Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Persoonlijke essays en de moderne letteren

    Persoonlijke essays en de moderne letteren

    Wie een studie wil maken van de poëticale opvattingen van H.C. ten Berge (1938) treft een ware ‘Fundgrube’  aan in zijn bundels met essays en dagboeknotities. Ruim twintig jaar na De honkvaste reiziger en Vrouwen, jaloezie en andere ongemakken heeft Ten Berge wederom stukken verzameld en van een even mysterieuze titel voorzien: Een spreeuw voor Harriët. Behalve scherpzinnige analyses van het werk van collega-dichters die hij vaak persoonlijk kende zoals Breyten Breytenbach en A. Roland Holst, bevat dit derde boek ook essays en schetsen over de mens achter de literator. Waarbij Ten Berge niet alleen  exegeses van eigen werk geeft, maar ook zichzelf portretteert.

    Herbenoemen van de wereld
    Het meest centraal staat Ten Berge in de met foto’s verluchte afdeling ‘Eigen achtergronden’. Daarin figureren ook dichters en schrijvers die hij in zijn literaire carrière is tegengekomen, bespreekt hij zijn redacteurschap van tijdschrift Raster en zijn vernieuwende literatuuropvattingen. Opvallend hierbij is de objectieve kijk die Ten Berge op zichzelf heeft. Nergens ijdeltuiterij of zelfroem in deze afdeling die het stuk bevat waarnaar de hele bundel genoemd is. In ‘Een spreeuw voor Harriët’ toont Ten Berge dat hij als beginnend dichter al zocht naar het woord dat de wereld herbenoemt en nieuwe perspectieven opent in verten met naar verwachting wijkende kimmen.

    Jeugdgedicht
    Dit zeer persoonlijk essay bevat de ontstaansgeschiedenis van een jeugdgedicht. Het vers is een van Ten Berge’s eerste publicaties, verschenen bij de ‘Spreeuwenpers’ (oplage: één exemplaar) en opgedragen aan een vriendin. De thematiek van zijn debuut Poolsneeuw en volgende bundels – die samen met werk van vooral Hans Faverey en van Gerrit Kouwenaar de experimentele poëzie uit de jaren Vijftig ‘gecorrigeerd’ hebben – tekent zich in dit gedicht af. De reis voert niet naar noordelijke of andere ver gelegen onontgonnen gebieden (waar een horizon, die hoe dichter deze genaderd wordt, in rook blijkt op te gaan). Het is echter een even verwachtingsvolle reis naar Zuid-Europa die óók in het niets eindigt: de reiziger is ‘opgebrand / Of neergeschoten op de vlucht.’ Gevolgd door de verrassende slotregels: ‘Niemand die hem mist? / Ja, ik!’

    Sterke taalbouwsels
    Het titelessay doet in zijn sterk (auto)biografisch getintheid niet onder voor de andere stukken over schrijvers- en dichterslevens. Onmiskenbaar is de maker en kunstenaar met zijn werk verstrengeld. Hoe boeiend de biografische gegevens op zichzelf ook zijn, voor Ten Berge moeten ze het werk overstijgen. De door Ten Berge bewonderde Breytenbach bijvoorbeeld, is een meester in zulke sublimaties. Hij weet als geen ander persoonlijke ervaringen en observaties te verbinden met het ‘algemene’.
    Evenals de poëzie en het verhalend proza (Ten Berge schreef enkele romans en novellen) kunnen de essays goed in elkaar gezette en prachtige taalbouwsels worden genoemd. Niet alleen weet Ten Berge het ‘juiste’ woord te vinden maar ook de vorm die dat woord in kracht en ‘onsterfelijkheid’ laat stralen. De nieuwe en vruchtbare gronden waarnaar hij in zijn poëzie steeds weer vergeefs op zoek is, komen in de essays open te liggen in de zoektocht naar de mens achter het literaire werk.

    Vertrek van een nulpunt
    Op deze reis is de collega-dichter en -schrijver een lotgenoot van Ten Berge, iemand die net als hij telkens weer op vluchtigheid stuit en betrekkelijk weinig weet te doorgronden. Een ander punt van overeenkomst met de meeste besproken literatoren of andere kunstenaars is dat zij vaak vertrekken vanuit een nulpunt. Wat hen aan ‘werkelijkheid’ omringt, wordt vóór de zoektocht gezuiverd en leeggemaakt om van daaruit tot een diepgaander ontdekking te komen dan voorheen was gedaan.
    Geen wonder dat Ten Berge zoals hij in Een spreeuw voor Harriët ook zelf aanstipt, grote belangstelling aan de dag legt voor de ‘primitieve’ sprookjes en mythen, voor de middeleeuwen (de mystiek van Hadewych, de vaganten en de danse macabre) en voor de cultuur van de Azteken. Geen wonder ook dat hij in twee essays in Een spreeuw voor Harriët de bloeiende Duitse ‘Kosmische kring’ (ca. 1900) rond Stephan George centraal stelt.

    Ten Berge ziet in Albert Verwey – die nadat hij deel had uitgemaakt van de Beweging van Tachtig en zich mede onder invloed van die kring vernieuwde – een van zijn ‘historische’ metgezellen. De door Ten Berge ondernomen zoektocht is van alle tijden, evengoed als de verbeelding die daaraan vorm heeft gegeven. Bij alle verschillen is op zijn lijf het streven van Verwey geschreven, de Idee van de Verborgen Eenheid van Ik en wereld, zichtbaar gemaakt door de verbeelding.
    De lezer krijgt met Een spreeuw voor Harriët een literatuurgeschiedenis annex relaas over de moderne letteren voorgeschoteld via een speciale, maar veel omvattende invalshoek.

     

     

  • Schijn en werkelijkheid

    Schijn en werkelijkheid

    Lezers van de debuutroman Een bijna volmaakte vriendschap (2012) van Milena Michiko Flašar, een schrijfster met een Oostenrijkse vader en een Japanse moeder, zullen blij zijn dat er nu een tweede roman van haar in vertaling beschikbaar is: Meneer Katō speelt familie.
    Omdat beide romans qua thematiek aan elkaar verwant zijn, eerst kort iets over Een bijna volmaakte vriendschap. Op die manier kunnen vervolgens lijntjes worden getrokken naar Meneer Katō speelt familie, en ontstaat er een beeld van Flašars ideeënwereld en schrijfstijl.

    Bijna volmaakt
    Het romandebuut van Flašar speelt net als de tweede roman in een niet nader aangeduide voorstad van een grote stad. Het draait hier om een ik-figuur, die zichzelf omschrijft als ‘een ineengedrukt mens’. Op een bankje in een park ontmoet hij Stropdas, die door zijn rood-grijze stropdas veel kleurrijker is dan het ik-personage. Door een onzichtbare draad, en door de draad van hun gesprekken, zijn ze met elkaar verbonden. Twee mensen, een jonge man (de ik-figuur) en een kantoorklerk (Stropdas), die overdag eigenlijk niet zo lang in het park horen te zijn als er geen reden voor was. De vriendschap tussen beiden is bijna volmaakt, dat wil zeggen: volmaaktheid bestaat niet, want om volmaakt te worden, moet het juist onvolmaakt zijn.

    Meneer Katō
    In Meneer Katō speelt familie, gaat het in eerste instantie ook primair over twee mensen die met elkaar zijn verbonden: meneer en mevrouw Katō. Zij werken op elkaars zenuwen. Het zijn geen blikken van verstandhouding die ze elkaar toewerpen, zoals de ik-figuur en Stropdas in Een bijna volmaakte vriendschap, maar het lijkt ‘alsof ze elkaar over de tafel heen toeschreeuwen’. Een motief dat verderop in het boek wordt hernomen, wanneer ‘doofstommen (…) elkaar regelrecht met woorden leken te bekogelen’.
    Meneer Katō is gepensioneerd. Misschien is hij wel een ouder geworden Stropdas, die immers ook kantoorbediende was. Hij verveelt zich en gaat in op het voorstel van een jonge vrouw die hij ontmoet en die, zoals ze zelf zegt, ‘familie speelt’. Dat wil zeggen dat ze aanvragen krijgt van bijvoorbeeld een man die gaat trouwen en een zus zoekt om over zijn jeugd te vertellen of een vrouw die een kleindochter zoekt die ‘gewoon nog ‘ns naar een gladde huid van een jong mens wil kijken’. Het visitekaartje van de jonge vrouw is rood, net als de das van Stropdas, met letters die aaneengeregen zijn tot een draad (!) Zoals de draad die Katō’s vrouw tornt uit de vastgenaaide broekzakken van haar man.
    De draden kunnen zo worden doorgeknipt of onzichtbaar zijn. Zo verdwijnt er gaandeweg de roman een en ander, zoals Itō, een collega die meneer Katō veel tegenkwam en opeens niet meer (zou hij dood zijn?), zoals de hangjongeren voor het station, met plastic bankje en al. Of van het echtpaar dat naar hun huis kijkt, terwijl het is afgebrand; ze ‘leken het toch te zien’. Meneer Katō neemt zich voor bij Itō langs te gaan, zoals hij zoveel goede voornemens heeft. Zoals bijvoorbeeld het maken van een aanbouw aan zijn huis, die hij, ‘de niet gebouwde aanbouw, de grond in [wil] stampen’. Zichtbaar en onzichtbaar.

