Liefde in oorlogstijd verscheen voor het eerst in 2004. De meeste van de door Steffie van den Oord geïnterviewden waren toen in de tachtig. Nu, bij het verschijnen van de zevende druk en tachtig jaar na de bevrijding, zal waarschijnlijk niemand van hen nog in leven zijn en blijven alleen hun verhalen over. Daarom is het goed en gepast dat het boek nog eens is herdrukt. ‘Wat zijn ‘goed’ en ‘fout’ in de liefde?’ vraagt Van den Oord zich af in haar korte voorwoord. ‘Niets!’ is het antwoord van een van haar gesprekspartners.
Dit kenmerkt meteen de journalistieke insteek van Liefde in oorlogstijd; nergens waagt Van den Oord zich aan een oordeel over het objectief gezien soms toch dubieuze morele gehalte van de relaties die zij beschrijft. De oorlog is een decor, een omstandigheid, uiteraard met impact op de liefdesverhoudingen, maar waar het om gaat is de oprechtheid van de gevoelens. Tegelijk geeft het boek een verhelderend beeld van een aspect van de oorlog dat altijd veel minder aandacht heeft gekregen dan traditionele thema’s als verzet, verraad, heldendom, dood en vernietiging.
Zo mooi, zo groots
Achttien verhalen telt Liefde in oorlogstijd. De aard van de relaties verschilt per keer. Een meisje uit Rotterdam met een Duitse marinier. Twee jonge Joodse buren. Een homoseksueel stel in de Duitse oorlogsindustrie. Een zigeunermeisje en haar minnaar in Auschwitz. Een Groningse Joodse slagersknecht en een van de dochters van de mensen bij wie hij in onderduik zit. Een Indo-meisje in Makassar en een Japanse officier. Vanzelfsprekend worden de ongewone, vaak riskante verliefdheden door de directe omgeving (familie, buren, bezetter) niet altijd op prijs gesteld, laat staan aangemoedigd. Maar liefde overwint alles, althans zolang de omstandigheden meewerken. Dat is lang niet altijd het geval.
Deportaties, tewerkstelling, toeval, domme pech, dood, onwetendheid, misverstanden, detentie, van alles gooide roet in het eten. Soms vonden geliefden elkaar na de oorlog terug, in enkele gevallen na een terugreis die doet denken aan Primo Levi’s Het respijt. Dikwijls zat er niets anders op dan de hoop op hereniging op te geven en maar iemand anders te kiezen, het leven gaat door – al blijft altijd de herinnering aan de liefde van het leven: ‘Ik wil niet bij de man in het graf. Ik wil bij zijn broer zijn als ik dood ben, bij Frans,’ zegt Maria Urlings-Jacobs. Haar verloofde kwam op de laatste oorlogsdag om het leven door een wanhopig Duits bombardement. Frans’ broer Harrie was zijn vrouw verloren en moest vier kinderen opvoeden: ‘Daarom ben ik toch maar getrouwd,’ aldus Maria. ‘Maar als je de grote liefde ontmoet maar weer verliest, dan valt het leven daarna zo tegen. Niets is meer zo mooi, zo groots. Het wordt nooit meer wat het geweest is.’
Wegkijken
Opvallend is de neiging van sommige geïnterviewden om weg te kijken van de realiteit van de oorlog – vaak om hun keuzes en handelingen te verklaren of goed te praten. Een paar voorbeelden uit ‘De Wagenführer’, het verhaal over Frans Otten uit Nijmegen, die vrijwillig naar Duitsland ging om te werken in de oorlogsindustrie en ter plekke verkering kreeg met een Duits meisje. ‘Je kon toch niet voor de vijand gaan werken? Nou ja, de vijand… da’s een groot woord.’ ‘Ik werkte nu voor de Duitsers. Van het leer uit onze fabriek werden ook soldatenlaarzen gemaakt – dat zal best ja. Daar prakkeseerde je niet over. (…) Wat wist je van oorlog?’ ‘Dat de mannen, met wier vrouwen ik vree, aan het vechten waren… ach, daar prakkeseerde je niet over.’
‘Ik had het er goed vanaf gebracht in Duitsland. Nooit moeilijkheden gehad. Het was eigenlijk gewoon fantastisch geweest.’ In ‘De matroos en het meisje’: ‘Over de oorlog hebben we helemaal niet gesproken. (…) Als je jong bent en zó gelukkig, wat interesseert je een oorlog dan?’ Maurits en Catharina van Thijn vonden elkaar terug na de oorlog en vestigden zich in Israël: ‘Een heerlijk land; de bergen, de zee. En de oorlogen… ze komen en gaan. Je wordt immuun voor erge dingen.’ In die relativerende houding zit kennelijk een belangrijk deel van de kracht die de verliefden nodig hadden om zichzelf, elkaar en hun liefde op de been te houden.
Aangrijpend genoeg
Liefde in oorlogstijd is zeer goed geschreven. Bijna té goed. Een groot deel van de verhalen is verwoord in de directe rede van de geïnterviewden. Maar het is onwaarschijnlijk dat die ze al de zinnen ook daadwerkelijk zó uitgesproken hebben. Soms worden vertaalde teksten doorspekt met woorden in de originele taal. ‘Die ferrekte oarloch giet noait mear oer’ lees je dan ineens in het verhaal over Wytske uit Heerenveen. Hier is een schrijver aan het werk, en niet een verteller. Iemand zegt: ‘Op 23 september, een nevelig vroege ochtend, kwamen we in Auschwitz aan.’ Dat is literatuur, geen spreektaal. ‘’s Zomers trokken we van dorp tot dorp, door heuvelachtige landschappen met rode papavers en blauwe korenbloemen, langs dichtbegroeide, bijna zwarte wouden.’ Hier is danig geredigeerd, want niemand praat zo. Op zich komt deze verliteraturisering de leesbaarheid natuurlijk ten goede, maar ze doet helaas wel afbreuk aan de illusie van authenticiteit, en dus geloofwaardigheid van de vertelde verhalen. Terwijl die op zich aangrijpend, ontroerend en ontregelend genoeg zijn.











