De verzuimcoördinator van Nicole Montagne is een bundeling korte verhalen en essays waarin bedrog een grote rol speelt maar de hoofdrol is weggelegd voor de leegte; het ontbreken van iets of iemand. Het boek is onderverdeeld in drie delen: ‘De blinde kaart’, ‘Wijkende plaatsen, verdwenen tijden’ en ‘Een ander perspectief’. Drie afdelingen die respectievelijk gezien kunnen worden als: Bekomen van het bedrog; Herschikken van herinneringen; Nieuwe inzichten verwerven.
De insteek voor deze bundeling is het bedrog van haar levensgezel die door schulden gedreven met onbekende bestemming haard, huis en kinderen verlaat. Na de ontsteltenis en woede laat Montagne haar leven opnieuw de revue passeren, op zoek naar sporen van bedrog en verdoezeling van feiten. Wanneer begon het en hoe zag het eruit? Dat zijn de vragen die haar bezighouden, alsook het fenomeen liegen, ze wil erachter komen wat iemand drijft om niet de waarheid te vertellen. ‘Liegen is in wezen doodeenvoudig. Maar stop! Hier stuit ik op een grens. Liegen is eenvoudig voor degene die dit kan.’
Onderzoekende beschrijvingen
Een boek over een verbroken relatie kan, als je niet oppast, al gauw een afrekening worden. Denk aan het boek Privédomein (2014) van Ingrid Hoogervorst, dat zij schreef nadat haar man Atte Jongstra haar nogal cru de liefde had opgezegd. Nicole Montagne echter is helder en onderzoekend in haar beschrijvingen en verzinkt niet in zelfmedelijden. Elk verhaal of essay begint met een persoonlijke beleving of waarneming.
‘Het koffiehuis’ begint met herinneringen aan de dagelijkse bezoeken aan verschillende koffiehuizen in Praag toen ze daar in de jaren tachtig voor een stage verbleef. Ze beschrijft hoe ze in het ene koffiehuis zat te schrijven of Tsjechische woorden leerde. In een ander koffiehuis, Slavia, hadden de schrijvers Jaroslav Seifert, Kafka en Havel nog gezeten. In dat koffiehuis ziet ze ook het schilderij De absintdrinker van de kunstenaar Viktor Oliva. Ze beschrijft het schilderij:
‘Een man steunt met beide ellebogen op het ronde tafelblad. De man lijkt op Rilke. Hij houdt zijn gezicht tussen zijn handen geklemd. Naast hem liggen zijn hoed en een opengeslagen krant. De overheersende kleuren in dit schilderij zijn bruin, grijs, wit en groen. Groen is ook de naakte vrouw met het opgestoken haar die haar billen, we zien haar ruggelings, op de tafel van de cafébezoeker heeft gevlijd.’ Het schilderij hangt er overigens nog steeds en een deel van het schilderij siert de cover van het boek.
Vertrek als aanwezigheid
Via haar dwalende gedachtegangen acht ze het zeer plausibel dat de man op het schilderij wel eens echt Rilke zou kunnen zijn: ‘hij heeft Slavia met enige regelmaat bezocht en was een tijdgenoot van Viktor Oliva.’ Om dan een ogenblik te wijden aan de hoogleraar Slavistiek Angelo Maria Ripellino (1923-1978), die in zijn boek Magisch Praag het over Rilke en zijn relatie met de stad Praag heeft. Waarna ze weer terugkeert naar zichzelf en de leegte van de koffiehuizen in de avonduren.
Vier van de eenendertig in De verzuimcoördinator opgenomen stukken zijn eerder verschenen in literaire tijdschriften. ‘De verborgen plek in huis’, verscheen eind 2017 in de Revisor en is hier in het eerste deel opgenomen. Daarin vertelt ze hoe het bedrog, na het vertrek van haar man, als een aanwezigheid in haar huis is achtergebleven. ‘Waar in huis bevond zich deze plek? (…) je kunt achteraf niet zoeken naar wat nu is verdwenen.’
Ergens aankomen
Montagne beschrijft met een zekere nuchterheid – soms is een onderdrukte woede voelbaar – hoe het bedrog haar leven veranderde. In retrospectief werd haar leven totaal anders dan ze gedacht had. Ze maakt de vergelijking met de ontdekkingsreiziger Columbus, die dacht dat hij Indië had bereikt maar Amerika ontdekte. ‘Hij was wel degelijk ergens aangekomen. Alleen niet op de plek waar hij dacht.’
Ook Montagne is ergens anders uitgekomen dan waar ze aanvankelijk dacht te zullen uitkomen. Het pad dat ze heeft afgelegd kan ze niet teruggaan. Wel is het haar gelukt, zo schrijft ze in een van haar essays, om haar leven in een andere context te plaatsen. Met haar onderzoekende geest, en door feiten en herinneringen te hergroeperen, schreef zij zichzelf weer ‘“binnen” (…) in mijn eigen levensgeschiedenis’. Mooier kon ze het niet zeggen. De verzuimcoördinator is een sterke bundeling essayistische miniatuurtjes die bij herlezing – net als bij het meerdere keren aanschouwen van een geschilderd tafereel – steeds een ander aspect onthult en daarmee de werkelijkheid van een andere context voorziet.
Hans den Hartog Jager is een gewaardeerd kunstcriticus die onder andere monografieën wijdde aan Appel en Warhol. Zelf schildert hij niet. Zou hij dat wel doen, dan zou zijn werk waarschijnlijk langs de meetlat waarmee hij het werk van anderen meet, worden gelegd (hij schreef overigens wel een roman: Zelf God worden).
James Wood is een in brede kring gewaardeerd literatuurcriticus en hoogleraar literatuurkritiek aan Harvard. Twee studies over romankunst van hem die ook in het Nederlands verschenen, Hoe fictie werkt en Tintelingen zijn aan te bevelen voor iedereen die iets meer wil weten over wat iets tot een goede roman maakt. Maar James schrijft ook zelf fictie en stelt zich daarmee natuurlijk bloot aan extra geschut. Van hem verschenen in 2003 Het boek tegen God en onlangs Afgelegen.
In Afgelegen bezoekt de Engelse projectontwikkelaar Alan Querry zijn twee dochters Helen en Vanessa in Amerika. Aanleiding is een mail van Josh, de vriend van Vanessa, aan Helen die de indruk wekt dat het slecht met haar gaat. Ze heeft al vaker depressies gehad en is nu van de trap gevallen. Een ongeluk of zit er meer achter?
Querry Alan (wiens familie, net als die van auteur Wood in Durham woonde) bezoekt Helen die al even in verband met haar werk als manager bij Sony in Amerika is om daarna met haar bij Vanessa langs te gaan. Wat volgt zijn gesprekken tussen Alan en zijn dochters en Josh, waarin zaken steeds net wat anders lijken te liggen dan de lezer ondertussen heeft aangenomen. De gesprekspartners zijn voortdurend tastend op zoek naar wat de ander bezighoudt (Hun achternaam Querry zou een verwijzing naar het Engelse woord query – vraagstelling – kunnen zijn). Gaandeweg blijkt dat Alan in de financiële problemen zit met zijn bedrijf en dat zijn dochter Helen bij Sony weg wil. Maar essentiëler zijn de vragen die in de gesprekken met Vanessa, die filosofie doceert, worden besproken: de zin van het leven en de bereikbaarheid van je eigen geluk.
Alan worstelt bovendien met de vraag wat zijn aandeel is in de depressies van Vanessa. Hij heeft zijn dochters in zijn eentje opgevoed nadat hun moeder hen voor een andere man in de steek liet. Is hij schuldig aan de depressies van de Vanessa? Maar hoe kan het dan dat Helen zich zo zelfbewust door het leven slaat?
Upstate
Een groot deel van de roman speelt zich af in Upstate New York, de benaming van het dun bevolkte gebied ten noorden van de gelijknamige stad. Daaraan ontleent de roman zijn Engelse titel Upstate. Het woord ‘upstate’ kan worden vertaald met ‘afgelegen’. Dat leverde de Nederlandse titel Afgelegen op, maar daarin gaat de geografische verwijzing enigszins verloren. Wood gebruikt de plek in zijn roman metaforisch voor de afstand tussen zijn hoofdrolspelers. Uiteindelijk leidt hun zoektocht tot toenadering en begrip, maar de weg ernaar toe laat de auteur zijn personages niet altijd even boeiend afleggen. Vooral bij Alan krijg je als lezer soms de kriebels bij zijn omzichtigheid. Hij aarzelt alsmaar om de vragen te stellen die hem het meest bezighouden: wat is er werkelijk gebeurd en moet ik me daarover schuldig voelen? Maar die aarzeling lijkt meer ingezet te zijn om de spanning gaande te houden dan als horende bij de persoon van Alan.
En inderdaad: lees je de roman met in het achterhoofd de deskundigheid van Wood als literair criticus, dan ga je ineens extra letten op details die je anders misschien minder zouden opvallen. Waarom opent de roman met het bezoek van Alan aan zijn moeder die in het verdere verloop nauwelijks een rol speelt? Is het niet wat te bedacht om het de hele roman steenkoud weer te laten zijn en de dooi te laten intreden als het ijs tussen vader en dochters gebroken wordt? En wat moet de lezer aan met drie pagina’s opsomming van popgroepen en zangers die moeten karakteriseren hoe Helen in het leven staat? Er zal geen lezer zijn die bij al die namen de nodige associaties heeft om een duidelijk beeld van haar te krijgen.