    Schijn en werkelijkheid
    Je herkent het meteen als een kenmerk van het werk van Flašar. Net als de onaffe, losse flarden van zinnen uit het debuut, die in iets gewijzigde vorm terugkomen. Hier heet het bijvoorbeeld: ‘In de zijstraat. Niets verrassends’, ‘Wat anders. Wie zal het zeggen?’ In tegenstelling tot in het debuut, zijn hier twee flarden aaneengesmeed en staan er wel leestekens.
    Het zou zomaar kunnen, dat de auteur heeft ontdekt dat hiermee, meer dan met grammaticaal onaffe, zoekende zinnen, verbindingen kunnen worden gelegd. Verbindingen tussen mensen die zowel worden gezocht als ontweken. In dit verband doet het woord ‘familie’ het hem: ‘een magische cirkel die hen allemaal omsloot (…). Een zacht gevoel in zijn mond. En hij kan het proeven. Met zijn tong ging hij langs zijn tanden’.

    Verdubbeling
    Meneer Katō speelt familie is opgebouwd als een opera, inclusief een ouverture: als hij het niet meer volhoudt in zijn huwelijk is een dakloze bereid voor hem in te vallen als substituut-personage, zoals hij dat later zelfs veelvuldig zal gaan doen. Het is een frase die wanneer Katō hem weer eens op een kruispunt treft, wordt herhaald – als een Leitmotiv in een opera, een paar noten waaraan je een personage herkent.
    Dat zijn elementen die het boek een gelaagdheid en structuur geven die het verhaal boven zichzelf uittillen. De ene lezer zal de roman misschien niet opwindend vinden, minder opwindend dan Flašars debuut, de ander zal misschien juist genieten van de delicaatheid ervan, waarbij een woordkeuze als ‘Voor ze haar mond opentrekt’ opeens, in verhouding, heftig binnenkomt. De delicaatheid lijkt precies wat de schrijfster met de beschrijvingen van de verschillende levens waar meneer Katō als substituut-personage even in binnendringt, wil zeggen: ‘Wat is dat saai! En je wilde dat het allemaal wat opwindender was’. Such is life. Het zit hem in kleine dingen.

    De jonge vrouw, de opdrachtgever van meneer Katō, meent dat het bizar is je andere, soms ongelukkige levens van anderen te willen voorstellen. Bizar? Misschien ook wel de bedoeling in een tijd waarin schijn en werkelijkheid nog dieper ingrijpen dan in de roman het geval is, met de sociale media die het echte leven lijken te vervangen of te verdubbelen, in een tijd die vraagt om empathie. Misschien wil Katō dat óók wel zeggen, en staan de verdubbeling van het ellendige huwelijk van Katō’s en de moeizame relaties waar hij binnenstapt daarvoor symbool. Dat mag iedere lezer voor zich uitmaken.

     

  • Een bundel om van bij te komen

    Een bundel om van bij te komen

    De schrijver Atte Jongstra debuteerde in 1985 met een solide en aanstekelijk geschreven studie over de Multatulianen naar aanleiding van het 75-jarig bestaan van het Multatuli Genootschap. Hij gaf daarmee een goede doch misleidende indruk. Na dit boek volgden tientallen publicaties die moeilijk onder een noemer te vangen zijn, zeker niet onder de noemer literair-historische documentatie waar zijn Multatulianenboek toe gerekend kan worden. Met de dichtbundel Furunkel voegt Jongstra weer een noviteit toe aan zijn oeuvre: het is de eerste dichtbundel die hij – de zestig inmiddels gepasseerd –  onder eigen naam publiceert.

    Ongrijpbaar
    Furunkel
    bevestigt Jongstra’s reputatie van ‘nergens bij willen horen’. Épater le bourgeois – dat doet Atte Jongstra het liefst. Van ongrijpbaar naar onbegrijpelijk, Komrij meets Lucebert, zeg maar. Niet voor niks luidde de ondertitel van Jongstra’s autobiografie in de Privé-domein-reeks ‘bekentenissen van een zelfontwijker’. De signalen die Jongstra op zijn lezers afvuurt liegen er niet om. Een furunkel is een steenpuist. Het openingsgedicht van de bundel heet ‘Over de papegaai’. Het volgende fragment is ontleend aan de derde en laatste strofe:

    […] Wij dichters zijn rijk
    met kleur gezegend en voorzien de mensen,
    en om en om elkaar, van oude taal, van
    adeldom. Voor zolang de mensheid duurt.
    Daarna de papegaai, met zijn enige
    echte openbaring.

    Verwarring alom
    Welnu: de welsprekendheid van een papegaai mag bekend worden verondersteld. En dat is dus volgens deze dichter de ‘echte openbaring’. De lezer is gewaarschuwd. De dichter presenteert zijn nummers vervolgens als een dompteur in een vaudeville: hij verbluft, varieert en onderhoudt. Zo gauw de lezer denkt te weten wat ‘ie kan verwachten volgt er iets anders. Wat overheerst is verwarring.
    Het kortste gedicht van de voorstelling beslaat zes regels, het langste bestaat uit zes delen en omvat 8 pagina’s, inclusief drie motto’s: uit een Mariahymne, één van Goethe en één van Napoleon (‘Was je niet, ik kom eraan!’). De onbeheerste zinnelijkheid die in deze bundel frequent valt aan te wijzen, ook die is in alle directheid in de eerste plaats ongewoon – en zelden poëtisch.

    [ …] Ik had je graag op knieën
    willen dwingen en je volle lippen om
    mijn pik gevoeld … [etc.]

    of

    In de zomeravondzwoelte streel ik je altijd stuwend
    gat, je lubberende stoelzit, flodderend, vloeiend,
    luwend onder mijn vingeren, zachtjes veraambeiend
    […] (uit het gedicht ‘Cloacina, heilige’

    Podiumpoëzie
    Opmerkelijk is dat een zo veelzijdig, origineel en ‘postmodern’ auteur zich niet aan het schrijven van teksten voor toneel heeft gewaagd (de Nederlandse centrale catalogus kent althans geen toneelstukken van Atte Jongstra). Wellicht omdat hij beter zelf als performer kan optreden? Het moet gezegd: de bundel Furunkel schreeuwt om voordracht. Het vergt weinig fantasie om je voor te stellen welke indruk Jongstra zou wekken met een presentatie van gedichten uit deze bundel tijdens (bijvoorbeeld) de ‘Nacht van de Poëzie’. Zijn harde, nasale stem, het dreunende Friese accent – en dan een tekst als deze, uit het gedicht ‘Boekenwerk’:

    Uit mijn dikke ballen ruk ik zo gewoon waar ieder bij staat
    een hele berg gedichten, ik spuit gasten die zingen als bejaarden
    tot ze wit gaan zien. Verdiende loon. Hadden ze maar gestorven
    moeten zijn. En hé, over hun liggende figuren kom ik me daar
    zomaar nog een keer, ik moet me werkelijk beheersen om niet
    factor zeven op hun krengen los te laten. […]

    De liefhebbers van podiumpoëzie zullen, na de indringende voordracht van een tekst als deze, fluiten,  joelen en hun handen stuk klappen. Ten slotte: het laatste gedicht van de bundel heet ‘Wit’. Het is kort en ‘stil’ is het laatste woord van de laatste regel. Daar is de lezer dan ook wel aan toe: al was het maar om op adem te komen.

     

  • Kijken naar vluchtelingen en naar jezelf

    Kijken naar vluchtelingen en naar jezelf

    Het is altijd prettig als een boek afwijkt van wat gebruikelijk is. Het roept dan een frissere blik op, verhindert de lezer om op de automatische piloot het boek tot zich te nemen. Exodus van Jasper Rietman is zo’n boek.
    Rietman maakt illustraties voor kranten als The New York Times, The Guardian en The Washington Post, en, dichter bij huis, voor De Standaard en de Volkskrant. Zijn stijl is ‘de klare lijn’, wat aan zijn tekeningen helderheid geeft. Exodus is zijn eerste boek. Het is gedrukt op oblongformaat, wat het gevolg heeft dat de bladzijden eruitzien als een strook. Daar komt nog bij dat alle bladzijden op elkaar aansluiten, zodat je ze aan elkaar zou kunnen leggen tot één lange strook. Er is geen tekst, de tekeningen vertellen het verhaal.

