Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Alles wat ik doe is opgehangen aan contradicties

    Schrijver en bedenker van de BerberBibliotheek Asis Aynan (1980) groeide op in Haarlem  en verhuisde voor zijn studie filosofie naar Amsterdam. Van huis uit was hij niet bekend met het gebruik van boeken, toch werd lezen van literatuur en schrijven van boeken iets dat hem bovenmatig op dreef bracht. Op zevenentwintigjarige leeftijd debuteerde hij met Veldslag en andere herinneringen, in 2010 verscheen Ik, Driss, (een feuilleton voor het NRC samen met Hassan Bahara) en in 2014 Gebed zonder eind. Verder schrijft hij columns (Trouw) en essays voor de papieren media en geeft hij les aan de Hogeschool in Amsterdam. Literair Nederland bezocht de schrijver in zijn bovenwoning aan een van de (korte) grachten in Amsterdam.

    Wanneer ik het huisnummer heb gevonden en de twee treden naar de voordeur heb genomen, hoor ik iemand roepen. Als ik op kijk, zie ik Asis Aynan in het open raamkozijn op de eerste verdieping. Dat hij de deur voor me zal openen. Even later klinkt een elektronische zoemer, waarna ik de deur openduw. Een lange trap voert naar een op maat gemaakt appartement. Asis Aynan maakt thee; en er is witte wijn. We lopen van de keuken door de kleine overloop naar de woonkamer. Op de grond langs de muur staan honderden boeken gestapeld, tot ruim anderhalve meter hoog. Allen met de bladerkant naar voren. Een andere muur is gevuld met boekenkasten waarin volgens een eigen systeem de titels staan opgesteld. Tijdens het gesprek staat Aynan geregeld op om een exemplaar uit de kast te halen.

    Een gesprek over het schrijven van een migrantenfeuilleton, over het begrijpen en verdwijnen van taal, het geschreven woord, boeken, bibliotheken, verhalen en waar het echte leven zich ophoudt.


    Ik, Driss
    gaat over Marokkaanse jongemannen die een droom hadden en hun familie achter zich lieten. Hoe kwamen jullie op het idee en waarom was het gesitueerd in de jaren zeventig?

    ‘Ik wil je eerst vertellen dat ik deze week op een middelbare school een lezing gaf. Ik las een stukje voor uit Ik, Driss. Ze vroegen me, ‘Waarom schrijf je daarover? (migrantenlevens Iv/dG). Ik vertelde dat mijn vader naar Nederland was gekomen omdat hij honger leed en omdat de koning van Marokko niet zo aardig was en dat mijn vader hier in een hondenbrokkenfabriek kwam te werken. Op het moment dat ik “hondenbrokkenfabriek” zeg, komt er een hond binnenlopen. Die leerlingen vonden dat geweldig, dachten dat het een act was, dat die hond naar binnen was gestuurd. Ik was helemaal van mijn a propos en dacht: ‘Van wie is die hond?’ Ik had wel opeens de aandacht van die leerlingen. En dat magische van wat er gebeurde past wel bij het boek over Driss. In de tijd die ik met Hassan Bahara aan Ik, Driss, werkte was voor mij een  magische tijd. Hij was in 2006 gedebuteerd met Een verhaal uit de stad Damsko en ik een jaar later met de verhalenbundel Veldslag, toen we elkaar ontmoetten.’

    Dan wil Aynan eerst iets over de Marokkaanse verhalenverteller Mohammed Mrabet vertellen, die met zijn roman Liefde met een lok haar is vertegenwoordigd in de BerberBibliotheek. Hij wijst naar zijn boekenkast, naar het plankje waarop de boeken van Mrabet verzameld zijn.

    ‘In 2009 heb ik Mrabet ontdekt en ik werd betoverd door zijn verhalen. Er was één personage in zijn verhalen, Driss Tafersiti en ik dacht, hoe vet zou het zijn als we dat personage naar Nederland laten emigreren. Naar het Nederland van de jaren zeventig, de tijd van de gastarbeiders. Hassan en ik hebben veel gepraat over hoe dat zou zijn: een sprookjesfiguur uit de Marokkaanse literatuur naar IJmuiden laten komen. Niet naar Kanaleneiland in Utrecht dat veel in het nieuws was omdat daar altijd wat gebeurde, maar specifiek naar IJmuiden. Dat is Nederland op zijn lelijkst maar ook weer zo dat het aantrekkelijk is. Zo is Ik, Driss ontstaan.’

    Je geeft nog steeds lezingen over het boek. Staat het op de leeslijst voor scholieren?

    ‘Nee, het staat niet op de leeslijst. Dat zou wel iets zijn. Misschien als er een nieuwe druk komt, er moet echt een nieuw boek komen. Dat zou iets voor de uitgever zijn. Maar inderdaad, het zou mooi zijn als het op de leeslijst komt.’

    Wanneer ontstond het idee om een BerberBibliotheek op te zetten?

    ‘In de tijd dat ik aan Driss werkte, leerde ik Hester Tollenaar kennen. Zij was net afgestudeerd als vertaalster. We zaten wel eens in het theatertje en dichterscafé Perdu. Dan dronken we rode wijn aan de bar en toen ontstond het idee voor een  BerberBibliotheek. We dachten aan de Russische bibliotheek van Van Oorschot en ook aan een vriend van mij (dichter Mohamed Chacha Iv/dG). Hij leeft niet meer maar staat ook in Vallende tijd, het laatste deel van de BerberBibliotheek. Chacha zette in de jaren negentig uitgeverij Izouran (wortels Iv/dG) op. Hij gaf Riffijnse boeken uit in de Riffijnse taal. Het was de taal die we thuis spraken. Toen ik voor het eerst een boek in de Riffijnse taal zag, was dat heel onwerkelijk. Ik wist niet dat je de taal van mijn ouders kon lezen (pakt een boek met glanzend donkerblauwe omslag en witte Latijnse tekens daarop uit de boekenkast en houdt het me voor). Letterlijk vertaald staat er: “Breek het taboe zodat de zon kan gaan schijnen”. Van mijn ouders heb ik meegekregen dat Berbers geen geschreven taal heeft. De taal waarmee ik ben ik opgevoed, is voor mij een orale taal. En de indoctrinatie dat het geen geschreven taal kan zijn, is zo groot, dat ik een taboe in mezelf moest doorbreken. Ik heb mezelf inmiddels aangeleerd het te kunnen lezen. Het gekke was dat ik Arabische leestekens kan lezen, dat heb ik jong geleerd in de moskee. Ik kan het lezen maar begrijp het niet. Ik begrijp de Berberse taal, maar kon het niet lezen. Daar zit voor mij mijn schrijverschap, alles wat ik doe is opgehangen aan contradicties.’


    Welk soort tegenstrijdigheden?

    ‘Ik zal je een voorval vertellen. Ik ging deze week joggen in het Westerpark. Vaak hangen boven dat park politiehelikopters, dat is heel normaal boven Amsterdam. Maar terwijl ik daar rende, vroeg ik me opeens af: “Stel je nou voor dat ze iemand zoeken met zwart haar, donker uiterlijk.” Dat ben ik, die daar nu aan het rennen is. Maar ik bedacht ook, “Gelukkig heb ik wel een hysterisch gekleurde joggingbroek aan, dat is mijn redding. Met zo’n broek zouden ze me nooit aanhouden.” Terwijl dat zo door me heen gaat, komt een politieagent op een motor naast me rijden. Hij kijkt me van opzij aan, ik kijk terug en zie hem denken “Dat is ‘m niet”. De politieagent draait om en rijdt weg. Ik was verbaasd maar begreep ook dat ik als verdacht persoon bekeken werd. Dan gebeurt daar iets, en daar ben ik in geïnteresseerd als het om verhalen of literatuur gaat.’


    Denk je dat de BerberBibliotheek van enig belang kan zijn voor migranten in Nederland?

    ‘Migreren is een vermoeiende bezigheid. Ik wil de Nederlanders niet lastig vallen met Riffijnse poëzie. Wil niet steeds uitleggen dat Berbers geen Arabieren zijn en niet per definitie moslim zijn en dat we een eigen literaire traditie kennen. Als je teveel praat over je eigen traditie, je eigen taal dan ben je al gauw een nationalist. De eerste grote romanschrijver Apuleius, ( ± 150 na Chr. Iv/dG) is een Berber. Ik vond het zo’n leuke ontdekking, dat mijn ouders niet uit een of ander gat kwamen waar alleen maar honger en oorlog heerste. In culturele zin hebben zij ook bijgedragen aan deze wereld.


    Hoe draagt het bij aan de achtergrond van migranten?

    ‘Ik was vooral geïnteresseerd in hoe ik – Hafid Bouazza noemt dit hoe ik hier kan landen – met mijn achtergrond, hier mijn weg mee kan vinden. Ik zeg niet dat Apuleius iets aan mijn achtergrond heeft bijgedragen. De koran is vele malen meer van invloed geweest op mijn leven. Dat kerkvader Augustinus, die ook een Berber was, ontdekte ik toen ik filosofie ging studeren. Daarvoor had ik nooit van hem gehoord. Ik vind dat leuke historische feiten. Het enige wat ik hoorde over onze achtergrond was: Hassan is de koning en daar moet je voor uitkijken. De islam is onze religie en God is de baas en daar moet je voor uitkijken. En dat is je vader, daar moet je ook voor uitkijken. Mijn achtergrond, daar was niet veel aan, maar er was wel veel angst. Het was de bedoeling dat de cultuur waaruit ik kom, zou verdwijnen. Zoals dat met veel culturen en talen is gebeurd in Europa.

    ‘Ik weet dat ik uit een cultuur kom die geen boeken heeft, geen taal kent die erkend wordt en op het punt van verdwijnen staat. Wat ik kon doen was naar Marokko gaan om er tegen te protesteren. Maar daar zou ik het niet lang volhouden want de koning is een dictator en ik zou binnen een dag opgepakt worden. Maar ik wilde wel mijn verantwoordelijkheid nemen. En dat is door die boeken uit te geven. En dat is door die Berber boeken uit te geven. Ik ben er trots op dat dit is gelukt, dat we dit hebben kunnen doen. Wat erbij komt is het willen verrijken van de Nederlandstalige literatuur. De BerberBibliotheek is heel positief ontvangen. Onder andere Wim Brands en Mathijs Deen hebben zich hiermee bezig gehouden. Aan media-aandacht heeft het niet ontbroken. Nu het er is, zal het zijn weg verder wel vinden. Ik ben er heel positief over.’


    Wat was het moment waardoor je bent gaan lezen en wat waren je ontdekkingen in de Nederlandse literatuur?

