. Boom beperkt zich tot Europa. Met die keuze is niets mis, alleen suggereerde de titel bij mij iets anders.

    De eerste hoofdstukken doen de titel overigens nog alle eer aan. We lezen over de machtige Süleyman, zijn uiterlijk, zijn jeugd, zijn vrouw Roxelana, de hofintriges en zijn Topkapi paleis. Maar bij het bespreken van Süleyman’s veroveringen in Europa komt het werkelijke thema van het boek steeds beter naar voren. In de eerste bladzijden is daar de kiem al voor gelegd.

    ‘Wij en zij’ is de eerste zin van het eerste hoofdstuk. Hoe hebben we in het Westen in het verleden tegen die andere cultuur aangekeken? Natuurlijk komt dan Edward Saïd ter sprake wiens boek Oriëntalisme uit 1978 een even beroemde als belangrijke bijdrage aan de discussie vormt. Volgens de atheïst Saïd heeft het Westen altijd een eenzijdig beeld gehad van de Islam en die met leugens en mythes in stand gehouden. Je zou Booms De Grote Turk ook kunnen beschouwen als een poging om door de mythes van de eeuwen heen te prikken en de gouden eeuw van het Ottomaanse rijk eens zonder vooroordelen te bekijken.

    Henk Boom is journalist en dat merk je bijvoorbeeld door de vele gesprekken met historici waarvan hij verslag doet. In plaats van zelf stellingen in te nemen vraagt Boom aan experts om commentaar. Dat werkt goed, maar soms bleef ik met een ongemakkelijk gevoel zitten. Zo beweert een historicus dat de Osmaanse staat de enige politieke organisatie is geweest die Jodendom, Christendom en Islam heeft erkend. Boom laat die opmerking onweersproken en nuanceert die ook niet. Maar moslims hadden in het Osmaanse rijk wel meer rechten dan christenen en joden ? een feit dat later in het boek wel zijdelings ter sprake komt. En ook in het Spanje van de Mooren leefden moslims, joden en christenen betrekkelijk goed samen. In het Christelijke Sicilië van de Noormannen (of beter gezegd Normandiërs) in de elfde eeuw mochten joden en moslims hun geloof ook gewoon belijden.

    Een ander punt waar ik van opkeek is dat Boom in het eerste gedeelte van het boek de in oude bronnen genoemde aantallen onbekritiseert laat. In het enorme Topkapi paleis zouden soms wel 10.000 man twee maal per dag maaltijden gebruikt hebben, terwijl uit archiefdocumenten blijkt dat er 30.000 kippen en 22.500 schapen per jaar werden geslacht. Als iedereen tijdens die massale maaltijden een derde kippetje kreeg was men in negen dagen door de hele jaarvoorraad heen.

    Een ander voorbeeld. Als de Turken Rhodos innemen doen ze dat, volgens geschriften uit die tijd, met een leger van 100.000 man waarvan er 43.000 zouden sneuvelen. Zulke getallen kun je nauwelijks serieus nemen als je bedenkt dat het om een kleine stad ging waar hooguit enkele duizenden mensen zich schuil hielden. De echte vechtersbazen in de stad Rhodos waren de ridders van de Johannieten en dat zijn er enkele honderden, hooguit een paar duizenden geweest. Boom vermeldt wel keurig dat die cijfers uit oude bronnen komen, maar hij lijkt vergeten te zijn om de lezer te waarschuwen voor het twijfelachtig karakter van de getallen. Later, als de slag bij Mohaç in Hongarije beschreven wordt en er wordt gesproken over een leger van 200.000 man, stelt Boom zich wel de vraag of het aantal niet overdreven is. Het antwoord luidt ja. Zulke aantallen zijn meestal onderdeel van propaganda en werden gebruikt om indruk te maken.

    Verder lezend blijkt ook dat Boom juist erg geïnteresseerd is in de onbetrouwbaarheid en opzettelijke verdraaiing van historische feiten. Het wordt één van de best uitgewerkte thema’s van het hele boek. Zo staat hij uitgebreid stil bij de vraag of Wenen in 1529 nu het doel was van Süleyman of dat hij de Habsburgers gewoon eens aan het schrikken wilde maken. Boom laat de experts aan het woord en belicht zo meerdere kanten van wat duidelijk een controversiële historische kwestie is. Zoals een journalist betaamt trekt Boom geen conclusies en blijft hij zoveel mogelijk een onpartijdig toeschouwer. Als lezer kun je wel concluderen dat Süleyman in elk geval niet gedacht heeft dat hij heel Europa bij zijn rijk kon inlijven. Grootheidswaanzin maakte geen deel uit van zijn karakter en de macht die hij uitstraalde was gebaseerd op een realistisch overzicht van zijn militaire en politieke mogelijkheden.

    De beste gedeelten uit het boek zijn die over de Europese veldslagen van de Turken. Rhodos is de eerste stap, dan volgen de Hongaarse steden Boeda (nog zonder Pest), Mohaç en Eger. Het Turkse leger rukt op en de legendevorming slaat toe. Boom gaat als een echte correspondent een kijkje nemen in de genoemde steden op zoek naar oude sporen en verhalen. Met name in Hongarije lijdt dat tot interessante vondsten. De Turk leeft er nog voort in het nationale zelfbeeld. De nederlaag bij Mohaç is nog steeds voelbaar in de Hongaarse ziel en de roman De Belegering van Eger van Nobelprijswinnaar Gardonyi is nog steeds verplichte kost op Hongaarse scholen. Zo leeft de geschiedenis door als mythe. En juist dan is het moeilijk om erachter te komen wat er nu feitelijk is gebeurd. Voor nuances of een andere visie op de gebeurtenissen is dan weinig of geen plaats meer. In Bosnië, waar Boom zijn reis beëindigt is die conclusie het pijnlijkst voelbaar. De Turken brachten er de islam en heersten over de Balkan tot in de achttiende eeuw. Nationalisme kleurt de lokale visies op die periode uit de geschiedenis nog altijd hevig. Emoties kunnen daarbij hoog oplopen. De propoganda tijdens de oorlog in voormalig Joegoslavië maakte daar ook dankbaar gebruik van.

    Nationalisme maakt in zijn hevigste vorm een strikt onderscheid tussen wij en zij. De Turk, de moslim is al snel de ander. In de zestiende eeuw was dat niet anders. Turken waren geen Christenen en hun wreedheid was legendarisch. Boom nuanceert dat oude beeld en heeft veel aandacht voor de weinige Europeanen die daadwerkelijk in contact met de Turken kwamen. Hij gaat uitgebreid in op de verslagen van de gezanten die namens Karel V met Süleyman kwamen onderhandelen. Dat levert boeiende verhalen op.
    Boom is voortdurend op zijn hoede om een eenzijdig, Westers gekleurd beeld te schetsen van Süleyman en zijn rijk. Hij probeert dan ook zowel de Europese als Turkse visie op de geschiedenis zo goed mogelijk te belichten. Nuance heeft bij hem alle ruimte en waar controverses bestaan, krijgen we daar alle kanten van te zien. Dat geschiedkundige feiten onderwerp kunnen zijn van discussie is één van de interessantste aspecten van dit boek.

    De Grote Turk is een goed leesbare en evenwichtige geschiedenis over een periode waarin het Ottomaanse rijk op zijn hoogtepunt was. Wie meer wil weten kan de uitgebreide website bezoeken: http://www.degroteturk.com/.

     

     

  • Avontuurlijke tocht door de vroegere Belgische kolonie

    Avontuurlijke tocht door de vroegere Belgische kolonie

    Recensie door Rein Swart

    Het is 1985. Lieve Joris neemt de lezer mee naar de binnenlanden van Congo, waar haar heeroom, pater Houben, in eerdere decennia zijn levenswerk verrichtte en daarover voor de achterblijvers in de Gerardusbode berichtte. Congo werd in 1960 onafhankelijk van België en in 1971 omgedoopt tot Zaïre. Mobutu regeerde het land met ijzeren hand. Hij riep de verschillende stammen via de radio op tot eenheid en bouwde een dure residentie voor zichzelf in het noordoosten, in de streek waar hij vandaan kwam.

    Heeroom is maar een aanleiding voor Lieve Joris om de cultuur van de zwarten te leren kennen. Ze wil niet in zijn voetsporen treden, al verwacht de inheemse bevolking wel dat zij van alles voor hen heeft meegebracht en voor hen zal doen. Voor haar gaat het meer om sociale betrokkenheid of journalistieke nieuwsgierigheid. De 32-jarige Belgische stuit op een gedachtenwereld die haar soms heel cru voorkomt, bijvoorbeeld als men een ernstig zieke aan boord van de Ebeya, waarop zij landinwaarts vaart, laat creperen omdat hij tot een andere stam behoort. Soms is ze blij dat haar oom niet meer leeft omdat de toestand van het land er sinds de onafhankelijkheid niet op vooruit is gegaan. Als verklaring daarvoor wordt in het boek genoemd dat de Belgen in 1960 weg zijn gegaan zonder een bestuurskader achter te laten, hetgeen corruptie in de hand heeft gewerkt.

    De schrijfster vertrekt vanuit België met de Fabiolaville. Ze acht zich goed voorbereid op de vele vormen van ongedierte die haar zouden kunnen belagen, als op corrupte lieden, dieven en verkrachters, waar het land volgens sommigen mee vol zit. Omkoping is in Congo de gewoonste zaak van de wereld. Haar plan om de brousse, het oerwoud, in te gaan, wordt door haar medereizigers niet serieus genomen. Terwijl ze acclimatiseert in een patershuis in de havenstad waar het schip aanmeert, vraagt ze zichzelf af of ze de risico’s heeft onderschat en daarmee bindt ze de lezer nog meer aan zich.

    Een risico is zeker de spectaculaire boottocht op de Ebeya van Kinshasa naar Kisangani, de plaats waar Kurtz in Hart der duisternis van Joseph Conrad de scepter zwaait. Lieve Joris heeft gedurende haar reis door het land veel ontmoetingen met allerlei zwarten en blanken, die stelden dat de paters er nooit op wezen dat de inheemse cultuur ook zijn waarde had of dat de protestantse zendelingen, anders dan de katholieke paters, de Afrikanen meer zelf lieten doen, en beschrijft hen over het algemeen met mildheid.