    Als we het boek openen, vallen we meteen in een oorlogssituatie. Het ziet eruit als een burgeroorloog in een land dat niet exact te duiden is, maar het zou ergens in het oosten kunnen liggen. Bij het doorbladeren van het boek verplaatst de lezer zich, niet alleen in de ruimte maar ook in de tijd. In het begin is er chaos, verwoesting, geweld, daarna komt er een vluchtelingenstroom op gang. Via allerlei voertuigen komen de vluchtelingen bij de kust terecht, waar ze in een boot stappen.

    Uiteindelijk arriveren ze in het land aan de overzijde van het water waar ze worden opgevangen in een vluchtelingenkamp. De voertuigen bij dat kamp zijn enigszins futuristisch en boven het kamp vliegen drone-achtige luchtvaartuigen. Daardoor verschuift het boek van realistisch naar meer fictioneel.

    Wat wil het verhaal zeggen over de huidige toestand in de wereld waarin vluchtelingen per boot de oversteek wagen naar Fort Europa? Er wordt in ieder geval duidelijk gemaakt hoe chaotisch en beangstigend het land is dat achtergelaten wordt en dat mensen uit puur lijfsbehoud de wijk nemen naar een voor hen onbekend land.
    De mensen die geld verdienen aan het vluchten blijven buiten beeld, de overtocht verloopt gladjes en het opvangkamp ziet er niet al te ellendig uit. Maar er staan wel mensen met geweren in het kamp en je kunt je afvragen in hoeverre de vluchtelingen iets opgeschoten zijn met hun vlucht. Pas achter de muur die het kamp afsluit van de rest van het land, begint het groene gras.

    Rietman heeft een vrij ‘cleane’ manier van tekenen, waarin de afstand ingebouwd is. Dat ook de lezer op afstand blijft, heeft te maken met het perspectief: je ziet de personen altijd schuin van boven, alsof je in een helikopter boven ze vliegt. De lezer kan zich alleen betrokken voelen als hij langzaam ‘leest’ en oog heeft voor de individuen op de tekening.

    De kleuren zijn helder en bij een andere thematiek zouden die zelfs iets vrolijks aan de afbeeldingen kunnen geven. Het werkt goed. Als ook de inkleuring dreiging zou oproepen, ligt het gevaar van effectbejag op de loer. Nu heeft de inkleuring iets bedrieglijks; pas bij nauwkeuriger beschouwing dringt de omvang van de ellende door.

    Door de detaillering van de tekeningen wordt de lezer uitgenodigd tot nauwkeurig kijken en tot ‘herlezing’. Exodus bladert gemakkelijk door, maar eigenlijk heeft het tijd nodig en het eist die tijd ook wel op. Bij herlezing en bij nauwkeuriger kijken komen de vluchtelingen dichterbij.

    De tekeningen doen wat ‘blokkerig’ aan: Rietman heeft een voorkeur voor de liniaal, waardoor er veel rechte lijnen in zijn tekeningen voorkomen. Vooral bij de voertuigen valt dat op: weinig gebogen lijnen. Daar komt nog bij dat de wielen vaak aan de kleine kant zijn. Daardoor heb je het idee dat je naar speelgoedautootjes kijkt.
    Maar misschien typeert dat wel de manier waarop we naar dit soort gebeurtenissen kijken: alsof ze niet echt zijn. Hoe langer je nadenkt over Exodus, hoe meer het te zeggen heeft. Niet alleen over de situatie van vluchtelingen, maar ook over onszelf.

     

  • Ontregelende scènes in tragikomische verhalen

    Ontregelende scènes in tragikomische verhalen

    Het auteursportret achter op de verhalenbundel Diepe aarde van Maria Vlaar (1964) lijkt wel een spiegelbeeld van de Mona Lisa van Da Vinci: vergelijk de blik, de gekruiste armen, de haardracht, de glimlach. Als het geen opzet is, is de gelijkenis te mooi om aan voorbij te gaan. Vooral omdat het beeld daarmee staat voor een grondthema van veel verhalen in de bundel: Wat gaat er schuil achter de façade van de schone schijn? Zien we iemand werkelijk?
    Eén van de motto’s die Vlaar haar zeventien verhalen meegeeft is van Jan Lauwereyns. Het eindigt met: ‘We hebben een blinde vlek voor de dichtbije dood, de voortekenen van ziekte en ongeluk, de mechanismen van liefde en verraad in ons leven’. Een citaat dat je af en toe te binnen schiet als de verhalen je vanuit een alledaags ogende situatie meezuigen naar een verborgen achterkant daarvan. Vol bedrog, verkeerd ingeschatte effecten, dood, schuldgevoelens en onverwerkte pijn. Vlaar brengt je daar met een plotselinge wending of met subtiele zinnetjes en toespelingen die vooruit verwijzen naar de diepere grond, de diepe aardevan iemands gedrag en levenshouding. De meeste verhalen zijn spannend en humoristisch maar in elk geval tragisch.

    Naïef
    Al meteen in het eerste, ‘Persona’,wordt een herkenbaar gewoon tafereel als een caféterrasje waar mensen even komen zitten voor een drankje ontregeld doordat wordt ingezoomd op de gesprekken en gedachten van bezoekers: twee wielrenners hebben huwelijksproblemen, van twee vriendinnen heeft de één een verhouding met de man van de andere en er is een oude man die een mislukte date met een jonge vrouw heeft. Daartussendoor loopt de serveerster met vers liefdesverdriet. Van de gemoedelijke buitenkant blijft niet veel over terwijl iedereen bezig is de indruk te wekken grip te hebben op het leven.

    In verschillende verhalen laten de hoofdpersonen een aandoenlijk naïeve overtuiging zien van de juistheid van het eigen wereldbeeld. Ze houden zichzelf min of meer voor de gek door hun twijfels niet toe te laten of zichzelf te bedriegen met zoethoudertjes. Sterke voorbeelden daarvan zijn de verhalen ‘De ongeborene’, ‘Het landhuis’ en ‘De stetson’.In dat laatste verhaal denkt Rudolf keurig twee werelden – in de ene is hij getrouwd, in de andere gaat hij vreemd – te beheersen. Of, zoals hij zelf zegt: ‘Dat gebeurt eigenlijk nooit als ik bij Masha ben, dat ik een stijve krijg door aan Larissa te denken. Ik houd dat altijd goed gescheiden.’

    Moedervlekken
    Humor, zoals in die geciteerde zin, is alom aanwezig in de bundel. In ‘Jouw pijn’ bijvoorbeeld herinnert Florence zich dat haar eerste geliefde drieënvijftig moedervlekken op haar rug telde en haar ex zevenendertig: ‘(…) mijn ex, de vader van mijn zoon. Volgens hem heb ik maar zevenendertig moedervlekken. Hij is zuinig, dat merk ik ook aan het gedoe over de alimentatie’. En in ‘Het Pad van Licht’ wordt een verzamelaar van afbeeldingen van Annunciaties (de aankondiging door de engel van de zwangerschap van de moeder van Jezus) verliefd op een vrouw die Maria heet (‘Ja, ik viel natuurlijk als een getroffene op haar naam’). Zij roept in het café de ober die Gabriël blijkt te heten.
    Een enkele keer schiet de humor wel eens door. In het bijna hilarische ‘Wat weet je van de romantiek?’ neemt de autist Mark deel aan de quiz De slimste mens. Ook dit is een tragikomische vertelling, maar deze keer is de clou toch wat obligaat.

    Minder sterk zijn ook de verhalen die in de toekomst spelen. Dat zijn er drie, ‘Het landhuis’, het dystopische ‘Oefening in nederigheid’ en ‘De tent’. Deze vertellingen passen in de sfeer van de bundel, maar waarom wordt teruggeblikt vanuit hypothetische (politieke) situaties ver na 2014 is niet duidelijk.

