In zijn boek Russische Spelen wijst Rolf Bos erop dat het besluit de oude Olympische Spelen nieuw leven in te blazen duidelijk gestoeld was op militaristische gronden. Er was fysiek deugdelijker kanonnenvoer nodig. Zowel de Fransman Pierre de Coubertin als de Russische generaal Aleksei Butovski waren onthutst over de slechte lichamelijke conditie van ‘hun jongens’ tijdens respectievelijk de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) en de Krimoorlog (1853-1856). Sport en politiek blijken onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat was toen zo en is ook nu nog ontegenzeglijk het geval. Zo stelde president Macron de vorming van een nieuwe regering op basis van een overduidelijke verkiezingsuitslag uit tot na de Spelen in 2024, omdat hem dit politiek beter uitkomt, en is Rusland niet welkom op de Spelen vanwege de oorlog in Oekraïne. Rolf Bos maakt die verwevenheid tussen sport en politiek in een uitgebalanceerde studie over de Russische Spelen van 1980 inzichtelijk.
De kleinheid van grote politiek
De toewijzing van de Spelen aan Moskou heeft een politieke achtergrond. De verhoudingen tussen Oost en West zijn in 1974 veel minder gespannen dan in de daaraan voorafgaande periode, mede als gevolg van wat genoemd wordt de Cadillacdiplomatie tussen de partijleider van de voormalige Sovjet- Unie, Leonid Breznjev, en de Amerikaanse president Richard Nixon. Breznjev is dol op mooie auto’s en tijdens elke ontmoeting tussen de beide heren krijgt hij er weer een cadeau. Door zijn beschrijving van dit soort onthutsende details over de grote politiek weet Rolf Bos een heerlijke leessfeer te creëren. Hoewel de toewijzing van de Spelen behoort tot de competentie van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) en niet tot die van nationale regeringen, zou tijdens zo’n toponderonsje in 1974 over de vermindering van kernwapens overeengekomen zijn de organisatie van de Olympische Spelen van 1980 aan Rusland te gunnen en die van 1984 aan de Verenigde Staten. Dit handjeklap-spelen tussen wereldleiders onderling met schoffering van het IOC, werd natuurlijk niet officieel geboekstaafd, maar de aanwijzingen daarvoor blijken wel erg overtuigend te zijn.
Voor de Amerikaanse president Carter ziet het er aan het eind van zijn eerste ambtstermijn in 1979 somber uit voor wat betreft zijn kansen op herverkiezing. Zijn populariteit is laag. De werkloosheidscijfers zijn hoog evenals de inflatiecijfers. De dollar daalt in waarde. Daarnaast is de Sjah als steunpilaar van de Amerikanen in Iran van het toneel verdwenen en vervangen door de Islamitische geestelijke Ayatollah Khomeiny en worden er al wekenlang Amerikaanse burgers gegijzeld in de ambassade in Teheran. Als dan in 1979 de Russen ook nog eens Afghanistan binnenvallen, is de maat voor president Carter vol en roept hij de internationale sportwereld op de Olympische Spelen in Moskou te boycotten. Hoewel de meeste westerse regeringen, behalve de Franse regering, gevolg geven aan deze oproep, geldt dit niet voor alle nationale Olympische Comités in die landen. Zo besluit het Nederlands Olympisch Comité (het NOC), evenals het Britse, de boycotoproep van hun regering niet te volgen en het aan de sporters zelf over te laten of zij willen deelnemen aan de Spelen of niet. De Bondsrepubliek voelt zich in die jaren nog niet bij machte een onafhankelijke koers van Amerika te varen. Dit geldt ook voor het West-Duitse Olympisch Comité ondanks het hartstochtelijke pleidooi van de gelauwerde Duitse schermer Thomas Bach. Sport blijkt eens te meer de barometer van de politieke verhoudingen te zijn.
Uit liefde voor de sport
Toch heeft Rolf Bos geen louter politiek boek willen schrijven. Hij laat zich kennen als een echte sportliefhebber. Met een gevoel van meeleven beschrijft hij hoe individuele sporters zich jarenlang hebben voorbereid op de Spelen en nu plotseling door een twijfelachtige politieke beslissing hun droom in rook zien opgaan. Het onrecht wordt diep gevoeld, dat de morele verontwaardiging over de Russische inval wel gaat ten koste van de individuele sporters, maar niet ten koste van grote bedrijven die flink verdienen aan de Spelen. Met veel warmte en respect verwerkt Rolf Bos in zijn boek het verhaal van de Nederlandse zilveren medaillewinnaar op de marathon Gerard Nijboer. We volgen hem tijdens zijn training langs de grachten van het roerige Amsterdam ten tijde van de kroning van Beatrix en overal de leuze ‘Geen woning, geen kroning!’, langs het beeld van Rembrandt, naar Ouderkerk, langs de oude Joodse begraafplaats en de polder De Ronde Hoep. We lezen over het drama van het 14-jarige zwemtalent Conny van Bentum die het in haar glorietijd moet opnemen tegen de afgevaardigden van de Duitse Doping Republiek en het juryschandaal rond de Roemeense turnster Nadia Comâneci en haar van woede briesende trainer Béla Károlyi. Tenslotte besteedt Bos ruim aandacht aan de mogelijkheden die journalisten hebben om in vrijheid hun reportages te maken in een stad die tevoren is ontdaan van bedelende kinderen en ander ongewenst volk. Hij beschrijft hoe journalisten als Mart Smeets en Barend en Van Dorp hun werk trachten te doen, hoe Alexander Munninghof op bezoek gaat bij Jelena Bonner, de vrouw van de beroemde dissident Andreï Sacharov in Moskou en hoe André Naber in het geheim per trein op bezoek probeert te gaan bij Sacharov zelf in de verboden dissidentenstad Gorki.
Tussen droom en werkelijkheid
Bos heeft een rijk boek geschreven, uitstekend gedocumenteerd en benaderd vanuit verschillende invalshoeken. Het gaat om de interactie tussen grote politiek en de weerslag daarvan op de individuele sporter, maar ook over moraliteit. De Olympische gedachte houdt in dat sport iets is voor iedereen, ongeacht politieke kleur, etnische afkomst, genderneutraal, rijk en arm. Sport zou de vertolker van vrede moeten zijn. Oorlogen worden stilgelegd en iedereen strijdt met elkaar op basis van gelijkwaardigheid. In zijn boek beschrijft Bos het verschil tussen droom en werkelijkheid, maar betoont hij zich een pleitbezorger van de droom. Kortom, Rolf Bos heeft een prachtig boek geschreven.











