Goed, hè?

Recensie door: Daan Lameijer

Sommige boeken bereiken het tegenovergestelde van wat ze proberen. Neem de ‘openhartige’ biografie van Patrick Kluivert, die eindelijk het ware gezicht van de oud-spits zou tonen. Het charmeoffensief resulteert in een beschamend interview met Wilfried de Jong, die de voetballer in verlegenheid brengt. In 1995 rijdt Kluivert namelijk een theaterdirecteur dood en pas twee dagen voor publicatie van de biografie (2006) neemt hij contact op met diens familie. Elf jaar later. Weg oprechtheid. Denk ook aan het levensverhaal van de ‘sympathieke’ Erica Meiland. Zij wordt voor xenofoob versleten, na een vergelijking van moslima’s met pinguïns. En wat te denken van Lale Güls debuutroman? Sinds het verschijnen van Ik ga leven wordt haar bewegingsvrijheid drastisch ingeperkt door intimidaties. Dat is geen leven. Exact dit averechtse effect heeft ook De Liefdader van Stasio Komar.

Het verhaal moet voelen als de genadeloze ontmaskering van een Nederlandse weldoener in Brazilië. Het wordt een slap aftreksel van Multatuli’s Max Havelaar. Hoe komt dat? Alle elementen lijken aanwezig voor een nietsontziend relaas over een favela-viespeuk. Op het eerste gezicht, althans. De ondertitel van De Liefdader luidt ‘Een roman die een stem geeft aan hen die zwijgen’. Op de voorkaft blikken twee schichtige kereltjes door een sleutelgat, als in een Juliana Fonds-reclame. De lezer moet nu denken: ‘In dit boek gebeuren heel, heel duistere dingen.’ Dat is ook zo, maar de ernst wil maar niet beklijven door cruciale keuzes van de schrijver in stijl, inhoud en genre.

Rio de genre

Komar begint zijn verhaal met een DISCLAIMER, in kapitalen: ‘Personages, locaties, voorwerpen, sferen (…) in deze roman zijn fictief. Identificatie met bestaande personen, plaatsen of situaties is geheel toevallig.’ Dat Komar zelf hulpprojecten opgezet heeft in Brazilië, staat dus volledig los van de misstanden in zijn boek. Tegelijk bevat De Liefdader achterin een Braziliaans-Portugese woordenlijst en een overzicht van locaties, personages en organisaties. Voortdurend schippert de schrijver tussen lyrische, bedwelmende fictie en objectieve non-fictie. En nee, hier is geen sprake van een bewust postmodern spel dat het spanningsveld tussen beide aftast. De waarheid gaat ons lezers vol in ons gezicht slaan, belooft Komars motto: ‘De waarheid is een jas: wie hem niet past, beschuldigt de kleermaker.’ En terecht… Kleermaker Komar begaat immers flink wat weeffouten.

De schrijver is bloedserieus, maar blijft worstelen met de vraag welk genre zich voor zijn verhaal leent. Een documentaire? Een reportage? Een roman? Wie schandalen onthult, verdient altijd respect. Zo ook Stasio Komar. Maar wie het zo belangrijk vindt de waarheid boven tafel te krijgen, kan dat het beste onomwonden of met messcherpe satire doen. De Liefdader laat beide na. Het boek is soft, dus zouteloos. Wijdlopig, dus saai. Onbewust over de schrijvers vooroordelen, dus pijnlijk.

Via ik-persoon Julian Udazkovski brengt de auteur het kindermisbruik van weldoener Arno Burgers aan het licht. Vooral de jongens in de straatarme favela’s zijn niet veilig voor Burgers. Komar, zelf journalist van beroep, propt zijn boek echter vol met overtollige beschrijvingen die voor journalistieke precisie moeten doorgaan. Ze ergeren vooral. Doordat het boek slordig meandert van feit naar fabel en verhaal naar verslag, wiegen Komars woorden ons in coma. Dan wordt wakker schudden met de waarheid vrij lastig.

