Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • De kleur van whisky in een herfstblad

    De kleur van whisky in een herfstblad

    In het jaar dat hij zestig wordt publiceert Wilbert Cornelissen zijn vierde dichtbundel. Zijn eerste bundel verscheen in het jaar dat hij veertig werd. Cornelissen is dus een late debutant en een spaarzaam auteur. Maar er is meer. De bundel Elke dag een / proefsleuven begint met de aankondiging: ‘Gedurende tien jaar schreef de Mottenfokker (nachtvlinderkweker) dagelijks een gedicht. Hij begon daarmee op 1 januari 2007 en schreef het laatste op 31 december 2016. In het navolgende zijn proefsleuven getrokken uit deze verzameling van 3714 stadsgedichten.’

    Meer dan drie en een half duizend gedichten in tien jaar. Daaruit kunnen we concluderen dat Cornelissen geen spaarzaam auteur is, integendeel. Bovendien, zo is te zien op Cornelissens eigen pagina op de website van de schrijversvakschool waaraan hij verbonden is, heeft zijn dichterschap zich in diverse richtingen ontwikkeld en schrijft hij onder verschillende ‘heteroniemen’. Het roept ook prikkelende vragen op, want behalve W. Cornelissen (‘de kleine werker’) is er ook nog Heer Lief (de schrijfgeile man) die popelt om uit de kast te komen. Hoe we dat popelen moeten begrijpen is de vraag want googlen op ‘de schrijfgeile man’ brengt je op allerlei onverwachte plekken op het internet – maar niet bij iets wat te herkennen is als werk van de heteronieme dichter Wilbert Cornelissen.

    Terug naar de bundel. De gedichten die de Mottenfokker (motherfucker …?) elke dag schreef zijn gepubliceerd op ‘mottenfokker.hyves.nl’. Tjee … hyves! Was dat niet het platform waarop kinderen elkaar opzochten en zo ons land deden kennismaken met het fenomeen ‘sociale media’ vóórdat we dat het sociale media noemden? De betreffende mottenfokker-hyves-pagina bestaat niet meer. Hyves (tien miljoen gebruikers in 2010) werd in 2013 een spelletjesplatform. Oh vluchtig internet! Dan nu echt naar de bundel.

    Elke dag een / proefsleuven is verdeeld in zeven ‘sleuven’. Elke sleuf bevat gemiddeld 9 gedichten, die alle zijn aangeduid als ‘stadsgedicht’. Uit de gedichten die de Mottenfokker gedurende  tien jaar schreef, koos hij er ruim zestig voor deze bundel. Wat vragen oproept is, dat de gedichten in de bundel tijdens een beperkte periode van die tien jaar zijn ontstaan. In de maanden juni, juli en oktober van het jaar 2015 en de maanden februari, maart, augustus, september en december van het jaar 2016. Was dit omdat de andere maanden van de andere jaren minder vruchtbaar waren?

    Op 21 september 2016 schreef de Mottenfokker stadsgedicht 3613: Hogere werkelijkheid

    ging het kontje van de serveerster ten onder
    in het geheel van onhandigheid, de gebogen houding,

    opgetrokken schouders, schampere glimlach?
    het leren schort dat ze draagt, helpt ook mee;

    het bekken licht naar achter gekanteld, waarom?
    de associatie komt nooit hoger dan het borstbeen,

    maar ja, het hoofd is overal, de octopus reikt tot
    in de tenen; ik ben een man, de innerlijke smartlap

    van de lust, twee teruggebracht tot het verschil
    dat alleen als afstand overbrugd kan worden;

    de fantasie blijft onverwoestbare werkelijkheid,
    verzegeld door de onvervulling;

    voel je het al? Ik kijk haar net zo lang aan tot ik
    wat van haar lijk te willen

    Oh, innerlijke smartlap! Bij de fantasie die door ‘onvervulling’ is verzegeld, roept dit gedicht een ander heteroniem van Wilbert Cornelissen op en wel ‘de schrijfgeile man’. Men is geneigd te zeggen, vooruit, kom uit de kast!

    Stadsgedicht 3270, geschreven op 14 oktober 2015: Leopold-blues

    Jan Hendrik Leopold is Bob Dylan niet
    maar wel zang, zonder de muziek dan,

    zonder het zingen zelfs maar met
    de kleuren van whisky in een herfstblad;

    ‘van alle menschen deedt gij
    mij de zwaarste pijn,

    van alle menschen zult gij
    mij de liefste zijn’

    ik las en het was nooit-meer-vergeten
    op het eerste gezicht,

    dit is poëzie, zo kan er ook gesproken,
    geschreven worden,

    en het was Jan Hendrik Leopold
    die dit voor mij deedt

    Dit is poëzie, het woord waardig. Omineus dat deze conclusie van Cornelissen uitgerekend betrekking heeft op regels die van een ándere dichter zijn. Ondanks de aanhalingstekens – of juist daarom – deugt van het citaat op zichzelf niet veel, maar dit terzijde. Zal het poëtisch zijn – of het is gewoon de impressie geweest van het moment, op die 14de oktober 2015?
    Die hele gimmick van stadsgedichten, elke dag één, tien jaar lang met nummer en datum erbij … het zal allemaal wel. Het lijkt aan de gedichten een betekenisvolle context te moeten verlenen, en toch, onwillekeurig, is juist willekeur de primaire indruk die deze gedichten achterlaten.

    Laten we positief afsluiten: soms is de poëzie er wel, maar dan juist los van gelegenheid, tijd en plaats.  Bijvoorbeeld in ‘Stokken van dienst’ (stadsgedicht 3271, van 15 oktober 2015):

    de stok in huis, de stok achter het huis,
    de stok op zolder, achter de deur

    de stok van dienst, de zitstok, de wandelstok,
    de steek- en scheldstok, slastok,

    de boomstok, de ga- en stastok,
    de stok in de hand, de stok tussen de benen,

    om mee te balanceren, de stok op het puntje
    van je neus, de stok op de snijplank,

    in de broodmand, de tik- en de takstok,
    de tiktakstok voor gevorderden, de afhamerstok,

    de dirigeer- en streelstok, het ijscostokje
    – vergeet de eetstokjes niet

     

  • Verwoestende geschiedenis van een stad

    Verwoestende geschiedenis van een stad

    Soms hebben auteurs een haat-liefde verhouding met hun geboortestad. Bij Svealena Kutschke lijkt dit niet anders te zijn. In haar derde roman Een stad, het meisje en de duivel beschrijft ze de lotgevallen van een Duitse familie tegen de achtergrond van de verschrikkelijke twintigste eeuw met haar stad Lübeck in een hoofdrol. De Nederlandse titel verdoezelt een beetje de originele Duitse: Stadt aus Rauch. De rook waarvan sprake kan verschillende diepere betekenissen hebben, enerzijds verwijzend naar de verschillende vuurhaarden, branden en drama’s die zich de vorige eeuw in Lübeck afspeelden, anderzijds kan het ook duiden op de voortdurende mist die hangt boven de Trave, de triestige en duistere rivier die ook een hoofdrol opeist in het verhaal.

    Zwarte familiekroniek

    Het verhaal start in 1908 als de prostituee Magdalena zich in een wanhoopsdaad overgeeft aan de Trave. De hoogzwangere Magdalena overleeft het niet, maar als bij wonder drijft daar op haar dode lichaam de baby Lucie, gered door de duivel. Onmiddellijk doet hier het magisch-realisme zijn intrede. Lucie bezit namelijk, net als later haar kleindochter Jessie, de gave om de duivel te zien en met hem te praten. Een gave die later zowel een vloek als een zegen blijkt te zijn.  De duivel is een ietwat eigenaardig personage dat te pas en te onpas opduikt in het verhaal en zijn eigen mening heeft over de geschiedenis van het grauwe Lübeck waaruit hij blijkbaar niet kan of wil ontsnappen. In het verhaal zien we hoe Lucie, van lage komaf, later trouwt met de burgerlijke Christoph Petersenn, zoon van een hoogaangeschreven militair uit het Pruisische leger. Hun dochter Freya en haar man Jürgen Mertens, krijgen ook een dochter, Jessie. Met haar zijn ondertussen de jaren tachtig en negentig aangebroken. Kutschke introduceert alle personages vrij vlug en experimenteert met grote chronologische sprongen. Haar vrij complexe en gedetailleerde stijl zorgt ervoor dat de lezer een aanhoudende concentratie moet tonen om het verhaal goed te blijven volgen.

    Dat verhaal beslaat de hele Duitse recente geschiedenis: van het Pruisische keizerrijk via de Eerste Wereldoorlog, de opkomst van het nationaalsocialisme en de Tweede Wereldoorlog naar de heropbouw, maar evenzeer de antifascisten en punkscene uit de jaren tachtig tot de opkomst van de neonazisten met hun antivreemdelingenpolitiek. De donkere en destructieve kanten van het leven worden vooral in de kijker gezet: de scheurende honger, de  haat tegenover een volk, de verwoestende kracht van drank en drugs. Alles wordt gezien vanuit het oogpunt van de sterke, maar vreemde vrouwen uit de familie. Vooral Lucie en Jessie nemen de hoofdbrok voor hun rekening. Het lijken sterke vrouwen, maar ze nemen een aparte plaats in. Ze worden niet echt geaccepteerd door de maatschappij en zoeken daarom soelaas in verdovende middelen of verbinden zich met andere uitgestotenen, waardoor ze dan weer zwak of passief overkomen. De mannen in het boek zijn minder uitgewerkt, maar ondernemen wel actie, al zijn het vaak foute acties. Ze voelen zich helden, maar zijn vaak verklikkers en verraders.