Afgelegen stelt essentiële vragen en biedt een paar interessante filosofische gezichtspunten, maar wat erover te berde wordt gebracht blijft je na lezing toch niet lang bij. Als het daar om gaat is Woods essayistische werk, vooral Hoe fictie werkt (dit jaar al aan de zevende druk toe) boeiender.
Een gesprek met Tommy Wieringa op het Crossing Borderfestival, een verhaal in The New Yorker, de BBC National Short Story Award; de Welshe Cynan Jones (1975) is internationaal aan het doorbreken. Nu is ook zijn debuut uit 2006 vertaald: de novelle De lange droogte (The Long Dry).
De lange droogte beschrijft een dag uit het leven van de Welshe boer Gareth en zijn gezin. De rode draad van het verhaal is Gareths zoektocht naar een weggelopen, hoog drachtige koe. Vlucht en zoektocht symboliseren de relatie tussen Gareth en zijn vrouw, de aanhoudende meteorologische droogte van de titel is een metafoor voor haar dorre schoot.
Het verhaal schiet alle kanten uit: het leven van Gareths vader, de migraine van de depressieve echtgenote Kate, de oorzaken van die depressie, de dierenarts die Gareths hond een spuitje geeft, Gareths getob over zijn huwelijk, zijn toekomstplannen, vooruitwijzingen naar naderend noodlot. Op het eerste gezicht lijkt niet alles altijd even relevant.
Bovendien zijn er veel perspectiefwisselingen: in nauwelijks 100 pagina’s kruipen we in de huid van een vijftal personages en een koe. Aanvankelijk was niet duidelijk waarom dit is: is het een modieuze gril, heeft Jones te veel literaire thrillers gelezen of is er überhaupt niet over nagedacht? Het gros van deze personages komt psychologisch nauwelijks uit de verf, maar na zorgvuldige lezing blijkt dat ook niet de bedoeling: de gedachtes en gevoelens van de verschillende personages blijken leidmotieven die de thematiek telkens op een andere manier tot uitdrukking brengen.
Het conflict tussen Gareth en Kate bevat de sleutel tot de thematiek. Gareth bedenkt dat Kate niet gemaakt is voor de boerderij. Waarom hij dat vindt blijft ongedacht. Maar wanneer Kate de geboorte van een kalf en de euthanasie op de hond overlaat aan hun dochtertje, maakt Gareths woede duidelijk dat volgens hem het boerenbestaan bestaat uit een voortdurend gedragen verantwoordelijkheid voor dood en leven; levens kunnen weliswaar niet altijd verwekt of gered worden en de dood is onvermijdelijk, maar de boer moet altijd zijn best doen om er het beste van te maken.
Dan blijkt dat zelfs een ogenschijnlijk potsierlijke passage waarin we de zielenroerselen van de verdwaalde koe krijgen voorgeschoteld, bijdraagt aan deze thematiek: ’Vogels hipten en pikten om haar heen. Ze voelde zich bekeken’. Wanneer de koe vervolgens opstaat en botten van omgekomen soortgenoten ziet, weten we opeens niet wat de koe denkt: ‘Het was niet vast te stellen of de koe aan haar eigen sterfelijkheid dacht toen ze de botten zag.’ Maar wel aan de sterfelijkheid van haar ongeboren kalf mag de lezer aanvullen, waarna de koe ‘achteloos’ en ‘zonder reden’ verder loopt. Het is aan Gareth om de boel in goede banen te leiden. Maar Gareth loopt voortdurend achter de feiten aan.
Deze onbeholpenheid zien we terug in de stijl die op zijn best ongepolijst is, maar meestal ronduit lelijk. Jones laat de werkwoordtijd binnen zinnen veranderen, maakt gebruik van heel veel witregels en op de eerste pagina krijgt de lezer meteen al een zin als deze: ‘[…] hoewel het nog vroeg is, zit er een belofte van hitte in de zon’. Vertaler Jona Hoek heeft het aangedurfd om alle vreemde woordkeuzes (een excentriek oud vrouwtje wordt door de postbode niet aangetroffen maar ‘ontdekt’), slordigheden (‘hoe ook zij, niemand heeft zoiets ooit gedaan’), onbegrijpelijke zinnen (‘Ze maken de grap dat de hond haar heeft leren lopen in plaats van zij’) en absurditeiten (‘voortdurend gegapte koekjes’) te handhaven in zijn vertaling, omdat het volgens hem bewuste keuzes zijn. Jones denkt zijn verhalen eerst helemaal uit, zet ze dan in één keer op papier, maar weegt vervolgens elk woord op een goudschaaltje om het verhaal zo beeldend mogelijk te laten zijn.
Je kunt je afvragen of hij daar helemaal in slaagt, maar hoewel die ogenschijnlijk onbeholpen taal niet altijd even plezierig is, past die wel bij een schildering van het leven op het -Welshe- platteland waarin het stedelijk-romantische perspectief (idyllische wijkplaats voor het drukke, moderne leven) geen ruimte krijgt. Het resultaat: een oorspronkelijk en knap gecomponeerd verhaal waarin alle gebeurtenissen, herinneringen en gedachtes gaan over de onlosmakelijke verbintenis tussen dood en leven- zwanger zijn van de dood in de woorden van J.C. Bloem. Maar Jones zou waarschijnlijk zeggen dat er een belofte van dood in zwangerschap zit.
Als de schaduw die verdwijnt van de Spaanse schrijver Antonio Muñoz Molina kadert in een samenwerkingsproject met Creative Europe. Uitgeverij De Geus neemt hiermee deel aan het grootschalige project Reading Europeans: Strengthening Cultural Identity through Literature. Opzet van het project is een betere verstandhouding van de gedeelde Europese identiteit. Door elkaars literatuur te lezen komen de verschillende landen dichter bij elkaar, en dat is ook nodig in een tijd dat de Europese Unie onder druk staat en kampt met grote problemen als vluchtelingenstromen en economische ongelijkheid. Eerder werden al werken uit Engeland, Tsjechië en Zweden uitgegeven.
Antonio Muñoz Molina is geen onbekende in de Spaanse literatuur. Zijn debuutroman Winter in Lissabon gooide dertig jaar geleden hoge ogen. Hij ontving verschillende prijzen en onderscheidingen en is niet meer weg te denken uit de Spaanse schrijverswereld.
Drie verhaallijnen
Met Als de schaduw die verdwijnt voegt Muñoz Molina een meesterwerk toe aan zijn al indrukwekkende oeuvre. Het is een eigenzinnig verhaal met verschillende verhaallijnen. Hij switcht moeiteloos tussen fictie, memoires en bespiegelingen. Het resultaat is een verbluffend staaltje literatuur. Het uitgangspunt voor zijn roman is de stad Lissabon. Dertig jaar nadat hij er zijn eerste roman schreef, Winter in Lissabon, keert hij er terug. Hij brengt de stad in verband met drie personen. In 1968 was het de plaats waar de moordenaar van Martin Luther King, James Earl Ray, tien dagen onderdook. In 1987 zocht hij zelf er als aankomend schrijver zijn literaire stem en vandaag reflecteert hij op de mogelijkheid om via de roman de wereld door andermans ogen te verbeelden. Muñoz Molina slaagt erin om niet alleen de vlucht, maar ook de aanleiding en de uren voor de moord op Martin Luther King zeer gedetailleerd te reconstrueren. Daarvoor maakt hij gebruik van alle mogelijke informatie die op het web te vinden is. Het hele dossier van James Earl Ray, alle getuigenverhoren en verslagen, zijn namelijk online te raadplegen.
Hij reisde niet alleen naar Lissabon, maar ook naar Memphis, naar de plaats van de moord. In Lissabon loopt hij in de voetsporen van James Earl Ray en tracht niet alleen diens doortocht in Lisssabon te reconstrueren, maar ook zijn levenswandel, zijn gedachten en gevoelens. Hij tracht de wereld te tonen door de ogen van en in het hoofd van de moordenaar op vlucht. Afwisselend met het verhaal van James Earl Ray herbeleven we ook Muñoz Molina’s zoektocht als beginnend schrijver. Hij worstelde met zijn job als stadsambtenaar, gaf zich vaak over aan alcohol en seks en ontliep de verantwoordelijkheden voor zijn jonge gezin.