Bijvoeglijke naamwoorden

De auteur verwart raak observeren met heel veel informeren. Aan het begin van elk hoofdstuk hangt er weer een andere sfeer. Die moet steeds expliciet beschreven worden. En nadien worden uitgelegd. Op pagina één reeds dreigt een omineus onweer, het voorteken voor rampspoed: ‘Vanaf de oceaan breidde een dek van bewolking zich snel uit in de richting van de stad. Grijze wolken sloten zich aaneen en de opgestoken wind joeg de duisternis naar het vasteland. In de verte zigzagden al bliksemschichten. De zinderende lucht verbond zich met het water. De golvende spiegel ving miljoenen deeltjes. Verblindende flitsen volgden elkaar met steeds kortere tussenpozen op. Ineens was er een lange grafiekvormige bliksem die de hemel spleet. De eerste donderslag liet niet lang op zich wachten. Een paar aarzelende druppels spatten uiteen op de stoffige ruit.’ Dit belooft weinig goeds.

Op diezelfde pagina is de broeierige warmte rondom Rio de Janeiro viervoudig voelbaar, waarna de lezer beseft: dit wordt vijfhonderd pagina’s lang zweten en ploegen. Als het taalkundig mogelijk was geweest, dan had De Liefdader meer bijvoeglijke dan zelfstandige naamwoorden gehad: ‘Passerende auto’s veranderden het stoffige wegdek in een vieze brij.’ Kleine jongens in een opvangcentrum klappen mee met de muziek van de juf en doen dat ‘met hun handen’. De doorbrekende zon is ‘stoffig’. Kan dat überhaupt? Wat te denken van deze vergelijking, waarin Burgers zijn eigen stichting moet beoordelen: ‘Burgers keurde niet alleen zijn eigen vlees, hij mestte het ook nog vet, sabbelde er een tijdje aan en stuurde het dan naar zijn eigen abattoir.’ Oké, hij deugt inderdaad voor geen cent. Maar hoe zit het met die integere, nietsvermoedende Julian Udazkovski zelf?

Goede inborst of borstklopperij?

Zoals gezegd claimt deze roman een stem te geven aan wie zwijgen. Als Komar daarmee verwijst naar de misbruikte favela-kinderen, dan is de claim volkomen leeg. De enigen die uitgebreid focaliseren en dus een stem krijgen, zijn een alwetende verteller en Julian Udazkovski. Als mogelijk evenbeeld van Stasio Komar moet deze journalist natuurlijk uit de bus komen als de good guy. En dat Arno Burgers een hond van een vent is, moge duidelijk zijn. Wanneer deze zijn walgelijke gedrag richting een jonge bedelaar tentoonspreidt, biedt Julian wel heel weinig tegengas. Het blijft bij ‘Je gaat wel speels met die jongens om, hè?’ Omgekeerd geldt voor De Liefdader: is dit niet veel te soft? Los daarvan verdienen Julians omschrijvingen van de lokale bevolking pas echt hoongelach en afkeer. Naar het schijnt, hekelt Julian de exotisering van Braziliaanse jongeren. Zijn woordkeuze verraadt toch een andere houding.

Continu struikelt de lezer over Julians ongelukkige formuleringen als ‘tengere jongetjes’, ‘straathandelaartjes’, ‘donkere gestalten’ en meer neerbuigende termen. De auctoriale verteller maakt het nog bonter: ‘wulps’ als de misbruikte meisjes zich bewegen, ‘weten ze uitstekend hoe ze mannen gek moeten maken’ en hebben ze ‘precies de leeftijd waarop hun kleine billen nog lekker zijn’. Dit soort kapitale blunders had Komar kunnen voorkomen door te kiezen voor een personaal vertelperspectief. Dat plaatst je écht in de hersenpan van een praktiserend pedofiel. Door deze keuze niet te maken en de pedofilie afstandelijk doch feitelijk te willen omschrijven, kan Komar zich geen subjectiviteit veroorloven. Helaas gebeurt dat wel met een onvervalst verlekkerde male gaze; het misbruik klinkt onbedoeld erotisch. Au. Dit kan toch nooit de bedoeling zijn van een roman die beweert onrecht aan te kaarten?

Compliment voor Komar

Komar stelt zichzelf hetzelfde doel als Peter R. de Vries en Kees van der Spek: onrecht en misdaad bestrijden. Desnoods als machteloze eenling. Van dat soort mensen kunnen er nooit genoeg zijn. Dat is en blijft nobel aan Stasio Komar. Al had De Liefdader meer effect gehad als non-fictieboek. Bijvoeglijke naamwoorden en lyriek gaan moeilijk samen met misbruikpraktijken in Brazilië. En al helemaal als die tierelantijntjes het schandaal overschreeuwen.

 

 

Recent