Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Literatuur van feiten

    Literatuur van feiten

    Zowat gelijktijdig verschenen twee verzamelbundels: Het beste van Atlas en Het eerste van Fosfor. Atlas was een tijdschrift in boekvorm waarin longreads werden gepubliceerd van schrijvers als Jan Brokken en Geert Mak. Het tijdschrift is niet meer. Frank Westerman, die erin debuteerde, stelde nu Het eerste van Fosfor samen. Fosfor is een digitale uitgever van longreads en e-boeken.

    Beide uitgaven zijn schatplichtig aan het New Journalism van auteurs als Truman Capote en Tom Wolfe. Frits van Exter, hoofdredacteur van Vrij Nederland, zong er onlangs ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het weekblad nog de lofzang over in het praatprogramma in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam, OBA Live (10 september jl.). De beste omschrijving die aan New Journalism en longreads kan worden gegeven, is wellicht: ‘lange journalistieke verhalen’, literatuur van feiten. Iedereen kent het genre, van Hoe God verdween uit Jorwerd (1996) tot Congo van David Van Reybrouck (2010) en De vergelding van Jan Brokken (2013).

    Geestig is dat Tijs van den Boomen in het eerste journalistieke verhaal uit Het eerste van Fosfor, ‘Turtle 1. De auto uit Afrika’, al dan niet toevallig meteen al speelt met begrippen uit het genre: lang verhaal en slow food: ‘Lang verhaal kort: “Laten we de auto de Turtle dopen, de Turtle 1, want het is een eerste versie”. Even blijft het stil. Doctor Waco neemt als eerste het woord: “Het is een prachtige naam, de schildpad staat voor slow but steady”.’ Het is een verhaal met onderkoelde humor: ‘”Don’t worry”, zegt George, “komt in orde”. Dus niet.’ En: ‘In allerijl moesten monteurs nog op zoek naar een andere versnellingsbak, nieuwe schokbrekers voor de vleugeldeuren en nog zo een en ander.’

    Net als in andere journalistieke of literaire uitingen verschilt de vorm van een longread ook. Van een interview, zoals in De man die naar Mars wilde van Joris van Casteren, tot verschillende lettertypen die afwisselend heden en verleden of realiteit en overpeinzingen weergeven in respectievelijk rechte en cursieve letters, zoals in Elfie Tromps Alfateef en Rasit Elibols Camping Blues.
    De onderwerpen lopen uiteen van de bouw van een auto in Ghana, Martijn Kroezen, de man die een enkeltje naar Mars probeerde te boeken, hondenshows, Alasam S., die in 2011 in het Groningse Baflo zijn vriendin Renske Hekman en motoragent Dick Haveman vermoordde, de beschieting op de Dam op 7 mei 1945, en het fenomeen kamperen tot het invriezen van lijken om ze eens weer tot leven te kunnen wekken (cryonisme).

    De overeenkomst tussen alle longreads, inclusief een toegift van de uitgever, een true crime van de godfather van Fosfor, Frank Westerman, is een constant hoog niveau. Indrukwekkend in het verhaal van Rob Zijlstra is bijvoorbeeld dat hij, na een uitgebreide beschrijving van het proces tegen Alasam S. een witregel invoegt, gevolgd door slechts één woord: ‘Levenslang’.
    Het minst geslaagde verhaal is misschien dat van Auke Kok. Hierin ontmythologiseert hij de rol van de Binnenlandse Strijdkrachten, iets dat op zich al eerder is gedaan. Wat stoort zijn soms overbodige opmerkingen en minder fijnzinnige humor. Overbodig en pijnlijk is de zinsnede: ‘Als ze die vlag had thuisgelaten was ze misschien wel heel oud geworden’ nadat is beschreven dat koerierster Annick van Hardeveld in een Nederlandse vlag gehuld zich op 4 mei 1945 op straat waagde. Minder fijnzinnig is een opmerking als: ‘Er zijn tijdens de Drie Dwaze Dagen niet alleen in de schaduw van De Bijenkorf maar op zovele andere plaatsen mensen gesneuveld’.

    Wat mist, is een register met informatie over de auteurs, hoewel die achtergrondgegevens wel op de website van Fosfor zijn terug te vinden. Net als uiteraard nieuwe longreads. Misschien leiden die naar Het tweede van Fosfor. Wie weet. Het smaakt in ieder geval naar meer.


    Het eerste van Fosfor

    Samengesteld door: Frank Westerman
    Verschenen bij: Atlas Contact/Fosfor
    Aantal pagina’s: 348
    Prijs: € 19,99

  • Nog steeds even mooi

    Nog steeds even mooi

    Weer was de langste dag voorbij.
    De dagen kortten nog nauwelijks
    merkbaar, maar wij wisten ‘t,
    ook deze zomer zou voorbijgaan’

    Zo begint het verhaal Mene Tekel in het gelijknamige boekje van Nescio en ik denk direct weer terug aan mijn middelbare schooltijd. Daar is mijn liefde voor literatuur ontstaan. Wanneer mijn leraar Nederlands geen zin had om les te geven, ging hij voorlezen en dan het liefst verhalen van Nescio. Dat kon hij heel goed en wij leerlingen waren een en al oor.  Het opnieuw lezen van Mene Tekel brengt die herinnering weer terug alsook de vreugde die het lezen van het proza van Nescio geeft. Het blijft een genot om hem weer te lezen!

    Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar publiceerde eerder al de deeltjes Dichtertje, Titaantjes en De Uitvreter, en dan nu Mene Tekel, mooi vormgegeven door Joost Swarte en geïllustreerd met zijn prachtige tekeningen. De tekstverzorging is van Lieneke Frerichs. En zo ontstaan kleine juweeltjes van boekjes.

    Mene Tekel verscheen vlak na de Tweede Wereldoorlog. Vier verhalen zijn tijdens of na de Eerste Wereldoorlog geschreven, de andere twee tijdens de Tweede Wereldoorlog. Des te meer valt het op dat in die vertellingen de oorlog geen enkele rol speelt, het gaat vooral om het leven in en buiten de stad en het filosoferen over het leven. Het mooie is dat de hooggestemde idealen van Bavink en zijn vrienden, hun ambitie om de wereld te veroveren zo relativerend wordt verwoord, dat het tegelijkertijd droefgeestig is.

    De zes schetsen spelen zich alle in Amsterdam en omgeving af. Vooral het titelverhaal, ‘Buiten-IJ’ en ‘Pleziertrein’ zijn sfeervol. Nescio’s beschrijving van het leven op het landlandschap en de opstelling van Bavink, Bekker en Hoyer die wel even de wereld zullen veroveren hebben weinig aan zeggingskracht verloren. Een voorbeeld uit Buiten-IJ:

    ‘Wij liepen van de stad af, wij stapten hard, de zolen van Hoyer, die heel waren, klepperden op de keien. Bavink zwaaide z’n stol boven z’n hoofd en ik gaf Hoyer een duw. Wij waren blij en uitbundig om niets, om ’t mooie weer, om den zonneschijn, om de lucht om ons heen, die wij ademden en om de lucht boven ons, die wij zagen. Wij gingen uit om de wereld te veroveren; alleen Hoyer geloofde daar niet aan, die wist niet beter dan datti op den Zeeburgerdijk liep, bij de slachtplaats.’

    Ook het laatste, zeer korte verhaal, geschreven op 3 augustus 1943, getiteld: ‘Dit jaar’, is een klein juweeltje:

    ‘Dit jaar kom ik nog al eens weer in Kortenhoef en sta dan op ’t kerkhofje, opzij van de kerk en kijk over ’t land naar den rand van het Gooi en den toren van Hilversum. Een laatste klaproosje ging verleden week heen en weer op een zuchtje wind. In ’t kromme pereboompje kregen de peertjes al wat kleur. Het is dan weer het begin van de eeuw. Het leven heeft mij, Goddank, bijna niets geleerd. “Het leven heeft me veel geleerd”, zegt de oue sok.’

    De meeste van deze verhaaltjes zijn meer dan 100 jaar oud; het – weer – lezen en waarderen vraagt wel van de lezer datti zich kan verplaatsen in die tijd. Maar als dat lukt, kan hij genieten van het proza van Nescio dat nog steeds prachtig is om (voor) te lezen.

    Mene Tekel

    Auteur: Nescio
    Met tekeningen van: Joost Swarte
    Uitgegeven door: Nijgh & Van Ditmar Amsterdam
    Aantal pagina’s: 53
    Prijs: €18,99

  • Onaangepaste hoofdpersoon in een zelfverkozen jungle

    Onaangepaste hoofdpersoon in een zelfverkozen jungle

    Eindelijk is er weer een vertaling van het meesterwerk Angel van Cormac McCarthy uit 1979. Dit maal heet het Suttree, naar de naam van de hoofdpersoon Cornelius Suttree.
    McCarthy werkte er twintig jaar aan en dat leverde 477 pagina’s adembenemend proza op. Of, is het wel proza? Bij sommige passages zijn de woorden, is de taal zo poëtisch, dat we met een heus gedicht te maken denken te hebben.
    Zo staat er bijvoorbeeld (blz.76) wanneer de hoofdpersoon van het verhaal Cornelius Suttree een café binnen komt: ‘Aan een tafeltje achterin zaten een paar lui van onduidelijk geslacht smachtend naar hen te kijken. Ze leunden met hun ellebogen op de tafel en hun handen hingen als geknakte lelies aan de omhooggedraaide stengels van hun polsen.’
    Of wanneer Gene Harrogate, de jonge protegé van Suttree een markthal verlaat schrijft McCarthy: ‘Boven zijn hoofd rinkelde een windklokkenspel in de trage luchtstroom van de ventilators.‘Deze Gene Harrogate diepte Suttree op in de gevangenis. Suttree beschermde hem daar tegen de schurken en hun wegen kruisen zich af en toe.