    112
    Diepe aarde is het debuut van Maria Vlaar, maar in de literaire wereld is ze allerminst een onbekende. Ze was tien jaar redacteur bij De Bezige Bij en is onder andere recensent voor verschillende bladen en presentator van literaire festivals. Momenteel werkt ze aan de biografie van Joost Zwagerman. En: ze schrijft prachtig in tintelende zinnen en mooie beelden. In ‘Hotelkamer 112’ (let op het omineuze nummer) typeert de ik-figuur een ober als ‘een puisterige jongeman met een veelbelovende bottenstructuur’. Hij is in de bar met Marlène aan wier lot hij al drieënvijftig jaar is gekluisterd. De gaten in hun leven worden raak gesymboliseerd door de achteloze opmerkingen dat hij een atelier bezit dat hij nooit gebruikt en zij een IKEA-keukentje waar ze nooit komt.
    À propos: drieënvijftig jaar. Net zoveel als het aantal moedervlekken in ‘Jouw pijn’.Toeval? Misschien niet, want er zijn meer van dat soort intertekstuele grapjes. In ‘Het landhuis’ bijvoorbeeld blijkt Ernst ineens een zoon van Renske, van wie de man schoenmaker was; een grappige verwijzing naar ‘De ongeborene’ over schoenmaker Jeroen en zijn vrouw Renske.

    Maria Vlaar is ook de weduwe van de schrijver Erik Menkveld die in 2014 stierf aan een hartstilstand. Eén van de kortste verhalen in haar bundel is ‘Wachten’.Het is een ontroerende liefdesbetuiging, met de overledene als verteller.
    Vlaars biografie van Joost Zwagerman wordt in 2020 verwacht.

     

     

  • Vakantietijd

    Vakantietijd

    Het is this all there is-gevoel van veertigers in hun midlifecrisis overheerst in de verhalenbundel Het ontbijtbuffet van Hans Maarten van den Brink.
    In een heel precieze schrijfstijl legt hij dat gevoel vast en wie het zelf heeft gekend zal een schok van herkenning voelen.
    Opgesloten zitten in een comfortabel huwelijk of relatie en hunkeren naar de vrijheid van ongelukkige eenzaamheid, dat is in veel van de verhalen het onderwerp.

    Verlangen
    Zoals in het openingsverhaal Circe, waarbij een jonge vader tijdens een vakantie in Frankrijk merkt dat hij te midden van de drukte van het gezin en zijn actieve rol daarin, toch erg verlangt naar de dame van de patisserie aan de overkant van het plein. Reden om die patisserie geregeld te bezoeken:
    ‘Hij durft haar nauwelijks aan te kijken maar hij weet dat ze naar hem lacht zoals ze naar al haar klanten lacht, zoet en verleidelijk, het truitje geopend, een kanten rand zichtbaar onder de kraag, haar lichaam lichtjes over de vitrine gebogen zodat het niet helpt wanneer je je op het gebak concentreert in plaats van haar aan te kijken omdat je blik zich dan, behalve op glazuur en slagroom, ook altijd op de uitstalling van haar borsten richt,’
    Natuurlijk gebeurt er niets. Want áls er iets zou gebeuren zou het eindigen met ‘de fatale woorden: Trouw met mij.’ En dat was hij al, getrouwd.

    Melancholie
    Ook de andere verhalen spelen zich af tijdens vakanties of reizen. Wat zich in zo’n onthechte periode afspeelt, dat is het onderwerp van de bundel.
    Voor heel dramatische gebeurtenissen moet je (één verhaal uitgezonderd) niet bij Van den Brink zijn. Zijn hoofdpersonen zijn goed opgeleide en evenwichtige dertigers en veertigers die wat hen overkomt eerder registreren dan heftig beleven.
    De overheersende sfeer is die van de melancholie van de mens die eigenlijk alles heeft of makkelijk zou kunnen hebben en zich afvraagt waarom hij daar niet genoeg aan heeft.
    Mooi verteld in soepel proza.

    Berusting
    Maar er is een uitzondering in de voorspelbaarheid der dingen waar Het ontbijtbuffet vooral over gaat. In het verhaal Maskerade gebeurt iets onverwachts, waar de hoofdpersoon totaal door van streek raakt. Een gezinnetje is op vakantiereis en de vader is  – zoals opvallend vaak in deze bundel – een controlefreak die precies heeft uitgekiend in welk Frans dorpshotel ze gaan overnachten op doorreis naar de vakantiebestemming. Een eenvoudige kamer zonder raam, want het is toch avond als ze er aan komen. Geen ontbijt, want dat is toch nooit goed. Maar als ze op de reserveringsdatum arriveren is er een soort carnaval aan de gang in het dorp waarbij de mannen zich verkleden als vrouwen. Als zijn echtgenote op de kamer blijft om uit te rusten van de reis neemt vader zijn zoontje van zeven en dochtertje van negen mee om op het dorpsplein te gaan kijken naar het feest, dat hen dan toch wat beangstigt. En plotseling is het dochtertje weg.

    Paniek
    Hoe de vader met zijn zoontje in steeds grotere paniek probeert rustig te blijven en gecontroleerd te zoeken, hoe dat niet lukt en lopen hollen wordt, hoe hij het jongetje ergens posteert en nog eens vol angstvisioenen van verkrachting alle hoeken en gaten van het dorpsplein afrent en hoe hij haar ten slotte vindt vlakbij de plek waar ze zoekgeraakt is, er is niets gebeurd, ze was gewoon uit nieuwsgierigheid wat dichterbij gaan staan, niks verkrachting, niets aan de hand eigenlijk.
    Die voor elke vader (en moeder) herkenbare situatie beschrijft Hans Maarten van den Brink met grote indringendheid en zonder een schijn van de afstandelijkheid van de andere – ook best mooie – verhalen.
    Een aanrader, deze verhalenbundel. Maar ‘m op vakantie lezen is misschien toch niet zo’n goed idee.

     

  • Compromisloze poëzie over verzet en hoop

    Compromisloze poëzie over verzet en hoop

    Als Picasso of Matisse met een tentoonstelling worden geëerd, staan de kranten er vol van. Als het werk van dichter René Char (1907 – 1988) in Nederlandse vertaling verschijnt, wordt er in alle talen gezwegen. En dat terwijl de Franse dichter met bekende kunstenaars als bovengenoemde, en onder meer met Braque, Giacometti, en Kandinsky heeft samengewerkt en bevriend was met de dichters Breton en Éluard, evenals met Heidegger, Bataille, Blanchot en Camus.
    In 2016 bracht  uitgeverij IJzer een integrale vertaling van De onbeheerde hamer (Le marteau sans maître) in beperkte oplage uit. Hoewel deze uitgave weinig aandacht kreeg, heeft dit de uitgeverij er niet van weerhouden Woede en mysterie ((Fureur et mystère, 1948) van Char uit te geven. Een bundel die in 1999 door ‘Le monde’ op de lijst van 100 beste boeken van de eeuw werd geplaatst.

    Omvangrijke verzameling
    Woede en mysterie is een verzameling gedichten opgebouwd uit drie hoofdafdelingen: Zij alleen bleven (1938-1944), Bladen van Hypnos (1943-1944) en Het verpulverde gedicht (1945-1947), waartussen nog wat kleinere afdelingen als intermezzi zijn gevoegd. De afzonderlijke delen verschillen sterk, niet alleen qua vorm en onderwerp maar ook in stemming. Losjes volgen de gedichten de chronologische lijn van de mobilisatie voorafgaand aan de oorlogsdreiging en het verzet tijdens die verwoestende strijd. Welke uitmondt in de terugkeer naar levensbevorderende creativiteit na de oorlog. Er wordt gependeld tussen liefde en strijd, verzet en onderdrukking. Char sloot zich aan bij het actieve Franse verzet en was betrokken bij geheime wapentransporten. Hoezeer de stemming ook door de actualiteit van oorlog werd bepaald, Chars poëzie is van iedere anekdotiek gestript, want: ‘De geniepigste vijand is de actualiteit.’ Wanneer op 3 september 1939 Frankrijk en Groot Brittannië de oorlog verklaren aan Duitsland, krijgt dat zijn weerslag in het drieregelige gedicht: ‘Wielewaal / 3 september 1939’

    ‘De wielewaal kwam de hoofdstad van de dageraad binnen.
    Het zwaard van zijn lied sloot het trieste bed.
    Alles was voorbij, voorgoed.’

    Verzet en hoop
    Chars poëzie is niet los te zien van de mens, enerzijds tot vernietigen genegen, maar die ook de mogelijkheid heeft de strijd de rug toe te keren en zijn toevlucht te nemen tot de scheppende verbeelding. De ‘heilige woede’, een bezielde strijd tegen de krachten die het levenswaardige dreigen te vermorzelen. Char is van mening dat indien de mens zijn taak tot scheppen verzaakt, hij rooft van de schepping en de beschaving zonder er iets voor terug te geven. Zijn poëzie moet die verwording aan de kaak stellen (fureur) maar zich ook blijven verwonderen over het geheim van het alledaagse (mystère). Char voelde ook verwantschap met de pre-socratische natuurfilosofen, die de krachten van de natuur nog niet omgesmolten hadden tot rationele waarheden. Het is aan de dichter uit dat polaire krachtenveld een metaforisch potentieel te scheppen dat de onderliggende tegenstellingen weet te duiden en de scheppende kracht van de liefde dient: ’Boven alles uit zingt de mond van de geliefden.’