    De schrijfster verwijst behalve naar Conrad ook naar Alberto Moravia die betoogde dat Afrikanen de westerse beschaving accepteerden omdat ze technische uitvindingen als iets magisch ervoeren, en naar V.S. Naipaul die in Bocht in de rivier de ‘zaïranisatie’ aanklaagt, het onzalige plan van Mobutu om de buitenlanders uit het land te verjagen.

    Lieve Joris schrijft zonder pretenties en weinig over zichzelf, hetgeen maakt dat de blik naar buiten gericht wordt. Ze leidt ons binnen in een wereld van evolués, d.w.z. Afrikanen die zich in westerse richting ontwikkeld hebben en de deuxième bureau, de bijvrouw met wie een zwarte man zich tijdens sociale aangelegenheden vertoont. Het boek kent een spannende afloop wanneer ze anti-kolonialen ondervraagt en opgepakt wordt door soldaten van het regime, hetgeen veel zegt over de grimmige politieke toestand die daar heerste.

    De tocht door de brousse gaat helaas snel voorbij. Lieve Joris schreef meer boeken over Congo zoals Dans van de luipaard en Het uur van de rebellen. Men kan voor een recente beschrijving van de geschiedenis van het land, dat inmiddels weer Congo heet, ook terecht bij AKO-winnaar 2010 Van Reybrouck. Dit prachtige sfeerportret van Lieve Joris over de periode dat de missionarissen het land kerstenden en de grillige gang van zaken na de onafhankelijkheid wordt al vijfentwintig jaar veel gelezen en geprezen en zal men niet snel vergeten.

     

     

     

  • De luchtigheid van een uitverkorenen

    De luchtigheid van een uitverkorenen

    Recensie door Ingrid van der Graaf

    Het romandebuut van Boudewijn Smid is een familiegeschiedenis die zich afwisselend afspeelt in de polder en in Amsterdam, en loopt van 1970 tot 2003. In een boeiende en levendige stijl vertelt Smid hoe een gezin uiteen gedreven wordt door de gekte van de moeder en welke gevolgen dit heeft voor met name, de jongste zoon. Het verhaal is, zoals Smid openbaarde tijdens zijn boekpresentatie op 21 oktober, geïnspireerd op zijn inmiddels overleden moeder. Een monument voor zijn moeder die geestesziek was, wil hij Een goede zoon nu niet meteen noemen. Wel wilde hij, zoals hij het zelf zegt: zijn moeder met dit boek in zekere zin herwinnen op de gekte.

    ‘Gekke’ moeders in de literatuur: een schrijnend, maar dankbaar onderwerp. In het in 2008 in Nederlandse vertaling verschenen boek Gekkenhuis van de Franse auteur Regis Jauffret, zegt de moeder in het begin van de roman: ‘Tegelijk met het vruchtwater heb ik mijn verstand verloren.’ In haar gekte isoleert deze moeder haar gezin van de buitenwereld en is niet in staat tot liefhebben.

    Krijn heeft net zo’n type moeder. Van Lenna, zijn moeder, zou je kunnen zeggen dat ze bij de geboorte van Krijn zichzelf verloor. Ze duldt geen enkele inmenging, buiten God in  haar gezin. Zelfs een arts komt er bij haar niet in. Hoewel Stan, de oudste zoon naar de christelijke dorpschool gaat, houdt Lenna haar jongste thuis. De dienst leerplicht moet er aan te pas komen om hem, als hij de lagere schoolleeftijd heeft bereikt, naar school te laten gaan. Maar met Lenna is er meer aan de hand dan een sterke moeder-kindbinding. Ze beleeft een traumatische liefde in de oorlogsjaren, met een Duitse soldaat. En in de winter van 1970, beschreven in de proloog van het boek, valt ze door een ongelukkige zet van haar man, keihard met haar achterhoofd op het ijs. Ze raakt even buiten bewustzijn en houdt daarna geruime tijd het bed. Maar dan begint de ellende pas goed. Lenna legt zich volledig toe op de Bijbel en komt niet meer buiten haar slaapkamer. Alle ingrediënten voor een tragisch boek, maar dat is Een goede zoon absoluut niet.

    De familie Sterveling verhuist in de zomer van 1970 naar de polder. Vader Ward is ingenieur en neemt naast zijn werk vele taken van het huishouden op zich. Lenna is te druk met het duiden van de openbaringen van God. Nadat ze getracht heeft de dorpelingen, zonder succes overigens, te bekeren door het verspreiden van traktaten van de Pinkstergemeenschap, weet ze haar plaats. Ze komt niet meer in het dorp. Andersom weten de dorpelingen waarmee ze van doen hebben: de Stervelingen zijn sektariërs en zonderlingen.

    Wanneer Krijn op de middelbare school zit wordt zijn moeder steeds gekker. Op een dag vraagt ze Krijn een stapeltje brieven, gericht aan de machthebbers van Nederland en één aan Prins Bernard persoonlijk, naar de brievenbus te brengen. God heeft haar aangewezen als adviseur van de machthebbers van Nederland en Krijn als haar koerier. Wanneer Krijn oppert dat het misschien een beetje raar is om aan de prins te schrijven, reageert Lenna furieus en zegt: ’God heeft me gezegd dat prins Bernhard de macht over het leger weer op zich moet nemen. Desnoods met geweld.’ (p. 199)

    Hoewel Krijn zijn moeder adoreert, vindt hij het steeds moeilijker met haar alleen te zijn. Op een dag roept zijn moeder hem bij zich. Ze zegt dat hij is uitverkoren. Dat hij niet moet schrikken, maar dat God haar die nacht vertelde dat hij zijn vader moet vermoorden. Zijn vader is de rotte plek in hun gezin en die moet hij eruit snijden. Ze legt hem precies uit hoe hij dat moet doen. Dat het een eretaak is. Het vleesmes uit de keuken moet hij nemen. Dat mes moet hij met al zijn kracht in zijn vaders nek steken, want hij heeft een taaie nek. Voor Krijn is nu wel duidelijk hoe het met zijn moeder gesteld is. ’s Nacht begraaft hij het vleesmes in het bos.

    Twintig jaar later woont Krijn in Amsterdam. Zijn vader leeft inmiddels niet meer. Hij heeft zijn leven overzichtelijk ingericht en wil dat graag zo houden. Zijn laatste relatie is tien jaar geleden verbroken. Hij heeft een baan als naamdeskundige bij een  niet nader genoemd instituut ( Smid zelf werkte op het Meertens Instituut ). Zijn taak is het in kaart brengen en verklaren van familienamen. Dat hij deze taak tijdens zijn leven niet zou kunnen afronden, geeft hem een aangenaam rustig gevoel. Twaalf jaar geleden verbrak hij alle contact met zijn moeder. Ook dat bracht hem rust.

    Dan gebeuren er verschillende dingen tegelijk. Stan belt hem op. Hij vindt dat Krijn zijn moeder moet bezoeken. Ze heeft niet lang meer te leven volgens Stan, en ze vraagt naar hem. Maar hij gaat niet. Hij ontvangt een e-mail getiteld, ‘Project’: Vreemde blikken van een hem onbekende vrouw, Doris Vonkel. Doris heeft Krijn uitgekozen als partner om ervaringstheater in de publieke ruimte mee te maken: ‘een ontdekkingsreis langs mensen, rollen en verwachtingen.’  Hij gaat er niet op in. Stan belt hem weer; als hij niet naar zijn moeder gaat, wil Stan hem nooit meer zien. Dit gaat Krijn te ver en hij zwicht. De schok van het weerzien (een oude vrouw, lange grijze haren op heuplengte ligt vegeterend, maar opgewekt op bed). De weerzin die hij opnieuw voelt als hij weer geconfronteerd wordt met haar waandenkbeelden en het ontbreken van elke realiteitszin, doen hem bijna weer op de vlucht slaan.

    Doris belaagt hem intussen met e-mails en belt hem zelfs midden in de nacht op. Het is bizar hoe dit gesprek zich ontwikkelt tussen hen. Krijn reageert afwerend. Maar geprikkeld door haar doortastende optreden en haar hese en lage stem, blijft hij aan de lijn. En voordat Krijn er bedacht op is, verleidt Doris hem tot het bedrijven van telefoonseks. Dat levert een kostelijke beschrijving op.

    Hoe ver kan je gaan wanneer je als ‘een goede zoon’ te boek staat? Een vraag waar Krijn zijn hele leven mee geconfronteerd wordt en waar hij uiteindelijk het antwoord op vindt.

    De verteltrant van Smid is to the point zonder enig sentiment, en werkt geregeld, op op de lachspieren. Dat alle vragen die opgeroepen worden niet beantwoord worden, doet er niet toe. Want wat was er nu eigenlijk aan de hand met Lenna? Was het door de klap op het ijs, maakte het moederschap haar kwetsbaar, of  was het haar traumatische liefde in de oorlog dat ze de realiteit uit het oog verloor? De geest van een ander is ondoorgrondelijk lijkt de schrijver met dit verhaal te willen zeggen. Een heerlijk en vooral eerlijk boek.