    Het verhaal van Cornelius Suttree is de geschiedenis van een aan lager wal geraakte bewoner van een woonboot op de rivier de Tennessee bij Knoxville. Verder speelt op de achtergrond dat de zoon van Suttree na zijn scheiding is overleden. We komen niet achter de doodsoorzaak maar wel dat men Suttree daarvan de schuld geeft. Hij mag niet verschijnen op de begrafenis van de jongen. We komen te weten dat Suttree in de gevangenis heeft gezeten en veel drinkt, maar hij is ook een overlever. En dat laatste komt door zijn levensfilosofie : ‘De menselijke ellende kent geen grenzen. Het kan altijd nog erger!’ Hierdoor onderscheidt hij zich van de andere types, die in zelfgebouwde hutten, boten of krochten langs de rivier leven en vaak in de handen vallen van dieven, moordenaars of van de politie. De politie, die samenwerkt met de onderwereld maar er ook een diepe minachting voor heeft. En Suttree heeft ergens diep in zijn binnenste de eigenschap behouden anderen in eerste instantie met respect te behandelen tot het niet meer kan.

    Dat levert hem zeldzame tips en contacten op, zodat hij slim kan overleven op de drukbevolkte en uiterst smerige rivier, waar wonder boven wonder nog allerlei dieren in voorkomen, die je kunt vangen om van te leven of om er geld mee te verdienen.
    De ‘geheimzinnige indiaan,’ leert hem hoe hij schildpadden kan vangen en dat is een lugubere bezigheid, maar hij stelt Suttree ook op de proef en wil zien of hij tegen al dat bloed is opgewassen: ‘De indiaan zette zich schrap en zwaaide het druipend uit de rivier op de rotsen, waar het hen grimmig aanstaarde met knipperende varkensoogjes. Hij zat vast met een stuk ijzerdraad door zijn kin en de indiaan greep de draad en rukte eraan. De schildpad sloeg en siste, kaken wagenwijd open. De indiaan pakte zijn zakmes, klapte het open, trok de obscene nek van het beest strak en sneed met een snelle opwaartse beweging van het lemmet de kop eraf. Suttree deed onwillekeurig een stap terug. De rimpelige kop bungelde aan de draad en wat daar tussen de gespreide voorpoten gaapte, was een zwarte gerimpelde hondenkut waaruit trage golven bijna zwart bloed gulpten.’
    Het blijkt dat de schildpad door de indiaan gekookt zal worden en Suttree gaat ‘s avond bij hem eten op een oude vervallen woonboot.

    En dan is er de drank. Er wordt langs de rivier enorm gezopen. Vooral eigen brouwsels, levensgevaarlijk maar niet minder effectief: ‘Suttree hield zijn ogen stijf dichtgeperst en stak de fles uit. Godsamme, wat is dat voor bocht? Early Times, riep J-Bone. Beste spul dat er is. Als je dat zuipt heb je nergens last van ‘s morgens. Of nooit meer. Och wat, geef hier. Hallo, Early, kom maar bij het baasje schat. Hier, gooi hier maar een plens in, doe ik er cola bij. Kan niet Bud, in een mok. Hebben we al geprobeerd. Vreet de bodem eruit. Pas op, Suttree, dat je niks op je schoenen knoeit. Hé Bobbyjohn. Wanneer komt Callahan vrij? vroeg Bobbyjohn. Geen idee. Ergens deze maand. Heb je Bucket nog gezien?Die is verhuisd naar Burlington. Komt hier niet meer. Kom erbij zitten Sut. (. . .)Mijn God, wat is dit voor brouwsel? Early Times, Nik, riep J-Bone. Early pleite kun je beter zeggen. Godjezus, ik weet dat ze die troep in een badkuip maken, maar dit hebben ze zeker in de plee gemaakt.’

    Het boek van McCarthy is vergeleken met Huckleberry Finn van Mark Twain. Maar de overeenkomsten zijn weinig talrijk. Het is meer als een reis door de ziel zoals bijvoorbeeld On the Road van Jack Kerouac. Suttree overleeft door zijn onaangepastheid in zijn zelfgekozen jungle. Zoals Dan Moriarty in Road overleeft in een stadsjungle en het pas fout gaat wanneer hij zich wil aanpassen aan de ratrace van het burgermansbestaan. Suttree overkomt bijna hetzelfde wanneer hij met een prostituee aanpapt. Ze verwent hem met geld en alcohol, maar hij kan het leven van een rijke burgerman niet aan, zeker niet wanneer zij lelijker wordt en dik: ‘Haar toilet maken duurde eeuwig. Met haar glanzende metalen krulspelden in leek ze het object van bizarre experimenten met het menselijk brein. En ze werd steeds dikker. Ze zei: “Ik zou jou wel ‘ns willen zien als je in een bordeel woonde. Zou je ook gaan vreten”.

    De prachtige beschrijvingen van McCarthy zijn zo sterk dat je je pas na een aantal malen lezen realiseert dat hij eigenlijk een wanhopige puinhoop poëtisch beschrijft: ‘Het was nog steeds vroeg toen hij het steile pad langs de resten van een oude muur afdaalde. Een overwoekerde antieke stad hier. Op een dorre akker hingen versleten , door de wind aan flarden gereten kleren aan een kruis met bovenop een hoed. Verderop de oever, met slijk bevlekte rotsen, oude asfaltplaten en blokken beton, waar geroeste ijzeren stangen uitsprietten.’

    Op de laatste bladzijden rijdt Suttree in een auto die voor hem stopt langs de weg en dan volgt de monumentale laatste zin van het boek: ‘Ergens in het kreupelhout langs de rivier loert de jager, en in het golvende koren en de gekantelde drukte van de steden. Zijn werk ligt overal en zijn honden worden nooit moe. Ik heb ze in een droom gezien, kwijlend en wild, de ogen van de honger naar aardse zielen. Ontvlucht hen.’

    Waarvan akte!
    Wat een schitterend boek! Mooi vertaald ook door Harrie Lemmens.

     

  • Tussen engagement en lamlendigheid

    Tussen engagement en lamlendigheid

    Maarten van der Graaff debuteerde in 2013 met de bundel Vluchtautogedichten, waarvoor hij in 2014 de C. Buddingh’-prijs voor beste poëziedebuut kreeg. Die prijs verdiende hij, hoe wisselvallig de bundel soms ook overkwam. Op de beste momenten liet Van der Graaff  zien dat wilde uitspattingen te combineren zijn met een grote taalbeheersing; op de mindere momenten kwam hij nogal moedwillig fragmentarisch, ontoegankelijk en excentriek over. Dat debuut maakte bovendien erg nieuwsgierig naar hoe Van der Graaff zich verder zou ontwikkelen. Toen Dood werk aangekondigd werd, gebeurde dat echter met een weinig enthousiasmerend citaat:

    Nederland, ik schrijf dit niet zomaar,
    ik zoek naar je dood en gemeenschap.
    Ik zoek naar je waarheid en haat.
    Ik schrijf gedichten, ik ben in de war.
    Ik zoek naar je lichaam,
    ik ben oppervlakkig.

    Een passage die gespeend is van elke vorm van esthetische fraaiheid. Het is een warrig stukje waarin een aantal dito gedachten naast elkaar staan; het roept meer vragen op dan dat echt iets te zeggen. Ook bij aandachtige lezing blijft onduidelijk wat Van der Graaff hier precies wil zeggen. Maar vergeleken met dat fragment valt Dood werk uiteindelijk hard mee, en is bij vlagen vrij sterk. Voor ‘mooie’, beeldrijke poëzie hoef je de bundel niet te lezen, maar de gedichten blijken heel andere kwaliteiten te hebben.

    De ‘ik’ in Dood werk lijkt  erg op Van der Graaff zelf: opgegroeid op het eiland Goeree-Overflakkee, binnen een christelijk milieu, nu ongelovig en woonachtig in Utrecht, geëngageerd, dezelfde vrienden (o.a. Frank Keizer en Hannah van Binsbergen), en zo te zien ook dezelfde boekenkast: onder meer Jack Spicer, Chris Kraus en Kirill Medvedev. Wie Van der Graaff op facebook heeft, zal de auteurs herkennen uit berichtwisselingen tussen zijn vrienden en hem. De bundel is in twee delen opgedeeld: lijstgedichten en geklokte gedichten. Wat opvalt is dat Van der Graaff minder wild is geworden, en er  een wat prozaïschere stijl op nahoudt die anekdotische elementen vertoont. De gedichten hebben vaak iets weg van de praterige ‘“I do this, I do that” poems’ van Frank O’Hara. Maar vooral de lijstgedichten doen aan Kirill Medvedev denken (de Russische dichter die vorig jaar nog een grote sensatie was in de scene rond Van der Graaff en Frank Keizer). Ook Van der Graaff zoekt het nu in vaak langgerekte lijsten van observaties, ideeën, geregeld (een deel van) een anekdote tussendoor. Er lijkt geen hiërarchie of samenhang te zijn.