Geschiedenis herleeft
In het Lissabon van 1987 was hij enkele dagen vrij en leefde er op los. Vandaag denkt hij daar mijmerend, maar ook met enig schaamtegevoel aan terug. Hij is zeker niet trots op zijn vroegere gedrag, waarin hij zich vergeleek met andere grote schrijvers en alcoholici als Faulkner en Duras. Toch was die periode ook van primordiaal belang voor zijn ontwikkeling tot de schrijver die hij nu is. Deze twee verhaallijnen worden afgewisseld met mijmeringen en bespiegelingen over het schrijverschap en de moeilijkheden om deze roman te schrijven. Want hoe kun je weten wat er in andermans hoofd rondspookt? Muñoz Molina slaagt wonderwel in dat huzarenstukje en lijkt ook parallellen te kunnen trekken tussen de voortvluchtige misdadiger en zijn eigen vlucht als jonge kunstenaar. Op het einde van het boek doet hij een ultieme poging om in het hoofd van Martin Luther King te kruipen. Ook daar komt hij goed mee weg. De lezer krijgt een inkijk in de laatste uren van de vredesactivist en die lijken helemaal niet zo spectaculair als men zou denken. Muñoz Molina schetst Martin Luther King als een mens met zijn eigen gevoelens en gedachten, zijn eigen grote, maar ook kleine kantjes. Kortom, een mens als ieder ander.
Zinderende stijl
Het gemak waarmee Muñoz Molina door de tijd springt en de verschillende verhaallijnen laat afwisselen, bewijst zijn grote vakmanschap. Nooit moet de lezer nadenken in welk verhaal hij zich nu bevindt. De zinnen die de schrijver uit zijn pen tovert zijn voorbeelden van extreme virtuositeit. Hoewel er geen enkele dialoog voorkomt in de hele roman, spat de dynamiek van de bladzijden. Zijn beschrijvingen zijn schoolvoorbeelden van hoe echte literatuur er uit moet zien. Ze doen vaak filmisch aan, als in oude zwart-wit films. De lezer moet ermee aan de slag en zal niet nalaten sommige zinnen te herlezen om de juiste intentie, de ware toedracht zeker mee te krijgen. Het resultaat is een fascinerend zelfportret, een inkijk in de hoofden van moordenaar en vermoorde en een fantastische reflectie op het schrijverschap.
Het kon natuurlijk niet uitblijven dat met de toenemende vergrijzing ook het verschijnsel dementie zijn intrede in de literatuur zou doen. In een prachtig gedicht bracht Vasalis dit onthutsende fenomeen in een van haar nagelaten gedichten al eens onder woorden:
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder, bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed. (…..)
Bernlefs Hersenschimmen is een monument dat voor heel veel mensen de ogen opende voor wat dementie inhoudt, hoe de ziekte ingrijpt op geheugen en het talige vermogen, een roman die waarschijnlijk door heel verplegend Nederland is gelezen. Veel later voegt Erwin Mortier met zijn Gestameld liedboek er nog een juweel aan toe.
Ook Kleine helden zijn wij van Stijn van der Loo, staat in zekere zin in deze traditie.
Teloorgang. Dat is de rode draad van Van der Loo’s nieuwste roman. Een lief moedertje dat wegzinkt in haar steeds verder afnemende vermogen om de wereld met haar taal de baas te blijven; haar zoon de hoofdpersoon, die worstelt met een mislukt huwelijk, met een karig bestaan als journalist zzp-er, synoniem voor de teloorgang van de klassieke journalistiek, een generatie vijftigers die uitgerangeerd is. Ook de gezondheid van de hoofdpersoon Smolder, een niet meer al te montere vijftiger, laat te wensen over.
Dat verval staat voor de verteller niet op zichzelf: de hele samenleving gaat naar de verdoemenis: ‘Wij zijn een maatschappij zonder moraal geworden.’ Dat wordt geïllustreerd aan de hand van een stukje familiegeschiedenis van de ik. Zijn grootvader blijkt namelijk aan de wieg te hebben gestaan van de DELA. Dat stond voor Draagt Elkanders Lasten. ‘Wat is er eigenlijk van ons mooie familiebedrijf geworden? Wie heeft het zich toegeëigend, dat onzelfzuchtige en hooggestemde ideaal? Wie is er zijn miljoenen mee gaan verdienen?’
Als kers op de taart worstelt Van der Loo ook nog met zijn rol als man in deze veranderende wereld. De scènes die hij daaraan wijdt, doen denken aan Ettore Scola’s La Terrazza, een bitter-zoete komedie over mannen van middelbare leeftijd die hun plaats in de samenleving aan het verliezen zijn. ‘Wij mannen houden ons nu eenmaal staande met heldenpraat. De held zijn is het enige waartoe we uitgerust zijn. En bij gebrek daaraan: heldenpraat.’ Kortom aan leed geen gebrek in Kleine helden zijn wij.
Toch gaat de roman er niet onder gebukt. De taal is luchtig. Van der Loo kan schrijven. Als je van savoir-vivre een literaire versie wilt dan heb je savoir-écrire en dat is de geest die de roman ademt. Een air van nonchalance is savoir-vivre echter ook niet vreemd en daarvan zijn er helaas een paar voorbeelden te vinden in Kleine helden zijn wij. Zo laat de verteller Eindhoven op 18 september 1944 bevrijden door de Canadezen, terwijl dat toch echt de Amerikanen en de Britten waren. Boeken die weg kunnen, gaan in kratten naar Marktplaats: alleen zo werkt Marktplaats niet. Maar dat terzijde. Op pagina 158 staat een merkwaardige tikfout, die literair niet te verklaren is: ‘me3333disch’. Die had de redacteur, die in een nawoord nog wordt bedankt, er toch wel uit kunnen halen?
Overheersend is toch wel het zeer onderhoudende karakter van de roman. En als het gaat om de verzorging van zijn dementerende moeder spaart de hoofdpersoon zichzelf niet. Het is niet makkelijk om als kind geconfronteerd te worden met de reële manifestaties van de dementie van je moeder of vader, zoals bijvoorbeeld incontinentie. Voor een bruine vlek in de pantalon van zijn moeder vlucht hij liever weg; de zich steeds meer aan hem en zijn moeder opdringende noodzaak van overplaatsing naar een verpleeginrichting schuift hij liever voor zich uit. Daarin wordt hij aanvankelijk bevestigd door de contacten met de private ouderenzorg die in ouderen zoals zijn moeder verdienmodellen ziet, hoe goed ze ook zeggen te willen zorgen voor de cliënten. Capaciteitsproblemen op andere plaatsen waar één verpleger de verantwoordelijkheid heeft over negen ouderen, schrikt ook af.
Vooral door aandringen van zijn realistischer zus kan Smolder tenslotte ook niet langer om de feiten heen. Zij woont ook dichterbij en heeft meer contact met hun beider moeder. Smolder die in Amsterdam woont, heeft vooral telefonisch contact, al reist hij vaak genoeg op en neer naar Brabant waar zijn moeder woont. Met zijn zus treft hij voorbereidingen om moeder over te plaatsen naar een plek waar ze constante verzorging heeft. Voor de verpleegkundigen die haar nog elke dag verzorgen, eindigt de werkdag om vijf uur. Na vijven zwerft moeder weer door de omgeving, vaak schaars gekleed en verkleumd op zoek naar gezelschap.
In de laatste weken van zijn moeders leven, als de scheiding van zijn ex ook juridisch is bekrachtigd, herpakt Smolder zich: Hij zorgt voor zijn moeder en schrikt ook niet meer terug voor al het vieze werk dat hem in de schoot geworpen wordt : ‘Ik heb het oersterke en primitieve gevoel daadwerkelijk voor iemand te zorgen, voor moeder, voor míjn moeder, voor het eerst eigenlijk. Ik voel me nodig, nuttig en op mijn plaats.’
Schokland – de veelzeggende titel slaat niet op het voormalige eiland, maar op de gelijknamig kop-rompboerderij in het Groningerland – die te lijden heeft van de gevolgen van gasboringen. Op de boerderij woont Zwier Koridon met zijn dochter Femke en kleindochter Trijn. Femke’s zoon Jort, die dode vogels prepareerde en opzette, is overleden.
Even verderop staat de boerderij ‘Wijde Wereld’, voor Trijn ‘het bewijs dat er meer bestond dan het onvermijdelijke boerenbestaan’. Een zin die de basis vormt voor de weg die Trijn zal gaan. Op boerderij ‘Wijde Wereld’ woont Fokko, de dorpsgek met een misvormde rechterhand. Trijn ontmoet Harm en raakt verliefd op hem. Samen krijgen ze een dochtertje, Femke, maar Trijn verlaat Harm, die losse handjes heeft en keert met de baby terug naar Schokland. Waar Trijn geen plezier in had – het werken op de boerderij – blijkt haar dochter Femke later wel graag te doen, daarbij geholpen door Brian, ‘een jongen met een rugzakje’.
De grote beving Haast terloops wordt vermeld dat ‘na de grote beving van vijf jaar geleden’ de keuken en de bijkeuken ‘te gevaarlijk zijn geworden om te betreden’ en er in de woonkamer, ‘het hoofdkwartier’, moet worden gekookt en later steeds meer wordt geleefd.
Trijn staat voor modernisering van het boerenbedrijf, haar dochter Femke wil een andere weg inslaan. Onder invloed van Daniëlle, waar ze verliefd op wordt, en die enkele boerderijen verderop woont wil ze biologisch boeren. In die zin is de titel van de roman ook dubbelzinnig: de seksuele ‘uitbarstingen’ tussen de twee worden beschreven als ‘schok na schok na schok’.