    In de traditie van Buddenbrooks

    Kutschke is er zeker in geslaagd om een groots epos te schrijven, volledig in de traditie van De Buddenbrooks van Thomas Mann, een werk waarnaar verschillende keren impliciet en expliciet wordt verwezen en dat ook Lübeck als achtergrond heeft. Verschillende passages zijn zeer beklijvend en blijven lange tijd in het achterhoofd nazinderen. Haar literair-poëtische stijl toont wat een talent ze heeft en is bijwijlen om de vingers bij af te likken. Nadeel is dat ze zich soms verliest in eindeloze en nutteloze details en beschrijvingen die weinig bijdragen tot het verhaal. De veelheid aan personages maakt het boek ook niet makkelijker en door de tijdssprongen is het soms tweemaal nadenken over welk personage het nu gaat. Verschillende nevenpersonages worden te uitvoerig uitgewerkt wat zorgt voor verwarring en irritatie. Zo is er het voorbeeld van de romanschrijver Wilnauer die telkens de loef wordt afgestoken door Thomas Mann. Bij de boekenverbranding gooit hij dan maar gefrustreerd al zijn manuscripten in het vuur. Leuk detail, maar zijn figuur draagt niet bij tot het verhaal. Alleen de link met Mann wordt gemaakt.  Ook de verschillende verwijzingen naar Duitse verhalen en sagen, zoals die van de Roggenbuk, maakt het verhaal voor niet-Duitse lezers moeilijk.  Het einde is nogal teleurstellend, de lezer blijft gefrustreerd en verweesd achter. En de duivel? Het personage waar zelfs in de titel naar wordt  verwezen verdwijnt plots zonder reden van het toneel. Een stad, het meisje en de duivel had best de helft minder pagina’s kunnen hebben, maar dat neemt niet weg dat het zeker een krachttoer is van Kutschke om deze roman te schrijven. Wie houdt van trage, melancholische, zelfs donkere, en poëtische literatuur vindt dit zeker een topper.

     

  • Levens vol muziek

    Levens vol muziek

    Zeemansgraf voor een kort verhaal is een drieluik over het ongewenst zwanger geraakte meisje Jet Hamelink, de door haar ter adoptie afgestane zoon Jurre en diens dochter Fine. Zij erven Jets muzikale talent en dat is uiteindelijk het enige dat hen stuk voor stuk op de been houdt. De drie delen waaruit de roman bestaat zijn elk aan één van hen gewijd.

    Jet
    Het eerste deel begint als een van die verhalen die wel eens verteld worden in Memories, een aan verloren liefdes gewijd televisieprogramma. Verliefd worden op iemand van een ander geloof was tot diep in de jaren vijftig onacceptabel voor ouders en omgeving. En omdat die destijds bepalend waren stierf zo’n liefde dan een vroege dood. In Zeemansgraf wordt Jet, dochter uit een streng katholiek gezin tijdens haar muziekopleiding verliefd op een medeleerling, cellist Zev Meijling, de zoon van een joodse winkelier. Dat kan niet en als Zev vertrekt naar Amerika om zijn opleiding te voltooien en Jet zwanger blijkt volgt de oplossing van die barre tijd: het ongewenst zwangere meisje gaat naar een klooster en bevalt daar van een kind dat meteen van haar wordt weggenomen.

    Dorothée Albers beschrijft geloofwaardig en overtuigend het meisje dat zich zondig voelt omdat ze verliefd is op een verkeerde man en de gevolgen daarvan ondergaat als een onvermijdelijk noodlot. Maar daarna verandert de precieze, soms zelfs wat omslachtige verteltrant. In rap tempo wordt de rest van Jets bestaan verteld: ze trouwt met een aardige katholieke man aan wie ze duidelijk heeft gemaakt geen kinderen te willen, ze wordt een veelgevraagd concertpianiste en komt alleen achter de vleugel tot leven, ze krijgt op haar 44ste – ongewild – toch nog een dochter met wie ze geen hechte band heeft. Want, benadrukt Albers, Jets hele bestaan is één lange boetedoening voor het afstaan van haar kind. De pijn over dat verlies overheerst alles.

    Dat kan wel zo zijn, denkt de lezer aan het eind van Jets verhaal, maar waarom heeft ze nooit enige moeite gedaan iets te doen aan dat noodlot? Hun verhouding kwam aan het licht toen Zev haar hand bij haar streng-katholieke vader ging vragen en als Jet later in het klooster haar bevalling afwacht wordt er een brief van Zev bezorgd (met retouradres) en schrijft ze hem terug. Zev blijkt later vanuit Amerika meer dan honderd brieven naar haar geschreven te hebben. Een gemeenschappelijke studievriend heeft pogingen gedaan ze bij haar te bezorgen maar kon haar niet vinden. Waarom Jet zichzelf onbereikbaar maakte en waarom Zev geheel uit het verhaal van haar leven verdwijnt, dat wordt nergens duidelijk. Ook is moeilijk te begrijpen dat Jet geen poging heeft gedaan haar kind terug te vinden: het klooster had het adres.

    Jurre
    Het eerste deel van Zeemansgraf voor een kort verhaal laat dus een wat onvoldaan gevoel achter bij de lezer. En eigenlijk geldt dat ook voor deel 2 waarin verteld wordt over Jets zoon Jurre, opgegroeid als koekoeksjong op een boerderij in Ganzedijk, Groningen. Niet wetend dat hij geadopteerd is.
    Met zijn moeder heeft hij een goede band, maar pabbe (vader)  is eerder een harde veeleisende baas dan een ouder.
    Op jonge leeftijd ontdekt Jurre de saxofoon en in plaats van zich voor te bereiden op het overnemen van de boerderij van pabbe besluit hij muzikant te worden. Jazzmuzikant, want hij houdt van improviseren en heeft er een hekel aan om muziek te spelen van blad. Prompt zet pabbe hem de deur uit en Jurre trekt naar Groningen waar hij muziek studeert en in een band terecht komt. Als zijn moeder dementeert en paperassen laat slingeren, ontdekt hij geadopteerd te zijn en gaat op zoek naar het klooster waar zijn biologische moeder is bevallen. Daar krijgt hij zonder problemen haar naam te horen en ook dat zij concertpianiste is. Het lijkt er dan even op dat het verhaal de kant van het televisieprogramma Spoorloos op gaat: een succesvolle zoektocht naar moeder en vader. Maar Jurre raakt op een ander spoor door de zorg om zijn adoptiemoeder, een ware liefde die Rachel heet en de tijdsdruk die het gevolg is van zijn dagelijkse urenlange oefening op de saxofoon.

    Fine
    Dan volgt deel 3, waarin Jurres dochter Fine centraal staat, de vrouwelijke helft van de muzikale tweeling die Jurre en Francien hebben gekregen. Zij koos voor de cello en de klassieke muziek, waar vader Jurre – inmiddels een bekend jazzmusicus – geen liefhebber van is. Al ontdekt Fine dat hij wel grammofoonplaten heeft van een Nederlandse pianiste, Jet Hamelink genaamd. Warmte krijgt zij eerder van bappe, die zich op zijn oude dag ontpopt als een liefhebbende opa. Als zij bij een optreden podiumvrees krijgt, stopt ze met de studie. Tijdelijk of permanent? We komen het niet te weten, het boek is uit. Op zoek naar informatie over podiumangst komt zij een interview tegen met de Amerikaanse cellist Zev Meijling, die vertelt over zijn remedie tegen die angst en het verlangen dat hij na 46 jaar nog heeft naar het meisje waar hij van hield toen hij Nederland verliet voor de muziek. Zo komt  – zonder dat zij dat weet – haar grootvader is toch weer even in het verhaal voor. Het toeval helpt romanschrijvers opvallend vaak.