    Na die eerste helft met lijstgedichten volgt de reeks ‘Geklokte gedichten’, die qua opzet en indeling aan de tweede helft van Vluchtautogedichten doet denken, de reeks ‘Vrije encylopedie’. Beide reeksen laten zich lezen als één lang gedicht en zijn ook duidelijk opgezet als een geheel. De gedichten volgen elkaar direct op en beginnen niet op een nieuwe pagina. De geklokte gedichten verschillen vaak niet zo van de lijstgedichten, op de tijdsaanduidingen na. Van der Graaff beschrijft zelf het procedé in een van de gedichten:

    Hoe maak je een geklokt gedicht? / Kijk op de klok. Noteer de tijd. // Schrijf een gedicht. / Wanneer je stopt met schrijven en even zit te lummelen / moet je daarna, wanneer je verdergaat, de tijd noteren.

    Daarna volgen verdere stappen om zo’n geklokt gedicht te schrijven en de opmerking: ‘Nu ben je een dichter. Creatief en ondernemend.’ Het slot van deze instructie doet denken aan Tristan Tzara’s beroemde ‘Hoe maak je een Dada-gedicht?’, dat eindigt met het sarcastische ‘En u zult zien, u bent een ongelooflijk origineel schrijver met feeling, hoewel miskend door het volk’ (vertaling door Sjoerd Kuyper en Peter Nijmeier). Die spot zit er ook bij Van der Graaff in, die poëzie schrijven tot een aan te leren trucje herleidt.

    Maar zo gemakkelijk ligt het uiteraard niet: Van der Graaff is een serieus dichter. Tegelijkertijd geeft hij ook toe dat hij helemaal niet zo’n verheven figuur is. De grootste charme van Dood werk schuilt mijns inziens in de kloof tussen zeer geëngageerd willen zijn en dat vervolgens niet zijn. Tussen interesses als de Hoge Cultuurvorm Poëzie en ‘[i]n wasbakken plassen.’ De verteller komt geregeld nogal lamlendig over, klaagt dat hij te veel drinkt, zich niet om zijn lichaam bekommert en al moe is als hij net wakker is geworden. Er is vast een lezing mogelijk waarin die persoonlijke problemen symptomen zijn van wat er mis is de samenleving, maar het engagement is  minder interessant dan de discrepantie tussen engagement en lamlendigheid.

    Dat engagement blijft toch wat flets, omdat er nergens echt stellingen worden ingenomen. De gedichten zijn daar te gefragmenteerd voor; het zijn gedachtenflarden, geen afgeronde standpunten en roepen vaker vragen op dan ze antwoord geven. Dat zal enerzijds niet ieders smaak zijn, maar je zou die opzet als een uitdaging kunnen zien. Het prima Dood werk zal daarom voor uiteenlopende meningen, lezingen en beoordelingen zorgen, maar laten we wel zijn, dat is spannender dan een bundel waar iedereen het over eens is.


    Dood werk
    Maarten van der Graaff
    64 blz.
    Prijs: € 19,99
    Uitgever, Atlas Contact

    Zie ook:
    Maarten van der Graaff – Vluchtautogedichten
    Kirill Medvedev – Alles is slecht

  • Een huiveringwekkend, aangrijpend sprookje

    Een huiveringwekkend, aangrijpend sprookje

    Bijtijds leerde ik me te vermommen in woorden, die eigenlijk wolken waren’.

    Naar Parijs gevlucht voor de Nazi’s had Walter Benjamin er tussen 1932 en 1938 behoefte aan zijn kinderjaren in Berlijn te boekstaven, niet zozeer, zoals hijzelf zegt, om autobiografische redenen als wel om filosofische. Hij begreep dat het afscheid van zijn geboortestad Berlijn wel eens definitief zou kunnen zijn en besloot in ruim dertig korte schetsen literair vorm te geven aan deze herinneringen. Hij probeert ‘de beelden te pakken te krijgen waarin de ervaring van de metropool haar neerslag vindt in een kind uit de burgerlijke klasse’, beelden vervat in titels als ‘Loggia’s’, ‘De Telefoon’, ‘Tiergarten’ en ‘Verstopplaatsen’. Hij wil laten zien ‘hoezeer degene van wie hier sprake is (hijzelf), later de geborgenheid miste die zijn kinderjaren eigen was geweest’.

    Hoewel hij een te sterke biografische invalshoek tracht te vermijden door nergens beschrijvingen te geven van de fysionomieën van zijn gezinsleden en vrienden, ontkomt hij toch niet aan duidelijk autobiografische notities van een somtijds schrijnend karakter zoals in het verhaal ‘Overlijdensbericht’. Daarin vertelt hij hoe zijn vader hem op een keer – hij was een jaar of vijf – welterusten kwam wensen en hem, vrij gedetailleerd, vertelde van het overlijden van een neef, met wie hij weinig ophad. De kleine Walter luisterde nauwelijks, maar prentte zich wel zijn kamer in. Hij besluit: ‘Mijn vader was binnengekomen om niet alleen te zijn. Maar hij zocht mijn kamer op en niet mij. De twee konden geen derde gebruiken.’  Hierin zie je ook een van de stilistische instrumenten die Walter Benjamin hanteert om in zijn verhalen aansluiting te zoeken bij het magische wereldbeeld van het kind, nl. het als individu opvoeren van voorwerpen en verschijnselen uit de omgeving van het kind, in dit geval dus de kamer. Dit levert een soms huiveringwekkend indringend beeld op, bijvoorbeeld in het verhaal ‘Ongelukken en misdaden’. Daarin schrijft hij: ‘Ook het kanaal, waarin het water zo donker en langzaam stroomde, als stond het op vertrouwelijke voet met alle treurnis, hield me telkens aan het lijntje. Tevergeefs was elk van zijn vele bruggen door middel van een reddingsboei verloofd met de dood.’  Dit zegt veel over de stemming van Walter Benjamin in Parijs.

    Zelf zegt hij zijn herinneringen te zien als een sprookje en daarin heeft hij eigenlijk wel gelijk, maar dan wel een sprookje van Grimm of, beter nog, van Winsor McCay in zijn psychoanalytische strip Little Nemo in Slumberland. Het psychoanalytische karakter van De kinderjaren sluit natuurlijk nauw aan bij de tijdgeest, waarin de denkbeelden van Freud en Jung, maar voor wat betreft Walter Benjamin, vooral Lacan een grote populariteit genoten.

    In het eerste verhaal, de ‘Loggia’s’, geeft hij eigenlijk zijn credo af: ‘Zoals een moeder die het pasgeboren kind aan haar borst legt zonder het te wekken, gaat het leven lange tijd om met de nog tere herinneringen aan de kinderjaren. Niets sterkte die van mij inniger dan de blik op binnenplaatsen met hun donkere loggia’s. Een daarvan [..] was voor mij de wieg waarin de stad de nieuwe burger legde. Het kwam voor dat de kariatiden die de loggia van de volgende verdieping droegen, hun plaats voor een moment verlaten hadden om aan deze wieg een lied te zingen dat weinig bevatte van wat mij later te wachten stond, …’, om even later droefgeestig te vervolgen: ‘Dat komt ook door de troost die van hun onbewoonbaarheid uitgaat voor iemand die zelf niet echt tot wonen komt.’ Het is ook een filosofisch sprookje: ‘De tijd verouderde in deze schaduwrijke ruimtes die op de binnenplaats uitkeken. En juist daarom was de morgen, als ik er in onze loggia op stuitte, al zo lang morgen dat hij meer op zichzelf leek dan waar dan ook. Nooit kon ik hier op hem wachten; altijd wachtte hij al op mij. Hij was er allang, alsof hij al over zijn hoogtepunt was, toen ik hem daar eindelijk opsnorde.’  En een melancholisch sprookje als de kleine Walter in de winter met een boek in zijn hand bij het raam staat te kijken naar de sneeuwjachten buiten: ‘De verre landen die me in die verhalen bezochten (Uit: Jongensboeken), speelden vertrouwelijk als vlokken om elkaar heen. En aangezien de verte als het sneeuwt niet meer naar de wijde wereld leidt, maar naar het binnenste, lagen Babylon en Bagdad, Akko en Alaska, Tromsö en Transvaal in mijn binnenste. De aangename lucht van de dikke pil, waarvan ze doordrongen waren, bracht ze door middel van bloedvergieten en gevaren zo onweerstaanbaar in de gunst van mijn hart, dat het de beduimelde boeken voor eeuwig trouw bleef.’ Maar ook een nachtmerrie vol horrorbeelden zoals in ‘De maan’: ‘Dan viel ik in slaap. Het maanlicht trok zich langzaam terug uit mijn kamer. En vaak lag die al in het donker als ik een tweede of derde keer wakker werd. De hand moest als eerste moed vatten om over de grafrand van de slaap te duiken, waar hij beschutting had gevonden voor de droom. Als dan het nachtlichtje hem en mij al flakkerend had gerustgesteld, bleek dat van de wereld niets meer restte dan een enkele verstokte vraag. Die luidde: waarom is er iets op de wereld, waarom is de wereld er? Tot mijn verbazing moest ik constateren dat de wereld niets bevatte wat me noodzaakte haar te denken. Haar niet-zijn zou me volstrekt niet problematischer hebben geleken dan haar zijn, dat het niet-zijn een knipoogje leek te geven.’

