En tóch gebeurt het. In Tomas Lieskes nieuwste roman Wij van de Ripetta ontmoeten de Engelse dichter Shakespeare en de Italiaanse schilder Michelangelo Merisi da Caravaggio elkaar in het 16e eeuwse Rome en trekken ze kort samen op. Zij zijn twee belangrijke personages in de roman. De ‘Wij’ van de Ripetta zijn de stamgasten van het wijnlokaal Ripetta waar de meeste ontmoetingen plaatsvinden. Zij zijn de ‘toeschouwers’, de ‘beschouwers van de lijnen van het lot’, de plukkers van de dag, de vinophilen, wankelmoedigen, dromers, de gasten die achterblijven. Het verhaal wordt met name verteld door een alwetende verteller, maar in de meeste van de zeven hoofdstukken ook deels door deze stamgasten en vanuit hun perspectief leert de lezer de hoofdpersonages vooral kennen. Als een rode draad lopen de kroegscènes door de roman, scènes die een feest om te lezen zijn voor de lezer, die aanschuift bij de gasten in de stamkroeg, denkbeeldig meedrinkt en toehoort, vertrouwd raakt met het meer of minder gezellige gezelschap en mét hen hoopt op een goede afloop.
In het begin van het boek trekt Caravaggio te voet door de Maremma, een kuststreek ten noorden van Rome. De schilder wil weer terug naar Rome, want hij heeft ‘genoeg gezien en in zijn herinnering opgeslagen om alles wat hij aan Bijbelse voorstellingen zou schilderen een landschap te geven (…)’. De ontmoeting met de twaalfjarige onbevangen en vrolijke kwebbelkous Francesco, ‘Cecco’, is een bonus. ‘Ik heb je in het licht gevonden’, zegt Caravaggio en de twee trekken vanaf dat moment gezamenlijk verder. Stiekem zijn hiermee Carvaggio’s belangrijkste handelsmerken uit de doeken gedaan. Al in de Maremma ziet de schilder voor zich hoe hij ‘de hele Bijbel tot geschilderde werkelijkheid van nu en hier wil maken’. Hij hanteert in zijn werk een voor die tijd vernieuwende naturalistische stijl en gebruikt claire-obscureffecten, zoals duidelijk op de omslag van het boek, waarop een afbeelding van Caravaggio’s ‘De roeping van Matteüs’ uit 1599 prijkt – een beeld dat overigens ook een associatie met een stamtafel in de kroeg oproept.
De schrijver en de schilder
De relatie tussen de weerbarstige kunstenaar en zijn jonge vriend is warm en herkenbaar beschreven. ‘Alles kan, als je maar gelooft’, beweert de jonge Cecco. Dat vrolijke optimisme is aanstekelijk, maar een grotemensenwerkelijkheid blijkt toch wat weerbarstiger. Bij aankomst in Rome zijn ze getuige van een nare gewelddadige vechtpartij die Caravaggio later in nachtmerries blijft achtervolgen. De schilder en zijn jonge vriend wonen samen in Rome. Cecco verleent in huis en bij Caravaggio’s werk de nodige hand- en spandiensten. Ook staat hij model voor een schilderij van Johannes de Doper dat Caravaggio maakt in opdracht van de Ciriaco Mattei, een broer van de kardinaal. Er wordt gefluisterd over een intiemer relatie tussen beiden, maar in deze roman is Cecco geen ‘bardassa’, schandknaap.
Will, William, ‘Shaksbird’ doet zijn indrukwekkende intrede in de Ripetta op een middag van een van de allereerste jaren van de zeventiende eeuw. De stamgasten reageren verrast maar vooral geïmponeerd, schilder en schrijver herkennen in elkaar iemand om serieus te nemen. De schrijver en zijn werk en afkomst roepen veel vragen op en dat brengt nieuwe vaart en vrolijkheid in de roman. Will spreekt een ‘zwalkend Italiaans’, hij heeft het bijvoorbeeld over een ‘afluistervink’ of iemand die een ‘beenblok’ is en er zijn grappige verwijzingen naar werk van Shakespeare zoals ‘mijn koninkrijk voor een jas’ en de midzomernacht die meerdere keren langskomt. De stamgasten zijn vooral argwanend over zijn protestants-Britse achtergrond, maar katholiek of protestant is voor Will niet zo relevant: ‘Toneel is mijn geloof’, stelt hij. Hij legt overeenkomsten uit tussen het toneel in zijn thuisland en de paus in de Italiaanse kerk en betoogt dat het in zijn stukken, die veelal in een ver verleden spelen, net als bij Caravaggio’s werk in feite gaat over ‘de politiek van vandaag’ en ‘de keuze tussen goed en kwaad’. In de apotheose van de roman wordt een gelegenheidsstuk van de toneelschrijver opgevoerd door en voor de stamgasten. Vreemdeling Will, die weer terug naar het Britse moet, helpt hiermee zijn kunstbroeder Caravaggio bedoeld of onbedoeld tegen zijn nachtmerries. Hij geeft hem op de valreep ook nog een belangrijk advies voor zijn nieuwste Johannes de Doperopdracht.
Tomas Lieske heeft in 2024 de Constantijn Huygensprijs ontvangen voor zijn hele oeuvre. De jury spreekt onder andere van een fascinatie in zijn werk voor grensgebieden tussen verleden en heden en goed en kwaad. ‘De romans en gedichten van Lieske roepen (…) werelden op waarin wat bestaat niet belangrijker is dan wat niet bestaat.’ Wie werk van Lieske wel eens (te) absurd of surrealistisch vindt, zoals bij de bekroonde titels Franklin (2000, Inktaapprijs) of Niets dat hier hemelt (2023, Bordewijkprijs en nominatie Libris), kan zich zonder zorgen aan deze laatste Ripettaroman wagen. Lieske beschrijft hierin namelijk weliswaar een gebeurtenis die ‘niet kan’, althans onwaarschijnlijk is, en die nooit gebeurd is (voor zover we weten hebben Shakespeare en Caravaggio elkaar nooit ontmoet) maar hij doet dat geloofwaardig en heel realistisch. Wij van de Ripetta is een mooi geschreven, interessant en grappig boek met een vertelling waar je als lezer op een prettige manier in meegenomen wordt.