    ‘Mijn held uit mijn jeugd is Evert Hartman. Ik las zijn boek Gegijzeld toen ik elf was. Ik vond het fantastisch. Mijn broers namen ons mee naar de bibliotheek. We hadden een gezin met negen kinderen en als mijn oudste broers ons mee namen naar de bibliotheek, ontlastten ze mijn moeder. In de bibliotheek waren mevrouwen die het leuk vonden om je wegwijs te maken. Voor mij is literatuur begonnen als uitje met mijn broers. Kruistocht in spijkerbroek, Oosterschelde dat ben ik toen gaan lezen.


    Hoe kwam je in een huis zonder boeken in aanraking met de Berber literatuur?

    ‘Toen ik twaalf was, las ik voor het eerst Hongerjaren van Mohamed Choukri. Dat was al vertaald en verschenen bij Novib Wereldvenster. Mijn broers haalden het uit de bibliotheek. Het was een super spannend dat boek, hoeren en snoeren, honger, gekte en dan die rauwe taal. Het was een uitgebeende taal, daardoor ook makkelijk te lezen, Toen begreep ik er niet veel van maar dat boek is mijn hele leven bij me gebleven. In 2007 heeft Van Gennep het opnieuw uitgegeven, bij Novib was het een bulkboek, er werden 50.000 exemplaren gedrukt. Toen zijn er bij Rainbowpockets ook nog eens drie drukken verschenen. Voor de BerberBibliotheek hebben we het opnieuw laten lezen en vertalen. Er zijn nog veel fouten uitgehaald. Binnenkort komt er trouwens een tweede druk bij de BerberBibliotheek. Het is gewoon een everseller.’


    Wat is de magie van Hongerjaren waardoor het nog steeds gelezen wordt? Welke titels zijn ook opmerkelijk te noemen.

    ‘Choukri’s  laatste boek Gezichten is stilistisch gezien zijn mooiste boek. Hongerjaren is als een vulkaanuitbarsting, als gestolde lava. Choukri komt uit grote armoede, toen hij dat was ontgroeid, wilde hij laten zien dat hij geen analfabeet is, dat hij gelezen heeft. Hij noemt veel Franse schrijvers in Gezichten. Emile Zola, Jean Genet en William Burrough. Dat was wel belangrijk voor hem. Hongerjaren is mijn lijfboek, ik kan hele passages uit mijn hoofd citeren. Maar een schrijver als Ibrahim al-Koni, (van wie Goudstof is opgenomen in de reeks Iv/dG), dat is echt een kathedraal van een auteur. Hij heeft een oeuvre van meer dan negentig boeken over één thema. Elk boek gaat over de woestijn, de Sahara. Ik zal je iets laten zien. (Hij loopt naar een ander vertrek en komt terug met een omvangrijk Engelstalig boek.) Dit is het magnum opus  van Ibrahim, hij is een echte schrijvers schrijver, niet met Mrabet te vergelijken.

    Wisten jullie van tevoren welke titels er zouden worden opgenomen in de BerberBibliotheek?

    ‘De eerste twee titels hadden we al toen we begonnen. Daarna was het al snel duidelijk welke er verder in zouden komen, tien klassieke romans. Maar daar kwam tussendoor De geschiedenis van mijn leven van Fadhma Aïth Mansour Amrouche, een katholieke Berbervrouw. We wisten, als we dit nu laten liggen wordt het nooit vertaald. Met dit boek konden we aangeven welk een grote rol het katholicisme speelde in die streken voordat de islam daar kwam. En het laatste deel Vallende tijd was ook niet gepland. We wilden daarmee de actualiteit een stem geven. In de streek waar ik vandaan kom wordt weinig proza geschreven, maar poëzie des te meer. Ik ben alle grote dichters weer gaan lezen en kwam uit bij deze vier dichters, Mohammed Chacha, Ahmed Ziani, Fadma el Ouariachi en Mimoun el Walid. De gedichten zijn geschreven tussen eind jaren zeventig en begin jaren negentig en hebben nog niets aan actualiteit ingeboet. Ik wilde hiermee de lezer laten zien waar de Marokkaanse mensen vandaan komen. En wil je begrijpen wat er in een land gebeurt, dan moet je niet de krant lezen, maar de dichters van dat land. Deze generatie dichters laat een schreeuw om emancipatie en vrijheid horen. Er is weinig hoop in Marokko, en ik vind het hoopvol dat dat dat nu zichtbaar wordt. Poëzie die een beetje tegenwicht biedt aan de leugen, zonder de pretentie te hebben dat het de waarheid vertelt.’


    De boeken van Mohammed Mrabet, waarvan Liefde met een lok haar in de reeks is opgenomen, zijn door de Amerikaanse schrijver Paul Bowles geschreven. Wat is hun verhaal?

    ‘Paul Bowles heeft vijftig jaar in Marokko gewoond, in Tanger. Dat was een vrijplaats voor alles in de jaren zestig, voor drugs, drank, vrouwen. Er werden daar veel internationale deals gesloten, maar ook gehandeld in jongens en meisjes. Op die plek kwam Paul Bowles terecht. Mrabet werkte voor hem, was zijn chauffeur, zijn kok. Bowles was aan het einde van zijn schrijverschap. Je zou kunnen zeggen dat de pen van Bowles was opgedroogd en daar was Mrabet die niet wist hoe hij een pen moest gebruiken maar die verhalen had. Daar ontstond de samenwerking tussen hen. Soms weet je in die verhalen niet waar Bowles en waar Mrabet is.’


    Heeft iemand dat kunnen checken?

    ‘Ik ben bij Mrabet op bezoek geweest in Marokko. Hij is nu tachtig jaar. In Liefde met een lok haar hebben de Amerikaanse hoteleigenaar en de jonge Marokkaanse chauffeur een seksuele relatie. Toen ik hem bezocht, vroeg ik of hij homo was, dat ontkende hij stellig. Mrabet gaf Bowles de schuld dat hij de indruk wekte dat ze een relatie hadden. Mrabet kan heel goed verhalen vertellen. Alles wordt een verhaal, wat ik af en toe wel ergerlijk vond. Dan vroeg ik hem hoe dat dan ging met die verhalen, hoe ze ontstaan. Hij vertelde dat er elke ochtend een vis hem kwam opzoeken, “die vertelt mij een verhaal en het enige wat ik hoef te doen is dat verhaal door vertellen”. Ik zei, “Nu even serieus.” Toen zei hij, “Iets anders kan ik je niet vertellen.” Ik was wel echt in de ban van die man. Ik heb hem toen ook naar Nederland gehaald en Wim Brands heeft hem geïnterviewd bij het Crossing Border Festival in 2009.’


    Wat heeft Mrabet aan zijn publicaties overgehouden aan roem, inkomsten?

    ‘Bowles speelde ook wel een spelletje met de lezer. Toen het debuut van Mrabet in de jaren zestig bij Gallimard in Frankrijk werd gepubliceerd, was er een recensent die er zelf van droomde bij die uitgever te publiceren. Toen kwam daar Mrabet, die hem volledig onbekend was. In zijn recensie voor Le Monde schreef  hij: “Mrabet bestaat niet. Hij bestaat alleen in het hoofd van Paul Bowles.” Uiteindelijk bracht dat alleen maar meer succes, Bowles zei niets.

    Mrabet heeft zich altijd goed kunnen redden. Nu zegt hij wel: “Het zijn allemaal dieven.” Er is wel gesjoemeld met zijn boeken en vertalingen. Maar dat kun je niet allemaal op het conto van Bowles schrijven. Het was interessant bezig te zijn met die twee, de schrijver en de verteller. Uiteindelijk is het ook niet boeiend waar de een begint en de ander eindigt. Er is veel gedocumenteerd over die tijd, Bowles schreef dagboeken, daar is veel in terug te vinden. Belangrijk is dat ze samen literatuur hebben geschreven.’


    In een eerste interview in 2012 over de BerberBibliotheek bij Wim Brands op de radio was er sprake van een grote migratieroman die je zou willen schrijven. Leeft dat nog?

    ‘Die gaat er nu nog niet komen. Maar ik denk er wel aan. Ik zou daarvoor eerst weer meer moeten gaan schrijven. Enerzijds zit ik te veel in mijn columnhoek en mijn docentschap. Ik ben wel blij dat de BerberBibliotheek nu gestopt is, nu kan ik nog meer een breuk forceren om richting die migratieroman te gaan.

    Wij zijn tussen alleen witte Nederlanders opgegroeid, en dat vind ik wel jammer. Ik had geen contact met mijn achtergrond. Maar de andere kant daarvan was dat we daardoor heel hard moesten migreren, ons aanpassen. Ik ben zelf nooit gevoelig geweest voor argumenten als, “Ja, Meneer. Wat ben ik nou? In Nederland ben ik een Marokkaan en in Marokko ben ik een Nederlander.” In Marokko was ik gewoon een verwend kind, met een horloge, en schoenen die niet kapot waren. Er wordt gesproken over tussen twee culturen opgroeien. Dat kan niet, je groeit ‘in’ twee culturen op. Tussen betekent dat de culturen los staan, en de persoon in een vacuüm leeft. Sartre zei het zo: “woorden zijn ook daden.”’

     

     

    Kijk hier voor alle titels van de BerberBiblitheek
    Uitgeverij Jurgen Maas

    Foto door: Friso Spoelstra

     

     

  • In deze familie eindigt de kleinste tegenslag in een ramp

    In deze familie eindigt de kleinste tegenslag in een ramp

    Een sobere grijze cover met een harlekijn die om de hoek komt gluren. Dat is de omslag van Nelleke Zandwijks (1961) nieuwe roman Het mooiste verhaal over mijn familie. Meteen een knipoog naar de inhoud, want het hoofdpersonage bekijkt de hele maatschappij rondom zich als een clown, met veel humor, maar ook met weemoed. Dat Zandwijk zelf de cover heeft ontworpen is geen toeval. Ze is immers van origine beeldend kunstenares en begon pas later in haar carrière te schrijven. Naast korte verhalen en columns verscheen vorig jaar haar vierde roman. Net zoals in haar debuut De dag van de jas (2001) en het succesvolle Pierenland (2009) speelt haar familie een hoofdrol in haar werk.

    Een ongewone familie

    Het mooiste verhaal is een tragikomische vertelling, vertellingen uit het leven van wat je op zijn minst een bizarre en vreemde familie kunt noemen. Elk lid neemt als het ware een unieke, maar verweesde positie in in de maatschappij en probeert naar godsvrucht en vermogen iets van zijn leven te maken. Hoewel Zandwijk stelt dat de roman autobiografisch is en de verhalen uit het leven zijn gegrepen, geeft ze ook grif toe dat ze een mix maakte van verschillende zaken. Ze vergroot heel wat gebeurtenissen en personages uit tot ze groteske proporties aannemen. Alles wordt gezien vanuit het oog van de ik-verteller, een scheel-kijkende vrouw van middelbare leeftijd die moeite heeft met relaties en het leven in het algemeen. Haar hypochondrische tweelingzus is licht hysterisch en verkeert in de onmogelijkheid om hoofd- en bijzaken te onderscheiden.