    Vertaler Hans Driessen heeft met deze geheel nieuwe uitgave van De kinderjaren, op basis van het in 1981 in Parijs teruggevonden typoscript van de ‘Ausgabe aus letzter Hand’ (= een soort laatste wilsverklaring), een prestatie van formaat geleverd. De kinderjaren van Walter Benjamin behoren juist door de ‘sprookjesachtige’ benadering tot de meest huiveringwekkende, aangrijpende en altijd trefzekere ‘Kinderjaren’ in zijn soort. De goed gekozen foto’s uit het Berlijn van weleer, vormen een passende aanvulling op de tekst.

    Kinderjaren in Berlijn rond 1900

    Auteur: Walter Benjamin
    Vertaald door: Hans Driessen
    Verschenen bij: Uitgeverij Vantilt
    Aantal pagina’s: 112
    Prijs: € 17,50

  • Tanden als spiegels van de ziel

    Tanden als spiegels van de ziel

    De hoofdpersoon in het derde in het Nederlands vertaalde boek van de Mexicaanse schrijfster Valeria Luiselli (1983) is Gustavo Sánchez Sánchez, bijgenaamd Snelweg omdat hij veel reist. Hij volgt een cursus kunst van het veilen volgens de Yushimito-techniek. Deze komt voort ‘uit een combinatie van klassieke retorica en de mathematische excentriciteitstheorie’ – één van de vele, heerlijke onzinzinnen in dit boek. Hij ontwikkelt de zogenaamde allegorische veilingtechniek: ‘Snelweg zou de kunst van het veilen opnieuw vormgeven. Ik was geen verachtelijke verkoper van voorwerpen, maar vooral een liefhebber en verzamelaar van goede verhalen. Einde van de verklaring’.

    Dáár draait alles om in dit surrealistische boek: het verzamelen en veilen van tanden en het vertellen van verhalen over de geschiedenis ervan. Als Snelweg via een louche veiling aan het gebit van Marilyn Monroe komt, is zijn geluk compleet. Voor Snelweg zijn tanden het summum, de spiegels van de ziel, meer nog dan ogen. Snelweg veilt tien van zijn eigen tanden aan de bewoners van een bejaardenhospice. Hij dicht ze toe aan grote denkers en schrijvers als Plato, Augustinus en Borges, over wie in het boek anekdotes zijn opgenomen.

    Uiteindelijk vindt Snelweg, die zelf niet kan schrijven, Pedro Menard (Pepe) bereid om de geschiedenis van in eerste instantie zijn eigen tanden te boek te stellen. Als Pedro dit af heeft, wil Sánchez dat hij een catalogus samenstelt van zijn collectie verzamelobjecten, te beginnen met de nagels van zijn vader, de eerste collectie die Sánchez als kind al aanlegde, tot zijn paperclipsen.

    Het vijfde van de zeven delen waaruit het boek bestaat, wordt ingenomen door de biografie van Sánchez’ tanden, die Snelweg consequent autobiografie noemt. Gevolgd door deel zes, ‘een circulaire rondgang langs beroemde plekken uit Snelwegs leven’ in de vorm van negen foto’s. Deze verschillende vormen en stijlen maken het experimentele karakter van dit boek uit.

    Maar louter hieruit, of uit heerlijke onzin bestaat het boek niet. In de verzameling goede verhalen zitten diepere lagen en details verscholen. Snelweg lijkt bijvoorbeeld iets tussen aap en mens te zijn, geboren als hij is met vier premature tanden en van top tot teen bedekt met een dun laagje zwart haar, zoals terloops wordt opgemerkt.

    De vragen die Luiselli hiermee oproept, lijken te zijn: wat is echt en wat niet, wat blijft uiteindelijk, hoe slecht en echt kan een mens zijn, in leven en dood, en wat is de rol van kunst, marktwerking en geld bij dit alles? Zij doet dit in de vorm van fantasievol komisch drama dat in de ondertitel een roman in zeven afleveringen wordt genoemd. De stijl is surreëel en op z’n tijd essayistisch, gelardeerd met zwarte humor: ‘Papa heeft nu geen tanden meer. En ook geen nagels of een gezicht meer: we hebben hem twee jaar geleden gecremeerd’.

    Het is het soort vragen die de Nederlandse schrijfster Niña Weijers ook lijkt op te roepen, getuige niet alleen De consequenties, haar al even knappe en rijke roman vol verwijzingen als die van Luiselli, maar bijvoorbeeld ook in een column in De Groene Amsterdammer van 10 augustus jl. Hierin beschrijft Weijers een nauwelijks bekend schilderij van Frans Hals waarop een liggend naakt is afgebeeld. Op dat schilderij van Hals zijn de ‘borsten geschilderd alsof ze gezichtsuitdrukkingen bezitten, haar knieën geven net zo veel prijs over haar gemoed als haar kin’. Vervang borsten, knieën en kin door tanden, en je bent bij De geschiedenis van mijn tanden van de overigens door Weijers zeer bewonderde Luiselli, die zij in april van dit jaar interviewde voor De Morgen. En Weijers is inmiddels niet de enige, als we de flaptekst mogen geloven.


    De geschiedenis van mijn tanden

    Auteur: Valeria Luiselli
    Vertaald door: P. Menard
    Verschenen bij: Uitgeverij Karaat
    Aantal pagina’s: 208
    Prijs: € 19,50

  • Gewetenloze psychotherapeut

    Gewetenloze psychotherapeut

    Robert Hamilton is professor in de taalfilosofie aan de Universiteit van Californië in Los Angeles en zijn baanbrekende theorie over de semantiek zal zijn vakgebied compleet veranderen. Hij wordt echter vermoord.
    Het personage Robert Hamilton in De logica van het moorden is gebaseerd op Richard Montague, een Amerikaanse wiskundige en filosoof die grote invloed heeft gehad op de semantiek. Hij werd in ’71 vermoord. Zijn moord is tot op de dag van vandaag niet opgelost. Ook de gewelddadige moord op Hamilton blijft in de roman onopgelost.

    De hoofdrol in dit boek is echter weggelegd voor Jay Hamilton, de broer van Robert. Zij groeien samen op in een vaderloos gezin. Hun moeder heeft vooral oog voor haar lieveling Robert, wat Jay bezighoudt laat haar koud. Daarom probeert Jay erkenning en goedkeuring te krijgen van zijn broer Robert.

    Jay’s keuze om carrière in de psychotherapie te maken, kan echter niet de de goedkeuring dragen van zijn broer. Robert spoort Jay aan om te stoppen met die ‘psychologische ongein’ en zich bezig te gaan houden met echte wetenschap. Dit zit Jay dwars. Hij wil dat Robert begrijpt dat zijn beroep en zijn interesses helemaal niet zo veel verschillen van die van zijn broer. Maar Robert is koppig en Jay kan hem niet van zijn ideeën overtuigen.

    Toch houdt Jay vast aan zijn eigen plan. Hij wordt een gevestigd psychotherapeut met een eigen goed draaiende praktijk. Hij heeft zijn cliënten voor het uitzoeken en doet dat zeer selectief. Jay gelooft in het samengaan van wetenschap en kunst. Of beter gezegd: het voortkomen van kunst uit wetenschap. De casussen van zijn cliënten dienen als basis voor de (succesvolle) boeken die hij onder een pseudoniem uitgeeft. Hij is bezig met zijn derde boek Vertellingen uit de veilige kamer. Het boek zal elf verhalen bevatten die als thema moederlijke verwaarlozing hebben. Een onderwerp dat Jay niet vreemd is. Met de boeken die hij schrijft laat hij feit en fictie versmelten. ‘De waarheid was dat schrijvers van fictie beter gekwalificeerd waren om de mensheid te verklaren dan psychiaters en filosofen.’

    Jay lijkt weinig medeleven voor zijn cliënten op te kunnen brengen. Hij is niet zo zeer geïnteresseerd in hun herstel als wel in een interessant verhaal. Hij manipuleert zijn cliënten, drijft ze tot het randje en hoopt dat dat een mooi verhaal oplevert. Wanneer ze hem niet meer kunnen boeien, stuurt hij ze door naar een andere arts.

    Zijn gebrek aan emotie lijkt in eerste instantie handig bij het uitvoeren van zijn beroep, maar zal hem later nog duur komen te staan. Het boek begint met een sessie met zijn patiënte Cora. Ze heeft vroeger een abortus gehad en het enige wat ze nu wil, is een kind krijgen. Haar verhaal is het laatste dat hij wil opnemen in de bundel en daarom wil hij in deze sessie snel vorderingen maken. Hij gaat echter te ver en Cora verlaat de sessie voortijdig, wanhopig en boos.