Over dergelijke zaken, biologisch boeren en homoseksualiteit, kan letterlijk en figuurlijk niet gesproken worden: ‘het vroegere hart van hun bedrijf en van hun dagelijks leven is tot verboden gebied verklaard, omdat instorting dreigt’.
Tijdens een inspectie van wat Goldschmidt ‘de fakkelaars’ noemt, waren de scheuren in de muren echter niet het gevolg van de krachtige beving, maar van achterstallig onderhoud. Uiteindelijk wordt ‘Wijde Wereld’ afgebroken, terwijl Fokko, de dorpsgek, wordt uitgekocht. Hij vindt tijdelijk onderdak op ‘Schokland’, waar het verval verder gaat en een grote scheur in de stalmuur ontstaat. Alle ellende wordt dan als een snoer aaneengeregen. Actie
Fokko onderneemt een eenmansactie die de streek wakker schudt, en voor even, ook de pers. Uit protest draagt hij een muts waarop Trijn, in de voetsporen van de overleden Jort, een geprepareerde buizerd heeft bevestigd. De actievoerders die zich bij hem aansluiten, ook veelal getooid met dergelijke mutsen, komen op de televisie in een late night show, maar gaan roemloos ten onder nadat erop is gewezen dat het opzetten van vogels illegaal is en zij dus zouden kunnen worden vervolgd. Bovendien is de komkommertijd voorbij. De opsporingsambtenaar van de Voedsel- en Warenautoriteit heeft echter zijn hart op de goede plaats en laat Trijn niet vervolgen.
De grote beving, waar iedereen voor vreesde, vindt plaats. Zwier breekt zijn been en in het verpleeghuis waar hij belandt wordt ontdekt waar Trijn al lang bang voor was: hij heeft een hartkwaal. Behalve dit, wordt een achterlijf van een vaarskalf verbrijzeld, zakt de krachtvoersilo scheef en kletteren even later de roosters met koeien en al de mestkelder in. Niet lang hierna sterft Zwier. Daniëlle geeft Femke, die ondertussen met haar heeft gebroken, een hondje tot troost. En als klap op de vuurpijl voert Fokko een onzalig plan uit en laat daarbij het leven. Maar de ongetrouwde ambtenaar van de Voedsel- en Warenautoriteit raakt verliefd op Trijn en zij bloeit op. Dit is een lichtpuntje temidden van alle ellende die wordt beschreven en de periode omvat van februari 2017 tot en met januari 2018.
Verhaallijnen en thema’s
Om dit verhaal van binnenuit te kunnen beschrijven, heeft Saskia Goldschmidt enkele jaren in Groningen gewoond waar ze met bewoners heeft gesproken en meegewerkt in de stallen van een melkveehouderij.
In de roman vervlecht zij drie verhaallijnen met elkaar: die van de aardbevingen en de gevolgen daarvan, de familiegeschiedenis en de ontluikende liefde van Trijn en die tussen Daniëlle en Femke. De thema’s die hieraan ten grondslag liggen, zijn een generatieconflict tussen drie generaties Koridon; de omslag willen maken naar biologisch boeren; de zin en zinloosheid van actievoeren.
In haar roman De hormoonfabriek stelde Goldschmidt de praktijken van de farmaceutische industrie (Organon in Oss) aan de kaak. In Schokland zijn het de gaswinningsbedrijven NAM, Esso en Shell (‘de fakkelaars’) en de landelijke overheid die ze zwaar bekritiseert. De drie lijnen van het verhaal en de onderliggende thema’s worden knap met elkaar verweven. De mooie natuurbeschrijvingen zijn daarmee in samenspraak, zoals: ‘Wanneer zijn de bladeren van de bomen gewaaid, de bessen door de koperwieken van de struiken gevreten, wanneer is de kleur uit het riet getrokken en zijn de kiekendieven naar het zuiden afgereisd?’
De karakters in Schokland zijn raak getekend en worden samengevat in zinsneden als: ‘Fokke jammert – Femke staart – Trijn knijpt haar lippen samen – Zwiers wangen kleuren rood’. Een enkel personage, zoals Fokko met zijn misvormde rechterhand en in iets mindere mate stalknecht Brian, die ‘trappelt met zijn voeten en wappert met zijn handen’, roept de sfeer op van de gothic novel Reddende engel van Renate Dorrestein. Ook een roman over verschillende generaties boeren, maar dan in de Zuid-Limburgse boerderij Oldenhage.
De inspecteurs die in het verhaal rondlopen en de schade opmeten, zijn meer als stereotypen neergezet (‘de maatpakken’, Groenbril, Vlinderdas), wat hun onverschilligheid des te schrijnender maakt.
In de proloog, in twee intermezzi en de epiloog is het boek een pleidooi voor de seismologische kennis van een streek – zoals de Italiaan Giuseppe Mercalli heeft aanbevolen – en niet alleen van de schaal van Richter uitgegaan moet worden. Indirect is het ook een pleidooi voor de onderzoeken zoals die nu vanuit de Rijksuniversiteit Groningen op gang komen naar het effect van de bevingen op de mensen die er wonen.
Schokland is een goed geschreven, geloofwaardige en geëngageerde roman die prettig leest en er mag zijn.
De brieven die de romanschrijvers Simon Vestdijk en Willem Brakman elkaar schreven in de jaren zestig, zijn samengebracht in een gebonden prachtuitgave en voorzien van de pakkende titel Gaven, giften en vergiften. Een derde letterkundige in dit boek is Nol Gregoor, wederzijdse vriend van de twee hoofdfiguren. Gregoor introduceerde Brakman begin jaren vijftig bij Vestdijk thuis in Doorn. Een persoonlijke kennismaking nadat Gregoor eerst Brakmans eerste verhalen onder ogen van Vestdijk had gebracht.
Welke specifieke en merkwaardige rol deze Gregoor in de Nederlandse literatuur gespeeld heeft, komt in de inleiding van het brievenboek nauwelijks uit de verf. Samensteller Nico Keuning vermeldt over Nol Gregoor slechts: ‘rijksambtenaar, publicist en later radio-interviewer’.
In vrijwel elke brief van de twee romanschrijvers, is Gregoor het mikpunt van spot die vooral toch als vriendschapsbetuiging van beide heren moet worden opgevat. Zij stelden de belangstelling van Gregoor zeer op prijs. Bij vele schrijvers was hij kind aan huis en als biograaf legde hij een mateloze interesse aan de dag voor niet zozeer het werk, alswel voor de persoon achter dat werk. Hij was gek op handschriften en manuscripten, en leidde een kleurrijk bestaan waarover talloze anekdotes de ronde deden. Wat in Gregoor voor de twee romanciers zo boeiend was blijft in de inleiding buiten beschouwing. In de daaropvolgende brievenverzameling is Gregoor dan ook niet meer dan een schimmige figuur.
Nadat Brakman zijn debuut Een winterreis (1961) met een begeleidende brief aan Vestdijk had verstuurd , schreef Vestdijk hem terug. Dat was het begin van een langdurige correspondentie tussen Doorn en Enschede.
Vestdijk prees in zijn eerste brief het boek van Brakman die daar zeer gelukkig mee was. De beroemde Vestdijk zag hem als een evenknie. De erkenning van de man uit Doorn die Brakman zeer bewonderde, zal zeker van invloed zijn geweest op de honorering van een ongewoon verzoek van Vestdijk in die eerste brief. Kon Brakman, die bedrijfsarts was, zelf tranquillizers slikte en als student in een psychiatrisch ziekenhuis ervaring had opgedaan, hem aan medicatie helpen om zijn gemoedstoestand te verlichten? Vestdijk leed sinds zijn jeugd aan depressies waardoor hij vaak tot zijn groot verdriet wekenlang niet kon schrijven. Hij gebruikte broom, een ouderwets kalmeringsmiddel dat in de jaren vijftig, begin zestig nog werd voorgeschreven maar waar hij weinig baat bij had. Andere psychedelica waren er wel maar werden zelden verstrekt.
Evenals Brakman was Vestdijk arts. Alleen heeft Vestdijk na zijn afstuderen slechts korte tijd zijn vak uitgeoefend waarna hij voor de literatuur koos. Hooguit sprak de dokter nog in hem in de studies De zieke mens in de romanliteratuur (1964) en Het wezen van de angst (1968).
De eerste brief van Vestdijk aan Brakman dateert van 2 juli 1961. In dat jaar was Vestdijk de zestig al ruim gepasseerd en zou hij nog een decennium te leven hebben. Brakman was in de dertig en stond aan het begin van zijn schrijverscarrière. Hij werkte als bedrijfsarts, een baan die hem niet dag en nacht opeiste en een zekere ruimte gaf om te schrijven. Na zijn debuut publiceerde hij in de voetsporen van Vestdijk vele boeken waarvan de eerste boeken sterk onder diens invloed staan. Brakman toonde zich vooral gevoelig voor de schrijfstijl en humor in de Anton Wachterromans.