    Zelfs de kleinste tegenslag eindigt vaak in haar ogen in de grootste ramp allertijden. Gelukkig is er de Belgische zwager die alles een beetje relativeert. Alhoewel, hij lijkt een afkeer te hebben voor alles wat Hollands is en vergelijkt voortdurend met hoe men het in zijn thuisland zou oplossen. Hij dweept met de Tweede Wereldoorlog en loopt steevast rond in een legeruniform. Samen met hun zoon wonen ze in Antwerpen. Zoonlief heeft autistische trekjes en bepaalt zowat alles wat en hoe het er in het gezin aan toe gaat. Hij heeft een voorliefde voor de kleur grijs en slaapt op zijn veertiende nog steeds in bed bij zijn ouders. Ook de moeder van de ik-figuur mag niet ontbreken. Deze wil constant met het Hogere in contact komen. Sinds haar man haar verliet, wordt de klusjesman Adri haar steun en toeverlaat. De afwezige vader leren we kennen door zijn tweede vrouw, ‘de weduwe’, die de erfenis heeft opgeëist.

    De erfenis is trouwens een soort van running gag die steeds terugkomt op de vele mislukte verjaardagsfeestjes, tegenvallende kerstdiners en chaotische verhuizingen. En dan is er nog Jack, de partner, die lijdt aan PTSS na negatieve ervaringen in Libanon. Hij kwam beschadigd terug en de woede-uitbarstingen zijn legio. Het mag duidelijk zijn dat elk personage in deze roman worstelt met het leven. Zandwijk gaat dat thema ook niet uit de weg. Het is geen gewoon gezin dat je ziet, maar anderzijds toch een gezin als alle andere, dat je enkel kent als je er deel van uit maakt want een gezin is ‘een gevangenis, een bolwerk waar je als buitenstaander niet bij hoort.’

    Leuke stijl, weinig structuur

    Zandwijk stelt dat ze grip wil krijgen op het leven door erover te schrijven. Toch wil ze het geen therapeutisch schrijven noemen. Het is meer een relaas van haar verbazing over hoe sommige dingen gebeuren en hoe mensen uit onvermogen elkaar niet kunnen bereiken. Dan lijkt het het makkelijkst om te schrijven over zaken die je omringen.

    Het mooiste verhaal verzoent humor en diepe melancholie op de juiste manier. De absurdistische en cynische stijl doet bij wijlen denken aan Grunberg, maar de opbouw van het verhaal mocht zeker meer gestructureerd. Het werk is een samengaan van vijftien anekdotische verhalen uit het leven van de schrijfster waarin een rode draad ontbreekt. Het lijkt dan ook eerder een verhalenbundel dan een roman. Gelukkig werkt dit niet echt storend. Door haar aanstekelijke humor en nauwkeurige observaties blijft de lezer betrokken en is het al bij al een geestig en grotesk boek. Ondanks de vele mislukkingen en tegenslagen in de familie, eindigt Zandwijk in de proloog met een positieve noot. De lezer achterlatend met een goed gevoel en de gedachte dat elke familie wel iets aparts heeft.

     

  • De waanzinnige wereld van Albert Vigoleis Thelen

    De waanzinnige wereld van Albert Vigoleis Thelen

    Heeft een roman echt een plot nodig? Geen onlogische vraag na de lezing van De zwarte heer Bazetub van Albert Vigoleis Thelen (1903-1989). Als een boek is uitgelezen, is het een normaal reflex om je ogen even te laten rusten op de barst in het plafond, de indrukken nog even te laten nawerken en je af te vragen waar het nu eigenlijk over ging. In het geval van de kloeke roman De zwarte heer Bazetub, die je met zijn ruim 650 bladzijden wel even zoet houdt, is zo’n vraag echter niet gemakkelijk te beantwoorden, want zoals vertaler Wil Boesten in zijn voorwoord schrijft, ‘gebeurt’ er in de conventionele zin van het woord niets in dit boek. Nou ja, niets is veel gezegd. Er is wel een minimale verhaallijn of raamvertelling: het alter ego van de schrijver van deze roman, ene Vigoleis, een Duitse auteur en tolk die in Amsterdam woont, krijgt de opdracht om de zwarte heer Bazetub, een Braziliaanse professor die in het naoorlogse Den Haag een toespraak moet houden, te begeleiden als tolk en privésecretaris tijdens zijn verblijf in Nederland.

    Maar zoals gezegd doet die minimale plot er niet echt toe. Zo zijn er trouwens nog wel meer voorbeelden uit de wereldliteratuur: Ulysses, het magnum opus van James Joyce, gaat strikt genomen ook maar over een man die een wandeling maakt door Dublin. Thelen doet geen enkele poging om een netjes afgelijnd verhaal te vertellen waarin hij de lezer van beginpunt a naar eindpunt b leidt. In plaats daarvan verkent hij het hele boek lang liever kronkelende zijwegen en duistere steegjes dan de snelweg die in plotgedreven proza trouw wordt gevolgd. Het schiet niet echt op, maar je ziet nog eens wat.

    Thelen creëert een zuiver absurde wereld, een volledig van de pot gerukt universum waarin de lezer een spervuur van grappen en grollen ondergaat, je ware literaire Monty Python als het ware. Door de humor blijft deze op zich eigenlijk veeleisende roman met een zeer rijke, maar niet altijd eenvoudige taal best verteerbaar. Bespiegelingen over internationaal recht (‘Steelt daarentegen een Fransman in een Chinees restaurant van een Duitser een paraplu die hij versjachert aan een Turk, en die zoon van een hond slaat die paraplu tijdens een ruzie aan boord van een Argentijns vrachtschip stuk op de kop van een Griek, en dié zaak moet voorkomen, dan valt dat onder de bevoegdheid van mijn Braziliaanse professor’) gaan bijvoorbeeld naadloos over in historische trivia of rake observaties over de volksaard der Nederlanders, die meermaals in de mangel worden genomen:

    Nederlanders hebben namelijk bijna geen, of laat ik het maar rechtuit zeggen, helemaal geen tafelmanieren, iets waarop ze nog trots zijn ook; even trots als op hun welgemanierde koningin en hun nieuwe haring, die overigens, net als het eerste kievitsei, altijd naar deze koningin gaat.’

    Het is lastig om dit boek uit 1956 in een bepaalde literaire stroming onder te brengen, maar misschien zou je het als ‘absurd realisme’ kunnen beschouwen. De zwarte heer Bazetub is namelijk een roman met een schijnbaar realistische setting waar niet zomaar enkele bovennatuurlijke elementen in doordringen (zoals bij het magisch realisme), maar die een lofzang is op ‘de helderheid van het absurde, door de waarheid van de fantasie en door de hogere werkelijkheid van het niet-bestaande’, zoals in het voorwoord staat.

    Thelen heeft iets van een onvermoeibaar causerende kroegtijger die een hele nacht lang alle toehoorders in het café kan amuseren met uit de losse pols opgediepte anekdotes, sterke verhalen en elegant verwoorde onzin, al slaagt hij er net zo goed in om tussendoor soms quasi achteloos een diepzinnige passage uit zijn mouw te schudden waar je toch even over moet nadenken voordat je verder kunt:

    Alle grote bewegingen die de mensheid heeft voorgebracht zijn terug te voeren op een blik in het niets, alle grote oorlogen op het aanschouwen van de overvloed.’

    De zwarte heer Bazetub is dan ook geen kaal, uitgebeend domineesproza van het soort dat stilaan de norm lijkt te worden, maar het literaire equivalent van een decadent, ouderwets zevengangenmenu dat afsluit met cognac, koffie en een dikke sigaar.

    Overigens bereikte ons nog maar enkele dagen geleden het heuglijke nieuws dat Wil Boesten met deze vertaling is genomineerd voor de Filter Vertaalprijs 2019, met nog vijf andere uitstekende kandidaten. De winnaar wordt op 23 april bekendgemaakt, maar Boesten, die het de Nederlandse lezer naar eigen zeggen niet makkelijker wilde maken dan de Duitse het had en blijkens het volgende fragment de lexicale en syntactische complexiteit van het origineel heeft gerespecteerd, zou ongetwijfeld een verdiende winnaar zijn:  

    ‘Op een schaal als door een keukenkunstenaarshand naar een beroemd voorbeeld opgemaakt als een stilleven, deed het gerecht Nederland, waaraan we de naam van deze vorm van schilderkunst in de eerste plaats te danken hebben, alle eer aan, en niet minder het Hotel der Nederlanden, waar de persillier– in goed Duits de opperselderijkruidenier – na de sausmeester de best betaalde man in de onderneming was. In woorden uit vele talen – dagelijks kwamen er meer bij, de grote Europese idiomen kende hij allemaal – prees meneer Bazetub het degelijke tuberosum-tafereel dat de bediende hem eerst van alle kanten liet zien, als een soort mannequin (ook zo’n woord dat onze beschaving aan de Nederlandse taal heeft te danken) voor de onooglijke kluitvrucht.’

     

  • Van monoloog naar dialoog

    Van monoloog naar dialoog

    De poëzie in Nederland kent niet veel politiek geëngageerde dichters. Namen die meteen opkomen zijn die van de marxistische Herman Gorter en Henriette Roland Holst. Maar waar zij voornamelijk blijmoedig uitkeken naar de komst van de Rode Dageraad, ziet de dichter Frank Keizer de toekomst niet zo rooskleurig voor zich, ook al is hij zich er blijkens zijn gedichten van bewust dat er een ingrijpende verandering dient plaats te vinden.
    Keizer debuteerde in 2016 met de bundel Onder normale omstandigheden, nadat hij al eerder zijn werk gepubliceerd zag in literaire tijdschriften als Het Liegend Konijn en Tirade. In zijn nieuwste bundel Lief slecht ding, probeert hij zich te wapenen tegen de dystopie die de wereld dreigt te worden als het kapitalisme en het consumentisme gehandhaafd blijven.