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Welgedaan in de verbeelding, afgedaan in de werkelijkheid

    Op de achterflap van de zesde roman van Thomése staat het heel simpel: ‘Man redt meisje van de dood en besluit haar voor zichzelf te houden. Een liefdesroman.’ Ja ja, maar wie de roman besluit te lezen zal spoedig merken: de enige die werkelijk gelooft dat dit een liefdesroman is, is de hoofdpersoon zelf. De verteller ziet deze hoofdpersoon namelijk heel anders dan hoe hij zichzelf ziet. En helaas voor de hoofdpersoon is hij in een boek beland waarin de verteller nog de macht heeft over zijn personages. De eerste regels zetten wat dat betreft al meteen de toon: ‘De man over wie dit boek gaat is na lange omzwervingen teruggekeerd in de provinciehoofdstad H***. Hij wil opnieuw beginnen, maar dat gaat niet meer. Als een vreemde doolt hij door de straten, de miskende zoon van hier, en de straten kijken niet terug. De tijd is er stil blijven staan, maar duidelijk niet om op hem te wachten.’ De man in kwestie blijkt een componist te zijn, ene Sierk Wolffensberger ‘want zo heeft hij zich genoemd.’ ‘Theo Kiers heette hij vroeger, voordat hij zich om artistieke redenen Sierk Wolffensberger is gaan noemen, wat toch heel wat beter klinkt. Sommigen worden onder hun ware naam geboren, anderen moeten hem eerst zelf zien te vinden.’ Met deze man, ‘onze allerlaatste romanticus’ zal de lezer het de rest van het boek moeten uithouden, want behoudens enkele uitweidingen die de alwetende verteller zich permitteert, beleeft de lezer het verhaal hoofdzakelijk door de ogen van dit miskende genie. ‘Niets is de mens en niets zal uit hem worden. Alleen onze held zelf ontkomt, dunkt hem. (…) Op een dag zal zijn ware gedaante aan de mensheid onthuld gaan worden. Dat weet hij. Daar gelooft hij in.’ Mooi is hoe het perspectief van de verteller haast ongemerkt in een enkele zin overgaat in dat van de hoofdpersoon, waardoor er een fijne ironische distantie in het verhaal ontstaat, dat zich vlot laat weg lezen. En dat zich in grote lijnen ? zoveel zijlijnen zitten er overigens niet in ? als volgt laat schetsen: Sierk Wolffensberger, een in de werkelijkheid sterk gefrustreerde en gemankeerde componist van vijftig die het des temeer van zijn verbeelding moet hebben, heeft speciaal voor Goede Vrijdag, een meerstemmig muziekstuk Duisternissen gecomponeerd. Op de dag voorafgaand aan de uitvoering stuit hij in de kerk waar hij zijn repetities houdt, bij toeval op het lichaam van een meisje van twintig dat daar voor dood ligt na een mislukte zelfmoordpoging. Ze blijkt echter nog in leven, en Beertje Wehry te heten. Dochter van een andere componist, jegens wie Sierk Wolffensberger redenen heeft afgunstig te zijn, al was het maar omdat deze meer erkenning geniet dan hijzelf. Sierk ontfermt zich maar al te graag over haar, omdat hij in haar een nieuwe kans, een nieuwe doorstart van zijn leven ziet. Hij eigent zich het meisje toe als zijn eigen creatie. Zij reageert er wat onwennig op, laat het zich allemaal wat aanleunen. Duidelijk is dat Sierk hoog inzet, en zich van alles in zijn kop haalt. Hij maakt zich van alles wijs, omdat hij meent dat zijn verbeelding het vetorecht heeft over de werkelijkheid. Hij gaat weliswaar met haar naar het ziekenhuis, maar meldt niet aan haar ouders of bekenden dat ze terecht is. Ergens halverwege het verhaal (dat uit drie, qua omvang, ongelijke delen bestaat), komen enige tegenstemmen aan bod: zoals de moeder van Beertje, haar vader en de vrouw van Sierk. De lezer komt via deze perspectieven aan de weet hoe de vork in de steel zit. Geen overbodige luxe in een verhaal dat de lezer bijna exclusief krijgt voorgeschoteld door de blik van iemand die sterk bezijden de werkelijkheid leeft. Beertje blijkt inmiddels als vermist opgegeven. Ze repeteerde nota bene bij Sierk in het koor (zonder dat Sierk haar daarvan in eerste instantie herkende overigens) Ze blijkt kortstondig iets met Sierks zoon gehad te hebben. Haar zelfmoordpoging valt dan ook te relateren aan de afgewezen liefde van diens zoon. Maar dat beeld kan vader Sierk niet verdragen. Zijn zoon is immers een talentloze, door puberhormonen geleefde nietsnut. Hij kan en wil de dingen niet anders zien dan hoe zijn verbeelding ze schept. Hij meent dat ‘zijn’ Beertje juist graag door hem gevonden en gered wilde worden. En zoals het een door zijn fantasie gegijzelde man betaamt, sluit hij zich steeds verder af van de realiteit. Tot er geen terugweg meer mogelijk is en hij schaakmat komt te staan. Het is een ongeschreven wet om in een recensie de afloop niet te verklappen, en ik ben ook niet van zins die wet met voeten te treden. Wel wil ik graag kwijt dat de allerlaatste romanticus zal ondervinden dat de relatie tussen zijn fantasie en de boze buitenwereld geen wederkerige is.

    De stijl in deze roman houdt de vaart erin, maar het verhaal zelf kruipt als een slak door het boek. Want in de 349 pagina’s die het telt, verglijden slechts twee dagen. En aan echte flashbacks wordt niet gedaan (dat komt de vlotte, recht-toe-recht-aan stijl van dit boek overigens zeer ten goede). Dat dit boek ondanks het magere verhaal zich toch als een pageturner kan gedragen, is geheel toe te schrijven aan de stijl van Thomése. Die is gewoon goed getroffen. Je blijft als lezer geboeid naar…ja, naar wat? Of Beertje zich toch aan hem zal geven? Hoe het afloopt? Tja, misschien uiteindelijk toch wel. En dankzij de ironie valt er onderweg het nodige te lachen. Wat bijvoorbeeld te denken van de passage die volgt op de vraag van de zojuist ‘geredde’ Beertje naar wie haar redder eigenlijk is? ‘Ik ben je redder, meisje, ik ben degene die je opvangt wanneer je valt. Ik ben degene die je troost als je het zelf niet meer weet. Ik ben het die je opraapt en weer op weg helpt, naast je loopt en je zorgen voor je draagt. Ik ben de man op de rand van het bed als het licht uitgaat. Ja, zulke dingen wil hij zeggen (…) maar dat gaat nu eenmaal niet (…) “Ja, we zullen ons maar even aan elkaar voorstellen, niet?” Meteen noemt hij zijn naam. Ze knikt, wat hem het gevoel geeft dat ‘Sierk Wolffensberger’ ook onder de jeugd een begrip is. “Zeg maar jij tegen me”, zegt hij erachteraan.’
    Mooie one-liners tref je ook aan: ‘In principe is hij een man die de waarheid dient, in de leugen blijft hij een beunhaas die er niets te zoeken heeft.’ Een boek dat het voornamelijk van zijn stijl moet hebben, verdient het ruimhartig geciteerd te worden. Daarom volgen hier wat langere passages. Aangekomen in een chique wijk van H*** , lezen we: ‘De eigenaren, of pachters of wat hun status ook moge zijn, zijn een familie die De Graaf of De Greef heet of zo ? een onaanzienlijke naam in elk geval die geheel niet voldoet aan de omgeving. Het zijn luidruchtige vertegenwoordigers van de ‘nieuwe elite’, zelfbedachte barbaren met grote glimmende auto’s, die van de toekomst houden omdat die net zo leeg is als zijzelf. Mensen die hij niet begrijpt ? liever niet! ? en die hem niet begrijpen. Hoe zouden ze? Muziek is een taal die zij niet spreken. Gelukkig zijn ze meer dan de helft van het jaar ‘voor zaken in het buitenland’. Verder heeft hij met deze mensen god zij geloofd niks te maken.’

    De boeken van Thomése zijn van lieverlee garant gaan staan voor een vette lach. Maar wat dat aangaat is dit boek subtieler dan zijn voorganger J. Kessel: The Novel. De romantische held is bijvoorbeeld allerminst een schuinsmarcheerder die op zoek is naar zijn Lolitameisje. Sierk is niet geslepen, noch is hij aandoenlijk vanwege zijn praktische onhandigheid. Op echt medeleven heb ik mij niet kunnen betrappen ? daarvoor staat de eigendunk van de hoofdpersoon te veel in de weg, al krijg je in de volgende passage wel met hem te doen. Als hij zich prepareert voor hun eerste nacht samen en Beertje intussen onder de douche staat, lezen we: ‘Hij ruikt zijn eigen zweet, hij voelt het plakken in spleten en plooien. Altijd weer die walging om het eigene, constateert hij. Komt hij daar dan nooit vanaf? Dat overbewustzijn van eigen imperfectie dat hem op het gevraagde moment verhindert zich te geven. Zijn leven lang zit hij al gevangen in zijn eigen onvoltooidheid, met uitzicht op een heden dat onbereikbaar voor hem blijft. Hij hoopt dat zij een oplossing voor hem heeft, betoverend uit de damp oprijst en alles vanzelfsprekend maakt. Nu hij te ver is gegaan, hoopt hij met heel zijn hart dat hij gered gaat worden, dat zij de waargebeurde droom is waarin zijn leven eindelijk werkelijk plaats kan vinden. Hoe dat in zijn werk zal gaan: geen idee. Moet hij zich alvast gaan uitkleden bijvoorbeeld? Alles plakt en knelt en zit hem in de weg. Hij liefst zou hij niet alleen zijn kleren uittrekken, maar ook zijn huid, het liefst zou hij, licht als zijn ziel, uit dat kleine, zware lichaam stappen. Om een begin te maken ontdoet hij zich alvast van zijn jas en knoopt hij zijn schoenen los. Ruikt de bedompte lucht die eruit opstijgt.
    Roept ze hem? Hij verstond het niet. “Riep je?” vraagt hij. Ze hoort hem niet in het klaterende watergeraas. Daarom staat hij op en loopt naar de douchecel. “Riep je me?” Ze draait de kranen dicht. “Handdoek” zegt ze, alsof het een ritueel betreft dat ze al jaren samen opvoeren, de komedie van intimiteiten die elk huwelijk is. Maar zij kennen elkaar pas een dag. Of ligt het aan hem? Wordt dit een armzalige huwelijksimitatie, enkel en alleen omdat hij niet anders kent?
    Als hij de grote ruwe badhanddoek galant voor haar wil openspreiden, plukt ze hem uit zijn handen. En voordat hij ook maar iets van haar naaktheid heeft kunnen ervaren, klapt ze de beslagen schuifdeur weer dicht. “En ook nog graag een kleine voor mijn haren.”
    Als hij klaar is met douchen, ligt zij al onder het dekbed. Ze slaapt. Of ze doet alsof ze slaapt. Nu durft hij wel, nu durft hij wel bij haar te gaan liggen, tegen haar aan te liggen wanneer het bed niet breed genoeg blijkt te zijn. Ze mag alleen zijn opwinding niet opmerken, houdt hij zich voor. Hij is haar redder, niet haar belager. Hij is geen chauffeur, geen Poolse proleet die ter plekke toeslaat. Daar is hij veel te gevoelig voor. Een laatste overlevende uit de Romantische School, zo ziet hij zich graag. Een man van vormen, van verschijningsvormen om precies te zijn. Een transcendente persoonlijkheid die pas zichtbaar wordt wanneer hij de banale werkelijkheid heeft overstegen.’