    Zeemansgraf
    Dorothée Albers vertelt veel over het proces dat musici ondergaan als zij bezig zijn met hun muziek  en hun muziekinstrument. Haar proza, gericht op kleine details, past goed bij het beschrijven van deze intieme gebeurtenis. Mede dankzij de playlist achterin het boek, wordt het van muziek overvolle leven van de drie personages mooi en overtuigend getekend. Maar bij de zaken waar het in deze roman eigenlijk om draait, verzuimt de schrijfster antwoord te geven op de vragen die bij de lezer op komen. Hoe is het mogelijk dat Zev zijn grote liefde Jet Hamelink nooit teruggevonden heeft in de kleine wereld van professionele musici? Hoe is het mogelijk dat Jet hem nooit gezocht heeft en ondanks het schuldgevoel dat haar verteerde ook geen poging deed haar kind te vinden? Hoe kan het dat Jurre wel ontdekte zoon van een klassieke concertpianiste te zijn, maar zijn kinderen dat niet liet weten. Ook al zou het voor Fine een steun geweest zijn te weten dat haar muzikale genen verder reikten dan haar stugge jazz-vader.
    Mogelijk heeft Albers – afgestudeerd aan de Schrijversvakschool – gewerkt op basis van een plot dat er goed uitzag voor een kort verhaal (waar losse eindjes mogen), maar zich in de uitwerking tot roman pas later gerealiseerd heeft dat het eigenlijk een heel ongeloofwaardige geschiedenis bleek te zijn. Dat zou de verklaring kunnen zijn voor de titel die zij uiteindelijk meegaf aan haar debuut: Zeemansgraf voor een kort verhaal.

  • Stille haakjes, onzichtbare tandjes

    Stille haakjes, onzichtbare tandjes

    Als je de plot vluchtig samenvat, lijkt Maria Stepnova’s jongste geesteskind Italiaanse les zo op het eerste gezicht wel een sentimentele keukenmeidenroman: Russische dokter verlaat zijn echtgenote voor een mooie, mysterieuze jongedame, volgt haar naar Italië, maakt daar kennis met de geneugten des levens, maar dan – stel je voor – gaat het toch nog mis. We zouden Stepnova (1971) echter tekortdoen door dit boek weg te zetten als Bouquetreekskitsch, want deze Russische staat hoog aangeschreven in de hedendaagse Russische literatuur en Italiaanse les is wel degelijk gelaagder en complexer dan vermoed.

    Hoofdpersoon van dit boek is Ogarjov Ivan Sergejevitsj, die zoals wel meer personages van Stepnova (zie bijvoorbeeld ook De vrouwen van Lazarus, het boek waarmee ze internationaal doorbrak) tijdens zijn leven de val van de Sovjet-Unie meemaakte. Als kind moet hij het stellen met ‘het beproefde, ascetische instrumentarium van een Sovjetjeugd’. In de grauwe huurkazernes heerst aan alles tekort:

    Het kleingeld werd eerst lange tijd opgespaard in een bruin blik van Indische koffie, met een droeve, boezemrijke hoeri op de zijkant. Duur. Iemand had eens getrakteerd. Het werd op grote feestdagen gedronken, met delicate toevoeging van gecondenseerde melk.

    Ogarjov wordt liefdeloos opgevoed (‘Moeder strafte hem nooit, maar net als vader prees ze hem ook nooit’) in een deprimerende Moskouse buitenwijk, overigens virtuoos beschreven door Stepnova in een allesbehalve zuinige stijl:

    Tot in de jaren vijftig waren hier niet eens buitenwijken – gewoon, een paar dorpjes van niks, omwonden, als door een navelstreng, door een verstomde straatweg, bos, een lus van de rivier de Moskva, uiterwaarden, kleine stille datsja’s. Maar opeens was Moskou verschenen, had zich overal van alle kanten op gestort, als krachtig deeg dat uit de pan rijst, de kleine dorpjes waren niet eens ontruimd, maar verzaagd, alsof ze van de kaart waren geveegd, en in hun plaats rees eerst een fabriek op, en een flinke ook, met vier gebouwen, en vervolgens waren daaromheen, als om een middeleeuwse citadel, overigens aan dezelfde gestandaardiseerde, algemeen menselijke wetten gehoorzamend, in steeds wijdere concentrische cirkels, eerst de gehorige barakken gekomen, toen de flats van vierhoog, stevig, van baksteen.

    Grijze muis Ogarjov ondergaat gelaten en zonder op te vallen het communistische onderwijs, vindt hooguit wat afleiding bij Dostojevski en andere schrijvers die de bibliothecaresse hem toestopt, of in kunstboeken. De sovjetliteratuur, die enkel uitdrukkingsmiddel is van een vage ‘nationale gedachte’ en met geen woord rept over ‘wat het belangrijkst en het interessantst was’, boeit hem niet. Grote daden vallen er niet van Ogarjov te verwachten, en ‘zoals dat zo vaak gaat, werd zijn hele verdere leven bepaald door een reeks kleine, ongemerkte stapjes. Stille haakjes, radertjes, onzichtbare tandjes, een lichtblauwe veer, die gewichtloos op de rug van een van vermoeidheid snurkende stier neerdaalt.’

    De wind van de geschiedenis raast over Rusland, Ogarjov laat zich gewillig meedrijven, zelfs als die aanzwelt tot een orkaan. Tijdens zijn studie medicijnen en legerdienst geeft Gorbatsjov met zijn perestrojka de aanzet voor een kettingreactie die de ondergang van de Sovjet-Unie zal worden. Na zijn afstuderen, kiest Ogarjov gelaten voor een vreugdeloos huwelijk met Antosjka (‘Op de kliniek kregen ze een set koekepannen met antiaanbaklaag en een friteuse’).

    Eindelijk komt er wat passie in het leven van de flegmatieke Ogarjov wanneer hij Malja leert kennen, een jonge Moskouse van rijke komaf voor wie hij Antosjka verlaat. Inmiddels is de Berlijnse muur gevallen en het tijdperk van de Russische oligarchen en het hyperkapitalisme aangebroken. Ogarjov ziet zijn kans schoon om aan de slag te gaan in een peperdure privékliniek. Het leven lijkt hem toe te lachen, een plezierreisje met Malja in Italië kan er gerust af.

    Zomergast, romancier en Ruslandkenner Pieter Waterdrinker wees al op een zekere zielsverwantschap tussen Italianen en Russen, wat allebei warmbloedige, passionele, temperamentvolle volkeren lijken te zijn. Iets gelijksoortigs komt bijvoorbeeld ook tot uiting in Het bal in het Kremlin, van de Italiaan Curzio Malaparte. Ogarjov en Malja hebben het dan ook prima naar hun zin in Toscane. Op dit punt begint een stuk dat iets te veel een lofzang van allerlei zinnelijke geneugten lijkt, maar Stepnova zou Stepnova niet zijn als er geen donkere wolken samenpakten boven het Italiaanse tuinfeest. ‘De geschiedenis duldt geen aanvoegende wijs,’ wordt in het slotstuk opgemerkt, en het lijkt erop dat wie als speelbal van het lot geboren is, niet moet denken dat hij voor de rest van zijn leven mortadella en pecorino kan eten in de Toscaanse heuvels. U weze gewaarschuwd: voor een lichte feelgoodroman bent u bij Stepnova aan het verkeerde adres.

     

  • Ironie wint het van intellectualisme

    Ironie wint het van intellectualisme

    Jonas Lüscher mag bij het Nederlandse publiek dan een nobele onbekende zijn, in de Duitstalige wereld is zijn toekomst verzekerd. Vier jaar geleden verraste hij iedereen met een briljante novelle over de financiële crisis, Het voorjaar van de barbaren. Vorig jaar sloeg hij iedereen met verstomming met zijn debuutroman Kracht. Het boek haalde vele long- en shortlists van literaire prijzen en uiteindelijk ging Lüscher aan de haal met de Zwitserse Literatuurprijs 2017 en de som van dertigduizend Zwitserse Frank.

    Alles in Kracht draait rond hoofdpersonage Richard Kracht, hoogleraar retorica aan de gerenommeerde universiteit van Tübingen in Duitsland. Zijn tweede huwelijk staat onder druk, zijn vier kinderen en ex-vrouw kosten hem een hoop geld en daarenboven dient hij ook nog zijn hypotheek af te lossen. Zijn faam in de academische wereld staat in schril contrast met het zooitje dat hij ervan heeft gemaakt in zijn privéleven. Als een geschenk uit de hemel wordt hij uitgenodigd om mee te doen aan een prijsvraag van de rijke internetondernemer Tobias Erkner uit Silicon Valley. In een  voordracht van maximum achttien minuten hoeft hij enkel een antwoord te geven op de vraag: ‘Why whatever is, is right and why we still can improve it?’ Hij kan er één miljoen dollar mee verdienen en daarmee zouden heel wat van zijn privéproblemen van de baan zijn.

    Neoliberalisme vs. Facebook
    Kracht is ervan overtuigd dat hij de wedstrijd zonder veel concurrentie kan winnen, want met zijn achtergrond als econoom, filosoof en germanist beschikt niemand over betere papieren dan hijzelf. Hij trekt naar Amerika en logeert bij zijn jeugd- en studievriend Istvan. Tijdens zijn verblijf aan Stanford probeert hij te werken aan een overtuigend betoog. Intussen wordt de lezer in verschillende flashbacks meegenomen naar het verleden van Kracht. De focus ligt op de jaren tachtig waarbij Kracht als overtuigd neoliberaal inzoomt op de tal van economische, politieke en filosofische discussies. Hij heeft het over Reagan en Thatcher en beschrijft de Duitse politiek aan de hand van de kanseliers Schmidt en opvolger Kohl, terwijl ook de Val van de Berlijnse Muur voorbijkomt.
    Kracht verliest zichzelf meer en meer en weet niet meer van welk hout pijlen te maken. Meest memorabele scène uit het boek is een kanotocht die Kracht tegen alle adviezen in toch onderneemt, zonder enige ervaring, overtuigd dat hij het aankan. Uiteindelijk moet hij worden ontzet en gered en bezwijkt hij bijna aan zijn eigen overmoed. In een ontmoeting met Erkner wordt hij ondergedompeld in de hedendaagse wereld van Facebook, Google, Twitter en Silicon Valley. De clash is hem te groot en het boek eindigt dan ook tragisch voor deze antiheld.

