Wright, Richard – Een van ons

Angst, vlucht, noodlot

Recensie door Anky Mulders

De schrijver van Native son — in het Nederlands Een van ons — is Richard Wright, een Afro-Amerikaanse schrijver en essayist die leefde van 1908 tot 1960. Zijn hoofdpersoon is Bigger Thomas, een zwarte jongen uit het Chicago van 1939, middenin de tijd van de Amerikaanse rassensegratie. Zwart en wit leefden strikt gescheiden. Afro-Amerikanen mochten alleen in voor hen bestemde treinen en bussen reizen, mochten enkel naar Zwarte scholen. Er waren gescheiden openbare toiletten, drinkwatervoorzieningen, restaurants en bedrijven. Witten beheersten de woningmarkt. Zwarten (de auteur schrijft Zwarten met een hoofdletter), mochten alleen wonen in door witten vastgestelde en afgezette woonwijken en betaalden voor dezelfde eenkamerwoning twee keer zoveel huur als witte mensen. Zwarten mochten niet stemmen, leefden onder het juk van witte wetten, werden niet geacht zelfstandig te denken en te voelen. 

Een van ons is ingedeeld in drie boeken. Boek een heet Angst. Bigger Thomas woont met zijn moeder, zusje en broertje in zo’n wijk waar mensen nauwelijks werk en geld hebben en voelt zich totaal onmachtig om iets aan zijn situatie te veranderen. Zijn gevoelens bestaan uit — veelal overschreeuwde — angst, schaamte en haat, ‘een haat die hij niet wilde maar er desondanks was’. Om de wanhoop niet te voelen gedraagt hij zich grof en harteloos tegen zijn moeder, zusje, broertje en vrienden. 

Biggers leven is al in de knop gebroken. Zijn ‘smeulende’ gevoelens kan hij niet plaatsen, het is Wright die vertelt dat zijn angst, onmacht, minderwaardigheidsgevoel en schuldgevoel zich vertalen in woede en haat. Bigger voelt pas dat iets in zijn binnenste de gelegenheid krijgt naar buiten te komen als hij geweld pleegt. Hij wordt heen en weer geslingerd tussen zich onderwerpen en eigen initiatief, weet niet waarom hij ‘iets wil bereiken wat er toch niet is’, begrijpt de aandrang niet waarmee hij zich op iets wil richten, weet niet waarop of waarom. Als een blinde tast hij rond in zijn leven. 

De moord

Bigger krijgt een baantje als chauffeur en een kamer bij de rijke witte familie Dalton. Meneer en mevrouw Dalton zijn ‘erg begaan met Zwarte mensen’, net als hun dochter Mary. Op de eerste avond moet Bigger Mary naar college brengen, maar Mary heeft andere plannen. Ze laat zich afzetten bij een gebouw waar ‘de rooien’ huizen. Bigger weet niet wat communisme inhoudt, alleen dat het een door de witten verafschuwd gevaar vormt. Mary komt weer buiten met haar vriend Jan die Bigger een hand wil geven. ‘Bigger verkrampte van spanning en angst (…) vroeg zich af of hij die witte man een hand moest geven.’ 

Schrijnend is dat Mary en Jan niets maar dan ook niets begrijpen van Biggers geestesgesteldheid. Zij beseffen niet hoe groot de kloof  is tussen hoe Bigger voelt en denkt en wat voor hen normaal is. Ze zeggen de verkeerde dingen; Mary wil ‘al heel lang eens kijken hoe jouw soort mensen woont’. Ze dringen zich op. Ze maken een ritje met Jan achter het stuur, Bigger ernaast en Mary komt ook voorin zitten. ‘Hij zat ingeklemd tussen twee witte mensen, tussen twee enorme wit opdoemende wanden.’ Ze dwingen hem — althans ze dringen zo aan dat Bigger niet durft te weigeren — in een restaurant met hen aan tafel te eten. Provocerend en triomfantelijk. Hij wordt voortdurend heen en weer geslingerd tussen verbazing, onbegrip en haat. ‘Hij werd witheet. Laat ze naar de hel lopen! (…) Wat wilden die lui? Waarom lieten ze hem niet met rust? Hij was ze toch niet tot last?’ 

De avond draait erop uit dat ze door toedoen van Mary en Jan alle drie te veel drinken. Vooral Mary is erg dronken als Bigger haar thuis voor de deur wil afzetten, ze kan niet op haar benen staan. Uit verantwoordelijkheidsgevoel helpt hij haar naar haar bed. Daar gaat het, met mevrouw Dalton onverwacht in de buurt, faliekant mis. Bigger wordt ‘overmand door een hysterische angst’, want Zwarten worden, ook als er geen sprake van is, gepakt of gelyncht voor verkrachting. Hij doodt Mary en bedenkt in paniek hoe hij van het lichaam af kan komen. We zijn dan nog niet op een kwart van het boek. 

Wright jaagt de lezer voort

Pagina’s lang beschrijft de auteur Biggers paniekerige beslissingen, handelingen en gedachten als hij Mary’s lichaam laat verdwijnen. Hij bedenkt een plan waardoor hij met geld weg kan komen en een ander de schuld zal krijgen en betrekt zijn vriendin erin. Deze Bessie stribbelt tegen, maar legt het lot van haar armzalige leven toch in handen van Bigger. Inmiddels zitten we in boek twee: Vlucht. 