    Als Beertje eerder op de avond een tijdje alleen is gelaten, omdat Sierk acte de présence moest geven bij de repetitie van zijn eigen stuk in H***, heeft ze blijkbaar sigaretten gebietst. Hij leest een Pools merk op het pakje sigaretten. Het fijne ervan krijgt hij niet te weten. Beertje is niet zo’n prater. ‘Hij denkt aan het pakje Opal, hij kijkt weer naar haar billen. Er bekruipt hem een raar verdriet om de onbereikbaarheid van alles. Wat heeft hij al die jaren gedáán in zijn leven? Vastgezeten in een droom, een luchtbel die boven de dingen zweefde. En nu weet hij niet meer hoe hij erin moet komen, hoe hij het geluk moet grijpen. In plaats daarvan gaapt er in hem een gemis. Wat hij mist, is zichzelf, hij is zelf de grote afwezige in deze situatie. De enigen die handelend optreden, zijn Poolse vrachtwagenchauffeurs die gotweetwat hebben uitgehaald met Beertje. Kusje voor een sigaret, effe voelen, isse goed? Beertje, denkt hij, verdomme Beertje, wat is er gebeurd?’
    Zo ontvouwt zich de roman: alles meebelevend door de ogen van de hoofdpersoon.

    Zo’n dertig pagina’s voor het einde treedt de alwetende verteller, die het verhaal slechts op de eerste pagina’s op gang hielp (en soms even in een tussenzinnetje liet weten dat hij er was: ‘Raar dat binnen een dag zoveel kan veranderen, maar dat denkt hij niet’), opeens weer uit de coulissen. Als Sierk Wolffensberger slaapt, grijpt de verteller namelijk zijn kans om even het woord tot de lezer te richten. Op een subtiele manier, die knipoogt naar wat Thomas Mann met Hans Castrop in Der Zauberberg deed. ‘Nu hij slaapt, kunnen we het even over hem hebben. Als we de balans opmaken, zouden we zo langzamerhand mededogen met hem dienen te voelen, al kunnen we hem eerlijk gezegd moeilijk volgen. (…) Ach het is een dunne scheidslijn tussen meelijwekkend en lachwekkend. Laat hem nog maar even slapen, de arme ziel. Hij heeft het nodig.’

    Welke vorm van kritiek zou gepast zijn op dit boek? Terugbladerend in mijn exemplaar zie ik de meeste potloodstreepjes die ik bij mooie, treffende passages pleeg te zetten, voornamelijk in het eerste deel geplaatst. Dat kan erop wijzen, dat je als lezer wat verzadigd begint te raken van die redeneertrant van onze allerlaatste romanticus. Het verhaaltje is te mager om op iedere pagina een nieuwe gedachte bij hem tevoorschijn te toveren. Vandaar dat de lezer nog wel eens op een herhaling van zetten wordt getrakteerd. Weliswaar onvermijdelijk voor een personage dat in zijn eigen belevingswereld rondtolt, maar de lezer loopt de kans het op gegeven moment wel te gaan geloven. Wat dat betreft is het goed dat het boek nog een ontknoping kent waar je U tegen zegt. Eentje die verantwoord is. En die hard aankomt. Maar wel recht doet aan het hele boek. Dus toch een mooi boek? Jazeker, een heel mooi boek! Want het is geen geringe prestatie van Thomése om een stem zo overtuigend een boek lang vol te houden. Daarvoor moet je een groot stilist zijn.

    De weldoener

    Auteur: P.F. Thomése
    Verschenen bij: Uitgeverij Contact
    Prijs: € 19,90

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    ‘Wie niets gevonden heeft, heeft slecht gezocht!’
    Bezielende natuurbeschouwingen van een Vlaamse Jan Wolkers.

    In de laatste, wat langere beschouwing trekt Achilles Cools met zijn vrouw Brénine het natuurreservaat de Liereman in. Het is lente en dat is voor vogels en vogelaar het hoogtepunt van het jaar.
    ‘Het is nu een en al paren overal. Alles is weer nieuw en wordt nieuw.’

    Cools hoeft geen verre reizen te maken om de wereld te leren begrijpen. In zijn achtertuin vindt hij de meeste antwoorden.
    ‘In de Liereman zijn overal plekken om op je tenen te lopen, om je met open ogen te vergewissen van het vernieuwende om je heen. Het is zoeken naar sporen van de tijd die dit landschap hebben gemaakt tot wat het nu is. (…) Alles wat in de wereld gebeurt, gebeurt ook hier.’
    Cools mag zich gelukkig prijzen dat hij aan de rand van een natuurreservaat woont, maar anderzijds is iemand die zo begaan is met alles wat zich om hem heen in de lucht en op de grond afspeelt daar prima op zijn plaats.

    Vanaf de heide komt hij met Brénine, zijn engelbewaarder, aan wie hij het boek opdraagt, bij een uitkijkpunt over weide en water. Zij treffen daar bekenden zoals Frans, een doorgewinterde vogelaar die zijn hele leven al buiten is, ‘zoals te zien is aan zijn bruingetinte huid die fel afsteekt tegen zijn grijze haren’. Marc vertelt over een klapekster, die ergens moet rondvliegen. Cools en zijn vrouw gaan naar hem op zoek. Tijdens een pauze liggen ze op hun rug naar de wolken te kijken. Brénine ziet een vrouwelijke gestalte in een wolk en dat leidt tot een diepzinnige discussie over de meerwaarde van het vrouwelijke in vergelijking met het mannelijke. Op de terugweg zien ze de klapekster en voldaan keren ze huiswaarts.

    De vergankelijkheid is een belangrijk onderwerp in de beschouwingen. ‘Als er één zuinig is op de dood, dan is het de natuur. Toch is daar niet anders dan sterven, maar wat ten dode opgeschreven staat, schept altijd nieuwe mogelijkheden. Het leven teert op de dood, daar kan het eenvoudig niet buiten. (…) Alles gaat zijn eigen gang, tot het kleinste toe om ten slotte uit te monden in het grote geheel.’

    Cools spreekt met veel liefde over die natuur, over de vogels en hun liefdesleven, dat, behalve bij de tortels, vluchtig is. Hij kan lyrisch worden over de zang een boomleeuwerik en zich boos maken over het geknal tijdens de oudejaarsviering, over Nordic walkers die geen oog hebben voor de natuur en plezierjagers die op vogels schieten. Op het eind van zijn stukjes heeft hij soms een kwinkslag in petto net als de vink die zijn liedje met een vinkenslag beëindigt. Soms komt hij met een grappige anekdote zoals over twee uilenringers die zaten opgesloten in een kerk en voor geestverschijningen werden aangezien en daarom te middernacht maar besloten om de klokken te luiden.

    Zijn nieuwsgierigheid deed me denken aan Jan Wolkers die voor Villa Achterwerk, een jeugdprogramma van de VPRO-televisie, op meeslepende manier kinderen interesse bijbracht voor de natuur dichtbij huis, zoals het volgen van het maken van een spinnenweb.

    Ook schrijft Cools over gewone vogels als de merel, de vink, en vooral de kauw, die door velen rond het huis wordt gedoogd maar die hij als sociaal en schrander kenschetst. In de vlucht van een zwerm spreeuwen ziet hij een voorbeeld van collectieve intelligentie, in het lied van de geelgors herkent hij de eerste noten van de vijfde van Beethoven en van een zomerregen kan hij intens genieten.

    Deze stukjes, die ongetwijfeld eerder als columns zijn verschenen, worden verlevendigd door prachtige illustraties van de hand van Cools en hij komt er zelf soms ook op voor met zijn hoed.
    Hoewel de titel volgens mij expressiever had gekund en men de stukjes het beste gedoseerd tot zich kan nemen, is Vleugels niet alleen leerzaam, maar verlokt het bovendien om zo snel mogelijk de natuur in te gaan en de eigen ogen goed te gebruiken.

    Vleugels

    Auteur: Achilles Cools
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas
    Prijs: € 25,-

  • Over de herijking van het kinderlijk geloof

    Over de herijking van het kinderlijk geloof

    In dit rijke verslag, dat net zoveel kanten bezit als een flonkerende diamant, knoopt Westerman geologische, godsdienstige, politieke en persoonlijke onderwerpen op een vloeiende manier aan elkaar, waarbij de herijking van zijn hervormde geloof voorop staat. De geplande beklimming van de berg Ararat vraagt om bezinning. Geloven en weten, mythe en kille werkelijkheid strijden met elkaar op de flanken van de berg waar volgens de overlevering Noach ooit met zijn ark gestrand zou zijn. Volgens diluvionisten, d.w.z. aanhangers van het geloof in de zondvloed, moet dat op een woensdag geweest zijn.

    De proloog begint verrassend met een vakantie in Frankrijk, waar de twaalfjarige Frank bijna verdronk toen hij met andere kinderen een dam maakte in de rivier. Het verhaal gaat vervolgens verder met een blik op de Ararat vanuit Jerevan waar hij eerder als Russisch correspondent aan het werk was. De Armenen kunnen alleen maar kijken naar hún berg die over de Turkse grens ligt.

    Omdat het boek zoveel facetten kent, geef ik van alle vier bovengenoemde onderwerpen enkele voorbeelden:

    – het geologische speelde al vroeg in het leven van Westerman een rol omdat zijn vader bij de N.A.M. in Noord-Oost Nederland werkte. Het gezin nam eens op een zondag een kijkje bij een boortoren in de buurt, die niet veel later door een ongeluk met de gaswinning de bodem inzonk. Hij bezoekt de plek later met een vroegere werknemer. Geologische lagen werden door elkaar geschud. Later gaat hij naar de Ararat om foto’s te maken voor Armeense geologen die daar niet mogen komen en graag meer over de natuurlijke historie willen weten.