    Drie afdelingen naar titel vernoemd

    De titel laat zich aanvankelijk lezen als een woordgroep bestaande uit een zelfstandig naamwoord met twee bijvoeglijke naamwoorden, als een aanspraak of een omschrijving, maar blijkt de drie afdelingen van de bundel aan te geven. Elke afdeling begint met een citaat van een auteur, van wie de laatste – Ursula le Guin – opvallend genoeg voornamelijk science fiction heeft geschreven: toekomstromans.
    In de eerste afdeling wordt iemand toegesproken voor wie de jaren zestig nooit helemaal voorbij zijn gegaan, maar die nu met lege handen staat, omdat er van de grote idealen van destijds niets terechtgekomen is. De spreker lijkt deernis te voelen voor de oude activist:

    ‘[…] er valt niet veel te zingen, echt
    te zingen, mompelen, nee mompelen, dat kun je wel’

    Maar er valt ook een milde ergernis te bespeuren: ‘je krabt met je ene hand aan het trauma van je mislukte / autonomie en met je andere hand tast je de nieuwe / afhankelijkheid af.’
    De prozagedichten staan niet los van elkaar, maar lopen in elkaar over en vormen zo één lange monoloog in de jij-vorm, waarin de toegesprokene uiteindelijk de raad krijgt om zich een eigen wereld te scheppen in het ‘goede grijs’: ‘beter iets kleins en iets liefs / te hebben dan je kapot te werken aan het onuitvoerbare / in het hier en nu’.

    Idealen verwezenlijken

    Met het tweede deel gaat de dichter van het verleden naar het heden en van monoloog naar dialoog: twee mensen die een relatie hebben, een ‘ik’ en een ‘jij’, proberen samen een ‘wij’ te worden. In een gesprek over politiek wordt gerefereerd aan collectieve ervaringen die nodig zijn om in vereniging een nieuwe gemeenschap te bewerkstelligen met ‘het vermogen om gezamenlijk te denken’. Het individu zal zich ondergeschikt moeten maken aan het grote collectief, want de hedendaagse maatschappij kent slechts ‘verweesdheid, ontworteling en fragmentatie’. De dichter verwijst nog even naar de campagne van Mao Zedong: Laat honderd bloemen bloeien, waarvan het doel was om misstanden in het bestuur te kunnen opsporen en aanpakken.

    In dit deel zijn de idealen prominent aanwezig, maar wordt tevens de twijfel kenbaar gemaakt en de angst dat het vergeefse moeite zal zijn om te trachten ze te verwezenlijken en waarbij de dichter zichzelf niet spaart. Ideeën worden geopperd en bezwaren daartegen worden ingebracht. De verbinding van poëzie en politiek zal de oplossing moeten bieden:

    ‘ja, wek me op, poëzie, maak me vrolijk, want ik weet wel
    dat je iets kunt oplossen, je bent pure sensatie. en duw
    me over de rand, voer me van die prikkels naar mijn ware
    behoeften, en die van ons, en maak het nieuw’

    Het deel eindigt met de hoopvolle woorden: ‘kom, ik heb een ander idee’.

    Wazige toekomstbeelden

    Het derde deel biedt een blik op een diffuse toekomst, waarin het om overleven en opnieuw beginnen zal draaien. Van het verleden wordt afscheid genomen – ‘rommelend in de lege laatjes en kastjes van een verleden’ – en ook van alles wat tot nog toe als onomstotelijk werd aangenomen. Er wordt een moeizame zoektocht beschreven, die lijkt op de ‘Umwertung aller Werte’ van Nietzsche: de idealen van vroeger zijn nu voorgoed versleten en waarheden moeten opnieuw gedefinieerd worden. De dichter zoekt naar aanwijzingen om de wereld opnieuw te kunnen inrichten.

    Dit laatste deel kent weinig samenhang die als een afspiegeling van die toekomst zelf lijkt. De wereld wordt beschreven als een onherbergzame plek waar het leven moeilijk is:

    ‘[…] het universalisme bleef om offers
    vragen, maar wij stonden onze organen, onze woningen
    en onze meervoudigheid er niet voor af.’

    Een nieuw geluid

    Maar gaandeweg gloort er hoop en worden mensen ‘probleemoplossers’ die mogelijkheden zien voorbij ‘de wetten van het materialisme’. Een ‘vallende, rode ster’ die de dichter waarneemt, kondigt misschien toch de nieuwe Rode Dageraad aan. Dat poëzie daarbij een prominente rol zal spelen, heeft Keizer dan inmiddels wel duidelijk gemaakt.

    Lief slecht ding is geen toegankelijke bundel. Maar de spreektaal die Frank Keizer gebruikt, helpt duidelijk te maken waar het om gaat: engagement zoeken en het politieke persoonlijk maken en omgekeerd. Met krachtige beelden en bijna profetisch taalgebruik slaagt Keizer erin om zijn zoektocht naar nieuwe waarden aannemelijk te maken op een manier die à la Herman Gorter ‘een nieuw geluid’ laat horen.

     

  • Onvermijdelijke consequenties van een multiculturele samenleving

    Onvermijdelijke consequenties van een multiculturele samenleving

    Robert Vuijsje, zoon van journalist Bert Vuijsje en vertaalster Sheila Vuijsje-Gogol, groeide op in het keurige Amsterdam-Zuid. In 2008 schreef hij de in deze buurt gesitueerde roman Alleen maar nette mensen die goed werd ontvangen maar weinig opzien baarde totdat vanuit de Bijlmer protest kwam tegen de als racistisch beschouwde tekst in het boek. Want Vuijsjes’ hoofdpersoon David Samuels, zelf joods maar vanwege zijn zwarte haar vaak gezien als Turk of Marokkaan viel op Surinaamse vrouwen, onder meer vanwege hun dikke billen. Surinaamse vrouwen zijn méér dan hun billen werd Vuijsje verweten en de landelijk opwaaiende discussie deed het boek goed: het werd 200.000 keer verkocht.

    Vuijsje ging net als zijn vader de journalistiek in, met etniciteit als specialisme en dan vooral de vraag hoe huidskleur je identiteit bepaalt. Na 10 jaar huwelijk met een Surinaamse en het zien opgroeien van hun kinderen leek hem de tijd gekomen om zijn debuut een vervolg te geven. Het werd een thema-roman, deels over Joods zijn in Nederland (je toch anders voelen) maar met eigenlijk maar één hoofd-onderwerp: de onderdrukking van zwart door wit. Vuijsje vertelt in Salomon’s oordeel hoe Max Cohen, een joodse student in Amsterdam, verliefd wordt op Alissa, een Surinaamse studente uit de Bijlmer. Ze trouwen en krijgen een zoon die ze Salomon noemen. Het verhaal wordt verteld in een reeks korte scènes waar telkens het thema zwart-wit de kop opsteekt. Te beginnen met de eerste keer dat ze seks hebben:

    Het is nooit goed

    ‘Ze waren klaar. Alissa stond op. Door een kier in de gordijnen keek ze weer naar buiten.”Moet ik hier nou trots op zijn?” vroeg ze, met haar rug naar Max toe. “Moet ik vereerd zijn dat hij met mij wil zijn? Dat een witte man opgewonden kan worden van mij? (…) Laat me je dit vragen.” Ze pauzeerde weer. “Wie was er net de baas?”
    “Dat was jij.”
    “Nee,” zei Alissa. “Dat was jij.” Max beschreef alle lichamelijke handelingen die ze hadden uitgevoerd en wie daarvoor de commando’s uitdeelde. Alissa onderbrak hem. “Maakt niet uit. Ja, ik speel de baas. En dan? Waarom denk je dat ik dat doe?”
    Max wist het niet. “Jij neemt wat ik heb. Wit, joods, hoe je jezelf ook noemt – jij bent een witte man die komt pakken wat ik heb. Ik zet een grote bek op, maar het is nog steeds: een witte man die mij komt pakken.”‘

    Obsessief anti-rassistisch

    De boodschap is duidelijk: Max, de witte man is fout, wát hij ook doet of laat. Simpelweg omdat hij wit is. Als dat nu de meest eenvoudige en heldere oplossing voor de relatie tussen Max en Alissa is, kan geen lezer daar bezwaar tegen hebben. Maar Max en Alissa komen beiden uit gezinnen waar veel geruzied werd of in hun vertaling: gediscussieerd werd. Dus volgen vele hoofdstukjes waarin Max keer op keer dezelfde les moet leren: ik ben wit dus zit ik fout. Het gevolg is dat hij heel alert wordt op mogelijk disrespect van bedienend personeel als hij met Alissa in een restaurant zit, ze daarop aanspreekt en vervolgens door haar toch weer wordt terechtgewezen: ‘”Een fles plat water alstublieft,” zei Alissa tegen de ober. “Dank u wel.” En nadat de ober weg was: “Eindelijk zit ik een keer in zo’n fancy restaurant en dan doe je dit? Ben je gek of zo?” Max zei dat het hem speet. Maar ze moesten hem niet tergen. Hij was niet blind, hij zag heus wel hoe ze deden tegen Alissa en hem. “Zomaar doe je dit,” zei Alissa. “Luister dan. Je bent paranoïde.’”

    Opnieuw zit Max fout: hij reageert obsessief anti-rascistisch terwijl Alissa gelouterd is door haar ervaring als zwarte vrouw in een witte maatschappij. En zo blijft hij altijd aan het kortste eind trekken in hun relatie. De scènetjes zijn door Vuijsje goed opgeschreven, zonder een standpunt in te nemen en zijn hier en daar schrijnend. Maar op den duur wordt het toch wat eentonig, die voortdurende obsessie met wit en zwart die Max’ leven beheerst. Het is een verademing als Alissa en hij een keer ruzie krijgen over Max’ rommelige manier van het vullen van de vaatwasmachine. ‘”Lekker hè?” zei Alissa. Net alsof ze gewone mensen waren. Niet een witte man en een zwarte vrouw, maar gewoon: een man en een vrouw. Die ruzie konden maken over dezelfde problemen als alle andere mannen en vrouwen van Nederland.’

    Joods of Surinaams

    Als Salomon, hun zoon, zich meer Surinaams blijkt te voelen dan joods zoals zijn vader, heeft Max opnieuw een probleem. Een zoon die eigenlijk niet je zoon wil zijn omdat hij zwart is en jij wit, en die je een kankerjood noemt, hoe ga je daar mee om? Niet dus, want alles wat je doet is fout. In het van racisme-denken vervulde leven van Max is er uiteindelijk maar één plek waar Alissa en hij echt tot rust komen: In Drenthe en dan met name op de Brink van Dwingeloo. Daar zijn ze allebei vreemd.