Delibereren over toegezonden medicijnen en becommentariëren van elkaars werk vormen de hoofdbestanddelen van de brieven. Daarnaast gaat het over dagelijkse beslommeringen en het roddelend dwepen met Gregoors liefdesaffaires die Vestdijk en Brakman zelf volgaarne aanknoopten. Diep graven de brieven niet en de breed besproken leverantie van tranquillizers wordt op z’n zachts gezegd al gauw vervelend.
Brakman schonk een productief schrijversbestaan aan Vestdijk maar of zijn belang werkelijk zo groot was als uit zijn brieven uit Doorn mag worden opgemaakt is zeer de vraag. In een kort voor zijn dood geschreven en postuum gepubliceerde getuigenis, noemde Vestdijk namen van artsen die met de perfecte medicatie zijn leven draaglijk hadden gemaakt en zijn schrijverschap hadden gered. De naam van Brakman was daar niet bij.
Deze informatie is te vinden in de inleiding op de brieven, die zoals gezegd te weinig toelichting geeft. Verder verdient zij alle lof maar die valt zeker niet aan de daaropvolgende correspondentie ten deel.
Een veel strengere selectie zou van deze brieven van Vestdijk en Brakman een onderhoudend geheel hebben gemaakt. Dan zou er een boekje uit de bus zijn gerold met een prachtige ‘petite histoire’ maar wel een dat te dun zou zijn uitgevallen. Beter nog zou een uitvoerig essay voor tijdschrift of bibliofiele uitgave zijn, bestaande uit de tekst van de inleiding en aangevuld met de mooiste brieffragmenten.
Volgens Van Dale’s woordenboek betekent de uitdrukking ‘waarvan akte: ‘Het staat genoteerd, het is vastgelegd’. Waarom het ook de titel is van de nieuwe en vijfde dichtbundel van Onno Kosters – die in 2012 de Turing Gedichtenwedstrijd won – wordt al duidelijk bij het lezen van het eerste gedicht ‘Duisternis’. Daarin wordt verwezen naar het begin van alles: de oerknal, de chaos, de bron van alle leven. Kosters legt de geschiedenis van het leven vast in hoogtepunten, van alles wat voorbij is, om het op die manier te behoeden voor de vergetelheid. Sommige gedichten in deze bundel zijn al in eerdere bundels verschenen.
Onno Koster is docent Engelse letterkunde en vertaler. Hij vertaalde onder meer werk van Seamus Heaney en Samuel Beckett. Zijn liefde voor James Joyce is ook aan te wijzen in zijn eigen werk; evenals Joyce hanteert Kosters ongebruikelijke composities en plaatst hij oude mythen in een moderne setting.
Het eerste deel begint bij de Oude Grieken met gedichten over Heracles en de beoefenaars van de klassieke Olympische sporten als discuswerpen, speerwerpen en boksen, die afgebeeld staan op vazen waarvan een foto achterin de bundel is bijgevoegd. Sporthelden – ook in de oudheid – zien hun successen graag geboekstaafd. In deze gedichten verweeft Kosters zowel archaïsch taalgebruik als moderne taal. Naast versregels als ‘Vaarwel mijn vooruitsnellende voorgangers / die ik achter mij te laten dacht’ staan woorden als ‘fotofinish’ en ‘superslomo’ in hetzelfde gedicht bijeen. Het laatste gedicht van deze afdeling is een vertaling van het gedicht ‘Darkness‘ van Byron, waarmee de cyclus van deze eerste afdeling voltooid wordt.
Gemakkelijk zijn de lange gedichten niet, al is het taalgebruik van Kosters uitnodigend helder. In één gedicht worden meerdere verhaallijnen doorgetrokken. Door de hele bundel heen lopen intertekstuele verwijzingen naar andere dichters als Donne, Dante en Dylan Thomas (‘Mijn moeder raast, raast tegen het sterven van het licht’ in ‘Hoe Heracles verdween uit Almelo’).
Het tweede deel van deze bundel verhaalt van een reis van de dichter door Italië, maar ook hier wordt de klassieke oudheid nog niet losgelaten, getuige een gedicht als ‘Aphrodite’. De terugkeer naar de hedendaagse tijd voltrekt zich pas in het derde en laatste deel.
In het bijzondere gedicht Geen dagje naar het strand, dat uit vier delen van elk zes strofen bestaat, heeft elke strofe per deel dezelfde begin- en eindregel. In het eerste deel begint elke strofe met: ‘Ik ging naar zee om de zee te zien’ in een verwijzing naar de eerste regel van het beroemde gedicht van Nijhoff De moeder de vrouw. Toch valt dit rederijkerskunstje niet als zodanig op, omdat Kosters in het gedicht klassieke stijlfiguren gebruikt in een rijmloze, strakke vorm, waardoor het geheel zich laten lezen als een oud epos. Zoals alle goede poëzie laat ook dit gedicht zich niet zo gemakkelijk in één uitleg vangen.
In het laatste deel wordt de dichter persoonlijker: het gedicht Voltooid leven beschrijft een treurig oord waar demente vrouwen hun laatste dagen slijten:
‘Mijn moeder die ik voer
als met de fles een kalfje
in de dagbesteding op -1’
Met in de versregel ‘De vrouw die eet of ze nooit at’ klinkt even een echo van Roland Holst: ‘Ik zag een vrouw die schreed alsof zij nooit zou sterven’.
Ook dode dichters als F. Starik en Seamus Heaney worden hier herdacht, evenals de vader van de dichter, aan wie een ontroerend en opmerkelijk eenvoudig gedicht gewijd is. Maar het hoogtepunt van de bundel wordt toch bereikt in de serie van vijf gedichten die samen ‘Et in Arcadia ego’ vormen, waarin de dichter teruggaat naar zijn idyllische kindertijd op het platteland in de Achterhoek: ‘een jongen van acht uit een dorp in het Gooi / die mocht wat niet mocht waar hij was.’ Hier herinnert hij zich de oogsttijd, de gang naar de melkfabriek, het uitmesten van de varkensstallen, maar bovenal de vriend met wie hij de streektaal sprak:
‘In het Barlose spreek ik de taal
waarin ik niet werd geboren:
die mijn eerste tweede werd
[…]
Vijftig jaar later of er niets is gepasseerd
spreek ik de vorm van de taal nog van daar:
[…]
geaard waar ik niet werd gepoot – hij wel
die ik, met mijn vloeiend Achterhoeks
ben kwijtgeraakt’
Als dit een eerbetoon aan Seamus Heaney is, die volgens Arjan Peters (Volkskrant 12 oktober) ‘zo graag over de varkenstroggen en rapensnijders uit zijn Ierse jeugd dichtte’, dan is het laatste gedicht uit eerbied voor John Donne geschreven. Kosters vertelt achterin de bundel bij de verantwoording dat Donne het gedicht ‘Good-Friday, 1613, Riding Westward’ schreef, terwijl zijn hart naar het oosten trok. Kosters daarentegen vertrekt in tegenovergestelde richting, getuige zijn gedicht ‘Goede vrijdag, naar het oosten’, terwijl ook zijn eigen hart de andere kant opgaat:’
‘naar het oosten terwijl mijn gedachten
voeren naar het westen waar het wacht
de zonsondergang die mijn nu al zo lang
doffer en doffer wordende moeder ontsnapt
die in zichzelf een immer zwarter zwart verpakt
dat niemand vat. De nacht die valt
was er altijd al.’
Het is slechts schijn dat deze gedichten glashelder lijken: niet voor niets doemt de duisternis op in bijna elk gedicht. Ook in Waarvan akte is de duisternis dreigend en onontkoombaar. Alles wat voorbijgaat, is vastgelegd in deze evenwichtige, zorgvuldig samengestelde bundel. Het zijn geen gedichten die zich gemakkelijk prijsgeven, maar wie aandachtig en geconcentreerd leest, wordt beloond met het beste wat de dichter te bieden heeft.
‘Ik keer het oosten de rug toe door erheen te gaan.
Als dit is wat ik achterlaat, dan is het welgedaan.’
Dit jaar werd de Nobelprijs voor Literatuur niet uitgereikt. Als alternatief werd een respectabele prijs in het leven geroepen: the New Academy Prize for Literature (Alternatieve Nobelprijs voor Literatuur). Deze prijs werd toegekend aan de Afro-Caribische Maryse Condé, geboren op Guadeloupe in 1937. Condé is een weldaad voor de Cariben én de rest van de wereld. Zij beantwoordt als geen ander uit de archipel aan de eisen die aan hedendaagse auteurs gesteld kunnen worden: ze schept personages met wie lezers zich wereldwijd kunnen identificeren om hun menselijk handelen, denken en voelen. Die personages zijn grillig, ontembaar en overschrijden steevast etnische grenzen. Condé rukt zich in haar literatuur los van voorgebakken groepsidentiteit. Zij weet overtuigend de veelzijdigheid van ervaringen en van nieuwe identificatiemogelijkheden onder woorden te brengen. Het gelauwerde werk van Maryse Condé vormt zodoende een scherpe kritiek op voormalige en hedendaagse zwarte-identiteitsbewegingen.