    Waar het in het begin van het boek nog zo goed gaat met Jay, zie je hem langzaam afglijden. Cora blijkt in al haar wanhoop een kind ontvoerd te hebben. De gebeurtenissen  ontvouwen zich precies zoals hij het in zijn boek had geschreven. Had hij dit allemaal kunnen voorkomen? En dan komt ook nog biografe Dana Flynn bij hem langs om met hem te spreken over de moord op zijn broer. Aangezien Jay degene is die hem heeft gevonden, hoopt ze van hem belangrijke informatie te krijgen. Ze is flink aan het graven, wat zal ze vinden?

    Aifric Campbell laat in dit boek haar eigen opleidingen goed gelden. Ze studeerde eerst linguïstiek en doceerde semantiek aan de universiteit van Göteborg. Later heeft ze zich om laten scholen tot psychotherapeut. Na De logica van het moorden heeft Campbell nog twee romans geschreven. Haar roman On the floor was genomineerd voor de Orange Prize 2012.

    Campbell weet vanaf het begin de nieuwsgierigheid van de lezer te wekken. Ze geeft steeds een opzetje naar het verhaal, maar vervolgens vertakt ze dit naar andere gebeurtenissen. Dit houdt de spanning er in, maar soms gaat ze teveel in op details waardoor het hoofdverhaal uit zicht raakt.

    Toch is dit een goede roman. Het karakter van Jay komt op een subtiele manier naar voren. Terwijl hij andere mensen analyseert, wordt steeds duidelijker hoe hij zelf in elkaar zit. Het hele boek is een psychologisch drama waarin de belevingswereld van Jay centraal staat. Uiteindelijk gaat het niet over de moord op zijn broer of over de ontvoering van het kind. Het gaat over hoe Jay in de situatie terecht is gekomen waarin hij zich aan het einde van het boek bevindt, hoe hij is geworden wie hij is. Eigenlijk is het boek een psychoanalyse van de psychoanaliticus Jay Hamilton.

     

    De logica van het moorden

    Auteur: Aifric Campbell
    Vertaald door: Nan Lenders
    Verschenen bij: Uitgeverij De Geus
    Aantal pagina’s: 286
    Prijs: € 21,90

  • Werken in vrijheid

    Werken in vrijheid

    Op 15 september 1997 lieten Larry Page en Sergey Brin Google.com registreren als domeinnaam. Google is een woordspeling op het woord ‘googol’, een wiskundige term voor een één met honderd nullen. Het verwijst naar de missie van Google: ‘Alle informatie ter wereld organiseren en universeel toegankelijk en bruikbaar te maken.’

    Een jaar later nemen Page en Brin hun eerste werknemer aan.  In 1999 heeft Google acht medewerkers. In 2006 treedt Laszlo Bock in dienst bij Google als Senior Vice President bij de afdeling People Operations. Het bedrijf heeft op dat moment zo’n 6.000 ‘Googlers’ in dienst en groeit door naar 60.000 medewerkers in 2015. Google scoort wereldwijd hoog op lijsten van ‘Meest aantrekkelijke werkgevers’. Fortune heeft Google al zes keer uitgeroepen tot beste werkgever ter wereld.

    Per jaar ontvangt het bedrijf pakweg twee miljoen sollicitaties. Het aantal nieuwe werknemers, ‘Nooglers’, ligt per jaar rond de vijf duizend. Google neemt slechts een kwart procent aan van wie zij de geschiktheid beoordelen. Bock op Youtube: ‘We sort of have to kiss a lot of frogs before we find a prince or princess.’ Het is moeilijker aangenomen te worden bij Google dan bij de gerenommeerde universiteiten Harvard en Stanford.

    Laszlo Bock schrijft in De toekomst van werk, inzichten van Google die je kijk op het leven veranderen dat het aantrekken van nieuw personeel in de beginjaren van Google een kostbaar en tijdrovend proces was. Google heeft een systeem ontwikkeld waarbij analyse van data steeds belangrijker is geworden. Sollicitatiegesprekken zijn gestandaardiseerd. Verborgen vooroordelen, zoals over naam, geslacht, afkomst en leeftijd van de sollicitant, zijn uitgefilterd. Zo komen beslissingen tot stand op basis van objectieve gegevens, niet op basis van meningen. Het doel van de procedure is te voorspellen hoe kandidaten zullen presteren als ze eenmaal zijn aangenomen. Een verschil met de traditionele manier van werven is dat de inhurende manager niet beslist. Bock: ‘We ontnemen managers doelbewust een deel van hun zeggenschap over medewerkers.’ Een sollicitatiecommissie doet een aanbeveling voor de Senior Leader Review die al dan niet besluit tot een voordracht. Uiteindelijk beslist Larry Page.

    Google kent geen traditionele afdeling personeelszaken met HR-professionals. Bock: ‘In te veel bedrijven is HR de afdeling waar de aardige mensen terecht komen die elders niet succesvol zijn’. HR bij Google heet People Operations en is opgebouwd volgens het ‘driederdemodel’. Slechts eenderde van de medewerkers heeft een HR-achtergrond. Het tweede derde bestaat uit consultants en de laatste derde uit analytici. De consultants en de analisten vormen de bron van de technologische kennis binnen Google. Bij de dynamische benaming ‘Operations’ klinkt ‘de belofte van wiskunde’ door: het werken met data. Dat is met name aantrekkelijk voor softwareontwikkelaars. De afdeling fungeert zo als een ‘ingebouwd consultancy kantoor’.

    Larry Page en Sergey Brin hebben de basis gelegd voor het wervingssysteem van het bedrijf. Zij willen alleen de allerslimsten als medewerker, geen ‘nerds’ die alles weten van een speciaal onderwerp, maar slimme generalisten. Als een bedrijf groeit, is de kans groot dat nieuwe wervers vrienden aannemen of familieleden van een belangrijke klant. Op deze manier lever je altijd in op kwaliteit. De ‘regels’ voor de selectie van nieuwe medewerkers zijn o.a.: ‘Leg de lat hoog, ga zelf op zoek naar kandidaten, beoordeel kandidaten objectief en geef de kandidaten een reden om voor jou te werken.’

    In meerdere hoofdstukken vertelt Bock hoe Google er al jarenlang in slaagt een cultuur te creëren waarin mensen graag werken. Hij deelt zijn ideeën over hoe je de beste mensen kunt vinden, ‘te laten opbloeien en aan het bedrijf te binden in een sfeer van vrijheid, creativiteit en ontspanning’. Elk hoofdstuk sluit hij af met ‘regels’, een lijstje met aanbevelingen.

    Het laatste hoofdstuk van het boek bevat een overzicht van de veertien ‘werkregels’ waarmee je je bedrijf en werkomgeving kunt veranderen. De belangrijkste ‘werkregels’ zijn de regels om een geweldige cultuur te creëren: ‘Geef je werk betekenis’ en ‘geef je medewerkers vertrouwen.’ Het gaat erom net iets meer vertrouwen, vrijheid en beslissingsbevoegdheid te geven dan waarbij je je prettig voelt. ‘Rules’ vertaald als ‘regels’. Het klinkt nogal streng, maar als je regels opvat als ‘tips’ of ‘aanbevelingen’, dan valt het mee. Overigens relativeert Bock deze ‘regels’ in zijn inleiding: ‘Bij Google hebben we maar weinig regels en handvesten, dus wat ik hier vertel betreft niet het officiële bedrijfsbeleid. Het zijn niet meer dan mijn ideeën over het waarom en hoe van het succes van Google […].’

    Het thema van het boek is onvrijheid tegenover vrijheid. Bock vluchtte in 1974 met zijn ouders uit het communistische Roemenië naar de Verenigde Staten. Roemenië was in die tijd het land van de geheime diensten en afluistersystemen. De tegenstelling met zijn nieuwe land kon niet groter zijn. Bij Google, een bedrijf waar vrijheid, creativiteit en transparantie hoog in het vaandel staan, voelt hij zich op zijn plaats. De vrijheid herkent  hij in de missie van het bedrijf,  het toegankelijk maken van alle informatie.

    Volgens Bock zijn er twee extreme modellen van hoe je een bedrijf kunt leiden: ‘Het ‘onvrije’ model is het bedrijf dat opdrachten geeft, zijn werknemers onder de duim houdt en kneedt, zodat ze zich voegen naar het bedrijf. Het ‘vrije’ model gaat uit de van vrijheid en vrijwilligheid, respect voor werknemers en voor hun ideeën hoe het bedrijf zich verder kan ontwikkelen.’ Beide modellen kunnen winstgevend zijn, maar getalenteerde mensen maken liever deel uit van een organisatie die vrijheid voorstaat: ‘de vrije bedrijven profiteren van de inzichten en toewijding van hun medewerkers en zullen daardoor veerkrachtiger zijn en blijvend succesvol.’ De ‘regels’ van Google kunnen je helpen bij het opbouwen van een bedrijf waar vrijheid en creativiteit voorop staan.