    ‘”Weet je wat een unit is?” vroeg ze. “Dat zijn wij, met z’n drieën.’” Ze bedoelde Max en zichzelf en de jongen die aan de andere kant van de tafel op zijn telefoon zat te kijken. Gezin. Werk. School. De rest was ballast. Max had zijn zonnebril ook afgedaan, met zijn ogen dicht zat hij in de zon. ‘”Je hebt gelijk,’ zei hij. “De rest zit alleen maar in de weg.”  Alissa vroeg of ze hier champagne zouden hebben. Twintig jaar hadden ze erover gedaan, maar nu keken ze op dezelfde manier naar de wereld. Die shit waar ze in Amsterdam mee bezig waren geweest, al die gesprekjes over wit en zwart en joods en Surinaams – waar ging het over? ‘

    De weegschaal nooit in balans

    Even kan de lezer herademen. Maar als Salomon kort daarna door zijn ex-vriendin beschuldigd wordt dat hij haar verkracht heeft en daarvoor in de cel belandt, komen Alissa en Max onmiddellijk weer in de rassenproblematiek. Want Max wil niet direct geloven dat Salomon onschuldig is, terwijl moeder Alissa dat van hem eist.
    ‘Hoe waren zwarte mannen, in de ogen van Max? Kregen ze ongecontroleerde woedeaanvallen? Waren ze seksueel losgeslagen?’
    Het leidt tot een verwijdering tussen de beide ouders en ook als Salomon’s ex bekent dat ze de verkrachting verzonnen heeft is het de vraag of ze ooit weer bij elkaar zullen komen.

    ‘”Ben je terug?” vroeg hij. “Weet ik niet,” zei ze. “Wij moeten praten.”‘ Dat is het eind van de roman waarmee de echtelijke discussie vooralsnog onbeslist blijft. Voor wie wil weten wát er allemaal aan mogelijke kwetsuren zijn te maken of te ondergaan in de multiculturele samenleving is Salomon’s oordeel ongetwijfeld een leerzaam handboek. Voor liefhebbers van een roman is het een wat bedrukkend kijkje in het leven van iemand die niet kan accepteren dat mensen elkaar in hokjes plaatsen op basis van opleiding, godsdienst, huidskleur, geslacht, leeftijd, gewicht enz. en daar stereotypen op plakken. En dat de fricties die dat geeft een onaangename maar onvermijdelijke consequentie zijn van de multiculturele samenleving die over de hele wereld, en dus ook in Nederland aan het ontstaan is.
    Max Cohen lijkt dat – een enkel moment daargelaten – in het geheel niet te beseffen, elke relativering in huidskleur-zaken is hem vreemd. Bij een als intelligent beschreven personage is dat een gemis en het blijkt ook een forse beperking te zijn in de opzet van deze roman. Vreemd dat een socioloog als Vuijsje dit niet heeft beseft.

     

  • Op zoek naar geluk voor de mensheid

    Op zoek naar geluk voor de mensheid

    Over zijn oudere broer die bij de waffen-SS zat en in 1943 omkwam aan het oostfront, schreef Uwe Timm ruim 15 jaar geleden een autobiografische roman. De opkomst van Hitler en de Tweede Wereldoorlog, een tijd die hij alleen als kind meemaakte, houden hem nog altijd sterk bezig. In het nawoord van Icarië komt naar voren dat de schrijver al in 1978 startte met het werk aan dit project. Het lukte hem echter aanvankelijk niet om een goede structuur te vinden. Onderzoek en documentatie gingen ondertussen door en leveren nu een roman op van meer dan 400 pagina’s, waarin Timm de ontwikkeling van de eugenetica en de (Duitse) rassenleer beschrijft.

    Van Utopia naar de gaskamers
    De titel Icarië verwijst naar een op sociaal-utopische leest geschoeide commune, gesticht in de 19eeuw in de VS. Vanuit ideeën over gemeenschappelijkheid en gelijkheid ontwikkeld door de Fransman Étienne Cabet, werd hier een poging ondernomen de menselijke samenleving te verbeteren. Twee personages uit het boek van Timm voelen zich met dit ideaal verwant en leggen begin 20eeuw een bezoek af aan de kolonie. Dit loopt voor beiden echter uit op een teleurstelling. Daardoor raakt de ene, Alfred Ploetz, ervan overtuigd dat er naast de gewenste sociale revolutie ook een biologische revolutie nodig is, in de vorm van rassenhygiëne waarmee het voortbestaan van bepaalde eigenschappen gestimuleerd en die van andere afgeremd wordt. De tweede, Wagner, onderkent direct de gevaren van deze denkrichting:

    Nee, heb ik gezegd, het zijn juist de zwakken die voor verandering zorgen, het zijn de zwakken die de onvolkomenheden kennen, het zijn de zwakken die de hoop belichamen dat de doffe, van kracht en bloed dampende natuur niet in zijn recht staat, het zijn de zwakken – en tegenover dood en ziekte zijn wij allemaal zwak -, zij zijn het die voor ons en voor de andere ongelukkigen het geluk opeisen (…)’.

    Ploetz kan echter niet op andere gedachten worden gebracht door zijn vriend. Hij laat zijn oorspronkelijk links georiënteerde idealen los en klimt al snel op tot een belangrijke geleerde in de jaren 30 in Duitsland. Zijn ideeën over rassenverbetering geven onder meer legitimatie aan het systematisch vermoorden van ‘sociaal ongewensten’ in instellingen en ziekenhuizen. Wagner ondertussen, die als socialist bekend staat, belandt in Dachau en moet na zijn vrijlating jarenlang onderduiken voor de nazi’s.

    Het uur nul
    Deze geschiedenis, sterk op feiten gebaseerd, zit in een merkwaardige compositie gegoten. Het perspectief van de roman ligt bij een Amerikaanse soldaat van Duitse afkomst in het net overwonnen Derde Rijk. Michael Hansen is als officier verbonden aan het snel oprukkende Amerikaanse leger; eigenlijk vinden er alleen nog enkele schermutselingen plaats. Vanwege zijn beheersing van de Duitse taal krijgt hij de opdracht om onderzoek te doen naar de overleden wetenschapper Alfred Ploetz, en wel via de man die hem zo goed kende. Avond aan avond voert Hansen daarom vraaggesprekken met Wagner, wat ook in de vorm van een interview zijn weerslag krijgt in de roman. Wagner vertelt, Hansen stelt vragen. Daarnaast is er een alwetend perspectief van waaruit beschreven wordt wat de Amerikaanse officier meemaakt in het land dat zojuist een catastrofale oorlog verloor. En tenslotte komen er fragmenten voorbij in dagboekstijl, waarin Hansen zijn persoonlijke ervaringen noteert. Vooral deze laatste passages maken de tekst onnodig warrig en overtuigen ook stilistisch niet.

    De compositie van het boek is erop gericht zoveel mogelijk informatie kwijt te kunnen over het onderwerp waar Uwe Timm zich jaren in verdiept heeft. Icarië voelt daardoor aan als non-fictie in romanvorm. Dit komt de stof die behandeld wordt ten goede: in een mum van tijd neem je kennis van de ontwikkeling van de nationaalsocialistische rassenleer, waarvan de wortels bijna honderd jaar teruggaan. Voor het romanelement pakt dit minder goed uit. Nog los van de gekunstelde en rommelige structuur is Icarië in dit opzicht vrij zouteloos; de weergave van het kapotgeschoten Duitsland kent geen verrassingen. Zo valt meermaals te lezen dat er bijna geen volwassen mannen in het straatbeeld opduiken. De wederwaardigheden van Michael Hansen, inclusief diverse plichtmatige avontuurtjes, komen binnen dat fletse decor maar niet tot leven. Ook qua stijl kan Uwe Timm weinig bijzonders brengen, op misschien de opening van het boek na.

    Schuivende belangen
    Overigens verliest de Amerikaanse legerleiding vrij snel zijn belangstelling voor het onderzoek waar ze Hansen mee belastten. Het is zelfs nog sterker, want tegen het einde verschuift het vijandsbeeld alweer van de nazi’s naar de communisten, en is het de oude Wagner die als gevaar wordt gezien in plaats van Ploetz en diens denkbeelden. Degenen die onder het bewind van Hitler floreerden, claimen opnieuw hun rechten. Deze pijnlijke verandering vindt op allerlei fronten plaats, zonder dat het van commentaar wordt voorzien. Dit is fraai gedaan.

    Icarië kan dus onderhoudend en informatief worden genoemd, maar de literaire vorm die Uwe Timm gekozen heeft is vooral een kapstok om zijn uitgebreide bronnenonderzoek aan op te hangen. Daarmee is dit niet de grote roman geworden over rassenwaan en Stunde Null die vooral de Duitse pers ervan heeft willen maken.

  • Reizen zit haar in het bloed

    Reizen zit haar in het bloed

    Carolijn Visser staat bekend als schrijfster van reisverhalen met een natuurlijke voorkeur voor landen waar mensen zich in moeilijke omstandigheden staande weten te houden. Verschillende communistische of post-communistische samenlevingen zoals China, Vietnam en Tibet passeerden al de revue. In 2017 ontving ze de Libris Geschiedenisprijs en de Zeeuwse Boekenprijs voor Selma. Ontsnapt aan Hitler, gevangene van Mao. Groot was dan ook de verwondering dat Visser op de proppen kwam met Zeeuws geluk, een boek over Zeeland. Maar toch ook niet zo verwonderlijk. Visser groeide namelijk op in Middelburg en keerde met dit werk dus terug naar haar roots.

    Ongewoon reportageboek

    Zeeuws geluk is geen reisboek zoals haar voorgaande reisboeken. Visser ging weliswaar op ontdekkingstocht in haar heimat, maar dan wel vanuit een ongewoon uitgangspunt. Ze logeerde in drie woonzorgcentra, waar ze telkens meerdere dagen verbleef. De confrontatie met de bewoners daar, de herinneringen aan haar eigen verleden en de weidse landschappen maken Zeeuws geluk tot een uniek reportageboek. Visser begon niet zomaar uit zichzelf aan het boek. Ze deed het op uitnodiging van de Stichting Voor Regionale Zorgverlening die zich de vraag stelde: ‘Wat maakt het leven de moeite waard, ook al zit je in een verpleeghuis, een plek waar je liever niet zou zijn?’. Bovendien voelde ze zich wel verbonden met het gegeven van rusthuizen. Haar dementerende moeder zit ook in een bejaardentehuis. Het thema dementie gaat ze dan ook niet uit de weg en de scènes met enkele dementerende ouderen zijn vertederend.

    Mislukte jeugd in Zeeland

    Toch is Zeeuws geluk geen boek geworden over het ouder worden en het verblijven in rusthuizen. Visser zorgde ervoor dat het een zeer leesbaar werk werd waarin de geschiedenis van Zeeland sinds de Tweede Wereldoorlog aan de hand van verschillende anekdotes wordt beschreven. Met deze herinneringen wil ze vooral de sfeer schetsen van een regio die het zwaar te verduren heeft gehad, maar er ondanks alles bovenop gekomen is. Niet alleen zwarte momenten uit de geschiedenis van de provincie komen aan bod, hoewel herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog en de watersnood van 1953 prominent aanwezig zijn. Ook de strenge kerk, de klederdracht en de Duitse badgasten worden op een anekdotische en vaak ludieke manier beschreven. Naast de weergave van de verschillende gesprekken en activiteiten – van wandelen tot biljarten -met de bewoners, heeft de auteur heel veel aandacht voor haar eigen jeugdherinneringen.

