De eerste druk van Vriend van verdienste verscheen in 1985. Veertig jaar later hertaalde Thomas Rosenboom zijn eerste roman. De vijftiende druk komt uit als hardcover in een jubileumeditie.
Hoofdpersoon van de roman is de zestienjarige Theo Altink. Zijn moeder overleed toen hij zes was. Zijn broer zit in een ‘verbeteringsgesticht’. Theo dreigt ook op het slechte pad te raken; hij heeft al een winkeldiefstal gepleegd. Met zijn vader woont hij op een boerderij, maar veel contact heeft hij niet met hem. Theo maakt het huis schoon. Daarnaast brengt hij veel tijd buiten door. Met zijn getemde kraai Rokko jaagt hij met vergiftigd aas om dieren te vangen om ze op te zetten. In de tuinschuur is hij bezig met het prepareren van een wezel. Hij heeft ook een compostkuil, een ‘broeiberg’, waarin hij bederfelijk afval verzamelt. ‘Het ging hem erom de verrotting zo ver te voeren dat ze zou omslaan in haar tegendeel, een tendens naar zuiverheid en de vorming van een nieuwe ongemengde stof.’ De eigenschappen van al het materiaal in de broeiberg zouden na een omslag zijn ‘samengevat in de nieuwe stof die er in de diepte ontstaan zou… Daar was hij op uit, de stof van alle stoffen, de som van de eigenschappen, een chemisch wit.’ Theo leeft hij in zijn eigen wereld zonder veel sociale contacten. Hij gaat wel om met zijn enige vriend Freddie. Zijn vader is tegen die vriendschap, omdat Freddie een slechte invloed op Theo zou hebben.
Behoefte aan vriendschap
Via Freddie wil Theo in contact komen met de twee broers Van Hall, Otto (19) en Pieter (17) die in een villa wonen. Daarvoor is volgens Freddie wel een ‘inbreng’ nodig, iets te eten en iets te drinken meenemen. Zo komt hij op een dansfeestje. Theo wil graag vrienden worden met Otto door zich ‘in zijn dienst’ te stellen, ‘de vriendschap zou vervolgens niet uit kunnen blijven.’ Otto vraagt hem bij de buren een sextant te stelen: ‘Ik had dat aan niemand anders durven vragen, Theo, je bewijst me een geweldige dienst.’ Als Theo later wordt aangehouden met een gestolen bromfiets, vlucht hij voor de politie. Hij duikt onder in de villa. Hij mag een nachtje blijven, en later nog een nachtje. De broers dringen erop aan dat hij zich aangeeft. Maar Theo wil niet weg; hij dreigt Otto aan te geven omdat hij hem heeft aangezet tot het stelen van de sextant. De broers kunnen hem niet meer laten gaan als hij al zo lang vermist is. Zij hebben hem immers onttrokken aan de ouderlijke en rechterlijke macht. Na zijn dreigementen houden zij de deur van de torenkamer op slot.
Ondergedoken of gevangen
Pieter brengt hem af en toe eten en een emmer waarop hij zijn behoefte kan doen. In de verduisterde en stinkende torenkamer krijgt hij zo’n dorst dat hij uit die emmer uiteindelijk ook drinkt. In totaal zit hij daar een maand lang gevangen, in een ‘toestand van troebele, woordeloze mijmering, die allengs uitdoofde in volstrekte ledigheid.’ Theo denkt terug aan zijn broeiberg: ‘de hitte, de stank en de rottenis om mij heen, peinsde hij, dat is allemaal precies hetzelfde als in de broeiberg /…/ ik word voos en verslijm /…/, maar als het ten slotte niet erger meer kan worden, dan zal ik witter zijn dan sneeuw! Ik word een nieuwe jongen… de ander!’ Otto komt na lange tijd bij hem langs in de torenkamer om hem te vertellen dat ze een ‘buitenlandse reis’ voor hem aan het regelen zijn. In werkelijkheid hebben zij andere plannen…
Baarnse moordzaak
Rosenboom heeft in meerdere interviews verteld dat hij zich voor deze roman heeft laten inspireren door de Baarnse moordzaak. Begin jaren zestig vermoordden twee jongens uit een rijke familie samen met een vriend een veertienjarige jongen en zij dumpten zijn lichaam in een stapelput in de tuin. Met deze zaak als uitgangspunt, maakt Rosenboom van deze geschiedenis een eigen verhaal met een knappe structuur. Hij laat alle verhaallijntjes mooi samen komen, met veel oog voor detail. Een mooi voorbeeld is hoe Theo’s geblokte overhemd uit het eerste hoofdstuk terugkomt in het laatste.
Bijzonder taalgebruik
Bij lezing van deze roman vallen vooral het taalgebruik en de bijzondere natuurbeschrijvingen op. Rosenboom heeft eens gezegd dat hij als schrijver de volle breedte van de Nederlandse taal wil benutten. Daarbij gebruikt hij minder gangbare woorden en uitdrukkingen. ‘Sissende geluiden uitstotend, maar nog op brieke benen ging hij omlaag het dijkje af.’ In een natuurbeschrijving verwijst hij naar ‘de heumige geur van de bodem.’
De natuurbeschrijvingen en de beeldspraak ondersteunen de gemoedstoestand en de eenzaamheid van de zestienjarige hoofdpersoon: ‘hij bevond zich in een benauwde koepel van matglas’. Deze ‘benauwde koepel’ geeft treffend aan hoe Theo in zijn eigen wereld gevangen zit. Zijn hoofd is als een ‘kookpot’ waarin van alles borrelt en gist.
Het is lovenswaardig dat Querido de debuutroman van Rosenboom opnieuw heeft uitgebracht. Lezen van dit boek is vergelijkbaar met een ritje in een draaimolen. Je komt er duizelig of zelfs misselijk uit, vooral door de expliciete beschrijvingen van rottigheid en viezigheid. Maar bovenal levert (her)lezing van Vriend van verdienste je een bijzondere leeservaring op door de inkijk in Theo’s leefwereld en de verrassende afloop van de roman.