     Chars poëzie is even compromisloos als eigenzinnig. Zijn gedichten sluiten zich af voor de werkelijkheid, maar niet voor de lezer. Het gedicht is een ontmoetingsplek waar schoonheid, liefde en het weerbarstige elkaar ontmoeten. ‘Het gedicht ontspringt aan een subjectieve dwang en een objectieve keuze.’ Soms schakelt hij terug naar een toegankelijkere modus: ‘De zomer en ons leven waren één. / Het veld had de kleur van jouw geurige rok.’

    Een logboek
    De toegankelijkste sectie van Woede en mysterie is wel Bladen van Hypnos. Deze afdeling, een symbool van verzet, is opgedragen aan Camus. De filosoof die Chars credo ’Ik zal nooit een gedicht schrijven ter instemming’ onderschreef. Het bestaat uit 237 prozagedichten met een sterk aforistische inslag. Te lezen als een poëtisch logboek van oorlog en strijd, van hoop en verzet en over de noodzaak van poëzie in oorlogstijd. Deze Bladen zijn ‘gekenmerkt door een humanisme dat zich bewust is van zijn plichten en terughoudend is over zijn deugden’ zoals hij het zelf verwoordt.

    Soms overheerst het cynische: ‘Er is geen reden waarom de herder nog gids zou moeten zijn. Zo is het beslist door de politiek, dat is onze nieuwe belastinginner.’ Dan weer gloort hoop: ‘Dichter, hoeder van de eindeloze gezichten van het levende.’ En tussendoor bloeien poëtische distels: ‘Toestemming doet een gezicht stralen. Weigering verleent het schoonheid.’ Humor is zeldzaam bij Char die ‘poëzie’ en ‘waarheid’ als ‘synoniem’ beschouwde, maar in deze Bladen permitteert Char zich toch het volgende: ‘Tussen de twee geweerschoten die over zijn lot beschikten vond hij de tijd een vlieg als “Mevrouw” aan te spreken.’ Deze in 1946 afzonderlijk uitgegeven afdeling geldt als een van de hoogtepunten uit zijn oeuvre.

    Pastorale poëzie
    In een van de laatste afdelingen Loyale tegenstanders doet pastorale poëzie haar intrede. Hierin wordt de natuur en opbloeiende liefde lyrisch bezongen als idyllisch tegengif tegen het voorafgaande strijdgewoel: ‘Mijn toekomstig leven is jouw gezicht wanneer je slaapt.’

    Dit optimistische tussenstuk duurt slechts even. Daarna volgt de afdeling Het verpulverde gedicht met het uiterst sombere gedicht Ik bewoon een verdriet waarin de vraag ‘wanneer wordt de afgrond geoogst?’ wordt opgeworpen. In deze reeks reflecteert Char over de taak van de dichter. Hij acht zich medeschuldig aan de verwording van de maatschappij en voelt het als zijn morele plicht zich in te zetten voor een betere. Char leerde dat in de natuur en alchemie iets nieuws alleen ontstaat na ontbinding van het oude. Vernietiging biedt dus ook kansen voor het nieuwe:

    ‘Geboren uit de lokroep van het worden en de angst van het vasthouden zal het gedicht, zich verheffend uit zijn put van modder en sterren, bijna stilzwijgend getuigen dat het niets in zich heeft wat in werkelijkheid ook niet elders al bestond, in deze rebelse en eenzame wereld van contradicties.’

    Griekse natuurfilosoof
    Het verpulverde gedicht bouwt het nieuwe op uit de brokstukken van het oude. Tijdens de oorlog ervoer Char het gelijk van een van zijn favoriete filosofen, Herakleitos, volgens welke aan de werkelijkheid een nimmer aflatend conflict van tegenstellingen ten grondslag ligt dat zich in strijd ontlaadt. Char meende met de Griekse natuurfilosoof dat de geschiedenis zich volgens een cyclisch patroon voltrok. Overal om hem heen woekerde fascisme en bevond de beschaving zich in een duisterste fase.

    ‘Heracleitos legt de nadruk op het spannende samengaan van tegengestelden. Hij ziet daarin in de eerste plaats de perfecte voorwaarde en onmisbare motor om harmonie te bewerkstelligen.’
    Char hamert op het belang van de verbeelding: ‘in de verbeelding houdt de dichter de vlam brandend van een oorspronkelijke harmonie en van een onderlinge verbondenheid tussen de mensen’. Oude structuren worden vernietigd waardoor de voedingsbodem rijp wordt voor nieuwe aanwas van het ‘mysterie’.

    De tegenstelling
    Char staat te boek als een duister dichter. Zijn stijl is geserreerd, gefragmenteerd en drijft op metaforen. Als vertrekpunt neemt hij steevast die van de tegenstelling met dikwijls verwijzingen naar mythen om de kosmische zeggingskracht ervan te duiden. De poëzie wordt beleden als centrale kracht in de kosmos en beheerst door de dialectiek tussen licht en duisternis, hemel en aarde. Zijn woorden bewegen zich tussen het concrete en het abstracte. Hij toont de liefde zinnelijk en tegelijkertijd mystiek. Char werkt hetgeen hij opwerpt ook in zijn tegendeel uit en maakt er zodoende één beweging van, één stroming waarin het gedicht de som van zijn opgeroepen tegenstellingen doorstroomt.

    Wie oog krijgt voor die beweging voelt zich bij de hand genomen. Zijn gedichten zijn hier en daar hermetisch maar zijn zinnen staan open voor meerduidigheid. Het is als onvoltooide poëzie, vol breuklijnen en rafelranden. Vanzelfsprekend is een dichter met zulke eigenzinnige beeldspraak en ambivalente grammaticale structuren, schier onvertaalbaar. Het is goed dat deze editie tweetalig is zodat de lezer zo nodig kan spieken in het Franse origineel.

    Poëtische schoonheid
    De kracht van Chars poëzie zit niet in duiding maar in de overgave aan krachtige, gedurfde beelden. Daarom tot slot een handjevol poëtische schoonheid van René Char:

    ‘Ik ben de dichter, exploitant van de verdroogde put, die, o mijn lief, door jouw verten wordt gevoed.’
    ‘Wanneer ik vroeger naar bed ging stelde het idee van een tijdelijke dood in de armen van de slaap mij gerust, tegenwoordig ga ik juist slapen om een paar uur te leven.’
    ‘De mens is een vreemdeling voor de zonsopgang’.
    [Poëzie ontstaat] ‘uit het verbreken van de stilte en het weer opleven van die stilte’.
    ‘Poëzie behoort onafscheidelijk te zijn van wat voorzienbaar, maar nog niet geformuleerd is.’
    ‘Steeds als bewijzen het begeven antwoordt de dichter met een salvo toekomst.’

    Zich niet gewonnen geven was voor Char een morele opdracht. Zijn poëzie verdient een lezer die zich niet gewonnen geeft, ook waar die soms op de tast moet gaan naar enige betekenis.

     

  • Meer, meer!!!

    Meer, meer!!!

    In ENZ. doet de filosoof Simon(e) van Saarloos verslag van haar bevindingen en gevoelens over de bekende ‘minder, minder!’- rechtszaak tegen Geert Wilders. De titel verwijst naar het verkiezingsprogramma van de PVV, dat, passend op één A-4tje, eindigt met ‘enz.’ ‘Als ik naar het proces ga kijken, snap ik het’, schrijft zij, al vermoedt zij tegelijkertijd dat ‘het’ niet bestaat. In haar verlangen spiegelt zij zich vooral aan Hannah Arendt, die een soortgelijk verlangen koesterde tijdens het proces tegen de ‘Schreibtischmörderer‘ Adolf Eichmann. In dit opzicht durft zij dus nogal grote schoenen aan te trekken.

    ‘Ik wil een huid, een stem die zegt dat het ook anders kan’
    Voorafgaand aan het echte proces ligt er het verzoek van de advocaat van Wilders, Geert-Jan Knoops, tot wraking van rechter Eliane van Rens. Haar vooringenomenheid zou blijken uit het feit dat zij, volgens Wilders, gekant is tegen het uitzetten van illegalen. Tijdens haar verweer ontkent zij deze aantijging en zegt zij illegalen wel degelijk te bestraffen ‘omdat de wet nu eenmaal is zoals ze is’, maar dat zij twijfelt aan de zin van de straf, namelijk vastzetting tot uitzetting, omdat daardoor het probleem, dat er geen land is waar zij heen kunnen, niet wordt opgelost.

