De achtste roman van Philip Snijder, De verbindingen, heeft een onverwacht actueel thema, dat van de dienstplicht. Er is weer discussie over herinvoering daarvan in verband met de herbewapening en Europese oorlogsvoorbereiding.
Dat het boek aanhaakt op de actualiteit is begrijpelijk, maar de parallellen zijn ver te zoeken. Het boek gaat namelijk wel over dienstplichtige soldaten (en een enkele officier) maar dan in het historisch perspectief van kazernering in Duitsland eind jaren zeventig. De anonieme hoofdpersoon/verteller moet als soldaat in dienst en maakt daar een periode vol verveling, eenzaamheid, vernedering, gekmakende routine en oppervlakkige camaraderie mee. Voor een gevoelige jongen met een laag zelfbeeld en vol angsten geen geringe uitdaging.
Nieuwe kameraad
Het sleutelwoord in het boek is dat van de titel: verbindingen. Dat moet zowel letterlijk als figuurlijk genomen worden. Letterlijk omdat hij in dienst de functie van radiotelegrafist vervult, wat hem consequent de bijnaam ‘de Stekker’ oplevert. Een goed voorbeeld van de depersonalisering die de diensttijd – zeker toen – met iemand deed. Figuurlijk omdat de hoofdpersoon daar wanhopig naar op zoek is, verbinding. Daar slaagt hij eigenlijk niet in. Niet op school met slechts een schuchtere toenadering tot een onbereikbaar meisje, geen enkel contact met een afwezige en zieke vader, weinig liefde tussen hem en zijn moeder, nauwelijks banden met familie, later geen vrienden in zijn studiestad Amsterdam en een zich voortslepende relatie met vriendin Ingrid. En dan gebeurt er eindelijk toch wat.
Bij de keuring voor de militaire dienst ontmoet hij door toeval, ze staan achter elkaar in de rij, een wat mysterieuze jongen, Ronald, die er hippie-achtig uitziet. Ze gaan in gesprek – al heel wat voor de verteller – en ze trekken een paar uren met elkaar op. Maar op het einde slaagt hij er niet in met zijn mogelijk nieuwe kameraad iets af te spreken. Weer te lamlendig en te sloom. Maar dan volgt de tweede ontmoeting: de hippie duikt plotseling op als vaandrig (officier in opleiding) en pelotonscommandant op de Navo-basis Rugenstein in het Duitse Süssland. Hij lijkt onherkenbaar veranderd, heeft kort haar, is autoritair en kortaf en een verre schim van de goedmoedige hippie van een half jaar eerder. ‘Die Nazi’ noemen de soldaten hem achter zijn rug.
Ook dan durft de verteller de confrontatie niet aan. Hij wil natuurlijk in gesprek met Ronald maar slaagt daar steeds niet in. Opnieuw schuchter – zelfs bang dat de wetenschap bij de andere soldaten dat Ronald en hij elkaar kennen zijn toch al precaire positie als jongen zonder grote mond en durf verder in gevaar zal brengen. Na toch nog een nachtelijk gesprek met Ronald blijkt deze een bedoeling te hebben met zijn barse, autoritaire optreden. Als gevolg van het gesprek draait vaandrig Ronald als een blad aan de boom om en wordt vriendelijk, amicaal en extreem socialiserend met de manschappen waar hiërarchische afstand de absolute norm is. Deze gedaanteverwisseling moet onafwendbaar een keer mis gaan en zie, de weinig drinkende Ronald drinkt zich op de wekelijkse zuipavond in de manschappenkantine, waar hij eigenlijk niks te zoeken heeft, stomdronken. De gevolgen zijn radicaal: een maand militaire detentie en overplaatsing naar een onbetekenende functie.