    Ironie troef
    Kracht is een vreemd boek dat door sommigen de hemel in wordt geprezen, door anderen dan weer helemaal wordt afgekraakt. De roman kan op zijn minst intelligent, grappig, ironisch en actueel genoemd worden. De stijl die Jonas Lüscher gebruikt is er één om u tegen te zeggen. Het doet sterk denken aan de boeken van Thomas Mann waarin ook een zeer ironisch en zelfs sarcastisch portret wordt geschilderd van de hedendaagse maatschappij en de zichzelf uitgeroepen intellectuele elite van vandaag. De hele tijd staat het contrast of de botsing tussen het oude economische denken en de nieuwe postmoderne wereld, die vanuit Silicon Valley wordt gedicteerd, centraal. Kwatongen beweren dat Lüscher te veel in zijn roman heeft willen opnemen. Te veel onderwerpen worden kort aangeraakt en blijven oppervlakkig. Daarnaast probeert hij zeer intellectueel over te komen en goochelt hij met moeilijke begrippen en theorieën. Er is inderdaad stof genoeg om meerdere romans te schrijven, maar de onderliggende humor en ironie maken immens veel goed. Toegegeven, het boek leest niet als het nieuwste detectiveverhaal van de populaire schrijvers, daarvoor hanteert Lüscher niet de juiste stijl. Zinnen van meer dan twee pagina’s lang lezen immers niet altijd vlot. Men zou het gekunsteld kunnen noemen, en dat is het voor een stuk ook, maar het toont ook aan dat Lüscher een vakman is. De lange zinnen staan ook symbool voor het denkpatroon van hoofdpersonage Kracht, die vol van zichzelf overal en altijd het laatste woord wil hebben en zichzelf altijd tracht te bewijzen. Ook de vele moeilijke theorieën en filosofische begrippen staan hiervoor symbool. Daarnaast beschrijft hij niet alleen de aftakeling van het gezin, maar vooral de mentale aftakeling die Kracht ondergaat. Lüscher beheerst de kracht om met ironie en humor en in enkele hilarische scènes het intellectuele te ondermijnen met een monkellach die heel veel goed maakt. Er is nog wat werk aan de winkel, er kan nog geschaafd worden aan de stijl, maar de toekomst voor Lüscher is veelbelovend.

  • Individuen in de branding van de geschiedenis

    Individuen in de branding van de geschiedenis

    Jan Konst, hoogleraar Nederlandse literatuur aan de Freie Universität Berlin, heeft een prachtige familiekroniek geschreven, De wintertuin. De afgelopen decennia heeft het genre van de familiekroniek een hoge vlucht genomen. De eeuw van mijn vader uit 1999 van Geert Mak vond een groot publiek en datzelfde kan worden gezegd van Het zwijgen van Maria Zachea uit 2003 van Judith Koelemeijer, Het pauperparadijs uit 2008 van Suzanna Jansen, De haas met de amberkleurige ogen uit 2010 van porseleinkunstenaar Edmund de Waal, en De stamhouder uit 2014 van Alexander Münninghoff.

    Gemeenschappelijk is dat de auteur over zijn/haar familie schrijft en die beschrijving in een historische context plaatst. We zien daarbij twee benaderingen; de eerste wil aan de hand van de lotgevallen in de familie maatschappijgeschiedenis schrijven (Maks De eeuw van mijn vader), de tweede wil vooral de lotgevallen van de familie beschrijven tegen de achtergrond van belangrijke historische gebeurtenissen (Koelemeijers Het zwijgen van Maria Zachea).
    Dat het genre zo populair is heeft ongetwijfeld te maken met de grote belangstelling voor geschiedenis en voor persoonlijke verhalen. De familiekroniek combineert die twee aspecten. Bovendien lezen mensen graag waargebeurde verhalen.

    Jan Konst woont al meer dan twintig jaar in Duitsland, hij is getrouwd met een Duitse vrouw. Hij is in de archieven van zijn schoonfamilie gedoken, waar documenten opgeslagen lagen die vier generaties omvatten. Aan de hand daarvan heeft hij het leven van zijn schoonfamilie gereconstrueerd. In de beschrijving van die vier generaties weet hij een mooi evenwicht aan te brengen tussen de persoonlijke lotgevallen van de familieleden en de maatschappelijke ontwikkelingen waarmee zij te maken kregen. Vooral die laatste behandelt hij heel geserreerd, hij geeft precies voldoende informatie om te kunnen laten zien welke invloed die hebben gehad op het dagelijkse leven van de familieleden. Dat is knap gedaan, vooral omdat veel kennis over het Duitsland van de twintigste eeuw algemeen bekend is. Daarnaast presenteert hij feiten op microniveau die niet algemeen bekend zijn maar die grote invloed hadden op het leven in Duitsland en op de familieleden in het bijzonder. Hij weet, met oog voor saillante details, de lotgevallen in de familie te verknopen met de maatschappelijke ontwikkelingen.

    Vanaf het Keizerrijk (1871-1918), de Weimarrepubliek (1918-1933), de nazistische dictatuur (1933-1945), de DDR (1949-1990), de val van de Muur (1989) en de eenwording van Duitsland met Berlijn als ongedeelde hoofdstad (1990) beschrijft hij hoe zijn schoonfamilie al die gebeurtenissen heeft ondergaan, hoe zij daarop hebben gereageerd en wat het met de familie heeft gedaan. Hij leeft zich in in wat de familie in die eeuw heeft doorstaan. Interessant is dat het hier gaat om gewone mensen die geen enkele invloed hadden op wat hen overkwam maar er mee om moesten zien te gaan. Steeds opnieuw moesten zij zich zien te verhouden tot wat er gebeurde, dienden zij keuzes te maken tussen principiële standpunten zoals bijvoorbeeld het verwerpen van het nazisme of uit lijfsbehoud partijlid worden.

    Konst weet dergelijke dilemma’s treffend te verwoorden, de gemaakte keuzes door de verschillende familieleden met begrip te verantwoorden. Hij gaat daar heel prudent mee om en neemt geen gemakkelijk standpunt in. Waar nodig neemt hij een familielid de maat of toont begrip; dat speelt vooral in het Nazistische tijdperk wanneer een familielid lid van de SS wordt waar een ander om principiële reden weigert lid van de partij te worden en zo zijn carrièrekansen vergooit.

    Wat Konst mooi laat zien in deze familiekroniek is wat voor- en tegenspoed in maatschappij en economie met een familie doet. Rond 1900 is het hosanna: nieuwe technologische ontwikkelingen, steeds betere hygiënische voorzieningen en de onbegrensde beschikbaarheid van levensmiddelen maken het leven van jaar tot jaar aangenamer. Materieel gaat het de familie voor de wind, maar de Eerste Wereldoorlog maakt abrupt een einde aan de jaren van voorspoed. Daarna volgen vele jaren van neergang: de financiële crisis eind jaren twintig, Hitlers machtsovername, de oorlogsjaren en het materiële en morele bankroet van Duitsland, de beroerde tijd in Oost-Duitsland. Het zijn politieke, economische en sociale factoren die het leven van de familie verstoren. Het nazisme en communisme laten diepe sporen na in de familie. Maar na de val van de Muur in 1989 en de eenwording van Duitsland wordt het leven weer het leven waard.

    Konst heeft een heldere schrijfstijl en weet de lezer van begin tot eind te boeien.

     

     

  • Alleen of samen, in- of exclusief?

    Alleen of samen, in- of exclusief?

    Mary Beard is bekend als een van de presentatoren van de BBC-serie Civilisations. Presentator – omdat we het vak van iemand niet meer categoriseren: presentator (m) en presentatrice (v). Daar zijn we inmiddels wel achter. Hoewel Beard zeker zal erkennen dat vrouwen in het Westen – waartoe zij zich beperkt – ‘een hoop hebben te vieren’, draait het in haar manifest primair om ‘eeuwigdurende misogynie’[vrouwenhaat]. Twee lezingen, in 2014 en 2017 uitgesproken in de London Review of Books-serie, vormen de basis voor de twee hoofdstukken van haar manifest Vrouwen & Macht.  Op beide wordt hieronder achtereenvolgens ingegaan.