    – wat betreft het godsdienstige viel met het inzicht in de ijstijden het doek voor de diluvionisten. In 1829 werd het onbedwingbaarheidsgebod, dat vanwege godsdienstige redenen een verbod stelde op beklimming, doorbroken door de Duitser Parrot, maar een jaar voor zijn dood werd een klooster, dat op de flanken van de berg lag, door een aardbeving verzwolgen. Arkzoekers gaven echter niet op en bleven komen zoeken naar resten van de ark, waaronder de astronaut Jim Irwin, die zoals meer maanlanders een klap van de molen had gehad en gevallen was voor het creationisme, een stroming die meent dat er een Goddelijk ontwerp aan het bestaan ten grondslag ligt.

    – de Ararat bevindt zich in een politiek explosief gebied met Koerden, Turken, Armenen en Russen en met een Navo-basis aan de noordkant. Westerman noemt het een strategisch bolwerk in een geopolitiek spel. Het verkrijgen van een visum bij de Turkse ambassade was moeilijk omdat hij eerder als correspondent over Armenië had geschreven.

    – het persoonlijke, tenslotte, komt tot uiting als de toekomstige schrijver op de lagere school tijdens het zingen van het lied He’s got the whole world in his hands de vensterbanken in de aula ziet als de reling van de ark. Op de middelbare school brengen de betavakken hem aan het twijfelen. De tweestrijd heerst ook onder leraren. Frank voelt zich een omgekeerde Job die de standvastigheid van zijn ongeloof wil beproeven. Als hij op weg naar de Ararat in Istanbul een moskee bezoekt, verafschuwt hij de collectieve onderwerping van de gelovigen. Pas in het allerlaatste hoofdstuk krijgen we een verslag van de spannende beklimming van de ruim vijf kilometer hoge berg.

    De diversiteit aan onderwerpen maakt het boek levendig. Door de beschouwelijke en dan weer verhalende vorm wordt de informatie op een terloopse manier door de tekst geweven. Vermakelijk is een wadlooptocht waar ook zijn vrouw Suzanna Jansen aan deelneemt om zich te kunnen inleven in de gedachtenwereld van haar man, die een vergelijkbare ervaring wil opdoen als de Joden tijdens de doortocht door de Rode Zee. De jonge vader betrekt ook zijn dochter van drie jaar bij het onderzoek. Hij gaat met haar naar het Teylers museum om daar te kijken naar de zogenaamde zondvloedmens. Hij heeft zelfs het boek aan haar opgedragen.

     

     

     

  • Recensie door: Machiel Jansen

    Recensie door: Machiel Jansen

    Jongens waren het de Titaantjes van Nescio. Aardige jongens ook nog eens. Aan het begin van de twintigste eeuw stonden ze aan de rand van het Amsterdamse Oosterpark te dromen van een leven dat ze ver verheven achtten boven het saaie burgerleven dat anderen leiden. Een eeuw later zijn ze er nog steeds, de mensen die hun leven liever wijden aan schoonheid, de literatuur of de kunst, in plaats van te kiezen voor een leven dat bepaald wordt door gezin, geld verdienen en de verplichtingen van de werkweek. Jongens zijn het niet meer uitsluitend, en aardig zijn ze vaak ook al niet.

    Neem Prosper Morèl, de hoofdpersoon uit de debuutroman De vernietiging van Prosper Morèl van Jamal Ouariachi. Hij is 38, psycholoog met een goed lopende praktijk in het rijke Amsterdam-Zuid, getrouwd en kinderloos. Vroeger, in de jaren negentig heeft hij een poging gedaan om kunstschilder te worden. Een jeugdzonde waar hij niet graag aan herinnerd wil worden, zo blijkt.  Toch is die periode allesbepalend voor de rest van zijn leven.

    Als beginnend kunstschilder woonde Morèl in een kraakpand in het centrum van Amsterdam, dat hij deelde met zijn vriend Remco Haak, die beeldhouwer zou worden, en het meisje Chris Altena. Haak is jaren later nog steeds bevriend met Morèl en is inmiddels een internationaal beroemd architect geworden. Zijn naam doet natuurlijk denken aan die van Rem Koolhaas. Het is overigens niet te hopen dat Koolhaas ook het karakter heeft van Haak want het romanpersonage is een groteske karikatuur die desondanks geloofwaardig is. Hij is grof, egoïstisch, belust op geld en seks en onmogelijk brutaal. Het meisje Chris Altena steekt bij de twee heren wat vreemd af. Zij doet een poging schrijfster te worden en is wars van compromissen waar het haar schrijversleven betreft.

    Als dit drietal een generatie representeert die niet zo lang geleden nog iets van idealisme in zich had en niet wenste te kiezen voor plat gewalste maatschappelijke paden dan zakt je de moed toch in de schoenen. Alle drie zitten deze net-niet kunstenaars vol cynisme (Morèl), woede op de buitenwereld (Chris) en grenzeloze zelfoverschatting (Remco Haak).

    Maar Ouariachi heeft geen realistisch portret geschreven van een generatie. Het is fantasierijke fictie wat hij schrijft en bijna voortdurend is er sprake van een avontuurlijke spanning. Het beeld van mislukte talenten en gefnuikte idealen ontstaat langzaam. Het verhaal begint, na een korte proloog, met Morèl als succesvol psycholoog die ongevraagd een erfenis krijgt van zijn vroegere huisgenote Chris Altena. Met tegenzin accepteert hij een doos waarin haar dagboeken zitten en met tegenzin begint hij te lezen. Chris is een schrijfster in wie uitgeverijen nooit iets gezien hebben en de fragmenten van haar hand die we onder ogen krijgen bevestigen dat oordeel. Het lezen van Chris haar dagboek deed mij even afvragen of de roman wel zo sterk zou blijven als hij begon.

    Morèl leest in die dagboekbladen over zijn eigen vroegere leven. Een leven vol hoop, weinig talent, veel hangen en dat alles vanuit een arrogante weigering om iets van een ander te willen leren. Zelf weten ze het beter en komen ze tot weinig. Behalve Chris die voortploetert op een wel heel eenzame weg. Uiteindelijk kiezen Morèl en Remco voor de makkelijke uitweg: studeren, een carrière en een burgerleven waarin de ironie de boventoon moet vieren.  Dit tot woede van Chris die postuum wraak neemt door Morèl haar dagboeken na te laten.

    Chris schrijft ook over haar oom Adri die na een totaal mislukte carrière als kunstschilder zelfmoord heeft gepleegd. Die mislukking, het totaal gebrek aan talent in een kunstenaarswereld die bestaat uit het bedenken van pogingen tot shockeren en tot het herhalen van wat al veel te vaak gedaan is, begint na een aantal bladzijden toch te schuren in positieve zin. De aanvankelijke, literaire onbenulligheid van Chris haar teksten neem je voor lief omdat zij is voorgesteld als ongetalenteerd en mislukt. Het is een merkwaardige kunstgreep die goed uitpakt.

    Morèl leest, leest en spit daarmee zijn eigen leven om. Hij trekt zich terug op zijn zolderkamer om in eenzaamheid verder te lezen, verwaarloost zijn huwelijk,  en begint zich te steeds meer te ergeren aan de luxe relatieproblemen van zijn Amsterdam-Zuid cliënten. Het dagboek drukt hem met de neus op de feiten: zijn huidige leven is bepaald geen kunstwerk en ook van de voorgenomen ironie is bitter weinig terecht gekomen. Hoe verder Morèl doordringt in de geschriften van de overleden Chris hoe slechter het met hem gaat.

    Chris haar geschriften worden gaandeweg verwarder. Zij lijkt de greep op haar eigen eenzame en armoedige leven langzaam kwijt te raken. Na een mislukte roman bijt ze zich vast in een werk over zelfmoord waarvan de conclusie zich langzaam openbaart. Zelfmoord is te beschouwen als een kunstwerk, de ultieme uitdrukking van de eigen wanhoop die een voortleven in de herinnering van anderen het best waarborgt. Het is een absurde stelling die uitgebreid wordt beargumenteerd met voorbeelden als de dood van Kurt Corbain en de aanslagen op de Twin Towers.

    Morèl leest het hoofdschuddend en is inmiddels stevig aan de drank geraakt. Zijn praktijk verliest cliënten, zijn vrouw verlaat hem en even denk je dat het boek zal aansturen op de zelfmoord van Morèl. Maar zo voorspelbaar is deze roman bij lange na niet.

    Steeds duidelijker wordt wel dat vernietiging de enige weg lijkt die Morèl uit zijn existentiële impasse kan halen. Hij is niet meer in staat in idealen op te gaan, creatief te zijn tot in het diepst van zijn ziel. Eerst moet er iets kapot gemaakt worden voordat met iets nieuws kan worden begonnen. Het is een even cynische als overtuigend gebrachte gedachte.

    De teksten van Chris hebben een ver strekkende invloed. Ze komen terecht bij een patiënt van Morèl, ook al een gefnuikt kunstenaar, die vervolgens een zelfmoordaanslag pleegt. Dit overigens tot ontzetting van Morèl. Vanaf dat moment verandert de roman van toon, wordt de spanning met meer fantasie opgevoerd en neemt de actie toe. De verwikkelingen die plaats vinden hebben alles te maken met een megalomaan project van Morèl’s vriend Remco Haak die naast het Amsterdamse Centraal Station een enorme toren, IJ-Morgana, heeft gebouwd.

    Interessant is dat op het moment dat Morèl zichzelf verliest en verandert, de roman fantasierijker wordt. De nummers van de hoofdstukken maken plaats voor titels die verwijzen naar bekende werken in de schilderkunst. Wie iets van kunstgeschiedenis weet, merkt ook dat elk hoofdstuk duidelijke verwijzingen bevat naar de schilders van deze werken. Zo ontmoet Morèl op de Zeedijk een figuur die in alles op Piet Mondriaan lijkt. Vriend Remco wordt vergeleken met beschrijvingen die op het werk van Caravaggio zijn geënt en de lezer die onlangs in het Gemeentemuseum in Den Haag de tentoonstelling Kandinsky en Der Blaue Reiter heeft gezien, kan ook een zin als de volgende plaatsen.

