Tezer Özlü heeft hoge verwachtingen van haar lezers. De kille nachten van de jeugd is bepaald geen simpele, chronologische vertelling. Op de eerste paar bladzijden is het al opletten geblazen, want zodra je je aandacht even hebt laten verslappen, vraag je je af waar en wanneer een scène speelt. Je komt niets te weten dat de verteller zich niet op dat precieze moment herinnert. De lezer is aan haar grillen overgeleverd, van hot naar her. En, als je net denkt dat je de draad weer hebt opgepakt, maakt Özlü opnieuw een sprong in tijd en plaats, alsof ze wil zeggen: het doet er niet toe of je het begrijpt of niet, als je maar weet dat ik je heb opgesloten in het hoofd van mijn verteller, waar geen enkele ervaring ooit echt tot het verleden behoort.
In dat hoofd gebeuren verontrustende dingen: ‘De gedachte aan de dood achtervolgt me. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat speel ik met de gedachte een eind aan mijn leven te maken. Niet dat er een bepaalde reden voor is. Je kunt leven of niet, het maakt niet uit.’ Wat erbuiten gebeurt is nog verontrustender. De onrust in de samenleving, de staatsrepressie, de staatsgrepen en, meer persoonlijk, de opnames in psychiatrische klinieken waar de behandeling met elektroshocks meer weg heeft van marteling dan van een manier om beter te worden en de machteloosheid van patiënten benadrukt wordt door seksueel misbruik en geweld. Wie op zoek is naar de feiten, naar gebeurtenissen die elkaar logisch opvolgen komt bedrogen uit. Door het hele boek heen weeft Özlü de herinneringen van de verteller associatief door elkaar: haar reizen naar Berlijn en Parijs, haar seksuele ervaringen met mannen, de geestesziekte die weer de kop opsteekt.
Onderdrukking van gewone burgers
Özlü’s naamloze verteller groeit de eerste paar jaren op in een klein provincieplaatsje en daarna in Istanbul. Het huwelijk van haar ouders is slecht. Haar vader probeert thuis een militaire discipline te handhaven, er is geen warmte tussen hem en zijn vrouw. Ze heeft een goede relatie met haar zus, ze slapen in elkaars armen. Tussen haar en haar broer is er weinig liefde. Ze moet zijn modderige schoenen poetsen en mag zijn boeken niet aanraken zonder het eerst te vragen. Na haar zelfmoordpoging — ze slikt een grote hoeveelheid pillen en komt voor het eerst in een psychiatrische inrichting terecht — vraagt hij waarom ze het heeft gedaan. ‘Die boeken van Aziz Nesin,’ zegt ze, ‘over de burgerlijkheid, wat er mis is in de maatschappij.’ Nesin (1915 – 1995) was een schrijver die zich uitsprak tegen de onderdrukking van gewone burgers, tegen de bureaucratie en tegen economische ongelijkheid. ‘Mijn ideeën en mijn daden hebben maar één doel,’ zegt de verteller een stuk verderop in het boek, ‘en dat is het slechten van de benauwende grenzen die de vrijheden van de kleine burgerij inperken.’
Opgroeien in woede
De kille nachten van de jeugd werd in 1980 voor het eerst in Turkije gepubliceerd, zes jaar voor Özlü’s vroegtijdige dood. Ze stierf op drieënveertigjarige leeftijd aan borstkanker. De nieuwe vertaling (de eerste verscheen in 1985 onder de titel Kille nachten) is gemaakt door Hanneke van der Heijden, die ook het nawoord heeft geschreven.
Het boek gaat over de periode van 1960 tot 1980, over de politieke en economische situatie in Turkije toen en vooral over hoe die doorwerkte in het dagelijkse leven van meisjes en vrouwen. Drie staatsgrepen, de onderdrukking van vreedzaam protest, het geweld op straat en op universiteiten, Özlü benoemt grote gebeurtenissen zijdelings. Het gaat haar om repressie in de persoonlijke sfeer, de onderdrukking van vrouwelijke seksualiteit, de stringente normen die gelden voor het gedrag van meisjes en vrouwen. Dat is de wereld waarin Özlü en haar tijdgenoten opgroeien, een wereld die haar razend maakt.
‘We groeien op in woede. Woede over de wijk, de straat waar we wonen, over de kamers, de spullen, de bedden met de versleten en doorgezakte kapokmatrassen, waar we het ’s winters nauwelijks warm in kunnen krijgen’. Alleen op straat is er leven. ‘Wat mooi is, wat echt is, zijn de mensen van de stad, de drukte, de buitenwereld.’ Juist die buitenwereld is niet bedoeld voor vrouwen, de verlangens van de hoofdpersoon, naar liefde, naar seks, naar vrijheid botsen met de repressieve sociale mores. Özlü zegt misschien niet letterlijk dat dat is wat haar verteller ziek maakt, maar het spreekt uit iedere zin.
De pijn en het leed van het land
De kille nachten van de jeugd bestaat uit vier hoofdstukken en als je na het lezen van de eerste drie snakt naar verlossing uit het hoofd en het leven van de verteller, ben je niet de enige. De verteller zelf hunkert naar haar vroege jeugd, of eigenlijk: naar de natuur die ze zich van vroeger herinnert en de verbondenheid met haar zusje. Het vierde hoofdstuk is kort, twaalf bladzijden, en de titel geeft hoop, ‘Terug naar de Middellandse zee’. Daar vindt de verteller niet alleen zichzelf maar ook de verbinding met anderen, aan zee wacht ze op ‘de zon van duizenden jaren’, een constante schoonheid in een wereld die continu en gewelddadig omwentelt. Toch is ook hier geen echte ontsnapping mogelijk. ‘Allemaal voelen ze [mijn vrienden] de pijn en het leed van het land en spannen ze zich in, in de hoop dat het bestel verandert.’ Een aantal van die vrienden sterft kort na elkaar, veertigers nog maar, een lot dat ook de schrijver zelf treft.
Özlü’s boek is een verontrustende en desoriënterende roman. De opeenvolging van herinneringen benauwt, zeker als het gaat om de opnames in psychiatrische instellingen. Dat is meteen ook de kracht van het boek, de onverbiddelijke manier waarop Özlü haar lezers meesleurt in het innerlijke leven van haar verteller, de eerlijkheid waarmee ze er verslag van doet. Dat Özlü zo jong gestorven is, is daarmee niet alleen een persoonlijk drama maar ook een gemis voor de literatuur. Gelukkig verschijnt er in 2025 nog een vertaling van een werk van haar hand, getiteld Reis naar het einde van het leven.










