Zelden zoveel slampampers bij elkaar gezien als in de roman Mensen naast het leven van de jonggestorven Duits-joodse auteur Ulrich Alexander Boschwitz (1915-1942). Slampampers maar ook overlevers. De roman werd in 1937 gepubliceerd, niet in het Duits, maar in het Zweeds. Boschwitz verliet Duitsland in 1935, emigreerde naar Zweden, waar hij de roman op zijn tweeëntwintigste schreef. Blijkbaar kreeg hij het Zweeds in korte tijd onder de knie. Hij vluchtte in 1939 naar Engeland, werd er kort geïnterneerd en daarna per boot naar Australië gedeporteerd. In 1942 kwam hij om het leven toen de boot, waarop hij van Australië naar Engeland terugvoer, werd getorpedeerd. In 2018 werd Mensen naast het leven pas voor het eerst in het Duits vertaald. Onlangs is het juweeltje in een uitstekende Nederlandse vertaling van Irene Dirkes door uitgeverij Oevers uitgebracht.
De roman speelt zich af in Berlijn in de beginjaren dertig, een verschrikkelijke tijd, voorafgaand aan het nazitijdperk. Boschwitz geeft een verbijsterend portret van een aantal werklozen, steuntrekkers en randfiguren die slachtoffer zijn geworden van hun gemankeerde opvoeding, opleiding en gezinssituatie en proberen te overleven in een wereld waarin er voor hen geen werk is. Deze mensen zijn op de een of andere manier met elkaar verweven en komen uiteindelijk in de apotheose van de roman samen in een café met de misleidende naam De Vrolijke Jager.
De slampampers en overlevers
De oude bedelaar Fundholz leeft van de pfennigs die hij bij elkaar bedelt, slaapt in een vochtige kelder. Een dikzak die de naam Tonnetje draagt, sleept hij uit mededogen overal met zich mee. Tonnetje heeft alleen belangstelling voor eten en slapen, spreekt in gebrekkige zinnen (‘Tonnetje honger’) en is een blok aan zijn been. Fundholz is, zoals de auteur zegt, een vogelverschrikker, ‘niet gekleed maar omhangen’ en al enkele malen wegens landloperij opgepakt. Hij probeert uit handen te blijven van de politie die hem van de straat wil hebben en onderbrengen in een werkkamp. Via Fundholz krijgen we inzicht in de strategie van de beroepsbedelaar, komisch maar ook mensonterend.
Dan heb je Grissman, een lafhartige werkloze, die zich te goed voelt voor eerdergenoemden. Hij bezint zich op het plegen van een grote misdaad waardoor hij rijk kan worden om zich uit zijn beklagenswaardige toestand te bevrijden. Grissman heeft geen enkel zelfvertrouwen, omdat hij denkt dat hij zelf de oorzaak is van zijn werkloosheid. Hij is naarstig op zoek naar een vriendin.
De chique hoer Minchen Lindner zit goed in de slappe was vanwege het herenbezoek dat zij iedere avond ontvangt. Zij is de enige met wat zelfvertrouwen. Zij onderhoudt haar aan lagerwal geraakte vader die door malversaties in zijn werk als gerechtsdienaar in de gevangenis is beland en daarna aan het zuipen is gegaan. Prachtig laat Boschwitz zien dat de snor van haar vader het toonbeeld is van gezag en positie in het begin van de twintigste eeuw (Kaiser, officieren). Deze snor wordt in de gevangenis afgeschoren. Boschwitz begrijpt de symbolen van zijn tijd.
Tenslotte is er nog de blinde man Sonnenberg, die zijn handicap heeft opgelopen in de Eerste Wereldoorlog. Hij houdt zich in leven met de verkoop van lucifers en het spelen op de trekharmonica. Heel mooi beschrijft Boschwitz de psychologie van de aalmoesgevers: ‘Als ze Sonnenberg tien pfennig gaven, dan wilden ze niet alleen hem helpen, ze wilden tevens investeren in het nobele gevoel ruimhartig te zijn.’ Sonnenberg reageert zijn eigen frustraties af op zijn vrouw Elsi, die bang voor hem is en van hem af wil. Dat leidt tot prachtig geschreven afschuwelijke scènes van een in zijn woede bijna stikkende blinde man die zijn vrouw verrot scheldt en fijnknijpt en daarna spijt heeft.