    Bock legt de nadruk op de successen van Google, maar ook missers krijgen een plaats. Hij schrijft in zijn voorwoord dat dit boek ook vertelt ‘wat jij kunt doen om mensen op de eerste plaats te zetten en om je een heel andere manier van leven en leidinggeven eigen te maken.’

    De toekomst van werk, inzichten van Google die je kijk op het leven veranderen is de vertaling van Work Rules!  Insights from Inside Google to Transform How You Live and Lead. De Nederlandse titel De toekomst van werk is te algemeen en heeft een stelligheid die de Engelse titel niet heeft.  Jammer dat de dubbele betekenis van Work Rules! niet te vertalen is. Inzichten die je kijk op het leven veranderen is niet hetzelfde als transform how you live and lead. Het leidinggeven ontbreekt in de Nederlandse ondertitel. ‘Je kijk op het leven veranderen’, is te passief. Het gaat er ook om hoe jij zelf de regels van Google kunt toepassen.

    Laszlo Bock heeft een zeer lezenswaardig boek geschreven, met anekdotes en voorbeelden uit de praktijk. Hij verwijst veelvuldig naar gedragseconomisch en psychologisch onderzoek, met een handig notenoverzicht tot slot.

    De toekomst van werk, inzichten van Google die je kijk op het leven veranderen

    Laszlo Bock (1972) studeerde aan Yale University School of Management (MBA) en Pomona College (BA). Hij werkt sinds 2006 als HR-manager bij Google (‘SVP, People Operations’).  In 2010 riep HR Executive Magazine hem uit tot ‘Human Resources Executive of the Year‘. Eerder werkte hij als management consultant bij o.a. bij General Electric en McKinsey & Company.

  • Goed nieuws, slecht nieuws

    Goed nieuws, slecht nieuws

    Herinnert u zich de Salamanders? Een uitgestorven diersoort. Ooit kon je in elke boekwinkel terecht voor schrijvers en titels van vroeger, en vaak waren dat Salamanderpockets van Querido. Terwijl buiten de zomerjurken opwoeien en de regenwulpen overtrokken, ging je binnen fijn op zoek naar een Topper van Toen:  Marcellus Emants of Jan Mens, Daum of Menno ter Braak, Bordewijk of Willy Corsari, Vestdijk, Multatuli. Hoge en lage literatuur, ooit bestsellers, dan wel de minder bekende titels van schrijvers die ooit Groot waren.

    Contemporaine schrijvers vond je trouwens ook als Salamander, maar dan met de minder bekende titels: Mulisch met Drie verhalen, Doeschka Meising met Robinson. Het merendeel van de uitgaven was oorspronkelijk Nederlands. In 1996 was het gedaan met het sympathieke beestje.

    Waar kunnen we nog terecht voor de boeken van weleer? Enkele auteurs zijn gewoon nog verkrijgbaar (Elsschot, Nescio; wanneer is een auteur eigenlijk van vroeger?). Af en toe verschijnt met de nodige tamtam een ‘ontdekking’ (Ida Simons, Dola de Jong), de actie Nederland Leest van de Openbare Bibliotheken blaast eens per jaar een al of niet ten onrechte vergeten titel nieuw leven in (De grote zaal van Jacoba van de Velde). Maar een permanente beschikbaarheid van de boeken waarover je hoort op school en leest in de literatuurgeschiedenissen, om maar een simpel criterium te noemen voor de selectie, kennen we in Nederland niet.

    Nu het goede nieuws. Uitgeverij Aspekt is begonnen met een Klassieke Reeks. Daarin is als deel 1 verschenen De opstand van Guadalajara van J. Slauerhoff.

    Slauerhoff: de scheepsarts, de zwerver, de verdoemde dichter, bewonderd door grote namen als Ter Braak, Hermans en Nooteboom. De laatste heeft bij deze uitgave een nawoord verzorgd, waarin hij o.m. de historische achtergrond van het verhaal schetst.

    Waarom is juist voor deze kleine roman gekozen? Het gegeven is prachtig: een ontwortelde zwerver, gedroste zeeman, doorkruist als glaszetter het barre Mexicaanse platteland en wordt op een dag aangezien voor de Messias. Hij laat het zich welgevallen en valt ten prooi aan de hartstochten en de machinaties van de sloebers die van de komst van de Verlosser beter hopen te worden. Dat loopt niet goed af. Een vernietigende natuur, een achterlijke kerk, corrupte politici, revolutionairen met een dubbele agenda, heimwee naar een mythisch Mayaverleden – Slauerhoff kwam nooit verder dan de Mexicaanse havens maar hij wist zijn stof te kiezen.

    Aanvankelijk zou het boek ‘Christus in Guadalajara’ heten.

    In een nawoord bij de vijfde druk van De opstand… (1983) vertelt Kees Lekkerkerker, de bezorger van Slauerhoffs Verzameld Werk, hoe de schrijver aan zijn materiaal kwam. Slauerhoff putte voor zijn Mexico in de jaren ’20 met name uit een vervolgverhaal in De aarde en haar volken uit 1880 over Colombia. Eveneens ging hij te rade bij een ‘Mexicaanse revolutieroman’ die hij aan het vertalen was. Lekkerkerker merkt droog op: ‘geografische nauwkeurigheid mogen we van Slauerhoff allerminst verwachten’ en ‘Historische precisie streefde hij evenmin na’. Hij staaft zijn uitspraken met afdoende voorbeelden.

    We hebben hier dus te maken met de werkwijze van Karl May: een exotisch verhaal op basis van populaire lectuur, gangbare stereotypen en de dikke duim van de schrijver. Kan het resultaat iets anders zijn dan kitsch? Het veelvuldig gebruik van Spaanse woorden ter verhoging van de couleur locale maakt het er niet beter op (een verklarend woordenlijstje ontbreekt).

    Nooteboom op zijn beurt stelt dat Slauerhoff ‘een feilloos instinct (had) voor het tegelijkertijd archaïsche en anarchistische, corrupte en revolutionaire Mexico van de jaren twintig’. Zó feilloos was dit instinct, aldus Nooteboom, dat Slauerhoff ‘intuïtief het monsterverbond (heeft) aangevoeld dat zich na zijn dood in verschillende vormen zou herhalen (het Molotov-Ribbentrop-pact, mei ’68, toen de communisten weigerden de studenten te steunen (…).’

    De eerste druk van De opstand van Guadalajara verscheen nadat Slauerhoff was overleden, in 1937. Hij had er veel werk aan gehad maar, het hoge woord moet er nu maar uit, het was en blijft een mislukking. Toen hij het aanbood voor publicatie in Groot Nederland gaf Greshoff niet thuis, en terecht. De taal is lelijk, hakkelend, en niet doeltreffend. Dat laatste wreekt zich onder meer in het feit dat bij verwijzingen telkens opnieuw niet meteen duidelijk is naar wie wordt verwezen (‘Hij wist niet…’ Wie ís die ‘hij’? Even teruglezen. De priester of de hereboer? O nee, het is de glaszetter.)

    Deze vertelling lijkt niet meer dan een uiterst schetsmatige kladversie. Het verhaal bevat onvolkomenheden, Nooteboom wijst erop, en voor hem behoren ze tot ‘de aantrekkingskracht van zijn werk’ en hij wijt ze aan Slauerhoffs ‘notoire slordigheid’. Dat was inderdaad Slauerhoffs reputatie: ‘slordigheid van compositie’, waarmee hij overigens ‘bijzondere effecten’ teweegbracht, aldus Albert Helman in diens voorwoord bij het Verzameld Proza. Maar die reputatie leeft niet meer en de hedendaagse lezer ergert zich alleen maar aan het onverklaarbare gedrag van de bisschop van Guadalajara omdat niemand hem heeft verteld dat de arme man een beroerte heeft gehad, een verteltechnische stommiteit die Nooteboom grootmoedig onder de ‘bewonderenswaardige ongerijmdheden’ van het werk schaart.

    Had Slauerhoff het maar kunnen herschrijven, dan hadden we mogelijk werk gekregen van het kaliber van Het leven op aardeHet verboden rijk en Schuim en As.

    Want het centrale gegeven mag er zijn: het uitzichtloze bestaan van de verworpenen der aarde, een sprankje hoop, illusies, moedwil en misverstand, een volslagen deceptie. Van dit verhaal zou een prachtige film zijn te maken.

    De volgende delen in deze reeks zijn nog niet bekend. Laten we hopen dat het er vele zullen zijn en dat de reeks een commercieel succes wordt. Misschien dat een iets mooiere verzorging en wat minder drukfouten daaraan kunnen bijdragen. En op voor- en achterkant níet viermaal de naam van de schrijver van het nawoord tegen slechts tweemaal de naam van de auteur a.u.b.

