Wat is een allesverzengende liefde waard in een wereld die ten onder dreigt te gaan aan onverschilligheid ten aanzien van de natuur. Voor Yentl van Stokkum lijkt het een samengaan van twee grootheden, de liefde en onze natuurlijke omgeving. Ze vertaalt deze in dichtvorm zodat de verbinding goed voelbaar is, alsof het een niet zonder het ander kan bestaan. Liefde betekent vooruit voelen, de verwachting aanwakkeren van een toekomst vol passie en romantiek. Natuur staat in de achteruitversnelling, een aankondiging van afbraak die ons te wachten staat als er niets gebeurt om het tij te keren. Van Stokkum weet beiden te verwoorden als een onlosmakelijke twee-eenheid, de tegengestelde richting draagt juist bij aan de boodschap die ze hiermee afgeeft. In het eerste gedicht wordt op luchtige wijze een introductie gegeven:
‘alles wat volgt is een leugen
til niet te zwaar
(taal is niet gemaakt om te dragen haha)
maar liefste dit is waar wij zijn begonnen
midden in de pit van een zonsondergang
(vermoeide zucht)
warm en koel tegelijk
daar gaan we
terwijl het verdwijnend licht de vingers
over jouw ruggengraat laat lopen’
Het is de aankondiging van een naderend einde. De dichter praat onafgebroken tegen en over een geliefde, waarbij ze langzaam lijkt toe te werken naar een onvermijdelijke scheiding. Er worden oorzaken gezocht, verontschuldigingen gemaakt en twijfels geuit, maar het afscheid hangt al vanaf het begin in de lucht. Een afscheid dat verdrietig maakt en tegelijkertijd als een rationele transactie ondergaan lijkt te worden.
Complex bouwwerk
En ook de natuur moet eraan geloven. Van Stokkum stapelt het liefdesdrama laag voor laag op, afgewisseld met het natuurlijke verval. Er ontstaat een complex bouwwerk dat gestut door een zoekende toon overeind blijft. De stijgende zeespiegel, afbrokkelende ijskappen, weersextremen, alle vormen van kwetsbaarheid in de natuur worden aangehaald en in verband gebracht met de breuk in een liefdesrelatie.
‘maar even hè heb je de bomen zien buigen
heb je gezien hoe een heel bos kan buigen
we zijn nog niet in het stormseizoen beland
voor het gemak vergeet ik wat moet komen
druk een gebed op jouw schouder
het weer slaat om
niet ik die al het morgenrood de hemel in spuwt
asdeeltjes maken zich los uit mijn longen
schillen van granaatappelpitjes en de stelen van kersen
die ik opknoopte met mijn tong
ik laat alles los’
De gedichten slingeren zich schijnbaar onafgebroken over de pagina’s. Een relaas op zoek naar een uitlaatklep. Er is geen interpunctie, er zijn geen beginkapitalen en de lange titels houden het midden tussen een aankondiging en een eerste regel. Het is de voortstuwende gedachtegang die de worsteling van het moment goed weergeeft. De dichter gebruikt deze vorm doeltreffend, een onheilsboodschap om het einde in te luiden.
Tuurlijk had ik hem graag gehouden
al was het maar voor de fluorescerende nachten
waarin hij me vastpinde in bed
de zon ging maar niet onder
ik had het amper in de gaten
ik lette niet op die giftige gloed
zelfs de vogels waren stil
hij pelde mijn benen uit elkaar twee sinaasappelpartjes
en al dat vocht hij likte het op en ik had hem graag gehouden
ook al kende ik onze houdbaarheidsdatum alleen ik
hield die in de gaten ik telde
onze dagen
het zou kunnen dat ik liever niets aan toeval overlaat
Natuur en mensheid
De onstuimige intimiteit valt samen met de benoeming van alles wat er fout gaat in onze natuurlijke omgeving. Van Stokkum weet die grootheden prachtig te combineren en tot één boodschap te vervlechten. Het is indringend door de doorlopende urgentie, het ritme in de taal en de genuanceerde wisselwerking tussen het strikt persoonlijke en de algemene deler, de natuur.
Dat samenvloeien zorgt tegelijkertijd voor het allergrootste contrast die deze bundel zo sterk maakt. De grootsheid van de natuurlijke omgeving versus de nietige positie van de mens daarin. Het levert een spanningsveld op waarin de liefde balanceert tussen aantrekking en afstoting, terwijl de dichter woorden probeert te vinden om dit liefdesdrama een plek te geven. Dat die plek in de eeuwigheid van de ons omringende elementen is te vinden is een prachtig gegeven. Liefde is allesomvattend, juist in haar bizarre kronkelingen, en is in deze gedichten op een prachtige wijze verbeeld.
‘de vissen die uitsterven maken mij minder verdrietig
dan de dieren tegen wie ik aan wil kruipen
en ik houd me meer bezig met mijn geliefde
die wel of niet blijft (want iedereen weet dat geliefden net zo onvoorspelbaar zijn
als het weer) dan met het watertekort dat op ons wacht’