Zij die het gelag betalen
Boschwitz beschrijft zijn hoofdpersonen ironisch en vol mededogen. De schrijver laat zien dat deze mensen het slachtoffer zijn van maatschappelijke en economische ontwikkelingen die niet door hen veroorzaakt zijn. Tussen de verhalen over de mensen door besteedt hij aandacht aan thema’s als rationalisatie, de term die toentertijd gebruikt werd voor de strikte tijdsbeschrijving van het productieproces, waardoor arbeidskrachten werden opgedreven tot hogere productie in dezelfde tijd en mensen zonder werk kwamen te zitten. De term rationalisatie werd internationaal gebruikt en had in de jaren dertig eenzelfde verachtelijke klank als voor sommigen de term ‘globalisering’ nu.
De roman bevat prachtige scènes waarin de hoofdpersonen met al hun gebreken worden getoond. Het gaat stuk voor stuk om mensen die in hun leven spreekwoordelijk het gelag moeten betalen, maar daar zelf weinig of niets aan kunnen veranderen. De roman blinkt ook uit in scènes waarin bepaalde opvattingen worden geridiculiseerd. Zo wordt de onnozele Tonnetje op een bankje in het park door een vreemdeling, genaamd Müller, getrakteerd op beschouwingen over de ware schuldigen van de malaise in de wereld: de joden en de vrijmetselaars, zoals dat al in de Protocollen van Zion staat vermeld. De man oreert over mensen als Ludendorff, de generaal die van mening was dat Duitsland in de Eerste Wereldoorlog een dolk in de rug was gestoken door het thuisfront, met name door joden. Hij praat ook honderduit over vrijmetselaars als Schiller en Goethe. Tonnetje denkt dat het om groentes gaat die hij nog nooit heeft gegeten, want hij eet enkel koolrapen, zijn lievelingsgerecht. Als Müller hem vraagt of hij een vrijmetselaar is en Tonnetje uit angst ‘ja’ knikt, is dat voor de man de bevestiging dat die vrijmetselaars overal zitten. Hij loopt boos weg en Tonnetje blijft peinzend achter: ‘Schiller, dacht hij, hoe zou dat smaken? Hij had de zoetige smaak van gedroogde pruimen nog in zijn mond. Of dat Schiller was? Hij zou het niet weten.’ Alleen al deze en vele andere schitterende scènes maken het lezen van dit boek tot een genot.
Ook schrijft Boschwitz prachtige beschouwingen, bijvoorbeeld over wat honger met mensen doet: ‘Honger is de beste kok wordt gezegd, maar ook een uitstekend kalmeringsmiddel. Mensen die wekenlang niets te eten hebben zijn in de meeste gevallen bereid de onjuistheid van hun standpunt in te zien. Meningen en opvattingen worden vale schimmen wanneer je ze niet kunt voeden.’
Vernietiging van ‘hele volksstammen’
Aan het einde van de roman komen alle hoofdpersonen van de roman samen in café De Vrolijke Jager. Het café is de pleisterplaats van een groep pooiers die om de politie te misleiden doen alsof ze een zangkoor zijn. Een van de pooiers is Mooie Wilhelm, een jongeman van 26 die bij toeval in het beroep terecht is gekomen. Hij wil eruit, probeert een normale baan te vinden en besluit de pooiersvergadering van zijn beslissing op de hoogte te stellen. Maar zijn goede bedoelingen worden doorkruist door de harde realiteit. Er breekt namelijk een gevecht uit tussen de oersterke blinde harmonicaspeler Sonnenberg en de slapjanus Grissman. De schrijver gebruikt vele bladzijden om de confrontatie tussen deze kemphanen te beschrijven. Het is de apotheose van een boek waarin de beschrijving van de gevoelens van de vechtersbazen samengaat met algemeen maatschappelijke beschouwingen. De confrontatie tussen Sonnenberg en Grissman is een onvermijdelijke, gewelddadige botsing tussen twee mensen die door de omstandigheden vervreemd zijn van het gevoel dat ze nog enige betekenis hebben in de samenleving. Deze confrontatie geeft Boschwitz aanleiding te filosoferen over de totale vernietiging van ‘hele volksstammen’. Volgens de auteur is het te verwachten dat in de volgende jaren nog andere vernietigingen zullen plaatsvinden. Er is een alomvattend gevecht aanstaande waar iedereen bij betrokken zal worden.
Door deze profetische laag stijgt het boek uit boven het niveau van een komisch en bizar verhaal en dringt Boschwitz door in de kern van de tot ondergang gedoemde samenleving van zijn tijd.