    De openbare stem van vrouwen
    Het begint volgens de classicus Beard allemaal met Penelope uit Homerus’ Odyssee. Zij werd geacht haar mond te houden. Niet alleen haar man, maar ook haar zoon zeggen dat ze terug moet naar het weefgetouw en het spinnenwiel. Beard vermeldt wel dat Penelope, dit gehoord hebbende, afdruipt, maar niet wat Homerus voorts schrijft: ‘Want zij kon niet ontkennen, dat haar zoon verstandig en wijs had gesproken’. Dat had een ander spoor opgeleverd (de wijze man en de domme vrouw) en die weg volgt zij niet. Wat ze wel doet, is het leggen van ‘de relatie tussen dit klassieke homerische moment waarop de vrouw de mond wordt gesnoerd en sommige manieren waarop in onze eigen hedendaagse cultuur en in onze eigen politiek, van het parlement tot op de werkvloer, vrouwenstemmen in het openbaar niet worden gehoord’. Ze wil begrijpen waarom niet én wat je eraan kunt doen.

    Ze vervolgt haar weg door de klassieke oudheid en stuit op de Meamorphosen van Ovidius, waarin mensen van gedaante veranderen. Een thema dat herhaaldelijk terugkomt: ‘het thema van vrouwen die tijdens hun transformatie de mond wordt gesnoerd’. Vrouwen mogen alleen hun mond opendoen ‘als slachtoffer en martelares, meestal om hun eigen dood in te luiden’ of ‘om op te staan en het woord te nemen: om hun huis, hun kinderen, hun echtgenoot of de belangen van andere vrouwen te verdedigen’ of, zoals Hortensia, omdat ‘ze expliciet optreedt als woordvoerder voor de vrouwen (en alléén de vrouwen) van Rome’.

    Veel van deze klassieke thema’s steken nu nog steeds de kop op. ‘Vrouwen die een openbare stem opeisen worden als androgyne monsters behandeld’, vrouwen mogen ‘hetzij de belangen van hun eigen groep verdedigen, hetzij te koop lopen met hun slachtofferschap’.
    Ook voor de remedie wendt Beard zich tot de Grieken en de Romeinen: ze hadden zelfkritiek en wilde grotere, dieperliggende vragen stellen. ‘We hebben’, concludeert ze, ‘wat ouderwetse bewustmaking nodig van wat we bedoelen met “de stem van het gezag” en hoe we die geconstrueerd hebben’.

    Vrouwen aan de macht
    De tweede, tot een iets korter essay omgewerkte lezing heeft als thema ‘Vrouwen aan de macht’. Ze begint haar essay met het in 1915 gepubliceerde boek Herland van Charlotte Perkins Gilman, ‘een fantasyverhaal over een land bevolkt door vrouwen, maar dan ook echt alleen maar vrouwen’. De vrede wordt er verstoord, wanneer drie Amerikaanse mannen het eiland ontdekken. Van hieruit maakt Beard weer de sprong naar het hier-en-nu. Haar uitgangspunt is dan, ‘dat ons mentale, culturele prototype van een machtig persoon hardnekkig mannelijk blijft’. Als voorbeeld noemt ze de broekpakken van Angela Merkel en Hillary Clinton.

    Om dit te lijf te gaan, wendt Beard zich wederom tot de klassieken: ‘De Atheense toneelkunst in het bijzonder, en de Griekse verbeelding in het algemeen, hebben ónze verbeelding een reeks onvergetelijke vrouwen geschonken’. En dat waren bepaald geen rolmodellen. Toch is dit niet voldoende en de zinsnede ‘Waar ik natuurlijk wél nog iets over moet zeggen, is wat we eraan kunnen doen’ komt, na al deze negatieve beeldvorming, als geroepen. Beard komt met zelfkritiek en ironie als wapen, met het herdefiniëren van het woord ‘macht’, het veranderen van structuren en het ontwrichten van oerverhalen over vrouwen. Het zijn allemaal geen (ver)nieuwe(nde) ideeën, die ze te berde brengt, maar wel ideeën die gemeengoed zouden moeten zijn in een maatschappij waarin misogynie nog steeds aan de orde van de dag is. Alleen daarom al wordt haar boekje ter lezing aanbevolen.

    Bewustwording of meer?
    In het maken van haar punt, schiet Beard echter wel vaak door en vertelt ze niet het hele verhaal, zoals al uit het voorbeeld uit Homerus blijkt. Je kunt ook niet exclusief zeggen, ‘dat de meeste vrouwelijke hoogtepunten, van de toespraak van Emmeline Pankhurst tot die van Hillary Clinton in de vergadering van de Verenigde Naties in Peking, over het lot van vrouwen gaan’ en met droge ogen een ander hoogtepunt, de lezing die Eleanor Roosevelt gaf voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (1946), veronachtzamen. Roosevelt stond haar hele leven pal voor niet alleen vrouwen, maar ook voor Afro-Amerikanen en arbeiders, om maar twee dwarsstraten te noemen – voor wat zij ‘de Mensheid’ noemde.

    Deze manier van inclusief denken en het recht opeisen voor iedereen die op wat voor manier dan ook wordt gediscrimineerd, zou een van de mogelijke oplossingen voor misogynie kunnen zijn, maar Beard komt er niet mee. Ze komt als gezegd met de zelfkritiek binnen de antieke wereld en traditie, maar bij de paar keer dat ze het heeft over het feit dat Lavinia in Shakespeares Titus Andronicus de tong is afgesneden en haar handen zijn afgehakt, opdat ze haar verkrachter niet kan noemen of aanwijzen, ontbreekt de reactie van Levinia’s vader, Titus: ‘Geen handen om je tranen weg te wissen, / geen tong om mij te zeggen wie je schond (…). Zie, Marcus [volkstribuun, EvS], ah, zoon Lucius, kijk haar aan! (…) Lavinialief, laat me je lippen kussen, / of doe me een teken hoe ‘k je smart kan mildren (…). Of hakken we onze handen af? Of bijten / wij onze tong af, slijten wij de rest / van ons gehaat bestaan in stom gebaar?’ (vertaling Willy Courteaux).

    Wat uiteraard níet wil zeggen, dat de voorbeelden die Beard noemt er niet toe zouden doen of moeten worden gebagatelliseerd. Een uitwerking op de onderdelen die Beard noemt, kan dan ook worden gevonden in andere literatuur. Wat betreft Homerus bijvoorbeeld in dat van haar collega-classicus Helen Morales, aan wie ze haar manifest opdroeg, en wat het taalaspect bijvoorbeeld aangaat in Opgefokte taal van Judith Butler, die onlangs nog was te zien in een televisieserie van de EO: Sign of Times: gaan vrouwen de wereld redden? Als een nieuw Herland? Maar gelukkig staat er een vraagteken achter – want wat te denken van: Gaan mannen en vrouwen sámen de wereld redden, en hoe dan?

     

    Gelijktijdig met Vrouwen & Macht verscheen van Beard Hoe we kijken met gelovige ogen. Hierin kijkt de auteur naar een vrouwelijk perspectief in kunst en de wijze waarop kunst tot religie wordt.

  • Omdenken in optima forma

    Omdenken in optima forma

    Roos van Rijswijk debuteerde in 2016 met de roman Onheilig, veelgeprezen en bekroond met de Anton Wachterprijs voor het beste debuut. Door de Volkskrant werd ze uitgeroepen tot ‘Talent van het jaar’.
    En dan is hier haar tweede boek: De olifant van de bovenbuurman. Schrijvers staan altijd voor de vuurproef met een tweede boek. Wie op een roman rekende of op een verhalenbundel, komt bedrogen uit. Hoewel, bedrogen? 

    Fantasie
    De olifant van de bovenbuurman is een, tja, wat is het eigenlijk? Een afrekening, leuk, toch stiekem een verhalenbundel, een verzameling cursiefjes, frustraties wegschrijven, therapeutisch? Het is het allemaal. Een buurvrouw komt er achter dat haar bovenbuurman met geheimzinnige en lawaaimakende zaken bezig is. Ze realiseert zich na een paar keer klagen dat klagen niet helpt en denkt om.

    Een ding is zeker: het is een geweldig boekje. Het illustreert hoe je van je nadeel een voordeel kunt maken, hoe je van je ergernis over en de overlast van een lawaaimakende bovenbuurman een bundel kunt maken waar de humor de boventoon voert en de fantasie de hoofdrol speelt.
    Een aantal voorbeelden van lawaai: de bovenbuurman neemt een olifant als huisdier die tapdanst en op een skippybal het huis doorgaat. De buurman heeft als hobby gaten boren in muur en vloeren en verwarmingsbuizen schuren. Hij leegt zakken met knikkers op het parket zodat hij niet meer hoeft te lopen. Als hij somber is vindt hij rust bij een cursus percussie in en om het huis. En zo gaat het maar door.

    Laagjes
    De bovenbuurman woont alleen en heeft al snel een olifant inwonen. En dan zijn er nog de los-vaste gasten. Eerst een kangoeroe: de olifant was zo eenzaam en pikte hem op bij een feest. Later komen er nog een bizon, een zeehond en een specht over de vloer om feest te vieren (en nog meer herrie te maken) en uiteindelijk verrast de buurman de olifant met een zeeleeuw, want de olifant vond het wat stilletjes worden zo alleen bij de buurman. Tussendoor begint buurman een Bed & Breakfast: er moet brood op de plank komen. Bovendien geeft het wat aanloop en heeft de olifant zo wat aanspraak. De eerste gasten zijn zes Britten, waardoor Van Rijswijk de grootste clichés over Britten een plek kan geven.
    Waanzin en Kolder, beide met hoofdletters. Wat ontzettend leuk.

