Eén van de vertellers in de roman Wij, aanmaakhout is Miriam. Ze ontmoet in een Oegandees opvangcentrum vrouwen die ooit zijn ontvoerd door het Lord’s Resistance Army (LRA) van Joseph Kony (tegen hem loopt al sinds 2005 een arrestatiebevel), en weer een normaal leven proberen op te bouwen. Eén van die vrouwen is Maggie die haar vertelt dat er bezoek is geweest van een Canadese academica: ‘De vrouw was niet geïnteresseerd in de meest plastische getuigenissen, maar ze wilde weten wat er was gebeurd, waar en wanneer. Wie deed wat? Wie nam beslissingen? Hoe waren de structuren van het Verzetsleger van de Heer? Hoe functioneerde het? Maggie pijnigde haar hersenen om zich haar eigen verhaal te herinneren. De vrouwen vroegen elkaar wat ze zich herinnerden en bespraken onderling de impact die die gebeurtenissen en die tijd nog steeds op hun leven had’.
Na het vertrek van de academica bleven de vrouwen hun verhalen vertellen en vastleggen. De naam van de academica wordt in de roman niet genoemd, maar uit het dankwoord van de schrijfster, Otoniya J. Okot Bitek, blijkt dat het gaat om de Canadese onderzoekster Erin Baines. Zij is hoofddocent aan de Universiteit van British Columbia en gespecialiseerd in gedwongen ontheemding en gewapende conflicten. Ze is tevens medeoprichtster van het Justice and Reconciliation Project (JRP) in Gulu in het noorden van Oeganda. Okot Bitek, geboren in Kenia maar in Oeganda opgegroeid, ontmoette Baines in 2005 tijdens de zogenaamde GuluWalk. Die was georganiseerd door Amnesty International om aandacht te vragen voor de Oegandezen die slachtoffer waren van de op dat moment al negentien jaar durende oorlog tussen de regering en de LRA.
Overleveringen
Okot Bitek is dichteres. Met Wij, aanmaakhout schreef ze haar eerste roman. Die is gebaseerd op de vele verhalen (‘ododo’) van uit het LRA gevluchte vrouwelijke kindsoldaten zoals de al genoemde Miriam en Maggie. Ze heeft al die geschiedenissen op een indrukwekkende en poëtische manier vormgegeven om daarmee recht te doen aan wat ododo voor het Acholivolk, waartoe de meeste vrouwen behoren, óók zijn: lessen voor de toekomst in hun verteltraditie die aansluit bij vaak al generaties lang vertelde verhalen. Okot Bitek laat die overleveringen daarom voorafgaan aan haar eigen weergave van wat de vrouwen vertelden over hun ontvoering door de LRA, die hen had gekidnapt op scholen of in hun dorpen. Die overleveringen gaan bijvoorbeeld over een aap die de Katvis die hem op wil eten te slim af is, iets soortgelijks over de Rattenvanger van Kitgum en over een verslindende Reus die achter een haas aan zit.
De schrijfster gebruikt niet de namen van de meisjes die gedwongen werden als kindsoldaat te vechten. Bovendien heeft zij de herinneringen niet één op één naverteld maar het materiaal gebruikt om er haar eigen weefsel van te maken.
Haanvrouw
De fictieve vrouwen door wier ogen wordt teruggekeken op hoe de jonge tieners van school of uit hun dorp werden ontvoerd, in het LRA werden misbruikt en wisten te ontsnappen, zijn Miriam, Helen, Maggie, Josephine, Susannah en Lucy. De schrijfster geeft elk van hen haar eigen verteltrant. Maar enkele stijlfiguren van Okot Bitek zelf keren veelvuldig terug. Ze kiest bijvoorbeeld voor opsommingen die het effect hebben dat wat de meisjes overkwam bij de lezer extra binnenkomt: de voortdurende herhaling van vernederingen, aanrandingen en ontberingen. Zo bestaat het hoofdstuk ‘Gemurmel’ louter uit korte zinnen waarin de meisjes voor elkaar een naam bedachten en tegelijk de ware namen probeerden te verhullen.
Vaak gebruikt de schrijfster zinnen repetitief. Zo beginnen liefst zeven achtereenvolgende teksten over Susannah met dezelfde zin in nauwelijks verschillende variaties: ‘Er was eens een haanvrouw. Ze werd Twon-ne genoemd’. Na de zevende keer heeft de lezer een schrijnend beeld van haar belevenissen, van opvoeding tot en met de terugkeer in haar dorp.
De buik van de reus
Want laat duidelijk zijn dat de meisjes – inmiddels begin twintigers – niet altijd met begrip ontvangen werden in hun oorspronkelijke gemeenschap. Veel van hen hadden uit verkrachtingen geboren kinderen bij zich. Zoals Miriam vertelt: ‘Ik houd Helen voor dat ze niet moet leven alsof iedereen weet wat ons is overkomen. En zelfs als ze het denken te weten, weten ze er niets van. Ze weten alleen wat hun verteld is. Ze weten alleen wat ze zich denken voor te kunnen stellen. Ze kunnen onmogelijk weten wat er is gebeurd. Wij zijn het die de buik van de reus [verwijzing naar de legende van de Reus en de Haas] kennen’.
De titel van de roman, Wij, aanmaakhout, komt uit het relaas van Maggie. Zij vertelt hoe ze van haar oma leerde koken: hoe je brandhout moest sprokkelen: welk hout geschikt was om lang te branden en wat alleen als aanmaakhout was te gebruiken. Dat waren de meisjes in het LRA: aanmaakhout, ‘gebruikt om het vuur op gang te krijgen’.








