Lezen is soms voor je gevoel een tijdreis maken. In Wonderkind, het debuut van Willemijn Tillmans (1976) word je bijna voelbaar meegenomen naar de jaren tachtig, de tijd dus waarin zijzelf opgroeide. Madonna, Countdown en de Hitkrant, de overgang van elpees naar cd’s, Top Gun, Limara Romantic Fantasy (de deodorant), Treets, Tjolk en Domovla, het zijn voorbeelden van de sfeer uit die tijd die door het hele boek heen terloops genoemd worden zonder verder al te veel af te leiden. Het viewmasterschijfje op de cover zal bij menig lezer jeugdherinneringen oproepen, maar wellicht bij jongere lezers voor wat hoofdbrekens zorgen.
Hoofdpersonage Mia Compré (‘Weet je dat mijn naam mikpunt betekent als je hem omdraait?’) kijkt rond haar achtenveertigste in de proloog van het boek terug op haar jeugd. Ze kijkt naar een foto die gemaakt is op haar twaalfde verjaardag: ‘Iedere keer wanneer ik naar die foto kijk, zijn er drie Mia’s jarig: het meisje van twaalf naast haar fiets, de jonge vrouw van zestien die hanenpoterig cijfers in het fotopapier kerfde… en ik.’ Mia keert als volwassene jaarlijks terug naar Geldrop, de plaats waar haar vader ooit uit haar leven verdween. Die terugkeer heeft iets onvermijdelijks; niet voor niets begint het boek met het volgende motto van A.F.Th. van der Heijden: ‘Wie er zijn jeugd heeft doorgebracht, zit voor de rest van zijn leven in de armen van de octopus verstrikt. Je kunt er een loswrikken en dan nemen er onmiddellijk twee andere je in de accolade. Wat je voelt is de liefde van Geldrop voor jou: een dodelijke omhelzing.’
Mijn kleine treinstationnetje
Feit is dat Mia een verre van onbezorgde jeugd heeft gehad. Dat geldt eveneens voor haar oudere broers Thomas en Max, maar omdat het boek vanuit een ik-perspectief verteld wordt, krijg je daar minder van mee. Alle koosnaampjes die haar vader gebruikt voor Mia ten spijt (Mienemups, mijn kleine treinstationnetje), snakt Mia overduidelijk naar de onverdeelde aandacht van haar vader. Haar goudvissen noemt ze Papa en Mia. De moeder van Mia, Marjan, probeert vooral de boel bij elkaar te houden en dingen glad te strijken, zowel voor haar kinderen als voor haar echtgenoot en voor zichzelf. Zij blijft als personage helaas wat vlak.
Wim, de vader van Mia komt ziek thuis te zitten wanneer de subsidie voor de Ward-methode (een methode voor zangonderwijs die vooral werd gebruikt op katholieke basisscholen) niet wordt verlengd, omdat de beloofde resultaten uitblijven. Tot dan toe was zijn gedrag al op zijn minst bijzonder te noemen, maar het verlies van zijn werk leidt ertoe dat hij zich eigenlijk alleen maar verder terugtrekt uit het gezinsleven en steeds meer onaangepast gedrag gaat vertonen. Mia reageert daarop door bijvoorbeeld niet meer in haar bed te slapen maar op de vloer in een kast. Ook krijgt ze een meer dan gemiddelde belangstelling voor de seksuele ontwikkeling van haar eigen lichaam, later ook in relatie tot het andere geslacht. Ze wil ‘net zoveel varianten van mezelf kunnen zijn als Madonna in het clipje van ‘Who’s That Girl’.’ Haar vader wordt ondertussen steeds gewelddadiger. De hond heeft bijvoorbeeld plotseling een hersenschudding, en op de een of andere manier ziet Mia niet helder wat het aandeel van haar vader daarin is geweest. Daarnaast krijgt hij last van een bepaalde grootheidswaan en doet hij onverantwoord grote uitgaven voor zichzelf met het zorgvuldig door haar moeder bij elkaar gespaarde vakantiegeld. Ronduit onsmakelijk is de scène waarin Wim zichzelf met Mia opsluit in het toilet van een slaaptrein en vervolgens betrapt wordt door zijn vrouw, Mia’s moeder. Als lezer vraag je je steeds meer af wat er eigenlijk precies met deze man aan de hand is.
Achterflap
Op een gegeven moment verdwijnt Wim. Al eerder was hij een paar dagen spoorloos en kwam toch weer terug, maar op een gegeven moment is zijn verdwijning definitief. Ergens is het jammer dat op de achterflap al vermeld wordt dat dit het gegeven is waarom de roman draait en ook in de proloog wordt er al kort naar de verdwijning verwezen. Het boek zou echter krachtiger geweest zijn als de verdwijning meer als een verrassing gekomen was, omdat je nu best lang moet ‘wachten’ tot het zover is. Daarentegen is de druk waaronder het gezin gebukt gaat vanwege de psychische gesteldheid van de vader bijzonder goed weergegeven. De houding van Mia ten aanzien van haar vader wordt naarmate ze ouder wordt steeds kritischer, maar ze blijft ook loyaal.
Het laatste deel van het boek, Het kind en ik, is verreweg het sterkste en meest indrukwekkend, omdat Mia daar als volwassene terugkijkt op wat ze als kind heeft meegemaakt. De aanloop naar dat laatste deel is best lang, je volgt op dat moment al zo’n ruim driehonderd bladzijden het weinige wel en het vele wee van de familie Compré, dat vlot, met humor en soms enige ironie wordt beschreven. Willemijn Tillmans is zonder twijfel in staat om de aandacht vast te houden, maar vraagt met de omvang van haar debuut zeker wat van de lezer. Al met al is Wonderkind toch een plezierige leeservaring.











1 reactie
Ik vind Wonderkind veel verder gaan dan een plezierige leeservaring. Tillmans tovert beelden op mijn netvlies alsof het niets is, breekt ze weer af, husselt ze door elkaar en verbindt ze stiekem weer. Dat is de ultieme leeservaring. Dat is wat goede literatuur vermag. En ja, daar gunt ze ons als lezer wat tijd voor. En wat verwarring en wat plotselings.