     

     

    De opstand van Guadalajara

    Auteur: J. Slauerhoff
    Nawoord door: Cees Nooteboom
    Verschenen bij: Uitgeverij Aspekt
    Aantal pagina’s: 122
    Prijs: € 17,95

  • Sleutelroman met opengebroken sloten

    Sleutelroman met opengebroken sloten

    Het zal niet vaak voorkomen dat iemand, die voor het eerst van zijn leven een lot koopt, gelijk de jackpot wint. Het overkomt de ik-figuur (Chrétien Breukers genaamd) in de debuutroman Lot van Chrétien Breukers (1965). De ik-figuur wil het geld echter niet hebben, hij wil er vanaf. In goede doelen gelooft hij niet, iets nalaten wil hij niet dus moet hij het zelf uitgeven.

    Hij gaat in een hotel wonen, veroorlooft zich escortdames en rekent ondertussen af met zijn dichterschap, (‘ooit’ was hij dichter) en de poëzie in zijn geheel. Het was immers uit ‘luiheid’ dat hij poëzie schreef. Na een fietstocht door de Achterhoek, om het huis van Jeroen Brouwers in Exel op te zoeken, besluit hij in die streek een huis te kopen waar hij zich vervolgens ingraaft met tweehonderd flessen jenever en vijftig dozen wijn. Zijn eten laat hij bezorgen, boeken bestelt hij via e-mail bij boekhandel Lieftinck in Lochem (gelukkig vermeldt de achterflap niet dat het boekhandel Lovink betreft) en huurt zo nu en dan een vrouw in voor de lijfelijke liefde. Dat zijn de gegevens. De actie bestaat uit een briefwisseling met de eigenares van de boekhandel, Leonie en de bezoeken van vriend R..

    De openingszin van Lot, ‘Ik zat op de middelbare school en las Walging van Sartre.’, zet gelijk de toon, want het gaat hier om een existentialistische roman, (hint de achterflap). Vriend R. raadde hem al eens aan zich op generlei wijze met Sartre of Camus in te laten: (…) Camus was een veel te groot genie, ook stilistisch, om te emuleren. Red je niet, leidt alleen maar tot frustratie en zelfverachting.

    De in 2013 overleden Joris van Groningen (uitgever en tekstschrijver) staat model voor vriend R. (achterflap) en waart als het alter ego van de ik-figuur door het boek. De gesprekken die ze voeren zijn recht op de man. R. begeleidt de ik-figuur op zijn schrijfexpeditie en is daarmee het enige constante in de roman. De ik-figuur laat een stroom aan herinneringen, literaire weetjes, meningen en overige losse flarden op de lezer los zoals: Wat is een dichter? Daar wordt soms behoorlijk zweterig en zweverig over gedaan. Dichtbundels worden nauwelijks verkocht, maar om de dichters hangt nog steeds dat merkwaardige fluïdum van heiligheid … en zo voort. Het is de herkenbare weblogstijl van de auteur die licht vervelen gaat. Na 35 blz. wordt het wat interessanter en lijkt het ergens heen te gaan. Maar dat is schijn, er ontstaat geen lijn in en er wordt geen punt gemaakt. Het kabbelt wat aan. Het enige wat eruit komt is dat de ik-figuur tot de conclusie komt dat je je niet kunt verbergen voor je verleden.

    ‘Dat ik, door naar deze uithoek te kruipen, alle problemen achter me kon laten. Het is niet waar, daar ben ik dezer dagen (…) voorgoed achter gekomen.’

    Zoals gezegd meldt de achterflap dat het hier om een ‘existentialistische roman in de traditie van Sartre en Camus’ gaat. De auteur zegt daarover: ‘Ik sluit me bewust bij deze traditie aan’. In een mengeling van verhalen, zijsprongen, brieven en korte mijmeringen over literatuur wil hij een ‘ode aan de verbeeldingskracht’ brengen. Hiermee zal de onsamenhangendheid in het boek verantwoord zijn. Maar het is, alsof er een gebreid  echtpaartje bij je aan tafel zit, waarvan de één een verhaal vertelt en de ander zich genoodzaakt voelt er commentaar bij te leveren, en ze maar door en door babbelen, uit angst niet goed begrepen te zullen worden.

    Schrijfster Elena Ferrante is van mening dat boeken, als ze eenmaal geschreven zijn, ‘hun auteur niet meer nodig hebben’. Ook Jeroen Brouwers, waarmee de ik-figuur op meerdere vlakken koketteert, heeft niets toe te voegen aan zijn boeken. Daarvan getuige nog eens het laatste interview dat Wim Brands met hem had in Brands met Boeken, waar Brouwers zich een onwillige geïnterviewde toonde en niets nader verklaarde omdat alles in zijn boeken te vinden is. En dat is het ware schrijverschap: zonder pronken en ronken in de media.

    Er zitten mooie stukken in Lot, zoals een kort verhaal over zijn eerste reis alleen, naar Duitsland toen hij achttien was. Uit de briefwisseling (tussen de ik-figuur en de eigenares van de boekhandel), spreekt een klassieke afstand zoals tussen geliefden in vroeger tijden, (hier komen de brievenboeken van Jeroen Brouwers om de hoek kijken). Maar het is mooi. Breukers kan schrijven, dat is zeker. De dialogen die er in staan zijn onbevangen en treffend.

    Weer volgens de achterflap moeten we het boek zien als een antwoord van de auteur op een, voor hem zeer bewogen jaar 2014, ‘waarin bijna alles wat in een mensenleven kan gebeuren ook echt gebeurde‘, wat een nogal dramatische vertekening geeft van hoe het in het leven kan verkeren. Alsof heel lezend Nederland Breukers kent, en weet wat hem is overkomen (aannemend dat hem íets is overkomen). Dat zijn antwoord daarop dit boek is maakt het alleen maar ingewikkeld. Het hele boek kan dan ook gezien worden als een farce. Maar wel een mooie farce. Blijven we echter benieuwd naar een echte roman van Breukers.

     

  • Biografie van een dwangmatig schrijver

    Biografie van een dwangmatig schrijver

    De Melis Stokelaan in Den Haag loopt van noord naar zuid; de straat is lang en saai, zoals meer routes door die stad. De naam is ontleend aan een dertiende eeuwse klerk van Floris de Vijfde, vermoedelijk monnik, die een van de allereerste geschriften in het Nederlands schreef, de Rijmkroniek. Daarin een verslag van de moord op Floris, ontleend aan getuigenverklaringen, documenten en eigen waarneming. De betrouwbaarheid van het verhaal wordt door professionele historici niet hoog aangeschreven, desondanks zijn in diverse Nederlandse en Belgische stadjes straten en centra naar hem genoemd.

    In het begin van de vorige eeuw werd de naam Melis Stoke tot nieuw leven gewekt door de Delftse student Herman Salomonson, die onder dat pseudoniem gedichtjes begon te publiceren in studentenblaadjes en daarmee is doorgegaan als medewerker van De Groene Amsterdammer. Zojuist is de biografie van Salomonson/Stoke verschenen: Een humaan koloniaal. Leven en werk van Herman Salomonson alias Melis Stoke, door Gerard Termorshuizen, die als deskundige op het gebied van de Nederlandse koloniale persgeschiedenis speciale aandacht vraagt voor de Indische periode in Salomons leven. In de jaren twintig werd Salomonson hoofdredacteur van de Java-Bode. De rijmkronieken verschenen onder zijn bewind bijna dagelijks in de krant. Toen Salomonson zijn eerste stap in Batavia zette, leverde hij meteen een exemplaar af, op de boot geschreven. De laatste regels:

    Ik stem mijn lier. Mijn liederketel
    geraakt inmiddels onder stoom.
    Straks is de gloed niet meer te blusschen,
    Houdt u gereed… Ik kijk intusschen
    de kat eens uit de klapperboom.

    Ondanks de wat zouteloze rijmelarijen schijnen de kronieken populair geweest te zijn bij de lezers. In de jaren dertig verhuisde Salomonson naar Den Haag, waar hij directeur werd van het Nederlands-Indische persbureau Aneta-Den Haag. Als Melis Stoke publiceerde hij in tientallen kranten en tijdschriften, van De Telegraaf en Het Vaderland tot De Kampioen, Katholieke Radiogids en Nirom Bode. Daarnaast schreef hij romans, toneelstukken, hoorspelen. Iedere zucht werd vereeuwigd. Het oordeel van serieuze letterkundigen, als ze al over zijn werk schreven, was niet mals: zijn werk was langdradig, saai, oppervlakkig – een beetje zoals de Haagse Melis Stokelaan.

    De biografie is onevenwichtig, alsof Termorshuizen niet goed raad wist met het archiefmateriaal. Veel werd hem ter hand gesteld door Salomonsons dochter, vooral correspondentie. Het moet een reusachtig werk zijn geweest daar ordening in te krijgen, Salomonson was een dwangmatige schrijver. Het boek bevat een overvloed aan details, maar de grote lijn ontbreekt en daardoor treden er veel herhalingen op. Als de biograaf over Samomonsons romans begint, vertelt hij ‘allereerst het een en ander over de romans tot en met 1935’. Dat soort formuleringen kom je vaker tegen in het boek – de biograaf lijkt soms lukraak een greep te hebben gedaan om wat strooigoed op tafel te werpen. Salomons had geen gelukkig huwelijk – altijd weg of aan het werk; moeder de vrouw met de kinderen opgescheept – maar ondanks het omvangrijke persoonlijke materiaal word je niet veel wijzer dan wat vermoedens. Hield hij er vriendinnetjes op na? En hoe zat het met het liefdesleven van Mevrouw Salomonson? Geen woord. Salomonson komt uit de biografie naar voren als een zachte, aardige, serieuze man, sympathiek tot in het merg, maar hij moet ook harde kanten hebben gehad om zich in het jaloerse, kleinzielige wereldje van schrijvers en journalisten staande te kunnen houden. Daarover zwijgt de biograaf. En wat voor journalist was hij eigenlijk? Waarom werd het nieuws door hem in de vorm van een melig soort sinterklaasversjes gebracht? Waarom viel de keuze voor zijn pseudoniem op een dertiende eeuwse monnik? Geen woord. Het is een onderzoeker niet kwalijk te nemen als hij dingen niet weet, uiteraard, maar hij dient wel de juiste vragen te stellen.