Nuancering
Vanaf haar eerste roman Hérémakhonon (1976) heeft Condé systematisch ingehakt op het ongenuanceerde verheerlijken van de zwarte etniciteit. In het verlengde ligt het geselen van het evenzo ongenuanceerd aanscherpen van wrok tegen alles wat westers en blank is. Zij ondermijnt krachtig de etnisch gekleurde ‘zwarte eenheid’ die is gebaseerd op een ellendig verleden en op verbittering. De Afro-Caribische banden met Afrika worden door Condé scherp geproblematiseerd in haar eerste roman en in de roman Une saison à Rihata (1981). ‘Ik heb me vergist, vergist van voorouders. Ik heb mijn heil daar gezocht waar het niet te vinden was,’ concludeert de hoofdpersoon in Hérémakhonon: een eenheid op etnische basis is een illusie. Van de ellende in je verleden is niet het geluk in je toekomst te maken.
In Moi, Tituba, sorcière (1986) worden aspecten van de westerse, in het bijzonder joodse beschaving, in een alleszins gunstig licht geplaatst en tegenover gerechtvaardigde kritiek op weer andere aspecten. Enerzijds worden mensenrechten door dik en dun verdedigd, anderzijds is er intolerantie en discriminatie. Condé’s bestseller, de dubbeldikke roman Ségou (1984/1985), onderspoelt het door literaire en wetenschappelijke stereotyperingen dichtgegroeide beeld van de slavernij. Zij realiseert dit door in detail de invloed van het Arabische expansionisme en van de Afrikaanse collaboratie bij de slavenhandel – plundering, verkrachting, verkoop, terreur, opstanden en wat dies meer zij – te beschrijven. Zodoende vervreemdt Condé haar lezers van het vertrouwde en maakt ze vertrouwd met het vreemde.
Vergissing
In Traversée de la mangrove, uit 1989, wordt het Afro-Caribische nationalistische denken en het gebrek aan tolerantie en inlevingsvermogen onder de scherp geslepen loep gelegd en verschroeid. Of, zoals dat in de Nederlandse vertaling Tocht door de mangrove (1991) heet: ‘Net als jullie was ik er heel lang van overtuigd dat je nationalistisch moest eten, nationalistisch moest drinken en nationalistisch moest naaien! Ik verdeelde de wereld in twee kampen: wij en de klootzakken! Nu heb ik ontdekt dat dat een vergissing is. Een vergissing!’ De hoofdpersoon Francis Sancher – met een praktisch onontwarbare Europese, Latijns-Amerikaanse en Caribische achtergrond – bezit ‘meer menselijkheid en geestelijke rijkdom dan al onze creoolse praatjesmakers bij elkaar.’
Condé verliest vanzelfsprekend de rampzalige processen in het verleden en heden niet uit het oog: de middle passage, de slavernij, de contractarbeid, de martelingen onder de handen van koloniale overheersers en wat al niet meer. Ze begaat echter niet de fout alle blanken uit het verleden schuldig te verklaren en die van het heden en de toekomst op de koop toe.
Wat van evenredig groot, zo niet van groter belang is, begaat zij niet de fout om alle AfroCaribische mensen uit het verleden tot willoze slachtoffers of zondeloze martelaars van een systeem te maken en daarmee die van het heden en de toekomst over een kam te scheren. Bij Condé zijn intriges, haat, begrip, liefde, lafheid, vooroordelen, veroordelingen, moed, afgunst en al het ander aan menselijke eigenschappen geen selectief etnisch gebonden grootheden maar aspecten van complexe mensen en hun complexe samenlevingsvormen.
Het valse leven
De complexiteit van het menselijk handelen heeft Condé evenzo meeslepend in beeld gebracht in La vie scélérate (1987), waarvan onder de titel Het valse leven (1993) een Nederlandse vertaling is verschenen. Deze roman is een koestering van de Cariben en zijn mensen door de acceptatie van alle mogelijke eigenaardigheden, extremiteiten en groteske aangelegenheden – als vanzelfsprekend opnieuw ongeacht de etnische achtergrond. Het valse leven heeft een indrukwekkende reikwijdte en diepgang door de beschrijving van vier generaties, hun sociale mobiliteit, hun geografische spreiding, hun zeer uiteenlopende en veelvuldig tegenstrijdige aspiraties, hun onderlinge relaties en hun banden met derden, en een schier eindeloze reeks aan dikwijls zeer weerbarstige menselijke kenmerken.
We krijgen het Caribische samenleven voorgeschoteld in een speurtocht van Coco naar de geschiedenis van haar familie. Coco, geboren in 1960, behoort tot de jongste generatie van deze familie. Die speurtocht gaat met meer of minder bereidwillige hulp van familieleden terug tot aan haar in 1948 overleden overgrootvader Albert Louis. Albert zwoer ooit als jongen van twaalf, dat hij niet zou leven en sterven op de suikerrietplantages zoals zijn vader. Het oudste, tastbare levensteken dat Coco van Albert aantreft, is een door hem ondertekend contract van ‘dinsdag 14 maart 1904’ om twee jaar mee te werken aan het graven van het Panamakanaal. Met de ontberingen van Albert,zijn overlevingsstrategieën, idealen, teleurstellingen en succesvolle ondernemingen wordt de roman op de rails gezet en begint een meeslepende tocht door de twintigste eeuw en naar uiteenlopende delen van de Cariben, elders in de Nieuwe Wereld en in Europa.
Vooral door haar grootvader Jacob, een van Alberts zonen met een niet minder intrigerende levensloop dan zijn vader, besluit Coco uiteindelijk dat verleden op schrift te stellen, feitelijk dus de roman.
‘Het zou het verhaal worden van heel gewone mensen, die een heel gewoon leven leidden, maar ondertussen wel bloed aan hun handen hadden. (…) Dat verhaal moest ik vertellen, het zou mijn eigen monument voor onze doden worden. Een heel ander boek dan de ambitieuze boeken waarvan mijn moeder had gedroomd, Zwarte revolutionaire bewegingen en meer van dat soort dingen. Een boek zonder grote beulen of roemrijke martelaars. Maar dat toch zijn gewicht aan mensenlevens in de schaal zou leggen. Het verhaal van mijn familie.’ Het verhaal van families zoals er talloos vele zijn, wereldwijd.
Mangrove
Met het te boek stellen van de geschiedenis van haar familie wordt door Coco geen enkele poging ondernomen om het heden tot Afrikaanse ‘roots’ te herleiden. De geschiedenis van de Caribische mensen heeft meer overeenkomsten met het onontwarbare wortelstelsel van mangroven. Coco leert dit te accepteren, inclusief de grillige en soms uitgesproken weerzinwekkende vertakkingen in het modderige verleden. Het moet dan ook niemand meer verbazen dat de rol van zowel AfroCaribische mensen als blanken in Het valse leven door Maryse Condé aanzienlijk genuanceerder wordt opgetekend dan we in teksten tegenkomen die door zwart identitair gedachtegoed zijn gevoed, zoals de historische Négritude, Black Power-beweging en het Rastafarianisme of zoals de hedendaagse roep om safe spaces. om het vertrek van de zwarte Zwarte Piet en het felle dekoloniseringsdebat. Met deze roman geeft Condé aan Coco, haar familie en zodoende eenieder in de Cariben én daarbuiten een stem die onverbloemd en zonder afkeuren verwoordt wat dat verleden behelst aan identificatiepunten. Die zijn zowel in als buiten de eigen regio te vinden, binnen en buiten de eigen etnische groep. Voor een benauwd nationalisme met uitgesproken etnische contouren – van welke ‘kleur’ dan ook – heeft Condé geen enkele plaats ingeruimd. Ze zou erop blijven hameren, steeds weer verrassend uitdagend verpakt. Dit maakt haar werk tot wereldliteratuur en een zegenrijk geschenk voor ieder om tot zich te nemen.
Met haar oeuvre heeft Condé een overweldigende bijdrage geleverd aan het doorgronden van wie wij als mens zijn. Ze deed dit met overtuigende kracht, met gepaste pretenties en vertrouwd met onvermijdelijke beperkingen. ‘Er ligt nog zoveel terrein braak,’ zoals Jacob opmerkt, ‘Vol brandnetels, guineagra en manzelsmarie die naar je kuiten klauwen.’
Het verleden laat zich ook niet voor eens en altijd vastleggen en eenduidig interpreteren. Dat hoeft ook niet en moet ook niet gewild worden. Dit voorkomt het slaafse buigen voor versteende voorstellingen van het verleden en laat meer ruimte voor een creatieve invulling van de toekomst – een toekomst zonder etnische enclaves.
NOOT: Een tiental van Maryse Condé’s romans werd in vertaling uitgegeven bij ‘In de Knipscheer’.
In november zal er van Condé’s succesvolste boeken Ségou: De aarden wallen (1984) en Ségou: De verkruimelde aarde (1985) een herdruk verschijnen bij ‘In de Knipscheer’.
foto Marijke Schweitz
dr. Aart G. Broek (1954) is letterkundige en sociaalwetenschapper. Hij werkte langdurig op Curaçao en publiceert over sociaal-culturele, literaire en historische onderwerpen betreffende de Caraïben. Een verzameling van zijn essays zijn bij In de Knipscheer uitgegeven onder de titel Het zilt van de passaten; Caribische literatuur in de twintigste eeuw.