    Remco was hem ontschoten, van hem weggeschoten als een blauwe ruiter op een galopperend paard, naar een wereld waarin alles op z’n kop leek te staan, grenzen vervaagden, lijnen vervormden.’

    Het is speelse symboliek in een boek dat dan al niet meer kapot kan. De achterliggende gedachte is duidelijk. Morèl verliest zijn oude gepantserde huid en naar boven komt de schilder in hem die al die tijd heeft liggen wachten. De wereld wordt weer kunst en Morèl bekijkt alles met andere ogen. Zijn wedergeboorte komt langzaam voort uit de vernietiging van zijn oude bestaan. Die vernietiging is geen zelfmoordaanslag maar iets wat er gevoelsmatig dicht bij in de buurt ligt. Ook een zelfmoordaanslag kan levens redden, zou je cynisch kunnen concluderen.

    Die eindconclusie, hoe bizar die nu ook mag klinken, zet wel aan tot denken. In een kunstwereld waar kunstenaars zich nog steeds proberen te overtreffen in de mate waarin hun werk kan shockeren, is zelfmoord als kunstwerk geen idiote gedachte meer. Voor een generatie die nauwelijks idealen heeft of blijft hangen in een fuik van een gebrek aan ontwikkeling, er niet in slaagt talenten te ontplooien in plaats van ze aan coke of de werkweek te grabbel te gooien, is de eigen vernietiging misschien nog de enige oplossing. Je vraagt je af of net zoals Morèl uiteindelijk zichzelf hervindt in de schoonheid van de schilderkunst ook de huidige tijd zichzelf zou moeten hervinden. Daar is veel, misschien wel te veel, voor nodig lijkt de boodschap van de roman te zijn. Ouariachi is overigens slim genoeg om dergelijke beschouwingen impliciet te laten. Hoogdravend is de roman nergens al is het slot bijna onafwendbaar moralistisch, wat overigens geen literaire doodzonde is.

    Kritiek kun je hebben op de geloofwaardigheid van het fantasievolle tweede deel van de roman. Daar tegenover staat dat er geen saaie pagina in het boek is aan te wijzen. Je kunt je storen aan het cynisme van Morèl en de afkeer van alles wat aan iets zweverigs doet denken. De no-nonsens houding van zowel Morèl als Ouariachi is op zijn slechtst vermakelijk, op zijn best bewonderenswaardig. Morèl heeft duidelijk een broertje dood aan dieptepsychologie, alternatieve geneeswijzen en hoogdravend gezwets. Ouariachi doorspekt zijn roman niet met filosofische bespiegelingen. Het verhaal moet zichzelf vertellen en dat lukt wervelend. De vernietiging van Prosper Morèl is wat mij betreft een uitstekend gelukt, rijk debuut dat prikkelt, schuurt en aan het denken zet.

    Een interview met de auteur is te vinden op http://avonden.radio6.nl/tag/jamal-ouariachi/

    De vernietiging van Prosper Morèl

    Auteur: Jamal Ouariachi
    Verschenen bij : Uitgeverij Querido
    Prijs: € 19,95

  • Fluisterende gedachten tot zwijgen gebracht

    Fluisterende gedachten tot zwijgen gebracht

    Het is moeilijk om uit te maken waar Bart van Loo het meest van onder de indruk is, van de zwartharige schoonheid Coraline, van de schitterende oude gebouwen van Antwerpen of van het Verzameld werk van Willem Elsschot. Coraline en Bart ontmoeten elkaar in de Bibliothèque Nationale te Parijs. Niet iedereen vindt het een mooi gebouw maar daar kan Alain Giebens ook niets aan doen. Hij maakte er, net als van de Antwerpse straatbeelden, een prachtige foto van. De beelden zijn heel plezierig om naar te kijken en samen met de prettig leesbare tekst van Bart van Loo vormen zij een monument voor de stad Antwerpen.Het is moeilijk om uit te maken waar Bart van Loo het meest van onder de indruk is, van de zwartharige schoonheid Coraline, van de schitterende oude gebouwen van Antwerpen of van het Verzameld werk van Willem Elsschot. Coraline en Bart ontmoeten elkaar in de Bibliothèque Nationale te Parijs. Niet iedereen vindt het een mooi gebouw maar daar kan Alain Giebens ook niets aan doen. Hij maakte er, net als van de Antwerpse straatbeelden, een prachtige foto van. De beelden zijn heel plezierig om naar te kijken en samen met de prettig leesbare tekst van Bart van Loo vormen zij een monument voor de stad Antwerpen.

    Coraline komt speciaal voor Bart, vanuit Parijs naar Antwerpen. Althans dat denkt hij maar het vermoeden bestaat dat zij ook erg nieuwsgierig is naar het werk van Elsschot. Samen bespreken zij zijn werk en verkennen intussen de stad. Willem Elsschot was een meester van de miniatuur, volgens Bart van Loo, en maakte van het weren van breedsprakige gevoelens zijn handelsmerk en zijn humor balanceert op de rand van de bezadigde glimlach. Mooier kan Elsschot toch niet worden gekarakteriseerd?

    Coraline ontvouwt een nog niet eerder bekende literaire theorie, die van het vooruitwijzende plagiaat. Zij noemt het Le plagiat par anticipation. Elsschot zou hebben gegrasduind in het werk van Albert Camus en gedeelten uit De vreemdeling, dat in 1942 verscheen, hebben opgenomen in zijn roman Kaas, dat al in 1933 van de persen is gerold. Bart beziet zijn vriendin argwanend, het zou wel eens kunnen zijn dat zij hem in het ootje wil nemen. Echter uit haar houding spreekt oprechtheid en zij somt een aantal treffende overeenkomsten op tussen een aantal werken van bekende auteurs. Zo zou Sophocles leentjebuur hebben gespeeld bij Freud. Sommige schrijvers zouden zich hebben laten inspireren door teksten uit de toekomst en een later geschreven verhaal oefent invloed uit op een lang van te voren geschreven tekst. De omgekeerde wereld dus. Bart vraagt zich af of hij soms te veel gedronken heeft.
    De discussie is in zoverre interessant dat de lezer nieuwsgierig wordt naar het werk van de hier genoemde auteurs zoals Georges Perec en Albert Camus. Van het een komt het ander en dit is ook één van de grote verdiensten van dit boek, het spoort aan tot verder onderzoek.

    Elsschot had een voorliefde voor het getal 17. Hij woonde te Parijs in de rue d’Armaillé op nummer 17 en deze straat bevindt zich in het 17 de arrondissement maar in zijn debuutroman Villa des Roses verandert hij het huisnummer 17 in 71. Zowel in Tsjip en in Kaas als in Villa des Roses speelt het getal 17 een geheimzinnige rol. De aandachtige lezer zal het inmiddels opgevallen zijn dat de bladzijde 70, in het boek van Bart van Loo, wordt gevolgd door bladzijde 17. Ook hier weer die eigenaardige omdraaiing. Als ze er over na denken speelt het getal 17 ook een grote rol in het leven van Bart en Coraline. Toeval natuurlijk.

    Wanneer Coraline weer is vertrokken naar Parijs, dwaalt Bart als een geslagen hond door Antwerpen. Wel ontvangt hij, waarschijnlijk door haar toedoen, een uitnodiging om een lezing bij te wonen over Willem Elsschot die wordt gehouden in de Bibliothèque Nationale die wordt georganiseerd door het illustere gezelschap Oulipo (Ouvroir de Literature Potentielle, werkplaats voor potentiële literatuur) Bart besluit tenslotte te kiezen voor het drinken van een Geuze samen met zijn vrienden en de Parijse schone en de verhalen van Elsschot uit zijn hoofd te zetten. Hij heeft aan de uitnodiging geen gehoor gegeven. De wind drijft het drukwerk in de richting van het standbeeld van Rubens. De nog fluisterende gedachten aan Coraline zijn tot zwijgen gebracht.

     

    Elsschot, Antwerpen & Coraline
    Auteurs: Bart van Loo (tekst) en Alain Giebens (foto’s)
    Uitgever, Houtekiet/Atlas
    Prijs: € 19,95

  • ‘Alles moet opgeschreven worden.’

    ‘Alles moet opgeschreven worden.’

    ‘Alles moet opgeschreven worden.’

    ‘In het westen van Tokyo bevindt zich de schilderachtige buurtschap Nieuwloofwijk.’
    Met deze eerste zin omschrijft de schrijver de wijk, waar hij gedurende de eerste jaren van deze eeuw een aantal oudere buurtbewoners portretteert. Van Heest is dan nog journalist, maar met tegenzin en zit liever thuis terwijl zijn vrouw Annelotte in de bloemenhandel werkzaam is. Van Heest houdt ervan om naar zijn buren te kijken en hen te beschrijven. Hij portretteert hen in dit boek om beurten.

    Het eerste en meteen het mooiste portret is van mevrouw Suzuki, die steeds vergeetachtiger wordt. Van Heest trekt zich haar lot aan en oogst daarmee de dankbaarheid van haar familie. Aan het eind van het boek, als hij inmiddels naar Nieuw-Zeeland geëmigreerd is, bezoekt hij samen met enkele van haar familieleden haar graf.
    Enkele andere buurtbewoners zijn kapper Booreiland die leverkanker heeft en trompettist Z. die hem en zijn vrouw fluitles geeft. Zij worden af en toe door Z. uitgenodigd voor een etentje, maar ze zijn zelf vegetariërs en worden ziek van de grote hoeveelheden vlees die ze daar krijgen. Verder leren we onder meer kok Dzjoen kennen, die geen vaste baan heeft en bedelt om geld, de heer Van Tricht, die in de loop van de jaren aan de praat raakt over zijn gedrag tijdens de oorlog en mevr. D., een Jehova’s getuige die bevriend raakt met Van Heest.
    De meeste Japanners hebben Nederlandse namen zoals mevrouw Schaduwberg of Boomdorp.
    De fonetische schrijfwijze van Japanse namen zoals Foedzji in plaats van het gebruikelijke Fuji doet vreemd aan.