    Ondanks haar sympathie voor Van Rens bespeurt Van Saarloos in deze opvatting toch ‘een vorm van overgave die zij nooit hoopt en wenst te kennen’. Hier raakt zij aan de kern van haar boek. Zij deelt de opvatting van advocaat Sluiter: ‘Dit is geen proces tegen de vrijheid van meningsuiting, maar een strafproces tegen het kwaad dat discriminatie heet.’ Het protocollaire, formele karakter van de rechtszitting waarin OM en advocaten elkaar bestrijden met dezelfde wapens in een kakofonie van jurisprudentie, rechtsfilosofische beschouwingen en zogenaamd objectieve statistische gegevens, kan, in haar ogen, nooit werkelijk leiden tot een juiste beoordeling van dat kwaad. Hoewel een onbevooroordeelde rechtsgang natuurlijk gebaat is bij formele procedures, is de gang van zaken, in haar ogen, los-gezongen van de maatschappelijke werkelijkheid. De vraag is natuurlijk in hoeverre het recht een middel kan zijn in de bestrijding van discriminatie. Hierin schuilt dan ook een verklaring voor het feit dat Van Saarloos, na veel aarzeling, uiteindelijk toch besloot het aangifteformulier tegen Geert Wilders niet te ondertekenen.

    Voortdurend botst Van Saarloos met het juridische karakter van de zaak. Zij wil ‘begrijpen’ net als Hannah Arendt dat wil. Aanvankelijk probeert zij, in haar streven ‘te begrijpen’, zoveel mogelijk aantekeningen te maken tot zij de zinloosheid hiervan inziet: niemand doet dat aangezien de teksten later integraal publiek verkrijgbaar blijken te zijn. Iedereen lijkt zich te vervelen tijdens de rechtszitting, alsof dat zo hoort. Zij krijgt zin de orde te verstoren en dingen te gaan roepen, maar doet dat niet. In plaats daarvan krijgt zij een rood hoofd als haar mobiele telefoon per ongeluk afgaat tijdens de zitting. Zij voegt zich. Vervolgens bestudeert zij alle deelnemers aan het proces, advocaten, OM, journalisten, rechters en Wilders zelf natuurlijk, in de overtuiging dat al deze mensen invloed hebben op de uiteindelijke afloop van het proces. Wat zal er in hen omgaan? Wat zijn dat voor mensen? Dit projecteert zij ook op zichzelf. Zij neemt haar liefdesleven onder de loep, evenals haar lichamelijk welbevinden. Het gedrag van iemand wordt toch door al dit soort zaken bepaald? ‘Dit proces heeft behoefte aan een dringend lijf. ……………. Ik heb daar althans behoefte aan. …….. Ik wil een huid, een stem die zegt dat het ook anders kan.’ Dit vervat zij indringend in haar credo (blz. 213/214): ‘Vanaf dag één vrees ik vooral mijn eigen aanwezigheid in de zaal…………..’

    Het fenomeen Wilders
    Om ‘te begrijpen’ reist zij zelfs af naar Israël om een bezoek te brengen aan de kibboets Tomer waar Wilders ooit gewerkt heeft en tracht zij in zijn huid te kruipen door later, vermomd als Geert Wilders, met bodyguard en al naar het carnaval in Venlo te gaan, de geboortestad van Wilders. Het boek krijgt daardoor het karakter van een zeer persoonlijke zoektocht, niet alleen naar Geert Wilders en alles waarvoor hij staat, maar ook naar Simon(e) van Saarloos zelf. Als actief feministe is zij in diezelfde tijd, zowel als schrijver en als acteur, betrokken bij de geëngageerde theatervoorstelling Holy F waarmee zij door het land trekt. Deze activistische benadering speelt ook door in haar politieke en filosofische duiding van het fenomeen Wilders. Zo trekt zij een parallel met ontwikkelingen in het bedrijfsleven waarbij het steeds minder gaat om bedrijven die iets produceren, maar veel meer om bedrijven die niets produceren, maar alleen data verzamelen, zoals Google en Facebook. Zij bieden een platform waar niemand omheen kan en krijgen zo macht in de vorm van een monopolie. Zo zou ook Wilders een platform bieden voor iedereen die een vorm van maatschappelijk ongenoegen voelt en zo een politiek monopolie vormen. Het platform hoeft geen oplossingen aan te dragen en verantwoordelijkheid te nemen. Het verzamelt slechts stemmen en dus macht. Ook andere partijen kunnen uiteindelijk niet om dit platform heen. Dit geldt niet alleen voor politieke partijen, maar ook voor andere maatschappelijke groepen zoals de rechterlijke macht en de media.

    Dit soort analyses maken het boek buitengewoon interessant en is voor een ieder die de ontwikkelingen in de huidige samenleving wil ‘begrijpen’ aan absolute aanrader. In literaire zin biedt het genoeg stof voor het schrijven van een thrillerachtig politiek drama in de trant van Tom Wolfe en lijkt het als het ware te roepen om: ‘Meer, meer!!!!.

     

     

  • Knappe literaire kunstgrepen in desoriënterend en duister verhaal

    Knappe literaire kunstgrepen in desoriënterend en duister verhaal

    De Finse auteur Aki Ollikainen schreef Een zwart sprookje, en noemde het een roman. Het is beslist zwart, maar een sprookje? Er is geen sprake van ‘er was eens’ – die magische formule die met één zwaai de deur opent naar het rijk der mogelijkheden. Maar toch… Het verhaal begint juist met het tegenovergestelde: een krantenbericht uit 1931 over de lugubere vondst van 8 mensenbenen, een hoofd en een heleboel vingers in een meertje. ‘In geen geval afkomstig van de anatomische faculteit’, bezweert de plaatselijke hoogleraar.

    Dan begint het eigenlijke verhaal, met een echtpaar dat door de natuur sjouwt met een in pakpapier gewikkeld ding, dat natuurlijk een afgehakte hand blijkt te zijn, die geheel volgens verwachting, – maar dan gebeurt iets van een andere orde: ‘Ergens vlakbij, op de onderste tak van een berkenboom, zit de geest van een moordenaar. De man en de vrouw zien hem niet, de eerste zonnestralen van de vroege zomerochtend schijnen door hem heen, hij verandert in een vogel, duikt krijsend door het gebladerte en verdwijnt voordat de dag definitief is aangebroken.’ Even ben je bang dat het verhaal ontaardt in gothic kitsch onder de middernachtzon, maar het gaat gewoon verder. Een hoofdstuk later zit de hoofdpersoon lamzakkig in zijn auto te wachten tot een klas scholieren is overgestoken. Hij trekt op. ‘Op het volgende kruispunt raakte ik de weg kwijt en reed ik mijn herinneringen binnen. Ik kwam op een heel andere plek weer naar buiten.’ Andermaal en niet voor de laatste keer: een aangenaam knetterende kortsluiting in het lezersbrein.

    Vonkdoorschoten rook
    De toepaste literaire kunstgrepen doen denken aan Proust en Nabokov. In Nabokov’s Lolita bij voorbeeld vertelt Humbert Humbert hoe hij met zijn vrouw dineerde in een Frans restaurantje, naast de etalage van een kunsthandelaar, die een ‘schitterende, opzichtige, groen-rood-goud met inktblauwe antieke Amerikaanse’ prent tentoonstelde van een ‘locomotief met een reusachtige schoorsteen, grote barokke lampen en een enorme koevanger, die met zijn mauve rijtuigen door de stormige prairienacht trok en een lading vonkdoorschoten zware rook vermengde met de bonte donderwolken. Die barstten open. In de zomer overleed mon oncle d’Amérique en liet me een jaarinkomen van een paar duizend dollar na.’ De prent met de trein heeft in het hele verhaal niets te zoeken, maar heeft de lezer in één zin gebracht waar de schrijver hem wilde hebben: in Amerika, bij een volgende episode, zonder daar causale verbanden, psychologische motivatie of als realisme vermomde geloofwaardigheid voor nodig te hebben.

    Het doorgeven van ongeluk
    Een zwart sprookje springt van het een naar het ander. De korte hoofdstukken gaan over dranksmokkel en alcoholisme, havenstakingen en burgeroorlog, over gezinnen en scheidingen, over generaties en hoe die hun ongeluk aan elkaar doorgeven. En het gaat over duistere rituelen en bezweringsformules. Uiteindelijk komt dat allemaal samen bij een nogal verwaarloosd jongetje, dat in een uiteenvallend gezin opgroeit tot een ontevreden man in een troosteloze wereld. Hij wordt vader, gaat scheiden, drinkt, peinst en schrijft. Zijn verhaal omspant meerdere generaties, en de geschiedenis speelt mee, van de Lapland oorlog en de Finse burgeroorlog tussen de Roden en de Witten (aan het eind van W.O. II), tot de Sex Pistols aan toe.

