De tien korte verhalen in Milde Klachten van Sanneke van Hassel hebben één ding gemeen: corona. Tegen de achtergrond van de coronapandemie beschrijft Van Hassel het isolement van haar personages. Met oog voor detail en een heldere stijl komen de verhalen vanzelfsprekend en ongedwongen uit de verf. Voor iedereen zo herkenbaar en tegelijkertijd is het nog moeilijk voor te stellen dat de hele wereld ‘in de ban van’ was. De glimlach achter het mondkapje, de perspexschermen op de toonbank, het niet handen geven, buiten afspreken of wachten tot je een winkel binnen mag. Maar ook eenzaamheid, angst, bedreigingen en bezorgdheid voor verlies van dierbaren zijn emoties die in de verhalen worden opgeroepen.
In niemand die het ziet wonen het ik-personage en Toby samen in een studentenhuis. Het meisje, de ik, houdt in een fluorescerend roze dagboek haar dagen bij. ‘In dit schrift wil ik vooral schrijven over de bijzondere tijd waarin ik ben beland. Van het ene op het andere moment zitten we met zijn allen thuis door een of ander virus.’ Het dagboek is geschreven in de typerende associatieve stijl van een twintigjarige, die haar dagen slijt met afwachten. Haar baantje in de plaatselijke kroeg is gestopt. Ze gaat hardlopen en geeft het typische straatbeeld weer van een Rotterdamse stadswijk (veel van de verhalen spelen in dezelfde wijk in Rotterdam) tijdens corona. Maar eigenlijk gaat het verhaal over haar schuldgevoel, omdat ze niet heeft gezien hoe haar huisgenoot Toby eraan toe is. Hij gaat veel uit en lijkt nogal onbereikbaar, ze slapen een keer samen en daarna ontwijkt hij haar. Totdat hij geheel onverwacht door zijn ouders wordt opgehaald.
Personages komen terug
In het tweede verhaal, 1 April, lezen we over het gezin Vuursteen tijdens de lockdown: vader, moeder, twee dochters en de cavia’s die iedere ochtend door de meisjes worden begroet. Vader Arjen houdt zich vooral bezig met het nauwgezet volgen van het coronanieuws, de doden en de regels. Moeder Colet verveelt zich en ergert zich ziek nu de souvenirwinkel waar ze werkt gesloten is. Om de jeu erin te houden bedenkt zij dat iedereen een 1 aprilgrap moet verzinnen. ‘Het is stil in huis. Zonnestralen vallen de diepe gang in waaraan de slaapkamers liggen. De deuren van de meisjeskamers staan een stukje open. Meneer Vuursteen heeft er een beker water opgezet. Zodra zijn dochters hun deuren verder opentrekken, zullen ze een flinke plens over zich heen krijgen. Haha, 1 april!’ Mevrouw Vuursteen heeft een nog veel ziekere grap bedacht.
In sommige verhalen komen dezelfde personen langs, wat de bundel een mooie eenheid geeft. Zo komt de studente terug in Zwevend balkon. Ze wil haar opa verrassen die in een verpleeghuis zit en dat was geen pretje tijdens de pandemie. Kleindochter mag hem niet bezoeken, dus huurt ze een hoogwerker met een bakje dat tot de derde verdieping reikt. Opa verschijnt op zijn balkon en zo kunnen ze even praten. Wat volgt is een ontroerende, maar ook nietszeggende dialoog en daarom veelzeggend. ‘”Mooi uitzicht heb je, opa,” zei ik. Tegenover het verpleeghuis stond een kerk, op de hoek van een laan met grote huizen en veel bomen. ”Laatst liep er een teckel, die wilde niet naar huis,” zei opa. “Die man had duidelijk haast en sleepte het beest over de grond mee. Kostelijk.”’
Ingeslopen gelatenheid
In het verhaal Geduld gaan drie oudere mensen, Marja, Hans en Renske, naar de Matthäus Passion in theater De Doelen in Rotterdam. Het mag weer, de regels zijn versoepeld. Uit de dialoog blijkt dat Marja en Hans de grootouders zijn van Toby uit In niemand die het ziet. Renske heeft haar man kort geleden verloren. Bijzonder aan dit verhaal is de perspectiefwissel, die steeds begint met een zin vanuit een (niet aanwezige) ik-verteller, om dan over te gaan in een van de drie anderen. ‘Er was veel jong publiek, wat ons verheugde. De afgelopen twee jaar hadden we onze kinderen en kleinkinderen minder gezien en het contact met de jeugd gemist. Toen Karin moest thuiswerken wilde Marja voor de jongens zorgen, maar haar dochter durfde het niet aan, hoewel ze bijna overspannen was geraakt.’ Zelfs buurvrouw Vuursteen uit het verhaal met de cavia’s loopt langs, uit het commentaar van de anderen blijkt dat ze niet dol op haar zijn.
In Haarden gaat een jonge vrouw vrijwilligerswerk doen in het vluchtelingenkamp Moria op Lesbos waar ze hele heftige dingen meemaakt. Na terugkeer logeert ze bij haar broer, maar het contact verloopt ongemakkelijk. Hij heeft weinig aandacht voor haar ervaringen en reageert pragmatisch en gevoelsarm. Illuminati gaat over twee jonge vrouwen die worden uiteengedreven door verschillende meningen over het coronabeleid. De Italiaanse Elissa in Berensporen wordt verteerd door heimwee naar Italië. Haar familieleden en vrienden sterven bij bosjes en zij is alleen. Ze werkt thuis, haar man is op reis en ze heeft de zorg voor haar zoontje. Ondertussen verlangt ze hevig naar lichamelijk contact. Het laatste verhaal, Panic Room, is het schrijnende voorbeeld van een huisarts in Oostenrijk die wordt bedreigd vanwege haar uitspraken in de media over vaccinatie.
Covid-19 is de verbindende protagonist op de achtergrond, maar in Milde klachten gaat het om de personages die in een onzinnige tijd hun leven zo goed mogelijk trachten voort te zetten. Er hangt een sfeer van gelatenheid over de mensen, wat de titel misschien verklaart. Dat maakt de verhalen niet hoogdravend, maar wel heel herkenbaar. Duidelijk wordt dat de impact van de pandemie bij iedereen sporen heeft achtergelaten. Wellicht zullen kinderen die in deze tijd geboren zijn, de verhalen over 25 jaar met interesse lezen. In die zin is deze bundel een waardevol document.