Herfst: de bladeren verkleuren. ‘Het wonder duurt niet langer dan een paar dagen, dan wordt het blad bruin, verwelkt en valt af. Maar eerst doorloopt het het volledige spectrum van donkergroen via lichtgroen, geel en oranje naar vuurrood en donkerrood, en dit vlammende kleurspektakel trekt vanuit het noorden over het hele land.’ Het is een herinnering van Gilbert Silvester, hoofdpersoon in De pijnboomeilanden van de Duitse schrijfster en dichteres Marion Poschmann (1969). Gilbert denkt terug aan de tijd dat hij in de VS werkte en zijn vrouw Mathilda hem kwam opzoeken. Om bij hem in de buurt te zijn, maar ook om het blad te zien verkleuren. Nu bevindt Gilbert zich echter aan de andere kant van de wereld, in Japan, juist om afstand te nemen van zijn vrouw.
In de voetsporen van Bashō Gilbert Silvester is wetenschapper, maar het ontbreekt hem aan de kwaliteiten om te excelleren in zijn vak. ‘Terwijl anderen het zich gemakkelijk maakten met hun eigen huizen, gezinnen en dagelijkse sleur, zag hij zichzelf genoodzaakt om idiote en matig betaalde klussen te doen, hem opgedragen door mensen die hij uit de grond van zijn hart verachtte.’ Zijn onderwerp van studie is de baard en de uitbeelding daarvan in films.
Studie is echter niet de aanleiding om naar Japan te gaan. Hij heeft gedroomd dat Mathilda hem bedriegt en kan dat idee niet meer uit zijn hoofd krijgen. Zonder zijn vrouw iets te laten weten neemt hij daarom het vliegtuig naar Tokio. Aangekomen in Japan koopt hij een aantal klassieke boeken in vertaling waaronder het reisdagboek van de zeventiende-eeuwse dichter Bashō. In navolging van de dichter besluit hij een tocht naar het noorden te maken, naar de baai met de pijnboomeilanden bij Matsushima.
Onderweg komt hij de student Yosa Tamagotchi tegen. De angst om zijn tentamens niet te halen drijft Yosa ertoe een eind aan zijn leven te willen maken. Alsof Yosa zijn virtuele huisdier is, ontfermt Gilbert zich over hem en probeert hij hem in leven te houden. Hun tocht brengt hen niet alleen naar de plekken die Bashō aandeed, maar ook naar locaties die Yosa heeft uitgekozen voor zijn doel zoals het zelfmoordbos van Aokigahara of de krater van de Mihara-vulkaan. Bij elke nieuwe plek die ze aandoen probeert Gilbert Yosa ervan te overtuigen dat er een betere, waardiger plek is om zich van het leven te beroven.
Binnenland Het lijkt wellicht alsof De pijnboomeilanden een zwaarmoedig verhaal is, maar niets is minder waar. Poschmann schrijft met humor, bijvoorbeeld wanneer Gilbert in een brief aan zijn vrouw schrijft dat ze ook naar de door Yosa gekozen plekken gaan: ‘Helaas liggen deze plaatsen niet op de Bashō-route, ze liggen juist in tegenovergestelde richting, maar nog wel in de omgeving van Tokio, wat eens te meer aantoont dat het bij dit soort suïcidehypes niet bepaald om iets vernieuwends gaat, maar dat men zich domweg de bekende toeristische trekpleisters toe-eigent.’
In het algemeen weet Poschmann haar roman aangename lichtheid te geven, zonder het oppervlakkig te laten zijn. De pijnboomeilanden heeft veel weg van de omschrijving die Gilbert geeft van zogenaamde theelanden. ‘In koffielanden lagen de dingen aan de oppervlakte. In theelanden speelde alles zich af onder een sluier van mystiek.’ Poschmann geeft subtiele beschrijvingen, met veel aandacht voor natuur, waarachter je bij iedere volgende lezing meer betekenis ontwaart.
Het reisdagboek van Bashō is vertaald onder de titel De smalle weg naar het verre noorden maar ook als De smalle weg naar het binnenland– waarbij ‘binnenland’ ook overdrachtelijk moet worden begrepen. Aan het begin stond Bashō, zoals hij het zelf noemde, op een tweesprong van illusies. De reis van Gilbert is in alles een echo van de tocht van de Japanse dichter. En net als bij de dichter begon zijn tocht met een illusie.
Gaat het bij reizen in Europese stijl vaak om het kunnen afvinken van zo veel mogelijk highlights, in deze reis gaat het om een innerlijke ontwikkeling. Wanneer hij in Matsushima aankomt ziet Gilbert het groen van de pijnbomen. En niet alleen dat. Ook de Japanse esdoorn krijgt een karmijnrode kleur.
Tyfoon is het romandebuut van Rob Verschuren (1953) die eerder de verhalenbundel Stromen die de zee niet vinden publiceerde. Het is het verhaal van drie jonge mensen: Duc, Vinh en Mai die wonen in een niet bij naam genoemd Zuidoost-Aziatisch land. In hun omgeving wordt gespeculeerd wie van de twee jongens later met Mai zal trouwen. Uiteindelijk vertrekt Vinh als hij net volwassen is naar het noorden van het land om zich bij de communistische rebellen aan te sluiten die de monarchie omver willen werpen. Duc en Mai blijven achter in de plaats van hun jeugd. Duc voorziet in zijn onderhoud met het plukken van vogelnestjes op de naburige eilanden. Waar Vinh een belangrijk man onder de zegevierende rebellen wordt, zoekt Duc andere manieren om een zinvolle invulling aan zijn leven te geven. Hij voelt zich verbonden met de spirituele tradities van de regio en ontwikkelt zich tot een zwijgzame man die enig ontzag oproept bij de mensen in de visserwijk waar hij en Mai wonen.
Kosmopolitisch
Verschuren komt met een eigen geluid. Het is moeilijk hem te situeren in het Nederlandse literaire landschap. Hij woont al decennia in het buitenland, de laatste jaren in Vietnam, en dat is te merken in de thematiek van deze dunne roman. Tyfoon past niet bij een nationale traditie van calvinistisch spruitjesproza en misschien ook niet bij de tijdgeest in Nederland (en elders in Europa), waar nog maar weinig belangstelling lijkt te zijn voor wat er buiten de landsgrenzen gebeurt. Mensen met vooral liefde voor het eigene zullen niet geboeid zijn door deze roman. Maar dat ligt meer aan hen dan aan het boek, dat wonderlijk is in de positieve zin van het woord.
Mengeling van sprookje en realiteit
Tyfoon is een mengeling van sprookje en realiteit. Het verhaal is een vertelling, misschien meer dan een roman. Dat is de kracht en de zwakte van dit boek. De kracht omdat het vertelde afwijkt van de literaire norm in Nederland, zich er in positieve zin van onderscheidt, juist doordat Verschuren zich niet bezighoudt met de geijkte verhalen in de Nederlandse literatuur over tuttig overspel, sores in een Vinex-wijk of over de verwerking van een beklemmende protestantse jeugd. Niet dat zulke boeken geen bestaansrecht zouden hebben, maar het is prettig als een Nederlandse schrijver eens wat verder kijkt dan de polder.
Maar er zit ook een zwakte in deze vertelling. De personages lijken soms meer typen dan psychologisch uitgewerkte personen.
Dit is geen boek waar een lezer snel ontroerd door zal raken omdat door de gekozen vorm niet per se empathie wordt opgewekt.
Het is een soort sprookje, dat echter niet in een ver verleden is gesitueerd, maar in de bijna-realiteit van het heden of het recente verleden. In het verhaal wordt de monarchie, een sprookjesachtig restant dat naar ‘vroeger’ en tradities verwijst, verdreven door het communisme dat het oude ongelijkheidsbeginsel wil vervangen door eenheidshap. Verschuren laat zien dat beide maatschappijvormen mensen kunnen beknellen. Maar uit zijn beschrijving spreekt een voorkeur voor de oude cultuur die wordt weggevaagd. Hij laat zien wat er kan gebeuren als idealisme zich vermengt met de realiteit, wat er kan gebeuren als ‘historisch materialisme’ belangrijker is dan de menselijke maat.
In zekere zin is Vinh door zijn politieke keuzes ontmenselijkt, wat blijkt uit de volgende passage: ‘Vinh was niet langer de idealistische dromer van vroeger. Hij was begonnen zijn dromen waar te maken. Het maakte zijn mond hard, zijn blik, die eens de wereld en alles erin met woeste gretigheid had opgenomen, berekenend en behoedzaam.’ (72) Dit is een psychologische uitdieping die Tyfoon niet overal kenmerkt. Maar Verschuren heeft er waarschijnlijk bewust voor gekozen dergelijke uitdiepingen beperkt te houden. Het is geen psychologische roman, waarin je de harten van de personages voelt kloppen, hun geest voelt bruisen of ontsporen, maar dus eerder een vertelling die aansluit bij de traditie, bij exotische vertelcultuur.