    Een zwart sprookje is desoriënterend en duister, maar in die duisternis schittert een verhaal in compacte scènes, die met literaire kunstgrepen aaneengeklonken zijn tot een wervelend mozaïek. Het boek eindigt zoals het begon: met een krantenbericht, dit keer uit 1932, met als kop ‘Raadsel van het Tattarisuo opgelost’. De lezer weet wel beter. Hopelijk is het volgende boek van Ollikainen even goed, maar dan dikker.

     

  • Als je alles hebt wat je wilde: bitterzoete verhalen van A.M Homes

    Als je alles hebt wat je wilde: bitterzoete verhalen van A.M Homes

    Recensie door Maartje Spoelstra

    In Dagen van inkeer concentreert Homes zich op de menselijke relaties en het dagelijkse leven van Amerikanen die alles hebben wat hun hartje begeert. Dit is de derde verhalenbundel van Homes. Recent verschenen verschillende van haar romans in het Nederlands, waaronder Dit boek redt je leven, Een brandbaar huwelijk en In een land van moeders.

    Het eerste verhaal, ‘Broer op zondag’, sleept de lezer gelijk binnen in de wereld van welvarende dertigplussers tijdens een dagje op het strand. In dit verhaal kijkt de lezer door de ogen van Tom, plastisch chirurg. Hij bekijkt mensen door hun lichamen te bestuderen.  ‘Van alle mensen weet juist hij wat wel en wat niet echt is. Je hebt degenen die zich het vlees van hun botten af hebben gehongerd en degenen die het chirurgisch hebben laten weghalen of laten verplaatsen. Iedereen takelt anders af – de putjes in de dijen, de zwembandjes, het onvermijdelijke uitzakken. Hij kan er niets aan doen dat hij het ziet.’

    Het verhaal speelt tijdens een afspraak met vrienden, waarin Tom zijn eigen leven overpeinst. Hij twijfelt aan zijn bestaan, aan zijn vrienden, aan zijn beroep. ‘Hij luistert maar half, denkt aan de veranderlijkheid van het leven. Als hij deze mensen nu zou ontmoeten, weet hij niet of hij vrienden met ze zou worden, of hij elke zaterdagavond met ze zou eten (…)’. Zijn vrienden zoeken hem privé vaak op om advies te vragen over bepaalde lichaamsdelen, en dan vinden vaak intieme gesprekken plaats, waarin zijn vrienden niet alleen hun lichaam maar ook hun angsten blootgeven. ‘De vrouw van een van zijn vrienden buigt zich voorover en laat hem een rood plekje tussen haar borsten zien. “Wat denk je dat het is?” “Een insectenbeet”, zegt hij. “Geen huidkanker?” “Geen kanker”, zegt hij. “Niet ontstoken?” “Een insectenbeet?” zegt hij. “En dit dan?” Ze laat hem iets anders zien, alsof ze op bonuspunten hoopt.’ De vriendenclub lijkt niet in staat om de dingen die ze persoonlijk tegen Tom zeggen ook onderling te delen, en ook Tom lijkt niet in staat onderwerpen die hem bezighouden aan te snijden. Het verhaal meandert voort in betekenisloze gesprekken, terwijl de lezer weet dat er onder de oppervlakte veel meer speelt.

    Ditzelfde thema komt terug in het verhaal ‘Hallo allemaal’ en hierin wordt het tot het absurde doorgevoerd. Personages zijn obsessief bezig met hun uiterlijk: ze geven een aantal calorieën door aan de chef in plaats van een gerecht en hebben de hond liposuctie laten ondergaan. Homes schrijft buitengewoon goed, met name de gesprekken tussen personages zijn puntig en leuk. Haar stijl is ironisch op het riskante af, zoals in het verhaal ‘Dagen van inkeer’ waarin een oorlogscorrespondente op een congres over genocide aanwezig is. Ze beschrijft hoe een vrijwilliger haar vlak voor de lift bij de arm pakt en haar een linnen welkomsttas geeft, ‘afgeladen met genocidespullen’. Wanneer ze in haar kamer is pakt ze de tas uit: ‘… een beker van de plaatselijke universiteit, een schrijfblok en pen van een bekend wenskaartenbedrijf- “Als u de woorden niet kunt vinden, laat ons het dan zeggen” – en een enorme plak chocola van een farmaceutisch bedrijf dat een populair antidepressivum produceert. Op de wikkel staat: ‘Soms zou gelukkig worden simpel moeten zijn.’

    De oorlogscorrespondente ontmoet een oude studiegenoot op de conferentie en deze ontmoeting zorgt ervoor dat ze beiden reflecteren op hun leven tot nu toe. Af en toe wordt de nadruk op de crisis van de hoofdpersonages iets te nadrukkelijk, zoals de talloze keren dat de oorlogscorrespondente bij zichzelf bedenkt welke dingen ze tegen haar therapeut gaat zeggen, of wanneer ze reflecteert op haar momenteel moeilijke relatie. ‘Ze is eeuwig gefrustreerd en teleurgesteld. Ze vraagt zich af of dat typisch Joods is, een relatieding, of dat het gewoon aan haar ligt?’ Dit geldt voor meerdere verhalen in de bundel, waaronder ook het eerder genoemde ‘Broer op zondag’In het merendeel van de verhalen vindt er geen wending of abrupte verandering plaats waardoor het verhaal voor de lezer soms wat voorspelbaar wordt. Het is niettemin een krachtig stijlmiddel omdat het de lezer confronteert met dezelfde zoektocht als de personages.

    Het lijkt alsof Homes zichzelf af en toe heeft beperkt door te strak aan dit thema te willen vasthouden. Het zijn de verhalen waarin ze het dit thema wat losser behandelt die echt meeslepen en verrassen. Een voorbeeld daarvan is Je moeder was een vis, een familiekroniek in de vorm van een kort verhaal. Het heeft een mythische, sprookjesachtige sfeer, iets dat gelijk aan het begin van het verhaal duidelijk wordt: ‘Ze naait een verhaal, borduurt een sprookje, regel voor regel. Dit relaas gaat over haar overgrootmoeder die een zeemeerminnenpak voor zichzelf naaide en naar Amerika zwom. Het was een lange, zware tocht, en tegen de tijd dat ze in Maine aankwam, was haar pak een geworden met haar vlees.’ Een verrassend, sprankelend verhaal.

    Datzelfde geldt voor ‘De laatste keer dat het fijn was’. Dit verhaal is minder sprookjesachtig dan het voorgaande, maar hier wordt de kunde van Homes zichtbaar in de precieze beschrijvingen van pijnlijke situaties die een bitterzoete sfeer achterlaten. Wanneer een man de kamer van zijn grootmoeder in een verzorgingstehuis binnenkomt, schrijft ze: ‘Aan de muur rond haar bed hangen posters die het personeel voor haar heeft gemaakt om haar eraan te herinneren hoe ze heet, welk jaar het is en wie de premier is. U HOUDT VAN ZINGEN, staat er op de poster.’

    Wat thematiek betreft is het af en toe wat eentonig, maar Homes’ tragikomische situatiebeschrijvingen en haar ironische dialogen maken dit niettemin een zeer lezenswaardige bundel.

     

     

     

  • Gelukkige jeugd geen garantie voor goed boek

    Gelukkige jeugd geen garantie voor goed boek

    De Franse toneelschrijver en regisseur Marcel Pagnol (1895-1974) richtte in de jaren 30 van de vorige eeuw een filmmaatschappij op waarvoor hij een echte Cinestad wilde bouwen. Hij liet een makelaar voor hem op zoek gaan naar een geschikte plek in zijn geliefde Provence. Louter op basis van diens beschrijving van een landgoed, ging Pagnol akkoord, zonder vooraf een kijkje te nemen. Het lag in de buurt van La Treille, in de buurt van Marseille. Pagnol kende het dorp. In de omgeving had hij de vakanties in zijn jeugdjaren doorgebracht. Toen hij de bouwwerkzaamheden inspecteerde, zag hij ‘in de verte, boven op een wal, een haag van heesters (…) Mijn adem stokte en zonder te weten waarom begon ik als een dolleman te rennen, dwars over de weide en door de tijd’.