    Door de dialoogvorm komen we mondjesmaat iets te weten over de verhouding tussen Van Heest en zijn vrouw. Ze hebben geen kinderen, wel een kat zonder staart. Detlev is behoorlijk fobisch, Annelotte komt over als een chagrijnig mens. Ze heeft veel op haar man aan te merken. Ze vindt bijvoorbeeld dat hij teveel foto’s maakt. Het vele gekibbel doet denken aan de relatie tussen Maarten en Nicolien in Het Bureau van Voskuil. Het boek is ook aan de laatste opgedragen. Detlev is een fanatiek dierenbeschermer, net als Voskuil was. Hij onderneemt actie om te voorkomen dat bomen gerooid gaan worden. De dwangmatige manier waarop hij de bloemen van zijn uurwerkplant telt, is exemplarisch voor het opschrijven van alles wat er in zijn buurtje gebeurt. Daarmee schetst hij wel een interessant beeld van de dagelijkse Japanse cultuur.

    Van Heest baseert zich qua stijl, vorm en zelfs bepaalde uitdrukkingen op Voskuil. Daar is niets op tegen, maar zoals vaker is de kopie minder overtuigend dan het origineel. In dit boek had nog wel wat geschrapt kunnen worden om het geheel sterker te maken, maar ook in deze vorm levert het een boeiend menselijk document op.

    De verzopen katten en de Hollander

    Auteur: Detlev van Heest
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot (2010)
    Prijs: € 25,- paperback, € 45,- gebonden

  • Verhalen zonder verrassende ontknoping

    Verhalen zonder verrassende ontknoping

    Op het omslag wordt Bernhard Schlink aangekondigd als de schrijver van De voorlezer, dat in 1995 een wereldhit was. Er staat niet bij dat dit nieuwe boek verhalen bevat; langere verhalen weliswaar, maar die vallen toch tegen. De eerste drie verhalen bevatten hetzelfde ingrediënt, namelijk onbetrouwbaarheid in een man-vrouw relatie. Dat gegeven wordt nogal belegen en flets uitgewerkt, waardoor de hoofdpersonen inwisselbaar worden. Gelukkig zijn de andere verhalen intrigerender.

    De zeven verhalen spelen zich vooral af in de Verenigde Staten en in Duitsland en de titel doet dienst als leeswijzer. De zomerleugens spelen zich vooral af binnen relaties, waar vrouwen een kind willen van mannen die minder viriel zijn.

    Naseizoen begint met een scène op een vliegveld, waar een Europese fluitist de Amerikaanse Susan nakijkt na een vakantieliefde in het noordoosten van de Verenigde Staten. Vervolgens blikken we terug op hun ontmoeting tijdens een etentje en een bezoek aan het strand. ‘Ze zaten onder de paraplu en verzonken in hun herinneringen. Als twee kinderen die verdwaald zijn en naar huis willen, dacht hij.’

    De steenrijke Susan heeft een huis op het eiland vlakbij de zee en nodigt de man daar uit. ‘Ze kwamen niet op het idee om wat er bij hun ontmoeting in het restaurant geknarst had en gehaperd had als waarschuwing op te vatten.’ Ze blijkt een kind te willen en vat het plan op om samen met de fluitist een appartement in New York te gaan bewonen. Als de man, die niet  echt van haar houdt, terug is in New York, betwijfelt hij of hij alles voor haar moet opgeven.

    De nacht in Baden-Baden gaat over een toneelschrijver die op liefdesgebied van twee walletjes eet. Hij brengt een nacht door met vriendin Therèse en verzwijgt dat voor zijn vrouw Anne, die een kind van hem wil. Aan het eind stelt de man vast dat er niets op tegen is om de waarheid te spreken.

    In Het huis in het bos wil een man zijn dochter en zijn vrouw Kate, een succesvolle schrijfster, helemaal voor zich alleen hebben. Hij blijft voortdurend, en tot vervelens toe, zoeken naar bestendigheid.

    In De vreemde in de nacht vertelt Werner Menzel tijdens een turbulente vlucht naar Europa zijn levensverhaal aan Jacob Saltin, die naast hem in het vliegtuig zit: ooit werd zijn mooie blonde vrouw Ava ontvoerd in Irak door handlangers van een sjeik. Ava weet te ontsnappen en Werner en zij zien elkaar later terug in Genève maar met hun relatie komt het niet meer goed. Sterker nog, Menzel vermoordt haar maar wil daarvoor wel boeten Als hij na vijf jaar vrij komt, leent Jacob hem geld voor een vliegticket naar Amerika. Jacob vraagt zich af met wie hij nou te doen heeft gehad.

    De laatste zomer gaat over de gepensioneerde hoogleraar Thomas Wellmer die een zwakke gezondheid heeft en eraan denkt om, na een mooie zomer met zijn hele familie, een eind aan zijn leven te maken. Zijn plan wordt ontdekt door zijn vrouw. Thomas legt zijn lot in haar handen.

    Johann Sebastian Bach op Rügen gaat over een zoon die meer wil weten over zijn vader en hem daarom uitnodigt voor een weekendje klassieke muziek op bovengenoemd eiland. Uiteindelijk moet de zoon zich schikken in het lot. ‘Niets bestond er tussen hem en zijn vader, niets.’ Met dit verhaal wist de schrijver voor het eerst enige ontroering bij mij op te wekken.

    De reis naar het zuiden begint verrassend.  ‘De dag dat ze ophield van haar kinderen te houden was niet anders dan andere dagen.’ Oma ergert zich eraan dat de kinderen haar ex-man, die hertrouwd is, nooit noemen. Kleindochter Emilia gaat met haar  mee op reis naar een stad waar oma ooit haar grote liefde beleefde. Emilia brengt de geliefden weer bijeen. Oma vindt dat ze zelf een verkeerde keuze heeft gemaakt en hoopt dat Emilia het later beter gaat doen.

    Hoewel dit laatste verhaal aardig eindigt zijn de meeste verhalen te bedacht en te weinig expressief. Dat mag blijken uit het volgende fragment over de verhouding van Anne en haar man in het tweede verhaal, dat uitleggerig van aard is. Dit citaat geeft tegelijk een beeld van de repeterende stukjes die af en toe in de verhalen voorkomen.

    ‘Hoezeer ze ook naar elkaar verlangden, hoe mooi ze het ook samen hadden ? ze hadden niettemin hevige ruzies. Omdat hij zich had neergelegd bij dat meer gescheiden dan gemeenschappelijk leven en zij dat niet deed. Omdat hij niet zo mobiel en beschikbaar was als hij volgens haar had kunnen zijn. Omdat zij wat haar carrière betrof niet de compromissen sloot die ze volgens hem had kunnen sluiten. Omdat ze zijn spullen doorzocht. Omdat hij loog als kleine leugens grote conflicten leken te kunnen vermijden.’

    De hoop dat Schlink op het eind van zijn verhalen zou overrompelen, kwam in Zomerleugens helaas niet uit.

     

    recensie door: Rein Swart

     

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    In het Haydn-jaar 2009 liet Dimitri Verhulst zich op verzoek van het Ensor Strijkkwartet inspireren door Die sieben letzten Worte unseres Erlösers am Kreuze van Joseph Haydn. De wens van het strijkkwartet was om deze muziek eens ontkoppeld te zien van het religieuze gegeven, en de zeven laatste zinnen die Christus aan het kruis sprak te benaderen vanuit de realiteit van alledag anno nu. Wie het werk van Verhulst ook maar enigszins kent, weet dat de aardse realiteit bij hem geborgen is.

    De zeven korte verhaaltjes zijn gebaseerd op de volgende zinnen:

    1. Vader, vergeef hen, want ze weten niet wat zij doen
    2. Voorwaar ik zeg u: heden nog zult gij bij me zijn in ‘t paradijs
    3. Vrouw, ziedaar uw zoon
    4. Mijn god, mijn god waarom hebt gij mij verlaten?
    5. Ik heb dorst
    6. Het is volbracht!
    7. Vader, in uw handen beveel ik mijn geest

    Men ziet, zelfs bij de naam god kon er nog geen hoofdletter af. En ook in de verhalen is de religieuze context geheel weggepoetst. Maar het lijden is er niet minder om!
    Van een man die er maar niet in slaagt, of beter gezegd: niet van zins is ooit de lustmoordenaars van zijn dochtertje te vergeven, tot aan de vrouw die op weg is naar het ziekenhuis om haar kunstmatig in leven gehouden man uit zijn lijden te verlossen.

    Het zijn al met al onvervalste Verhulst-verhaaltjes geworden: plastische, soevereine stijl, scherp en niets ontziend, met (impliciete) humor gekruid, en hier en daar naar aforismen hakend: (‘Weltschmerz is niets voor ouderen, die hebben al schmerzen genoeg van zichzelf’). En waarbij de Nederlandse lezer soms op wat Vlaams taaleigen kan stuiten. (‘Martha panikeert even’, ‘Het overtrok. Het zou gaan regenen’, of: ‘Rotte tanden liet men, voor ze uit een mond getrokken werden, inslapen’. Een Vlaming leest bij dit laatste citaat mogelijk een normale zin, maar een Nederlander fronst er zijn wenkbrauwen bij.) Ook zijn er wat bekende Verhulst-ingrediënten de verhalen binnengesmokkeld: zo is de ruwe, onbehouwen, zich bij voorkeur met het sportkatern op het toilet ophoudende vader met losse handjes present en de uitzichtloze asielzoekersproblematiek die we kennen uit Hotel Problemski komt ook om de hoek kijken.