    Ze denkt met plezier terug aan haar jonge tijd in Zeeland, hoewel ook die niet altijd makkelijk was. De familie keerde immers terug uit een mislukt avontuur in Indonesië en had het de eerste tijd moeilijk in het onbekende Zeeland. Ze mochten aanvankelijk verblijven in een van de vakantiehuisjes in vakantiepark Vebenabos in Vlissingen, tot een definitieve woning werd gevonden. Maar ze pasten zich geleidelijk aan en vonden het geluk, tot Carolijn na een conflict met een leraar in de middelbare school, Zeeland vaarwel zei. De donkere herinneringen overheersten en ze kwam er nooit meer terug, tot nu.

    Herziene kijk op Zeeland

    Heel bijzonder waren haar ontmoetingen met mensen die ze nog van vroeger kende. De dementerende moeder van een van haar vroegere hartsvriendinnen, oud-leerlingen van haar vader en moeder en zelfs oud-klasgenoten. Al deze ontmoetingen en verhalen zorgden ervoor dat Carolijn Visser met een andere bril naar Zeeland ging kijken en dat ze haar mening over haar vroegere thuis moest herzien.  Vandaag ziet ze opnieuw de schoonheid van Veere, de pracht van de Zeeuws kust, de rust op Walcheren en de levendigheid en openheid van Middelburg.

    Dat ze op een nieuwe manier kijkt naar haar heimat laat ze niet alleen zien in haar meeslepend schrijven, maar ook in het hele opzet van het boek. De anekdotiek wordt gespekt met prachtige landschapsgezichten van hedendaags Zeeland, afgewisseld met historische foto’s uit de eerste helft van de 20ste eeuw. Daarnaast illustreert ze haar jeugdherinneringen met beelden uit haar eigen familiealbum. Zeeuws geluk is een ode geworden aan Zeeland en uitermate geschikt voor iedereen die iets met Zeeland te maken heeft. Voor wie Zeeland niet kent is het een originele kennismaking met de provincie.

     

  • Met zwier verteld verhaal rond twee moorden en een moestuin

    Met zwier verteld verhaal rond twee moorden en een moestuin

    Moord op de moestuin is de wat dubbelzinnige titel van Nicolien Mizee’s eerste niet op autobiografische gebeurtenissen gebouwde roman. Wie de titel letterlijk neemt en bang is dat er een moestuin wordt vermoord kan gerust zijn: het gaat gewoon om een moord op het terrein van een moestuin. Mizee is een bewonderaarster van het oeuvre van Agatha Christie en wilde ook eens proberen een detective te schrijven.
    Ze vond daarvoor een heel geschikte personele bezetting en situatie. Hoofdpersonage Judith, net als Mizee zelf schrijfster en docent aan de schrijversvakschool is pas enkele dagen getrouwd met de vijftien jaar oudere Thijs als hij onverhoeds een hartaanval krijgt en moeizaam herstelt van de operatie die hij ondergaat.
    ‘De goden hadden de roekeloosheid bestraft waarmee ik mijn oude leven achter me had gelaten door met Thijs te trouwen en mijn zolderetage op te geven. Ze hadden mijn knappe, aardige, geleerde man in één minuut veranderd in een bijna onherkenbare grijsaard met lege ogen, voor wie ik eigenlijk een beetje bang was.’

    Culinaire traktaties

    Als de situatie nog verergerd wordt door bouwactiviteiten van de buurman bieden Judith’s zus en haar man soelaas: ze huren voor de zomer een boswachtershuisje op het landgoed Groenlust en gaan daar met Judith en haar man wonen. De eigenaressen van het landgoed zijn jeugdvriendinnen van Judith en haar zus en het wordt – zo te lezen – op het landgoed een gezellige boel, waar Thijs zichtbaar van opknapt. Culinaire tractaties die daar plaats vinden schrijft Mizee graag uitvoerig:
    ‘Ik liep met Cora mee om de vis uit de oven te halen. De zoutkorst was prachtig lichtbruin geworden. De marmeren plaat zou gauw afkoelen, toch was ik bang dat de bloemen zouden verflensen. Vlug maakte ik een krans van grote slabladeren om de zoutheuvels en daarop legde ik de bloemen. Cora maakte in een platte schaal een rand van de bladeren van de Oost-Indische kers, stortte de bietjes erin en tikte er met een pollepel de donkerrode pitten uit de granaatappel overheen. Her en der staken we nog wat bloemen in de schalen met krieltjes en worteltjes, en na enkele malen heen en weer lopen stond alles op tafel en konden we de bewonderende uitroepen gracieus in ontvangst nemen.’

    Een schedel

    Als de roman ongeveer op de helft is, de lezer een uitvoerig verslag van het maken van chipolatapudding achter de rug heeft en zich begint af te vragen wanneer het detective-verhaal nu eens zal beginnen, vindt Judith op de volkstuin die zij op het landgoed gehuurd heeft, een schedel. Ze barst van de weeromstuit in lachen uit, want Judith heeft zo haar eigenaardigheden, net als eigenlijk alle personages in deze roman. De schedel was ooit deel van het lichaam van de tientallen jaren geleden verdwenen vader van de beide zussen die nu – met hun 80-jarige demente moeder – het landgoed bewonen. Een dronkaard en weinig populair bij de tien volkstuinders die per traditie op het landgoed een gratis stukje grond mogen bewerken. Als vastgesteld is dat de eigenaar van de schedel is omgekomen door een klap met een scherp voorwerp hebben we eindelijk de moord waar het in dit boek om begonnen zou zijn. Eén van de volkstuinders zal vermoedelijk de dader zijn en Judith weet: de tiende is zij zelf en zij heeft het niet gedaan. Wie dan wel?

    Vreemde volkstuinders

    De politie (‘bij de politie komen ze altijd in paren, net als bij de ark van Noach’) richt haar aandacht op de vijf à zes actieve volkstuinders die Judith in de loop van die zomer heeft leren kennen als stuk voor stuk vreemde vogels.
    Heel erg ijverig wordt er door de politie niet gespeurd en als Judith probeert via gesprekken met de volkstuinders een verdachte te vinden, gaat het in de praktijk vooral over vogels en planten, waar Mizee en dus ook haar alter ego Judith graag hun gedetailleerde kennis over spuien.
    In het voortkabbelende verhaal vindt uiteindelijk nóg een moord plaats en na veel heen-en-weer-gepraat wordt bekend wie de vuige daders zijn van beide afrekeningen.

    Never a dull moment 

    Agatha Christie zou vermoedelijk niet erg onder de indruk zijn van Moord op de moestuin , want een rechttoe rechtaan whodunit zit er bij het soms wijdlopige en altijd van de hak op de tak springende proza van Nicolien Mizee niet in.
    Het is overigens goed te begrijpen dat Mizee veel fans heeft en dat Moord op de moestuin door het DWDD-boekenpanel gekozen is tot boek van de maand, want ‘never a dull moment’. Wat duidelijk haar schrijversmotto is en ze vertelt haar verhaal met zwier.
    Met als hoogtepunt de begrafenis van de bejaarde moeder, waar enkele oude vlammen komen opdagen en één van hen een lied gaat zingen:
    ‘Enkele seconden zweefden Felix’ handen boven het klavier. Toen sloeg hij toe. Raak. Maar zijn stem was licht en onvast, als een vlinder in de storm. (…) Ik was altijd diep onder de indruk van misplaatst zelfvertrouwen. Misschien hoorde hij iets heel anders dan wij.’

    Lichtvoetig en zwaar op de hand

    Voor haar fans zal Moord op de moestuin ongetwijfeld een traktatie zijn. Mizee moet wel uitkijken dat haar schalkse terzijdes en het het Joop ter Heul-achtige zeggen-wat-in-haar-opkomt van haar ‘fictieve’ alter ego niet teveel een maniertje wordt. Er zit ook iets vreemds in de combinatie van vermakelijke invallen en associaties die de schrijfster haar reputatie van originaliteit bezorgen, en de vele doodserieus bedoelde wijsheden en karrenvrachten kennis van plant en dier die ze op de lezer los laat.
    Dat Mizee enkele succesvolle boeken op haar naam heeft staan, wordt de lezers wel erg vaak verteld en de ‘Waardevolle Lessen’ die ze aan haar studenten aan de Schrijversvakschool voorschotelt, worden hen evenmin onthouden:
    ‘Les twee van mijn schrijfcursus gaat over het personage. Met koeienletters schrijf ik dan op het bord: “Grote Wil en Grote Angst.”‘
    Oei! Samenvattend lijkt het probleem van deze schrijfster dat ze én lichtvoetig én zwaar op de hand wil zijn. En dan moet je wel héél erg veel in je mars hebben. Maar daar zit allicht nog een roman in.

     

  • Indringende vragen over goede bedoelingen

    Indringende vragen over goede bedoelingen

    Van Linda Polman verscheen al eerder De crisiskaravaan (2008). Als onderzoeksjournalist schreef Polman een boek dat heel wat heilige huisjes afbrak over de hulpverlening aan derde wereldlanden, vluchtelingenkampen en rampgebieden. Polman toonde de rauwe werkelijkheid van de ngo’s die niet in wervings-spotjes te zien zijn: organisaties die elkaar verdringen om in de gunst van sponsoren te komen, humanitaire middelen die in zakken van foute regimes verdwijnen en een woud van politieke belangen. De crisiskaravaan, non-fictie, was geen opwekkende kost. Evenmin vrolijk stemmend is het onlangs verschenen De Geesten, de nieuwste roman van Yves Petry. Hij gaat een stap verder en duikt in de drijfveren van de individuele hulpverlener met als kernvragen: waarom willen we zo graag goed doen en wat willen we daarmee aan onszelf of de ander bewijzen?

    Duisternis

    Petry schrikt er niet voor terug verontrustende thema’s aan te pakken. Het meest bekend waarschijnlijk, is zijn roman De maagd Marino waarvoor hij in 2011 de Libris Literatuurprijs kreeg. Die knoopte aan bij de beruchte zaak waarin de Duitser Armin Weimes zijn landgenoot Brandes, die zich daarvoor had aangeboden, vermoordde en opat. Maar meer dan een aanleiding tot het boek is die gruweldaad niet. In werkelijkheid gaat De maagd Marino over wat bewustzijn eigenlijk is: wie is degene die zichzelf ‘ik’ noemt?