    Dat ‘zonder te weten waarom’ is een misplaatste toevoeging. Pagnol wist maar al te goed wat hem beving. Hij had daar zijn mooiste kinderjaren beleefd, ongeveer van zijn achtste tot zijn tiende. Gelukkige jaren met zijn ouders en broertje Paul en met zijn jeugdvriend uit die periode Lili. Die paradijselijke tijd beschreef hij in twee boeken De gloriedagen van mijn vaderen Een kasteel voor mijn moeder. Ze werden in Frankrijk dertig jaar na Pagnols dood uitgegeven en zijn nu gebundeld in één band in Nederland verschenen onder de titel Mijn kinderjaren in de Provence. Terecht gebundeld, want de twee delen vormen één doorlopend verhaal.

    Jacht
    Met de titel rekt de Nederlandse uitgever de periode overigens wel erg ruim op, want in feite bestrijken de twee boeken niet meer dan de twee jaren die zich afspelen rond een vakantiehuis van het gezin Pagnol, La Bastide Neuve, op een paar uur gaans van La Treille.
    Marcel, die zich voortdurend identificeert met oerwoud verkennende indianen uit de boeken die hij las, fleurt zijn herinneringen op met veel couleur locale in de vorm van landschapsbeschrijvingen en details van de flora en fauna van het gebied. De fauna wordt door de kinderen trouwens vooral gebruikt om mee te spelen als het gaat om insecten of door vader Joseph en Marcels oom Jules, vaak vergezeld door Marcel, om op te jagen. Vooral patrijzen vormen een trotse buit.
    Je kunt je goed voorstellen dat die periode een sensationele ervaring was in Marcels jonge leven die hem zijn leven lang bijbleef. Maar of hij dat weet over te brengen op elke lezer is maar de vraag. Pagnol oogstte veel lof voor zijn toneelstukken, maar in deze autobiografische productie betoont hij zich geen groot schrijver. Veel dialogen zijn nogal gekunsteld en uitleggerig (wat je van een toneelauteur juist niet zou verwachten). Dat is vooral het geval in de gesprekken tussen de ouders en kinderen met hier en daar zelfs ronduit flauwe grapjes.

    Zandman
    Pagnol is verder nogal breedsprakig in zijn beschrijving van handelingen. Zo heeft hij, als het gezin op het punt staat naar het vakantiehuis te vertrekken, bijna drie pagina’s nodig om te vertellen wie welke stukken bagage draagt en of dat gebeurt met de linker- dan wel rechterarm of op de rug, en wat die bagage precies inhoudt. Ook zijn taalgebruik is nogal obligaat: ‘met frisse tegenzin ging ik naar het grote schoolgebouw’. Of: ‘het lukte me niet in dromenland te komen’. Of  ‘Maar de zandman kwam langs en gooide een flinke handvol in mijn ogen’. Om tegen het einde, terugkijkend, nog op te merken: ‘Zo is het leven van de mens. Luttele vreugdevolle momenten die zeer snel worden uitgewist door onvergetelijk verdriet.’ (Pagnol doelt op de dood van zijn moeder, broertje en vriend in een periode van dertien jaar na de zomervakanties).

    In het boek valt dus niet de toneelschrijver te herkennen, maar des te meer de regisseur Pagnol. Zijn verhalen over de jacht, de omzwervingen met Lili en een in het laatste jaar beschreven incident met een landgoedeigenaar, zijn zeer filmisch. De vriendschap tussen Marcel en Lili en de beschrijving van de aanloop naar het incident zijn daarmee de enige stukken die deze herinneringen nog iets van spanning geven. Het boek als geheel blijft echter te oppervlakkig en eendimensionaal.

     

  • Perikelen in het perfide Albion

    Perikelen in het perfide Albion

    Wat had de Engelse auteur Jim Crace voor ogen toen hij De melodie schreef? Een soort van parabel of allegorisch verhaal? De vraag blijft na lezing nog nazinderen. In de veelal nogal lauwe recensies die in de Britse pers verschenen, werd vaak opgemerkt dat de roman vrij vaag is. Misschien is dat oordeel niet helemaal terecht en krijg je als lezer gewoon veel speelruimte om dit boek naar eigen goeddunken een plaats te geven.

    De melodie speelt zich af in een op het eerste gezicht herkenbaar Brits kuststadje waar allerlei mysterieuze dingen gebeuren. Die combinatie van herkenbaarheid en bevreemding doet bijvoorbeeld denken aan de films van David Lynch. Uiteindelijk is zowel de exacte locatie als het tijdstip van het verhaal onbestemd. De bejaarde chansonnier Alfred Busi, die in een vervallen villa aan zee woont, treedt af en toe nog op, maar hij is al lang over zijn hoogtepunt heen: ‘Zijn repertoire was tegenwoordig net als zijn seksleven: een belegen terugblik.’ Weduwnaar Busi denkt met warme gevoelens terug aan zijn overleden vrouw Alicia:

    Het maakte niet uit of hij een maand op tournee of enkel een uurtje de stad in was geweest, ze kuste altijd haar vingertoppen en drukte die tegen zijn mond, waarna hij met zijn lippen lichtjes haar voorhoofd net onder de haarlijn beroerde, de bijna-kussen van een verlegen stel dat nog altijd verliefd was, maar ook terughoudend.

    Na Alicia’s overlijden zoekt Alfred toenadering tot haar zus Terina, een aantrekkelijke vrouw die ook over haar hoogtepunt heen is, maar nog steeds een zekere betoveringskracht heeft: ‘Mannen waren gefascineerd door iedere beweging van haar.’ Busi’s harmonieuze huwelijk met Alicia blijkt dan toch wat barsten te hebben vertoond als de lezer verneemt dat hij een niet bepaald platonische voorgeschiedenis heeft met Terina:

    Ze herinnerde zich nog heel goed hoe ze hem één keer eerder met haar hand onder zijn opgetrokken kleren naar lucht had laten happen; seks en de dood benamen je beide de adem, deden je beide grimassen en waren even vernederend.

    Het verhaal neemt een andere wending als de oude Busi ’s nachts wordt gebeten door een mysterieus wezen, een soort verwilderd of primitief kind, en verzorging nodig heeft. Ondertussen azen gewetenloze projectontwikkelaars op zijn oude, vervallen huis: ze willen het maar al te graag slopen om er een flatgebouw op te trekken. Maar Busi denkt er niet aan om te verkopen: ‘Hun huis – een van de twee resterende villa’s aan zee aan het oude einde van de boulevard, voorbij de nieuwe hotels en restaurants en de populaire halvemaanvormige appartementencomplexen met hun marmeren gevels en onbetaalbare strookjes uitzicht op de oceaan – was voor hen beiden een passie geweest.’

    Toch zullen die projectontwikkelaars uiteindelijk hun zin doordrijven, tegen de zin van de plaatselijke natuurbeschermers. Het gevolg is niet alleen dat de wilde natuur aan banden wordt gelegd en vervangen door netjes aangeharkte, zielloze parkjes waar projectontwikkelaars zo dol op zijn, maar ook dat de gentrificatie onhoudbaarwordt: de talloze daklozen en ‘bedelbroeders’ die zich in het stadje ophouden, worden weggepest. De rafelrandjes van de samenleving verdwijnen buiten het gezichtsveld, alsof ze niet meer bestaan.

    Kortom, het lijkt erop dat Crace een aantal pijnpunten van de Britse samenleving aankaart. Naast door winstbejag gedreven projectontwikkelaars die het landschap verknoeien, krijgen ook de tabloids een veeg uit de pan. Indices, het rioolblad waarvoor journalist Soubriquet een leugenachtig stuk schrijft, is herkenbaar als een typisch product van de Britse boulevardpers. Overigens verliest Soubriquet zijn baan wanneer hij zich tegen de projectontwikkelaars verzet, want zijn hoofdredacteur heeft zich laten omkopen.

    Een ander belangrijk thema in deze roman is de manier waarop we omgaan met vereenzamende bejaarden, die worden betutteld en onder druk gezet om hun vertrouwde leefomgeving te verlaten. De toenemende angst en afkeer van de bevolking van ‘neanderthalers’ die zich in de bossen ophouden, kan dan weer worden opgevat als een verwijzing naar de toenemende xenofobie en het angstklimaat, die uiteindelijk aan de basis lagen van de brexit: ‘Mensen zouden zichzelf moeten wapenen, hun eigendommen moeten beschermen, anders wordt onze stad binnenkort door paupers onder de voet gelopen. Een moderne stad kan geen neanderthalers onderhouden.’

    Enfin, dit boek geeft stof tot nadenken, maar is uiteindelijk wat te wijdlopig en diffuus om echt te overtuigen.