    Er zitten nog wel wat laagjes in dit boekje: de olifant is erg gevoelig, maakt zich zorgen over haar gewicht en of iedereen haar wel aardig vindt. De buurman is ook gevoeliger dan je zou denken: hij houdt heel veel rekening met de olifant. Maar gek genoeg alleen met haar: de rest van de wereld, laat staan een onderbuur, bestaat niet. Een eigen universum dus. De maatschappij bestaat niet of in ieder geval: buurman houdt daar geen rekening mee. Hij leeft zijn eigen leven, vindt dat hij recht heeft op zijn autonomie en gaat gewoon door waar hij mee bezig is.Roos van Rijswijk heeft aangegeven dat ze wel met haar bovenbuurman contact heeft gehad, dat ze hem ook wel snapte, maar dat hij niet van plan was zijn manier van leven te veranderen.
    Wellicht is dit boekje dus ook te lezen als een schrijnend voorbeeld van verwarde mensen die hun plaats in de samenleving op hun eigen wijze invullen en geeft Van Rijswijk aan dat niet deze mensen zullen of moeten veranderen, maar de manier waarop wij er mee omgaan.

    Het boekje is prachtig geïllustreerd door Sylvia Weve.

  • Twee meisjes en een oudere man

    Twee meisjes en een oudere man

    Om zijn scheiding achter zich te laten gaat een 28-jarige arts naar Cornwall in Zuid-Engeland. Een ontmoeting aldaar met twee veel jongere meisjes, haast nog kinderen, zal zijn verdere leven voor een groot deel bepalen. ‘Wij waren eenvoudig een bond van drie, twee meisjes en een oudere man, de toeschouwer die zichzelf verloren heeft in het voorwerp van zijn belangstelling,’ herinnert hij zicht later. Tussen de arts – hij wordt Bill genoemd – en de meisjes ontstaat een vriendschap, maar onder de oppervlakte spelen meer gevoelens een rol. Twee meisjes en ik van A.H. Nijhoff vertelt uitgebreid het verloop van deze gecompliceerde driehoeksrelatie.

    Twee meisjes en ik is een ‘herontdekte’ roman zoals er de laatste jaren meer boeken opnieuw als klassieker onder de aandacht zijn gebracht. Nadat deze roman in 1996 al eens door de feministische uitgeverij Vita is heruitgegeven, heeft nu Cossee een nieuwe uitgave verzorgd, voorzien van een uitgebreid nawoord over het ontstaan van de roman en het leven van de auteur. De roman verscheen voor het eerst in 1931. Gepubliceerd onder de naam A.H. Nijhoff, was het het debuut van Netty Nijhoff-Wind, de vrouw van dichter Martinus Nijhoff.

    De reacties op het boek destijds waren gemengd. Literatoren als J.J. Slauerhoff en Jan Campert onthaalden Nijhoff als nieuw literair talent. Andere critici namen echter aanstoot aan de ‘ontaarde’ personages en het vermoeden van een liefde tussen twee vrouwen. De roman was na publicatie ‘uitgeleverd aan bewondering en schandaal’, zo staat in het nawoord.

    Eerste ontmoeting
    In het eerste deel van Twee vrouwen en ik doet Bill via dagboeknotities verslag van zijn verblijf in Cornwall. Hij vertelt over de ontmoeting met de Nederlandse meisjes Juan en Ann. De eerste is een ziekelijk meisje dat met haar nurse aan de Zuid-Engelse kust verblijft om te herstellen. Ann is de dochter van een kolonel die Bill in Cornwall ontmoet. Ze is een levendig en fel roodharig meisje dat bij de eerste ontmoeting enthousiast wil spelen. Tijdens hun verblijf aan de kust ontstaat een vriendschap tussen de drie.

    Het tweede deel van de roman blikt twintig jaar later terug op het verloop van de vriendschap. Dit deel is niet meer in dagboekvorm geschreven maar is het resultaat van de romanambities van Bill waar hij in het eerste deel al gewag van maakte. In de tussenliggende jaren heeft Bill zich gevestigd in Mook, vlakbij een buitenhuis van de familie van Juan in Groesbeek, waar zij later ook regelmatig zal zijn. Ann en haar familie wonen in Den Haag.

    Bill en Juan zwermen om Ann heen als vrienden, maar koesteren meer dan vriendschap­pelijke gevoelens voor haar. Ann trouwt echter met een ander, Cyril, en vertrekt met hem naar Parijs. Gemakkelijk is hun leven daar echter niet. Ze hebben regelmatig geldzorgen en de ‘drogues’ die Cyril gebruikt zorgen regelmatig voor problemen. Ondanks het minder frequente contact blijft Bill klaarstaan om Ann te helpen.

    Fijn psychologisch portret
    Het zijn de beide meisjes Juan en Ann die, elk op hun eigen wijze, zelfstandig zijn en het leven kiezen dat ze wensen. Juan gaat veel naar het buitenland wanneer ze wil en zit lang niet altijd te wachten op Bill met zijn goede bedoelingen voor haar en haar gezondheid. Ook Ann kiest voor haar eigen, rommelige, leven met Cyril in Parijs. In Bills verhouding tot Ann herkent de lezer het dilemma van de verliefde die meer wil zijn dan ‘slechts vrienden’.

    Want ik heb toen, voor het eerst maar onherroepelijk, begrepen dat dit kortstondige geluk slechts een episode zou zijn in het grotere verband van onze vier levens, een episode die, vanzelfsprekend uit onze vriendschap voortgekomen, even vanzelfsprekend zicht weer in die vriendschap zou verliezen.

    Voor wie de roman nu leest, is de ophef over Twee meisjes en ik bij verschijning enigszins verbazing­wek­kend. Niet alleen omdat we inmiddels niet meer opkijken van de gebeurtenissen in de roman, maar vooral omdat alles slechts in bedekte termen wordt beschreven. Voor de lezer van nu biedt A.H. Nijhoffs roman een fijn psychologisch portret van een oudere man wiens leven beheerst wordt door de vriendschap voor twee onafhankelijke vrouwen.

     

  • Een meer van wanhoop

    Een meer van wanhoop

    De psychologie en de muziek spelen een grote rol in het leven van Anna Enquist, zo ook in haar boeken.Want de avondis een vervolg op Kwartet (uit 2014) maar kan onafhankelijk gelezen worden. Kwartet vertelt over de repetitie van een strijkkwartet bestaande uit Carolien, haar echtgenoot Jochem en hun vrienden Heleen en Hugo. Tijdens die repetitie op de woonboot van Heleen vindt een aanslag plaats, gevolgd door een explosie. De leden van het strijkkwartet reageren ieder op hun eigen manier, daarover gaat Want de avond.

    Titel
    De titel heeft Enquist ontleend aan Gezang 282: ‘Blijf bij mij heer, want de avond is nabij.’
    In een interview in de Boekenkrant zegt ze hiervoor gekozen te hebben omdat ze niet alleen de melodie prachtig vindt, maar ook de tekst; daar gaat een zekere dreiging vanuit: laat me niet alleen, want het wordt alleen maar erger. Dat past goed op het thema van het boek: de vriendengroep dreigt uit elkaar te vallen. Ieder lid van de groep reageert op zijn eigen manier op de aanslag en heeft weinig oog voor de reacties van de anderen; elk heeft zijn psychologische problemen en kan er met de anderen niet over spreken.

    Thema
    Van Enquist weten we dat ze verschillende instrumenten speelt en dat ze cello speelt in een strijkkwartet. Het mooie is dat de vier musici qua karakter goed passen bij het instrument dat ze bespelen. Zo speelt de ondernemende Hugo eerste viool, de volgzame Heleen tweede viool, de zorgzame Carolien cello en de sombere Jochem altviool.

    Carolien en Jochem zijn met elkaar getrouwd, zij staan centraal in deze roman. Door hun verschillende reacties op de aanslag komt hun relatie onder druk te staan; ze verstaan elkaar steeds minder.
    Carolien heeft als gevolg van de aanslag haar rechterpink verloren; ze vindt dat ze noch haar beroep van huisarts, noch haar rol in het strijkkwartet als celliste nog kan uitoefenen. Dat zou ze strikt genomen best kunnen, maar ze gebruikt het gemis van haar pink als excuus om niets meer te doen.
    Jochem vindt dat ze haar beroep heel goed kan blijven uitoefenen en ook dat ze cello kan blijven spelen: het is immers haar rechterhand. Jochem is een drammer, hij wordt geregeerd door angst, op het neurotische af. Hij beveiligt zijn huis en werkplaats -hij is bouwer van muziekinstrumenten- met alle mogelijke middelen en bouwt het om tot een onneembare vesting.