    De Geesten is gesitueerd in een fictief West-Afrikaans land waarvan alleen de namen van de havenstad Port-au-Bout en het in het binnenland gelegen vluchtelingenkamp Bilonga genoemd worden. Het is een gebied waar twee stammen en religies elkaar naar het leven staan, de islamitische Hiromwe en de christelijke N’gali. De setting doet in zijn gruwelijkheden sterk denken aan de strijd tussen de Hutu’s en de Tutsi’s in Rwanda en Burundi in de jaren ’90 van de vorige eeuw, maar ook aan het Congo uit Heart of Darkness, waarin Joseph Conrad een pijnlijk beeld van de menselijke beschaafdheid schetste. Niet voor niets is de duisternis een decor dat prominent aanwezig is in de jongste roman van Petry. ‘Een botsing der duisternissen’ is dan ook de titel van het laatste hoofdstuk waarin de hoofdpersoon, de arts Mark Oostermans, dichtbij zijn, wat je zijn loutering zou kunnen noemen, komt na zijn mislukte liefdesleven en zijn werk in het kamp Bilonga. Daarover later.

    Artsen zonder Kleur

    We koesteren graag een idealistisch beeld van Artsen Zonder Grenzen (AZG), werkend met vrijwilligers in probleemgebieden en medische zorg verlenend aan elk slachtoffer. Ongeacht afkomst, politieke kleur of religieuze gezindheid en desnoods tegen de zin van de regering van het betreffende land. Op grond van De Geesten kan niet geconcludeerd worden dat Petry zijn reserves heeft bij dergelijke organisaties, maar het belet hem niet fundamentele menselijke en existentiële vragen over hulpverlening op zich op te werpen.

    Mark Oostermans, die we door de roman heen volgen, gaat vijf keer naar het vluchtelingenkamp Bilonga van Artsen Zonder Kleur om er goed werk te doen. De benaming van die organisatie is niet zomaar een woordspelige parafrase op AZG. Het zal misschien duiden op de neutraliteit van de organisatie, maar zeker ook op de persoonlijkheid van Oostermans. Die wordt in de roman herhaaldelijk te meegaand genoemd, kleurloos zou je kunnen zeggen. Tekenend is hoe de relatie met zijn vriendin Kristien is geëindigd. Mark is er volkomen van in de war:
    ‘ik probeerde haar een brief te schrijven. Die poging maakte vooral duidelijk hoe weinig fantasie ik inderdaad bezat. Het ontbrak me, denk ik, aan vechtlust in de liefde. Mijn inspiratie werd niet geprikkeld door de heilige wil om te winnen’.
    Het is de relatiebreuk die naar de stap leidt om naar Afrika te vertrekken. Het heeft er veel van dat hij Kristien zal bewijzen dat hij durft en een ruim hart heeft.

    Illusies

    Op dat moment is nog niet duidelijk welke betekenis Kristien heeft in de roman. De Geesten lijkt grotendeels een verhaal van een ik-verteller die zich tot de lezer richt. In het laatste hoofdstuk echter blijkt de hele roman een verslag te zijn van Mark aan Kristien. Hij heeft zich al die tijd tot haar gericht. Het is een tournure die werkt, want ineens worden wij in haar schoenen gezet: we zijn geen afstandelijke lezers meer, maar worden gedwongen met de vragen die Mark opwerpt aan de slag te gaan.

    In totaal gaat Mark Oostermans vijf keer naar Bilonga. Hij loopt daar op allerlei manieren tegen zichzelf aan in scènes in het kamp en in verwikkelingen tussen artsen. De belangrijkste onder hen zijn het hoofd Jeroen Ullings, de Belgische arts Margot en de Afrikaan Ibrahim. Opvallend is dat alle artsen (met uitzondering van Ibrahim) in het kamp terecht zijn gekomen na verwarrend verlopen liefdesrelaties die hen teruggeworpen hebben op de vraag naar hun diepere motieven om iets te betekenen in de wereld.
    Het meest cynisch daarover is Jeroen Ullings. Hij heeft een tijd lang de wereld achter zich willen laten door Jezuïet te worden. Die stap bracht hem vooral tot nadenken over dood en leven en de zin van hulpverlening. Hij maakt zich geen illusies; hij is voor zichzelf in Bilonga. Niets is dan ook zo ‘manifest hopeloos als dit eeuwig oplappen van mensen die nergens heen gaan en van zichzelf ook weten dat ze dat niet doen. Het is werk dat me verlost van mijn zelfzucht, maar dat betekent in de verste verte niet dat de wereld er beter van wordt.’
    De dialogen van Ullings maken door hun breedvoerigheid en rationele constructies overigens de roman niet altijd even sterk. Zoals Petry de gesprekken soms ook wat gekunsteld invoegt: het is niet altijd duidelijk waarom verschillende figuren hun bokkige zwijgen ineens doorbreken.

    Manipulaties en levens redden

    Enigszins duister zijn de manipulaties van de arts Margot die aan de stoelpoten van Ullings zaagt. We komen er als lezer niet achter of zij werkelijk een integriteitsprobleem aan de orde stelt of dat ze op eigen gewin uit is. Of is het de politiek, misschien wel de lafheid, van het hoofdkantoor van Artsen Zonder Kleur die hier te kijk wordt gezet. En wie is er schuldig als het een aanval op het kamp gruwelijk afloopt: het hoofdkantoor, de arts die onverantwoorde risico’s nam of degene die niet ingreep.
    Oostermans blijft in het kamp Bilonga in zekere zin de slappeling die hij in zijn liefdesrelaties was. Hij trekt in de machtsstrijd tussen Margot en Ullings geen partij en maakt geen duidelijke keuzes. Zo grijpt hij niet in als hij ontdekt dat Ibrahim een pistool bij zich draagt hoewel wapens in het kamp verboden zijn.

    Oostermans hoeft zich geen illusies te maken als hij onderhouden wordt door Jeroen Ullings: ‘Wat doen wij hier, Mark? Dag in, dag uit spannen wij ons in om levens te redden vanuit het idee dat deze mensen net zo goed als wij recht op leven hebben. Heel nobel van ons. Maar bekijk het ook eens van hun kant. Zij hebben niet het gevoel mensen te zijn als wij (…) In feite begrijpen ze hun belagers beter dan ze ons begrijpen. Onze motieven zijn hun duizend keer vreemder dan die van hun vijanden. We zien hen sterven, bij dozijnen, maar zien zij ons ooit sterven?’

    Wat in het licht van die laatste opmerking de rol van Ullings zelf bij het dramatische einde van de aanval op het kamp is, is een vraag voor de lezer. Die mag zich meteen ook de vraag stellen wat er met Oostermans is gebeurd na het lezen van deze roman. Want terug in België stopt Mark Oostermans zijn verslag bij Kristien in de bus. Het eindigt met ‘Laat dat voor nu het antwoord zijn op de vraag wat eigenlijk mijn probleem is. Later meer. Eerst moet jij dringend dit verhaal lezen, Kristien. Hooguit nog een uur of twee en dan sta ik bij jou voor de deur.’
    Zal Kristien open doen? Zouden wij, staande in de schoenen van Kristien, het doen?

     

  • Een lorriewagen door het landschap

    Een lorriewagen door het landschap

    Ik weet niet wat ik zie. Het lijkt een boomgroep met wat huizen eromheen die in de verte als een schip voor anker is gegaan. En links daarvan een oude treinrails op een dam vol kweldergras die ergens oplost in de zee. Achter mij gaat die roestige rails de dijk op om op het vaste land (Festland, noemen ze dat hier) zijn begin- of eindpunt te vinden, afhankelijk van of je vertrekt of aankomt.
    De boomgroep in de verte is een Hallig, lees ik later. De Halligen is een groep eilanden die geen natuurlijke bescherming hebben. Geen breed strand, geen duinen of een rotskust die het water keert. Het huis, de kerk, de boerderij is op een terp gebouwd en bij hoogwater loopt de omgeving onder. Landunter, heet dan het land.
    Als je op de Hallig Oland woonde kreeg je de beschikking over een lorrie (een hoge kist op wielen met twee bankjes) en met een zwengel kon je die kist via de dam op de rails naar Dagebüll rijden, achter de dijk waar ik nu zit. Zo was het. Dacht ik.

    Hoe bepaal je op zo’n enorme vlakte of er iets beweegt? Ik vergelijk twee punten met elkaar. Een witte paal op de kwelderdam, vanaf hier gezien de grootte van een lucifer en daarnaast een minuscuul zwart blokje.
    Gezichtsbedrog? Nee, verdomd. Zie ik het goed. Op de vlakte wordt de afstand tussen paal en blokje groter. Er beweegt iets. Een lorriewagen op de rails? Misschien komt de tijd van toen naar mij toe.
    De kist wordt groter, ik hoor de wielen bonken op de rails. Het wagentje heeft zelfs een dak, ik zie vier hoofden. Iemand zwaait naar me, steeds sneller komen ze mijn kant uit. Ik zwaai terug. De lorrie klimt de dijk op. Ik ren langs de rails, de kist passeert me.
    In een rommelige ruimte vind ik het eindpunt, er staan nog meer lorries. De mannen stappen uit en tillen zware tassen. Ik besluit dat ik alleen van deze plek vertrek als ik in die lorrie mee naar Oland kan.

     

    Een man – kalend, brilmontuur met gouden randen, een gepensioneerde internist, zoiets – maakt aanstalten om met de lorrie terug te keren. Ik begin een praatje. Hij heeft op Oland een huis gekocht en opgeknapt. Het is bijna klaar en hij heeft de werkers naar het Festland gebracht. Of ik met hem mee terug mag, vraag ik, even maar. Hij knikt vriendelijk maar weigert. ‘We willen sinds jaren geen bezoekers meer.’ Hij benadrukt het woordje ‘we’. Hij woont er nog maar net maar spreekt namens de anderen alsof het zijn beste vrienden zijn. Ik herhaal mijn verzoek niet, probeer hem af te leiden. Hij vertelt over de geschiedenis van de Halligen. ‘Ons erfgoed,’ zegt hij. ‘Als Halligers strijden we (toe maar) bij het Bundesland voor geld voor onderhoud. Het is immers een verdedigingslinie voor het vaste land vooral nu het klimaat verandert. In feite een wereldwonder…’

    Ik vertel hem dat ik publiceer over de wadden en dat ik graag zijn Hallig zou bezoeken. Hij kijkt omhoog, lijkt voors en tegens af te wegen. ‘Er komt een fotografe mee,’  zeg ik. Hij ziet zich staan voor zijn huis, een mooie foto van onderaf genomen. Afgedrukt in een glossy tijdschrift, dat achteloos op zijn salontafel ligt. Kan hij dat maken naar de andere bewoners die er al generaties wonen?
    ‘Nee,’ zegt hij te resoluut, ‘dat doen we niet.
    ‘Vanaf Schlüttsiel gaat er één keer per dag een veerboot naar de Halligen Hooge en Langeneβ. Als u langs de dijk fietst ziet u vanzelf de haven.’