    Van de zeven verhalen vond ik er twee echt uitspringen. Toevallig spelen die beide zich af in het ziekenhuis. De ene heet ‘Ik heb dorst’. Hierin komt een oudere man zijn vrouw na een zware operatie voor het eerst opzoeken in het ziekenhuis. Het verhaal zet mooi in: ‘Langer kon een gang niet zijn. Kouder evenmin. En aan het eind van die gang, een voor receptioniste spelende verpleegster. Of een voor verpleegster spelende receptioniste, dat kon ook.
    Ze sprak stil zoals sportverslaggevers menen dat tijdens tenniswedstrijden te moeten doen, maar je voelde dat het haar moeite kostte, dat haar stembanden eerder geschikt waren om kinderen te berispen en ter tafel te kelen, om tuinfeesten met roddels te overschreeuwen. Een stem waarmee reeds vele onderdrukte echtgenoten de levieten werd gelezen. Een stem kortom, voor als viswijf gereïncarneerde eenden.’ Men proeft het plezier waarmee de auteur deze zinnen heeft opgeschreven. Het sarcasme ervan niet minder.
    Uitgerekend op de welwillendheid van zo’n kenau is de arme man aangewezen om zijn op de Intensive Care bewaakte vrouw met kanker te bezoeken. Hij krijgt van het viswijf 15 minuten tijd om aan haar bed te mogen staan. Het aanzicht van zijn zieke vrouw valt hem niet mee. ‘Niet wenen, dacht hij, niet wenen…als ze ziet dat ik ween zal ze geloven dat ze opgegeven is.
    Hij stak dan maar zijn duim de lucht in, de slechte toneelspeler.’ Het enige echter dat zijn vrouw kan opbrengen te zeggen is de zin: ‘ik heb dorst!’ De man is echter bevolen zijn vrouw niet te laten drinken want dat zou ‘complicaties’ kunnen geven, maar hij kan het echter niet over zijn hart verkrijgen zijn vrouw in deze situatie ook nog eens dorst te zien lijden. ‘Als zij vandaag nog sterft, dan godzijdank niet van de dorst’. Het is een hartverscheurend verhaal geworden. Dat dagelijks voor vele mensen werkelijkheid moet zijn.
    In dit verhaal toont Verhulst dat hij het ook klein, ingetogen kan houden. Een heel enkele keer wil hij zich nog wel eens verliezen in stilistische spielerei. In een passage uit een ander verhaal leest men bijvoorbeeld (volgend op het zinnetje ‘Zegt men’.): ‘Er is veel gezegd de laatste jaren. En veel zal er nog gezwegen worden in de komende.’ Op het randje vind ik dat van de kitsch. Of een zin als: ‘Het is niet voor het eerst, en zeer zeker zal het evenmin voor het laatst zijn (…)’. Verkeerd is het niet, maar het schuurt aan tegen de mooischrijverij. En wat te denken van het filosofisch getinte intermezzo: ‘In het leven is men twee keer oud. De eerste keer is men twintig en roept men de hulp in van de zee. De tweede keer is er geen hulp van doen, doet elke vezel van het lichaam mee en is er geen sprake van tristesse meer, doch des te zeer van triestigheid.’ Tja. Maar storen doen ze niet echt, want deze teksten hebben zoveel dramatische kracht en de stijl zuigt je zozeer mee het verhaal in, dat je wel een kniesoor moet zijn om te letten op dergelijke minuscule minpuntjes. Wanneer ik zeg dat alle verhalen sterk dramatisch zijn, moet ik een uitzondering maken voor het verhaal Het is volbracht!. Het is bijna geheel opgebouwd uit zinnetjes die met ‘ik’ beginnen, waarin de ik-persoon in chronologische volgorde zijn levensloop schetst. Daar zitten ook komische tussen als: ‘Ik kocht mijn eerste neushaarschaar.’ Maar de opeenvolging van dergelijke zinnen maakt dat de tragiek – er is tussen de regels door namelijk ook nog sprake van een geliefde die de ik ontvalt ? je ontgaat. Dit verhaal is te frivool getoonzet voor deze reeks.

    Het tweede verhaal dat mij echt diep raakte, is het allerlaatste verhaal, Vader, in uw handen beveel ik mijn geest. Een werkelijk ijzersterk verhaal, omdat Verhulst er hierin slaagt de ongelofelijke dramatiek te laten schragen door iets triviaals als een mop, waardoor je je als lezer niet anders dan gewonnen kunt geven. Verdomd, zo zit echte tragiek in elkaar! In dit juweeltje van een verhaal beseft een vrouw dat ze de laatste momenten aan het meemaken is van een wereld waarin ook haar man nog in leven is. Zij het in vegetatieve toestand. Tijdens de taxirit die haar naar het ziekenhuis zal brengen, alwaar ze zal handelen conform de jaren geleden ondertekende wilsverklaring van haar man – en dus de stekker eruit zal trekken -, denkt ze terug aan markante momenten uit hun jarenlange samenzijn. Zo ook die middag waarop ze haar echtgenoot voor het eerst de ‘mop van de homofiele olifant’ hoorde vertellen. Ze heeft hem die mop later vele malen horen vertellen, telkens in een iets andere variant en ze realiseert zich: ‘straks verliest de mop van de homofiele olifant zijn beste verteller.’ Ze probeert zich de wereld zonder haar man in te denken. Een traan rolt over haar wang. De taxichauffeur ziet het, wil niet onbeleefd overkomen, maar vraagt niettemin toch naar het waarom van de traan. Maar…het antwoord van de vrouw verklap ik niet. Dit verhaal verdient het namelijk helemaal gelezen te worden. Dit is waarlijk groots!

    Het boek is eigenlijk lees- en luisterboek ineen. Dat het ondanks de geringe omvang van de verhaaltjes niet al te dun is uitgevallen, komt omdat het naast de zeven korte verhalen, ook het notenschrift bevat van Haydns compositie die uit 9 delen bestaat (vooraf aan de zeven sonates gaat namelijk een Introduzione en tot besluit volgt Il terremoto). De voor- en achterflap bergen 2 cd’s: eentje waarop Verhulst zijn zeven verhalen voordraagt en eentje waarop het Ensor Strijkkwartet te beluisteren is. Ben benieuwd of dit boek van Verhulst de aandacht zal krijgen die het verdient. Zijn pamflettistische roman Godverdomse dagen op een godverdomse bol kreeg die wel. Was daar zelf niet zo van onder de indruk, omdat ik het niet zo heb op die vet aangezette stijl, die alles onontkoombaar meesleurt naar het afvoerputje van het leven. Er restte de lezer zo weinig speelruimte voor zijn eigen verbeelding. De verhalen uit De Zeven Laatste Zinnen zijn beeldender en de woorden laten je meeproeven van de schoonheid van zijn stijl.
    Wat let intussen een omroep als het Humanistisch Verbond of de IKON deze zeven eigentijdse varianten van het eeuwenoude menselijk tekort als televisiestukken te verfilmen?

    De zeven laatste zinnen

    Auteur: Dimitri Verhulst
    Uitvoering door: Het Ensor Strijkkwartet
    Verschenen bij : Uitgeverij Contact
    Prijs: € 24,95, inclusief 2 cd’s

  • Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    ‘De Nederlandse burger wil verantwoord consumeren, maar de Nederlandse consument kiest voor goedkoop. Deze gespletenheid is voer voor psychologen‘, schrijft Roland Duong halverwege zijn boek. 

    Roland Duong is bekend van enkele televisieprogramma’s, zoals de Keuringsdienst van waarde, waarin hij fundamentele vragen stelt achter de producten en met name het voedsel dat wij kopen. In zijn boek doet hij dit eveneens.  Hij beschrijft de supermarkt als een paradijs, waar je veel kunt kiezen. Maar hoe ‘gezond’ te kiezen? Je bent wat je eet, zegt hij. Hij vraagt je als lezer of je een appel uit Nederland uit een koelcel wilt of een verse uit Nieuw-Zeeland en of je daarvoor de milieuvervuiling en hoge transportkosten op de koop toe neemt. Hij stelt de vraag aan de orde welk dier je mag of wilt eten? Ben je voor het milieu ? misschien dan toch maar de kip ? of voor dierenwelzijn ? dan kun je beter voor de koe kiezen. Hij schrijft over biefstuk, over vis, over de frikadel. En stelt opeens de vraag: wie is de boer?  Om na krap anderhalve bladzij verder te gaan over volwassen voedsel, zonde, dik is gezond en zo nog meer soms prikkelende kopjes van vaak beknopte hoofdstukjes.

    In het hoofdstuk over de ‘moraal’, zegt hij: ‘consumenten zijn criminelen. …  Alles wat we als kind aan normen en waarden hebben geleerd ? wees eerlijk, doe een ander geen kwaad –  verliezen wij op het moment dat we aan het consumeren slaan ‘.  … ‘Mensenrechten en diervriendelijkheid zijn vergeten als het om geld gaat’. Tja. Zo staat eigenlijk het hele boek vol met uitdagende, soms confronterende uitspraken. Vaak waar. Maar dan? Inderdaad , voer voor psychologen. Eventueel ook voor sociologen en economen, misschien wel voor politici? Epicurus, Rogers en Tolstoj komen voorbij, verrassende invalshoeken. Maar helaas, wat is het allemaal weinig uitgewerkt. Het komt over als hap-snap kennis, een hink-stap-sprong langs filosofie, psychologie en literatuur.

    Enerzijds lees je dit boek met een zekere nieuwsgierigheid: waar wil de schrijver naar toe? Gaandeweg begonnen de uitspraken me tegen te staan:  is het prikkelend, of is het eigenlijk komisch bedoeld, of cynisch?  Via thema’s als onvrede, wijsheid en het geweten, komt de schrijver uit bij het geloof. Daar lezen we dat ‘de voordelen van bidden evident zijn en grondig wetenschappelijk getest’ en  de ‘tragedie is dat weinig atheïsten het kunnen bolwerken in dit koude universum’.  ‘Met het afzweren van de religie heeft de moderne mens tegelijkertijd iets wezenlijks het zwijgen opgelegd: de behoefte aan geestelijke vervulling’.  Is dat zo? Waar staat dat? Wie zegt dat?

    Waarschijnlijk wil de schrijver de wereld een stukje beter maken, de consumenten bewuster maken, ons voedsel en onze leefwijze meer verantwoord maken. Maar of dat met dit boek lukt?  Zeker kunnen provocerende uitspraken en schokkende feiten een mens aan het denken zetten. Maar een overdosis van beweringen, die als feiten gepresenteerd worden, zonder diepgaande analyses werken op den duur ook als een overvloedige maaltijd, waarbij je eigenlijk te snel verzadigd bent.  Maar wellicht zijn er anderen, die deze stijl prachtig vinden. De mens is immers, aldus de auteur, het meest eigenwijze dier op aarde?

    Het supermarktparadijk
    Gezond kiezen is een kunst

    Auteur: Roland Duong
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum, Polak en Van Gennep
    Prijs € 18,95