    Het gebrek aan overzicht en lijn is het pijnlijkst als het gaat om de hoofdtitel van de biografie: wie of wat is een humaan koloniaal? Je zou kunnen zeggen dat dit een contradictio in terminus is, maar de biograaf doet geen poging om je op andere gedachten te brengen. Zeker, Salomonson was terughoudend tegenover het grof-racistische milieu van de Nederlandse gemeenschap in Batavia waarin hij verkeerde – misschien ook omdat hij zich als jood niet helemaal thuis voelde in dat gezelschap. Maar ben je daarom ‘humaan’? De andere kant: Salomonsons ‘ethische opstelling’, voor zover daar sprake van was, paste niet meer in de fase van het kolonialisme die hij meemaakte.

    Hij kende het werk van Multatuli maar stond er afwijzend tegenover – toch was zijn kennis van de koloniale samenleving uiterst oppervlakkig. Hij heeft nooit meer dan een paar tripjes op Java gemaakt en had – op de huisbedienden na – totaal geen contact met de gekoloniseerde bevolking. Misschien waren al die rijmpjes en de miljoenen woorden die hij moet hebben geschreven een middel om zich op te sluiten in een eigen wereld.

     

    Een humaan koloniaal
    Leven en werk van Herman Salomonson alias Melis Stoke

    Auteur: Gerard Termorshuizen
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar (2015)
    Aantal pagina’s: 328
    Prijs: € 24,99

     

  • De woordenvloed van een taalvirtuoos

    De woordenvloed van een taalvirtuoos

    Tim Parks lezen staat zo ongeveer gelijk aan het doorstaan van een vliegende storm. Taal is op alle fronten zijn vakgebied en dat is aan zijn teksten te merken. Met groot enthousiasme racet deze virtuoze auteur door zijn ervaringen en denkbeelden en lardeert ze in Waarom ik lees met ondersteunende bewijzen.

    De korte hoofdstukken van dit boek zijn de afgelopen drie jaar als blog verschenen op de website van de New York Review of Books. Elk van deze essays over schrijven, lezen, vertalen en de boekenwereld was een afgerond geheel en is dat in dit boek nog steeds. Alle hoofdstukken samen bieden een brede blik op het hedendaagse ontstaan van een boek, op de weg die het aflegt voordat het gedrukt in de winkels ligt of elektronisch kan worden gedownload.

    Wat lezen mensen en waarom? Wat kan een boek voor de lezer betekenen en wat betekent het voor de schrijver? Wat is de invloed van een vertaling en hoe is het boekenlandschap door de jaren heen veranderd? Op deze vragen probeert schrijver, essayist, recensent en vertaler Parks antwoord te geven en hij slaagt daar uitstekend in.

    Wat de een prachtig vindt, kan de ander nauwelijks bekoren. Waar een boek bij de een aanspraak maakt op een diepliggende behoefte, brengt de ander er nauwelijks enige interesse voor op en waar de ene mens overloopt van bewondering voor boek of schrijver wordt de volgende er mateloos door geïrriteerd. ‘Onze reactie op romans kan te maken hebben met de groep mensen en de omgeving waarbinnen we zijn opgegroeid, ons een positie hebben moeten verwerven en een persoonlijkheid hebben moeten opbouwen,’ betoogt Parks. De positieve en negatieve uitingen van deze omgeving zijn ons vertrouwd en we houden eraan vast of zetten ons ertegen af. Een mens leest vanuit zijn eigen achtergrond en dat is waarom lezers het vaak niet eens zijn, zegt Parks.

    Aanvankelijk lijkt Waarom ik lees voor lezers bedoeld. Naarmate het boek vordert lijkt de doelgroep meer naar het schrijverspubliek te verschuiven en ook vertalers zullen in zijn uiteenzettingen veel herkennen. Soms is niet duidelijk of Parks als lezer of als schrijver aan het woord is. Niettemin valt er voor de gemiddelde lezer veel te genieten van zijn visie op de talrijke aspecten van schrijverschap en boekuitgaven. Voorbeelden put Parks uit het werk van S. Beckett, D.H. Lawrence, Th. Hardy, Ph. Roth en vele, vele anderen, terug te vinden in het uitgebreide register achterin.

    Parks maakt onderscheid tussen de schrijver als kunstenaar en de schrijver die verkoopsucces tot doel heeft. Het laatste tegenwoordig veelal onder invloed van de steeds internationaler wordende boekenmarkt, waar de Angelsaksische en vooral de Amerikaanse cultuur dominant zijn. Een gevolg van deze ontwikkeling is, meent Parks, dat schrijvers zich al dan niet bewust aanpassen aan een universeel taalgebruik omdat dat gemakkelijker in het Engels te vertalen is en ook uitgevers zo een omvangrijker lezerspubliek binnen bereik zien komen. Parks vindt dat jammer. Schrijvers met hun eigen specifieke cultuur en taalgebruik als uitgangspunt zullen daardoor zelden een groot publiek bereiken, terwijl hun kwaliteit misschien wel op een hoger plan staat dan die van schrijvers die zich met succes op de wereldmarkt richten.

    Dan zijn er nog de haken en ogen aan het vertalen. Een eerste bewijs van de problemen die zich daarbij kunnen voordoen is dit boek zelf. De Engelse titel luidt: Where I’m Reading From. In het Nederlands zou dat ‘Waarvandaan ik lees’ moeten zijn, maar dat klinkt niet. In dit geval maakt dat niet uit omdat het ‘slechts’ een titel is, en ook Parks’ eigen Engelse titel de lading van het boek niet echt dekt. Bij literaire teksten ligt dat anders. Parks – universitair docent vertaalkunde in Milaan – meent dat vertalen onmogelijk is zonder het ritme, de stijl en de stem van de brontekst aan te tasten. Als een van de voorbeelden noemt hij de Zibaldone van Giacomo Leopardi, waaruit hij zelf stukken tekst zou gaan vertalen. Recentelijk had een team van zeven vertalers en twee gespecialiseerde redacteuren een ‘onverkorte en volledig geannoteerde Engelse editie voltooid’. Parks schrijft: ‘Ik heb diep ontzag voor de gigantische prestatie van dit team […] Wat ik wel wil signaleren is dat ik me, terwijl ik hun vertaling lees, terdege bewust ben van de respons van elke individuele lezer […] van onze eigen interesses, overtuigingen, obsessies. Ik hoor Leopardi in een Engels dat heel anders klinkt en aanvoelt dan mijn collega’s hebben gebruikt. Ik hoor gewoon een andere man tegen me spreken – een andere stem – hoewel wat ik hoor niet valabeler is dan de Leopardi die zij voor ogen hadden.’

    Dat de erudiete veelschrijver Parks aan tekst geen gebrek heeft blijkt wel uit zijn productie van zo’n dertig boeken, ruim tachtig essays en artikelen en een stuk of zeventien vertalingen. Over zijn ervaringen met meditatie schreef hij maar meteen twee boeken: het autobiografische Leer ons stil te zitten en de daarmee gepaard gaande roman De dienares. En niet in de minste hoeveelheid woorden. Soms vraag je je af of Parks zijn woordenvloed niet wat kan indammen. Het antwoord is: ja, dat kan vrijwel altijd, maar ook nee, omdat ondanks hier en daar een doublure de lezer door de bezielde en veelzijdige manier waarop Parks uitputtend beschrijft wat hij over het onderwerp kwijt wil, toch geboeid blijft. Ook in Waarom ik lees.

    Het is een rijk boek, al blijft de rol van het e-book wat onderbelicht. Met zijn bekwame formuleringen neemt Parks ook de voorzichtigheid in acht. Hij constateert verschijnselen, staat boven de materie, laat ieder het zijne en vermijdt al te stellige uitspraken. Daarbij is hij zich terdege bewust van zijn Europese publiek – naast het Angelsaksische – wat onder meer blijkt uit de aandacht die hij heeft voor Nederlandse en andere Europese lezers en schrijvers.

    Wie even niet weet wat hij moet lezen of welke boeken van belang zijn voor de canon, al bestaat die volgens Parks niet meer, kan in Waarom ik lees ideeën opdoen, mits hij niet uit is op titels van de nieuwste uitgaven.

     

    Waarom ik lees

    Auteur: Tim Parks
    Vertaald door: Corine Kisling
    Verschenen bij: Uitgeverij Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs: € 17,99