    Met een flinke tegenwind ben ik na drie kwartier in Schlüttsiel. Een haventje, een restaurant, een openbaar toilet en dicht bij het water een wit hokje. ‘Tickets WDR’ staat erop een bord. Het is hier doodstil.
    Ik kan een kaartje kopen voor morgenochtend, de enige afvaart. Maar de dame achter het loket raadt het me af. Wellicht is er een plotselinge getijdeverandering of onverwachte storm, dan varen we niet uit, zoiets zegt ze, maar dan heeft u wel betaald. Ik weet niet of ik haar goed begrijp en krijg ineens ontzettende trek in een koud glas bier. Nee, ik koop nú een kaartje. Ze trekt haar schouders op.
    Bij het restaurant lees ik op de deur: ‘We zijn geopend van 11.30 tot 21.00 uur’. Op de deurpost een sticker: ‘Diesen Unternehmen sichert Qualität durch Ausbildung.’ Dat belooft wat, ik zie de tweede pils al voor me.
    Het is 17.30 uur. De deur is op slot.

    wordt vervolgd


    Hans Muiderman bezoekt eilanden en kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Hij reist van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Niet per se in die volgorde maar heen en weer springend.

     

    foto: Anneke van Kroonenburg
  • Kernachtige en vrijmoedige gedichten

    Kernachtige en vrijmoedige gedichten

    Terwijl ons beeld van Korea vooral bepaald wordt door een al decennia durende oorlog tussen Noord- en Zuid-Korea en een operettefiguur als Kim Jong-un, verschijnt er een boekje met vertalingen van Koreaanse shijo’s. Dit zijn drieregelige gedichten die voortkomen uit een gezongen traditie. De oudste dateren waarschijnlijk uit de dertiende eeuw.

    Samensteller en vertaler Boudewijn Walraven, emeritus hoogleraar Koreastudies, beschrijft in een korte, zeer verhelderende inleiding de ontstaansgeschiedenis van de shijo. Hij concentreerde zich voor deze bundel op de shijo’s die tussen 1600 en 1900 geschreven werden. Deze hadden een vrijmoedig karakter. Terwijl de oudere gedichten vaak de trouw aan de vorst bezongen, gaan de latere shijo’s, zoals de titel van het boek ook al aangeeft, over alledaagse onderwerpen als liefde, drank en zelfs lust. Dat levert natuurlijk een aantrekkelijk boekje op.

    Net als Frits Vos, die de shijo met de bundel Liefde rond, liefde vierkant in 1978 in Nederland introduceerde, heeft Walraven de drie lange regels in zes gelijke stukken verdeeld. De laatste twee regels heeft hij bovendien door een witregel gescheiden, omdat deze regels de wending in het gedicht bevatten. Er is hier bijvoorbeeld sprake van een verandering van standpunt of van het subjectieve standpunt na een objectieve bespreking, zoals in de volgende shijo van een anonieme dichter:

    Twee dingen: koel rijstwater
    na de roes van wijn
    en bij dageraad, als je minnaar wil gaan,
    opnieuw inslapen in zijn armen,

    Weet iemand
    hoe heerlijk dat is?

    Walraven besteedt in zijn bundel veel aandacht aan de ‘breedsprakige shijo’, die na 1700 vaker voorkwam, en waarin het middenstuk verlengd wordt. Hierdoor zijn de shijo’s twee of zelfs drie keer zo lang. De pointe van het gedicht wordt hierdoor uitgesteld waardoor die een nog groter effect heeft:

    In elkaar gedraaid en om elkaar gedraaid,
    worden de vezels van het vlas gesponnen.
    Breekt opeens de draad doormidden, dan
    wordt er even verstolen
    aan gesabbeld en gezogen
    tussen rode lippen en blanke tanden
    en fijne blanke handen wrijven
    de eindjes tegen elkaar,
    van die draad.

    Als jouw liefde breekt, doe ik
    als met die draad.

    De gedichten zijn over zeven thema’s verdeeld: naast Liefde, Drank en Lust, zijn er afdelingen over Boeddhisme, Metamorfosen en Terug naar de natuur. Elke thema wordt kort ingeleid. Sommige shijo’s worden onderaan de bladzijde van commentaar voorzien, wat voor extra verdieping zorgt en het leesplezier nog verder vergroot.
    Regelmatig wordt er door de shijo-dichter met verheven gevoelens de spot gedreven, die zelfs kan terugslaan op de dichter zelf:

    Mijn lief is voor mij
    als een das die de tijger uithangt
    waar geen tijger zich vertoont.
    Voor mijn lief ben ik niets meer
    dan een vogeltje dat zit te broeden

    onder een stakerige doornstruik
    zonder blaadjes.

    De gedichten hebben doorgaans een luchtig en speels karakter, ook als er sprake is van serieuze, diep doorvoelde emoties. De beelden zijn vaak enorm krachtig:

    Bergpassen zo hoog dat zelfs de wind
    ze niet zonder rusten kan overtrekken,
    bergpassen zo hoog dat zelfs de wolken
    ze niet zonder rusten kunnen overtrekken,
    de Changsǒng-pas met zijn hoge pieken,
    die de havik, de sperwer, de slechtvalk en de wouw
    niet zonder rusten kunnen overtrekken,

    zal ik overtrekken zonder éénmaal te rusten
    als ik jou daar vinden kan.

    Achterin het boek wordt in een apart hoofdstuk de onderlinge relatie tussen de shijo en de Koreaanse geschiedenis uiteengezet. De overgeleverde shijo’s blijken bij de oudere dichters vaak verband te houden met de belangrijke rol die de dichter in de geschiedenis heeft gespeeld. De shijo droeg dus bij aan zijn roem. Walraven geeft hiervan enkele mooie voorbeelden.
    Het doet je fantaseren dat een hedendaagse shijo-dichter de onderhandelingen van Kim Jong-un zou bezingen van wiens delegatie hij deel uitmaakt en zo Koreaanse én eigen geschiedenis zou schrijven.

     

  • De kunst van vertalen en vergeten schrijfster in vertaaltijdschrift Pluk

    De kunst van vertalen en vergeten schrijfster in vertaaltijdschrift Pluk

    In de inmiddels vijfde editie van vertaaltijdschrift Pluk is werk van tien buitenlandse schrijvers in vertaling opgenomen, waaronder een vergeten Engelse schrijfster. Een vertaler moet naast taalbeheersing, ook een goede neus hebben om literair waardevol werk naar voren te halen.
    De Engelse schrijfster Barbara Pym (1913-1980) ging de geschiedenis in als de meest onderschatte schrijfster van de vorige eeuw. Ze werd gevonden door vertaalster Engels, Anda Schippers.

    Volgens de New York Times, die in 2017 een artikel aan haar wijdde, is Barbara Pym ’forever being forgotten, and forever revived.’ In 1977 was haar eerste revival en zes jaar later opnieuw, maar echt doorbreken deed ze nooit. Haar boek Excellent Women (1952), is volgens de NYT haar meest perfecte en beroemde roman. In 1980 door Djuke Houweling vertaald als Geweldige vrouwen. Nog twee romans werden van haar vertaald maar ook in Nederland brak ze niet door.
    Daar komt wellicht verandering in nu Anda Schippers een fragment uit Pyms eerste roman Some tame Gazelle, heeft vertaald. Het fragment geeft een typisch Engelse setting weer van het dorpsleven rond een parochie en waarin twee zussen die op het platteland wonen, de hoofdrol spelen. Een roman die om een vertaling vraagt.

    Van de Frans/ Portugese schrijver Valério Romão (1974) is een kort verhaal in vertaling van Anne Lopes Michielsen opgenomen. Het verhaal ’Om je maar niet te zien’ ((uit de verhalenbundel Da família) zou je een typisch Portugees verhaal – voor wie de romans van António Lobo Antunes kent – kunnen noemen. Een zin van achttien regels is niet ongewoon. Interpuncties zijn schaars waardoor je het verhaal wordt ingezogen en er niet eerder van loskomt als de laatste punt gelezen is. Precies, net als bij Lobo Antunes. Het verhaal, waarin een man zijn kinderen bij zijn vrouw weghoudt om duistere redenen, zit onwrikbaar in elkaar.

    Dat er meerdere vertalingen mogelijk zijn van een en dezelfde tekst, laten de vertalers Pieter Scherpenberg en Jorrit Bosma zien. Beiden maakten ze een vertaling van een verhaal van de Amerikaanse kortverhaal schrijver Robert Coover. Deze dubbelvertaling ontstond tijdens een vertaal-slam, waarbij meerdere vertalers zich over een brontekst bogen. Daaruit bleek maar eens dat elke vertaler anders te werk gaat. Dit laat tevens zien dat vertalen zo eenvoudig nog niet is. Beide vertalers lichten hun vertaalkeuze toe waardoor de tekst aan betekenis wint, en soms verliest. Om de vertalers te kunnen volgen is het originele verhaal ook opgenomen: ‘Going for a beer’ dat door de een vertaald is als: ‘Een pilsje pakken’ en door de ander: ‘Even een biertje drinken’.

    Vertaalster Heleen Evenhuis vertaalde drie gedichten van de Chinees/Amerikaanse dichteres Wendy Chen vanuit het Engels. Geklonken poëzie, zoals water door een bedding gaat, een gevoel teweeg brengend van een helder stromen en tegelijk een onvermijdelijke donkere diepte laat zien. Hierbij twee strofen uit: 2 (1967): ‘De velden bolden als een bontdikke vacht / onder de middagzon. Mannen en vrouwen / Sloofden in zijn diepe plooien. // Ma was van streek; het verdriet / straalde van haar gezicht als vloeibaar / over de aarde gegoten maanlicht.’
    De vertaalster schrijft in haar inleiding op de poëzie van Chen, dat ze een dichter is ‘van wie we meer gaan horen’. Wat doet vermoeden dat haar bundel (Unearthing) vertaald zal gaan worden.

    Elke bijdrage in Pluk is als een schot in de roos voor de verwachtingsvolle lezer die geraakt, verrast en meegesleept wil worden. En al lezende komt het besef dat er nog veel moois te ontdekken valt in de onzichtbare boekenkasten van de wereldliteratuur. De vertalers staan in ieder geval klaar, nu de uitgevers nog. Denk overigens niet dat dit vertaaltijdschrift enkel voor vertalers is, bovenal is het voor de lezer die in Pluk zijn eigen literaire vondsten kan doen.

    Aan deze editie werkten nog de volgende  vertalers mee: Lies Lavrijsen, Lore Aertsen, Heleen Oomen, Ymke van de Staay, Myrthe van den Bogaert en het samenwerkingsverband In Triplo. Aan elke vertaling gaat een inleidend stukje vooraf met een kleine biografie van de auteur en een toelichting op het werk. Met grappige illustraties van Jelko Arts.

     

    PLUK verschijnt twee keer per jaar.
    Losse nummers 15 euro
    Voor een abonnement klik hier.