De enige vreemde
De derde en laatste ontmoeting van de verteller met Ronald is zo mogelijk nog confronterender. De ik werkt na zijn diensttijd, het is dan 1980, als nachtreceptionist en schoonmaker in het verlopen toeristenhotel Bombay nabij het Damrak in Amsterdam. Tegen het einde van zijn dienst ziet hij dat de vrouwen-wc al heel lang bezet is. Ondanks veel roepen en kloppen komt er geen reactie. Hij breekt in en ziet tot zijn ontzetting een bewusteloze junk onder het bloed en kots op de tegels liggen. Deze slaat lodderig een oog open en de verteller herkent de eerdere hippie en vaandrig.
De verteller neemt zijn vroegere ‘kameraad’ na een wasbeurt mee naar een haveloze horecagelegenheid waarbij Ronald met veel Marsrepen een beetje tot leven komt en een relaas houdt over zijn jaren tussen de militaire detentie en zijn huidige status als heroïnejunk. De ik gaat terug naar het hotel om zijn dienst over te dragen en constateert daar dat met enig sloopgeweld de hele kassa inclusief de 250 gulden wisselgeld is ontvreemd.
De hoofdpersoon is – in huidig taalgebruik – nogal een loser. Zijn studie pedagogiek aan de UvA staakt hij, maar waarom en hoe is niet duidelijk. Vinden zijn ouders en vriendin Ingrid daar wat van? Hij neemt een baantje bij een papierwinkel waar niet bepaald de arbeidssatisfactie vanaf spat. Daaraan voorafgaand brengt hij zijn tijd door met ‘solitair pornobioscoopbezoek’ en ‘solitaire bessenjenever’. ’Door de onthechting die over me kwam in die pornozaaltjes steeg ik op uit dat leven, verhief ik me eruit als een leviterende Tibetaanse monnik. En vanuit de troebele wolken waarin mijn hoofd dan terechtkwam, kon ik dat leven daar onder me gelukkig nauwelijks zien’. Met ‘dat leven’ bedoelt de ik het studentenleven maar eigenlijk zijn hele leven. Daarin was hij ‘de enige vreemde’. Iedereen leek elkaar lang te kennen. ‘En daardoor vond ik mezelf dan weer een weke aansteller en een verachtelijke zeikerd.’
De relatie met Ingrid is flets. Bovendien leven ze in zijn tijd als nachtreceptionist letterlijk langs elkaar heen. Hij komt thuis als zij naar haar werk vertrekt. Als zij om tien uur naar bed gaat vertrekt hij naar het hotel. Bij de keuring voor de militaire dienst geeft hij ‘in een impuls’ aan dat hij niet kiest voor de officiersopleiding, waar hij als academicus in spe recht op heeft, maar ‘gewoon soldaat’ wil worden.
Feest der herkenning
De verbindingen bevat geestig beschreven scènes in militaire dienst en daarbuiten. Er valt veel te lachen. Snijder schrijft vlot en pakkend en als lezer is het genieten van de meestal niet al te fijnzinnige anekdotes over het dienstplichtigenleven van toen. Die gaan veelal over drank, grappen, pesten, sterke verhalen, seks en wonderlijke, voor buitenstaanders niet te doorgronden rituelen. Zeker voor lezers met eigen ervaringen in vooral de rol van de eenvoudige manschappen (‘zandhazen’) zal het boek een feest der herkenning zijn. Vrolijke treurigheid troef tegen de achtergrond van het Amsterdam van 1980, de tijd van krakers, drugs en verval. Voor lezers die daar wat minder mee hebben is het boek vermakelijk maar op afstand. De karakters en hun ontwikkeling zijn wat afstandelijk beschreven.
Interessant en intrigerend is het snel wisselende gedrag van de vaandrig-hippie-kunstenaar (want dat laatste is hij in het diepst van zijn gedachten) en junk Ronald. De verbindingen is een vlotte roman over een reeks belevenissen in het toenmalige systeem van militaire dienstplicht en het verlies van identiteit wanneer iemand een uniform draagt. De hoofdpersonen zijn bijzondere types: een slome aanpasser met een laag zelfbeeld die altijd het gesprek en zeker de confrontatie vermijdt, en een creatieveling die als beginnend kunstenaar de weg kwijt raakt. Je vraagt je af wat er van hen geworden is.