    Carolien voelt zich er niet meer thuis, komt in ‘een meer van wanhoop’ en raakt depressief. Ze voelt zich waardeloos en vraagt zich af of ze op een andere manier kan leven dan ze tot nu toe heeft gedaan. ‘Er moet toch een leven te ontwerpen zijn voor een mens met een aantoonbaar gebrek aan wil?’
    Wanneer ze ook genoeg heeft van de druk die Jochem op haar uitoefent om te blijven werken en spelen, vlucht ze naar China. Daar is Hugo als cultureel ondernemer naar toe gegaan om muzikale evenementen te organiseren. Ze ontmoet er ook Max, een arts die kindertehuizen bezoekt, ze gaat hem helpen en krijgt een verhouding met hem. Langzaam keert het leven in haar terug.

    Ze moet weer terug naar Nederland wanneer de aanslagpleger voor de rechter staat en alle vier de musici moeten getuigen. Na afloop van de rechtszaak gaan ze op initiatief van Hugo eten bij de Italiaan waar ze vroeger ook altijd zaten. Carolien ziet in de ruit van het restaurant ‘hoe ze alle vier hun glazen heffen en elkaar toedrinken. Het is klaar. Het is goed.’
    Hun vriendschap lijkt weer terug te keren.

    Waardering
    Enquist schrijft een mooi verhaal over vier musici wier leven overhoop is gehaald door een aanslag. Wat ze heel goed weet te verwoorden is wat die aanslag bij elk van de vier teweegbrengt. Zoals we gewend zijn bij Enquist komen de karakters goed uit de verf, weet ze hun psychische gesteldheid te duiden zodat de lezer kan invoelen wat hen tot hun gedrag leidt. Ze heeft verstand van gevoel en weet er meesterlijk over te schrijven. Je leest het ademloos uit.

     

     

     

  • Een gereedschapsset om te overleven

    Een gereedschapsset om te overleven

    Onlangs was de documentaire Dance or Die (2016) te zien op televisie. Hierin werd het verhaal verteld van de Syrische danser Ahmad Joudeh (1990) die opgegroeide in het Palestijnse vluchtelingenkamp Yarmouk in Damascus. In 2015 was dit kamp het strijdtoneel van de oorlog in Syrië. Tussen de puinhopen en het oorlogsgeweld gaf Ahmad dansles aan de kinderen van Damascus. Meerdere mensen trokken zich het lot van Ahmad aan en richtten het fonds Dance for Peace voor hem op zodat hij zijn droom professioneel danser te worden kon waarmaken. Ahmad zegt in de documentaire: ‘Je hebt een goed leven als je je geen zorgen hoeft te maken. Als er geen slechte dingen gebeuren, als je veilig bent en er geen bommen vallen. Als er buiten geen mensen sterven.’

    Ahmad kon aan de oorlogsellende ontkomen door zijn uitzonderlijke danstalent. Maar zijn verhaal is een uitzondering. Veel vluchtelingen zijn afhankelijk van mensensmokkelaars. Er zijn meerdere routes naar het veilig geachte Europa; Ahmad kwam per vliegtuig, anderen zijn aangewezen op routes over zee, in gammele bootjes, of over land. Een veelgebruikte route in 2015 was de Balkanroute. Vluchtelingen reisden via Griekenland, Macedonië en Servië naar Hongarije. De treinstations in Boedapest stonden dat jaar vol vluchtelingen. In hetzelfde jaar speelde zich een menselijk drama af. Eenenzeventig vluchtelingen, waaronder vijftien Syriërs, stikten in een koelwagen die via Oostenrijk op weg was naar Hongarije.

    Materiaalmoeheid
    De gebeurtenissen uit 2015 verwerkte de Tsjechische schrijver Marek Šindelka deels in zijn roman Materiaalmoeheid. De oorspronkelijke titel luidt Únava materiálu (2016), de Nederlandse vertaling kwam uit in 2018. Šindelka beschrijft in zijn verhaal de lotgevallen van twee broers – Amir en zijn naamloze broertje, aangeduid als ‘de jongen’ – die in Europa een veilige plek willen vinden. Het boek begint met de ontsnapping van ‘de jongen’ uit een detentiecentrum. ‘Hij stelde vast dat een detentiecentrum in niets verschilde van een gevangenis. Behalve misschien dat de meeste mensen in een gevangenis weten waarom ze daar zitten.’ Het is een vlucht in de nacht, over bevroren sneeuw en rivieren en in de barre vrieskou. ‘Ergens in het noorden zit zijn broer. Daar ergens wacht hij op hem.’ Het besef van tijd en plaats is verdwenen – drie maanden in een detentiecentrum, meerdere dagen in een winters bos.  ‘Hij wist niet meer hoelang hij onderweg was. Hoeveel dagen, maanden of misschien wel jaren er waren verstreken sinds ze op weg waren gegaan.’  Plaatsen zijn slechts aanduidingen – een bos, een rivier, een fabrieksterrein, een spoorwegemplacement. Wel duidelijk is dat hij in Europa is terechtgekomen. Europa is een kil en vijandig continent, omheind met een dubbel hek met scheermesdraad. ‘Europa: dat zijn corridors, snelwegviaducten, logistiek centra –  en vooral hekken.’

    Terugblikken
    Via terugblikken en herinneringen ontvouwt zich de geschiedenis van de jongen en van Amir. Na de bombardementen op hun geboortestad beseffen ze dat ze daar geen toekomst meer hebben: ‘ze zouden de ruïnes achter zich laten. Het leven hier was over.’  Amir sluit een deal met mensensmokkelaars om hen verborgen in een auto naar Europa te brengen.

    Amir moet zich in een krappe holte onder de motorkap wurmen, in een uitsparing in het bovenste deel van de motor. ‘De uitsparing bood ongeveer net zoveel ruimte als een middelgrote koffer.’ De smokkelaar meet de ruimte op met zijn rolmaat om te zien of Amir erin past. Mensen als materiaal: ‘Het lichaam is een gereedschapsset om te overleven.’ Uiteindelijk ligt hij opgerold als een foetus in een motorblok. Ondertussen weet Amir niet waar zijn broertje is. ‘Hij moet toch in de buurt zijn, opgesloten in een ander deel van de wagen, in een ander deel van de machine die hen naar een nieuwe wereld moet brengen.’ Met de auto moeten ze met een veerboot de oversteek naar Europa maken. ‘Wat gebeurde er buiten? Hij had geen flauw idee hoeveel tijd er was verstreken. De tijd was tot stilstand gebracht. Of verliep tweemaal zo snel. Het speelde geen enkele rol. Alles wat hij nu nog had was adem, hartslag en duisternis.’
    Hij komt bewusteloos met koolmonoxidevergiftiging uit het motorblok. ‘In een onbekende Europese stad werd Amir uit de motor geboren.’

    Dood en verderf
    Tijdens de vlucht door de sneeuw denkt de jongen terug aan zijn tijd in het detentiecentrum, hoe hij werd opgepakt, verhoord en vastgezet. Hij vertelt de rechercheurs dat hij met zijn broer Amir heeft afgesproken dat ze elkaar ‘ergens in het noorden’ zullen ontmoeten. De herinneringen zijn niet chronologisch: hij denkt terug aan de dag dat er op de stad waarin hij geboren was twee vatbommen vielen. De naam van het land wordt niet genoemd, net zo min als de naam van de stad. Ze komen uit een oorlogsgebied met steden in puin, een plaats van ‘dood en verderf’. De rechercheurs vertellen hoe ze hem vonden. Een tolk zorgt voor de vertaling: ‘Aan het eind van de zomer kregen we een melding over een vrachtwagen die aan de kant stond op de snelweg richting… (vrouwelijke tolk). Die stond daar kennelijk al een tijdje. Oorspronkelijk ging het om een koelwagen, dat was ook de reden… /…/ Het duurde een tijdje voor we je gevonden hadden.’

    In de hoofdstukken over Amir lezen we de oorlogsverhalen van medevluchtelingen. Een naamloze man vertelt over de honger, over hoe mensen bladeren van de bomen trokken en ze kookten. ‘Amir had het allemaal al zo vaak gehoord, hij had het misschien wel zelf meegemaakt.’  Het is de hel van Dante. Uitgebreid en indringend is het verhaal van de 17-jarige Palestijn uit het Syrische Yarmuk die vertelt hoe hij een orgaan verkocht om zijn vlucht te kunnen betalen. Na de operatie is hij lichamelijk een wrak, met een gat in zijn rug en verslaafd aan pillen.

    Šindelka gebruikt meerdere perspectieven in het boek. De verhalen van Amir en de jongen in de hij-vorm; het verhaal van de Palestijn in de ik-vorm. Bij alle personages is het beeld op de werkelijkheid vertroebeld – Amir door koolmonoxidevergiftiging; de jongen is afhankelijk van een tolk en de Palestijn is niet helder door de medicijnen.

    Het lichaam als materiaal
    Het boek maakt veel indruk door de indringende beschrijvingen van de ellende van oorlog en de zware lichamelijke omstandigheden waarmee twee broers in de winter tijdens hun vlucht naar Europa te maken krijgen. De plot is daaraan ondergeschikt. In deze roman gaat het vooral om de precieze beschrijvingen van fysieke reacties van het menselijk lichaam op onmenselijke omstandigheden: de gevoelens van claustrofobie onder een motorkap van een auto, de processen in het menselijk lichaam bij verstikking in een koelwagen.