Stijl
Een sterk punt van Tyfoon moet zeker vermeld worden: de stijl. Arnon Grunberg keerde zich ooit tegen een te nadrukkelijke stijl. Volgens hem is goed proza dat proza waarvan het lijkt dat iedereen het zou kunnen schrijven, dat niet toont dat de schrijver iets moois of geleerds heeft willen bijdragen. Hier lijkt Grunberg zijn eigen literaire praktijk tot norm te verheffen. Bij zijn eigen thematieken past zijn stijl goed, maar het is de vraag of dit advies leidraad zou moeten zijn voor andere schrijvers. Misschien leidt de keuze voor een sobere stijl bij andere (mindere) schrijvers dan Grunberg wel tot saai gestandaardiseerd ‘literaire workshop’-proza zonder persoonlijkheid.
Persoonlijkheid zit wel in de stijl van Verschuren. Neem een passage als deze: ‘Ze keken omhoog naar de woestenij van rotsblokken, de dwergachtige, kromme bomen die zich in de spleten vastklampten, de verpletterende chaos die uit de hemel op hen neer leek te vallen. De branding kabbelde als een dompteur die sussende woorden spreekt tegen een grauwende tijger.’ (21). Dit is proza dat de aandacht op zichzelf vestigt en dat door Grunberg bekritiseerd zal worden omdat er stilistische ambitie uit spreekt. Een heel boek met dergelijke taal zal de lezer mogelijk vermoeien, maar Verschuren doseert goed. Mario Vargas Llosa meent dat stijl vooral een gevoel van noodzakelijkheid moet oproepen zodat de lezer ‘ervan overtuigd raakt dat het verhaal alleen op die manier, met die woorden en zinnen en in dat ritme verteld kon worden.’ Dat is bij Verschurens proza het geval.
Een vertelling als de zijne moet hier en daar op smaak worden gebracht, gekruid, met stijl waarmee schoonheid wordt nagestreefd en die afwijkt van bijvoorbeeld ambtelijke stukken, newspeak of gelikt marketing jargon. De linguist Steven Pinker stelt het volgende: ‘what is style, after all, but the effective use of words to engage the human mind?’
Als Verschuren zich had geconformeerd, in stijl (maar ook in thematiek en locatie) aan wat in de Nederlandse letteren gebruikelijk is, hadden we een passage als deze moeten missen: ‘Lang nadat de trein was verdwenen, konden ze hem nog horen loeien als een verre krijgshoorn die ten aanval riep, en daarna, toen alle achterblijvers waren vertrokken en ze alleen op het perron stonden in de bleke lichtplas van een lamp die zwaaide in de wind, als een langzaam uitdovend gejammer op een verlaten slagveld bij het vallen van de nacht. (53) Dit is stilistiek die iets van de lezer vraagt, omdat deze zin zijn geheimen niet meteen prijs geeft.
Het zijn in Tyfoon de stijl en de thematiek, en ook de gekozen vorm, die het gemis aan psychologische diepgang, ruimschoots compenseren.
‘Gerbrandt Adriaensz. Bredero is nog altijd beroemd, maar ook pijnlijk onbekend’, verzucht Van Stipriaan in zijn inleiding op De hartenjager, zijn dit jaar in het kader van de herdenking van Bredero’s vierhonderdste sterfdag verschenen biografie.
Over het leven van deze 17e eeuwse toneelschrijver en dichter is vrijwel niets met zekerheid bekend. Van zijn werk moeten we het hebben, en dat werk is bepaald bijzonder te noemen zowel qua omvang als kwaliteit. Gedurende zijn korte leven schreef hij dertien toneelstukken en honderden liederen en gedichten, waarvan sommige stukken in de loop der tijd een legendarische klank hebben gekregen. Wie heeft er nooit gehoord van de ‘Spaansche Brabander’ en de ‘Klucht van de koe’?
Geen schrijver in de zeventiende eeuw was zo goed in staat zich in te leven in de hartstochten en beweegredenen van gewone mensen als Bredero. Dit wordt vooral zichtbaar in zijn enorme rijkdom aan woorden en uitdrukkingen, die nog steeds gangbaar zijn in onze taal, bijvoorbeeld samenstellingen als ‘stil-swijghent’, ‘gront-leggher’ en ‘neus-wys’. Hij schildert als het ware met woorden.
Bredero en Shakespeare in woelige tijden Van Stipriaan tracht, naar eigen zeggen, via een intensieve bestudering van zijn werk zo dicht mogelijk bij de figuur Bredero te komen, niet zozeer bij de mens Bredero als wel bij de schrijver. Bij lezing van het boek lijkt dit overigens een nogal kunstmatig onderscheid. Hij vergelijkt het leven en werk van Bredero met dat van Shakespeare zonder daarbij de superieure kwaliteit van het werk van Shakespeare te betwisten. Beiden zijn van betrekkelijk eenvoudige komaf en dus sociale stijgers en beiden schreven in een tijd van hoog oplopende religieuze en politieke spanningen.
Het heeft er alle schijn van dat Van Stipriaan zich in zijn studie laat inspireren door de veel geprezen Shakespearebiografie van Stephen Greenblatt. Net als Greenblatt vult hij gaten in de overgeleverde informatie over Bredero in met uitweidingen over veronderstellingen op basis van gegevens uit zijn toneelstukken en gedichten. Zo gaat hij uitvoerig in op diens niet beantwoorde gevoelens ten aanzien van Magdalena Stockmans.
In zijn zoektocht naar Bredero toetst Van Stipriaan, als een goed historicus, diens werk aan de gangbare mores van zijn tijd. Als geen ander kan Bredero een rake schets geven van het kroegleven in de grote stad of de grove boerenlol op een plattelandskermis. Hij drijft voortdurend de spot met opgeblazen windbuilen, botte lomperikken en domme gansjes en kinkels. Zijn stukken zijn dan ook in zijn tijd razend populair.
Tegelijkertijd schrijft Bredero in een politiek gevaarlijke tijd, namelijk de tijd van het twaalfjarig bestand tijdens de Nederlandse Opstand (1609-1621). Spanningen die gedurende de oorlog nog onderhuids konden blijven, kregen nu de vrije ruimte te exploderen, culminerend in een heuse godsdienststrijd tussen rekkelijken en preciezen (ten aanzien van de interpretatie van de Bijbel), een strijd die uitmondde in een machtsstrijd tussen de aanhangers van Maurits en Van Oldenbarnevelt en uiteindelijk in 1618 in een politieke moord. In Amsterdam was de macht in handen van de precieze burgemeester Reynier Pauw, een humorloze scherpslijper. Voor kunstenaars als Bredero was het dus zaak zich op deze terreinen gedeisd te houden. Nu was Bredero geen uitgesproken religieus of politiek schrijver, maar wel ontegenzeggelijk een aanhanger van het humanistische gedachtegoed van Erasmus ten aanzien van verdraagzaamheid en individueel beleefd geloof in Christus.
Voor iedereen onverwachts komt Gerbrandt Adriaensz. Bredero op 23 augustus 1618 plotseling te overlijden, op het hoogtepunt van zijn schrijverscarrière. Over de oorzaak van zijn dood tasten wij in het duister. Van Stipriaan maakt duidelijk dat suïcide niet uitgesloten moet worden.
De Spaansche Brabander, opnieuw op de planken? Net als Shakespeare breekt Bredero met de gangbare aristotelische theateropvatting van eenheid van plaats, tijd en handeling, bijvoorbeeld in zijn meesterwerk de ‘Spaansche Brabander’. Dit zeer gelaagde stuk, dat zich op velerlei wijze laat interpreteren, verschijnt in het roerige jaar 1617, maar speelt zich veertig jaar eerder af in Amsterdam dat toen nog katholiek was. Van Stipriaan maakt duidelijk dat dit gegeven wel eens heel belangrijk zou kunnen zijn voor het duiden van de achterliggende bedoeling van het stuk en dus van de schrijver. Wordt het verleden hier gebruikt om het heden te becommentariëren? Niemand die het precies weet.
Van Stipriaan laat zien hoe het werk van Bredero in de loop der tijd door de mensen is beoordeeld en hoe het ‘sinds het eind van de negentiende eeuw meedeint op de geoliede herdenkingscultuur in Nederland’. Bredero is in sociaal-cultureel opzicht een controversieel schrijver, die zich een waar taalkunstenaar betoont in zijn beschrijving van het alledaagse leven in de kroeg, op de kermis en op straat. Daardoor is hij een perfect ijkpunt om, door de eeuwen heen, de gevoelens van de verschillende maatschappelijke lagen ten aanzien van zijn werk te toetsen. Dit zegt natuurlijk niets over de persoon Bredero, maar wel over de tijdloze kwaliteit van zijn werk en vooral over de tijd zelf. Zo zou het, gezien het tegenwoordig welig tierende populisme met zijn kenmerkende vreemdelingenfobie, een uitdaging moeten zijn voor een geëngageerd theatergezelschap om de ‘Spaansche Brabander’ weer op de rol te zetten. Om recht te doen aan Bredero is het dan wel zaak voor de regisseur zich eerst eens goed te verdiepen in het boek van René van Stipriaan, een meeslepend, maar ook professioneel uitstekend boek, dat de komende tijd zeker als standaard gaat gelden voor Brederovorsers.