Zintuiglijk verhaalt Wright wat Bigger doet, denkt en voelt, en wat hij niet voelt en niet begrijpt. Er is hitte en rode gloed van de kolen in de verwarmingsketel in het huis van de Daltons, wind beukt tegen ramen, sneeuw jaagt in het licht van de zaklantaarn, er is de geur van rottend hout, gehuil van de nachtwind en een krakend, leegstaand oud huis. Als Bigger een steen opheft met de bedoeling zijn vriendin te doden probeert ‘zijn hart zich uit zijn borst te wurmen’. Hij raakt in paniek, zijn armen zijn verlamd. Wright jaagt de lezer met het ene detail na het andere door het boek, hij neemt hem mee op Biggers vlucht, laat hem voelen wat Bigger voelt en laat hem begrijpen waarom Bigger handelt zoals hij handelt.

De politie drijft Bigger op met felle lichten over besneeuwde daken. Als ze hem hebben wordt hij aan zijn voeten over de grond gesleept. In de gevangenis overkomt een andere Zwarte hetzelfde. Na Biggers arrestatie begint boek drie: Noodlot. Een van de kranten schrijft: ‘in woord en gebaar ontbeert hij de charme van het gemiddelde, ongevaarlijke, vriendelijk glimlachende zuidelijke Zwartje dat zo geliefd is bij het Amerikaanse volk.’ Enig cynisme is Wright niet vreemd. De journalist ziet Bigger als ‘rimboebeest’, ‘Zwarte beul’, als ‘een ontbrekende schakel in de evolutie van aap tot mens’. Hij pleit voor rassenscheiding en voor het beperken van ‘kennisoverdracht aan negers’. ‘Wij hier in het zuiden zijn van mening dat het Noorden negers aanmoedigt om meer kennis te vergaren dan ze biologisch aankunnen.’

Basale onveiligheid

Een witte advocaat — die we nu een mensenrechtenadvocaat zouden noemen — werpt zich op als Biggers verdediger. Bigger zelf begrijpt niet dat hij door de witte bewaker, zijn advocaat en door Jan die hem niets kwalijk neemt, ‘netjes en normaal’ wordt behandeld. In de vragen van zijn advocaat voelt hij een erkenning van zíjn persoon en bestaan, ‘een erkenning die hij nooit eerder had ervaren’. Hoofdaanklager Buckley hitst de haat van de witten tegenover de zwarte bevolking via de kranten op en eist de doodstraf voor Bigger. Zijn advocaat probeert dat te voorkomen. 

Bigger probeerde voor zichzelf ‘een wereld te scheppen om in te leven’, wat steeds mislukt maar wat hij in de gevangenis nog steeds wil. Hij vraagt zich af: ‘Had die stem van de haat al niet lang voor zijn geboorte geklonken, en zou die na zijn dood niet nog steeds klinken?’ Tijdens het proces voelt hij de ‘weerloze schaamte’ van zijn familie ‘in het bijzijn van witte mensen’. Hoe groot de tragiek en onrechtvaardigheid is van de maatschappij waarin Bigger leeft toont Richard Wright als hij zijn hoofdpersoon laat denken: ‘Witte mensen vervolgden geen Zwarte die een andere Zwarte had vermoord.’

De auteur legt achterin het boek de totstandkoming ervan uit, zijn twijfel over een boek met een Zwarte als misdadiger. Hij laat zien hoe de benauwde visie die bij zowel wit als Zwart heerste, de beperkingen die Zwarten werden opgelegd, hun basale onveiligheid, de uitsluiting, hoe dat alles wel moest leiden tot psychische problemen die geregeld een uitweg vonden in ‘een wereld die bestond op het niveau van dierlijke driften’. Wright ‘kende vele Bigger Thomassen’, in verschillende gradaties. Niet alleen in eigen land zag hij een ‘modderpoel van menselijk leven’, hij signaleerde die ook in Nazi-Duitsland en Rusland. In Amerika voorzag hij de revolte die niet kon uitblijven. Zelf verruilde hij, het racisme zat, in 1947 Amerika voor Parijs, waar hij zich aansloot bij existentialistische kringen. 

De aanklacht tegen Bigger is terecht, maar nog meer terecht is Wrights aanklacht tegen het onvermijdelijke resultaat van de racistische omstandigheden. Een van ons zou door iedereen, wit en gekleurd, moeten worden gelezen.

 

 

Omslag Een van ons - Wright, Richard
Een van ons
Wright, Richard
Vertaling door: Molly van Gelder en Paul Bruijn
Oorspronkelijke titel: Native Son
Verschenen bij: Van Oorschot
ISBN: 9789028213036
488 pagina's
Prijs: € 29,95

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Anky Mulders:

Recent

Prachtig verstoorde rust
29 oktober 2025

Prachtig verstoorde rust

Over 'Opera der doden' van Autran Dourado
De complexe zoektocht van een adoptiekind
28 oktober 2025

De complexe zoektocht van een adoptiekind

Over 'Adoptica' van Emily Kocken
Wezenlijk contact via de telefoon
26 oktober 2025

Wezenlijk contact via de telefoon

Over 'Iets meer zoals een zon' van Sarah Jäger
Natte armen wijd open
23 oktober 2025

Natte armen wijd open

Over 'Neem ruim zei de zee' van Sholez Regazadeh
Postmodern meesterwerk uit Schotland
21 oktober 2025

Postmodern meesterwerk uit Schotland

Over 'Arm ding' van Alasdair Gray

Verwant

Score: 2
Score: 2