    Het menselijk lichaam is voor smokkelaars slechts materiaal – opmeten of een vluchteling in een holte onder de motorkap past; hoeveel vluchtelingen er in een koelwagen kunnen, of, in het geval van de 17-jarige jongen, organen als handelswaar. Wanneer bezwijkt het lichaam onder materiaalmoeheid? Mens, materiaal, machine – Šindelka heeft de vergelijking ver doorgevoerd: De jongen komt op zijn vlucht in een autofabriek terecht. Mens en machine worden bijna een door de beschrijving van de fabrieksarbeider die steeds dezelfde handeling moet verrichten. De volgende beschrijving doet denken aan Kafka’s Gedaanteverwisseling: ‘De montagelijn leek op een reusachtig insect dat op zijn rug was komen te liggen en zich vergeefs trachtte om te draaien. De machinepoten strekten zich uit, herhaalden steeds dezelfde beweging, opereerden feilloos en precies.’

    In een interview met het Belgische MO Mondiaal Nieuws heeft Šindelka zijn bedoelingen toegelicht: ‘Ik wil dat mijn lezers de pijn van vluchtelingen voelen, de fysieke pijn. /…/ Op het niveau van het lichaam zijn we allemaal gelijk. Het stemt tot nadenken en kan, wie weet, wat gevoelens van solidariteit opwekken.’ In hetzelfde interview vertelt Šindelka dat hij zo min mogelijk informatie over zijn personages wilde geven zodat de lezer zijn ‘vooroordelen niet activeert.’ Het verhaal moet gaan over ‘een mens in Europa’, aldus Šindelka (interview met Pieter Stockmans, 16 juni 2018).

    In een roman identificeert een lezer zich over het algemeen sterker met de personages als zij een naam hebben. De lezer is meer betrokken. Denk aan Ahmad Joudeh, de danser uit Syrië. Mensen werden geraakt door zijn persoonlijke verhaal en richtten een fonds voor hem op.
    Šindelka’s boek staat vol knappe beschrijvingen. Bij een gebombardeerd gebouw: ‘Als een tand uit ontbloot tandvlees stak op de tweede verdieping de gootsteen van het scheikundelab de ruimte in.’  Bij zoeklichten die door de kieren in een houten vloer schijnen: ‘Zijn ogen puilden uit naar de lichtlemmeten die uit de spleten omhoog kwamen.’ Zijn beschrijvingen over mishandelingen bij een vluchteling zijn zo gruwelijk dat je als lezer het boek wilt wegleggen. Solidariteit met de vluchteling  opwekken is Šindelka’s doel, maar of hij dat met deze roman op deze manier bereikt is de vraag. Voortdurend sta je als lezer in tweestrijd: afhaken of doorlezen. Afhaken vanwege de beschrijvingen van geweld en verschrikkingen van de verstikkingsdood, doorlezen omdat je hoopt dat het goed komt met Amir en de jongen, dat zij zullen vinden wat Ahmad zo treffend verwoordde over een goed leven: ‘Als er geen slechte dingen gebeuren, als je veilig bent en er geen bommen vallen.’

    Materiaalmoeheid is een intrigerend boek.

     

    Marek Šindelka (1984) ontving in 2017 de Magnesia Litera Award, de belangrijkste Tsjechische prijs voor proza (Magnesia Litera 2017 za prózu).

  • Wassende water wist alle zonden

    Wassende water wist alle zonden

    Een natuurramp heeft verwoestende gevolgen, maar kan ook ten voordele werken voor wie iets te verbergen heeft. Of wanneer het iemand van harte gegund is dat alle sporen worden gewist van een daad die per ongeluk gepleegd werd. Zoals in de novelle Een dagje in de stad van Ru de Groen.

    Evenals in zijn debuut, Anna, Ode aan een kattenstaart (2014) en Zonen van De Farao (2017) toont De Groen zich een voortreffelijk verteller die met soepele pen de wereld van weleer oproept. Nu en dan roept het boek een sfeer op die doet denken aan de boeken van Thomas Rosenboom. Verzorgd taalgebruik en een goed oog voor historische details die als een natuurlijk gegeven zijn opgenomen in het verhaal kenmerken  het werk van De Groen. ‘Op tafel lag een stapel tijdschriften. (…) Jaap pakte het bovenste nummer eraf. De Spiegel las hij, Christelijk Nationaal Weekblad, 1952.’ En: ‘Ze liep naar het dressoir en zette de radio uit.’

    Luchtige verteltrant
    Het betreft een familiedrama dat wordt verteld in een nacht en een dag, in korte zinnen en korte hoofdstukken. Aan de vooravond van de watersnoodramp op 1 februari 1953, krijgt de in Rotterdam woonachtige Stoffer Picavet, onverwacht bezoek van twee kinderen. Het zijn de kinderen van zijn broer, (Jaap van veertien en Anna van acht) van het eiland Goeree-Overflakkee. Picavet en zijn broer zijn  al jaren gebrouilleerd. In de nacht die volgt vertelt Jaap aan zijn oom waarom ze gevlucht zijn. Er is sprake van incest en moord op de vader, (die Jaap steevast ‘de boer’ noemt). Er spreekt een zekere luchtigheid uit de wijze waarop deze ernstige gebeurtenissen te berde worden gebracht. Er wordt niet uitgeweid over hoe de kinderen zelfstandig het eiland hebben kunnen verlaten, hoe ze bij de boot kwamen, of ze geld voor de reis hadden.

    Een dagje uit
    Picavet vangt de kinderen liefdevol op en ziet in zijn neef een dappere jongen die zijn zusje heeft gered.  ‘Verantwoording nemen voor je daden’ wordt een leidend thema in het verhaal. En – zoveel is duidelijk – Jaap wil terugkeren naar het eiland om onder ogen te zien wat er allemaal gebeurd is.
    Maar eerst neemt Picavet de kinderen mee de stad in. Ze gaan op bezoek bij zijn vriendin Mimi –  garderobejuffrouw in een huis van lichte zeden – en een bezoek aan Blijdorp en de Kuip staan op het programma. Voor Jaap heeft Mimi – een wat bevreemdend gegeven in het verhaal – een verrassing in petto. Ze laat hem kennis maken met een van de prostituees op haar werk. De gedachte is – met het oog op zijn wellicht sombere toekomst – dat hij in ieder geval de lijfelijke liefde gekend zal hebben. Met het incestverleden van de jongen in het achterhoofd voelt dit wel wat geforceerd aan. Het is niet iets waar de jongen om staat te springen. Toch vergeef je dit de schrijver, omdat je voelt dat hij ergens heen wil, en als lezer wil je mee.

    Een dagje in de stad is zeer prettig geschreven, het leest vlot en na afloop denk je: wat een pareltje is deze novelle eigenlijk. Ondanks de gruwelijke geschiedenis van de kinderen en het prostitueebezoek is het een zeer sympathieke vertelling. Gaandeweg leef je zo met ze mee dat je hoopt dat de kinderen bij hun oom en zijn vriendin kunnen blijven.

    De terugweg
    Als Picavet aan de vooravond van die beruchte watersnoodramp alleen met Jaap naar Goeree-Overflakkee reist, ontwikkelt de wind zich tot een storm. Tijdens de autorit van Rotterdam naar Hellevoetsluis, vraagt Picavet zich af of de boot nog zal varen in deze storm. Wanneer ze aankomen in de haven zijn de laatste regels van het boek:‘“Jaap we zijn er,” zei hij [Picavet] tevreden. “Kom snel nu. De boot wacht niet.”
    Morgen zou het alweer februari zijn.’ Einde verhaal.

    Wassend water
    Maar daar kun je het als lezer niet bij laten. Die korte laatste zin lijkt een bezwering te bevatten. Alsof de schrijver je ertoe wil aanzetten er meer uit te halen dan wat je gelezen hebt. Je bladert terug, op zoek naar iets wat je gemist hebt om te weten waar dit einde toe leidt. Je leest nog eens het laatste hoofdstuk getiteld ‘Schoonschip’. Leest hoe Anna aan Mimi vraagt wat ozewiesewozewiesewallakristalla betekent. Mimi zegt dat het betekent ‘gered worden door het water’. Waarop Jaap reageert: ‘Water wast de zonden weg.’

    En dan zie je ze daar opnieuw staan aan de haven, wachtend op de veerboot en begrijp je dat – of ze die boot nu halen of niet –  alle sporen van het drama uitgewist zullen worden door het wassende water. Er zal geen spoor overblijven dat te herleiden is naar een moord. Een prachtig eind goed al goed. Het wordt duidelijk dat De Groen vanaf het begin hierop aanstuurde: alle zonden zullen worden schoongewassen zodat er opnieuw begonnen kan worden. Deze novelle heeft iets van een sprookje. Verrassender en mooier kon de schrijver het niet bedenken.

    Lees hier het interview van Literair Nederland (2017) met Ru de Groen.